
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
The
Song of the Bee
Text
1-2:
S'rî
S'uka zei: 'Toen de vrouwen van Vraja hem, de dienaar van
Krishna, zagen met zijn lange armen, zo jong als hij was, met
zijn lotusogen, met een geel gewaad aan en een lotusslinger om
en met zijn stralende lotusgezicht en gepolijste oorhangers,
vroegen ze zich nogal verbluft af waar die knappe man vandaan
was gekomen en bij wie hij, met Krishna's kleren en opsier,
hoorde. Allen zo pratend dromden ze zich benieuwd samen om hem
heen die werd beschut door de lotusvoeten van Uttamas'loka
[de Heer Geprezen in de Geschriften].
S'ukadeva
Gosvâmî said: The young women of Vraja became
astonished upon seeing Lord Krishna's servant, who had long
arms, whose eyes resembled a newly grown lotus, who wore a
yellow garment and a lotus garland, and whose lotuslike face
glowed with brightly polished earrings. "Who is this
handsome man?" the gopîs asked. "Where has he come
from, and whom does he serve? He's wearing Krishna's clothes
and ornaments!" Saying this, the gopîs eagerly crowded
around Uddhava, whose shelter was the lotus feet of Lord
Uttamahs'loka, S'rî Krishna.
Text
3:
Met gepast
respect nederig voor hem buigend en verlegen glimlachend met
hun blikken, lieve woorden en dat alles, deden ze bij hem
navraag, nadat ze hem apart hadden genomen en plaats hadden
doen nemen op een kussen, daar ze begrepen hadden dat hij een
boodschapper was van de Meester van de Godin van het
Fortuin.
Bowing
their heads in humility, the gopîs duly honored
Uddhava with their shy, smiling glances and pleasing words.
They took him to a quiet place, seated him comfortably and
began to question him, for they recognized him to be a
messenger from Krishna, the master of the goddess of
fortune.
Text
4:
'We weten dat u
naar hier bent gekomen als de persoonlijke metgezel van de
aanvoerder van de Yadu's die als uw Meester u naar hier
gezonden heeft om met uw bemiddeling Zijn ouders een genoegen
te doen.
[The
gopîs said:] We know that you are the personal
servant of Krishna, the chief of the Yadus, and that you
have come here on the order of your good master, who desires
to give pleasure to His parents.
Text
5:
We zouden echt
niet weten wat er voor Hem anders voor gedenkwaardigs zou zijn
in dit koeiengebied; de banden der genegenheid voor iemands
verwanten zijn zelfs voor een wijze moeilijk te verzaken.
We
see nothing else He might consider worth remembering in
these cow pastures of Vraja. Indeed, the bonds of affection
for one's family members are difficult to break, even for a
sage.
Text
6:
Het belang
gesteld in anderen manifesteert zichzelf als vriendschap voor
zolang als het duurt; het is een voorwendsel zo goed als de
interesse die bijen tonen voor bloemen of die mannen tonen voor
vrouwen.
The
friendship shown toward others - those who are not family
members - is motivated by personal interest, and thus it is
a pretense that lasts only until one's purpose is fulfilled.
Such friendship is just like the interest men take in women,
or bees in flowers.
Text
7:
Publieke
vrouwen keren zich af van een berooid man, burgers keren zich
af van een incompetente koning, afgestudeerden gaan weg bij hun
leraar en priesters verlaat men na ze een vergoeding gegeven te
hebben.
Prostitutes
abandon a penniless man, subjects an incompetent king,
students their teacher once they have finished their
education, and priests a man who has remunerated them for a
sacrifice.
Text
8:
Vogels doen dat
met een boom die zijn vruchten kwijt is en gasten met het huis
waar ze aten; dieren verlaten het bos dat afbrandde en zo ook
doet een minnaar dat als hij eenmaal een bekoorde vrouw heeft
genoten.'
Birds
abandon a tree when its fruits are gone, guests a house
after they have eaten, animals a forest that has burnt down,
and a lover the woman he has enjoyed, even though she
remains attached to him.
Text
9-10:
De gopî's
met Uddhava, de boodschapper van Krishna die in hun midden was
aangekomen, zetten aldus, met hun praten, hun lichamen en hun
geesten gericht op Krishna, hun wereldse zorgen van zich af,
zonder schroom zingend en huilend in de intense herinnering aan
wat hun Lieveling allemaal had gedaan in Zijn kinder- en
jeugdjaren.
Thus
speaking, the gopîs, whose words, bodies and minds
were fully dedicated to Lord Govinda, put aside all their
regular work now that Krishna's messenger, S'rî
Uddhava, had arrived among them. Constantly remembering the
activities their beloved Krishna had performed in His
childhood and youth, they sang about them and cried without
shame.
Text
11:
Een
[aangemerkt als Râdhâ, zie
ook
*] die een
honingbij zag tijdens haar mediteren op de omgang met Krishna,
stelde zich die voor als een boodschapper gestuurd door haar
Geliefde en sprak het volgende:
One
of the gopîs, while meditating on Her previous
association with Krishna, saw a honeybee before Her and
imagined it to be a messenger sent by Her beloved. Thus She
spoke as follows.
Text
12:
De gopî
zei: 'O honingbij, jij vriend van een bedrieger, raak mijn
voeten niet aan met je haartjes waaraan de kunkum nog kleeft
van Zijn bloemenslinger die kwam van de borsten van onze
rivale; van Hem die een boodschapper als jij er op uit stuurt
heeft men een lage dunk in de vergadering der Yadu's - laat de
Heer van Madhu [in plaats daarvan Zelf] van genade zijn
voor de vrouwen! [prajalpa **]
The
gopî said: O honeybee, O friend of a cheater, don't
touch My feet with your whiskers, which are smeared with the
kunkuma that rubbed onto Krishna's garland when it was
crushed by the breasts of a rival lover! Let Krishna satisfy
the women of Mathurâ. One who sends a messenger like
you will certainly be ridiculed in the Yadus'
assembly.
Text
13
Nu Hij ons
eenmaal liet drinken van de nectar van Zijn
verstandsverbijsterende lippen, heeft Hij ons plotsklaps
verlaten alsof we maar wat bloemetjes zijn; ik vraag me af
waarom, net als jij [o bij], de godin van het geluk
[Padmâ] Zijn lotusvoeten dient - dat is zeker zo
omdat, helaas, door de praatjes van Krishna haar geest werd
gestolen [parijalpa ***].
After
making us drink the enchanting nectar of His lips only once,
Krishna suddenly abandoned us, just as you might quickly
abandon some flowers. How is it, then, that Goddess
Padmâ willingly serves His lotus feet? Alas! The
answer must certainly be that her mind has been stolen away
by His deceitful words.
Text
14
O meneertje
zespoot, waarom zing je hier zo druk over de Meester van de
Yadu's voor ons, oude vriendinnen van de Vriend van Vijaya
[Arjuna], die hun thuis achter zich lieten; je kan maar
beter over Zijn wederwaardigheden zingen voor de
[huidige] vriendinnetjes van wie Hij [nu] de
pijn van hun borsten heeft weggenomen - Zijn liefjes zullen je
het soelaas bieden dat je zoekt [vijalpa
*4].
O
bee, why do you sing here so much about the Lord of the
Yadus, in front of us homeless people? These topics are old
news to us. Better you sing about that friend of Arjuna in
front of His new girlfriends, the burning desire in whose
breasts He has now relieved. Those ladies will surely give
you the charity you are begging.
Text
15
Welke vrouwen
in de hemel, op aarde of lager zouden niet ter beschikking
staan van Hem zo misleidend met Zijn charmante glimlachen en
wenkbrauwbogen; wat is, als de echtgenote van de Fortuinlijke
van aanbidding is met het stof van de voeten, nu de waarde van
ons, wij voor wie zo miserabel Hij er tenminste is met de
geluidsklank 'Uttamas'loka' [ujjalpa *5]?
In
heaven, on earth or in the subterranean sphere, what women
are unavailable to Him? He simply arches His eyebrows and
smiles with deceptive charm, and they all become His. The
supreme goddess herself worships the dust of His feet, so
what is our position in comparison? But at least those who
are wretched can chant His name, Uttamahs'loka.
Text
16
Hou je koppetje
weg van mijn voet! Ik ken je wel, jij expert die als een
boodschapper van Mukunda de diplomatie van de vleierij leerde!
Waarom zou ik me met Hem verzoenen die ons zo ondankbaar heeft
verlaten, wij die ter wille van Hem in dit leven hun kinderen,
echtgenoten, en al het overige hebben opgegeven
[sañjalpa
*6]?
Keep
your head off My feet! I know what you're doing. You
expertly learned diplomacy from Mukunda, and now you come as
His messenger with flattering words. But He abandoned those
who for His sake alone gave up their children, husbands and
all other relations. He's simply ungrateful. Why should I
make up with Him now?
Text
17
Tegen de regels
in schoot Hij [als Râma, zie 9.10
& 11]
zo wreed als een jager de koning der apen neer
[Vâlî], liet Hij zich inpalmen door een
vrouw [Sîtâ], verminkte Hij een door lust
geplaagde vrouw [S'ûrpanakhâ, de zuster van
Râvana] en bond Hij, na Zijn eerbewijzen te hebben
genoten [als Vâmana], Bali vast als was hij een
kraai [zie 8.21];
daarom, genoeg over die Zwarte Knaap die van alle
vriendschappen zo moeilijk op te geven is als we ons verliezen
in de onderwerpen die Hem betreffen [avajalpa
*7].
Like
a hunter, He cruelly shot the king of the monkeys with
arrows. Because He was conquered by a woman, He disfigured
another woman who came to Him with lusty desires. And even
after consuming the gifts of Bali Mahârâja, He
bound him up with ropes as if he were a crow. So let us give
up all friendship with this dark-complexioned boy, even if
we can't give up talking about Him.
Text
18
De oren,
slechts een enkele keer in een druppel delend van de nectar van
het spel en vermaak dat Hij voortdurend aan de dag legde,
verwijderen iemand geheel van de dualiteit en richten terstond
het persoonlijke plichtsbesef te gronde, om reden waarvan vele
mensen alhier, met het afwijzen van hun armzalige huisjes en
families, als vogels er het levensonderhoud van het bedelen op
na houden [abhijalpa *8].
To
hear about the pastimes that Krishna regularly performs is
nectar for the ears. For those who relish just a single drop
of that nectar, even once, their dedication to material
duality is ruined. Many such persons have suddenly given up
their wretched homes and families and, themselves becoming
wretched, traveled here to Vrindâvana to wander about
like birds, begging for their living.
.
Text
19
Wij, met het
voor waar houden van Zijn misleidende woorden, hebben als de
dwaze ree-wijfjes van het zwarte hert vertrouwen stellend in de
lokroep van de jager, bij herhaling deze scherpe pijn van de
lust ervaren teweeg gebracht door de aanraking van Zijn
vingernagels; o boodschappenjongen, ik smeek je, heb het ergens
anders over [ajalpa *
9]!
Faithfully
taking His deceitful words as true, we became just like the
black deer's foolish wives, who trust the cruel hunter's
song. Thus we repeatedly felt the sharp pain of lust caused
by the touch of His nails. O messenger, please talk about
something besides Krishna.
Text
20
O lief
vriendje, ben je er door mijn Geliefde wederom op uitgestuurd?,
alsjeblieft kies wat je maar wilt, je verdient alle lof mijn
beste - waarom breng je naar ons hier deze tweevoud met Hem die
zo onmogelijk op te geven is; o aardig beestje, bevindt aan
Zijn zijde op Zijn borst zich niet altijd Zijn metgezellin, de
godin van het geluk S'rî [pratijalpa
*
10]?
O
friend of My dear one, has My beloved sent you here again? I
should honor you, friend, so please choose whatever boon you
wish. But why have you come back here to take us to Him,
whose conjugal love is so difficult to give up? After all,
gentle bee, His consort is the goddess S'rî, and she
is always with Him, staying upon His chest.
Text
21
Het is zeker
spijtig dat de zoon van Nanda zich nu in Mathurâ ophoudt;
herinnert Hij zich zo nu en dan de zaken van Zijn vaders
huishouden, Zijn vrienden en de koeherdersjongens, o grote
ziel, of ..., heeft Hij het in gesprekken nog over ons, de
dienstmaagden? Wanneer bestaat er een kans dat Hij Zijn naar
aguru ruikende hand op onze hoofden zal leggen [sujalpa
*
11]?'
O
Uddhava! It is indeed regrettable that Krishna resides in
Mathurâ. Does He remember His father's household
affairs and His friends, the cowherd boys? O great soul!
Does He ever talk about us, His maidservants? When will He
lay on our heads His aguru-scented hand?
Text
22
S'rî
S'uka zei: 'Uddhava, die hoorde hoezeer de koeherdersmeisjes
verlangden naar de aanblik van Krishna, sprak toen om ze tot
vrede te bewegen over de boodschappen van hun Lieveling.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having heard this, Uddhava then
tried to pacify the gopîs, who were most eager to see
Lord Krishna. He thus began relating to them the message of
their beloved.
Text
23
S'rî
Uddhava zei: 'Jullie die op deze manier jullie geesten hebben
gewijd aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva, zijn voorzeker
te aanbidden door alle mensen daar jullie daadwerkelijk aan het
levensdoel van jullie goede zielen hebben beantwoord [van
het gestalte geven aan onze emoties van omgaan met
Hem].
S'rî
Uddhava said: Certainly you gopîs are all-successful
and are universally worshiped because you have dedicated
your minds in this way to the Supreme Personality of
Godhead, Vâsudeva.
Text
24
Door
schenkingen, geloften [van armoe, celibaat en vasten],
offers, het bidsnoer [japa], door studie, en door je
naar binnen te keren je concentrerend en mediterend, en door
allerlei andere soorten van goedgunstige praktijken [zie
ook yama,
niyama,
vidhi
en bhâgavata
dharma]
wordt werkelijk in verhouding tot Krishna de bhakti, de
toegewijde dienst, gerealiseerd.
Devotional
service unto Lord Krishna is attained by charity, strict
vows, austerities and fire sacrifices, by japa, study of
Vedic texts, observance of regulative principles and,
indeed, by the performance of many other auspicious
practices.
Text
25
Door jullie
goede zelven jegens de Allerhoogste Heer die in verheven verzen
wordt verheerlijkt, hebben jullie - mijn complimenten - een
toewijding zonder weerga neergezet die zelfs voor de wijzen
moeilijk te bereiken is.
By
your great fortune you have established an unexcelled
standard of pure devotion for the Lord, Uttamahs'loka - a
standard even the sages can hardly attain.
Text
26
Tot jullie
goede geluk kozen jullie ervoor om jullie zonen, echtgenoten,
fysieke gemakken, verwanten en huizen achter te laten om omgang
te hebben met die superieure mannelijke persoonlijkheid genaamd
Krishna.
By
your great fortune you have left your sons, husbands, bodily
comforts, relatives and homes in favor of the supreme male,
who is known as Krishna.
Text
27
Door jullie
rechtmatige claimen van jullie welgemeende liefde in
gescheidenheid van Adhokshaya,
o glorieuze dames, hebben jullie mij [de Heer en
iedereen] een grote dienst bewezen.
You
have rightfully claimed the privilege of unalloyed love for
the transcendental Lord, O most glorious gopîs.
Indeed, by exhibiting your love for Krishna in separation
from Him, you have shown me great mercy.
Text
28
Alstublieft,
goede dames, luister naar wat het bericht voor jullie is van
jullie Geliefde, waarvoor ik, als een trouwe volgeling van mijn
Meester Zijn opdrachten, ben gekomen.
My
good ladies, now please hear your beloved's message, which
I, the confidential servant of my master, have come here to
bring you.
Text
29
De Opperheer
heeft gezegd: 'Jullie vrouwen zijn feitelijk nimmer gescheiden
van Mij, die er altijd is als de Ziel van Allen; net zoals al
de elementen, de ether, het vuur, de lucht, het water en de
aarde deel uitmaken van alle levende wezens, ben Ik net zo,
naar de elementen van de geest, de levensadem, de zinnen, en
hun natuurlijke geaardheden [guna, rasa en jalpa] er
als hun haven.
The
Supreme Lord said: You are never actually separated from Me,
for I am the Soul of all creation. Just as the elements of
nature - ether, air, fire, water and earth - are present in
every created thing, so I am present within everyone's mind,
life air and senses, and also within the physical elements
and the modes of material nature.
Text
30
In Mij schep,
vernietig en onderhoudt Ik waarlijk middels Mijzelf, met behulp
van de macht van Mijn begoochelend vermogen dat bestaat uit de
elementen, de zinnen en de geaardheden.
By
Myself I create, sustain and withdraw Myself within Myself
by the power of My personal energy, which comprises the
material elements, the senses and the modes of
nature.
Text
31
De ziel vol van
zuivere geestelijke kennis is naar het effect van de
geaardheden onberoerd met wat wordt waargenomen middels de
functies van de diepe slaap, de droomslaap en het
waakbewustzijn.
Being
composed of pure consciousness, or knowledge, the soul is
distinct from everything material and is uninvolved in the
entanglements of the modes of nature. We can perceive the
soul through the three functions of material nature known as
wakefulness, sleep and deep sleep.
Text
32
Wat men
mediteert met de zintuigen die hun voorwerpen najagen is vals,
zoals een droom dat is bij het ontwaken; alert blijvend behoort
men datgene onder controle te brengen wat zich [in de
geest] via de zinnen verzamelt [vergelijk B.G.
2:
68 en
6:
35-36].
As
a person just arisen from sleep may continue to meditate on
a dream even though it is illusory, so by the agency of the
mind one meditates on the sense objects, which the senses
can then obtain. Therefore one should become fully alert and
bring the mind under control.
Text
33
Dit, net als al
de rivieren die eindigen in de oceaan, is van de intelligenten
de eindconclusie van alle vedische studies, yoga, analyse,
verzaking, boete, zinsbeheersing en waarheidlievendheid
[vergelijk B.G. 2:
70].
According
to intelligent authorities, this is the ultimate conclusion
of all the Vedas, as well as all practice of yoga,
Sânkhya, renunciation, austerity, sense control and
truthfulness, just as the sea is the ultimate destination of
all rivers.
Text
34
Het feit dan
dat Ik, jullie ogen zo dierbaar, inderdaad Me zo ver van jullie
vandaan bevindt, is naar Mijn wilsbeschikking dat jullie, in
jullie grote zorg om Mij, zijn gehecht in de
geest.
But
the actual reason why I, the beloved object of your sight,
have stayed far away from you is that I wanted to intensify
your meditation upon Me and thus draw your minds closer to
Me.
Text
35
Want de geesten
van vrouwen blijven verzonken als degene die hen het meest
dierbaar is ver weg is en niet zo zeer de geesten van hen die
hem voor zich aanwezig hebben.
When
her lover is far away, a woman thinks of him more than when
he is present before her.
Text
36
Jullie geesten
volledig opgegaan in Mij, met het vanwege Mij voortdurend
herinneren opgegeven hebben van al de rusteloosheid, zullen
spoedig Mij verwerven.
Because
your minds are totally absorbed in Me and free from all
other engagement, you remember Me always, and so you will
very soon have Me again in your presence.
Text
37
Zij die hier in
Vraja bleven terwijl Ik Me 's nachts vermaakte in het bos
[zie 10.29.9],
en aldus niet de râsadans meebeleefden, waren fortuinlijk
daar zij Mij bereikten door zich te concentreren op Mijn
heldendaden.'
Although
some gopîs had to remain in the cowherd village and so
could not join the râsa dance to sport with Me at
night in the forest, they were nonetheless fortunate.
Indeed, they attained Me by thinking of My potent
pastimes.
Text
38
S'rî
S'uka zei: 'De vrouwen van Vraja met het vernemen van de
aanwijzingen van hun Geliefde op deze manier gegeven, spraken
toen, blij zich met de berichtgeving weer te herinneren, tot
Uddhava.
S'ukadeva
Gosvâmî said: The women of Vraja were pleased to
hear this message from their dearmost Krishna. His words
having revived their memory, they addressed Uddhava as
follows.
Text
39
De gopî's
zeiden: 'Gelukkig is de oorzaak van het lijden, de vijand van
de Yadu's Kamsa, tezamen met zijn volgelingen ter dood
gebracht. Hoe goed dat Acyuta op het ogenblik gelukkig en wel
leeft met degenen Hem welgezind die alles hebben bereikt wat ze
verlangden.
The
gopîs said: It is very good that Kamsa, the enemy and
persecutor of the Yadus, has now been killed, along with his
followers. And it is also very good that Lord Acyuta is
living happily in the company of His well-wishing friends
and relatives, whose every desire is now fulfilled.
Text
40
O zachtgeaarde,
misschien schenkt de oudere broer van Gada [Krishna, zie
9.24:
46] de
vrouwen van de stad, die Hem vol genegenheid en verlegen
vereren met uitnodigende glimlachen en blikken, de liefde die
ons toebehoort.
Gentle
Uddhava, is the elder brother of Gada now bestowing on the
city women the pleasure that actually belongs to us? We
suppose those ladies worship Him with generous glances full
of affectionate, shy smiles.
Text
41
Hoe raakt onze
Lieveling, zo goed thuis in al de zaken van de liefde, nu niet
in de ban van de zinsbegoochelende gebaren en woorden van de
vrouwen in de stad, die ook [net als wij] constant van
aanbidding zijn?
S'rî
Krishna is expert in all kinds of conjugal affairs and is
the darling of the city women. How can He not become
entangled, now that He's constantly adored by their
enchanting words and gestures?
Text
42
En... herinnert
Krishna, o vrome, Zich ons wel; brengt Hij ons, dorpsmeisjes,
ooit ter sprake als Hij vrijuit praat in het gezelschap van de
vrouwen van de stad?
O
saintly one, does Govinda ever remember us during His
conversations with the city women? Does He ever mention us
village girls as He freely talks with them?
Text
43
Herinnert Hij
zich die nachten waarin Hij zich vermaakte in Vrindâvana,
zo betoverend door de lotus, de jasmijn en de maan, tezamen met
ons Zijn geliefde vriendinnen, die altijd vol lof over Hem zijn
met Zijn bekoorlijke verhalen, dansend met tinkelende
enkelbelletjes?
Does
He recall those nights in the Vrindâvana forest,
lovely with lotus, jasmine and the bright moon? As we
glorified His charming pastimes, He enjoyed with us, His
beloved girlfriends, in the circle of the râsa dance,
which resounded with the music of ankle bells.
Text
44
Zal die nazaat
van Das'ârha naar hier komen om, met Zijn aanraking
wellicht, ons, die gekweld zijn door het verdriet waar hij Zelf
aanleiding toe gaf, weer tot leven te wekken, net als Indra zou
met [het weer opnieuw doordrenken van] een bos met zijn
wolken?
Will
that descendant of Das'ârha return here and by the
touch of His limbs bring back to life those who are now
burning with the grief He Himself has caused? Will He save
us in that way, just as Lord Indra brings a forest back to
life with his water-bearing clouds?
Text
45
Maar waarom zou
Krishna naar hier komen nu dat Hij, omringd door al Zijn
steunbetuigers, gelukkig is een koninkrijk verworven te hebben,
met Zijn vijanden gedood en getrouwd met de dochters van
koningen?
But
why should Krishna come here after winning a kingdom,
killing His enemies and marrying the daughters of kings?
He's satisfied there, surrounded by all His friends and
well-wishers.
Text
46
Wat zouden wij,
vrouwen van het bos - of ook andere vrouwen, nou jegens Hem, de
grote Ziel en echtgenoot van de godin van het geluk van Wie
alle wensen in vervulling zijn gegaan, ons nog als een te
vervullen taak kunnen stellen; Hij is volkomen in
Zichzelf!
The
great soul Krishna is the Lord of the goddess of fortune,
and He automatically achieves whatever He desires. How can
we forest-dwellers or any other women fulfill His purposes
when He is already fulfilled within Himself?
Text
47
Het hoogste
geluk vindt men inderdaad in het niet hopen op enig ander iets,
zo stelde dat zelfs Pingalâ [een courtisane, zie
11.8],
niettemin is het voor ons, die zo gebrand op Krishna zich
daarvan bewust zijn, moeilijk om geen hoop te
koesteren.
Indeed,
the greatest happiness is to renounce all desires, as even
the prostitute Pingalâ has declared. Yet even though
we know this, we cannot give up our hopes of attaining
Krishna.
Text
48
Wie kan het
verdragen het op te geven er een vooropgezet idee op na te
houden met Uttamas'loka, van wiens lichaam de godin, ookal
begeert Hij niet, nimmer wijkt.
Who
can bear to give up intimate talks with Lord Uttamahs'loka?
Although He shows no interest in her, Goddess S'rî
never moves from her place on His chest.
Text
49
Met Sankarshana
als Zijn metgezel leefde Krishna, o prabhu, met de rivieren, de
heuvels en de plaatsen in het bos, de koeien en de geluiden van
de fluit.
Dear
Uddhava Prabhu, when Krishna was here in the company of
Sankarshana, He enjoyed all these rivers, hills, forests,
cows and flute sounds.
Text
50
Ah!, keer op
keer doen zij met de goddelijke afdrukken van Zijn voeten ons
weer denken aan de zoon van Nanda die we waarlijk nimmer kunnen
vergeten.
All
these remind us constantly of Nanda's son. Indeed, because
we see Krishna's footprints, which are marked with divine
symbols, we can never forget Him.
Text
51
O, hoe kunnen
wij, wiens harten werden gestolen door Zijn gang, Zijn speelse
blikken, Zijn gulle charmante glimlachen en nectargelijke
woorden, nu Hem vergeten?
O
Uddhava, how can we forget Him when our hearts have been
stolen away by the charming way He walks, His generous smile
and playful glances, and His honeylike words?
Text
52
O Meester,
Meester van de Godin, Meester van Vraja, o Vernietiger van het
Lijden, o Govinda hef Gokula op uit de oceaan van de
misère waarin ze is ondergedompeld!'
O
master, O master of the goddess of fortune, O master of
Vraja ! O destroyer of all suffering, Govinda, please lift
Your Gokula out of the ocean of distress in which it is
drowning!
Text
53
S'rî
S'uka zei: 'Zij, met de koorts van hun gescheidenheid verdreven
door Krishna's boodschappen, aanbaden hem toen, hem als
Adhokshaja
Zelve herkennend.
S'ukadeva
Gosvâmî continued: Lord Krishna's messages
having relieved their fever of separation, the gopîs
then worshiped Uddhava, recognizing him as nondifferent from
their Lord, Krishna.
Text
54
Daar nog een
paar maanden verblijvend al zingend over de onderwerpen van
Krishna's spel en vermaak, verzette hij Gokula in vreugde met
het verdrijven van het verdriet van de gopî's.
Uddhava
remained there for several months, dispelling the
gopîs' sorrow by chanting the topics of Lord Krishna's
pastimes. Thus he brought joy to all the people of
Gokula.
Text
55
Al de dagen dat
Uddhava zich ophield in Nanda's koeherdersdorp verstreken voor
de bewoners van Vraja als in een oogwenk, omdat ze allen gevuld
waren met het bespreken van Krishna.
All
the days that Uddhava dwelled in Nanda's cowherd village
seemed like a single moment to the residents of Vraja, for
Uddhava was always discussing Krishna.
Text
56
Met de aanblik
van de rivieren, de bossen, de bergen, de valleien en de
bloesemende bomen, schiep de dienaar van de Heer er genoegen in
de mensen van Vraja te inspireren over Krishna.
That
servant of Lord Hari, seeing the rivers, forests, mountains,
valleys and flowering trees of Vraja, enjoyed inspiring the
inhabitants of Vrindâvana by reminding them of Lord
Krishna.
Text
57
Dit alles en
nog meer van de gopî's hun volledige verzonkenheid in
Krishna opmerkend alsmede hun beroering ermee, was Uddhava
buitenmate verheugd en zong hij, ze alle respect betuigend, het
volgende:
Thus
seeing how the gopîs were always disturbed because of
their total absorption in Krishna, Uddhava was supremely
pleased. Desiring to offer them all respect, he sang as
follows.
Text
58
'Deze vrouwen,
met succes hun lichamen handhavend op deze aardkloot als
koeherdersvrouwen er exclusief voor Govinda, de Ziel van Allen,
hebben geheel op zichzelf de volmaaktheid bereikt in hun
liefdevolle extase - een liefde die wordt begeerd door zowel
ons als door de wijzen beducht op een materieel bestaan; wat
heeft het voor een nut om gezegend te zijn met de
[drie] geboorten van een brahmaan [uit zijn moeder,
zijn goeroe en zijn offeranden] als men de smaak te pakken
heeft van de onderwerpen van de Onbegrensde
Heer?
[Uddhava
sang:] Among all persons on earth, these cowherd women
alone have actually perfected their embodied lives, for they
have achieved the perfection of unalloyed love for Lord
Govinda. Their pure love is hankered after by those who fear
material existence, by great sages, and by ourselves as
well. For one who has tasted the narrations of the infinite
Lord, what is the use of taking birth as a high-class
brâhmana, or even as Lord Brahmâ himself?
Text
59
Waar bevindt
men zich vergeleken met deze vrouwen die, onzuiver in hun
gedrag jegens Krishna, rondtrekken door de bossen; waar is men
nu vergeleken met dit stadium van volmaakte liefde voor de
Opperziel? - zeker vergunt de Beheerser aan degene die van
constante aanbidding is, zelfs al is die niet zo geschoold,
rechtstreeks het hoogste goed, dat in zich opgenomen werkt als
de allerbeste van alle medicijnen [d.w.z.: ongeacht de
persoon].
How
amazing it is that these simple women who wander about the
forest, seemingly spoiled by improper behavior, have
achieved the perfection of unalloyed love for Krishna, the
Supreme Soul! Still, it is true that the Supreme Lord
Himself awards His blessings even to an ignorant worshiper,
just as the best medicine works even when taken by a person
ignorant of its ingredients.
Text
60
Dit was, hoe
jammer, niet de godin zo intiem betrokken aan Zijn borst
gegeven, dit was niet de vrouwen van de hemel met het aroma en
de luister van een lotusbloem vergund, en het was al helemaal
niet aan anderen gegeven om de zegen van de armen van Heer
Krishna om hun nekken deelachtig te zijn, zoals de schoonheden
van Vraja dat bleken te bereiken in de râsa-dans
[10.33].
When
Lord S'rî Krishna was dancing with the gopîs in
the râsa-lîlâ, the gopîs were
embraced by the arms of the Lord. This transcendental favor
was never bestowed upon the goddess of fortune or other
consorts in the spiritual world. Indeed, never was such a
thing even imagined by the most beautiful girls in the
heavenly planets, whose bodily luster and aroma resemble the
lotus flower. And what to speak of worldly women who are
very beautiful according to material estimation?
Text
61
Oh, laat mij
verkeren in toewijding tot het stof van de lotusvoeten van de
gopî's in Vrindâvana; laat mij een van de struiken,
klimplanten of kruiden zijn [daar in verhouding] tot
hen die, in aanbidding van de voeten van Mukunda naar wie men
op zoek is met behulp van de Veda's, het opgaven met het pad
van de burgerlijke correctheid en met de familieleden die zo
moeilijk achter te laten zijn.
The
gopîs of Vrindâvana have given up the
association of their husbands, sons and other family
members, who are very difficult to give up, and they have
forsaken the path of chastity to take shelter of the lotus
feet of Mukunda, Krishna, which one should search for by
Vedic knowledge. Oh, let me be fortunate enough to be one of
the bushes, creepers or herbs in Vrindâvana, because
the gopîs trample them and bless them with the dust of
their lotus feet.
Text
62
De voeten van
de Opperheer van wie de godin, de ongeborene, en de andere
goden, zelfs al zijn ze volleerd als meesters in de yoga,
alleen maar kunnen dromen, werden door hen werkelijk in de
bijeenkomst van de râsa-dans op hun borsten geplaatst,
zodat door die omhelzing hun nood werd bedwongen.
The
goddess of fortune herself, along with Lord Brahmâ and
all the other demigods, who are masters of yogic perfection,
can worship the lotus feet of Krishna only within her mind.
But during the râsa dance Lord Krishna placed His feet
upon these gopîs' breasts, and by embracing those feet
the gopîs gave up all distress.
Text
63
Bij het stof
van de voeten van de koeherdersvrouwen van Vraja, door wiens
luide zingen van de verhalen over Krishna de drie werelden
worden gezuiverd, keer op keer mijn eerbetuigingen.'
I
repeatedly offer my respects to the dust from the feet of
the women of Nanda Mahârâja's cowherd village.
When these gopîs loudly chant the glories of
S'rî Krishna, the vibration purifies the three
worlds.
Text
64
S'rî
S'uka zei: 'Toen met het van de gopî's, van Yas'odâ
en Nanda als ook van de gopa's verkrijgen van toestemming om te
vertrekken, besteeg de nazaat van Das'ârha, klaar om er
op uit te rijden, zijn wagen.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Uddhava, the descendant of
Das'ârha, then took permission to leave from the
gopîs and from mother Yas'odâ and Nanda
Mahârâja. He bade farewell to all the cowherd
men and, about to depart, mounted his chariot.
Text
65
Hem terwijl hij
vertrok benaderend spraken Nanda en de anderen, met de
verschillende artikelen van aanbidding in hun handen, vol
genegenheid met tranen in hun ogen.
As
Uddhava was about to leave, Nanda and the others approached
him bearing various items of worship. With tears in their
eyes they addressed him as follows.
Text
66
'Mogen onze
zinvermogens zich immer beroepen op de beschutting van de
lotusvoeten van Krishna, mogen onze woorden uitdrukking geven
aan Zijn namen en mogen onze lichamen zich verbuigend en dat
alles, dat doen te Zijnent wille.
[Nanda
and the other cowherds said:] May our mental functions
always take shelter of Krishna's lotus feet, may our words
always chant His names, and may our bodies always bow down
to Him and serve Him.
Text
67
Waar we voor
ons werk naar de wil van de Beheerser ook worden heengeleid om
rond te trekken, moge daar, van wat we doen en wegschenken in
liefdadigheid, het goedgunstige zijn in onze gehechtheid aan
Krishna onze Heer.'
Wherever
we are made to wander about this world by the Supreme Lord's
will, in accordance with the reactions to our fruitive work,
may our good works and charity always grant Us love for Lord
Krishna.
Text
68
Nadat de gopa's
hem aldus hadden geëerd met Krishna-bhakti, o eerste onder
de mensen, keerde Uddhava terug naar de stad Mathurâ die
zich nu onder Krishna's hoede bevond.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] O ruler of men, thus
honored by the cowherd men with expressions of devotion for
Lord Krishna, Uddhava went back to the city of
Mathurâ, which was under Krishna's protection.
Text
69
Voor Krishna
neergevallen om Hem de eer te bewijzen, vertelde hij Hem over
de intense toewijding van de ingezetenen van Vraja en
overhandigde hij aan Vasudeva, Balarâma en de koning
[Ugrasena] de zoenoffers die waren meegegeven.
After
falling down to pay his homage, Uddhava described to Lord
Krishna the immense devotion of the residents of Vraja.
Uddhava also described it to Vasudeva, Lord Balarâma
and King Ugrasena and presented to them the gifts of tribute
he had brought with him.
*
: Om de claim kracht bij te zetten dat het hier om
Râdhâ handelt, citeert S'rîla Jîva
Gosvâmî de volgende verzen uit de Agni
Purâna:
"Bij
het ochtendgloren deden de gopî's navraag bij de dienaar
van Krishna, Uddhava, over de Heer Zijn tijdverdrijf en
wederwaardigheden. Alleen S'rîmatî
Râdhârânî, verzonken in gedachten over
Krishna, zag af van haar belang in de gesprekken. Toen sprak
Râdhâ, die wordt aanbeden door de bewoners van Haar
Vrindâvana dorp, zich uit temidden van Haar vriendinnen.
Haar woorden waren vol van zuivere transcendentale kennis en
gaven uitdrukking aan het allerbeste gedeelte van de
Veda's."
**:
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî geeft aan dat
deze en de volgende negen verzen een voorbeeld vormen van de
tien soorten van impulsieve spraak [citra-jalpa of vreemde
praatjes] geuit door een geliefde als uitdrukkingen van
hemelse gekte of goddelijke waanzin [divyonmâda].
S'rîla Rûpa Gosvâmî in de
Ujjvala-nîlamani (14.182) zegt over deze
uitdrukking:
"Prajalpa
is de spraak die de tactloosheid van iemands geliefde aan de
kaak stelt met uitdrukkingen van disrespect. Het wordt
uitgesproken in een jaloerse en trotse gesteldheid."
***
Ujjvala-nîlamani (14.184): 'Parijalpa is die spraak
welke, met verschillende middelen, bewijs levert van de eigen
slimheid door te wijzen op de genadeloosheid, dubbelhartigheid,
onbetrouwbaarheid en zo voorts van iemands Heer van
aanbidding.'
*4
Ujjvala-nîlamani (14.186): "Volgens de geschoolde
autoriteiten, is vijalpa sarcastische spraak die gericht is op
de doder van Agha en die openlijk uitdrukking geeft aan de
jaloezie terwijl tegelijkertijd de aandacht wordt gevestigd op
de eigen kwaaie trots."
*5
Ujjvala-nîlamani (14.188): "De verklaring van Heer
Hari's dubbelhartige natuur in een verwijtende toon geboren uit
trots, tezamen met jaloers uitgesproken beledigingen tegen Hem
gericht, is door de wijzen met ujjalpa
aangeduid."
*6
Ujjvala-nîlamani (14.190): "De geschoolden beschrijven
sañjalpa als die spraak welke zich met diepe ironie en
beledigende gebaren beklaagt over de ondankbaarheid enzovoorts
van de geliefde."
*7
Ujjvala-nîlamani (14.192): "Geheiligde personen hebben
geconcludeerd dat als een minnares, gedreven door jaloezie en
vrees, verklaart dat Heer Hari haar gehechtheid niet waard is
vanwege zijn wreedheid, lustmatigheid en oneerlijkheid, dat
dergelijke spraak dan avajalpa heet."
*8
Ujjvala-nîlamani (14.194): "Als een minnares indirect
met grote spijt stelt dat haar geliefde in aanmerking komt de
bons te krijgen, dat dergelijke spraak, geuit als het
klagelijke schreeuwen van een vogel, abhijalpa wordt
genoemd."
*9
Ujjvala-nîlamani (14.196): "Een uitlating vol van
weerzin, die beschrijft hoezeer de minnaar vol van bedrog is en
iemand ellende brengt, en eveneens in zich sluit dat Hij
anderen geluk brengt, staat bekend als
âjalpa."
*10
Ujjvala-nîlamani (14.198): "Als de minnares nederig
stelt dat hoewel ze het niet waard is haar geliefde te bereiken
ze de hoop op een liefdesrelatie met Hem niet op kan geven,
worden dergelijke woorden, uitgesproken met respect voor de
boodschap van haar geliefde, pratijalpa genoemd."
S'rîla
Vis'vanâtha Cakravartî verklaart dat de godin van
het geluk, S'rî, de macht heeft om vele verschillende
gedaanten aan te nemen. Dus als Krishna andere vrouwen geniet,
blijft ze op Zijn borst aanwezig in de vorm van een gouden
lijn. Als Hij zich niet ophoud met andere vrouwen, legt ze deze
gedaante af en schenkt ze hem plezier in haar natuurlijke mooie
gedaante van een jonge vrouw.
*11
Ujjvala-nîlamani (14.200): "Als, eerlijk en oprecht,
een minnares S'rî Hari op een ernstige wijze, nederig,
wijfelachtig en gretig betwijfelt, staat een dergelijke spraak
bekend als sujalpa."
