
Canto
2
Hoofdstuk 7: Korte Beschrijving van de Voorgaande en Komende Avatâra's.
(1) De Schepper zei: 'Toen de Heer trachtte de aarde op te heffen uit de grote oceaan [- de Garbodhaka], nam Hij als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aan van het totaal van alle offers in confrontatie met de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als was Hij een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand [Hem beschouwd als de everzwijn-avatâra Varâha].(2) Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van de Prajâpati, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ ['de beloning'] de goddelijken ter wereld bracht aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie'] waardoor Hij het lijden van de drie werelden aanzienlijk verminderde en om reden waarvan de vader van de mensheid genaamd Svâyambhuva Manu, Hari [de Heer] werd genoemd.
(3) Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de twee maal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de baarmoeder van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] begeleid door negen vrouwen. Zijn moeder onderrichtend als Heer Kapila ['de analytische'] in spirituele zelfverwerkelijking, werd zij in dat leven verlost van de ziel-overdekkende materiële geaardheden en bereikte ze de bevrijding.
(4) De wijze Atri die bad voor nageslacht, beloofde ik, tevreden over zijn overgave, dat de Opperheer geboorte zou nemen als Datta [Dattâtreya, hij die geschonken werd], van wie het stof van Zijn lotusvoeten het mystieke lichaam zuiverde van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.
(5) Omdat ik eerst sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-Kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor, was de spirituele waarheid verwoest in de onderdompeling van de wereld, maar werd ze volledig duidelijk met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden.
(6) Uit Mûrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtgeaardheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de weg van de mens']. Aldus [in die nederdaling] in het zien van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen zou de Allerhoogste Heer nimmer zijn geloften gebroken zien door de hemelse schoonheden die met Cupido [de god van de liefde] tot hem kwamen. (7) Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Voor dat echter, met Hem van binnen, is de lust bang naar voren te treden. Hoe kan die feitelijk weer de aandacht vragen met Hem in de geest?
(8) Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen geuit door een bijvrouw, zelfs in de aanwezigheid van de koning, nam [Hij als] een jongen zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud en vestigde daarmee het doel van de realisatie van Dhruva ['de onverzettelijke'] met het voor Hem bidden naar de tevredenheid van de bewoners van de hemel zoals de grote wijzen dat sedertdien altijd doen opstijgend en weer nederdalend van die positie [zie ook het vierde Canto].
(9) Toen de tweemaal geboren, vervloekte koning Vena ['de bezorgde'], afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een bliksemslag en kwam hij met al zijn grote daden en weelde in de hel terecht. Nadat er voor Hem was gebeden bevrijdde Hij hem naar de aarde komend als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] zowel realiserend dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.
(10) Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî om te gaan voor de zekerheid van het uitgebalanceerd zijn in de aangelegenheid van de yoga, hetgeen door de geleerde wijzen wordt geaccepteerd als het hoogste stadium van volmaaktheid, waarin men het zelfverzonkene aanvaard in het terugdringen van de aktiviteiten van de zintuigen, volmaakt bevrijd zijnd van materiële invloeden.
(11) In een offerande van mij verscheen de Allerhoogste Heer [genaamd Hayagrîva], met een hoofd als dat van een paard en wordt Hij aldus beschouwd als de Persoonlijkheid van de Offers met een gouden glans door wiens ademen door Zijn neusgaten de geluiden van de vedische hymnen, persoonlijke offerandes en alles wat de [super-] ziel van het goddelijke aangaat kan worden gehoord.
(12) Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk dat Heer Matsya ['de vis'] de toevlucht is voor alle levende wezens tot aan de aardsen, vanwege waarvan uit de grote angst voor de wateren, de toevlucht tot mijn mond genomen hebbende, daarvan zeker al de Veda's konden worden genoten.
(13) Toen in de oceaan van melk [kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, groot] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma] dat het over Zijn rug schuurde en jeukte.
(14) Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degeen die de angst van de godsbewusten wegneemt in het fronsen van Zijn wenkbrauwen en tonen van de schrikwekkende tanden van Zijn mond, onverwijld op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorborend die hem uitdaagde met een strijdknots in zijn handen.
(15) De leider der olifanten die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem een lotus vasthoudend in grote nood op deze wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum en beroemd als een pelgrimsoord komt al het goede voort uit het enkel aanhoren van Uw naam die het zo waard is om gezongen te worden.' (16) De Heer die hem in zijn lijden hoorde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], kliefde de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakra-wapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.
(17) Hoewel Hij in Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de grootste is, overtrof Hij [als de jongste] van al de zonen van Aditi ['de oneindige'] in dit universum al de werelden en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd: voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij op die manier bedelend al het land [van Bali Mahârâja] als Heer Vâmana in zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten waar Hij nimmer van verstoken is. (18) O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit iets anders dan - zelfs ten koste van zijn eigen lichaam - vast te houden aan zijn belofte, daar hij de Heer in zijn eigen geest was toegedaan.
(19) Voor jou, Nârada, beschreef de Opperheer in genegenheid, tevreden over de ontwikkeling van uw goedheid middels uw bovenzinnelijke liefde, in detail het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel, welke allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.
(20) Door Zijn cakra en niet aflatend in alle omstandigheden ['tien zijden'] heerste Hij in de verschillende incarnaties als de Manu-opvolger in de Manu-dynastie over de onverlaten en koningen van die aard, vanuit de wereld der waarheid zo Zijn roem vestigend in het onderwerpen van de drie systemen [zie loka] met de kenmerken van Zijn persoonlijke heerlijkheden.
(21) Met de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalde de Opperheer als de roem in eigen persoon neer in het universum om sturing te geven aan de kennis voor het verkrijgen van een lang leven door het brengen van de nectar uit het [Kurma karn-] offer dat snel de ziekten van alle levende wezens geneest.
(22) Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te brengen drong de grote ziel [als Heer Paras'urâma] drie maal zeven keer verschrikkelijk machtig met Zijn bovenzinnelijke bijl te werk gaand, als de Opperste Geestelijke Waarheid al die doorns van de wereld terug die van het pad afdwaalden en op de hel uit waren.
(23) Bij machte van Zijn grondeloze alles omvattende genade, daalde de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud introk met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed had veroorzaakt. (24) Voor Hem maakte de angstige indische oceaan snel baan, die zag dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbrandden, toen Hij, vertoornd als Hij was over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], op een afstand met bloedrode ogen mediteerde op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen]. (25) Toen de slurf van de olifant die Indra droeg met licht stralend in alle richtingen brak op de borst van Râvana was hij door vreugde overmoedig heen en weer aan het paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren werd hij gedood door het zingen van de boog [van Râma].(26) Als de hele wereld in staat van ellende is door de last van de strijders der ongelovigen, zal Hij, met Zijn Volkomen Aspect, Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, wiens glorieuze daden zo moeilijk te herkennen zijn voor de mensen in het algemeen, onvermijdelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten. (27) Wie in God's naam, anders dan Hij kon, als kind nog maar, een levend wezen doden dat de vorm van een gigantische demone had aangenomen [Pûtanâ] of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen als ook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen? (28) Te Vrindâvana [waar Krishna opgroeide] bracht Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtig gif had Hij er in de rivier plezier in de slang streng te bestraffen die zich daar schuil hield met zijn giftige tong. (29) Hij met Zijn bovenmenselijke daden redde al de inwoners van Vraja [het koeiendorp], die die nacht zorgeloos sliepen, van verbranding in het vuur dat laaide in het droge woud. Op die manier bewees Hij hen [en later ook de koeherdersjongens] die er zeker van waren hun einde onder ogen te zien, samen met Balarâma Zijn onafzienbare vermogen [hen op dezelfde manier bevrijdend uit een andere bosbrand] door simpelweg ze hun ogen te laten sluiten. (30) Wat voor touw Zijn [pleeg-] moeder [Yas'odâ] ook opnam om haar zoon vast te binden, telkens weer bleek het te kort te zijn en dat wat ze zag toen Hij Zijn mond opendeed voor de twijfelende koeherdersvrouw waren al de werelden, hetgeen haar aldus op een andere manier overtuigde. (31) Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-] vader die Hij ook redde van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] en ook diegenen [in Vrindâvana] die overdag werken en 's nachts slapen van het harde werken, beloonde Hij voorzeker met de hoogste wereld van de geestelijke hemel. (32) Toen de koeherders werden tegengehouden in hun offers aan de koning van de Hemel die zware regenval veroorzaakte, hield Hij, nog maar zeven jaar oud, in Zijn grondeloze genade ernaar strevend de dieren te beschermen, de heuvel Govardhana alsof het een paraplu was, voor de duur van zeven dagen speels omhoog zonder vermoeid te raken. (33) Toen Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos er naar uitzag bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, wekte Hij de liefdesverlangens op van de vrouwen van Vrajabhûmi en onthoofde Hij hun ontvoerder [een demon bekend staande onder de naam S'ankhacûda] die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder]. (34-35) Allen die zo waren als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom],vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, als ook koningen zoals S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en allen die machtig en goed bewapend waren als Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], Sriñjaya, en Kekaya, vonden hun dissociatie of zouden Zijn hemelse woning bereiken dankzij ofwel Hemzelf of door Zijn andere namen zoals Baladeva [Krishna's broer] Arjuna of Bhîma.
(36) Geboren uit Satyavatî zal [en zou] Hij [als Vyâsadeva], na de nodige tijd inziend wat de moeilijkheden van de minder intelligenten en kort levenden van de gehele mensheid zijn met Zijn verschijnen in de verzamelde exacte, gecompliceerde, vedische literatuur, voorzeker de wensboom van de Veda's in zijn takken verdelen overeenkomstig de omstandigheden van het tijdperk.
(37) Voor hen, goed op weg op het pad van de Veda's, die afgunstig op het goddelijke de werelden doorkruisen met uitvindingen van Maya [een demon] en met de verbijsterde geest destructief zijn, deed Hij zich aantrekkelijk voor [als de Boeddha] in hoofdzaak sprekend over morele richtlijnen.
(38) Als er zelfs met de beschaafde heren geen sprake is van de Heer en de twee maal geborenen [de hogere klassen] en de regering zelve nooit of ooit met de lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer, de bestraffer, verschijnen.
(39) Ik handhaafde van boetedoening [als Brahmâ] vanaf het begin met de voortbrengende [negen] wijzen [Prajâpati's], voorzeker [halverwege] de plichten van het offeren [als Vishnu] met Manu, de goddelijken en de verschillende heersers, maar op het eind met het verzaken van de principes is het S'iva voor de atheïsten die onderworpen zijn aan de woede. Zij allen zijn de machtige vertegenwoordigers van die Ene Allerhoogste Macht. (40) Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. Allen waren groots bewogen door Hem die met Zijn eigen been het universum kon bestrijken [als Trivikrama] tot aan de bovenste wereld voorbij de werkende geaardheden. (41) Nimmer kunnen ik, noch al de wijzen vóór u geboren, het einde kennen van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon. Wat dan te verwachten van anderen geboren na ons die zelfs tot op de huidige dag door het bezingen van de kwaliteiten met de duizend gezichten van Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] van de voorwereldlijke God, niet Zijn grens kunnen bereiken? (42) Hij, de Allerhoogste Heer, zal de genade van Zijn onbegrensde vermogen alleen schenken aan hen die hoe dan ook, zonder enige terughoudendheid en voorwendselen, zijn als de zielen die, overgegeven aan Zijn voeten, de onoverkomelijke oceaan van Zijn materiële Energieën doorkwamen, en niet aan hen die vast houden aan het ik en mijn van het lichaam waarvan men weet dat het [op het eind] zal worden gegeten door honden en jakhalzen. (43-45) O Nârada, ken mij en jezelf als bestaande van het Allerhoogste boven het begoochelend materieel vermogen zoals ook de grote Heer S'iva dat is, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] die voortkwam uit de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena] en gelijk Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, etc. als ook anderen zoals Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanve, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en eersten als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva. (46) Ongetwijfeld weten ook die personen de illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen ondanks dat ze [voorheen] zondige zielen waren - mits ze leven naar de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden. Als zelfs zij die niet van het menselijke waren het lukt, wat dan te zeggen over hen die devoot luisterden [van het begin af aan]? (47) Eeuwig en onverstoord zijnd, vrij van angst en onbesmet in het er tegenover geplaatste bewustzijn zonder voorkeur in de werkelijkheid van de Superziel boven het ware en onware, is men [er doorheen gekomen] onbekommerd over de vruchten van het handelen in offerandes en ziet men de illusie vervliegen die vol van schaamte is [zie ook B.G. 2: 52]. Voorzeker is dat de uiteindelijke fase van de Allerhoogste Heer [bhagavân] die de Geest der Transcendentie is van de persoon welke aldus gekend wordt als zijnde van een onbeperkt geluk zonder treurnis. (48) In die staat van het luisteren worden de diverse praktijken van de mystici van het zoeken naar de waarheid in hun proces van geestelijke cultuur dan opgegeven, precies zoals Indra [de god van de regens] zich er niet om bekommert een put te graven. (49) Hij, alles begunstigend is ook de meester, de Allerhoogste Heer, omdat naar het natuurlijk levende wezen zijn eigen aard al het doen van het goede met het ultieme succes beloond wordt waarnaar, nadat het lichaam met de haar samenstellende elementen is overwonnen en opgegeven, men als de hemel zelf, ongeboren zijnd als persoon nooit het onderspit zal delven.
(50) Mijn beste, op deze wijze heb ik je in het kort een uiteenzetting gegeven wat betreft de Allerhoogste Heer als de schepper van de gekende werelden, zonder welke niets anders of wat dan ook dat moge bestaan in het fenomenale of noumenale van enige oorzakelijkheid kan zijn. (51) Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door Zijne Heiligheid en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God. (52) Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] tot de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen. (53) Met de beschrijving van de uiterlijke aangelegenheden van Hem, de Heer, in regelmatig toegewijd waarderen en bijwonen, zal het levende wezen nooit door de uitwendige energie in staat van illusie geraken.
Tweede editie, geladen 19 april 2006.
Bronteksten:
Regelmatig verschijnende avatâra's met bijzondere taak.
De Schepper zei: 'Toen de Heer trachtte de aarde op te heffen uit de grote oceaan [-de Garbodhaka], nam Hij als de Onbegrensde in het universum voor Zijn spel en vermaak de vorm aan van het totaal van alle offers in confrontatie met de eerste demon [genaamd Hiranyâksha, de demon van het goud] die door Hem, als was Hij een bliksemflits die een wolkenpartij doorklieft, werd verslagen met Zijn slagtand [Hem beschouwd als de everzwijn-avatâra Varâha].Heer Brahmâ zei: Toen de eindeloos machtige Heer bij wijze van spel de gedaante van een everzwijn aannam, alleen maar om de planeet aarde op te diepen, die ondergegaan was in de grote heelal-oceaan, Garbhodaka genaamd, verscheen de eerste demon [Hiranyâksa], en de Heer doorstak hem met zijn slagtand. (Vedabase)
Uit Âkûti ['goede bedoeling'], de vrouw van de Prajâpati, werd Suyajña ['gepast offer'] geboren die met zijn vrouw Dakshinâ [de beloning] de goddelijken ter wereld bracht aangevoerd door Suyama ['juiste regulatie'] waardoor Hij het lijden van de drie werelden aanzienlijk verminderde en om reden waarvan de vader van de mensheid genaamd Svâyambhuva Manu, Hari [de Heer] werd genoemd.
De Prajâpati verwekte eerst Suyajña, in de schoot van zijn echtgenote Âkûti, waarna Suyajña in de schoot van zijn echtgenote Dakshinâ goden verwekte, waarvan Suyama de eerste was. Als Indradeva bracht Suyajña zeer grote ellenden in de drie planetenstelsels [het laagste, middelste en hoogste] tot geringe omvang terug en werd hierom later door Svâyambhuva Manu, de grote vader der mensheid, Hari genoemd. (Vedabase)
Vervolgens nam Hij geboorte in het huis van de twee maal geboren Kardama ['de schaduw van de Schepper'], uit de baarmoeder van Devahûti ['de aanroeping der Goden'] begeleid door negen vrouwen. Zijn moeder onderrichtend als Heer Kapila ['de analytische'] in spirituele zelfverwerkelijking, werd zij in dat leven verlost van de ziel-overdekkende materiële geaardheden en bereikte ze de bevrijding.
Vervolgens verscheen de Heer samen met negen vrouwen [zusters] als de avatâra Kapila, zoon van Prajâpati brâhmana Kardama en diens echtgenote, Devahûti. Hij sprak tot Zijn moeder over zelfverwerkelijking, met als gevolg dat ze nog tijdens haar leven volkomen gereinigd werd van de modder der drie geaardheden en zo tot verlossing - de weg van Kapila - kwam. (Vedabase)
De wijze Atri die bad voor nageslacht, beloofde ik, tevreden over zijn overgave, dat de Opperheer geboorte zou nemen als Datta [Dattâtreya, hij die geschonken werd], van wie het stof van Zijn lotusvoeten het mystieke lichaam zuiverde van de geestelijke en materiële werelden van Yadu [die de dynastie grondvestte], Haihaya [een afstammeling] en anderen.
De grote wijze Atri bad om nageslacht, en over hem voldaan, beloofde de Heer te zullen verschijnen als Atri's zoon, Dattâtreya [Datta, de zoon van Atri]. En door de genade van de lotusvoeten van de Heer raakten vele Yadu's, Haihaya's enz. dermate gelouterd, dat ze zich zowel materiële als geestelijke zegeningen verwierven. (Vedabase)
Omdat ik eerst sober leefde in boete voor het heil van de schepping der onderscheiden werelden, verscheen de Heer als de vier Sana's [de vier celibataire zoons genaamd Sanat-Kumâra, Sanaka, Sanandana en Sanâtana]. In het tijdperk daarvoor, was de spirituele waarheid verwoest in de onderdompeling van de wereld, maar werd ze volledig duidelijk met deze wijzen die een heldere visie op de ziel hadden.
Teneinde verschillende planetenstelsels te scheppen, moest ik verschillende vormen van boete doen, en de Heer, hierover voldaan, verscheen in de gedaante van vier sana's [Sanaka, Sanat-kumâra, Sanandana en Sanâtana]. Tijdens de vorige schepping was de geestelijke waarheid vernietigd, maar de vier sana's gaven er zo'n fraaie uiteenzetting van, dat ze de wijzen terstond duidelijk was. (Vedabase)
Uit Mûrti ['de beeltenis'], de vrouw van Dharma ['rechtgeaardheid'] en de dochter van Daksha ['de capabele', een prajâpati], nam Hij de gedaante aan van Nara-Nârâyana ['de mens, de weg van de mens']. Aldus [in die nederdaling] in het zien van de kracht van [de schoonheden voortkomend uit] Zijn persoonlijke boetedoeningen zou de Allerhoogste Heer nimmer zijn geloften gebroken zien door de hemelse schoonheden die met Cupido [de god van de liefde] tot hem kwamen.
Teneinde Zijn eigen wijze van boetedoening te tonen, verscheen Hij in de gedaante van de tweeling Nârâyana en Nara in de schoot van Mûrti, de vrouw van Dharma en de dochter van Daksha. Hemelse schoonheden uit het gezelschap van de liefdesgod kwamen proberen Hem van Zijn geloften af te brengen, maar gingen onverrichterzake heen, toen ze zagen dat tal van schoonheden zoals zijzelf uit Hem, de Godspersoon, emaneerden. (Vedabase)
Grote voorvechters [als Heer S'iva] kunnen hun overweldigd zijn door de lust overwinnen door middel van hun wraakzuchtige visie, maar ze kunnen niet hun eigen intolerantie overwinnen. Voor dat echter, met Hem van binnen, is de lust bang naar voren te treden. Hoe kan die feitelijk weer de aandacht vragen met Hem in de geest?
Een geduchte persoonlijkheid als Heer S'iva kan met de woede van zijn blik de lust overwinnen en neerslaan, maar zich niet aan het overweldigende effekt van zijn eigen woede onttrekken. Deze toorn kan echter nimmer binnengaan in het hart van Hem [de Heer], die boven dit alles staat. Dus hoe kan de lust zijn toevlucht dan zoeken in Zijn geest? (Vedabase)
Ertoe aangezet door de scherpe bewoordingen geuit door een bijvrouw, zelfs in de aanwezigheid van de koning, nam [Hij als] een jongen zijn toevlucht tot strenge boetedoeningen in een groot woud en vestigde daarmee het doel van de realisatie van Dhruva ['de onverzettelijke'] met het voor Hem bidden naar de tevredenheid van de bewoners van de hemel zoals de grote wijzen dat sedertdien altijd doen opstijgend en weer nederdalend van die positie [zie ook het vierde Canto].
Gekrenkt door de scherpe woorden die de bijvrouw in bijzijn van de koning had geuit, legde Prins Dhruva, hoewel nog slechts een knaap, zich in het woud op strenge boetedoeningen toe. Voldaan over zijn gebeden, schonk de Heer hem de Dhruva-planeet, welke door grote wijzen, zowel boven als beneden, aanbeden wordt. (Vedabase)
Toen de tweemaal geboren, vervloekte koning Vena ['de bezorgde'], afdwaalde van het pad der religie, verbrandde hem dat als een blikseminslag en kwam hij met al zijn grote daden en weelde in de hel terecht. Nadat er voor Hem was gebeden bevrijdde Hij hem naar de aarde komend als zijn zoon [genaamd Prithu, 'de grote'] zowel realiserend dat de aarde kon worden ontgonnen voor de opbrengst van allerlei gewassen.
Mahârâja Vena dwaalde af van de rechte weg en de brâhmana's sloegen hem met de bliksemvloek. Hierdoor werd Vena met goede werken en al verzengd en daalde af naar de hel. Uit Zijn grondeloze genade verscheen toen de Heer als zijn zoon, genaamd Prithu, verloste hem van de hel en bewerkte de aarde door van alles van haar te oogsten en te winnen. (Vedabase)
Als de zoon van Koning Nâbhi ['de spil'] werd Hij geboren als Rishabha ['de beste'] uit Sudevî om te gaan voor de zekerheid van het uitgebalanceerd zijn in de aangelegenheid van de yoga, hetgeen door de geleerde wijzen wordt geaccepteerd als het hoogste stadium van volmaaktheid, waarin men het zelfverzonkene aanvaard in het terugdringen van de aktiviteiten van de zintuigen, volmaakt bevrijd zijnd van materiële invloeden.
De Heer verscheen als zoon van de vrouw van Koning Nâbhi, Sudevî , en men kende hem als Rishabhadeva. Hij beoefende mechanistische yoga om de geest in evenwicht te brengen. Deze geestestoestand wordt tevens als volmaaktste staat van verlossing aanvaard, waarbij men in het eigen zelf verwijlt en volkomen voldaan is. (Vedabase)
In een offerande van mij verscheen de Allerhoogste Heer [genaamd Hayagrîva], met een hoofd als dat van een paard en wordt Hij aldus beschouwd als de Persoonlijkheid van de Offers met een gouden glans door wiens ademen door Zijn neusgaten de geluiden van de vedische hymnen, persoonlijke offerandes en alles wat de [super-] ziel van het goddelijke aangaat kan worden gehoord.
Tijdens een offer door mij [Brahmâ] gebracht, verscheen de Heer als de avatâra Hayagrîva. Hij is de verpersoonlijking van de offers en Zijn lichaam is goud van tint. Hij is tevens de verpersoonlijking van de Veda's en de Superziel van alle goden. Bij Zijn uitademing kwamen alle zoete klanken van de Vedische zangen uit Zijn neusgaten. (Vedabase)
Hij die de Manu werd [genaamd Satyavrata, 'de waarheidsgetrouwe'] zag aan het einde van het tijdperk dat Heer Matsya ['de vis'] de toevlucht is voor alle levende wezens tot aan de aardsen, vanwege waarvan uit de grote angst voor de wateren, de toevlucht tot mijn mond genomen hebbende, daarvan zeker al de Veda's konden worden genoten.
Aan het einde van het tijdvak zou de pseudo-Manu Vaivasvata, Satyavrata geheten, ontwaren dat de Heer in Zijn avatâra als vis de toevlucht van allerhande wezens is, tot en met degenen die op de aardse planeten wonen. Uit mijn vrees voor de watermassa aan het eind van het tijdvak komen de Veda's uit mijn [Brahmâ's] mond, en de Heer geniet van die watervlakte en beschermt de Veda's. (Vedabase)
Toen in de oceaan van melk [kennis] de aanvoerders van de onsterfelijken en hun tegenstanders de berg [genaamd Mandara, groot] aan het karnen waren voor het winnen van de nectar, ondersteunde de voorwereldlijke Heer hem half slapend als een schildpad [genaamd Kurma] dat het over Zijn rug schuurde en jeukte.
Vervolgens nam de oorspronkelijke Heer de gedaante van de schildpad-avatâra aan, teneinde als grondvlak te dienen voor de berg Mandara, die als karnstok werd gebruikt. De goden en de demonen karnden de melk-oceaan met de Mandara om er nectar uit te krijgen. De berg draaide om zijn as naar rechts en naar links, met zijn voet over de rug van Heer Schildpad rondschurend, die, half in slaap, daar iets voelde jeuken. (Vedabase)
Als Nrisimha ['de leeuw'] verscheen Hij als degeen die de angst van de godsbewusten wegneemt in het fronsen van Zijn wenkbrauwen en tonen van de schrikwekkende tanden van Zijn mond, onverwijld op Zijn schoot met Zijn nagels de gevallen koning van de demonen [Hiranyakas'ipu] doorborend die hem uitdaagde met een strijdknots in zijn handen.
De Godspersoon nam de gedaante van Nrisimhadeva aan om de grote vrees van de goden uit te bannen. Hij doodde de demonenvorst [Hiranyakas'ipu] die de Heer met een knots in de hand had uitgedaagd, door hem op Zijn dijen neer te leggen en hem met Zijn nagels open te rijten, terwijl Hij woedend Zijn wenkbrauwen fronste en Zijn schrikwekkende kaken ontblootte. (Vedabase)
De leider der olifanten die in de rivier bij zijn poot gegrepen werd door een uitzonderlijk sterke krokodil, riep Hem een lotus vasthoudend in grote nood op deze wijze aan: 'U bent de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Heer van het Universum en beroemd als een pelgrimsoord komt al het goede voort uit het enkel aanhoren van Uw naam die het zo waard is om gezongen te worden.'
De leider van de olifanten, die in de rivier bij zijn poot werd gegrepen door een sterkere krokodil, was in grote benauwdheid. Met zijn slurf een lotus grijpend, hief hij die op met de woorden: "O Heer van het heelal, oorspronkelijke genieter! O verlosser, beroemd als een pelgrimsoord! Een ieder wordt al gelouterd bij het horen van Uw heilige naam, die het waard is aangeroepen te worden. (Vedabase)"
De Heer die Hem in zijn lijden hoorde, als de Onbegrensd Machtige gezeten op de koning der vogels [Garuda], kliefde de bek van de krokodil in tweeën met Zijn cakra-wapen en bevrijdde hem in Zijn grondeloze genade door hem aan zijn slurf omhoog te trekken.
De smeekbede van de olifant horend, zag de Godspersoon dat hij dadelijk hulp nodig had, want hij verkeerde in grote benauwdheid. Zo verscheen de Heer daar meteen op de vleugels van de koning der vogels, Garuda, gewapend met Zijn werpschijf [cakra]. Daarmee kliefde Hij de bek van de krokodil om de olifant te redden, die Hij verloste door hem bij zijn slurf overeind te trekken. (Vedabase)
Hoewel Hij in Zijn bovenzinnelijke kwaliteiten de grootste is, overtrof Hij [als de jongste] van al de zonen van Aditi ['de oneindige'] in dit universum al de werelden en werd Hij derhalve de Heer van het Offer genoemd: voorwendend slechts behoefte te hebben aan drie voetstappen land nam Hij op die manier bedelend al het land [van Bali Mahârâja] als Heer Vâmana in zonder ooit in overtreding te raken met de autoriteiten waar Hij nimmer van verstoken is.
Aan alle materiële geaardheden ontstegen, ging de Heer de zoons van Aditi, de Âditya's, in al hun eigenschappen te boven. Hij verscheen als Vâmana, de jongste onder hen. Omdat Hij alle planeten van het heelal onder Zich liet, is Hij de Allerhoogste Godspersoon. Onder het voorwendsel dat Hij van Bali Mahârâja slechts een stukje grond ter lengte van drie voetstappen vroeg, nam Hij hem al zijn landen af. Hij vroeg alleen maar, omdat geen enkele autoriteit zonder erom te verzoeken iemand zijn wettig eigendom kan ontnemen. (Vedabase)
O Nârada, bij de genade van de kracht van het water dat spoelde van de voeten van de Heer, trachtte hij [Bali Mahârâja], die het op zijn hoofd hield en de heerschappij over het koninkrijk der goddelijken had, nooit iets anders dan - zelfs ten koste van zijn eigen lichaam - vast te houden aan zijn belofte, daar hij de Heer in zijn eigen geest was toegedaan.
Bali Mahârâja, die het water van de voeten van de Heer af spoelde over zijn hoofd sprenkelde, dacht in weerwil van het verbod van zijn geestelijk leraar aan niets anders dan zijn belofte. De koning wijdde de Heer zijn eigen lichaam, opdat Hij het met Zijn derde stap inperkte. Voor zo iemand bezat zelfs het hemelrijk, dat hij door eigen kracht veroverd had, geen waarde. (Vedabase)
Voor jou, Nârada, beschreef de Opperheer in genegenheid, tevreden over de ontwikkeling van uw goedheid middels uw bovenzinnelijke liefde, in detail het licht van de kennis van de yoga en de wetenschap van het zich verhouden tot de ziel, welke allen die zich hebben overgegeven aan Vâsudeva zo volmaakt weten te waarderen.
O Nârada, je werd in de wetenschap aangaande God en Zijn bovenzinnelijke liefdedienst onderricht door de Godspersoon in de gedaante van de avatâra Hamsa. Vanwege de intense omvang van je toegewijde dienst was Hij uiterst voldaan. Hij legde je glashelder de gehele wetenschap van de toegewijde dienst uit, die vooral goed te begrijpen is als men zich volkomen overgeeft aan de Godspersoon Heer Vâsudeva. (Vedabase)
Door Zijn cakra en niet aflatend in alle omstandigheden ['tien zijden'] heerste Hij in de verschillende incarnaties als de Manu-opvolger in de Manu-dynastie over de onverlaten en koningen van die aard, vanuit de wereld der waarheid zo Zijn roem vestigend in het onderwerpen van de drie systemen [zie loka] met de kenmerken van Zijn persoonlijke heerlijkheden.
Als Manu-inkarnatie verscheen de Heer in de Manu-dynastie en onderwierp het boosaardige koningsgeslacht met Zijn geduchte werpschijf. Immer onverschrokken, kenmerkte Zijn heerschappij zich door Zijn stralende roem, die zich door de drie werelden verbreidde, alsook boven hen uit tot het hoogste planetenstelsel van het heelal, Satyaloka. (Vedabase)
Met de naam Dhanvantari ['zich in een boog bewegend'] daalde de Opperheer als de roem in eigen persoon neer in het universum om sturing te geven aan de kennis voor het verkrijgen van een lang leven door het brengen van de nectar uit het [Kurma karn-] offer dat snel de ziekten van alle levende wezens geneest.
Als de avatâra Dhanvantari geneest de Heer de kwalen van de altijd zieke levende wezens wondersnel, louter door Zijn hoogst eigen roem, en slechts dankzij Hem is het dat de goden een lang leven beschoren is. Hierdoor verbreidt de roem van de Godspersoon zich altijd meer. Hij eiste voorts een deel van de offers voor Zich op, en Hij is het, die de medische wetenschap of de geneeskunde in het universum bracht. (Vedabase)
Met de bedoeling het toenemende overwicht van de heersende klasse terug te brengen drong de grote ziel [als Heer Paras'urâma] drie maal zeven keer verschrikkelijk machtig met Zijn bovenzinnelijke bijl te werk gaand, als de Opperste Geestelijke Waarheid al die doorns van de wereld terug die van het pad afdwaalden en op de hel uit waren.
Toen de heersende bestuurder, bekend als de kshatriya's, van het pad der Absolute Waarheid afdwaalden, alsof ze naar de pijn van de hel verlangden, roeide de Heer in de gedaante van de wijze Paras'urâma deze ongewenste vorsten, dit gedoornte der aarde, tot de laatste man uit. Tot driemaal zeven keer toe vernietigde Hij de kshatriya's met Zijn vlijmscherp gewette hakbijl. (Vedabase)
Bij machte van Zijn grondeloze alles omvattende genade, daalde de Heer Aller Tijden [als Râma] neer in de familie van Ikshvâku [de dynastie van de zonne-orde] waar op het gebod van Zijn vader [Das'aratha] Hij het woud introk met Zijn vrouw [Sîtâ] en broer [Lakshmana] in reactie op de tegenstand van de tien-hoofdige [de demonische heerser Râvana] die groot leed had veroorzaakt.
Uit Zijn grondeloze genade jegens alle levende wezens in het heelal verscheen de Allerhoogste Godspersoon tezamen met Zijn volkomen expansies in het geslacht van Mahârâja Ikshvâku als Heer van Zijn innerlijk vermogen, Sîtâ. Op bevel van Zijn vader, Mahârâja Das'aratha, trok Hij het woud in en verbleef daar jarenlang met Zijn vrouw en jongere broer. De materieel uiterst machtige Râvana, die tien hoofden had, beging een ernstige overtreding, hetgeen tenslotte zijn ondergang betekende. (Vedabase)
Voor Hem maakte de angstige indische oceaan snel baan, die zag dat haar waterdieren [haaien, zeeslangen en dergelijke] verbrandden, toen Hij, vertoornd als Hij was over Zijn bedroefde vriendin [de ontvoerde Sîtâ], op een afstand met bloedrode ogen mediteerde op de stad van de vijand [op het eiland Lankâ] in het verlangen die plat te branden zoals Hara dat deed [die het koninkrijk der hemelen met zijn vurige blikken wilde verzengen].
Teneergeslagen door de gescheidenheid van Zijn intieme vriendin [Sîtâ], wierp de Godspersoon Râmacandra met rood gloeiende ogen als die van Hara [die het hemelrijk verzengen wilde] Zijn blik op de stad van de vijand Râvana. Sidderend van angst, verleende de grote oceaan Hem doortocht, omdat haar familieleden, waterwezens zoals haaien, slangen en krokodillen, door de hitte van de woedende, roodgloeiende ogen van de Heer werden verzengd. (Vedabase)
Toen de slurf van de olifant die Indra droeg met licht stralend in alle richtingen brak op de borst van Râvana was hij door vreugde overmoedig heen en weer aan het paraderen tussen de legers, maar binnen de kortste keren werd hij gedood door het zingen van de boog [van Râma].
Toen Râvana zich in de strijd bevond, sloeg de slurf van de olifant van de hemelvorst, Indra, tegen Râvana's borst in stukken, die laaiend alle kanten uit vlogen. Daardoor voelde Râvana zich trots op zijn kunnen en paradeerde als heer van alles wat zijn blik overzag temidden van de strijdende partijen rond. Maar zijn schaterlach stokte plotseling in zijn keel, tegelijk met zijn levensadem, toen de boog van Râmacandra, de Godspersoon, zijn gonzende klank liet horen. (Vedabase)
Als de hele wereld in staat van ellende is door de last van de strijders der ongelovigen, zal Hij, met Zijn Volkomen Aspect, Zijn schoonheid en Zijn zwarte haar, wiens glorieuze daden zo moeilijk te herkennen zijn voor de mensen in het algemeen, onvermijdelijk verschijnen voor het heil van de decimering van die atheïsten.
Wanneer de wereld overbelast is met de krijgsmacht van goddeloze vorsten, daalt de Heer in gezelschap van Zijn volkomen deel-aspekt neer om haar nood te lenigen. De Heer verschijnt in Zijn oorspronkelijke gedaante met prachtig zwart haar. En louter terwille van de verbreiding van Zijn bovenzinnelijke heerlijkheid verricht Hij wondere daden. Niemand kan Zijn grootheid werkelijk peilen. (Vedabase)
Wie in God's naam, anders dan Hij kon, als kind nog maar, een levend wezen doden dat de vorm van een gigantische demone had aangenomen [Pûtanâ] of slechts drie maanden oud zijnde met Zijn beentje een hele kar omver werpen als ook twee hoog oprijzende Arjunabomen ontwortelen?
Het lijdt geen twijfel dat Krishna de Opperheer is, want hoe zou Hij anders als kind bij Zijn moeder op schoot ooit een reusachtige demon als Pûtanâ gedood kunnen hebben, of drie maanden oud met Zijn beentje een kar ondersteboven hebben geschopt, of toen Hij amper kruipen kon een paar arjuna-bomen hebben ontworteld, die zo hoog waren, dat hun kruin de hemel raakte. Zulke aktiviteiten zijn alleen mogelijk bij de Heer Zelf. (Vedabase)
Te Vrindâvana [waar Krishna opgroeide] bracht Hij met Zijn genadige blik de koeherdersjongens en hun dieren weer tot leven die hadden gedronken van het vergiftigde water [van de Yamunâ]. Om het [water] te zuiveren van de overmaat aan het zeer krachtig gif had Hij er in de rivier plezier in de slang streng te bestraffen die zich daar schuil hield met zijn giftige tong.
En toen de koeherdersjongens en hun dieren van het vergiftigde water van de Yamunâ hadden gedronken, wekte de Heer hen met Zijn genadige blik tot leven. Toen sprong Hij alsof het een spelletje was, louter om de rivier te reinigen, in de golven en bestrafte [hoewel Hij nog een kind was] de giftige slang Kâliya, die daar met zijn tong waar het vergift van af gutste, op de loer lag. Wie anders dan de Opperheer kan zo'n geweldige taak volbrengen? (Vedabase)
Hij met Zijn bovenmenselijke daden redde al de inwoners van Vraja [het koeiendorp], die die nacht zorgeloos sliepen, van verbranding in het vuur dat laaide in het droge woud. Op die manier bewees Hij hen [en later ook de koeherdersjongens] die er zeker van waren hun einde onder ogen te zien, samen met Balarâma Zijn onafzienbare vermogen [hen op dezelfde manier bevrijdend uit een andere bosbrand] door simpelweg ze hun ogen te laten sluiten.
In de nacht, die onmiddellijk op de afstraffing van de slang Kâliya volgde ontstond er, terwijl de inwoners van Vrajabhûmi onbekommerd lagen te slapen, in het dorre blad een laaiende bosbrand, die iedereen met een zekere dood scheen te bedreigen. Maar de Heer, in gezelschap van Balarâma, redde allen door slechts Zijn ogen te sluiten. Zo zijn de bovenmenselijke aktiviteiten van de Heer. (Vedabase)
Wat voor touw Zijn [pleeg-] moeder [Yas'odâ] ook opnam om haar zoon vast te binden, telkens weer bleek het te kort te zijn en dat wat ze zag toen Hij Zijn mond opendeed voor de twijfelende koeherdersvrouw waren al de werelden, hetgeen haar aldus op een andere manier overtuigde.
Toen de koeherdersvrouw [Krishna's pleegmoeder, Yas'odâ] de handen van haar zoontje probeerde vast te binden, bleek het touw, wát ze ook deed, steeds te kort, en toen ze het tenslotte opgaf, deed Heer Krishna terloops Zijn mond open, waarin ze alle universa ontwaarde. Bij de aanblik hiervan raakte Zijn moeder door twijfel bevangen, hoewel ze anderszins al overtuigd was van de mystieke aard van haar kind. (Vedabase)
Nanda Mahârâja Zijn [pleeg-] vader die Hij ook redde van de angst voor Varuna [de halfgod der wateren] en de koeherders die gevangen gehouden werden in de grotten door de zoon van Maya [een demon] en ook diegenen [in Vrindâvana] die overdag werken en 's nachts slapen van het harde werken, beloonde Hij voorzeker met de hoogste wereld van de geestelijke hemel.
Heer Krishna redde Zijn pleegvader, Nanda Mahârâja, van de angst voor de god Varuna en bevrijdde de koeherdersjongens uit de berggrotten, waarin ze door de zoon van Maya gevangen waren gezet. En de inwoners van Vrindâvana, die overdag hard werkten en 's nachts stevig sliepen van het harde werken overdag, beloonde Hij met bevordering naar de hoogste planeet in de geestelijke ruimte. Al deze daden zijn bovenzinnelijk en laten onmiskenbaar zien dat Hij God is. (Vedabase)
Toen de koeherders werden tegengehouden in hun offers aan de koning van de Hemel die zware regenval veroorzaakte, hield Hij, nog maar zeven jaar oud, in Zijn grondeloze genade ernaar strevend de dieren te beschermen, de heuvel Govardhana alsof het een paraplu was, voor de duur van zeven dagen speels omhoog zonder vermoeid te raken.
Toen de koeherders van Vrindâvana op aanraden van Krishna het offer aan de hemelvorst, Indra, staakten, dreigde het hele gebied bekend als Vraja door zware regenval die zeven dagen ononderbroken aanhield, te worden weggespoeld. Uit grondeloze genade jegens de inwoners van Vraja hief Heer Krishna, hoewel Hij nog maar zeven jaar was, met slechts één hand de heuvel Govardhana boven hun hoofd, teneinde de dieren tegen de watervloed te beschermen. (Vedabase)
Toen Hij in Zijn nachtelijke avonturen in het bos er naar uitzag bij het zilveren licht van de maan met zoetgevooisde liedjes en melodieuze muziek te dansen, wekte Hij de liefdesverlangens op van de vrouwen van Vrajabhûmi en onthoofde Hij hun ontvoerder [een demon bekend staande onder de naam S'ankhacûda] die uit was op de rijkdom van Kuvera [de hemelse schatbewaarder].
Terwijl de Heer in het bos van Vrindâvana het spel van Zijn râsa-dans bedreef en met zoetgevooisde zang de erotische verlangens van de vrouwen van de inwoners van Vrindâvana opwekte, werden de jonge dames geschaakt door een demon genaamd S'ankhacûda, een rijke hoveling van de schatbewaarder van het hemelrijk [Kuvera], maar de Heer scheidde zijn hoofd van zijn romp. (Vedabase)
Allen die zo waren als Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra en Mushthika [die voor Kamsa worstelden], Kuvalayâpîda [de olifant], Kamsa [de demonische oom],vele koningen uit den vreemde [zoals die van Perzië], de aap Dvivida, Paundraka en anderen, als ook koningen zoals S'âlva, Narakâsura, Balvala, Dantavakra, Saptoksha, S'ambara, Vidûratha en Rukmî en allen die machtig en goed bewapend waren als Kâmboja, Matsya, Kuru [de zoons van Dhritarâshthra], Sriñjaya, en Kekaya, vonden hun dissociatie of zouden Zijn hemelse woning bereiken dankzij ofwel Hemzelf of door Zijn andere namen zoals Baladeva [Krishna's broer] Arjuna of Bhîma.
Alle demonische personen, zoals Pralamba, Dhenuka, Baka, Kes'î, Arishtha, Cânûra, Mushthika, de olifant Kuvalayâpîda, Kamsa, Yavana, Narakâsura en Paundraka, grote veldheren als S'âlva, Dvivida de gorilla, en Balvala, Dantavakra, de zeven stieren, S'ambara, Vidûratha en Rukmî, en ook grote krijgers als Kâmboja, Matsya, Kuru, Sriñjaya en Kekaya, vochten allen wakker hetzij rechtstreeks met de Heer Hari, of met Zijn vertegenwoordigers Baladeva, Arjuna, Bhîma enzovoort. De demonen, die hierbij gedood werden, gingen hetzij de onpersoonlijke brahmajyoti in of werden opgenomen in Zijn persoonlijke woning in Vaikunthha. (Vedabase)
Geboren uit Satyavatî zal [en zou] Hij [als Vyâsadeva], na de nodige tijd inziend wat de moeilijkheden van de minder intelligenten en kort levenden van de gehele mensheid zijn met Zijn verschijnen in de verzamelde exacte, gecompliceerde, vedische literatuur, voorzeker de wensboom van de Veda's in zijn takken verdelen overeenkomstig de omstandigheden van het tijdperk.
De Heer zal Zelf, geïnkarneerd als zoon van Satyavatî [Vyâsadeva], bedenken dat Zijn boekstaving van de Vedische teksten zeer moeilijk te begrijpen zal zijn voor de minder intelligenten van korte levensduur, en zal daarom de boom der Vedische kennis, naar gelang de omstandigheden van het desbetreffende tijdvak, in verschillende takken verdelen. (Vedabase)
Voor hen, goed op weg op het pad van de Veda's, die afgunstig op het goddelijke de werelden doorkruisen met uitvindingen van Maya [een demon] en met de verbijsterde geest destructief zijn, deed Hij zich aantrekkelijk voor [als de Boeddha] in hoofdzaak sprekend over morele richtlijnen.
Wanneer de atheïsten, goed onderlegd in de Vedische wetenschappelijke kennis, onzichtbaar door het luchtruim vliegend met goed gebouwde raketten van de grote geleerde Maya, de bewoners van verschillende planeten uitroeien, zal de Heer hun verstand komen verbijsteren door Zich aantrekkelijk als Boeddha te kleden en subreligieuze beginselen te prediken. (Vedabase)
Als er zelfs met de beschaafde heren geen sprake is van de Heer en de twee maal geborenen [de hogere klassen] en de regering zelve nooit of ooit met de lofzangen, parafernalia, altaren en woorden begaan zijn, dan, aan het einde van het tijdperk van de Onenigheid, zal de Allerhoogste Heer, de bestraffer, verschijnen.
Wanneer er vervolgens aan het eind van kali-yuga niet meer over God gesproken wordt, zelfs niet ten huize van zogenaamde heiligen en heren van de drie hoogste kasten, en wanneer de bestuurlijke macht is overgedragen aan bewindslieden verkozen uit de lage s'ûdra-klasse of nog lager, en wanneer er niets meer bekend is van de techniek van het offeren, en men er niet eens meer over hoort, zal de Heer verschijnen als opperste kastijder. (Vedabase)
Ik handhaafde van boetedoening [als Brahmâ] vanaf het begin met de voortbrengende [negen] wijzen [Prajâpati's], voorzeker [halverwege] de plichten van het offeren [als Vishnu] met Manu, de goddelijken en de verschillende heersers, maar op het eind met het verzaken van de principes is het S'iva voor de atheïsten die onderworpen zijn aan de woede. Zij allen zijn de machtige vertegenwoordigers van die Ene Allerhoogste Macht.
In het begin der schepping zijn er boetedoening, ikzelf, Brahmâ, en de Prajâpati's, de grote wijzen die als verwekkers optreden; tijdens de instandhouding van de schepping zijn er vervolgens Heer Vishnu, de besturende goden en de vorsten der verschillende planeten. Maar aan het slot zijn er goddeloosheid en Heer S'iva en de atheïsten, die vol woede zijn, enz. Al deze zaken en personen zijn verschillende aspekten van de geopenbaarde energie van de oppermacht, van de Heer. (Vedabase)
Wie kan ten volle het vermogen van Heer Vishnu omschrijven? Nog niet de wetenschapper die wellicht de atomen geteld heeft. Allen waren groots bewogen door Hem die met Zijn eigen been het universum kon bestrijken [als Trivikrama] tot aan de bovenste wereld voorbij de werkende geaardheden.
Wie kan het vermogen van Vishnu volkomen beschrijven? Zelfs de geleerde die de atoomdeeltjes van het heelal zou hebben kunnen tellen, is er niet toe in staat. Want alleen Hij is het die in de gedaante van Trivikrama Zijn been moeiteloos boven het hoogste planetenstelsel, Satyaloka, uitstak tot in de neutrale toestand van de drieërlei aard der stoffelijke natuur. En allen raakten in beweging. (Vedabase)
Nimmer kunnen ik, noch al de wijzen vóór u geboren, het einde kennen van de Almachtige Oorspronkelijke Persoon. Wat dan te verwachten van anderen geboren na ons die zelfs tot op de huidige dag door het bezingen van de kwaliteiten met de duizend gezichten van Ananta S'esha [het 'slangenbed' van Vishnu] van de voorwereldlijke God, niet Zijn grens kunnen bereiken?
Noch ik, noch alle wijzen die vóór jou geboren zijn, kunnen de almachtige Godspersoon volkomen kennen. Dus wat kunnen anderen, die na ons geboren zijn, van Hem afweten? Zelfs de eerste avatâra van de Heer, S'esha, heeft deze kennis niet volkomen kunnen bevatten, hoewel Hij de eigenschappen van de Heer met duizend monden tegelijk verheerlijkt. (Vedabase)
Hij, de Allerhoogste Heer, zal de genade van Zijn onbegrensde vermogen alleen schenken aan hen die hoe dan ook, zonder enige terughoudendheid en voorwendselen, zijn als de zielen die, overgegeven aan Zijn voeten, de onoverkomelijke oceaan van Zijn materiële Energieën doorkwamen, en niet aan hen die vast houden aan het ik en mijn van het lichaam waarvan men weet dat het [op het eind] zal worden gegeten door honden en jakhalzen.
Maar wie als gevolg van volkomen overgave aan de dienst van de Heer Zijn bijzondere gunst ontvangt, kan de onafzienbare oceaan der begoocheling oversteken en de Heer begrijpen. Wie echter aan dit stoffelijke lichaam gehecht is, dat er uiteindelijk voor bestemd is om door honden en jakhalzen verorberd te worden, kan dat niet. (Vedabase)
O Nârada, ken mij en jezelf als bestaande van het Allerhoogste boven het begoochelend materieel vermogen zoals ook de grote Heer S'iva dat is, Prahlâda Mahârâja ['de vreugdevolle'] die voortkwam uit de atheïstenfamilie, S'atarûpâ, de vrouw van Manu en Svâyambhuva Manu zelf met zijn kinderen, Prâcînabarhi, Ribhu, Anga [de vader van Vena] en gelijk Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, etc. als ook anderen zoals Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanve, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena en eersten als Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura en S'rutadeva.
O Nârada, hoewel de vermogens van de Heer onkenbaar en onpeilbaar zijn, kunnen toch wij, aangezien wij allen toegewijde zielen zijn, begrijpen hoe Hij door Zijn yogamâyâ-vermogens werkt. En zo zijn de vermogens van de Heer ook bekend aan de almachtige S'iva, de grote vorst onder de atheïsten, te weten Prahlâda Mahârâja, Svâyambhuva Manu, zijn gemalin S'atarûpâ, zijn zoons en dochters, zoals Priyavrata, Uttânapâda, Âkûti, Devahûti en Prasûti, alsook verder Prâcînabarhi, Ribhu, Anga, de vader van Vena, Mahârâja Dhruva, Ikshvâku, Aila, Mucukunda, Mahârâja Janaka, Gâdhi, Raghu, Ambarîsha, Sagara, Gaya, Nâhusha, Mândhâtâ, Alarka, S'atadhanve, Anu, Rantideva, Bhîshma, Bali, Amûrttaraya, Dilîpa, Saubhari, Utanka, S'ibi, Devala, Pippalâda, Sârasvata, Uddhava, Parâs'ara, Bhûrishena, Vibhîshana, Hanumân, S'ukadeva Gosvâmî, Arjuna, Ârshthishena, Vidura, S'rutadeva en anderen. (Vedabase)
Ongetwijfeld weten ook die personen de illusie van de goddelijke energie te boven te komen en tot kennis te komen, die behoren tot de vrouwen, de arbeiders, de barbaren en de uitgestotenen ondanks dat ze [voorheen] zondige zielen waren - mits ze leven naar de instructies van de bewonderenswaardige toegewijden. Als zelfs zij die niet van het menselijke waren het lukt, wat dan te zeggen over hen die devoot luisterden [van het begin af aan]?
Overgegeven zielen, zelfs afkomstig uit zondige levenskategorieën, zoals vrouwen, arbeiders, de bergstammen en de Siberiërs, of zelfs de vogels en de dieren, kunnen eveneens de Godswetenschap leren kennen en verlost raken uit de greep van de begoochelende energie, door zich over te geven aan de zuivere toegewijden van de Heer en hun voorbeeld in de toegewijde dienst te volgen. (Vedabase)
Eeuwig en onverstoord zijnd, vrij van angst en onbesmet in het er tegenover geplaatste bewustzijn zonder voorkeur in de werkelijkheid van de Superziel boven het ware en onware, is men [er doorheen gekomen] onbekommerd over de vruchten van het handelen in offerandes en ziet men de illusie vervliegen die vol van schaamte is [zie ook B.G. 2: 52]. Voorzeker is dat de uiteindelijke fase van de Allerhoogste Heer [bhagavân] die de Geest der Transcendentie is van de persoon welke aldus gekend wordt als zijnde van een onbeperkt geluk zonder treurnis.
Wat als het Absolute Brahman wordt gerealiseerd, is vervuld van oneindige gelukzaligheid zonder verdriet. Dat is beslist het hoogste niveau van de allerhoogste genieter, de Godspersoon. Hij is eeuwig vrij van alle vrees en verwarring. Hij is volkomen bewustzijn, zoals tegengesteld aan de stof. Ongerept en zonder innerlijke tegenstrijdigheid, vormt Hij de grondoorzaak van alle oorzaken en gevolgen, dat geen offer kent terwille van de baat en waarin de begoochelende energie geen plaats heeft. (Vedabase)
In die staat van het luisteren worden de diverse praktijken van de mystici van het zoeken naar de waarheid in hun proces van geestelijke cultuur dan opgegeven, precies zoals Indra [de god van de regens] zich er niet om bekommert een put te graven.
In die bovenzinnelijke toestand hoeft men zich niet toe te leggen op kunstmatige beteugeling van de geest, op eigen inzicht-vorming of op meditatie, zoals jñânî's en yogî's doen. Men laat zulke methoden links liggen, zoals Indra, de hemelvorst, zich geen moeite geeft om een put te graven. (Vedabase)
Hij, alles begunstigend is ook de meester, de Allerhoogste Heer, omdat naar het natuurlijk levende wezen zijn eigen constitutie al het doen van het goede met het ultieme succes beloond wordt waarnaar, nadat het lichaam met de haar samenstellende elementen is overwonnen en opgegeven, men, ongeboren zijnd als de oorspronkelijke persoon, nooit het onderspit zal delven.
De Godspersoon is de hoogste meester van alle zegen, aangezien de vruchten van alle aktiviteiten van het levend wezen zowel in het stoffelijk als in het geestelijk bestaan door de Heer worden toegekend. Daarom is Hij de hoogste weldoener. Ieder individu is ongeboren en derhalve blijft zelfs na de vernietiging van het uit stoffelijke elementen bestaande lichaam het levend wezen voortbestaan, zoals de lucht die eerst in het lichaam zat. (Vedabase)
Mijn beste, op deze wijze heb ik je in het kort een uiteenzetting gegeven wat betreft de Allerhoogste Heer als de schepper van de gekende werelden, zonder welke niets anders of wat dan ook dat moge bestaan in het fenomenale of noumenale van enige oorzakelijkheid kan zijn.
Mijn beste zoon, ik heb nu in het kort uitleg gegeven over de Allerhoogste Godspersoon, die de schepper der geopenbaarde werelden is. Buiten Hem, Hari, de Heer, zijn er geen andere oorzaken van de fenomenale en noumenale vormen van bestaan. (Vedabase)
Dit verhaal van de Fortuinlijke genaamd het S'rîmad Bhâgavatam, werd aan mij doorgegeven door Zijne Heiligheid en vormt de samenvatting van Zijn diverse vermogens. Nu moet jij vanuit je goede zelf, zelf verder uitwijden over deze wetenschap van God.
O Nârada, deze wetenschap aangaande God, het S'rîmad-Bhâgavatam, werd mij in beknopte vorm overgedragen door de Allerhoogste Godspersoon als samenvatting van Zijn uiteenlopende vermogens. Wees zo goed deze wetenschap nu zelf te verbreiden. (Vedabase)
Beschrijf derhalve vastberaden, voor het heil van de verlichting der mensheid, deze wetenschap van toewijding [bhakti] tot de Allerhoogste Persoonlijkheid, het hoogste goed en het Absolute van alle zielen.
Beschrijf de Godswetenschap met vastberadenheid, en wel zo, dat de mensen daardoor zeer goed bovenzinnelijke toegewijde dienst kunnen ontwikkelen aan de Godspersoon Hari, de Superziel van al wat leeft en het hoogste goed van alle energieën. (Vedabase)
Met de beschrijving van de uiterlijke aangelegenheden van Hem, de Heer, in regelmatig toegewijd waarderen en bijwonen, zal het levende wezen nooit door de uitwendige energie in staat van illusie geraken.
Het doen en laten van de Heer in verband met Zijn verschillende energieën dient beschreven, gewaardeerd en vernomen te worden in overeenstemming met Zijn onderricht. Geschiedt dit geregeld, met toewijding en eerbied, dan raakt men zeker bevrijd uit de greep van de begoochelende energie van de Heer. (Vedabase)
![]()
Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van Rasikananda dasa
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties