regelbalk

 

Nârada Muni

 

 

 

Canto 12

 

Hoofdstuk 11

 

Vishnu Zijn Attributen en de Maand-orde van Hem als de Zonnegod

(1) S'rî S'aunaka zei: "En nu, o grote toegewijde van God welbekend met de essentie, informeren we bij u, die het meest onderlegd bent, over deze aangelegenheid van de definitieve conclusie beschreven in al de aanvullende geschriften [de tantra's]. (2-3) Op welke manier zijn de tântrika's van hun geregelde aanbidding voor de Echtgenoot van de Godin, die Zuivere Geest is, en hoe maken zij zich een voorstelling van Zijn ledematen, Zijn metgezellen, Zijn wapens en Zijn ornamenten? Al het goede u toegewenst! Beschrijf alstublieft voor ons, die het graag willen weten, de praktische methode van het cultiveren van de yoga [kriyâ-yoga] waarin bedreven een sterfelijk wezen de onsterfelijkheid kan bereiken."

(4) Sûta zei: "Met het brengen van eerbetuigingen voor de goeroes zal ik zelfs [al is het moeilijk] spreken over de volheden die horen bij Heer Vishnu welke door de gevestigde autoriteiten beginnende bij hem die zijn geboorte vond op de lotus [Padmaja of Heer Brahmâ] worden beschreven in de Veda's en tantra's. (5) De negen onderdelen van de schepping [tattva's] die, beginnende met mâyâ [of prakriti] ], de transformaties uitmaken [vikâra's], worden gezien in de geschapen heerschappij [de virâth rûpa], in het bewuste bestaan waarvan de drie werelden [loka's] worden gevonden [zie ook 11.22: 4-25]. (6-8) Deze gedaante van de Purusha, de Meester, heeft de aarde als Zijn voeten, de hemel als Zijn hoofd, de [interplanetaire] ruimte als Zijn navel, de zon als Zijn ogen, de lucht als Zijn neusgaten, de windrichtingen als Zijn oren, de prajâpati als Zijn geslachtsdeel, de dood als Zijn anus, de plaatselijke heersers [de halfgoden] als de vele armen van de Absolute Beheerser, de maan als Zijn geest, yama [of Yama] als Zijn wenkbrauwen, de schaamte als Zijn bovenlip, begeerte als Zijn onderlip, het maanlicht als Zijn tanden, begoocheling als Zijn glimlach, de bomen als de haren op het lichaam van de Almachtige Heer, en de wolken als het haar op het hoofd van de Purusha [zie ook b.v. 2.6: 1-11, 2.10: 24-32, 10.40: 13-14, 11.12: 18-20]. (9) Precies zoals men de afmetingen kan bepalen van een normaal individu door de positie van zijn ledematen op te meten, kan men op dezelfde manier eveneens de afmetingen vaststellen van Hem, de Gigantische Persoon, overeenkomstig de posities van de zonnestelsels [zie ook 5.20-24]. (10) Het geestelijk licht van de individuele ziel wordt vertegenwoordigd door het Kaustubha-juweel dat door de Ongeborene wordt gedragen, en het S'rîvatsa-teken op de borst van de Almachtige representeert de zich uitbreidende gloed daarvan [van dat juweel/die ziel]. (11-12) Zijn materiële energie samengesteld uit de verschillende geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sânkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die voor al de werelden de onbevreesdheid brengt, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie. (13) De persoonlijke zitplaats waarop Hij zich bevindt staat bekend als Ananta [het slangenbed] en staat voor de niet-geëvolueerde materie, en de lotus waarop men Hem beweert aan te treffen is [het zuivere van] de goedheid geassocieerd met de religie, de spirituele kennis en zo voorts. (14-15) De knots die Hij draagt is het hoofdelement [de prâna of vitale lucht] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht; Zijn uitstekende schelphoorn is het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van de tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'arnga is de specifieke orde [of geest, de rûpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de actie of de karmendriya's]. (16) De zinnen, zo zegt men, zijn Zijn pijlen, Zijn strijdwagen vormt de aanzet tot actie, Zijn uiterlijke verschijning vormt de voorwerpen der waarneming [de tânmatra's], en Zijn gebaren [mudrâ's] representeren de essentie van het doelbewust handelen. (17) Het cyclische [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor de oefening van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dîkshâ] vormt voor de geestelijke ziel de manier om tot zuivering te komen, en de toegewijde dienst van de Fortuinlijke is er voor iemand om een einde te maken aan een slechte gang van zaken. (18) Bhagavân draagt naar de betekenis van het woord bhaga [Zijn volheden] de lotus van Zijn spel en vermaak, en de waaier en wuifkwast die de Opperheer aanvaarde voor Zijn aanbidding zijn de religie en de roem. (19) O beste tweemaal geborenen, Zijn parasol is Vaikunthha, Zijn spiritueel verblijf waar geen angst bestaat, de drievoudige Veda is er bij name van Suparna [Garuda], de drager van de Persoonlijkheid van het Offer [Vishnu of Yajña]. (20) De Heer Zijn onafscheidelijke godin S'rî is rechtstreeks de innerlijke aard [*]; Vishvaksena staat bekend als de personificatie van de tantra geschriften, en de acht van Nanda en de andere belangrijkste de wacht houdende metgezellen [**] zijn de animâ en dergelijke [siddhi's] van de Heer Zijn kwaliteiten. (21) Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha worden aldus beschouwd als de afzonderlijke gedaanten [de vyûha expansies] van de Oorspronkelijke Persoon Zelve, o brahmaan. (22) Bhagavân wordt bij de functie van de uiterlijke voorwerpen [vis'va, Pradyumna], de lichaamskracht [taijasa, Sankarshana], het denken [prâjña, Aniruddha] en de spirituele realisatie [turiya, Vâsudeva] aldus opgevat in de termen van het waakbewustzijn, het dromen, de diepe slaap en de transcendentale positie [zie avasthâtraya]. (23) In Zijn vier persoonlijke gedaanten handhaaft Bhaga-vân [Hij in het bezit van de volheden], de Heer en Beheerser, met Zijn grotere [armen; zoals in vers 14-15] en kleinere ledematen [Zijn toegevoegde leden, Zijn wachters], wapens en sierselen, deze vier staten. (24) O beste der tweemaal geborenen, Hij alleen is de zelf-verlichte bron van de Ene Op-zich-bestaande Geest die, volmaakt in Zijn eigen grootheid en volledigheid, middels Zijn eigen materiële energie dit universum schept, terugtrekt en handhaaft; als zodanig [de uitvoerder van verschillende materiële functies] somtijds gezien alsof Hij, niet overdekt als Hij is in Zijn transcendentale bewustzijn, materieel verdeeld zou zijn, kan Hij door hen die Hem zijn toegewijd worden gerealiseerd als hun ene ware zelf, hun Ziel. (25) S'rî Krishna, o vriend van Arjuna, o leider van de Vrishni's, o Vernietiger van de Opstandige Adellijke Geslachten wiens kunnen nimmer vergaat, o Govinda, bedevaartsoord wiens heerlijkheden, die het goedgunstige brengen door enkel maar erover te vernemen, worden bezongen door Vraja's koeherdersmannen en -vrouwen en hun dienaren; alstUblieft bescherm Uw dienaren! (26) Een ieder die, bij het ochtendgloren opstaand, met zijn geest op God gericht voor zichzelf deze kenmerken van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon chant [reciteert], komt tot de realisatie van de Absolute Waarheid die zich in het hart bevindt."

(27-28) S'rî S'aunaka zei: "Kan u aangaande de beschrijving van S'ukadeva Gosvâmî voor de aandachtige die de genade van Vishnu is [Parîkchit] over de zonnegod zijn metgezellen die maand na maand zich ophouden in zeven groepen, alstublieft voor ons, zo vol van geloof, uitleggen wat de namen en handelingen zijn van hen die, betrokken bij zijn verschillende vormen van controle, de expansies van de Heer zijn in zijn manifestatie als Sûrya [zie ook 5.21: 18]?"

(29) Sûta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de zijn aanvang niet kennende materiële energie van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens. (30) De zon als de enige echte [gelijk de] Heer, de oorspronkelijke schepper en het zelf inderdaad van al de werelden, vormt de basis voor alle rituele activiteiten zoals verschillend beschreven door de wijzen in al de Veda's. (31) De Heer in termen van de materiële energie wordt aldus in negenen beschreven als de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resultaat, o brahmaan [vergelijk B.G. 18: 13-15].

(32) Beginnende met Madhu is de Opperheer met het aannemen van de gedaante van de tijd, er voor de planeetbeweging er naar de regel van twaalf [maanden of mâsa's, zie ook B.G. 10: 21], zich afzonderlijk bewegend met twaalf stellen metgezellen. (33) Dhâtâ [als de zonnegod], Kritasthalî [als de Apsara], Heti [als de Râkshasa], Vâsuki [als de Nâga], Rathakrit [als de Yaksha], Pulastya [als de wijze] en Tumburu [als de Gandharva] zijn degenen die heersen over de maand Madhu (of Caitra bij de lente-equinox, Maart/April). (34) Aryamâ, Puñjikasthalî, Praheti, Kacchanîra, Athaujâ, Pulaha en Nârada zijn [op dezelfde manier zo respectievelijk] degenen die heersen over de maand Mâdhava (Vais'âkha, April/Mei). (35) Mitra, Menakâ, Paurusheya, Takshaka, Rathasvana, Atri en Hâhâ zijn degenen die heersen over de maand S'ukra (Jyaisthha or Jeshthha, Mei/Juni). (36) Varuna, Rambhâ, Citrasvana, S'ukra, Sahajanya, Vasishthha en Hûhû zijn degenen die heersen over de maand S'uci (Âshâdha, Juni/Juli). (37) Indra, Pramlocâ, Varya, Elâpatra, S'rotâ, Angirâ en Vis'vâvasu zijn degenen die heersen over de maand Nabhas (S'râvana, Juli/Augustus). (38) Vivasvân, Anumlocâ, Vyâghra, S'ankhapâla, Âsârana, Bhrigu en Ugrasena zijn degenen die heersen over de maand Nabhasya (Bhâdrapada, Augustus/September ***). (39) Pûshâ, Ghritâcî, Vâta, Dhanañjaya, Suruci, Gautama en Sushena zijn degenen die heersen over de maand Tapas (Mâgha, Januari/Februari). (40) Parjanya, Senajit, Varcâ, Airâvata, Ritu, Bharadvâja en Vis'va zijn degenen die heersen over de maand Tapasya (Phâlguna, Februari/Maart). (41) Ams'u, Urvas'î, Vidyucchatru, Mahâs'ankha, Târkshya, Kas'yapa en Ritasena zijn degenen die heersen over de maand Sahas (Mârgas'îrsha, November/December). (42) Bhaga, Pûrvacitti, Sphûrja, Karkothaka, Ûrna, Âyu en Arishthanemi zijn degenen die heersen over de maand Pushya (Pausha, December/Januari). (43) Tvashthâ, Tilottamâ, Brahmâpeta, Kambalâs'va, S'atajit, Jamadagni de zoon van Ricîka en Dhritarâshthra als de Gandharva zijn degenen die heersen over de maand Isha (Âs'vina, September/Oktober). (44) En Vishnu, Rambhâ, Makhâpeta, As'vatara, Satyajit, Vis'vâmitra en Sûryavarcâ zijn degenen die heersen over de maand Ûrja (Kârttika, Oktober/November).

(45) Dezen vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die op de keerpunten van de dag zich hen heugen, de terugslagen van de zonde weg. (46) Aldus met ieder van de twaalf maanden en zes typen van metgezellen zich door het universum bewegend, is de Godheid, terwille van haar bewoners, in het hier en het hiernamaals er zeker van het zuivere bewustzijn uit te dragen. (47-48) Met de wijzen die Hem verheerlijken met de Sâma, Rig en Yajur hymnen welke Zijn identiteit openbaren, zingen de Gandharva's hardop over hem, dansen de Apasarâ's recht voor Hem, maken de Nâga's de wagen klaar, spannen de Yaksha's de paarden in en duwen de Râkshasa's hem vooruit. (49) Voor de wagen uit gaan de zestigduizend Vâlakhilya brahmaanse wijzen zuiver van lof met gebeden voor de Almachtige [zie ook 4.1: 39]. (50) De Ongeboren Heer Hari, de Hoogste Beheerser, Hij die Zijn Begin Niet Kennend Behept is Met Alle Volheden, beschermt, aldus in iedere kalpa Zich in verscheidene gedaanten uitbreidend, al de werelden.

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Summary Description of the Mahâpurusha

 

Tekst 1:

S'rî S'aunaka zei: "En nu, o grote toegewijde van God welbekend met de essentie, informeren we bij u, die het meest onderlegd bent, over deze aangelegenheid van de definitieve conclusie beschreven in al de aanvullende geschriften [de tantra's].

S'rî S'aunaka said: O Sûta, you are the best of learned men and a great devotee of the Supreme Lord. Therefore we now inquire from you about the definitive conclusion of all tantra scriptures.

 

Tekst 2-3:

Op welke manier zijn de tântrika's van hun geregelde aanbidding voor de Echtgenoot van de Godin, die Zuivere Geest is, en hoe maken zij zich een voorstelling van Zijn ledematen, Zijn metgezellen, Zijn wapens en Zijn ornamenten? Al het goede u toegewenst! Beschrijf alstublieft voor ons, die het graag willen weten, de praktische methode van het cultiveren van de yoga [kriyâ-yoga] waarin bedreven een sterfelijk wezen de onsterfelijkheid kan bereiken."

All good fortune to you! Please explain to us, who are very eager to learn, the process of kriyâ-yoga practiced through regulated worship of the transcendental Lord, the husband of the goddess of fortune. Please also explain how the Lord's devotees conceive of His limbs, associates, weapons and ornaments in terms of particular material representations. By expertly worshiping the Supreme Lord, a mortal can attain immortality.

   

Tekst 4

Sûta zei: "Met het brengen van eerbetuigingen voor de goeroes zal ik zelfs [al is het moeilijk] spreken over de volheden die horen bij Heer Vishnu welke door de gevestigde autoriteiten beginnende bij hem die zijn geboorte vond op de lotus [Padmaja of Heer Brahmâ] worden beschreven in de Veda's en tantra's.

Sûta Gosvâmî said: Offering obeisances to my spiritual masters, I shall repeat to you the description of the opulences of Lord Vishnu given in the Vedas and tantras by great authorities, beginning from lotus-born Brahmâ.

 

Tekst 5

De negen onderdelen van de schepping [tattva's] die, beginnende met mâyâ [of prakriti] ], de transformaties uitmaken [vikâra's], worden gezien in de geschapen heerschappij [de virâth rûpa], in het bewuste bestaan waarvan de drie werelden [loka's] worden gevonden [zie ook 11.22: 4-25].

The universal form [virâth] of the Personality of Godhead includes the nine basic elements of creation, starting with the unmanifest nature, and their subsequent transformations. Once this universal form is instilled with consciousness, the three planetary systems become visible within it.

    

Tekst 6-8

Deze gedaante van de Purusha, de Meester, heeft de aarde als Zijn voeten, de hemel als Zijn hoofd, de [interplanetaire] ruimte als Zijn navel, de zon als Zijn ogen, de lucht als Zijn neusgaten, de windrichtingen als Zijn oren, de prajâpati als Zijn geslachtsdeel, de dood als Zijn anus, de plaatselijke heersers [de halfgoden] als de vele armen van de Absolute Beheerser, de maan als Zijn geest, yama [of Yama] als Zijn wenkbrauwen, de schaamte als Zijn bovenlip, begeerte als Zijn onderlip, het maanlicht als Zijn tanden, begoocheling als Zijn glimlach, de bomen als de haren op het lichaam van de Almachtige Heer, en de wolken als het haar op het hoofd van de Purusha [zie ook b.v. 2.6: 1-11, 2.10: 24-32, 10.40: 13-14, 11.12: 18-20].

This is the representation of the Supreme Lord as the universal person, in which the earth is His feet, the sky His navel, the sun His eyes, the wind His nostrils, the demigod of procreation His genitals, death His anus and the moon His mind. The heavenly planets are His head, the directions His ears, and the demigods protecting the various planets His many arms. The god of death is His eyebrows, shame His lower lip, greed His upper lip, delusion His smile, and moonshine His teeth, while the trees are the almighty Purusha's bodily hairs, and the clouds the hair on His head.

 

Tekst 9

Precies zoals men de afmetingen kan bepalen van een normaal individu door de positie van zijn ledematen op te meten, kan men op dezelfde manier eveneens de afmetingen vaststellen van Hem, de Gigantische Persoon, overeenkomstig de posities van de zonnestelsels [zie ook 5.20-24].

Just as one can determine the dimensions of an ordinary person of this world by measuring his various limbs, one can determine the dimensions of the Mahâpurusha by measuring the arrangement of the planetary systems within His universal form.

 

Tekst 10

Het geestelijk licht van de individuele ziel wordt vertegenwoordigd door het Kaustubha-juweel dat door de Ongeborene wordt gedragen, en het S'rîvatsa-teken op de borst van de Almachtige representeert de zich uitbreidende gloed daarvan [van dat juweel/die ziel].

Upon His chest the almighty, unborn Personality of Godhead bears the Kaustubha gem, which represents the pure spirit soul, along with the S'rîvatsa mark, which is the direct manifestation of this gem's expansive effulgence.

 

Tekst 11 - 12

Zijn materiële energie samengesteld uit de verschillende geaardheden wordt vertegenwoordigd door Zijn bloemenslinger, het gele gewaad dat Hij draagt staat voor de vedische versmaten en Zijn heilige draad staat voor het drie letters tellende AUM. Het proces van sânkhya en yoga draagt de Godheid in de vorm van Zijn makara ['zeemonster'] oorhangers, en Zijn kroon, die voor al de werelden de onbevreesdheid brengt, vertegenwoordigt de superieure [bovenzinnelijke] positie.

His flower garland is His material energy, comprising various combinations of the modes of nature. His yellow garment is the Vedic meters, and His sacred thread the syllable om composed of three sounds. In the form of His two shark-shaped earrings, the Lord carries the processes of Sânkhya and yoga, and His crown, bestowing fearlessness on the inhabitants of all the worlds, is the supreme position of Brahmaloka.

 

Tekst 13

De persoonlijke zitplaats waarop Hij zich bevindt staat bekend als Ananta [het slangenbed] en staat voor de niet-geëvolueerde materie, en de lotus waarop men Hem beweert aan te treffen is [het zuivere van] de goedheid geassocieerd met de religie, de spirituele kennis en zo voorts.

Ananta, the Lord's sitting place, is the unmanifest phase of material nature, and the Lord's lotus throne is the mode of goodness, endowed with religion and knowledge.

 

Tekst 14-15

De knots die Hij draagt is het hoofdelement [de prâna of vitale lucht] met betrekking tot het zinsvermogen, de lichaamskracht en de geesteskracht; Zijn uitstekende schelphoorn is het waterelement en Zijn Sudars'ana-schijf is het principe van de tejas [het vitaal vermogen, de waardigheid, het vuur in de strijd]. Zijn zwaard is, [zuiver] als de atmosfeer, het ether-element, Zijn schild bestaat uit de geaardheid onwetendheid, Zijn boog S'arnga is de specifieke orde [of geest, de rûpa] van de tijd, en Zijn pijlenkoker bestaat uit het karma [de actie of de karmendriya's].

The club the Lord carries is the chief element, prâna, incorporating the potencies of sensory, mental and physical strength. His excellent conchshell is the element water, His Sudars'ana disc the element fire, and His sword, pure as the sky, the element ether. His shield embodies the mode of ignorance, His bow, named S'ârnga, time, and His arrow-filled quiver the working sensory organs.

 

Tekst 16

De zinnen, zo zegt men, zijn Zijn pijlen, Zijn strijdwagen vormt de aanzet tot actie, Zijn uiterlijke verschijning vormt de voorwerpen der waarneming [de tânmatra's], en Zijn gebaren [mudrâ's] representeren de essentie van het doelbewust handelen.

His arrows are said to be the senses, and His chariot is the active, forceful mind. His external appearance is the subtle objects of perception, and the gestures of His hands are the essence of all purposeful activity.

  

Tekst 17

Het cyclische [van de tijd, te weten de zon en de maan] vormt de grondslag voor de oefening van respect voor de Godheid, spirituele initiatie [dîkshâ] vormt voor de geestelijke ziel de manier om tot zuivering te komen, en de toegewijde dienst van de Fortuinlijke is er voor iemand om een einde te maken aan een slechte gang van zaken.

The sun globe is the place where the Supreme Lord is worshiped, spiritual initiation is the means of purification for the spirit soul, and rendering devotional service to the Personality of Godhead is the process for eradicating all one's sinful reactions.

 

Tekst 18

Bhagavân draagt naar de betekenis van het woord bhaga [Zijn volheden] de lotus van Zijn spel en vermaak, en de waaier en wuifkwast die de Opperheer aanvaarde voor Zijn aanbidding zijn de religie en de roem.

Playfully carrying a lotus, which represents the various opulences designated by the word bhaga, the Supreme Lord accepts service from a pair of câmara fans, which are religion and fame.

 

Tekst 19

O beste tweemaal geborenen, Zijn parasol is Vaikunthha, Zijn spiritueel verblijf waar geen angst bestaat, de drievoudige Veda is er bij name van Suparna [Garuda], de drager van de Persoonlijkheid van het Offer [Vishnu of Yajña].

O brâhmanas, the Lord's umbrella is His spiritual abode, Vaikunthha, where there is no fear, and Garuda, who carries the Lord of sacrifice, is the threefold Veda.

 

Tekst 20

De Heer Zijn onafscheidelijke godin S'rî is rechtstreeks de innerlijke aard [*]; Vishvaksena staat bekend als de personificatie van de tantra geschriften, en de acht van Nanda en de andere belangrijkste de wacht houdende metgezellen [**] zijn de animâ en dergelijke [siddhi's] van de Heer Zijn kwaliteiten.

The goddess of fortune, S'rî, who never leaves the Lord's side, appears with Him in this world as the representation of His internal potency. Vishvaksena, the chief among His personal associates, is known to be the personification of the Pañcarâtra and other tantras. And the Lord's eight doorkeepers, headed by Nanda, are His mystic perfections, beginning with animâ.

 

Tekst 21

Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha worden aldus beschouwd als de afzonderlijke gedaanten [de vyûha expansies] van de Oorspronkelijke Persoon Zelve, o brahmaan.

Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna and Aniruddha are the names of the direct personal expansions of the Supreme Godhead, O brâhmana S'aunaka.

 

Tekst 22

Bhagavân wordt bij de functie van de uiterlijke voorwerpen [vis'va, Pradyumna], de lichaamskracht [taijasa, Sankarshana], het denken [prâjña, Aniruddha] en de spirituele realisatie [turiya, Vâsudeva] aldus opgevat in de termen van het waakbewustzijn, het dromen, de diepe slaap en de transcendentale positie [zie avasthâtraya].

One can conceive of the Supreme Personality of Godhead in terms of awakened consciousness, sleep and deep sleep-which function respectively through external objects, the mind and material intelligence-and also in terms of the fourth, transcendental level of consciousness, which is characterized by pure knowledge.

 

Tekst 23

In Zijn vier persoonlijke gedaanten handhaaft Bhaga-vân [Hij in het bezit van de volheden], de Heer en Beheerser, met Zijn grotere [armen; zoals in vers 14-15] en kleinere ledematen [Zijn toegevoegde leden, Zijn wachters], wapens en sierselen, deze vier staten.

The Supreme Personality of Godhead, Lord Hari, thus appears in four personal expansions, each exhibiting major limbs, minor limbs, weapons and ornaments. Through these distinct features, the Lord maintains the four phases of existence.

 

Tekst 24

O beste der tweemaal geborenen, Hij alleen is de zelf-verlichte bron van de Ene Op-zich-bestaande Geest die, volmaakt in Zijn eigen grootheid en volledigheid, middels Zijn eigen materiële energie dit universum schept, terugtrekt en handhaaft; als zodanig [de uitvoerder van verschillende materiële functies] somtijds gezien alsof Hij, niet overdekt als Hij is in Zijn transcendentale bewustzijn, materieel verdeeld zou zijn, kan Hij door hen die Hem zijn toegewijd worden gerealiseerd als hun ene ware zelf, hun Ziel.

O best of brâhmanas, He alone is the self-luminous, original source of the Vedas, perfect and complete in His own glory. By His material energy He creates, destroys and maintains this entire universe. Because He is the performer of various material functions, He is sometimes described as materially divided, yet He always remains transcendentally situated in pure knowledge. Those who are dedicated to Him in devotion can realize Him to be their true Soul.

 

Tekst 25

S'rî Krishna, o vriend van Arjuna, o leider van de Vrishni's, o Vernietiger van de Opstandige Adellijke Geslachten wiens kunnen nimmer vergaat, o Govinda, bedevaartsoord wiens heerlijkheden, die het goedgunstige brengen door enkel maar erover te vernemen, worden bezongen door Vraja's koeherdersmannen en -vrouwen en hun dienaren; alstUblieft bescherm Uw dienaren!

O Krishna, O friend of Arjuna, O chief among the descendants of Vrishni, You are the destroyer of those political parties that are disturbing elements on this earth. Your prowess never deteriorates. You are the proprietor of the transcendental abode, and Your most sacred glories, which are sung by Vrindâvana's cowherd men and women and their servants, bestow all auspiciousness just by being heard. O Lord, please protect Your devotees.

 

Tekst 26

Een ieder die, bij het ochtendgloren opstaand, met zijn geest op God gericht voor zichzelf deze kenmerken van de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoon chant [reciteert], komt tot de realisatie van de Absolute Waarheid die zich in het hart bevindt."

Anyone who rises early in the morning and, with a purified mind fixed upon the Mahâpurusha, quietly chants this description of His characteristics will realize Him as the Supreme Absolute Truth residing within the heart.

 

Tekst 27-28

S'rî S'aunaka zei: "Kan u aangaande de beschrijving van S'ukadeva Gosvâmî voor de aandachtige die de genade van Vishnu is [Parîkchit] over de zonnegod zijn metgezellen die maand na maand zich ophouden in zeven groepen, alstublieft voor ons, zo vol van geloof, uitleggen wat de namen en handelingen zijn van hen die, betrokken bij zijn verschillende vormen van controle, de expansies van de Heer zijn in zijn manifestatie als Sûrya [zie ook 5.21: 18]?"

S'rî S'aunaka said: Please describe to us, who have great faith in your words, the different sets of seven personal features and associates the sun-god exhibits during each month, along with their names and activities. The associates of the sun-god, who serve their lord, are personal expansions of the Supreme Personality of Godhead Hari in His feature as the presiding deity of the sun.

  

Tekst 29

Sûta zei: "Deze regulator van al de planeten [de zon] die in hun midden ronddraait [rondom de berg Meru, zie 5.22: 2] werd [door de heer in de gedaante van de Tijd] geschapen uit de zijn aanvang niet kennende materiële energie van Vishnu, de Opperziel van alle belichaamde wezens.

Sûta Gosvâmî said: The sun travels among all the planets and thus regulates their movements. It has been created by Lord Vishnu, the Supreme Soul of all embodied beings, through His beginningless material energy.

 

Tekst 30

De zon als de enige echte [gelijk de] Heer, de oorspronkelijke schepper en het zelf inderdaad van al de werelden, vormt de basis voor alle rituele activiteiten zoals verschillend beschreven door de wijzen in al de Veda's.

The sun-god, being nondifferent from Lord Hari, is the one soul of all the worlds and their original creator. He is the source of all the ritualistic activities prescribed in the Vedas and has been given many names by the Vedic sages.

 

Tekst 31

De Heer in termen van de materiële energie wordt aldus in negenen beschreven als de tijd, de plaats, de onderneming, de uitvoerder, het instrument, het specifieke ritueel, de schrift, de hulpmiddelen en het resultaat, o brahmaan [vergelijk B.G. 18: 13-15].

Being the source of the material energy, the Personality of Godhead Lord Hari in His expansion as the sun-god is described in nine aspects, O S'aunaka: the time, the place, the endeavor, the performer, the instrument, the specific ritual, the scripture, the paraphernalia of worship and the result to be achieved.

 

Tekst 32

Beginnende met Madhu is de Opperheer met het aannemen van de gedaante van de tijd, er voor de planeetbeweging er naar de regel van twaalf [maanden of mâsa's, zie ook B.G. 10: 21], zich afzonderlijk bewegend met twaalf stellen metgezellen.

The Supreme Personality of Godhead, manifesting His potency of time as the sun-god, travels about in each of the twelve months, beginning with Madhu, to regulate planetary motion within the universe. Traveling with the sun-god in each of the twelve months is a different set of six associates.

 

Tekst 33

Dhâtâ [als de zonnegod], Kritasthalî [als de Apsara], Heti [als de Râkshasa], Vâsuki [als de Nâga], Rathakrit [als de Yaksha], Pulastya [als de wijze] en Tumburu [als de Gandharva] zijn degenen die heersen over de maand Madhu (of Caitra bij de lente-equinox, Maart/April).

My dear sage, Dhâtâ as the sun-god, Kritasthalî as the Apsara, Heti as the Râkshasa, Vâsuki as the Nâga, Rathakrit as the Yaksha, Pulastya as the sage and Tumburu as the Gandharva rule the month of Madhu.

 

Tekst 34

Aryamâ, Puñjikasthalî, Praheti, Kacchanîra, Athaujâ, Pulaha en Nârada zijn [op dezelfde manier zo respectievelijk] degenen die heersen over de maand Mâdhava (Vais'âkha, April/Mei).

Aryamâ as the sun-god, Pulaha as the sage, Athaujâ as the Yaksha, Praheti as the Râkshasa, Puñjikasthalî as the Apsara, Nârada as the Gandharva and Kacchanîra as the Nâga rule the month of Mâdhava.

 

Tekst 35

Mitra, Menakâ, Paurusheya, Takshaka, Rathasvana, Atri en Hâhâ zijn degenen die heersen over de maand S'ukra (Jyaisthha or Jeshthha, Mei/Juni).

Mitra as the sun-god, Atri as the sage, Paurusheya as the Râkshasa, Takshaka as the Nâga, Menakâ as the Apsara, Hâhâ as the Gandharva and Rathasvana as the Yaksha rule the month of S'ukra.

 

Tekst 36

Varuna, Rambhâ, Citrasvana, S'ukra, Sahajanya, Vasishthha en Hûhû zijn degenen die heersen over de maand S'uci (Âshâdha, Juni/Juli).

Vasishthha as the sage, Varuna as the sun-god, Rambhâ as the Apsara, Sahajanya as the Râkshasa, Hûhû as the Gandharva, S'ukra as the Nâga and Citrasvana as the Yaksha rule the month of S'uci.

 

Tekst 37

Indra, Pramlocâ, Varya, Elâpatra, S'rotâ, Angirâ en Vis'vâvasu zijn degenen die heersen over de maand Nabhas (S'râvana, Juli/Augustus).

Indra as the sun-god, Vis'vâvasu as the Gandharva, S'rotâ as the Yaksha, Elâpatra as the Nâga, Angirâ as the sage, Pramlocâ as the Apsara and Varya as the Râkshasa rule the month of Nabhas.

 

Tekst 38

Vivasvân, Anumlocâ, Vyâghra, S'ankhapâla, Âsârana, Bhrigu en Ugrasena zijn degenen die heersen over de maand Nabhasya (Bhâdrapada, Augustus/September ***). (39) Pûshâ, Ghritâcî, Vâta, Dhanañjaya, Suruci, Gautama en Sushena zijn degenen die heersen over de maand Tapas (Mâgha, Januari/Februari).

Vivasvân as the sun-god, Ugrasena as the Gandharva, Vyâghra as the Râkshasa, Âsârana as the Yaksha, Bhrigu as the sage, Anumlocâ as the Apsara and S'ankhapâla as the Nâga rule the month of Nabhasya.

 

Tekst 39

Pûshâ, Ghritâcî, Vâta, Dhanañjaya, Suruci, Gautama and Sushena are the ones ruling the month of Tapas (Mâgha, January/February).

Pûshâ as the sun-god, Dhanañjaya as the Nâga, Vâta as the Râkshasa, Sushena as the Gandharva, Suruci as the Yaksha, Ghritâcî as the Apsara and Gautama as the sage rule the month of Tapas.

 

Tekst 40

Parjanya, Senajit, Varcâ, Airâvata, Ritu, Bharadvâja and Vis'va are the ones ruling the month of Tapasya (Phâlguna, February/March).

Ritu as the Yaksha, Varcâ as the Râkshasa, Bharadvâja as the sage, Parjanya as the sun-god, Senajit as the Apsara, Vis'va as the Gandharva and Airâvata as the Nâga rule the month known as Tapasya.

 

Tekst 41

Ams'u, Urvas'î, Vidyucchatru, Mahâs'ankha, Târkshya, Kas'yapa en Ritasena zijn degenen die heersen over de maand Sahas (Mârgas'îrsha, November/December).

Ams'u as the sun-god, Kas'yapa as the sage, Târkshya as the Yaksha, Ritasena as the Gandharva, Urvas'î as the Apsara, Vidyucchatru as the Râkshasa and Mahâs'ankha as the Nâga rule the month of Sahas.

 

Tekst 42

Bhaga, Pûrvacitti, Sphûrja, Karkothaka, Ûrna, Âyu en Arishthanemi zijn degenen die heersen over de maand Pushya (Pausha, December/Januari).

Bhaga as the sun-god, Sphûrja as the Râkshasa, Arishthanemi as the Gandharva, Ûrna as the Yaksha, Âyur as the sage, Karkothaka as the Nâga and Pûrvacitti as the Apsara rule the month of Pushya.

 

Tekst 43

Tvashthâ, Tilottamâ, Brahmâpeta, Kambalâs'va, S'atajit, Jamadagni de zoon van Ricîka en Dhritarâshthra als de Gandharva zijn degenen die heersen over de maand Isha (Âs'vina, September/Oktober).

Tvashthâ as the sun-god; Jamadagni, the son of Ricîka, as the sage; Kambalâs'va as the Nâga; Tilottamâ as the Apsara; Brahmâpeta as the Râkshasa; S'atajit as the Yaksha; and Dhritarâshthra as the Gandharva maintain the month of Isha.

 

Tekst 44

En Vishnu, Rambhâ, Makhâpeta, As'vatara, Satyajit, Vis'vâmitra en Sûryavarcâ zijn degenen die heersen over de maand Ûrja (Kârttika, Oktober/November).

Vishnu as the sun-god, As'vatara as the Nâga, Rambhâ as the Apsara, Sûryavarcâ as the Gandharva, Satyajit as the Yaksha, Vis'vâmitra as the sage and Makhâpeta as the Râkshasa rule the month of Ûrja.

 

Tekst 45

Dezen vormen de heerlijkheden van Vishnu, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God in de gedaante van de zonnegod; zij nemen van hen die op de keerpunten van de dag zich hen heugen, de terugslagen van de zonde weg.

All these personalities are the opulent expansions of the Supreme Personality of Godhead, Vishnu, in the form of the sun-god. These deities take away all the sinful reactions of those who remember them each day at dawn and sunset.

 

Tekst 46

Aldus met ieder van de twaalf maanden en zes typen van metgezellen zich door het universum bewegend, is de Godheid, terwille van haar bewoners, in het hier en het hiernamaals er zeker van het zuivere bewustzijn uit te dragen.

Thus, throughout the twelve months, the lord of the sun travels in all directions with his six types of associates, disseminating among the inhabitants of this universe purity of consciousness for both this life and the next.

 

Tekst 47-48

Met de wijzen die Hem verheerlijken met de Sâma, Rig en Yajur hymnen welke Zijn identiteit openbaren, zingen de Gandharva's hardop over hem, dansen de Apasarâ's recht voor Hem, maken de Nâga's de wagen klaar, spannen de Yaksha's de paarden in en duwen de Râkshasa's hem vooruit.

While the sages glorify the sun-god with the hymns of the Sâma, Rig and Yajur Vedas, which reveal his identity, the Gandharvas also sing his praises and the Apsaras dance before his chariot. The Nâgas arrange the chariot ropes and the Yakshas harness the horses to the chariot, while the powerful Râkshasas push from behind.

 

Tekst 49

Voor de wagen uit gaan de zestigduizend Vâlakhilya brahmaanse wijzen zuiver van lof met gebeden voor de Almachtige [zie ook 4.1: 39].

Facing the chariot, the sixty thousand brâhmana sages known as Vâlakhilyas travel in front and offer prayers to the almighty sun-god with Vedic mantras.

 

Tekst 50

De Ongeboren Heer Hari, de Hoogste Beheerser, Hij die Zijn Begin Niet Kennend Behept is Met Alle Volheden, beschermt, aldus in iedere kalpa Zich in verscheidene gedaanten uitbreidend, al de werelden.

For the protection of all the worlds, the Supreme Personality of Godhead Hari, who is unborn and without beginning or end, thus expands Himself during each day of Brahmâ into these specific categories of His personal representations.

 

* Volgens de Skanda Purâna in de verzen beginnend met 'aparam tv aksharam yâ sâ' zijn er drie onfeilbare energieën aldus: de uitwendige materiële energie van mâyâ, het inwendig vermogen van Sr'î en de Allerhoogste energie van de Purusha, de Heer Zelve.  

** De Padma Purâna (256.9-21) somt achttien bewakers of begeleiders van de Heer op : Nanda, Sunanda, Jaya, Vijaya, Canda, Pracanda, Bhadra, Subhadra, Dhâtâ, Vidhâtâ, Kumuda, Kumudâksha, Pundarîksha, Vâmana, S'ankukarna, Sarvanetra, Sumukha en Supratishthhita.  

*** Op dit punt is gebroken met de reguliere orde van de maanden. De verschillende vertalers zijn het niet eens over de oorzaak van deze volgorde en sommigen hebben het voorstel gedaan om de volgorde van de verzen aan te passen om dit recht te zetten.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties