regelbalk


 

 

Canto 11

S'rî Râdhika Stava

 

 

Hoofdstuk 13: De Hamsa-avatâra Beantwoordt de Vragen van de Zonen van Brahmâ

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'De goedheid, hartstocht en onwetendheid die we kennen van de guna's zijn zaken van de geest en niet van de ziel; middels de goedheid kan men de andere twee tegenspel bieden terwijl de goedheid zelf door karakter en verstandig zijn wordt beheerst [*]. (2) Karakter versterkt de religieuze beginselen die bepalend zijn voor de toegewijde dienst voor Mij. De geaardheid goedheid zal resulteren in [bhâgavata-]dharma als men op een bezonnen wijze de innerlijke kracht cultiveert. (3) Dharma maakt met het groeien van de goedheid een eind aan de hartstocht en de onwetendheid. De goddeloosheid, hun wortel, is goeddeels snel overwonnen als die twee door de goedheid worden overtroffen. (4) De aangehangen doctrine, zoals men met water omgaat, de mensen waar men mee leeft, iemands leefomgeving en hoe men zich gedraagt met de tijd, de beroepsmatige bezigheid, iemands milieu alsook welke meditaties, mantra's en zuiveringsrituelen men erop nahoudt, zijn de tien factoren die bepalen welke geaardheid overheerst. (5) Dat wat de klassieke wijzen in dezen positief waarderen behoort tot de goedheid, dat wat ze kritiseren behoort tot de onwetendheid en dat waar ze onverschillig over zijn behoort tot de hartstocht. (6) Totdat er de [guna-]ontkennende zelfherinnering is, moet iemand de zaken behorende tot de geaardheid goedheid cultiveren zodat het karakter wordt ontwikkeld waarvan er de religiositeit is die tot geestelijk inzicht leidt. (7) Op dezelfde manier als vuur, dat in een bamboebos werd opgewekt door de wrijving van de staken, bedaart na te hebben gebrand [zie ook 1.10: 2, 3.1: 21] komt ook het vuur van het materiële lichaam tot bedaren dat werd opgewekt door de interactie van de natuurlijke geaardheden.'

(8) S'rî Uddhava zei: 'Stervelingen zijn over het algemeen goed op de hoogte van het feit dat zinsbevrediging een bron van moeilijkheden vormt, o Krishna, maar niettemin gaan ze zich eraan te buiten. Hoe komt het dat men zich willens en wetens gedraagt als honden, ezels en geiten?'

(9-10) De Allerhoogste Heer zei: 'Geobsedeerd door wat het zijne is denkt de dwaze persoon niet aan de gevolgen van zijn genieten en zo werpt in zijn geest zich de o zo verschrikkelijke hartstocht op. De geest die dan grillig in de hartstocht zich van alles inbeeldt met allerlei plannetjes raakt vanwege die begeertigheid geheel bepaald door de geaardheden en wordt zo onverdraaglijk. (11) Met de zinnen niet onder controle gaat men, begoocheld door de kracht der hartstocht en beheerst door verlangens, over tot baatzuchtige handelingen, ook al is men zich heel goed bewust van het resulterende ongeluk. (12) Hoewel de intelligentie van een geschoold iemand versluierd raakt door onwetendheid en hartstocht, ontwikkelt zich bij hem geen gehechtheid omdat hij, met die besmetting duidelijk voor ogen, de geest zorgvuldig weer op het goede spoor zet. (13) Met het beheersen van het proces van het ademen en het onder de knie hebben gekregen van de zithoudingen, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen door op gezette tijden zich op Mij te concentreren [overeenkomstig de posities van de zon en de maan, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28]. (14) Het yogasysteem dat in deze zin wordt onderricht door Mijn leerlingen onder leiding van Sanaka [de Kumâra's] komt erop neer dat de geest zich van alles afkeert en zonder omwegen zich in Mij verdiept zoals het hoort [met mantra's, zie ook 8.3: 22-24].'

(15) S'rî Uddhava zei: 'Wanneer, en in welke gedaante, beste Kes'ava, heb Je Sanaka en de anderen in deze yoga onderricht? Dat wil ik graag weten.'

(16) De Opperheer zei: 'De zoons aangevoerd door Sanaka die hun geboorte namen uit de geest van hem die van het innerlijk goud is [Hiranyagarbha of Brahmâ], deden bij hun vader navraag over het zo hoogst subtiele, allerhoogste doel van de wetenschap der yoga. (17) Sanaka en de anderen zeiden tegen hem: 'De geest is gericht op de zinsobjecten en zodoende nemen de zinsobjecten de geest in beslag. O Meester wat is voor iemand die wenst bevrijd te raken, voor iemand die graag de zinsbevrediging te boven wil komen, de aangewezen methode om zich aan die gebondenheid te ontworstelen [zie ook B.G. 2: 62-63]?'

(18) De Allerhoogste Heer zei: 'De grote uit zichzelf geboren god, de schepper van alle levende wezens, aldus verzocht, overdacht ernstig wat gevraagd was maar slaagde er niet in, met zijn geest die verbijsterd was door de creatieve arbeid, de essentiële waarheid onder woorden te brengen [zie ook 2.6: 34, 2.9: 32-37 en 10: 13]. (19) Met het verlangen het tot een een goed einde te brengen herinnerde hij zich de oorspronkelijke God [waaraan hij was ontsproten, zie 3.8], en op dat moment werd Ik zichtbaar in Mijn Hamsa-gedaante [de Zwaan]. (20) Toen ze naderbij komend Mij zo voor zich zagen brachten ze, met Brahmâ voorop, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze: 'Wie bent U?' (21) Aldus werd Ik er door de weetgierige wijzen toe verzocht om de uiteindelijke waarheid uiteen te zetten. Alsjeblieft Uddhava, verneem nu van Mij wat ik hen toen zei. (22)  Als jullie denken dat er met de eenheid van het zelf geen substantieel verschil zou bestaan tussen jullie en Mij, hoe zouden jullie dan een dergelijke vraag kunnen stellen o geleerden, of hoe zou Ik als spreker dan gezag kunnen uitoefenen [of een toevlucht kunnen vormen]? (23)  Julie vraag van 'Wie bent U' zou een loos gebaar van woorden zijn als jullie zouden doelen op de vijf elementen waaruit onze lichamen zijn samengesteld of als jullie zouden doelen op de essentie die we gemeen hebben. (24) Dat wat door de geest, de spraak, het zien alsook door de andere zinnen wordt gehanteerd ben Ik allemaal. Er is werkelijk niets dat buiten Mij bestaat; dat is wat jullie goed moeten begrijpen. (25) De geest gaat uit naar de zinsobjecten en de zinsobjecten nemen bezit van de geest beste mannen, maar voor het levende wezen waarvan Ik de Ziel ben, zijn zowel de geest als de zinsobjecten uiterlijke verschijningsvormen. (26) Met de geest die steeds weer opnieuw teruggrijpt op de zinsobjecten die genoten worden en met de zinsobjecten die [zo] weer het denken stimuleren moet degene die van Mijn bovenzinnelijke [Hamsa-]gedaante is afstand nemen van zowel het denken als het zinsobject [zie ook vritti en neti neti]. (27) Waken, dromen en diepe slaap zijn de functies van de intelligentie die voortvloeien uit de geaardheden der natuur. De individuele ziel staat met kenmerken verschillend van hen bekend als de getuige [zie ook 7.7: 25 en B.G. 7: 5]. (28) De materieel gemotiveerde intelligentie vormt de gebondheid die de ziel bezighoudt met de natuurlijke geaardheden, maar als men zich bevindend in Mij, in de vierde staat van bewustzijn [turîya], erin slaagt ermee te breken komt men op dat moment los van het denken en de zinsobjecten [zie 11.3: 35]. (29) De gebondenheid van de ziel die het gevolg is van het zich identificeren met het lichaam vormt het tegengestelde doel. Hij die onthecht in samsâra er weet van heeft behoort, zich bevindend in de vierde staat, de bezorgdheid [over die egokwesties] te laten varen. (30) Zolang als een persoon zijn aandacht verdeelt over verschillende doeleinden en hij niet zijn rust kan vinden met de daartoe geëigende methoden [zoals vermeld] is hij, ook al is hij wakker, met zijn ogen open aan het dromen en niet bewust aanwezig, net als iemand die in zijn slaap wat ziet [zie ook B.G. 2: 41]. (31) De vormen van bestaan apart van de Opperziel zullen, niet van wezenlijk belang zijnde, vanwege de gescheidenheid die door hen in het leven is geroepen, voor de ziener die vol is van motieven en doelstellingen net zo begoochelend zijn als wat men heeft in een droom. (32) Als hij wakker is geniet hij de kwaliteiten van de uiterlijke wereld op dat moment. In zijn dromen ondergaat hij in de geest met al zijn zinnen dezelfde ervaring. Diep in slaap verliest hij zijn bewustzijn. Maar één in zijn herinnering wordt hij in zijn getuige zijn van het functioneren van de drie opeenvolgende bewustzijnsstaten heer en meester over zijn zinnen [zie ook 4.29: 60-79 en B.G. 15: 7-8]. (33) Als men in Mij verkerend de drie staten van bewustzijn overziet die voortkomen uit de natuurlijke geaardheden van Mijn begoochelend vermogen, wees dan vastbesloten over het doel Mij te aanbidden als aanwezig zijnde in het hart. Snijdt voor dat doel met het zwaard des onderscheids dat werd aangescherpt met de logica en de instructies omtrent het ware, de banden door met de [ahankâra] oorzaak van alle twijfels. (34) Bezie deze bedrieglijke staat van de geest die, met voorstellingen die zich vandaag voordoen en morgen weer verdwenen zijn, zo flakkert als het brandende uiteinde van een bewegende fakkel. Het is de Ene geestelijke ziel die misleidend verschijnt in vele onderverdelingen die zich manifesteren als een illusie van een drievoudig onderscheiden vorm van dromen die in het leven werd geroepen door de geaardheden der natuur [zie ook B.G. 9: 15, 15: 16, linga en siddhânta]. (35) Als men de blik afwendt van die [misleidende materiële] werkelijkheid moet men, stil geworden met het beëindigen van de materiële hunkering, komen tot de realisatie van het eigenlijke geluk. Dat geluk ziet men ontstaan als men vrij van materieel gemotiveerd handelen is. De keren dat men van de aarde is, behoort men, in gedachten houdend dat dat niet van substantieel belang is, vast te houden aan het beëindigen van het aardse om niet te dolen tot het leven ten einde is. (36) Net zoals iemand die verblind door de drank zich niet bewust is van de kleren die hij draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is, zie je, er geen acht op of het lichaam nu zit of staat, of hij nu naar Gods wil het leven verlaat of door het lot beschikt [een nieuw lichaam] verwerft, omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft bereikt [zijn svarûpa]. (37) Zolang als het lichaam er door het lot beschikt nog is en er nog karma is, zal het op eigen kracht volhouden met zijn levensadem en zinnen en zijn verscheidenheid aan manifestaties. Hoog geklommen echter in de volledige verzonkenheid van de yoga zal degene die ontwaakt is wat betreft de essentie niet langer dat gedroom cultiveren. (38) O geleerden, nu Ik u deze vertrouwlijke analyse en de yoga, de wetenschap van de bewustzijnsvereniging, heb uitgelegd, begrijp alstublieft dat Ik kwam als Yajña [Vishnu, de Heer van het Offer] om de aandacht te vestigen op de eigenlijke verplichtingen. (39) Beste van de tweemaal geborenen, Ik ben de Hoogste Weg van de yoga, de analyse, de waarheid en de heilige wet alsook de schoonheid, de roem en de zelfbeheersing. (40) Alle kwaliteiten zoals het vrij zijn van de geaardheden en vrij zijn van verwachtingen, de Weldoener zijn, de Meest Geliefde, het Ware Zelf, Hij die Gelijk is, de onthechting enzovoorts, vinden, omdat ze geen affiniteit hebben met de geaardheden, hun toevlucht en dienst in Mij.

(41) Aldus werd er door Mij een einde gemaakt aan de twijfels van al de wijzen die werden aangevoerd door Sanaka en die, volledig van aanbidding in bovenzinnelijke liefdevolle dienst, met prachtige hymnen Mijn heerlijkheden bezongen. (42) Ik volmaakt aanbeden en verheerlijkt door de grootsten onder de wijzen keerde toen, voor het oog van Brahmâ, terug naar Mijn verblijfplaats.'

 

 

 next                       

 
 

 Tweede editie, geladen 3 mei 2009

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'De goedheid, hartstocht en onwetendheid die we kennen van de guna's zijn zaken van de geest en niet van de ziel; middels de goedheid kan men de andere twee tegenspel bieden terwijl de goedheid zelf door karakter en verstandig zijn wordt beheerst [*].

De Allerhoogste Heer zei: 'De goedheid, hartstocht en onwetendheid die we kennen van de guna's hebben betrekking op de intelligentie en niet op de ziel; middels de goedheid kunnen de andere twee worden afgewend terwijl de deugd der goedheid [als een vorm van gehechtheid] op zijn beurt kan worden verhoed door karakter [*]. (Vedabase)

 

Tekst 2

Karakter versterkt de religieuze beginselen die bepalend zijn voor de toegewijde dienst voor Mij. De geaardheid goedheid zal resulteren in [bhâgavata-]dharma als men op een bezonnen wijze de innerlijke kracht cultiveert.

Karakter versterkt de religieuze beginselen die naar voren treden door toegewijde dienst aan Mij; met het serieuze cultiveren van de innerlijke kracht werpt zich vanuit de geaardheid goedheid het [bhâgavata-]dharma op. (Vedabase)

 

Tekst 3

Dharma maakt met het groeien van de goedheid een eind aan de hartstocht en de onwetendheid. De goddeloosheid, hun wortel, is goeddeels snel overwonnen als die twee door de goedheid worden overtroffen.

Het dharma vernietigt met het groeien van de goedheid de hartstocht en de onwetendheid; het overgrote deel van de goddeloosheid, hun wortel, is voorzeker snel overwonnen als die twee vernietigd zijn. (Vedabase)

 

Tekst 4

De aangehangen doctrine, zoals men met water omgaat, de mensen waar men mee leeft, iemands leefomgeving en hoe men zich gedraagt met de tijd, de beroepsmatige bezigheid, iemands milieu alsook welke meditaties, mantra's en zuiveringsrituelen men erop nahoudt, zijn de tien factoren die bepalen welke geaardheid overheerst.

De geschriften, het water, je volk, de plaats en de tijd, de beroepsmatige bezigheid en de geboorte als ook de meditatie, de mantra's en de zuiveringsrituelen zijn de tien die de oorzaak vormen [of bijdragen tot het overwicht] van een bepaalde natuurlijke geaardheid. (Vedabase)

  

Tekst 5

Dat wat de klassieke wijzen in dezen positief waarderen behoort tot de goedheid, dat wat ze kritiseren behoort tot de onwetendheid en dat waar ze onverschillig over zijn behoort tot de hartstocht.

Van die tien raden de wijzen van oudsher de zaken in de geaardheid goedheid aan, kritiseren ze die tot de onwetendheid behoren en staan ze onverschillig tegenover de zaken der hartstocht. (Vedabase)

 

  Tekst 6

Totdat er de [guna-]ontkennende zelfherinnering is, moet iemand de zaken behorende tot de geaardheid goedheid cultiveren zodat het karakter wordt ontwikkeld waarvan er de religiositeit is die tot geestelijk inzicht leidt.

Totdat er de [guna-]ontkennende zelfherinnering is, behoren door een persoon inderdaad de dingen in de geaardheid goedheid te worden gecultiveerd zodat het karakter wordt ontwikkeld waarvan er de religiositeit is die het spirituele weten oplevert. (Vedabase)

 

Tekst 7

Op dezelfde manier als vuur, dat in een bamboebos werd opgewekt door de wrijving van de staken, bedaart na te hebben gebrand [zie ook 1.10: 2, 3.1: 21] komt ook het vuur van het materiële lichaam tot bedaren dat werd opgewekt door de interactie van de natuurlijke geaardheden.'

Op dezelfde manier als het vuur, dat in het bos van bamboestaken werd opgewekt door hun eigen wrijving, bedaart na te hebben gebrand [zie ook 1.10: 2, 3.1: 21] komt aldus het vuur van het materiële lichaam, dat werd opgewekt door de interactie van de guna's, tot bedaren.' (Vedabase)

 

Tekst 8

S'rî Uddhava zei: 'Stervelingen zijn over het algemeen goed op de hoogte van het feit dat zinsbevrediging een bron van moeilijkheden vormt, o Krishna, maar niettemin gaan ze zich eraan te buiten. Hoe komt het dat men zich willens en wetens gedraagt als honden, ezels en geiten?'

S'rî Uddhava zei: 'Stervelingen over het algemeen bekend met de situatie van de zinsbevrediging als een bron van moeilijkheden gaan zich er niettemin aan te buiten, o Krishna; hoe komt het dat ze zo als honden, ezels en geiten zijn?' (Vedabase)

 

  Tekst 9-10

De Allerhoogste Heer zei: 'Geobsedeerd door wat het zijne is denkt de dwaze persoon niet aan de gevolgen van zijn genieten en zo werpt in zijn geest zich de o zo verschrikkelijke hartstocht op. De geest die dan grillig in de hartstocht zich van alles inbeeldt met allerlei plannetjes raakt vanwege die begeertigheid geheel bepaald door de geaardheden en wordt zo onverdraaglijk.

De Allerhoogste Heer zei: 'Van het mij-gedoe aldus andersgestemd en dienovereenkomstig vergeetachtig zijnde, werpt zich in de geest van de dwaze persoon, de o zo verschrikkelijke hartstocht op; de geest die dan grillig in de geaardheid der passie zich de zaken inbeeldt is, opgegaan in doelbewust plannen maken, van die begeertigheid volledig verzonken in de natuurlijke geaardheden en zal uiteindelijk ondragelijk zijn. (Vedabase)

 

Tekst 11

Met de zinnen niet onder controle gaat men, begoocheld door de kracht der hartstocht en beheerst door verlangens, over tot baatzuchtige handelingen, ook al is men zich heel goed bewust van het resulterende ongeluk.

Met de zinnen onbeheerst gaat men, begoocheld door de kracht der hartstocht, beheerst door verlangens over tot vruchtdragende handelingen, zich heel goed bewust van het resulterende ongeluk. (Vedabase)

 

Tekst 12

Hoewel de intelligentie van een geschoold iemand versluierd raakt door onwetendheid en hartstocht, ontwikkelt zich bij hem geen gehechtheid omdat hij, met die besmetting duidelijk voor ogen, de geest zorgvuldig weer op het goede spoor zet.

De intelligentie van een geschoold iemand [echter], ookal is hij begoocheld door hartstocht en onwetendheid, raakt niet gehecht daar hij, met de besmetting duidelijk voor ogen, de geest weer opnieuw met zorg aan het werk zet. (Vedabase)

 

Tekst 13

Met het beheersen van het proces van het ademen en het onder de knie hebben gekregen van de zithoudingen, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen door op gezette tijden zich op Mij te concentreren [overeenkomstig de posities van de zon en de maan, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28].

Met het beheersen van het proces van het ademen en het onder de knie hebben gekregen van de zithoudingen, behoort men aandachtig, stap voor stap, zonder nalatigheid zijn geest op orde te brengen, op gezette tijden zich op Mij concentrerend [naar de positie van de zon, zie B.G. 7: 8 en 5: 26-28]. (Vedabase)

 

Tekst 14

Het yogasysteem dat in deze zin wordt onderricht door Mijn leerlingen onder leiding van Sanaka [de Kumâra's] komt erop neer dat de geest zich van alles afkeert en zonder omwegen zich in Mij verdiept zoals het hoort [met mantra's, zie ook 8.3: 22-24].'

Het yogasysteem zoals onderricht door Mijn leerlingen met Sanaka voorop [de kumâra's] bestaat eruit dat de geest overal vandaan teruggetrokken, dienovereenkomstig rechtstreeks in Mij is verzonken [zie ook 8.3: 22-24].' (Vedabase)

 

Tekst 15

S'rî Uddhava zei: 'Wanneer, en in welke gedaante, beste Kes'ava, heb Je Sanaka en de anderen in deze yoga onderricht? Dat wil ik graag weten.'

S'rî Uddhava zei: 'Wanneer, en in welke gedaante, beste Kes'ava, heb Je Sanaka en de anderen in die yoga onderricht; graag zou ik over die gedaante vernemen.' (Vedabase)

 

Tekst 16

De Opperheer zei: 'De zoons aangevoerd door Sanaka die hun geboorte namen uit de geest van hem die van het innerlijk goud is [Hiranyagarbha of Brahmâ], deden bij hun vader navraag over het zo hoogst subtiele, allerhoogste doel van de wetenschap der yoga.

De Opperheer zei: 'De zoons aangevoerd door Sanaka die hun geboorte vonden uit de geest van hem van het innerlijk goud [Hiranyagarbha of Brahmâ], deden bij hun vader navraag over de zo hoogst subtiele allerhoogste bestemming van de wetenschap der yoga. (Vedabase)

  

Tekst 17

Sanaka en de anderen zeiden tegen hem: 'De geest is gericht op de zinsobjecten en zodoende nemen de zinsobjecten de geest in beslag. O Meester wat is voor iemand die wenst bevrijd te raken, voor iemand die graag de zinsbevrediging te boven wil komen, de aangewezen methode om zich aan die gebondenheid te ontworstelen [zie ook B.G. 2: 62-63]?'

Sanaka en de anderen zeiden: 'In de geest die uit is op de zinsobjecten krijgen de zinsobjecten dienovereenkomstig hun beslag; o Meester wat is voor iemand die de bevrijding verlangt, voor iemand die het wenst de zinsbevrediging te boven te komen, het proces van het zich losmaken van die relatie [zie ook B.G. 2: 62-63]?' (Vedabase)

 

Tekst 18

De Allerhoogste Heer zei: 'De grote uit zichzelf geboren god, de schepper van alle levende wezens, aldus verzocht, overdacht ernstig wat gevraagd was maar slaagde er niet in, met zijn geest die verbijsterd was door de creatieve arbeid, de essentiële waarheid onder woorden te brengen [zie ook 2.6: 34, 2.9: 32-37 en 10: 13].

De Allerhoogste Heer zei: 'De grote uit zichzelf geboren god, de schepper van alle levende wezens, aldus verzocht, overdacht ernstig wat gevraagd was maar wist, in zijn geest verbijsterd van het scheppen, de essentiële waarheid niet te bereiken [zie ook 2.6: 34, 2.9: 32- 37 en 10: 13]. (Vedabase)

 

Tekst 19

Met het verlangen het tot een een goed einde te brengen herinnerde hij zich de oorspronkelijke God [waaraan hij was ontsproten, zie 3.8], en op dat moment werd Ik zichtbaar in Mijn Hamsa-gedaante [de Zwaan].

Hij met het verlangen het tot een goed einde te brengen herinnerde zich de oorspronkelijke God [zie 3.8], en te dien tijde werd Ik zichtbaar in Mijn Hamsa-gedaante [de Zwaan]. (Vedabase)

 

Tekst 20

Toen ze naderbij komend Mij zo voor zich zagen brachten ze, met Brahmâ voorop, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze: 'Wie bent U?'

Met Mij aldus voor ogen brachten ze in toenadering, met Brahmâ voor hen uit, hun eerbetuigingen aan de lotusvoeten en vroegen ze 'Wie bent U?' (Vedabase)

 

Tekst 21

Aldus werd Ik er door de weetgierige wijzen toe verzocht om de uiteindelijke waarheid uiteen te zetten. Alsjeblieft Uddhava, verneem nu van Mij wat ik hen toen zei.

Ik werd aldus verzocht door de wijzen die graag de voorop staande werkelijkheid wilden weten; alsjeblieft o Uddhava verneem van Mij dat wat Ik hen toen zei: (Vedabase)

 

  Tekst 22

 Als jullie denken dat er met de eenheid van het zelf geen substantieel verschil zou bestaan tussen jullie en Mij, hoe zouden jullie dan een dergelijke vraag kunnen stellen o geleerden, of hoe zou Ik als spreker dan gezag kunnen uitoefenen [of een toevlucht kunnen vormen]?

Als van de ene substantie van het zelf er het niet-onderworpene zou zijn [het niet-individuele of niet ondergeschikte], hoe kan dan een dergelijke vraag van jullie kant mogelijk zijn, o geleerden, of wat zou van de spreker die Ik ben het gezag zijn [of de toevlucht]? (Vedabase)

 

  Tekst 23

 Julie vraag van 'Wie bent U' zou een loos gebaar van woorden zijn als jullie zouden doelen op de vijf elementen waaruit onze lichamen zijn samengesteld of als jullie zouden doelen op de essentie die we gemeen hebben.

Hetzelfde zijnd bestaand als de vijf elementen zowel als hetzelfde zijnd in onze essentie houdt jullie vraag van 'Wie bent U' voorzeker een poging in tot spreken zonder enig doel. (Vedabase)

 

  Tekst 24

Dat wat door de geest, de spraak, het zien alsook door de andere zinnen wordt gehanteerd ben Ik allemaal. Er is werkelijk niets dat buiten Mij bestaat; dat is wat jullie goed moeten begrijpen.

Wat door de geest, de spraak, het zien als ook door de andere zinnen wordt aangehangen ben Ik inderdaad, met niets buiten Mij; dat is wat jullie goed moeten begrijpen. (Vedabase)

 

  Tekst 25

De geest gaat uit naar de zinsobjecten en de zinsobjecten nemen bezit van de geest beste mannen, maar voor het levende wezen waarvan Ik de Ziel ben, zijn zowel de geest als de zinsobjecten uiterlijke verschijningsvormen.

De geest gaat uit naar de zinsobjecten en de zinsobjecten nemen bezit van de geest, beste mannen, maar voor het levende wezen met Mij als de Ziel, zijn de geest en de zinsobjecten beiden uiterlijke verschijningsvormen. (Vedabase)

 

  Tekst 26

Met de geest die steeds weer opnieuw teruggrijpt op de zinsobjecten die genoten worden en met de zinsobjecten die [zo] weer het denken stimuleren moet degene die van Mijn bovenzinnelijke [Hamsa-]gedaante is afstand nemen van zowel het denken als het zinsobject [zie ook vritti en neti neti].

Met de geest die in zinsbevrediging keer op keer reikt naar de zinsobjecten en de zinsobjecten die voortdurend prominent aanwezig zijn in de geest, moet degene die van Mijn [Hamsa-]gedaante zijn hen beide verzaken [zie ook vritti en neti neti]. (Vedabase)

 

  Tekst 27

Waken, dromen en diepe slaap zijn de functies van de intelligentie die voortvloeien uit de geaardheden der natuur. De individuele ziel staat met kenmerken verschillend van hen bekend als de getuige [zie ook 7.7: 25 en B.G. 7: 5].

Waken, dromen en diepe slaap zijn de functies van de intelligentie volgend op de geaardheden der natuur; met kenmerken verschillend met die van hen stelt men de individuele ziel vast als zijnde de getuige [zie ook 7.7: 25 en B.G. 7: 5]. (Vedabase)

 

  Tekst 28

De materieel gemotiveerde intelligentie vormt de gebondheid die de ziel bezighoudt met de natuurlijke geaardheden, maar als men zich bevindend in Mij, in de vierde staat van bewustzijn [turîya], erin slaagt ermee te breken komt men op dat moment los van het denken en de zinsobjecten [zie 11.3: 35].

Aangezien er de gebondenheid van de materieel gemotiveerde intelligentie is die het functioneren van deze ziel in de drie geaardheden oplevert, moet men, zich bevindend in het vierde element, in Mij, die band eraan geven, ten tijde waarvan er de verzaking van de zinsobjecten en de geest is [zie 11.3: 35]. (Vedabase)

 

  Tekst 29

De gebondenheid van de ziel die het gevolg is van het zich identificeren met het lichaam vormt het tegengestelde doel. Hij die onthecht in samsâra er weet van heeft behoort, zich bevindend in de vierde staat, de bezorgdheid [over die egokwesties] te laten varen.

De gebondenheid van de ziel voortgebracht door het zich identificeren met het lichaam vormt het tegengestelde van wat bedoeld werd; hij die onthecht in samsâra er weet van heeft behoort, zich bevindend in het vierde element, de bezorgdheid [over egokwesties] te laten varen. (Vedabase)

 

  Tekst 30

Zolang als een persoon zijn aandacht verdeelt over verschillende doeleinden en hij niet zijn rust kan vinden met de daartoe geëigende methoden [zoals vermeld] is hij, ook al is hij wakker, met zijn ogen open aan het dromen en niet bewust aanwezig, net als iemand die in zijn slaap wat ziet [zie ook B.G. 2: 41].

Zo lang als een persoon die overtuigd is van vele verschillende doeleinden niet tot rust komt met de geschikte methoden [zoals vermeld] zal hij, hoewel wakker zijnde, onbewust aan het slapen zijn als in een droom [zie ook B.G. 2: 41]. (Vedabase)

 

  Tekst 31

De vormen van bestaan apart van de Opperziel zullen, niet van wezenlijk belang zijnde, vanwege de gescheidenheid die door hen in het leven is geroepen, voor de ziener die vol is van motieven en doelstellingen net zo begoochelend zijn als wat men heeft in een droom.

De vormen van bestaan los van de de Opperziel zullen, niet van wezenlijk belang zijnde, door de gescheidenheid die door hen in het leven is geroepen, voor de ziener vol van motieven en doelstellingen net zo zijn als het valse van een droom. (Vedabase)

 

  Tekst 32

Als hij wakker is geniet hij de kwaliteiten van de uiterlijke wereld op dat moment. In zijn dromen ondergaat hij in de geest met al zijn zinnen dezelfde ervaring. Diep in slaap verliest hij zijn bewustzijn. Maar één in zijn herinnering wordt hij in zijn getuige zijn van het functioneren van de drie opeenvolgende bewustzijnsstaten heer en meester over zijn zinnen [zie ook 4.29: 60-79 en B.G. 15: 7-8].

Als hij wakker is geniet hij de kwaliteiten van de uitwendige aangelegenheid op dat moment, in zijn dromen ondergaat hij in de geest met al de zinnen dezelfde ervaring, in de diepe slaap gaat hij over in de onwetendheid; één van heugenis zijnde in het getuige zijn van de functies wordt hij bij de opeenvolging in de drie stadia de heer van de zinnen [zie ook 4.29: 60-79 en B.G. 15: 7-8]. (Vedabase)

 

  Tekst 33

Als men in Mij verkerend de drie staten van bewustzijn overziet die voortkomen uit de natuurlijke geaardheden van Mijn begoochelend vermogen, wees dan vastbesloten over het doel Mij te aanbidden als aanwezig zijnde in het hart. Snijdt voor dat doel met het zwaard des onderscheids dat werd aangescherpt met de logica en de instructies omtrent het ware, de banden door met de [ahankâra] oorzaak van alle twijfels.

Aldus met de geaardheden van de natuur in Mij de drie staten van bewustzijn overwegende zoals opgelegd door Mijn Illusieverwekkend vermogen, weest vastbesloten wat betreft de bedoeling van het van aanbidding zijn voor Mij in het hart aanwezig, door, met het zwaard van de kennis aangescherpt door logica en door waarachtige instructies, de [ahankâra] oorzaak van alle twijfels weg te snijden. (Vedabase)

 

  Tekst 34

Bezie deze bedrieglijke staat van de geest die, met voorstellingen die zich vandaag voordoen en morgen weer verdwenen zijn, zo flakkert als het brandende uiteinde van een bewegende fakkel. Het is de Ene geestelijke ziel die misleidend verschijnt in vele onderverdelingen die zich manifesteren als een illusie van een drievoudig onderscheiden vorm van dromen die in het leven werd geroepen door de geaardheden der natuur [zie ook B.G. 9: 15, 15: 16, linga en siddhânta].

Bezie deze bedrieglijke staat van de geest die, verschijningen kennend die vandaag naar voren springen en morgen weer verdwenen zijn, zo wankelmoedig is als het gloeiende eind van een bewegende fakkel; het is de Ene geestelijke ziel die misleidend verschijnend in vele verdelingen zich manifesteert als een illusie van een drievoudige verscheidenheid van dromen gecreëerd door de verandering van de geaardheden der natuur [zie ook B.G. 9.15, 15: 16, linga en siddhânta]. (Vedabase)

 

  Tekst 35

Als men de blik afwendt van die [misleidende materiële] werkelijkheid moet men, stil geworden met het beëindigen van de materiële hunkering, komen tot de realisatie van het eigenlijke geluk. Dat geluk ziet men ontstaan als men vrij van materieel gemotiveerd handelen is. De keren dat men men dan van de aarde is, behoort men, in gedachten houdend dat dat niet van substantieel belang is, vast te houden aan het beëindigen van het aardse om niet te dolen tot het leven ten einde is.

Met het de ogen afwenden van die [misleidende materiële] werkelijkheid moet men, van de stilte zijnde met de materiële hunkering teneinde, komen tot de realisatie van het eigen geluk dat men ziet optreden als men zonder materiële aktiviteiten is; en àls men dan bij tijden van de aarde is, behoort men, in gedachten houdend dat dat niet van substantieel belang is, het op te geven, met die heugenis tot het levenseinde niet dolend. (Vedabase)

 

  Tekst 36

Net zoals iemand die verblind door de drank zich niet bewust is van de kleren die hij draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is, zie je, er geen acht op of het lichaam nu zit of staat, of hij nu naar Gods wil het leven verlaat of door het lot beschikt [een nieuw lichaam] verwerft, omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft bereikt [zijn svarûpa].

Net als iemand die verblind door de drank zich niet bewust is van de kleren die hij draagt, slaat hij die van de volmaaktheid is, zie je, er geen acht op of het lichaam zit of staat, naar Gods wil vertrekt of door het lot beschikt [een nieuw lichaam] verwerft, omdat hij zijn oorspronkelijke positie heeft bereikt [zijn svarûpa]. (Vedabase)

 

  Tekst 37

Zolang als het lichaam er door het lot beschikt nog is en er nog karma is, zal het op eigen kracht volhouden met zijn levensadem en zinnen en zijn verscheidenheid aan manifestaties. Hoog geklommen echter in de volledige verzonkenheid van de yoga zal degene die ontwaakt is wat betreft de essentie niet langer dat gedroom cultiveren.

Voor zolang het lichaam zoals beschikt door het lot er van het karma is, zal het op eigen kracht volhouden met zijn levensadem en zinnen en zijn verscheidenheid aan manifestaties; hoog geklommen echter in de volledige verzonkenheid van de yoga zal degene die ontwaakt is wat betreft de essentie niet nogmaals dat gedroom cultiveren. (Vedabase)

 

  Tekst 38

O geleerden, nu Ik u deze vertrouwlijke analyse en de yoga, de wetenschap van de bewustzijnsvereniging, heb uitgelegd, begrijp alstublieft dat Ik kwam als Yajña [Vishnu, de Heer van het Offer] om de aandacht te vestigen op de eigenlijke verplichtingen.

O geleerden, door Mij is nu aan jullie uitleg verschaft over de analyse en de yoga, begrijp alstublieft dat Ik kwam als Yajña [Vishnu, de Heer van het Offer] om te wijzen op de eigenlijke verplichtingen. (Vedabase)

 

  Tekst 39

Beste van de tweemaal geborenen, Ik ben de Hoogste Weg van de yoga, de analyse, de waarheid en de heilige wet alsook de schoonheid, de roem en de zelfbeheersing.

Beste van de tweemaal geborenen, Ik ben de Hoogste Weg van de yoga, de analyse, de waarheid en de heilige wet als ook de schoonheid, de roem en de zelfbeheersing. (Vedabase)

 

  Tekst 40

Alle kwaliteiten zoals het vrij zijn van de geaardheden en vrij zijn van verwachtingen, de Weldoener zijn, de Meest Geliefde, het Ware Zelf, Hij die Gelijk is, de onthechting enzovoorts, vinden, omdat ze geen affiniteit hebben met de geaardheden, hun toevlucht en dienst in Mij.

Alle kwaliteiten zoals het vrij zijn van de geaardheden en vrij zijn van verwachtingen, de Weldoener zijn, de Meest Geliefde, het Ware Zelf, Hij die Gelijk is, de onthechting en zo voorts, vinden, in hun niet van affiniteit zijn voor de geaardheden, hun dienst in Mij.' (Vedabase)

 

  Tekst 41

Aldus werd er door Mij een einde gemaakt aan de twijfels van al de wijzen die werden aangevoerd door Sanaka en die, volledig van aanbidding in bovenzinnelijke liefdevolle dienst, met prachtige hymnen Mijn heerlijkheden bezongen.

Aldus werden door Mij de twijfels vernietigd van al de wijzen aangevoerd door Sanaka die, volledig van aanbidding in bovenzinnelijke liefdevolle dienst, met prachtige hymnen Mijn heerlijkheden bezongen. (Vedabase)

 

  Tekst 42

Ik volmaakt aanbeden en verheerlijkt door de grootsten onder de wijzen keerde toen, voor het oog van Brahmâ, terug naar Mijn verblijfplaats.'

Ik volmaakt aanbeden en verheerlijkt door de grootsten onder de wijzen keerde toen, voor het oog van Brahmâ, terug naar Mijn verblijfplaats. (Vedabase)

 

* In het Sanskriet is de term sattva, behalve dat dat goedheid, innerlijke kracht, verstandig zijn en ware aard betekent, een ander woord voor karakter. Karakter, zedelijke ruggengraat, wordt ook omschreven als s'ila of svarûpa; 'vorm, vroomheid, moraliteit, gewoonte of gebruik' of 'de eigen vorm, je ware aard' of de constitutionele positie in de omgang met Krishna zoals Svâmî Prabhupâda dat het liefst noemde.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
De afbeelding is getiteld: 'Princess Damayanthi, sending the Royal Swan as messenger to Nalan'.
Het is van
Raja Ravi Varma.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties