regelbalk

 

Râdhâ Mâdhava 2

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 18

 

Het Varnâs'rama-systeem: de Teruggetrokkenen en de Wereldverzakers

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'In het derde deel van het leven het verlangend het woud in te gaan behoort men, door de echtgenote aan de zoons toe te vertrouwen of anders samen met haar in het bos verkerend, aldus te werk te gaan in vrede. (2) Men moet voorzien in het zuivere [*] levensonderhoud met de bloembollen, wortels en vruchten van het woud, daarbij boombast, gras, bladeren of dierenvellen gebruikend als kleding. (3) Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar en de nagels het vuil dragend, en de tanden niet reinigend [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich in het water te begeven en ['s nachts] op de grond te slapen. (4) Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer, de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou in de winter tot aan je nek ondergedompeld in het water verdragend, behoort men aldus bezig voortgang te boeken met de boete [zie ook 4.23: 6]. (5) Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden. (6) In eigen persoon behoort hij, met een praktische zin naar gelang de plaats en de tijd en zijn kracht, dat te verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19]. (7) Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren. (8) Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de voor de wijze door de vedische experts voorgeschreven geloften van de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya]. (9) Van die praktijk zal de wijze, van de boete zo vermagerd dat men zijn aderen kan zien, van aanbidding zijn voor Mij, het Doel van Alle Boete, Mij bereikend in de wereld der zieners [zie ook maharloka]. (10) Iemand die dan voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke boete is welke de bevrijding schenkt, maar die beoefent uit zijnde op oppervlakkige zinsbevrediging - bestaat er een grotere dwaas dan hij? [zie ook vântâs'î] (11) Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23]. (12) Als alles wat is verkregen door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, niets anders dan de hel is voor hem en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt het offervuur opgeven en overgaan tot de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].

(13) Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het plaatsen van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*]. (14) Aan de geschoolde die waarachtig sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbij gaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6.25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7]. (15) Als de wijze dan enige kleding zou dragen, zou hij zijn lendendoek [of kaupîna] ermee bedekken; met eigenlijk niets meer nodig hebbend behalve zijn staf en zijn waterpot, moet al het overige worden opgegeven. (16) Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen zeggen dat het zuiver is [te weten, de afwezigheid van levende wezens], hij behoort water te drinken gefiltreerd door zijn kleed, hij behoort woorden te bezigen waarachtig naar zuiverheid; hij moet doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver. (17) Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling zijn de strikte disciplines van de stem, van het lichaam en van de geest; hij inderdaad bij wie er geen sprake is van dezen, mijn beste, is met zijn bamboestokken nimmer een echte sannyâsî [zie ook tridanda]. (18) Uit bedelen bij de vier varna's moet men de onzuiveren [de zondige huishoudens] afwijzen terwijl men willekeurig zeven verschillende huizen benadert en tevreden is met de verworven hoeveelheid [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8]. (19) Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, er schoon van, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat er van over is schoongemaakt in zijn geheel verorberen. (20) Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met de zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in de realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan]. (21) Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze in zijn bewustzijn zich te concentreren op de ziel alleen als zijnde niet-verschillend van Mij. (22) Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen afgeleid door de zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding. (23) Daarom moet de wijze, met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle, onthecht van de zinledige zaken van de lust, met het ervaren hebben van het grote geluk in de ziel leven bij het bewustzijn van Mij. (24) Hij behoort te reizen naar de toevluchtsoorden die de aarde kent en die zuiver zijn met rivieren, bergen en wouden en [enkel] de steden, dorpen en weidegronden te betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven voor het lichaam. (25) De levensorde verblijvend in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, daar door voedsel verkregen met het bijeen garen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden. (26) Nimmer moet men het vergankelijke dat men ziet in de directe ervaring houden voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van activiteiten om er materieel op vooruit te gaan in deze wereld en in de volgende. (27) Geconcentreerd in zichzelf bij machte van de rede het opgevend met dit universum, welk in het Zelf verknoopt is met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra], moet men die begoochelende materiële energie niet in gedachten houden. (28) Ofwel als iemand levend voor de geestelijke kennis onthecht zijnde van uiterlijke verschijningsvormen, ofwel als Mijn toegewijde zelfs niet verlangend naar de bevrijding, behoort men [als een paramahamsa], het opgevend met de specifieke uiterlijke routines met betrekking tot de levensfase, te leven voorbij het bereik van de regels en regelingen [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*]. (29) Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige belemmering ['ronddolen als een koe']. (30) Hij moet nimmer strikt van aandacht zijn voor dat waar de Veda's over spreken [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig zijn enkel pratend terwille van het argument. (31) De geheiligde persoon moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren naar het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15]. (32) De Allerhoogste is voorzeker de Ziel die zich bevindt in alle levende wezens en ook in het eigen lichaam; precies zoals de maan is in verschillende waterbekkens zijn ook de materiële lichamen individuele vonken van de Ene [zie ook B.G. 6.29 & 13: 34]. (33) Verankerd in de eigen overtuiging behoort men, bij tijden geen voedsel verkrijgend, niet neerslachtig te zijn noch met wat men dan ook verwerft zich te verheugen; beiden staan onder controle van God. (34) Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden, daar men zich met die kracht bezint op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, bevrijding schenkt [zie B.G. 6: 16]. (35) Welk eerste klas voedsel of voedsel van een mindere kwaliteit de wijze ook verwerft moet hij eten, en evenzo moet hij ook de kleding en het beddengoed aanvaarden dat hij zonder enige inspanning verwerft [zie ook 7.13]. (36) Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moet hij die spiritueel tot inzicht is gekomen zonder dwangmatigheid naleven, net zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit. (37) Voorzeker is voor hem de waarneming van gescheidenheid dat wat wordt vernietigd door het zich realiseren van Mij; somtijds houdt zo'n idee aan totdat het lichaam sterft, maar dan zal alles zich met Mij ten goede keren. (38) Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die nog niet serieus Mij in overweging heeft genomen, met de gerezen weerzin de spirituele volmaaktheid verlangend, het als zijn plicht zien een wijze [bona-fide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4.34 & 17: 14]. (39) De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar, die inderdaad Mij is, dienen, totdat hij duidelijk inzicht heeft in het spirituele [zie ook 11. 17: 27]. (40-41) Hij dan die niet de groep van zes beheerste [ook wel: de anartha's], hij die als de wagenmenner impulsief is met de zinnen, hij die verstoken is van de kennis en de onthechting, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en die Mij ontkent, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf, is, met het niet hebben afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bedervend, ongeschikt voor deze wereld zowel als voor de volgende.

(42) Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn; boete en onderscheidingsvermogen horen bij hem die in het woud leeft; de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya. (43) Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens van al degenen die Mij aanbidden, is [de plicht] van zelfs de huishouder die op de juiste tijd [zoals verwacht wordt van hem] zijn vrouw benadert [voor de voortplanting, zie ook voorgaand hoofdstuk en B.G. 7: 11]. (44) Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt met geen ander voorwerp van toewijding, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en bereikt een onversaagde toegewijde dienst tot Mij. (45) Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt. (46) Aldus naar zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd hebbend, volledig van begrip voor Mijn verheven positie en begiftigd met kennis en wijsheid, zal hij zeer spoedig samen zijn met Mij. (47) Gekenmerkt door een gevestigde gedragscode vergunt dit religieuze beginsel van de volgelingen van het varnâs'rama-systeem, die aldus verenigd zijn met deze toewijding tot Mij, de hoogste volmaaktheid des levens. (48) O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men als toegewijde zich volmaakt in kan zetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

Description of Varnâs'rama-dharma

 

Tekst 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'In het derde deel van het leven het verlangend het woud in te gaan behoort men, door de echtgenote aan de zoons toe te vertrouwen of anders samen met haar in het bos verkerend, aldus te werk te gaan in vrede.

The Supreme Personality of Godhead said: One who desires to adopt the third order of life, vânaprastha, should enter the forest with a peaceful mind, leaving his wife with his mature sons, or else taking her along with him.

 

Tekst 2:

Men moet voorzien in het zuivere [*] levensonderhoud met de bloembollen, wortels en vruchten van het woud, daarbij boombast, gras, bladeren of dierenvellen gebruikend als kleding.

Having adopted the vânaprastha order of life, one should arrange one's sustenance by eating uncontaminated bulbs, roots and fruits that grow in the forest. One may dress oneself with tree bark, grass, leaves or animal skins.

   

Tekst 3:

Met het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar en de nagels het vuil dragend, en de tanden niet reinigend [op andere tijden], behoort men drie maal daags zich in het water te begeven en ['s nachts] op de grond te slapen.

The vânaprastha should not groom the hair on his head, body or face, should not manicure his nails, should not pass stool and urine at irregular times and should not make a special endeavor for dental hygiene. He should be content to take bath in water three times daily and should sleep on the ground.

 

Tekst 4

Ascetisch de vijf vuren gedurende de zomer, de stortregens tijdens het regenseizoen en de kou in de winter tot aan je nek ondergedompeld in het water verdragend, behoort men aldus bezig voortgang te boeken met de boete [zie ook 4.23: 6].

Thus engaged as a vânaprastha, one should execute penance during the hottest summer days by subjecting oneself to burning fires on four sides and the blazing sun overhead; during the rainy season one should remain outside, subjecting oneself to torrents of rain; and in the freezing winter one should remain submerged in water up to one's neck.

 

Tekst 5

Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden.

One may eat foodstuffs prepared with fire, such as grains, or fruits ripened by time. One may grind one's food with mortar and stone or with one's own teeth.

 

Tekst 6

In eigen persoon behoort hij, met een praktische zin naar gelang de plaats en de tijd en zijn kracht, dat te verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19].

The vânaprastha should personally collect whatever he requires for his bodily maintenance, carefully considering the time, place and his own capacity. He should never collect provisions for the future.

 

Tekst 7

Een vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van dieren.

One who has accepted the vânaprastha order of life should perform seasonal sacrifices by offering oblations of caru and sacrificial cakes prepared from rice and other grains found in the forest. The vânaprastha, however, may never offer animal sacrifices to Me, even those sacrifices mentioned in the Vedas.

 

 Tekst 8

Als voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de volle maan en houdt hij zich ook aan de voor de wijze door de vedische experts voorgeschreven geloften van de viermaandelijkse offerplechtigheid [van câturmâsya].

The vânaprastha should perform the agnihotra, dars'a and paurnamâsa sacrifices, as he did while in the grihastha-âs'rama. He should also perform the vows and sacrifices of câturmâsya, since all of these rituals are enjoined for the vânaprastha-âs'rama by expert knowers of the Vedas.

 

 Tekst 9

Van die praktijk zal de wijze, van de boete zo vermagerd dat men zijn aderen kan zien, van aanbidding zijn voor Mij, het Doel van Alle Boete, Mij bereikend in de wereld der zieners [zie ook maharloka].

The saintly vânaprastha, practicing severe penances and accepting only the bare necessities of life, becomes so emaciated that he appears to be mere skin and bones. Thus worshiping Me through severe penances, he goes to the Maharloka planet and then directly achieves Me.

 

Tekst 10

Iemand die dan voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke boete is welke de bevrijding schenkt, maar die beoefent uit zijnde op oppervlakkige zinsbevrediging - bestaat er een grotere dwaas dan hij? [zie ook vântâs'î]

One who with long endeavor executes this painful but exalted penance, which awards ultimate liberation, simply to achieve insignificant sense gratification must be considered the greatest fool.

 

Tekst 11

Als hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12: 23].

If the vânaprastha is overtaken by old age and because of his trembling body is no longer able to execute his prescribed duties, he should place the sacrificial fire within his heart by meditation. Then, fixing his mind on Me, he should enter into the fire and give up his body.

 

Tekst 12

Als alles wat is verkregen door het karma, met inbegrip van een hogere leefwereld, niets anders dan de hel is voor hem en zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt het offervuur opgeven en overgaan tot de wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].

If the vânaprastha, understanding that even promotion to Brahmaloka is a miserable situation, develops complete detachment from all possible results of fruitive activities, then he may take the sannyâsa order of life.

 

Tekst 13

Met het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met het plaatsen van het offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*].

Having worshiped Me according to scriptural injunctions and having given all one's property to the sacrificial priest, one should place the fire sacrifice within oneself. Thus, with the mind completely detached, one should enter the sannyâsa order of life.

 

Tekst 14

Aan de geschoolde die waarachtig sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbij gaand moet de sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6.25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7].

'This man taking sannyâsa is going to surpass us and go back home, back to Godhead.' Thus thinking, the demigods create stumbling blocks on the path of the sannyâsî by appearing before him in the shape of his former wife or other women and attractive objects. But the sannyâsî should pay the demigods and their manifestations no heed.

 

Tekst 15

Als de wijze dan enige kleding zou dragen, zou hij zijn lendendoek [of kaupîna] ermee bedekken; met eigenlijk niets meer nodig hebbend behalve zijn staf en zijn waterpot, moet al het overige worden opgegeven.

If the sannyâsî desires to wear something besides a mere kaupîna, he may use another cloth around his waist and hips to cover the kaupîna. Otherwise, if there is no emergency, he should not accept anything besides his danda and waterpot.

 

Tekst 16

Hij behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen zeggen dat het zuiver is [te weten, de afwezigheid van levende wezens], hij behoort water te drinken gefiltreerd door zijn kleed, hij behoort woorden te bezigen waarachtig naar zuiverheid; hij moet doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde zuiver.

A saintly person should step or place his foot on the ground only after verifying with his eyes that there are no living creatures, such as insects, who might be injured by his foot. He should drink water only after filtering it through a portion of his cloth, and he should speak only words that possess the purity of truth. Similarly, he should perform only those activities his mind has carefully ascertained to be pure.

  

Tekst 17

Zwijgzaamheid, terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling zijn de strikte disciplines van de stem, van het lichaam en van de geest; hij inderdaad bij wie er geen sprake is van dezen, mijn beste, is met zijn bamboestokken nimmer een echte sannyâsî [zie ook tridanda].

One who has not accepted the three internal disciplines of avoiding useless speech, avoiding useless activities and controlling the life air can never be considered a sannyâsî merely because of his carrying bamboo rods.

 

Tekst 18

Uit bedelen bij de vier varna's moet men de onzuiveren [de zondige huishoudens] afwijzen terwijl men willekeurig zeven verschillende huizen benadert en tevreden is met de verworven hoeveelheid [zie ook cakra, vergelijk 1.4: 8].

Rejecting those houses that are polluted and untouchable, one should approach without previous calculation seven houses and be satisfied with that which is obtained there by begging. According to necessity, one may approach each of the four occupational orders of society.

 

Tekst 19

Ergens buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, er schoon van, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld en vervolgens wat er van over is schoongemaakt in zijn geheel verorberen.

Taking the food gathered through begging, one should leave the populated areas and go to a reservoir of water in a secluded place. There, having taken a bath and washed one's hands thoroughly, one should distribute portions of the food to others who may request it. One should do this without speaking. Then, having thoroughly cleansed the remnants, one should eat everything on one's plate, leaving nothing for future consumption.

 

Tekst 20

Zich alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met de zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in de realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18, zie bhajan].

Without any material attachment, with senses fully controlled, remaining enthusiastic, and satisfied in realization of the Supreme Lord and his own self, the saintly person should travel about the earth alone. Having equal vision everywhere, he should be steady on the spiritual platform.

 

Tekst 21

Zich ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze in zijn bewustzijn zich te concentreren op de ziel alleen als zijnde niet-verschillend van Mij.

Dwelling in a safe and solitary place, his mind purified by constant thought of Me, the sage should concentrate on the soul alone, realizing it to be nondifferent from Me.

 

 Tekst 22

Mediterend op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie 11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen afgeleid door de zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige controle over hen en de bevrijding.

By steady knowledge a sage should clearly ascertain the nature of the soul's bondage and liberation. Bondage occurs when the senses are deviated to sense gratification, and complete control of the senses constitutes liberation.

 

 Tekst 23

Daarom moet de wijze, met de zes afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder controle, onthecht van de zinledige zaken van de lust, met het ervaren hebben van het grote geluk in de ziel leven bij het bewustzijn van Mij.

Therefore, completely controlling the five senses and the mind by Krishna consciousness, a sage, having experienced spiritual bliss within the self, should live detached from insignificant material sense gratification.

 

 Tekst 24

Hij behoort te reizen naar de toevluchtsoorden die de aarde kent en die zuiver zijn met rivieren, bergen en wouden en [enkel] de steden, dorpen en weidegronden te betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven voor het lichaam.

The sage should travel in sanctified places, by flowing rivers and within the solitude of mountains and forests. He should enter the cities, towns and pasturing grounds and approach ordinary working men only to beg his bare sustenance.

 

 Tekst 25

De levensorde verblijvend in het woud moet altijd de positie innemen van het bedelen, daar door voedsel verkregen met het bijeen garen [of van de bijstand leven] men snel de bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal vinden.

One in the vânaprastha order of life should always practice taking charity from others, for one is thereby freed from illusion and quickly becomes perfect in spiritual life. Indeed, one who subsists on food grains obtained in such u humble manner purifies his existence.

 

 Tekst 26

Nimmer moet men het vergankelijke dat men ziet in de directe ervaring houden voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van activiteiten om er materieel op vooruit te gaan in deze wereld en in de volgende.

One should never see as ultimate reality those material things which obviously will perish. With consciousness free from material attachment, one should retire from all activities meant for material progress in this life and the next.

 

 Tekst 27

Geconcentreerd in zichzelf bij machte van de rede het opgevend met dit universum, welk in het Zelf verknoopt is met de geest, de spraak en de levensadem [zie ahankâra], moet men die begoochelende materiële energie niet in gedachten houden.

One should logically consider the universe, which is situated within the Lord, and one's own material body, which is composed of mind, speech and life air, to be ultimately products of the Lord's illusory energy. Thus situated in the self, one should give up one's faith in these things and should never again make them the object of one's meditation.

 

 Tekst 28

Ofwel als iemand levend voor de geestelijke kennis onthecht zijnde van uiterlijke verschijningsvormen, ofwel als Mijn toegewijde zelfs niet verlangend naar de bevrijding, behoort men [als een paramahamsa], het opgevend met de specifieke uiterlijke routines met betrekking tot de levensfase, te leven voorbij het bereik van de regels en regelingen [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*].

A learned transcendentalist dedicated to the cultivation of knowledge and thus detached from external objects, or My devotee who is detached even from desire for liberation - both neglect those duties based on external rituals or paraphernalia. Thus their conduct is beyond the range of rules and regulations.

 

 Tekst 29

Hoewel intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder enige belemmering ['ronddolen als een koe'].

Although most wise, the paramahamsa should enjoy life like a child, oblivious to honor and dishonor; although most expert, he should behave like a stunted, incompetent person; although most learned, he should speak like an insane person; and although a scholar learned in Vedic regulations, he should behave in an unrestricted manner.

 

 Tekst 30

Hij moet nimmer strikt van aandacht zijn voor dat waar de Veda's over spreken [te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig zijn enkel pratend terwille van het argument.

A devotee should never engage in the fruitive rituals mentioned in the karma-kânda section of the Vedas, nor should he become atheistic, acting or speaking in opposition to Vedic injunctions. Similarly, he should never speak like a mere logician or skeptic or take any side whatsoever in useless arguments.

 

 Tekst 31

De geheiligde persoon moet zich nooit storen aan andere mensen, noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook een negatieve sfeer creëren naar het belang van het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren [zie ook B.G. 12: 15].

A saintly person should never let others frighten or disturb him and, similarly, should never frighten or disturb other people. He should tolerate the insults of others and should never himself belittle anyone. He should never create hostility with anyone for the sake of the material body, for he would thus be no better than an animal.

 

 Tekst 32

De Allerhoogste is voorzeker de Ziel die zich bevindt in alle levende wezens en ook in het eigen lichaam; precies zoals de maan is in verschillende waterbekkens zijn ook de materiële lichamen individuele vonken van de Ene [zie ook B.G. 6.29 & 13: 34].

The one Supreme Lord is situated within all material bodies and within everyone's soul. Just as the moon is reflected in innumerable reservoirs of water, the Supreme Lord, although one, is present within everyone. Thus every material body is ultimately composed of the energy of the one Supreme Lord.

 

 Tekst 33

Verankerd in de eigen overtuiging behoort men, bij tijden geen voedsel verkrijgend, niet neerslachtig te zijn noch met wat men dan ook verwerft zich te verheugen; beiden staan onder controle van God.

If at times one does not obtain proper food one should not be depressed, and when one obtains sumptuous food one should not rejoice. Being fixed in determination, one should understand both situations to be under the control of God.

 

 Tekst 34

Men moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden, daar men zich met die kracht bezint op de spirituele waarheid welke, eenmaal begrepen, bevrijding schenkt [zie B.G. 6: 16].

If required, one should endeavor to get sufficient foodstuffs, because it is always necessary and proper to maintain one's health. When the senses, mind and life air are fit, one can contemplate spiritual truth, and by understanding the truth one is liberated.

 

 Tekst 35

Welk eerste klas voedsel of voedsel van een mindere kwaliteit de wijze ook verwerft moet hij eten, en evenzo moet hij ook de kleding en het beddengoed aanvaarden dat hij zonder enige inspanning verwerft [zie ook 7.13].

A sage should accept the food, clothing and bedding - be they of excellent or inferior quality - that come of their own accord.

 

 Tekst 36

Algemene reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en andere reguliere plichten moet hij die spiritueel tot inzicht is gekomen zonder dwangmatigheid naleven, net zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit.

Just as I, the Supreme Lord, execute regulative duties by My own free will, similarly, one who has realized knowledge of Me should maintain general cleanliness, purify his hands with water, take bath and execute other regulative duties not by force but by his own free will.

 

 Tekst 37

Voorzeker is voor hem de waarneming van gescheidenheid dat wat wordt vernietigd door het zich realiseren van Mij; somtijds houdt zo'n idee aan totdat het lichaam sterft, maar dan zal alles zich met Mij ten goede keren.

A realized soul no longer sees anything as separate from Me, for his realized knowledge of Me has destroyed such illusory perception. Since the material body and mind were previously accustomed to this kind of perception, it may sometimes appear to recur; but at the time of death the self-realized soul achieves opulences equal to Mine.

 

 Tekst 38

Ongelukkig over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die nog niet serieus Mij in overweging heeft genomen, met de gerezen weerzin de spirituele volmaaktheid verlangend, het als zijn plicht zien een wijze [bona-fide] persoon [van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie ook B.G. 16: 23-24, 4.34 & 17: 14].

One who is detached from sense gratification, knowing its result to be miserable, and who desires spiritual perfection, but who has not seriously analyzed the process for obtaining Me, should approach a bona fide and learned spiritual master.

 

 Tekst 39

De toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang de geestelijk leraar, die inderdaad Mij is, dienen, totdat hij duidelijk inzicht heeft in het spirituele [zie ook 11. 17: 27].

Until a devotee has clearly realized spiritual knowledge, he should continue with great faith and respect and without envy to render personal service to the guru, who is nondifferent from Me.

 

 Tekst 40-41

Hij dan die niet de groep van zes beheerste [ook wel: de anartha's], hij die als de wagenmenner impulsief is met de zinnen, hij die verstoken is van de kennis en de onthechting, hij die de staf met de drie stokken aanwendt voor het verwerven van een inkomen en die Mij ontkent, zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf, is, met het niet hebben afgerekend met de besmetting en aldus het dharma bedervend, ongeschikt voor deze wereld zowel als voor de volgende.

One who has not controlled the six forms of illusion [lust, anger, greed, excitement, false pride and intoxication], whose intelligence, the leader of the senses, is extremely attached to material things, who is bereft of knowledge and detachment, who adopts the sannyâsa order of life to make a living, who denies the worshipable demigods, his own self and the Supreme Lord within himself, thus ruining all religious principles, and who is still infected by material contamination, is deviated and lost both in this life and the next.

  

 Tekst 42

Het is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn; boete en onderscheidingsvermogen horen bij hem die in het woud leeft; de huishouder biedt onderdak en houdt offerplechtigheden en een celibataire novice dient de âcârya.

The main religious duties of a sannyâsî are equanimity and nonviolence, whereas for the vânaprastha austerity and philosophical understanding of the difference between the body and soul are prominent. The main duties of a householder are to give shelter to all living entities and perform sacrifices, and the brahmacârî is mainly engaged in serving the spiritual master.

 

 Tekst 43

Het celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk zijn voor alle levende wezens van al degenen die Mij aanbidden, is [de plicht] van zelfs de huishouder die op de juiste tijd [zoals verwacht wordt van hem] zijn vrouw benadert [voor de voortplanting, zie ook voorgaand hoofdstuk en B.G. 7: 11].

A householder may approach his wife for sex only at the time prescribed for begetting children. Otherwise, the householder should practice celibacy, austerity, cleanliness of mind and body, satisfaction in his natural position, and friendship toward all living entities. Worship of Me is to be practiced by all human beings, regardless of social or occupational divisions.

 

 Tekst 44

Degene die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt met geen ander voorwerp van toewijding, zal zich Mij realiseren in alle levende wezens en bereikt een onversaagde toegewijde dienst tot Mij.

One who worships Me by his prescribed duty, having no other object of worship, and who remains conscious of Me as present in all living entities, achieves unflinching devotional service unto Me.

 

 Tekst 45

Middels een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan alles een einde maakt.

My dear Uddhava, I am the Supreme Lord of all worlds, and I create and destroy this universe, being its ultimate cause. I am thus the Absolute Truth, and one who worships Me with unfailing devotional service comes to Me.

 

 Tekst 46

Aldus naar zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd hebbend, volledig van begrip voor Mijn verheven positie en begiftigd met kennis en wijsheid, zal hij zeer spoedig samen zijn met Mij.

Thus, one who has purified his existence by execution of his prescribed duties, who fully understands My supreme position and who is endowed with scriptural and realized knowledge, very soon achieves Me.

 

 Tekst 47

Gekenmerkt door een gevestigde gedragscode vergunt dit religieuze beginsel van de volgelingen van het varnâs'rama-systeem, die aldus verenigd zijn met deze toewijding tot Mij, de hoogste volmaaktheid des levens.

Those who are followers of this varnâs'rama system accept religious principles according to authorized traditions of proper conduct. When such varnâs'rama duties are dedicated to Me in loving service, they award the supreme perfection of life.

 

 Tekst 48

O vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven waarmee men als toegewijde zich volmaakt in kan zetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste kan komen.

My dear saintly Uddhava, I have now described to you, just as you inquired, the means by which My devotee, perfectly engaged in his prescribed duty, can come back to Me, the Supreme Personality of Godhead.

 

* S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî Thhâkur citerend uit de Manu-samhitâ wijst erop dat het woord medhyaih ofwel 'zuiver' in deze context betekent dat terwijl hij verblijft in het woud een wijze niet dranken gebaseerd op honing moet aanvaarden, noch het vlees van dieren, schimmels, paddestoelen, mierikswortel of welke hallucinogene of bedwelmende kruiden dan ook, zelfs die ingenomen als een zogenaamd medicijn.

** Shastri C.L. Goswami geeft hier als commentaar bij zijn vertaling van het boek: 'De s'ruti stelt vast dat een brâhmana een kluizenaar kan blijken te zijn wanneer ook maar vairâgya zich in hem voordoet, ongeacht het levensstadium waarin hij zich bevindt'.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties