De
Allerhoogste Heer zei: 'Als men in de derde levensfase zich in
het woud wil terugtrekken moet men tewerk gaan in vrede.
Terwille van die vrede moet men de echtgenote met zich meenemen
of anders haar aan de zoons toevertrouwen.
De
Allerhoogste Heer zei: 'In het derde deel van het leven het
verlangend het woud in te gaan behoort men, door de
echtgenote aan de zoons toe te vertrouwen of anders samen
met haar in het bos verkerend, aldus te werk te gaan in
vrede. (Vedabase)
Tekst
2
Men moet zorgen
voor een zuiver [*]
levensonderhoud op basis van de knollen, wortels en vruchten
van het woud, en zich kleden in boombast, gras, bladeren of
dierenvellen.
Men
moet voorzien in het zuivere [*] levensonderhoud met
de bloembollen, wortels en vruchten van het woud, daarbij
boombast, gras, bladeren of dierenvellen gebruikend als
kleding.
(Vedabase)
Tekst
3
Met het haar op
het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar, de nagels en het
lichaam zelf vuil en de tanden niet gereinigd [op andere
tijden], behoort men drie maal daags zich te baden en
['s nachts] op de grond te slapen.
Met
het haar op het hoofd en het lichaam, het aangezichtshaar en
de nagels het vuil dragend, en de tanden niet reinigend
[op andere tijden], behoort men drie maal daags zich
in het water te begeven en ['s nachts] op de grond
te slapen. (Vedabase)
Tekst
4
Ascetisch de
vijf vuren gedurende de zomer [de offervuren in vier
richtingen en de zon daarboven], de stortregens tijdens het
regenseizoen en de kou van het in de winter je tot aan je nek
onderdompelen in water verdragend, behoort men, bezig zijnd
zoals hiervoor vermeld, de boetedoening uit te voeren [zie
ook 4.23:
6].
Ascetisch
de vijf vuren gedurende de zomer, de stortregens tijdens het
regenseizoen en de kou in de winter tot aan je nek
ondergedompeld in het water verdragend, behoort men aldus
bezig voortgang te boeken met de boete [zie ook 4.23:
6]. (Vedabase)
Tekst
5
Op de juiste
tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat bereid is op een
vuur of dat wat vermalen is met een vijzel, verpulverd is met
een steen of vermalen is met de tanden.
(5)
Op de juiste tijd etend behoort men ofwel dat te eten wat
bereid is op een vuur of dat wat vermalen is met een vijzel,
verpulverd is met een steen of vermalen is met de tanden.
(Vedabase)
Tekst
6
Met een
praktische instelling naar gelang de plaats, de tijd en waar
hij toe in staat is, moet hij persoonlijk dat verzamelen wat
nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets te bewaren voor
een later moment [zie ook 7.12:
19].
In
eigen persoon behoort hij, met een praktische zin naar
gelang de plaats en de tijd en zijn kracht, dat te
verzamelen wat nodig is voor zijn levensonderhoud, en niets
te bewaren voor een later moment [zie ook 7.12: 19].
(Vedabase)
Tekst
7
Een
vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes
[van rijst, gerst en dâl],
mag rijstkoeken offeren of vruchten naar gelang het seizoen,
maar nimmer, ook al is het schriftuurlijk, van aanbidding zijn
met het opofferen van dieren.
Een
vânaprastha mag Me aanbidden met offerandes [van
rijst, gerst en dâl], mag rijstkoeken offeren of
vruchten naar gelang het seizoen, maar nimmer, ook al is het
schriftuurlijk, van aanbidding zijn met het opofferen van
dieren. (Vedabase)
Tekst
8
Als voorheen
[toen hij een grihastha was] voert hij de
vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en de
volle maan en houdt hij zich ook aan de door de vedische
experts voorgeschreven geloften voor de wijze met betrekking
tot de viermaandelijkse offerplechtigheid [van
câturmâsya].
Als
voorheen [toen hij een grihastha was] voert hij de
vuurplechtigheid uit, de plechtigheid voor de nieuwe maan en
de volle maan en houdt hij zich ook aan de voor de wijze
(Vedabase)
Tekst
9
Als hij er die
praktijk op nahoudt zal de wijze, vanwege de boete, zo
vermagerd zijn dat men zijn aderen kan zien. Aldus van
aanbidding voor Mij, het Doel van Alle Boete, bereikt hij Mij
in de wereld der zieners [zie ook maharloka].
door
de vedische experts voorgeschreven geloften van de
viermaandelijkse offerplechtigheid [van
câturmâsya].
Van
die praktijk zal de wijze, van de boete zo vermagerd dat men
zijn aderen kan zien, van aanbidding zijn voor Mij, het Doel
van Alle Boete, Mij bereikend in de wereld der zieners
[zie ook maharloka].
(Vedabase)
Tekst
10
Bestaat er dan
een grotere dwaas dan iemand die voor een lange tijd van deze
zware maar zegerijke en tot de bevrijding leidende boete is,
maar die beoefent met het doel van oppervlakkige
zinsbevrediging [zie ook vântâs'î]?
Iemand
die dan voor een lange tijd van deze zware maar zegerijke
boete is welke de bevrijding schenkt, maar die beoefent uit
zijnde op oppervlakkige zinsbevrediging - bestaat er een
grotere dwaas dan hij? [zie ook
vântâs'î]
(Vedabase)
Tekst
11
Als hij in zijn
gereguleerde activiteiten als gevolg van de ouderdom met zijn
lichaam trillend niet langer in staat is ermee door te gaan
[voordat hij sannyâsa
bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in zijn
hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook
7.12:
23].
Als
hij in zijn gereguleerde activiteiten als gevolg van de
ouderdom met zijn lichaam trillend niet langer in staat is
ermee door te gaan [voordat hij sannyâsa
bereikt], moet hij, geconcentreerd op Mij, de vuren in
zijn hart plaatsen en het vuur binnengaan [zie ook 7.12:
23]. (Vedabase)
Tekst
12
Als alles wat
werd verworven door het karma, met inbegrip van een hogere
leefwereld, voor hem niets anders is dan de hel en zich
volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat punt
aangeland het offervuur opgeven en zich aansluiten bij de
wereldverzakende orde [zie ook B.G.
18: 2 en
**].
Als
alles wat is verkregen door het karma, met inbegrip van een
hogere leefwereld, niets anders dan de hel is voor hem en
zich volledige onthechting heeft ontwikkeld, mag hij op dat
punt het offervuur opgeven en overgaan tot de
wereldverzakende orde [zie ook B.G. 18: 2 en **].
(Vedabase)
Tekst
13
Met het volgens
de voorschriften hebben aanbeden en alles wat hij had hebben
overhandigd aan de leider van de plechtigheid, behoort hij, met
het positioneren van het offervuur in zijn levensadem, vrij van
verwachtingen sannyâsa
te nemen [zie ook 9.6*].
Met
het volgens de voorschriften hebben aanbeden en alles wat
hij had hebben overhandigd aan de leider van de
plechtigheid, behoort hij, met het plaatsen van het
offervuur in zijn levensadem, vrij van verwachtingen
sannyâsa te nemen [zie ook 9.6*].
(Vedabase)
Tekst
14
Aan de
geschoolde die uit respect voor de waarheid
sannyâsa neemt verschijnen de halfgoden in de
gedaante van zijn oorspronkelijke vrouw [en andere
verleidingen] die hindernissen voor hem opwerpt; aan hen
voorbijgaand moet de sannyâsî
voor het hogere gaan [zie ook B.G. 6:
25,
1.19:
2-3,
5.6:
4,
11.4:
7].
Aan
de geschoolde die waarachtig sannyâsa neemt
verschijnen de halfgoden in de gedaante van zijn
oorspronkelijke vrouw [en andere verleidingen] die
hindernissen voor hem opwerpt; aan hen voorbij gaand moet de
sannyâsî voor het hogere gaan [zie ook B.G.
6.25, 1.19: 2-3, 5.6: 4, 11.4: 7].
(Vedabase)
Tekst
15
Zo de wijze het
al wenst kleding te dragen, bedekt hij zich met een lendendoek
[of kaupîna]. Niet meer meedragend dan het
hoogst noodzakelijke van een staf en een waterpot geeft hij al
het overige op.
Als
de wijze dan enige kleding zou dragen, zou hij zijn
lendendoek [of kaupîna] ermee bedekken; met
eigenlijk niets meer nodig hebbend behalve zijn staf en zijn
waterpot, moet al het overige worden opgegeven.
(Vedabase)
Tekst
16
Hij behoort
zijn voet te plaatsen waar zijn ogen hem zeggen dat het velig
is [om niet te trappen op levende wezens], hij behoort
water te drinken dat hij filtreerde met zijn kleed, hij behoort
zich te bedienen van waarachtige en zuivere woorden en hij moet
dat doen wat zijn geest hem ingeeft als zijnde
zuiver.
Hij
behoort zijn voet te plaatsen waar zijn ogen zeggen dat het
zuiver is [te weten, de afwezigheid van levende
wezens], hij behoort water te drinken gefiltreerd door
zijn kleed, hij behoort woorden te bezigen waarachtig naar
zuiverheid; hij moet doen wat zijn geest hem ingeeft als
zijnde zuiver. (Vedabase)
Tekst
17
Zwijgzaamheid,
terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling vormen de
strikte discipline voor de stem, het lichaam en de geest. Van
hem bij wie er geen sprake is van dezen, Mijn beste, kan men
ondanks zijn bamboestokken niet zeggen dat hij een echte
sannyâsî
is [zie ook tridanda].
Zwijgzaamheid,
terughoudendheid en het stoppen van de ademhaling zijn de
strikte disciplines van de stem, van het lichaam en van de
geest; hij inderdaad bij wie er geen sprake is van dezen,
mijn beste, is met zijn bamboestokken nimmer een echte
sannyâsî [zie ook
tridanda].
(Vedabase)
Tekst
18
Als hij uit
gaat bedelen bij de vier varna's
moet hij de onreine huishoudens [de zondige, vervuilde]
uit de weg gaan als hij willekeurig zeven verschillende huizen
benadert waar hij genoegen moet nemen met wat hem wordt
toebedeeld [zie ook cakra,
vergelijk 1.4:
8].
Uit
bedelen bij de vier varna's moet men de onzuiveren [de
zondige huishoudens] afwijzen terwijl men willekeurig
zeven verschillende huizen benadert en tevreden is met de
verworven hoeveelheid [zie ook cakra, vergelijk 1.4:
8]. (Vedabase)
Tekst
19
Ergens buitenaf
zich naar een waterbekken begevend moet hij, erdoor schoon
gewassen, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd ingezameld
en vervolgens wat ervan overbleef schoonmaken en in zijn geheel
verorberen.
Ergens
buitenaf zich naar een waterbekken begevend moet hij, er
schoon van, in stilte plichtsgetrouw uitdelen wat werd
ingezameld en vervolgens wat er van over is schoongemaakt in
zijn geheel verorberen. (Vedabase)
Tekst
20
Zich alleen en
vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend, met zijn
zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan in zijn
realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het spirituele
vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5:
18, zie
bhajan].
Zich
alleen en vrij van gehechtheid over deze aarde rondbewegend,
met de zinnen volledig onder controle en innerlijk voldaan
in de realisatie van het Ware Zelf, is hij, stabiel op het
spirituele vlak, van een gelijkgezinde blik [B.G. 5: 18,
zie bhajan]. (Vedabase)
Tekst
21
Zich ophoudend
op een afgezonderde en veilige plek en met zijn bewustzijn
gezuiverd in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze zich te
concentreren op enkel de ziel als zijnde niet-verschillend van
Mij.
Zich
ophoudend op een afgezonderde en veilige plek en gezuiverd
in zijn liefde voor Mij, behoort de wijze in zijn bewustzijn
zich te concentreren op de ziel alleen als zijnde
niet-verschillend van Mij. (Vedabase)
Tekst
22
Mediterend op
het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie
11.10]
is er, als men stabiel in de kennis de zinnen die zich laten
leiden door zinneprikkeling heeft ingeperkt, de volledige
controle over hen en de bevrijding.
Mediterend
op het zelf als zijnde gebonden en niet gebonden [zie
11.10] is er, als men stabiel in de kennis de zinnen
afgeleid door de zinneprikkeling heeft ingeperkt, de
volledige controle over hen en de
bevrijding.
(Vedabase)
Tekst
23
Met de zes
afdelingen [de zinnen en de geest] volledig onder
controle dankzij het bewustzijn dat hij van Mij heeft, moet de
wijze, met het ervaren hebben van het grotere geluk in de ziel,
derhalve leven in onthechting van de zinledigheid van de lust.
Daarom
moet de wijze, met de zes afdelingen [de zinnen en de
geest] volledig onder controle, onthecht van de
zinledige zaken van de lust, met het ervaren hebben van het
grote geluk in de ziel leven bij het bewustzijn van Mij.
(Vedabase)
Tekst
24
Hij behoort te
reizen naar de zuivere toevluchtsoorden op aarde met rivieren,
bergen en wouden. De steden, dorpen en weidegronden moet hij
enkel betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven
terwille van het lichaam.
Hij
behoort te reizen naar de toevluchtsoorden die de aarde kent
en die zuiver zijn met rivieren, bergen en wouden en
[enkel] de steden, dorpen en weidegronden te
betreden om aalmoezen te bedelen bij hen die leven voor het
lichaam. (Vedabase)
Tekst
25
De levensorde
die zich ophoudt in het woud moet altijd de positie innemen van
het bedelen, omdat door het voedsel dat wordt verkregen door
verzamelen [of van de bijstand leven] men snel de
bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan zal
vinden.
De
levensorde verblijvend in het woud moet altijd de positie
innemen van het bedelen, daar door voedsel verkregen met het
bijeen garen [of van de bijstand leven] men snel de
bevrijding, vrijheid van illusie en een gezuiverd bestaan
zal vinden. (Vedabase)
Tekst
26
Men moet nimmer
het vergankelijke dat men waarneemt in de directe ervaring
aanzien voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een bewustzijn
vrij van gehechtheid behoort men af te zien van alle materieel
gemotiveerde handelingen in deze wereld en in de
volgende.
Nimmer
moet men het vergankelijke dat men ziet in de directe
ervaring houden voor de uiteindelijke werkelijkheid; met een
bewustzijn vrij van gehechtheid behoort men af te zien van
activiteiten om er materieel op vooruit te gaan in deze
wereld en in de volgende. (Vedabase)
Tekst
27
Met moet met de
aandacht naar binnen gericht zich afkeren van het universum dat
in het Zelf geheel is verknoopt met de geest, de spraak en de
levensadem [zie ahankâra].
Men moet niet aan die begoochelende materiële energie
blijven denken.
Geconcentreerd
in zichzelf bij machte van de rede het opgevend met dit
universum, welk in het Zelf verknoopt is met de geest, de
spraak en de levensadem [zie ahankâra], moet
men die begoochelende materiële energie niet in
gedachten houden. (Vedabase)
Tekst
28
Of het nu
iemand betreft die zich heeft overgegeven aan de kennis der
zelfverwerkelijking en onthecht is van uiterlijke
verschijningsvormen, of dat het nu gaat om iemand die als Mijn
toegewijde niet [meer] naar de bevrijding verlangt
[als een paramahamsa],
in beide gevallen geeft men het op met wat er aan rituelen en
kentekenen staat voorgeschreven voor de levensfase [de
âs'rama]; zo iemand wordt verondersteld de
regels en voorschriften te zijn ontgroeid [zie ook
10.78:
31-32,
3.29:
25 en
5.1*].
Ofwel
als iemand levend voor de geestelijke kennis onthecht zijnde
van uiterlijke verschijningsvormen, ofwel als Mijn
toegewijde zelfs niet verlangend naar de bevrijding, behoort
men [als een paramahamsa], het opgevend met de
specifieke uiterlijke routines met betrekking tot de
levensfase, te leven voorbij het bereik van de regels en
regelingen [zie ook 10.78: 31-32, 3.29: 25 en 5.1*].
(Vedabase)
Tekst
29
Hoewel
intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel zeer
bekwaam behoort hij te handelen als was hij onontwikkeld,
hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij zich uit te laten
als was hij verstrooid en hoewel zeer goed op de hoogte van de
voorschriften, moet hij leven zonder enige terughoudendheid
['ronddolen als een koe'].
Hoewel
intelligent moet hij genieten als was hij een kind, hoewel
zeer bekwaam behoort hij te handelen als was hij
onontwikkeld, hoewel hij hoogst geschoold is behoort hij
zich uit te laten als was hij verstrooid en hoewel zeer goed
op de hoogte van de voorschriften, moet hij leven zonder
enige belemmering ['ronddolen als een koe'].
(Vedabase)
Tekst
30
Hij moet zich
nimmer strikt houden aan wat volgens de Veda's zou moeten
[te weten, de vruchtdragende plechtigheden], noch
behoort hij tegen ze in te gaan; hij moet niet een scepticus
zijn, noch partijdig enkel maar praten terwille van het
argument.
Hij
moet nimmer strikt van aandacht zijn voor dat waar de Veda's
over spreken [te weten, de vruchtdragende
plechtigheden], noch behoort hij tegen ze in te gaan;
hij moet niet een scepticus zijn, noch partijdig zijn enkel
pratend terwille van het argument. from material attachment,
one should retire from all activities meant for material
progress in this life and the
next.
(Vedabase)
Tekst
31
Iemand die de
heiligheid vond moet zich nooit storen aan andere mensen, noch
moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie dan ook
een negatieve sfeer creëren voor het belang van het
lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium, het
voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse woorden
over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook kleineren
[zie ook B.G. 12:
15].
De
geheiligde persoon moet zich nooit storen aan andere mensen,
noch moet hij anderen storen of ooit als een dier met wie
dan ook een negatieve sfeer creëren naar het belang van
het lichaam [vijandig zijn wat betreft het territorium,
het voedsel e.d.]; in plaats daarvan moet hij barse
woorden over zijn kant laten gaan en nimmer wie dan ook
kleineren [zie ook B.G. 12: 15].
(Vedabase)
Tekst
32
De Allerhoogste
is de Ziel die zich bevindt in zowel alle levende wezens als in
het eigen lichaam. Net zoals de maan in verschillende
waterbekkens wordt weerspiegelt zijn ook de materiële
lichamen individuele vonken [of reflecties] van de Ene
[zie ook B.G. 6:
29 &
13:
34].
De
Allerhoogste is voorzeker de Ziel die zich bevindt in alle
levende wezens en ook in het eigen lichaam; precies zoals de
maan is in verschillende waterbekkens zijn ook de
materiële lichamen individuele vonken van de Ene
[zie ook B.G. 6.29 & 13: 34].
(Vedabase)
Tekst
33
Hecht verankerd
in de eigen overtuiging moet men [de
sannyâsî] er niet over in zitten als er
soms geen [of niet het juiste] voedsel voorhanden is,
en ook moet men niet staan te juichen als er genoeg van is;
beide zaken zijn bij God geregeld.
Verankerd
in de eigen overtuiging behoort men, bij tijden geen voedsel
verkrijgend, niet neerslachtig te zijn noch met wat men dan
ook verwerft zich te verheugen; beiden staan onder controle
van God.(Vedabase)
Tekst
34
Men moet zich
ervoor inspannen om te eten en naar behoren de eigen
persoonlijke levenskracht in stand te houden. Met die kracht
immers bezint men zich op de spirituele waarheid welke, eenmaal
begrepen, tot bevrijding leidt [zie B.G.
6:
16].
Men
moet zich ervoor inspannen om te eten en naar behoren de
eigen persoonlijke levenskracht in stand te houden, daar men
zich met die kracht bezint op de spirituele waarheid welke,
eenmaal begrepen, bevrijding schenkt [zie B.G. 6:
16]. (Vedabase)
Tekst
35
Al het
voedsel, alle kleding en al het beddegoed dat hij op zijn weg
vindt moet de wijze accepteren, of het nu van een goede of een
slechte kwaliteit is [zie ook 7.13].
Welk
eerste klas voedsel of voedsel van een mindere kwaliteit de
wijze ook verwerft moet hij eten, en evenzo moet hij ook de
kleding en het beddengoed aanvaarden dat hij zonder enige
inspanning verwerft [zie ook 7.13].
(Vedabase)
Tekst
36
Algemene
reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en
andere reguliere plichten moeten door degene die tot spiritueel
inzicht is gekomen zonder enige dwangmatigheid worden
uitgevoerd, precies zoals Ik, de Beheerser, handel naar Mijn
eigen wilsbesluit.
Algemene
reinheid, het wassen van de handen, het nemen van een bad en
andere reguliere plichten moet hij die spiritueel tot
inzicht is gekomen zonder dwangmatigheid naleven, net zoals
Ik, de Beheerser, handel naar Mijn eigen wilsbesluit.
(Vedabase)
Tekst
37
Aan het idee
dat men een afgezonderd bestaan zou leiden komt een einde als
men zich Mij realiseert. In een enkel geval houdt zo'n idee
stand totdat het lichaam het begeeft, maar dan zal daarna zich
met Mij alles ten goede keren.
Voorzeker
is voor hem de waarneming van gescheidenheid dat wat wordt
vernietigd door het zich realiseren van Mij; somtijds houdt
zo'n idee aan totdat het lichaam sterft, maar dan zal alles
zich met Mij ten goede keren. (Vedabase)
Tekst
38
Ongelukkig over
de gevolgen van een wellustig leven moet degene die Mij nog
niet serieus in overweging heeft genomen, met de weerzin die
zich opwierp in het verlangen naar de spirituele volmaaktheid,
het als zijn plicht zien een wijze [bonafide] persoon
[van gepaste referentie] te benaderen, een goeroe
[zie ook B.G. 16:
23-24,
4:
34 &
17:
14].
Ongelukkig
over de gevolgen van een wellustig leven moet degene die nog
niet serieus Mij in overweging heeft genomen, met de gerezen
weerzin de spirituele volmaaktheid verlangend, het als zijn
plicht zien een wijze [bona-fide] persoon [van
gepaste referentie] te benaderen, een goeroe [zie
ook B.G. 16: 23-24, 4.34 & 17: 14].
(Vedabase)
Tekst
39
De toegewijde
moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst net zo lang
de geestelijk leraar die Mij belichaamt dienen, totdat hij een
duidelijk inzicht heeft verkregen in het spirituele [zie
ook 11.17:
27].
De
toegewijde moet met veel geloof en respect, vrij van afgunst
net zo lang de geestelijk leraar, die inderdaad Mij is,
dienen, totdat hij duidelijk inzicht heeft in het spirituele
[zie ook 11. 17: 27].
(Vedabase)
Tekst
40-41
Hij dan die
niet de zes ondeugden de baas is [de anartha's],
hij die zich als de wagenmenner van het lichaam laat leiden
door de zinnen, hij die niet onthecht verstoken is van de
kennis, hij die de staf
met de drie stokken
aanwendt voor het verwerven van een inkomen en hij die Mij,
zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf ontkent, is, omdat
hij niet heeft afgerekend met de besmetting en aldus het dharma
bederft, zowel in deze wereld als in de volgende het spoor
bijster.
Hij
dan die niet de groep van zes beheerste [ook wel: de
anartha's], hij die als de wagenmenner impulsief is met
de zinnen, hij die verstoken is van de kennis en de
onthechting, hij die de staf met de drie stokken aanwendt
voor het verwerven van een inkomen en die Mij ontkent,
zichzelf en de goddelijken binnenin zichzelf, is, met het
niet hebben afgerekend met de besmetting en aldus het dharma
bedervend, ongeschikt voor deze wereld zowel als voor de
volgende. (Vedabase)
Tekst
42
Het is de aard
van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos te zijn,
boete en onderscheidingsvermogen kenmerkt degene die in het
woud leeft, de huishouder biedt onderdak en houdt
offerplechtigheden en een celibataire novice dient de
âcârya.
Het
is de aard van een bedelmonnik om gelijkmoedig en geweldloos
te zijn; boete en onderscheidingsvermogen horen bij hem die
in het woud leeft; de huishouder biedt onderdak en houdt
offerplechtigheden en een celibataire novice dient de
âcârya. (Vedabase)
Tekst
43
Het celibaat,
de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het vriendelijk
zijn voor alle levende wezens zoals men dat kan zien bij allen
die Mij aanbidden, vormt ook de weg van de huishouder die zijn
vrouw benadert als de tijd er rijp voor is [zie ook B.G.
7:
11].
Het
celibaat, de verzaking, de reinheid, de tevredenheid en het
vriendelijk zijn voor alle levende wezens van al degenen die
Mij aanbidden, is [de plicht] van zelfs de
huishouder die op de juiste tijd [zoals verwacht wordt
van hem] zijn vrouw benadert [voor de voortplanting,
zie ook voorgaand hoofdstuk en B.G. 7:
11].(Vedabase)
Tekst
44
Degene die
aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt en niets en niemand
anders toegewijd is, zal zich Mij realiseren in alle levende
wezens en komt tot een vastberaden toegewijde dienst tot
Mij.
Degene
die aldus overeenkomstig zijn aard Mij aanbidt met geen
ander voorwerp van toewijding, zal zich Mij realiseren in
alle levende wezens en bereikt een onversaagde toegewijde
dienst tot Mij. (Vedabase)
Tekst
45
Middels een
niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de
Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute Waarheid
en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven roept en aan
alles een einde maakt.
Middels
een niet aflatende devotie, Uddhava, komt hij tot Mij, de
Allerhoogste Beheerser van Al de Werelden, de Absolute
Waarheid en Uiteindelijke Oorzaak die alles in het leven
roept en aan alles een einde maakt.
(Vedabase)
Tekst
46
Als hij zo
overeenkomstig zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd
heeft, en begiftigd met kennis en wijsheid geheel doordrongen
is van Mijn verheven positie, zal hij Mij zeer spoedig
bereiken.
Aldus
naar zijn eigen plichtsbesef zijn bestaan gezuiverd hebbend,
volledig van begrip voor Mijn verheven positie en begiftigd
met kennis en wijsheid, zal hij zeer spoedig samen zijn met
Mij. (Vedabase)
Tekst
47
Allen die het
varnâs'rama-systeem volgen kenmerken zich door een
traditionele gedragscode die het dharma verzekert. Dit
plichtsbesef gecombineerd met Mijn bhakti geeft de hoogste
volmaaktheid des levens.
Gekenmerkt
door een gevestigde gedragscode vergunt dit religieuze
beginsel van de volgelingen van het
varnâs'rama-systeem, die aldus verenigd zijn met deze
toewijding tot Mij, de hoogste volmaaktheid des
levens.(Vedabase)
Tekst
48
O vrome ziel,
hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen beschreven
waarmee men zich als toegewijde volmaakt kan inzetten
overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de Allerhoogste
kan komen.'
O
vrome ziel, hiermee heb Ik je, zoals je vroeg, de middelen
beschreven waarmee men als toegewijde zich volmaakt in kan
zetten overeenkomstig de eigen aard en men tot Mij, de
Allerhoogste kan komen.
(Vedabase)
*
S'rîla Bhaktisiddhânta Sarasvatî
Thhâkur citerend uit de Manu-samhitâ wijst erop dat
het woord medhyaih ofwel 'zuiver' in deze context
betekent dat terwijl hij verblijft in het woud een wijze geen
dranken gebaseerd op honing moet aanvaarden, noch het vlees van
dieren, schimmels, paddestoelen, mierikswortel of welke
hallucinogene of bedwelmende kruiden dan ook, ook niet onder
het voorwendsel van medicinaal gebruik.
**
Shastri C.L. Goswami geeft hier als commentaar bij zijn
vertaling van het boek: 'De s'ruti stelt vast dat een
brâhmana een kluizenaar kan blijken te zijn
wanneer ook maar vairâgya zich in hem voordoet,
ongeacht het levensstadium waarin hij zich
bevindt'.