
Canto
7
Hoofdstuk 11: De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada]. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten. (3) U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie. (4) Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.'
(5) S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana. (6) Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's]. (7) De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die aan de hand van de geschriften wordt herdacht [met de s'ruti of de Veda's en de smriti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd. (8-12) Waarheidsliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven; ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is; van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20]. (13) Zij die door gedurige herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie zijn en van liefdadigheid, en die in hun handelwijze gezuiverd raakten door de geboorte die ze namen en door de daden die ze verrichtten, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden zich te gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd relateerde] geestelijke afdeling [of âs'rama].(14) Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] zijn er diezelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen]. (15) De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie typen van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben. (16) Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [s'âlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [s'ila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst [uñchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde. (17) Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping. (18-20) Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rita zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4: 13]. (21) De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidsliefde. (22) Een kshatriya onderscheidt zich door vaardigheid in het vechten, heldhaftigheid, vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse, een goede stemming en liefde voor het ware. (23) Een vais'ya staat bekend om zijn toewijding tot de godsbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid. (24) Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidsliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal.
(25) Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot als ook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40]. (26-27) Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respect voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is. (28) Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt. (29) Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Lakshmî het eeuwige. (30) Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen.
(31) Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25]. (32) Ieder naar de eigen geaardheid van handelen levend van zijn beroep is het gegeven, met het behartigen van zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken. (33-34) Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer [in zijn positie] van de voorwerpen der begeerte genietend, zijn interesse verliezen precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter verloren gaan in het vuur. (35) En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon ook te respecteren conform die waarneming [m.a.w. hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden].
Tweede editie, geladen 25 juli 2007.
Bronteksten:
De volmaakte samenleving: vier maatschappelijke geledingen
S'rî S'uka zei: 'Toen hij de vertelling had aangehoord die in de samenkomsten van de heiligen wordt besproken, deed Yudhishthhira, de grootste van leiding na hem [Prahlâda], de meester der daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hoogst verheugd opnieuw navraag bij die zoon van Brahmâ [Nârada].S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na over het karakter en de activiteiten van Prahlâda Mahârâja gehoord te hebben, die zelfs door grote persoonlijkheden als Heer Brahmâ en Heer S'iva bewonderd en besproken worden, stelde Yudhishthhira Mahârâja, de meest achtenswaardige koning onder alle verheven persoonlijkheden, opnieuw en met veel plezier vragen aan de grote heilige Nârada Muni. (Vedabase)
S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over het sanâtana dharma [de gebruikelijke, eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving dat behoort tot de ordening van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarvan de mensen in het algemeen in vrede het betere leven mogen genieten.
Mahârâja Yudhishthhira zei: O heer, ik zou graag van u willen horen over de religieuze principes die iemand in staat stellen om het uiteindelijke doel van het leven, toegewijde dienst, te bereiken. Ik zou graag willen horen wat de algemene plichten van de mens zijn, en wat het varnâs'rama-dharma stelsel precies inhoudt, dat de maatschappelijke en geestelijke vooruitgang van de mensheid tot doel heeft. (Vedabase)
U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]; van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie.
O beste der brâhmana's, u bent een rechtstreekse zoon van Prajâpati [Heer Brahmâ], en vanwege uw ascese, mystieke yoga en meditatie wordt u als de beste van al Heer Brahmâ's zoons beschouwd. (Vedabase)
Als de wijste van hen die Nârâyana toegewijd zijn weet u van het meest vertrouwelijke en allerhoogste van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, zo verheven en vreedzaam als u bent.'
Niemand kan u overtreffen in vreedzaamheid en mededogen, en niemand weet beter dan u hoe men toegewijde dienst moet beoefenen of de beste der brâhmana's moet worden. Daarom kent u alle vertrouwelijke principes van de religie; ja, er is zelfs niemand die ze beter kent dan u. (Vedabase)
S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer die in het hele universum het dharma verdedigt mijn eerbetuigingen; ik zal uitweiden over het sanâtana dharma op de manier zoals ik dat vernam uit de mond van Nârâyana.
S'rî Nârada Muni zei: Na eerst mij eerbetuigingen te hebben aangeboden aan Heer Krishna, de beschermer van de religieuze principes van alle levende wezens, zal ik nu de beginselen van de eeuwige religie uitleggen, zoals ik ze uit de mond van Nârâyana vernomen heb. (Vedabase)
Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's].
Heer Nârâyana verscheen samen met Zijn gedeeltelijke openbaring Nara in deze wereld via de dochter van Daksha Mahârâja, Mûrti genaamd. Hij was verwekt door Dharma Mahârâja voor het welzijn van alle levende wezens. Zelfs nu nog beoefent Hij strenge ascese nabij de plaats die bekendstaat als Badarikâs'rama. (Vedabase)
De wortel van alle dharma, de essentie van alle vedische kennis is inderdaad Bhagavân, het Allerhoogste Wezen, die aan de hand van de geschriften wordt herdacht [met de s'ruti of de Veda's en de smriti of de geschriften in navolging] door al de kenners van de Werkelijkheid, o Koning, en door dit principe raken de geest en de ziel volledig bevredigd.
Het Allerhoogste Wezen, de Godspersoon, is de essentie van alle vedische kennis, de wortel van alle religieuze beginselen en het geheugen van de grote geestelijke autoriteiten. O koning Yudhishthhira, dit religieuze principe dient als bewijs gezien te worden. Dit religieuze principe is hetgeen alles, met inbegrip van de geest, ziel en zelfs het lichaam, voldoening kan schenken. (Vedabase)
Waarheidsliefde, mededogen, verzaking, reinheid, tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte, zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid, studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid, dienst aan de heiligen, het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke en het kritisch zijn over de verspilling in het menselijk tegenstreven; ernst, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens, het iedereen op de eerste plaats beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava, met de naaste te luisteren en te zingen zowel als het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is; van dienst te zijn, te vereren en gunstig te stemmen, een dienaar te zijn, een vriend te zijn en overgegeven te zijn; voor alle mensenkinderen is dit het hoogste principe: al deze dertig eigenschappen, die de Ziel van Allen behagen, te bezitten, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20].
De algemene principes die alle mensen moeten volgen zijn: waarheidlievendheid, mededogen, matiging (op bepaalde dagen van de maand vasten), tweemaal daags baden, verdraagzaamheid, onderscheid maken tussen goed en kwaad, leren beheersen van de geest, leren beheersen van de zintuigen, geweldloosheid, het celibaat, liefdadigheid, bestuderen van de geschriften, eenvoud, tevredenheid, bewijzen van dienst aan heilige personen, geleidelijk achterwege laten van overbodige activiteiten, zich bewust worden van de futiliteit van de overbodige activiteiten waar de maatschappij zich mee bezighoudt, stil en ernstig blijven en overbodig gepraat vermijden, onderzoeken of men het lichaam is of de ziel, in gelijke mate uitdelen van voedsel aan alle levende wezens (zowel mensen als dieren), iedere ziel (speciaal in de menselijke levensvorm) zien als een deeltje van de Allerhoogste Heer, kennisnemen van de activiteiten en het onderricht van de Allerhoogste Godspersoon (die de toevlucht van alle heiligen is), spreken over deze activiteiten en instructies, zich deze activiteiten en instructies van de Heer altijd herinneren, Hem proberen te dienen, Hem vereren, Hem eerbetuigingen brengen. Zijn dienaar worden, Zijn vriend worden en zich helemaal aan Hem overgeven. O koning Yudhishthhira, dit zijn de dertig eigenschappen die men zich in de menselijke levensvorm eigen moet maken. Gewoon door deze eigenschappen te ontwikkelen, kan men de Allerhoogste Godspersoon tevredenstellen. (Vedabase)
Zij die door gedurige herbezinning [met de z.g. samskâra's], met het aanvaarden van een goeroe en met de ondersteuning van de Ongeborene [Brahmâ], van aanbidding zijn, van studie zijn en van liefdadigheid, en die in hun handelwijze gezuiverd raakten door de geboorte die ze namen en door de daden die ze verrichtten, zijn de tweemaal geborenen [de dvija's] die het wordt aangeraden zich te gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd relateerde] geestelijke afdeling [of âs'rama].
Zij die gezuiverd zijn door de garbhâdhâna-ceremonie en andere voorgeschreven riten - uitgevoerd met vedische mantra's, zonder onderbreking, en erkend door Heer Brahmâ - worden dvija's of "tweemaal-geborenen" genoemd. Zulke brâhmana's, kshatriya's en vais'ya's, die door hun familietradities en hun gedrag gezuiverd zijn, moeten de Heer vereren, de Veda's bestuderen en aan liefdadigheid doen. Ze dienen bovendien de principes van de vier âs'rama's te respecteren [brahmâcârya, grihastha, vânaprastha en sannyâsa]. (Vedabase)
Voor de brahmanen zijn er de zes van de Veda's [te studeren en te onderrichten, te vereren en het voor te doen en te geven en te ontvangen in liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] zijn er diezelfde zes minus het aanvaarden van liefdadigheid; de middelen van bestaan voor de bestuurders die de mensen onderhouden komen uit het heffen van belastingen en dergelijke bij diegenen die niet behoren tot hen die inwaarts gemotiveerd zijn [de brahmanen].
Voor een brâhmana zijn er zes verschillende bezigheden voorgeschreven. Een kshatriya mag geen giften aannemen, maar hij kan wel de andere vijf van deze beroepen uitoefenen. Het is een koning of kshatriya niet toegestaan om belasting te heffen van de brâhmana's, maar hij kan in zijn bestaan voorzien door een zo minimaal mogelijk bedrag aan belasting, invoerrechten en boetes te innen van zijn andere onderdanen. (Vedabase)
De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met landbouwen en met handel drijven en behoren altijd op te volgen wat de brahmanen onderwijzen, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud als hun baas van instructie de drie typen van tweemaal geborenen boven hen te aanvaarden hebben.
De leden van de gemeenschap der kooplieden dienen altijd de aanwijzingen van de brâhmana's op te volgen en zich bezig te houden met zaken als landbouw, handel en koeienbescherming. De enige plicht van de s'ûdra's is om een meester uit een hogere maatschappelijke geleding te aanvaarden en hem te dienen. (Vedabase)
Van de vier verschillende middelen van bestaan voor de geschoolde brahmaan, van een levensonderhoud verworven zonder moeite [s'âlîna], wat men krijgt als een bedelmonnik [yâyâvara], wat men aantreft aan oogstresten in het veld [s'ila], of van wat in de winkels niet door anderen wordt gewenst [uñchana], zijn in dezen de laatstgenoemde middelen beter dan de eerstgenoemde.
Bij wijze van alternatief kan een brâhmana ook het beroep van een vais'ya uitoefenen en zich bezighouden met landbouw, koeienbescherming of handel. Hij kan zich verlaten op wat hij zonder te bedelen ontvangt, hij kan iedere dag op het rijstveld gaan bedelen, hij kan de rijst verzamelen die door de eigenaar op het rijstveld is achtergelaten, of hij kan het graan oprapen dat hier en daar in de winkels van graanhandelaars is blijven liggen. Dit zijn vier methoden van levensonderhoud die ook door brâhmana's aangenomen kunnen worden, en elk van deze vier is beter dan de voorgaande. (Vedabase)
Met uitzondering van noodgevallen, mag een lager iemand voor zijn levensonderhoud, als men overal op kan rekenen, zich niet wagen aan het hogere van alle status of een zekere roeping.
Behalve in tijden van nood kunnen lagergeplaatste personen niet het beroep uitoefenen dat bij de hogere klassen hoort. Als er echter van zo'n noodtoestand sprake is, is het vanzelfsprekend dat iedereen de wijze van levensonderhoud van anderen overneemt. Alleen de kshatriya's kunnen dit niet doen. (Vedabase)
Met rita of amrita kan men leven, met mrita of met pramrita of zelfs met satyânrita, maar nooit met een bestaan als een hond. Rita zo zegt men is het leven van wat er overbleef, van amrita is wat werd verkregen zonder te bedelen, van mrita is het bedelen als een bedelmonnik terwijl men zich pramrita herinnert als het eten van je eigen grond. Van satyânrita zijn betekent handel drijven maar het van dienst zijn aan de lageren is voor de brahmanen en de kshatriya's wel bekend met de Veda het verwerpelijke gedoe van honden [s'va-vrittih] dat men op moet geven; de wijzen en de leiders van de staat belichamen al de goden [zie ook B.G. 4: 13].
In tijden van nood kan men een van de volgende beroepen aanvaarden, namelijk rita, amrita, pramrita en satyânrita, maar men mag zich nooit ofte nimmer verlagen door het beroep van een hond te gaan uitoefenen. Het beroep van uñchas'ila, het verzamelen van graan in het veld, wordt rita genoemd. Het verzamelen van graan zonder te bedelen, wordt amrita genoemd, het bedelen van graan heet mrita, het bewerken van de grond heet pramrita, en handeldrijven wordt satyânrita genoemd. In dienst treden bij lagergeplaatste personen wordt echter s'va-vritti genoemd, het beroep van de honden. In het bijzonder de brâhmana's en kshatriya's mogen nooit in dienst treden bij de s'ûdra's, want dat soort werk is laag en verfoeilijk. Brâhmana's dienen goed onderlegt te zijn in alle vedische kennis, en kshatriya's in het vereren van de halfgoden. (Vedabase)Text 21:
De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van geest en zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, vreedzaamheid, vergevingsgezindheid, zijn recht-door-zee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, zijn dienst aan het Absolute van de Heer en zijn waarheidsliefde.
De kenmerkende eigenschappen van een brâhmana zijn de volgende: beheersing van de geest en zintuigen, soberheid, boetedoening, reinheid, tevredenheid, vergevingsgezindheid, eenvoud, kennis, mededogen, waarheidlievendheid en volkomen overgave aan de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
Een kshatriya onderscheidt zich door vaardigheid in het vechten, heldhaftigheid, vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse, een goede stemming en liefde voor het ware.
Strijdvaardig, onoverwinnelijk, geduldig, moedig, barmhartig, in staat de lichamelijke behoeften te beheersen, vergevingsgezind, trouw aan de brahmaanse cultuur en altijd opgewekt en waarheidlievend - dat zijn de kenmerken van een kshatriya. (Vedabase)
Een vais'ya staat bekend om zijn toewijding tot de godsbewusten, de goeroe en de Godheid, de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn navolgen van voorschriften en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid.
Altijd toegewijd zijn aan de halfgoden, de geestelijk leraar en de Allerhoogste Heer, Vishnu, altijd proberen tot een hoger niveau van religie, materiële welvaart en zinsbevrediging te komen [dharma, artha en kâma], vast geloven in de woorden van de geestelijk leraar en de geschriften en altijd op een deskundige manier trachten geld te verdienen - dat zijn de kenmerken van de vais'ya. (Vedabase)
Van de s'ûdra is er gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas, ondubbelzinnigheid, opoffering zonder verdere gebeden, waarheidsliefde, bescherming van koeien en brahmanen en voorzeker geen diefstal.
Eerbetuigingen brengen aan de leden van de hogere maatschappelijke ordes [de brâhmana's, kshatriya's en vais'ya's], altijd zeer schoon zijn, vrij zijn van dubbelhartigheid, zijn meester dienen, offers brengen zonder mantra's te chanten, niet stelen, altijd de waarheid spreken en alle bescherming aan de koeien en de brâhmana's bieden - dat zijn de kenmerken van de s'ûdra's. (Vedabase)
Hem navolgen in zijn geloften, regelmaat kennen, haar echtgenoot als ook zijn vrienden en verwanten gunstig gezind zijn en bereidwillig zijn, treft men aan bij een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot [zie ook B.G. 1: 40].
Dienst bewijzen aan de echtgenoot, hem altijd gunstig gezind zijn, zijn vrienden en verwanten even gunstig gezind zijn, de echtgenoot volgen in zijn geloftes - dat zijn de vier principes die een vrouw die men kuis noemt moet volgen. (Vedabase)
Zij is van het schoonmaken, aandweilen en inrichten van het huis als een huisvrouw en persoonlijk goed gekleed met haar kleren en huishoudelijke zaken altijd schoon; wat betreft de grote en kleine verlangens van haar man is ze een kuise en bescheiden vrouw van zinsbeheersing zowel als van een beheerste tong en is ze waarachtig, behagend, liefdevol en van respect voor haar echtgenoot op het moment dat dat gewenst is.
Een kuise vrouw moet zich netjes kleden en zich voor het plezier van haar echtgenoot met gouden sieraden tooien. Altijd gekleed in schone en aantrekkelijke kleding, dient ze het huis te vegen en met water en andere vloeistoffen te reinigen, zodat het hele huis altijd schoon en zuiver is. Ze moet voor de huiselijke benodigdheden zorgen, het huis altijd welriekend houden met wierook en bloemen en altijd klaarstaan om de verlangens van haar echtgenoot te vervullen. Bescheiden en oprecht, haar zinnen beheersend en vriendelijke woorden sprekend - zo hoort een kuise vrouw haar echtgenoot liefdevol te dienen naar tijd en omstandigheden. (Vedabase)
Van tevredenheid, niet begeertig, kundig in het dienen, wetende wat dharma is, aardig, de waarheid sprekend, attent, zuiver en toegenegen, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij haar niet bedriegt.
Een kuise vrouw mag niet hebzuchtig zijn, maar dient tevreden te zijn in alle omstandigheden. Ze moet zeer bedreven zijn in de huishouding en behoort de religieuze principes volmaakt te kennen. Ze moet altijd aangenaam en naar waarheid spreken, en zeer zorgzaam, zuiver en rein zijn. Op die manier moet een kuise vrouw zich liefdevol wijden aan de dienst van een echtgenoot die niet gevallen is. (Vedabase)
Iedere vrouw die haar echtgenoot aanvaardt als de Hoogste Persoonlijkheid is op precies dezelfde manier van dienst als de Godin van het Geluk; toegewijd geniet ze zelf, naar de geest van Hari met haar echtgenoot in de geestelijke wereld van Vaikunthha, precies als Lakshmî het eeuwige.
De vrouw die haar echtgenoot dient en daarbij strikt in het voetspoor van de godin van het geluk treedt, keert zeker terug naar huis, terug naar God, samen met haar vaishnava-echtgenoot, om een leven vol van geluk te leiden op de Vaikunthha-planeten. (Vedabase)
Van hen die werden geboren uit een vermenging van klassen [pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] is er overeenkomstig de familietraditie de plicht niet van het stelen en de zonde te zijn van de lagere uitgestotenen.
Van degenen die tot de gemengde klassen - sankara geheten - behoren, worden degenen die geen dieven zijn antevasâyî of candâla's [hondevleeseters] genoemd, en ook zij hebben hun traditionele gebruiken. (Vedabase)
Over het algemeen wordt het dharma overeenkomstig de eigen materiële positie in de samenleving in ieder tijdperk [yuga] door de brahmaan onderkend, o Koning, als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als het leven hierna [zie ook B.G. 3: 25].
O koning, brâhmana's die goed onderlegd zijn in de vedische kennis zijn van oordeel dat de specifieke activiteiten van de verschillende klassen mensen, overeenkomstig de geaardheden der materiële natuur waardoor ze geregeerd worden, zowel in dit leven als na de dood zegenrijk zijn. Dit geldt voor ieder tijdperk [yuga]. (Vedabase)
Ieder naar de eigen geaardheid van handelen levend van zijn beroep is het gegeven, met het behartigen van zijn eigen zaken, in het opgeven van het karma dat hoort bij die bijzondere manier, geleidelijk aan de bovenzinnelijke positie te bereiken.
Als iemand zijn beroep uitoefent overeenkomstig de geaardheden der natuur die bij hem overheersen, en deze activiteiten geleidelijk opgeeft, bereikt hij het nishkâma-niveau. (Vedabase)
Een veld telkens weer bebouwd komt braak te liggen, niet geschikt voor verder oogsten van gezaaide zaden daar het uitgeput is; op dezelfde manier kan men, met een geest vol van lustige verlangens keer op keer [in zijn positie] van de voorwerpen der begeerte genietend, zijn interesse verliezen precies zoals, o Koning, kleine druppels geklaarde boter verloren gaan in het vuur.
O koning, als een stuk grond steeds weer opnieuw bebouwd wordt, begint het langzamerhand minder op te leveren en gaat al het zaad dat er gezaaid wordt verloren. Of om een ander voorbeeld te geven, een paar druppels ghî op een vuur zullen het nooit uitdoven, maar een hele scheut ghî doet dat wel. Op dezelfde manier geldt dat als men zich onbeperkt overgeeft aan wellustige verlangens, deze tenslotte geheel zullen verdwijnen. (Vedabase)
En als bij een persoon de kenmerken die horen bij een bepaalde klasse anders dan de eigen klasse kunnen worden waargenomen, behoort men voorzeker die persoon ook te respecteren conform die waarneming [m.a.w. hij die zich b.v. gedraagt als een brahmaan moet als zodanig beschouwd worden].
Als iemand de hierboven beschreven kenmerken van een brâhmana, kshatriya, vais'ya of s'ûdra vertoont, moet hij als zodanig aanvaard worden, ook al is hij in een andere klasse geboren. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd