regelbalk



 

 

Canto 10

S'rî Godruma

 

 

Hoofdstuk 60: Heer Krishna Plaagt Koningin Rukminî

(1) De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag werd Hij, de Geestelijk Leraar van het Universum, Zich comfortabel op Rukminî's bed bevindend, bediend door haar die samen met haar vrouwelijke metgezellen Hem, haar Echtgenoot, koelte toewuifde. (2) Hij, de Ongeboren Heer, de Allerhoogste Meester die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, had nu onder de Yadu's Zijn geboorte genomen om Zijn spel te spelen en Zijn heerschappij te verdedigen [*, zie ook 6.3: 19]. (3-6) Dat privégedeelte van het paleis was schitterend behangen met strengen parels en prachtig met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen en met jasmijnbloemenslingers omzwermd door zoemende bijen. Het licht van de zuivere maan werd gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, de wind voerde de geur mee van de groepjes pârijâta-bomen en bracht zo de atmosfeer uit de tuin over en de opwindende geur van aguru-wierook ontsnapte er uit de openingen van het lattenwerk voor de ramen o Koning. Daar bediende ze haar Echtgenoot, de Heer van Alle Werelden, die comfortabel was gezeten op een prima kussen op het bed dat zo wit straalde als melkschuim. (7) De godin pakte uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aan met een, met juwelen ingelegd, handvat en wuifde er in eerbetoon voor haar Meester, Hem er koelte mee toe. (8) Naast Krishna staand geluid makend met haar met edelstenen versierde enkelbelletjes, zag ze er prachtig uit met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen, met haar kleding die met één punt haar borsten rood van de kunkum verhulde, met de gloed van haar halssnoer en met de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg. (9) Bij de aanblik van haar genoeglijke glimlachen, haar lokken, oorhangers en de sieraden om haar hals, haar heldere, gelukkige gezicht en lieve lippen, herkende Hij haar als een verschijning van de godin van het geluk die, met geen ander doel in haar leven, terwille van Zijn spel en vermaak, met Hem overeenstemt in belichamingen passend bij de gedaanten die Hij aannneemt [**]. Toen sprak de Heer.

(10) De Allerhoogste Heer zei: 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde. (11) Met je afwijzen van beschikbare aanbidders als S'is'upâla en anderen, die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel anders ben. (12) Bang voor de koningen o mooie wenkbrauwtjes, en verhuisd naar de oceaan voor onze toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, vijandig tegenover hen die aan de macht zijn, de troon vrijwel opgegeven. (13) O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen die zich bekommeren om mannen wiens gedrag onzeker is, hebben het gewoonlijk zwaar. Ze volgen een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving. (14) Wij die niets bezitten zijn geliefd onder hen die zelf niets hebben en daarom zijn We in de regel niet zo gewild bij de rijken die Me [dan ook] zelden hun respect betonen o slanke dame. (15) Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen gelijk qua rijkdom, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hoger en een lager iemand [in dezen]! (16) O prinses van Vidarbha, je hebt dit niet zien aankomen, je had er geen weet van toen je koos voor Ons die het zo ontbreekt aan goede kwaliteiten, Wij, die worden geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn! (17) Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die geschikt is, een eersteklas edelman die al je wensen in dit en het volgende leven kan vervullen. (18) S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen uitstaan o jij met je mooie benen, en ook je oudere broer Rukmî ziet Me niet zitten. (19) Ik nam je met Me mee o goede dame, om de trots en arrogantie te breken van hen die verblind zijn door de bedwelming van hun macht. We wilden de kracht beteugelen van de verdorvenen [zie ook B.G. 4: 7]. (20) Onverschillig over een thuis en een lichaam geven Wij niet echt om echtgenotes, kinderen en rijkdommen; afzijdig van welk ondernemen ook zijn Wij volkomen in Onszelf tevreden als een licht dat verder niets doet.'

(21) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer, dit gezegd had als de vernietiger van de trots van haar die zich als Zijn geliefde onafscheidelijk achtte, stopte Hij. (22) Van de Meester van de heren der drie werelden, haar  Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zoiets onaangenaams te horen gekregen. Met de schrik die haar om het hart sloeg begon ze toen trillend, in de greep van een verschrikkelijke angst, te huilen [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 6 & 7]. (23) Met haar o zo delicate voet die rood opgloeide door haar nagels schraapte ze over de vloer en, terwijl ze met haar tranen de make-up van haar ogen deed uitlopen en ze het rode kunkuma-poeder op haar borsten nat sprenkelde, stond ze daar roerloos, verstikt in haar grote verdriet met haar gezicht naar beneden, niet in staat om ook maar een woord uit te brengen. (24) Door haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer meer helder denkend, gleden haar armbanden af en viel haar waaier uit haar handen. Met haar geest ontregeld bezwijmde ze het opeens. Haar lichaam viel op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa]. (25) Toen Hij inzag wat, niet door haar begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde met Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar. (26) Snel van het bed afkomend tilde Hij haar met Zijn vier armen op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand. (27-28) Met het schoonvegen van haar met tranen gevulde ogen en haar besmeurde borsten o Koning, sloeg Hij Zijn arm heen om haar die, kuis als ze was, geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die zo zielig in de war was door Zijn slimme grappenmakerij. Met Hem, het Doel van Alle Zuivere Zielen [voor ogen], had ze dit niet verdiend. (29) De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent Mijn liefste. Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen. (30) Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien: met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige, samengeknepen wenkbrauwen. (31) Om grappen te maken met degene van wie hij houdt is voor een gewone huishouder het hoogste dat hij in het gezinsleven kan bereiken, o verlegen meisje vol temperament.'

(32) S'rî S'uka zei: 'Vaidarbhî o Koning, aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer, begreep dat Zijn woorden speels bedoeld waren en gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde. (33) Bedeesd, met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend, richtte ze zich met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen o afstammeling van Bharata. (34) S'rî Rukminî zei: 'Goed, zo zij het, het is zoals Je het zegt o Lotusogige. Ik verschil van Jou, Jij bent de Allerhoogste Heer. Wie ben ik nu vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid? Wie ben ik, als iemand aan wiens voeten de dwazen zich vastklampen vanwege haar materiële kwaliteiten, vergeleken met de Meester, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden]? (35) Het is waar, Jij o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je neer in de oceaan alsof Je de geaardheden zou vrezen. Jij vecht altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel tegen de slechtheid van de materiële zinnen en Jij hebt, met Je dienaren, een positie als koning afgewezen omdat dat blinde onwetendheid inhoudt [zie ook S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka vers 4 en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (36) Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusvoeten is Jouw pad niet zo duidelijk, terwijl het onmogelijk te doorgronden is voor dieren in een menselijke gedaante [voor materialisten]. Want  zo ongewoon als de activiteiten van Jou, de Allerhoogste Heerser zijn o Almachtige, zo ongebruikelijk zijn ook de handelingen van hen die Je volgen. (37) Jij kent geen bezittingen, want voorbij aan Jou is er niets te vinden. Zelfs de genieters van offergaven als Brahmâ en anderen brengen Je eerbewijzen. Personen die materieel niets te klagen hebben kennen Je, verblind door hun status niet, maar Je bent de grote genieters het meest dierbaar, net zoals zij Jou het dierbaarst zijn [zie ook tekst 14 en 1.7: 10]. (38) Jij bent het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen overal van afzien. Zij zijn degenen die behagen scheppen in Jouw omgang o Almachtige, en niet de man en vrouw die in hun wederzijdse aantrekking [hun lust] geluk en ongeluk ervaren. (39) Jij bent de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken en Paramahamsa's worden, zie 5.1*]. Daarom werd Jij door mij uitverkozen en wijs ik die meesters van de hemel af - Hij die geboren werd op de lotus [Brahmâ] en Hij die het bestaan beheerst [S'iva]. Wat voor belang zou ik hebben bij anderen wiens ambities teniet worden gedaan door de kracht van de Tijd die wordt opgewekt door Je wenkbrauwen? (40) Dwaas waren die woorden van Je dat Jij uit angst in de oceaan Je toevlucht zou hebben gezocht o Gadâgraja, o Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen terugdrong toen Je mij, Jouw verdiende huldeblijk, ontvoerde zoals een leeuw zijn deel weghaalt bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21]. (41) De koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâti, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen, hebben uit behoefte aan Jou, afstand gedaan van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken en zijn het bos ingegaan o Lotusogige. Hebben zij, gefixeerd op Jouw pad, het nu zwaar gehad in deze wereld [zie vers 13]? (42) Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, als ze eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten, de voeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding schenken? Welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en zou iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]? (43) Ik heb gekozen voor Hem, Jijzelf, de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden, als degene die geschikt is om mijn wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en in het volgende [zie laatste vers S'rî S'rî S'ikshâshthaka]. Moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen [en in geboorten] er de toevlucht zijn van Jouw voeten die, als ze op hun aanbidder afstappen, de bevrijding schenken van al het valse. (44) Laat de koningen waar Je het over had [in vers 10] o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie in huis ze zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven omdat die dames hun oren nimmer te luisteren legden bij de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent, o Jij die bezongen en besproken wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ]. (45) De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten, houdt er een totaal verbijsterd idee op na. Zij aanbidt als haar partner een levend lijk bestaande uit vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht, dat overdekt is met een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar. (46) O Lotusoog, laat er mijn liefde zijn voor de voeten van Jij die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij. Op het moment dat Jij terwille van de expansie van dit universum een alles overheersende hartstocht aanneemt en Mij [als prakriti] met Je blik aanschouwt, toon Je ons de grootste genade [zie ook 10.53: 2]. (47) Ik denk dat het niet geheel onwaar is wat Je zei o Doder van Madhu, een ongetrouwd meisje kan zich op een gegeven moment aangetrokken voelen [tot een ander], zoals in het geval van Ambâ [dochter van de koning van Kâs'î die zich aangetrokken voelde tot S'âlva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*]. (48) Een promiscue vrouw voelt zich zelfs als ze is getrouwd nog aangetrokken tot weer een andere man. Als men intelligent is moet men zo'n ontrouwe vrouw niet houden, want als men gehecht blijft aan haar, is men tweeërlei ten val gekomen [in dit leven en in een leven hierna, zie ook 9.14: 36].'

(49) De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is juist. Dat wat Ik zei toen Ik je voor de gek hield o prinses, deed Ik vanuit de behoefte jou hierover te horen spreken o deugdzame dame! (50) O rechtschapen dame, je zal altijd op welke zegeningen ook kunnen rekenen die je van Mij verlangt om je van de lust te bevrijden o genadige, o jij die enkel Mij toegewijd bent. (51) O zondeloze, Ik begreep je zuivere liefde en trouw aan je echtgenoot in geloften, want van streek geraakt door Mijn woorden, liet je geest gehecht aan Mij, zich niet afleiden. (52) Zij die met lust in hun harten vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Heer der Uiteindelijke Gelukzaligheid [zie ook B.G. 2: 42-44]. (53) Lieve schat, ongelukkig zijn zij die met het verwerven van Mij, de Meester der Emancipatie èn Rijkdom van Mij enkel materiële verworvenheden verlangen. Die zijn er zelfs voor personen die in de hel verkeren en daarom is voor hen die bezeten zijn van de zinsbevrediging, de hel de meest geschikte plek [zie ook 3.32 en 7.5: 32]. (54) Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je Mij steeds trouw van dienst, hetgeen bevrijding uit het materieel bestaan schenkt. Die dienst is zeer moeilijk op te brengen voor hatelijke types, met name vrouwen met kwade bedoelingen die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties]. (55) O respectvolle dame, in Mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, jij die tijdens haar huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd, jij die Mij, toen je de verhalen hoorde over Mijn waarheid, een brahmaanse boodschapper stuurde met een vertrouwelijk bericht. (56) Toen je broer die werd verslagen in de strijd en werd toegetakeld [10.54], op de dag van de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je een ondraaglijk leed te verduren, maar omdat je er bang voor was van Ons gescheiden te raken, repte je er met geen woord over en heb je Ons op die manier voor je gewonnen. (57) Toen Ik niet kwam opdagen nadat je een boodschapper had gestuurd met het hoogst vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon te krijgen, beschouwde je deze wereld als volkomen leeg en wilde je dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]. Moge je altijd zo [van die standvastigheid] zijn en mogen Wij ons daar steeds over verheugen.'

(58) S'rî S'uka zei: 'Aldus in intieme conversaties de weg van de menselijke wereld volgend, schiep de Allerhoogste Heer en Meester van het Universum er genoegen in Zich met Ramâ te vermaken. (59) In de paleizen van de andere koninginnen gedroeg Hij, de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden, Zich dienovereenkomstig en vervulde Hij de plichten van een gezinshoofd.'
 

 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 25  juni, 2014.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag werd Hij, de Geestelijk Leraar van het Universum, Zich comfortabel op Rukminî's bed bevindend, bediend door haar die samen met haar vrouwelijke metgezellen Hem, haar Echtgenoot, koelte toewuifde.
De zoon van Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een dag comfortabel gezeten werd Hij, de geestelijk leraar van het Universum, Zich op haar bed bevindend bediend door Rukminî die Hem, de Echtgenoot, koelte toewuifde samen met haar vrouwelijke metgezellen. (Vedabase)

 

Tekst 2

Hij, de Ongeboren Heer, de Allerhoogste Meester die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, had nu onder de Yadu's Zijn geboorte genomen om Zijn spel te spelen en Zijn heerschappij te verdedigen [*, zie ook 6.3: 19].

Dit dan was Zijn spel: dat Hij, als de Allerhoogste Beheerser die het universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, waarlijk was geboren om Zijn eigen heerschappij hoog te houden [*] als de Ongeboren Heer onder de Yadu's [zie ook 6.3: 19]. (Vedabase)

 

Tekst 3-6

Dat privégedeelte van het paleis was schitterend behangen met strengen parels en prachtig met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen en met jasmijnbloemenslingers omzwermd door zoemende bijen. Het licht van de zuivere maan werd gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, de wind voerde de geur mee van de groepjes pârijâta-bomen en bracht zo de atmosfeer uit de tuin over en de opwindende geur van aguru-wierook ontsnapte er uit de openingen van het lattenwerk voor de ramen o Koning. Daar bediende ze haar Echtgenoot, de Heer van Alle Werelden, die comfortabel was gezeten op een prima kussen op het bed dat zo wit straalde als melkschuim.

In dat privé-gedeelte van het paleis zo schitterend, behangen met strengen parels en verrijkt met een baldakijn, met lampen gemaakt van edelstenen, met jasmijnbloemenslingers met zoemende bijen eromheen zwermend, met het licht van de zuivere maan gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen, met de geur meegevoerd door de wind van de groepjes pârijâta bomen die de atmosfeer overbrachten uit de tuin en met de opwindende geur voortgebracht door de aguru die ontsnapte uit de raamopeningen, o Koning, bediende ze haar Echtgenoot, de Beheerser van Alle Werelden, comfortabel gezeten op een prima kussen van het bed dat zo wit straalde als de schuim van melk. (Vedabase)

 

Tekst 7

De godin pakte uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aan met een, met juwelen ingelegd, handvat en wuifde er in eerbetoon voor haar Meester, Hem er koelte mee toe.

Uit de hand van een dienstmaagd een waaier van yak-haar aanpakkend met een met juwelen ingelegd handvat wuifde de godin er in eerbetoon voor haar Meester Hem er koelte mee toe. (Vedabase)

 

Tekst 8

Naast Krishna staand geluid makend met haar met edelstenen versierde enkelbelletjes, zag ze er prachtig uit met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen, met haar kleding die met één punt haar borsten rood van de kunkum verhulde, met de gloed van haar halssnoer en met de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg.

Naast Krishna met het gerucht van haar enkelbelletjes kwam ze prachtig naar voren met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen en met haar kleding die met één uiteinde haar borsten rood van de kunkum verhulde, de gloed van haar halssnoer en de kostbare gordel die ze om haar heupen droeg. (Vedabase)

 

Tekst 9

Bij de aanblik van haar genoeglijke glimlachen, haar lokken, oorhangers en de sieraden om haar hals, haar heldere, gelukkige gezicht en lieve lippen, herkende Hij haar als een verschijning van de godin van het geluk die, met geen ander doel in haar leven, terwille van Zijn spel en vermaak, met Hem overeenstemt in belichamingen passend bij de gedaanten die Hij aannneemt [**]. Toen sprak de Heer.

Bij de aanblik van haar verschijning als de godin van het geluk met geen ander doel, zij die verheugd en lachend met haar lokken, oorhangers en juwelen om haar hals en haar heldere gelukkige gezicht, terwille van Zijn spel en vermaak overeenstemt in lichamen overeenkomstig Zijn aannemen van gestalten [**], liet de Heer een zoete glimlach zien en sprak Hij. (Vedabase)


Tekst 10

De Allerhoogste Heer zei: 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde.

De Allerhoogste Heer zei; 'O prinses, je werd begeerd door koningen, wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en weelde. (Vedabase)

 

Tekst 11

Met je afwijzen van beschikbare aanbidders als S'is'upâla en anderen, die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel anders ben.

Met voor handen vrijers zoals S'is'upâla en anderen die gek van Cupido door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel verschillend ben. (Vedabase)

 

Tekst 12

Bang voor de koningen o mooie wenkbrauwtjes, en verhuisd naar de oceaan voor onze toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, vijandig tegenover hen die aan de macht zijn, de troon vrijwel opgegeven.

Bang van de koningen, o mooie wenkbrauwtjes, en vertrokken naar de oceaan als toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij, in vijandschap met degenen die aan de macht zijn, praktisch de koningstroon eraan gegeven. (Vedabase)

   

Tekst 13

O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen  die zich bekommeren om mannen wiens gedrag onzeker is, hebben het gewoonlijk zwaar. Ze volgen een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving.

O fraaie wenkbrauwtjes, vrouwen hebben het gewoonlijk zwaar die omzien naar mannen wiens gedrag onzeker is in het volgen van een pad dat niet aanvaardbaar is voor de normale samenleving. (Vedabase)

 

Tekst 14

Wij die niets bezitten zijn geliefd onder hen die zelf niets hebben en daarom zijn We in de regel niet zo gewild bij de rijken die Me [dan ook] zelden hun respect betonen o slanke dame.

Wij, zonder ook maar iets in Ons bezit, die altijd zeer geliefd zijn bij hen die ook niets hebben, zijn daarom in de regel inderdaad niet zo geliefd bij de rijken, ze bewijzen Me zelden de eer, o slanke vrouwe. (Vedabase)

 

Tekst 15

Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen gelijk qua rijkdom, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hoger en een lager iemand [in dezen]!

Huwelijk en vriendschap is er tussen twee mensen die gelijk zijn qua bezit, geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te nimmer tussen een hogere en een lagere [in dezen]! (Vedabase)

 

Tekst 16

O prinses van Vidarbha, je hebt dit niet zien aankomen, je had er geen weet van toen je koos voor Ons die het zo ontbreekt aan goede kwaliteiten, Wij, die worden geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn!

O prinses van Vidarbha, van dit, niet in staat in de toekomst te kijken, had je geen weet, toen je koos voor Ons zo verstoken van goede kwaliteiten Die wordt geprezen door bedelaars die hun verstand kwijt zijn! (Vedabase)

    

Tekst 17

Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die geschikt is, een eersteklas edelman die al je wensen in dit en het volgende leven kan vervullen.

Aanvaard nu alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die inderdaad geschikt is, een eersteklas edelman met wie je al je wensen in dit en het volgende leven in vervulling kan zien gaan. (Vedabase)

  

Tekst 18

S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen uitstaan o jij met je mooie benen, en ook je oudere broer Rukmî ziet Me niet zitten.

S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen kunnen Me geen van allen lijden, o mooie dijen, en zo ook je oudere broer Rukmî niet. (Vedabase)

 

Tekst 19

Ik nam je met Me mee o goede dame, om de trots en arrogantie te breken van hen die verblind zijn door de bedwelming van hun macht. We wilden de kracht beteugelen van de verdorvenen [zie ook B.G. 4: 7].

Om van hen, verblind door de bedwelming van hun macht, de trots en hoogmoed te verdrijven werd je door Mij in een huwelijk aanvaard, o goedgeaarde; We deden dat om de macht weg te nemen van de slechtgeaarden [zie ook B.G. 4: 7]. (Vedabase)

Tekst 20

Onverschillig over een thuis en een lichaam geven Wij niet echt om echtgenotes, kinderen en rijkdommen; afzijdig van welk ondernemen ook zijn Wij volkomen in Onszelf tevreden als een licht dat verder niets doet.'

Wij onverschillig over een thuis en een lichaam talen werkelijk niet naar echtgenotes, kinderen en rijkdommen; Wij houden Ons volledig tevreden in Onszelf op zoals licht dat doet niet betrokken bij welke actie ook.' (Vedabase)

  

Tekst 21

S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer dit gezegd had als de vernietiger van de trots van haar die zich als Zijn geliefde onafscheidelijk achtte, stopte Hij.

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, zoveel gezegd hebbende als de vernietiger van de trots van haar die als Zijn geliefde zich onafscheidelijk achtte, stopte toen. (Vedabase)

  

Tekst 22

Van de Meester van de heren der drie werelden, haar  Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zoiets onaangenaams te horen gekregen. Met de schrik die haar om het hart sloeg begon ze toen trillend, in de greep van een verschrikkelijke angst, te huilen [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 6 & 7].

Van de Meester van de Heren der Drie Werelden, haar eigen Geliefde, had zij, de godin, nog nooit zo iets onaangenaams te horen gekregen, en met de schrik die haar toen om het hart sloeg begon ze, trillend gegrepen door een verschrikkelijke angst, te huilen [zie s'ikshâshthaka vers 6 &7]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Met haar o zo delicate voet die rood opgloeide door haar nagels schraapte ze over de vloer en, terwijl ze met haar tranen de make-up van haar ogen deed uitlopen en ze het rode kunkuma-poeder op haar borsten nat sprenkelde, stond ze daar roerloos, verstikt in haar grote verdriet met haar gezicht naar beneden, niet in staat om ook maar een woord uit te brengen.

Met haar o zo tere voet, rood opgloeiend van haar nagels, over de vloer schrapend, en met haar tranen de make-up van haar ogen doen uitlopend en het rode kunkumapoeder op haar borsten natsprenkelend, stond ze daar roerloos, met het gezicht naar beneden, verstikt in haar extreme verdriet niet in staat ook maar iets te zeggen. (Vedabase)

 

Tekst 24

Door haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer meer helder denkend, gleden haar armbanden af en viel haar waaier uit haar handen. Met haar geest ontregeld bezwijmde ze het opeens. Haar lichaam viel op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa].

Van haar grote treurnis, vrees en benauwdheid niet langer helder denkend, gleden haar armbanden en haar waaier haar uit handen en viel haar lichaam, met haar geest ontsteld het bezwijmend, plots op de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan geveld door de wind [zie rasa]. (Vedabase)

 

Tekst 25

Toen Hij inzag wat, niet door haar begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde met Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar.

Ziend wat, niet begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij inhield voor de band van goddelijke liefde van Zijn geliefde, kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met haar. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Snel van het bed afkomend tilde Hij haar met Zijn vier armen op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand.

Van het bed afkomend tilde Hij, met vier armen, haar snel op en wiste Hij, haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn lotushand. (Vedabase)

 

Tekst 27-28

Met het schoonvegen van haar met tranen gevulde ogen en haar besmeurde borsten o Koning, sloeg Hij Zijn arm heen om haar die, kuis als ze was, geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die zo zielig in de war was door Zijn slimme grappenmakerij. Met Hem, het Doel van Alle Zuivere Zielen [voor ogen], had ze dit niet verdiend.

Haar met tranen gevulde ogen en borsten besmeurd door haar tranen afvegend, sloeg Hij, o Koning, Zijn arm om haar heen die kuis als ze was geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die, zo zielig met haar geest in de war door Zijn slimme grappenmakerij, dit niet verdiend had met het Doel van Degenen die Zuiver Zijn. (Vedabase)

  

Tekst 29

De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent Mijn liefste. Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen.

De Opperheer zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet dat je Me volledig toegewijd bent, Mijn liefste, Ik deed het voor de grap om te horen wat je zou zeggen. (Vedabase)

 

Tekst 30

Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien: met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige, samengeknepen wenkbrauwen.

Zo wilde Ik het gezicht van de liefde zien met lippen trillend van de emotie, blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en prachtige wenkbrauwen bijeen geknepen. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Om grappen te maken met degene van wie hij houdt is voor een gewone huishouder het hoogste dat hij in het gezinsleven kan bereiken, o verlegen meisje vol temperament.'

Voor een gewone huishouder is het grappen maken met degene van wie hij houdt werkelijk het hoogste dat hij kan bereiken in het gezinsleven, o verlegen meisje van temperament.' (Vedabase)

  

Tekst 32

S'rî S'uka zei: 'Vaidarbhî o Koning, aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer, begreep dat Zijn woorden speels bedoeld waren en gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde.

S'rî S'uka zei: 'Zij, Vaidarbhî, o Koning, die aldus geheel gerustgesteld door de Allerhoogste Heer begreep dat Zijn woorden als grap bedoeld waren, gaf haar angst op te zijn afgewezen door haar Geliefde. (Vedabase)

 

Tekst 33

Bedeesd, met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend, richtte ze zich met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen o afstammeling van Bharata.

Bedeesd met een charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend richtte ze zich, o afstammeling van Bharata, met liefdevolle blikken tot de Beste van Alle Mannen. (Vedabase)

 

Tekst 34

S'rî Rukminî zei: 'Goed, zo zij het, het is zoals Je het zegt o Lotusogige. Ik verschil van Jou, Jij bent de Allerhoogste Heer. Wie ben ik nu vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid? Wie ben ik, als iemand aan wiens voeten de dwazen zich vastklampen vanwege haar materiële kwaliteiten, vergeleken met de Meester, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden]?

S'rî Rukminî zei: 'Goed zo zij het dan met dat wat Je gezegd hebt o Lotusogige; waar ben ik, ongelijk aan de Allerhoogste Heer, nu vergeleken met de Almachtige die behagen schept in Zijn eigen heerlijkheid, met de Beheerser, de Opperheer van de Drie [belangrijkste godheden] - waar zou ik zelf nu staan aan wiens voeten vanwege haar materiële kwaliteiten de dwazen zich vastklampen? (Vedabase)

    

Tekst 35

Het is waar, Jij o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je neer in de oceaan alsof Je de geaardheden zou vrezen.  Jij vecht altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel tegen de slechtheid van de materiële zinnen en Jij hebt, met Je dienaren, een positie als koning afgewezen omdat dat blinde onwetendheid inhoudt [zie ook S'rî S'rî Shadgosvâmî-ashthaka vers 4 en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4].

Het is waar, Jij, o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je, alsof Je de geaardheden zou vrezen, neer in de oceaan, altijd in het zuivere bewustzijn van de Opperziel strijdend tegen de slechtheid van de materiële zinnen en hebt, net als Je dienaren, de positie van een koning afgewezen als zijnde blinde onwetendheid [zie ook Sadgosvâmy Âshthaka vers vier en de s'ikshâshthaka vers 4]. (Vedabase)

 

Tekst 36

Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusvoeten is Jouw pad niet zo duidelijk, terwijl het onmogelijk te doorgronden is voor dieren in een menselijke gedaante [voor materialisten]. Want  zo ongewoon als de activiteiten van Jou, de Allerhoogste Heerser zijn o Almachtige, zo ongebruikelijk zijn ook de handelingen van hen die Je volgen.

Voor wijzen die de honing waarderen van Je lotusgelijke voeten is Jouw pad, dat voor dieren in een menselijke gedaante voorzeker moeilijk te doorgronden is, niet zo duidelijk want - [zo mag men zich afvragen] - zijn zij, zich bovenwerelds voordoend met aktiviteiten voor de Allerhoogste Beheerser [van de Tijd], o Almachtige, Jou [als een persoon] nu aan het volgen? (Vedabase)

 

Tekst 37

Jij kent geen bezittingen, want voorbij aan Jou is er niets te vinden. Zelfs de genieters van offergaven als Brahmâ en anderen brengen Je eerbewijzen. Personen die materieel niets te klagen hebben kennen Je, verblind door hun status niet, maar Je bent de grote genieters het meest dierbaar, net zoals zij Jou het dierbaarst zijn [zie ook tekst 14 en 1.7: 10].

Jij inderdaad kent geen bezittingen, Jij voorbij Wie er niets te vinden is en Die zelfs van de genieters van de eerbewijzen met Brahmâ voorop de eer krijgt bewezen; personen lichamelijk voldaan, verblind door hun status, kennen Je niet als hun dood, maar voor de grote genieters ben Je de meest geliefde zoals zij dat precies zo ook voor Jou zijn [zie ook 1.7: 10]. (Vedabase)

 

Tekst 38

Jij bent het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen overal van afzien. Zij zijn degenen die behagen scheppen in Jouw omgang  o Almachtige, en niet de man en vrouw die in hun wederzijdse aantrekking [hun lust] geluk en ongeluk ervaren.

Jij bent waarlijk het uiteindelijke doel dat alle doelen van het menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar verlangend intelligente personen van alles afzien; Jouw omgang, o Almachtige, leent zich voor hen en niet voor een man en vrouw die in de lust gelukkig en ongelukkig zijn. (Vedabase)


Tekst 39

Jij bent de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken en Paramahamsa's worden, zie 5.1*]. Daarom werd Jij door mij uitverkozen en wijs ik die meesters van de hemel af - Hij die geboren werd op de lotus [Brahmâ] en Hij die het bestaan beheerst [S'iva]. Wat voor belang zou ik hebben bij anderen wiens ambities teniet worden gedaan door de kracht van de Tijd die wordt opgewekt door Je wenkbrauwen?

Jij, de Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over Wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het rondtrekken, Paramahamsa's wordend, zie 5.1*], bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je wenkbrauwen. Wat [dan zou ik, Jou hebbend, moeten] met anderen? (Vedabase)

 

Tekst 40

Dwaas waren die woorden van Je dat Jij uit angst in de oceaan Je toevlucht zou hebben gezocht o Gadâgraja, o Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen terugdrong toen Je mij, Jouw verdiende huldeblijk, ontvoerde zoals een leeuw zijn deel weghaalt bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21].

Dwaas die woorden van Je dat Jij in de oceaan uit angst Je toevlucht zou zoeken, o Gadâgraja, Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen op de terugtocht dwong met het weghalen van mij, de voor Jou bestemde huldeblijk, zoals een leeuw zijn deel wegsnaait bij de dieren [zie ook jalpa 10.47: 12-21]. (Vedabase)

 

Tekst 41

De koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâti, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen, hebben uit behoefte aan Jou, afstand gedaan van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken en zijn het bos ingegaan o Lotusogige. Hebben zij, gefixeerd op Jouw pad, het nu zwaar gehad in deze wereld [zie vers 13]?

Uit behoefte aan Jou zijn de koningen Anga [vader van Vena, 4.13: 47], Vainya [Prithu, 4.23], Jâyanta [Bharata, 6.7: 11], Nâhusha [Yayâtî, 9.19], Gaya [15.15: 6-7] en anderen afstand doend van hun kroon, hun soevereine macht over hun koninkrijken, het bos ingegaan, o Lotus-ogige; hoe konden zij, geconcentreerd op Jouw pad in deze wereld, nu angstig beven? (Vedabase)

 

Tekst 42

Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, als ze eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten, de voeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding schenken? Welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en zou iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]?

Welke vrouw zou haar toevlucht tot een andere man nemen, die eenmaal het door de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw lotusvoeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen de bevrijding brengen; welke sterfelijke dame met het inzicht om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en iemand willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse ego]? (Vedabase)

 

Tekst 43

Ik heb gekozen voor Hem, Jijzelf, de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden, als degene die geschikt is om mijn wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en in het volgende [zie laatste vers S'rî S'rî S'ikshâshthaka]. Moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen [en in geboorten] er de toevlucht zijn van Jouw voeten die, als ze op hun aanbidder afstappen, de bevrijding schenken van al het valse.

Voor Hem, Jijzelf, als de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle Werelden heb ik gekozen om onze wensen in vervulling te doen gaan in dit leven en het volgende [zie laatste vers s'ikshâshthaka]; moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen er de toevlucht zijn van Jouw voeten welke, inderdaad op hun aanbidder afstappend, lonen met de bevrijding van het onware. (Vedabase)

 

Tekst 44

Laat de koningen waar Je het over had [in vers 10] o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie in huis ze zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven omdat die dames hun oren nimmer te luisteren legden bij de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent, o Jij die bezongen en besproken wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ].

Laat de koningen waar Je het over had, o Acyuta, over aan die vrouwen bij wie ze in huis zijn als ezels, ossen, honden, katten en slaven en wiens oren nimmer in de buurt kwamen van de kern die Jij als de plaag van Je vijanden bent; Jij die bezongen wordt in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige' ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de hartstocht' ofwel Brahmâ]. (Vedabase)

 

Tekst 45

De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten, houdt er een totaal verbijsterd idee op na. Zij aanbidt als haar partner een levend lijk bestaande uit vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht, dat overdekt is met een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar.

De vrouw die niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten houdt er een totaal verbijsterd idee op na; zij aanbidt als haar partner een levend lijk overdekt door een huid, snorharen, lichaamsbeharing, nagels en hoofdhaar met van binnen vlees, botten, bloed, wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht. (Vedabase)

 

Tekst 46

O Lotusoog, laat er mijn liefde zijn voor de voeten van Jij die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij. Op het moment dat Jij terwille van de expansie van dit universum een alles overheersende hartstocht aanneemt en Mij [als prakriti] met Je blik aanschouwt, toon Je ons de grootste genade [zie ook 10.53: 2].

Laat er, o Lotusoog, mijn niet aflatende aantrekking zijn tot de voeten van Jou die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij, Jij die voor de toename van dit universum in hartstocht de vorm van een overvloed aanneemt en met Je blik daarin mij aanschouwend ons inderdaad de grootste genade toont [zie ook 10.53: 2]. (Vedabase)

 

Tekst 47

Ik denk dat het niet geheel onwaar is wat Je zei o Doder van Madhu, een ongetrouwd meisje kan zich op een gegeven moment aangetrokken voelen [tot een ander], zoals in het geval van Ambâ [dochter van de koning van Kâs'î die zich aangetrokken voelde tot S'âlva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*].

Ik beschouw Je woorden in feite niet als vals, o Doder van Madhu, het is zeker vaak zo dat bij een meisje [zoals ik met de koningen] zich de aantrekking opwerpt zoals ook bij Ambâ [dochter van de koning van Kas'i aangetrokken tot S'alva, zie Mahâbhârata en noot 9.22: 20*]. (Vedabase)

 

Tekst 48

Een promiscue vrouw voelt zich zelfs als ze is getrouwd nog aangetrokken tot weer een andere man. Als men intelligent is moet men zo'n ontrouwe vrouw niet houden, want als men gehecht blijft aan haar, is men tweeërlei ten val gekomen [in dit leven en in een leven hierna, zie ook 9.14: 36].'

Een promiscue vrouw is zelfs getrouwd aangetrokken tot telkens weer een nieuwe man; als men intelligent is behoort men [zoals Jij misschien] niet aan een ontrouwe vrouw vast te houden daar met het houden van haar men beiderzijds [in dit leven enerzijds en het volgende leven anderzijds] ten val is gekomen [zie ook 9.14: 36].' (Vedabase)

 

Tekst 49

De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is juist. Dat wat Ik zei toen Ik je voor de gek hield o prinses, deed Ik vanuit de behoefte jou hierover te horen spreken o deugdzame dame!

De Allerhoogste Heer zei: 'Al wat je antwoordde is inderdaad juist; wat Ik heb gezegd je voor de gek houdend, o prinses, deed Ik vanuit de behoefte jou hierover te horen, o heilige dame! (Vedabase)

 

Tekst 50

O rechtschapen dame, je zal altijd op welke zegeningen ook kunnen rekenen die je van Mij verlangt om je van de lust te bevrijden o genadige, o jij die enkel Mij toegewijd bent.

O rechtschapene, welke zegeningen die je ook verlangt om van de lust bevrijd te zijn, o goedgunstige, zullen er altijd zijn voor jou die werkelijk uitsluitend Mij toegewijd bent. (Vedabase)

 

Tekst 51

O zondeloze, Ik begreep je zuivere liefde en trouw aan je echtgenoot in geloften, want van streek geraakt door Mijn woorden, liet je geest gehecht aan Mij, zich niet afleiden.

O zondenloze, Ik heb je zuivere liefde gezien en je in geloften zien vasthouden aan de echtgenoot; voor zover woorden je van streek konden brengen, kon je geest in gehechtheid aan Mij, niet worden afgeleid. (Vedabase)

 

Tekst 52

Zij die met lust in hun harten vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Heer der Uiteindelijke Gelukzaligheid [zie ook B.G. 2: 42-44].

Zij die vallen voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en het naleven van geloften, zijn, lustig van aard, verbijsterd door de begoochelende energie van Mij, de Beheerser van de Uiteindelijke Gelukzaligheid. (Vedabase)

 

Tekst 53

Lieve schat, ongelukkig zijn zij die met het verwerven van Mij, de Meester der Emancipatie èn Rijkdom, van Mij enkel materiële verworvenheden verlangen. Die zijn er zelfs voor personen die in de hel verkeren en daarom is voor hen die bezeten zijn van de zinsbevrediging, de hel de meest geschikte plek [zie ook 3.32 en 7.5: 32].

O reservoir van liefde, voor hen die met het verkrijgen van Mij, de Schat der Emancipatie, minder gelukkig van Mij, de Meester erover, alleen materiële schatten verlangen die er zelfs zijn voor personen die in de hel verkeren, is het, omdat ze bezeten zijn van de zinsbevrediging, [dan ook] de hel die ze het beste past [zie ook 3.32, en 7.5: 32]. (Vedabase)

 

Tekst 54

Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je Mij steeds trouw van dienst, hetgeen bevrijding uit het materieel bestaan schenkt. Die dienst is zeer moeilijk op te brengen voor hatelijke types, met name vrouwen met kwade bedoelingen die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties].

Gelukkig, o vrouwe van het huis, was je de constante trouwe dienst aan Mij aan het leveren die de bevrijding schenkt uit een materieel bestaan, de dienst die zeer moeilijk op te brengen is in het bijzonder voor gevaarlijke vrouwen met kwade bedoelingen, die zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich vergenoegen in het verbreken [van relaties]. (Vedabase)

 

Tekst 55

O respectvolle dame, in Mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, jij die tijdens haar huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd, jij die Mij, toen je de verhalen hoorde over Mijn waarheid, een brahmaanse boodschapper stuurde met een vertrouwelijk bericht.

In mijn paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, o respectvolle; Jij die ten tijde van haar eigen huwelijk afzag van de koningen die waren gearriveerd; jij door wie, met het je ter ore komen van de ware stand van zaken, een brahmaanse boodschapper naar Mij werd gestuurd met een vertrouwelijk bericht. (Vedabase)

 

Tekst 56

Toen je broer die werd verslagen in de strijd en werd toegetakeld [10.54], op de dag van de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je een ondraaglijk leed te verduren, maar omdat je er bang voor was van Ons gescheiden te raken, repte je er met geen woord over en heb je Ons op die manier voor je gewonnen.

Toen je broer verslagen in de strijd werd toegetakeld [10.54] en op de dag aangewezen voor de huwelijksplechtigheid [van Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je vanwege Ons een ondraaglijk leed te verduren, maar er bang voor gescheiden te raken repte je er met geen woord over en daardoor heb je Ons voor je gewonnen. (Vedabase)

 

Tekst 57

Toen Ik niet kwam opdagen nadat je een boodschapper had gestuurd met het hoogst vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon te krijgen, beschouwde je deze wereld als volkomen leeg en wilde je dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]. Moge je altijd zo [van die standvastigheid] zijn en mogen Wij ons daar steeds over verheugen.'

Toen, met de boodschapper heengezonden met het meest vertrouwelijke verzoek om Mijn persoon, Ik op Mij liet wachten, wilde jij, deze wereld als geheel leeg beziend, dit lichaam opgeven dat voor niemand anders bestemd zou zijn [zie 10.53: 22-25]; moge dat [die standvastigheid] in jou voorstaan met Ons verheugd in reactie daarop.' (Vedabase)

 

Tekst 58

S'rî S'uka zei: 'Aldus in intieme conversaties de weg van de menselijke wereld volgend, schiep de Allerhoogste Heer en Meester van het Universum er genoegen in Zich met Ramâ te vermaken.

S'rî S'uka zei: 'Op deze manier in echtelijke gesprekken de menselijke wereld nabootsend schiep de Allerhoogste Heer er behagen in Zichzelf met Ramâ te vermaken. (Vedabase)

 

Tekst 59

In de paleizen van de andere koninginnen gedroeg Hij, de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden, Zich dienovereenkomstig en vervulde Hij de plichten van een gezinshoofd.'

Zich dienovereenkomstig als een huishouder gedragend in de paleizen van de andere koninginnen, beantwoordde de Almachtige Heer en Geestelijk Leraar van Al de Werelden aan de verplichtingen van een gezinshoofd.'  (Vedabase)

 

*: Het Sanskriet woord hier gebruikt is setu: dat betekent brug, dam, grens, limiet, dus in deze context Zijn leiding, religie, regel en wet.

**: Gesproken door S'rî Parâs'ara in de Vishnu Purâna is er, zo brengt S'rîla S'rîdhara Svâmî ons in herinnering, een vers in bevestiging van dit vers:

devatve deva-deheyam
manushyatve ca mânushî
vishnor dehânurûpâm vai
karoty eshâtmanas tanum

"Als de Heer verschijnt als een halfgod, neemt zij [de godin van het geluk] de gedaante aan van een godin, en als Hij verschijnt als een menselijk wezen, neemt ze een menselijke gedaante aan. Op die manier is het lichaam dat ze aanneemt in overeenstemming met het lichaam aangenomen door Heer Vishnu."

 

 

 

 

 

 

 

    Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
Het schilderij op deze pagina is getiteld: "Radha and Krishna"
Made in Kishangarh, Rajasthan, India c. 1750.
Bron:
Philadelphia Museum of Art.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties