
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands
beschikbaar):
Lord
Krishna Teases Queen Rukminî.
Tekst
1:
De zoon van
Bâdarâyana [van Vyâsa] zei: 'Op een
dag comfortabel gezeten werd Hij, de geestelijk leraar van het
Universum, Zich op haar bed bevindend bediend door
Rukminî die Hem, de Echtgenoot, koelte toewuifde samen
met haar vrouwelijke metgezellen.
S'rî
Bâdarâyani said: Once, in the company of her
maidservants, Queen Rukminî was personally serving her
husband, the spiritual master of the universe, by fanning
Him as He relaxed on her bed.
Tekst
2:
Dit dan was
Zijn spel: dat Hij, als de Allerhoogste Beheerser die het
universum in het leven roept, beschermt en verzwelgt, waarlijk
was geboren om Zijn eigen heerschappij hoog te houden
[*]
als de Ongeboren Heer onder de Yadu's [zie ook
6.3:
19].
The
unborn Personality of Godhead, the supreme controller, who
creates, maintains and then devours this universe simply as
His play, took birth among the Yadus to preserve His own
laws.
Tekst
3-6:
In dat
privé-gedeelte van het paleis zo schitterend, behangen
met strengen parels en verrijkt met een baldakijn, met lampen
gemaakt van edelstenen, met jasmijnbloemenslingers met zoemende
bijen eromheen zwermend, met het licht van de zuivere maan
gefilterd door de openingen van het lattenwerk voor de ramen,
met de geur meegevoerd door de wind van de groepjes
pârijâta bomen die de atmosfeer overbrachten uit de
tuin en met de opwindende geur voortgebracht door de aguru die
ontsnapte uit de raamopeningen, o Koning, bediende ze haar
Echtgenoot, de Beheerser van Alle Werelden, comfortabel gezeten
op een prima kussen van het bed dat zo wit straalde als de
schuim van melk.
Queen
Rukminî's quarters were extremely beautiful, boasting
a canopy hung with brilliant strings of pearls, as well as
effulgent jewels serving as lamps. Garlands of jasmine and
other flowers hung here and there, attracting swarms of
humming bees, and the spotless rays of the moon shone
through the holes of the lattice windows. As aguru incense
drifted out of the window holes, my dear King, the breeze
wafting the scent of the pârijâta grove carried
the mood of a garden into the room. There the Queen served
her husband, the Supreme Lord of all the worlds, as He
reclined upon an opulent pillow on her bed, which was as
soft and white as the foam of milk.
Tekst
7:
Uit de hand van
een dienstmaagd een waaier van yak-haar aanpakkend met een met
juwelen ingelegd handvat wuifde de godin er in eerbetoon voor
haar Meester Hem er koelte mee toe.
From
her maidservant's hand Goddess Rukminî took a yak-hair
fan with a jeweled handle, and then she began to worship her
master by fanning Him.
Tekst
8:
Naast Krishna
met het gerucht van haar enkelbelletjes kwam ze prachtig naar
voren met haar ringen, armbanden en waaier in haar handen en
met haar kleding die met één uiteinde haar
borsten rood van de kunkum verhulde, de gloed van haar
halssnoer en de kostbare gordel die ze om haar heupen
droeg.
Her
hand adorned with rings, bangles and the câmara fan,
Queen Rukminî looked resplendent standing near Lord
Krishna. Her jeweled ankle-bells tinkled, and her necklace
glittered, reddened by the kunkuma from her breasts, which
were covered by the end of her sâri. On her hips she
wore a priceless belt.
Tekst
9:
Bij de aanblik
van haar verschijning als de godin van het geluk met geen ander
doel, zij die verheugd en lachend met haar lokken, oorhangers
en juwelen om haar hals en haar heldere gelukkige gezicht,
terwille van Zijn spel en vermaak overeenstemt in lichamen
overeenkomstig Zijn aannemen van gestalten
[**],
liet de Heer een zoete glimlach zien en sprak Hij.
As
He contemplated her, the goddess of fortune herself, who
desires only Him, Lord Krishna smiled. The Lord assumes
various forms to enact His pastimes, and He was pleased that
the form the goddess of fortune had assumed was just
suitable for her to serve as His consort. Her charming face
was adorned with curling hair, earrings, a locket on her
neck, and the nectar of her bright, happy smile. The Lord
then spoke to Her as follows.
Tekst
10:
De Allerhoogste
Heer zei; 'O prinses, je werd begeerd door koningen,
wereldheersers van schoonheid, kracht en vrijgevigheid die
rijkelijk toegerust waren met grote macht, invloed en
weelde.
The
Supreme Lord said: My dear princess, you were sought after
by many kings as powerful as the rulers of planets. They
were all abundantly endowed with political influence,
wealth, beauty, generosity and physical strength.
Tekst
11:
Met voor handen
vrijers zoals S'is'upâla en anderen die gek van Cupido
door je broer en vader werden aangereikt, vraag Ik Me af waarom
je voor Ons hebt gekozen terwijl Ik zo heel verschillend ben.
Since
your brother and father offered you to them, why did you
reject the King of Cedi and all those other suitors, who
stood before you, maddened by Cupid? Why, instead, did you
choose Us, who are not at all your equal?
Tekst
12:
Bang van de
koningen, o mooie wenkbrauwtjes, en vertrokken naar de oceaan
als toevlucht [naar Dvârakâ], hebben Wij,
in vijandschap met degenen die aan de macht zijn, praktisch de
koningstroon eraan gegeven.
Terrified
of these kings, O lovely-browed one, We took shelter in the
ocean. We have become enemies of powerful men, and We
practically abandoned Our royal throne.
Tekst
13:
O fraaie
wenkbrauwtjes, vrouwen hebben het gewoonlijk zwaar die omzien
naar mannen wiens gedrag onzeker is in het volgen van een pad
dat niet aanvaardbaar is voor de normale
samenleving.
O
fine-browed lady, women are usually destined to suffer when
they stay with men whose behavior is uncertain and who
pursue a path not approved by society.
Tekst
14:
Wij, zonder ook
maar iets in Ons bezit, die altijd zeer geliefd zijn bij hen
die ook niets hebben, zijn daarom in de regel inderdaad niet zo
geliefd bij de rijken, ze bewijzen Me zelden de eer, o slanke
vrouwe.
We
have no material possessions, and We are dear to those who
similarly have nothing. Therefore, O slender one, the
wealthy hardly ever worship Me.
Tekst
15:
Huwelijk en
vriendschap is er tussen twee mensen die gelijk zijn qua bezit,
geboorte, invloed, lichaam en vooruitzichten en nooit en te
nimmer tussen een hogere en een lagere [in
dezen]!
Marriage
and friendship are proper between two people who are equal
in terms of their wealth, birth, influence, physical
appearance and capacity for good progeny, but never between
a superior and an inferior.
Tekst
16:
O prinses van
Vidarbha, van dit, niet in staat in de toekomst te kijken, had
je geen weet, toen je koos voor Ons zo verstoken van goede
kwaliteiten Die wordt geprezen door bedelaars die hun verstand
kwijt zijn!
O
Vaidarbhî, not being farsighted, you didn't realize
this, and therefore you chose Us as your husband, even
though We have no good qualities and are glorified only by
deluded beggars.
Tekst
17
Aanvaard nu
alsjeblieft voor jezelf een echtgenoot die inderdaad geschikt
is, een eersteklas edelman met wie je al je wensen in dit en
het volgende leven in vervulling kan zien gaan.
Now
you should definitely accept a more suitable husband, a
first-class man of the royal order who can help you achieve
everything you want, both in this life and the next.
Tekst
18
S'is'upâla,
S'âlva, Jarâsandha, Dantavakra en andere koningen
kunnen Me geen van allen lijden, o mooie dijen, en zo ook je
oudere broer Rukmî niet.
Kings
like S'is'upâla, S'âlva, Jarâsandha and
Dantavakra all hate Me, O beautiful-thighed one, and so does
your elder brother Rukmî.
Tekst
19
Om van hen,
verblind door de bedwelming van hun macht, de trots en hoogmoed
te verdrijven werd je door Mij in een huwelijk aanvaard, o
goedgeaarde; We deden dat om de macht weg te nemen van de
slechtgeaarden [zie ook B.G.
4: 7].
It
was to dispel the arrogance of these kings that I carried
you away, My good woman, for they were blinded by the
intoxication of power. My purpose was to curb the strength
of the wicked.
Tekst
20
Wij
onverschillig over een thuis en een lichaam talen werkelijk
niet naar echtgenotes, kinderen en rijkdommen; Wij houden Ons
volledig tevreden in Onszelf op zoals licht dat doet niet
betrokken bij welke actie ook.'
We
care nothing for wives, children and wealth. Always
satisfied within Ourselves, We do not work for body and
home, but like a light, We merely witness.
Tekst
21
S'rî
S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, zoveel gezegd hebbende als de
vernietiger van de trots van haar die als Zijn geliefde zich
onafscheidelijk achtte, stopte toen.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Rukminî had thought herself
especially beloved by the Lord because He never left her
company. By saying these things to her He vanquished her
pride, and then He stopped speaking.
Tekst
22
Van de Meester
van de Heren der Drie Werelden, haar eigen Geliefde, had zij,
de godin, nog nooit zo iets onaangenaams te horen gekregen, en
met de schrik die haar toen om het hart sloeg begon ze,
trillend gegrepen door een verschrikkelijke angst, te huilen
[zie
s'ikshâshthaka vers 6
&7].
Goddess
Rukminî had never before heard such unpleasantries
from her beloved, the Lord of universal rulers, and she
became frightened. A tremor arose in her heart, and in
terrible anxiety she began to cry.
Tekst
23
Met haar o zo
tere voet, rood opgloeiend van haar nagels, over de vloer
schrapend, en met haar tranen de make-up van haar ogen doen
uitlopend en het rode kunkumapoeder op haar borsten
natsprenkelend, stond ze daar roerloos, met het gezicht naar
beneden, verstikt in haar extreme verdriet niet in staat ook
maar iets te zeggen.
With
her tender foot, effulgent with the reddish glow of her
nails, she scratched the ground, and tears darkened by her
eye makeup sprinkled her kunkuma-reddened breasts. There she
stood, face downward, her voice choked up by extreme
sorrow.
Tekst
24
Van haar grote
treurnis, vrees en benauwdheid niet langer helder denkend,
gleden haar armbanden en haar waaier haar uit handen en viel
haar lichaam, met haar geest ontsteld het bezwijmend, plots op
de grond met haar haar wijd uitgespreid, als was ze een plataan
geveld door de wind [zie rasa].
Rukminî's
mind was overwhelmed with unhappiness, fear and grief. Her
bangles slipped from her hand, and her fan fell to the
ground. In her bewilderment she suddenly fainted, her hair
scattering all about as her body fell to the ground like a
plantain tree blown over by the wind.
Tekst
25
Ziend wat, niet
begrepen zijnde, het volle gewicht van Zijn grappenmakerij
inhield voor de band van goddelijke liefde van Zijn geliefde,
kreeg de Allerhoogste Heer, de genadige Krishna, medelijden met
haar.
Seeing
that His beloved was so bound to Him in love that she could
not understand the full meaning of His teasing, merciful
Lord Krishna felt compassion for her.
Tekst
26
Van het bed
afkomend tilde Hij, met vier armen, haar snel op en wiste Hij,
haar haar bijeen zamelend, haar gezicht schoon met Zijn
lotushand.
The
Lord quickly got down from the bed. Manifesting four arms,
He picked her up, gathered her hair and caressed her face
with His lotus hand.
Tekst
27-28
Haar met tranen
gevulde ogen en borsten besmeurd door haar tranen afvegend,
sloeg Hij, o Koning, Zijn arm om haar heen die kuis als ze was
geen ander voorwerp van verlangen kende. De Meester, de Expert
in Het Tot Vrede Bewegen, troostte vol van medeleven haar die,
zo zielig met haar geest in de war door Zijn slimme
grappenmakerij, dit niet verdiend had met het Doel van Degenen
die Zuiver Zijn.
Wiping
her tear-filled eyes and her breasts, which were stained by
tears of grief, the Supreme Lord, the goal of His devotees,
embraced His chaste wife, who desired nothing but Him, O
King. Expert in the art of pacification, S'rî Krishna
tenderly consoled pitiable Rukminî, whose mind was
bewildered by His clever joking and who did not deserve to
suffer so.
Tekst
29
De Opperheer
zei: 'O Vaidarbhî, wees niet ongelukkig met Me, Ik weet
dat je Me volledig toegewijd bent, Mijn liefste, Ik deed het
voor de grap om te horen wat je zou zeggen.
The
Supreme Lord said: O Vaidarbhî, do not be displeased
with Me. I know that you are fully devoted to Me. I only
spoke in jest, dear lady, because I wanted to hear what you
would say.
Tekst
30
Zo wilde Ik het
gezicht van de liefde zien met lippen trillend van de emotie,
blikken geworpen uit de hoeken van rood doorlopen ogen en
prachtige wenkbrauwen bijeen geknepen.
I
also wanted to see your face with lips trembling in loving
anger, the reddish corners of your eyes throwing sidelong
glances and the line of your beautiful eyebrows knit in a
frown.
Tekst
31
Voor een gewone
huishouder is het grappen maken met degene van wie hij houdt
werkelijk het hoogste dat hij kan bereiken in het gezinsleven,
o verlegen meisje van temperament.'
The
greatest pleasure worldly householders can enjoy at home is
to spend time joking with their beloved wives, My dear timid
and temperamental one.
Tekst
32
S'rî
S'uka zei: 'Zij, Vaidarbhî, o Koning, die aldus geheel
gerustgesteld door de Allerhoogste Heer begreep dat Zijn
woorden als grap bedoeld waren, gaf haar angst op te zijn
afgewezen door haar Geliefde.
S'ukadeva
Gosvâmî said: O King, Queen Vaidarbhî was
fully pacified by the Supreme Personality of Godhead and
understood that His words had been spoken in jest. Thus she
gave up her fear that her beloved would reject her.
Tekst
33
Bedeesd met een
charmante glimlach de Opperheer in het gelaat ziend richtte ze
zich, o afstammeling van Bharata, met liefdevolle blikken tot
de Beste van Alle Mannen.
Smiling
bashfully as she cast charming, affectionate glances upon
the face of the Lord, the best of males, Rukminî spoke
the following, O descendant of Bharata.
Tekst
34
S'rî
Rukminî zei: 'Goed zo zij het dan met dat wat Je gezegd
hebt o Lotusogige; waar ben ik, ongelijk aan de Allerhoogste
Heer, nu vergeleken met de Almachtige die behagen schept in
Zijn eigen heerlijkheid, met de Beheerser, de Opperheer van de
Drie [belangrijkste godheden] - waar zou ik zelf nu
staan aan wiens voeten vanwege haar materiële kwaliteiten
de dwazen zich vastklampen?
S'rî
Rukminî said: Actually, what You have said is true, O
lotus-eyed one. I am indeed unsuitable for the almighty
Personality of Godhead. What comparison is there between
that Supreme Lord, who is master of the three primal deities
and who delights in His own glory, and myself, a woman of
mundane qualities whose feet are grasped by fools?
Tekst
35
Het is waar,
Jij, o Urukrama [Heer van de Grotere Orde], vleide Je,
alsof Je de geaardheden zou vrezen, neer in de oceaan, altijd
in het zuivere bewustzijn van de Opperziel strijdend tegen de
slechtheid van de materiële zinnen en hebt, net als Je
dienaren, de positie van een koning afgewezen als zijnde blinde
onwetendheid [zie ook Sadgosvâmy
Âshthaka vers vier
en de s'ikshâshthaka
vers 4].
Yes,
my Lord Urukrama, You lay down within the ocean as if afraid
of the material modes, and thus in pure consciousness You
appear within the heart as the Supersoul. You are always
battling against the foolish material senses, and indeed
even Your servants reject the privilege of royal dominion,
which leads to the blindness of ignorance.
Tekst
36
Voor wijzen die
de honing waarderen van Je lotusgelijke voeten is Jouw pad, dat
voor dieren in een menselijke gedaante voorzeker moeilijk te
doorgronden is, niet zo duidelijk want - [zo mag men zich
afvragen] - zijn zij, zich bovenwerelds voordoend met
aktiviteiten voor de Allerhoogste Beheerser [van de
Tijd], o Almachtige, Jou [als een persoon] nu aan
het volgen?
Your
movements, inscrutable even for sages who relish the honey
of Your lotus feet, are certainly incomprehensible for human
beings who behave like animals. And just as Your activities
are transcendental, O all-powerful Lord, so too are those of
Your followers.
Tekst
37
Jij inderdaad
kent geen bezittingen, Jij voorbij Wie er niets te vinden is en
Die zelfs van de genieters van de eerbewijzen met Brahmâ
voorop de eer krijgt bewezen; personen lichamelijk voldaan,
verblind door hun status, kennen Je niet als hun dood, maar
voor de grote genieters ben Je de meest geliefde zoals zij dat
precies zo ook voor Jou zijn [zie ook 1.7:
10]
You
possess nothing because there is nothing beyond You. Even
the great enjoyers of tribute - Brahmâ and other
demigods - pay tribute to You. Those who are blinded by
their wealth and absorbed in gratifying their senses do not
recognize You in the form of death. But to the gods, the
enjoyers of tribute, You are the most dear, as they are to
You.
Tekst
38
Jij bent
waarlijk het uiteindelijke doel dat alle doelen van het
menselijk bestaan omvat, Jij bent het eigenlijke Zelf waarnaar
verlangend intelligente personen van alles afzien; Jouw omgang,
o Almachtige, leent zich voor hen en niet voor een man en vrouw
die in de lust gelukkig en ongelukkig zijn.
You
are the embodiment of all human goals and are Yourself the
final aim of life. Desiring to attain You, O all-powerful
Lord, intelligent persons abandon everything else. It is
they who are worthy of Your association, not men and women
absorbed in the pleasure and grief resulting from their
mutual lust.
Tekst
39
Jij, de
Opperziel van Al de Werelden die Zichzelf wegschenkt en over
Wiens kunnen de wijzen spreken die de staf opgaven [van het
rondtrekken, Paramahamsa's wordend, zie 5.1*],
bent aldus door mij uitverkozen in afwijzing van die meesters
van de hemel, geboren op de lotus [Brahmâ] en het
bestaan beheersend [S'iva], wiens ambities teniet zijn
gedaan door de kracht van de Tijd voortgebracht door Je
wenkbrauwen. Wat [dan zou ik, Jou hebbend, moeten] met
anderen?
Knowing
that great sages who have renounced the
sannyâsî's danda proclaim Your glories, that You
are the Supreme Soul of all the worlds, and that You are so
gracious that You give away even Your own self, I chose You
as my husband, rejecting Lord Brahmâ, Lord S'iva and
the rulers of heaven, whose aspirations are all frustrated
by the force of time, which is born from Your eyebrows. What
interest, then, could I have in any other suitors?
Tekst
40
Dwaas die
woorden van Je dat Jij in de oceaan uit angst Je toevlucht zou
zoeken, o Gadâgraja,
Jij die door het schieten met Je S'ârnga de koningen op
de terugtocht dwong met het weghalen van mij, de voor Jou
bestemde huldeblijk, zoals een leeuw zijn deel wegsnaait bij de
dieren [zie ook jalpa 10.47:
12-21].
My
Lord, as a lion drives away lesser animals to claim his
proper tribute, You drove off the assembled kings with the
resounding twang of Your S'ârnga bow and then claimed
me, Your fair share. Thus it is sheer foolishness, my dear
Gadâgraja, for You to say You took shelter in the
ocean out of fear of those kings.
Tekst
41
Uit behoefte
aan Jou zijn de koningen Anga [vader van Vena,
4.13:
47],
Vainya [Prithu, 4.23],
Jâyanta [Bharata, 6.7:
11],
Nâhusha [Yayâtî, 9.19],
Gaya [15.15:
6-7] en
anderen afstand doend van hun kroon, hun soevereine macht over
hun koninkrijken, het bos ingegaan, o Lotus-ogige; hoe konden
zij, geconcentreerd op Jouw pad in deze wereld, nu angstig
beven?
Wanting
Your association, the best of kings - Anga, Vainya,
Jâyanta, Nâhusha, Gaya and others - abandoned
their absolute sovereignty and entered the forest to seek
You out. How could those kings suffer frustration in this
world, O lotus-eyed one?
Tekst
42
Welke vrouw zou
haar toevlucht tot een andere man nemen, die eenmaal het door
de wijzen beschreven aroma opgesnoven heeft van Jouw
lotusvoeten waar Lakshmî zich ophoudt en die alle mensen
de bevrijding brengen; welke sterfelijke dame met het inzicht
om uit te maken wat het beste voor haar is, zou geen ernst
maken met Jou als de Hemel van Alle Kwaliteiten, en iemand
willen die steeds in grote angst verkeert [door zijn valse
ego]?
The
aroma of Your lotus feet, which is glorified by great
saints, awards people liberation and is the abode of Goddess
Lakshmî. What woman would take shelter of any other
man after savoring that aroma? Since You are the abode of
transcendental qualities, what mortal woman with the insight
to distinguish her own true interest would disregard that
fragrance and depend instead on someone who is always
subject to terrible fear?
Tekst
43
Voor Hem,
Jijzelf, als de Uiteindelijke Meester en Superziel van Alle
Werelden heb ik gekozen om onze wensen in vervulling te doen
gaan in dit leven en het volgende [zie laatste
vers s'ikshâshthaka];
moge er voor mij die ronddoolde op verschillende wegen er de
toevlucht zijn van Jouw voeten welke, inderdaad op hun
aanbidder afstappend, lonen met de bevrijding van het
onware.
Because
You are suitable for me, I have chosen You, the master and
Supreme Soul of all the worlds, who fulfill our desires in
this life and the next. May Your feet, which give freedom
from illusion by approaching their worshiper, give shelter
to me, who have been wandering from one material situation
to another.
Tekst
44
Laat de
koningen waar Je het over had, o Acyuta, over aan die vrouwen
bij wie ze in huis zijn als ezels, ossen, honden, katten en
slaven en wiens oren nimmer in de buurt kwamen van de kern die
Jij als de plaag van Je vijanden bent; Jij die bezongen wordt
in de hooggeleerde samenkomsten van Mrida ['de genadige'
ofwel S'iva] en Viriñca [de 'zuivere voorbij de
hartstocht' ofwel Brahmâ].
O
infallible Krishna, let each of the kings You named become
the husband of a woman whose ears have never heard Your
glories, which are sung in the assemblies of S'iva and
Brahmâ. After all, in the households of such women
these kings live like asses, oxen, dogs, cats and
slaves.
Tekst
45
De vrouw die
niet de honing ruikt van Jouw lotusvoeten houdt er een totaal
verbijsterd idee op na; zij aanbidt als haar partner een levend
lijk overdekt door een huid, snorharen, lichaamsbeharing,
nagels en hoofdhaar met van binnen vlees, botten, bloed,
wormen, ontlasting, slijm, gal en lucht.
A
woman who fails to relish the fragrance of the honey of Your
lotus feet becomes totally befooled, and thus she accepts as
her husband or lover a living corpse covered with skin,
whiskers, nails, head-hair and body-hair and filled with
flesh, bones, blood, parasites, feces, mucus, bile and
air.
Tekst
46
Laat er, o
Lotusoog, mijn niet aflatende aantrekking zijn tot de voeten
van Jou die meer behagen schept in het Ware Zelf dan in mij,
Jij die voor de toename van dit universum in hartstocht de vorm
van een overvloed aanneemt en met Je blik daarin mij
aanschouwend ons inderdaad de grootste genade toont [zie
ook 10.53:
2].
O
lotus-eyed one, though You are satisfied within Yourself and
thus rarely turn Your attention toward me, please bless me
with steady love for Your feet. It is when You assume a
predominance of passion in order to manifest the universe
that You glance upon me, showing me what is indeed Your
greatest mercy.
Tekst
47
Ik beschouw Je
woorden in feite niet als vals, o Doder van Madhu, het is zeker
vaak zo dat bij een meisje [zoals ik met de koningen]
zich de aantrekking opwerpt zoals ook bij Ambâ
[dochter van de koning van Kas'i aangetrokken tot S'alva,
zie Mahâbhârata en noot 9.22:
20*].
Actually,
I don't consider Your words false, Madhûsudana. Quite
often an unmarried girl is attracted to a man, as in the
case of Ambâ.
Tekst
48
Een promiscue
vrouw is zelfs getrouwd aangetrokken tot telkens weer een
nieuwe man; als men intelligent is behoort men
[zoals Jij misschien] niet
aan een ontrouwe vrouw vast te houden daar met het houden van
haar men beiderzijds [in dit leven enerzijds en het
volgende leven anderzijds] ten val is gekomen [zie ook
9.14:
36].'
The
mind of a promiscuous woman always hankers for new lovers,
even if she is married. An intelligent man should not keep
such an unchaste wife, for if he does he will lose his good
fortune both in this life and the next.
Tekst
49
De Allerhoogste
Heer zei: 'Al wat je antwoordde is inderdaad juist; wat Ik heb
gezegd je voor de gek houdend, o prinses, deed Ik vanuit de
behoefte jou hierover te horen, o heilige dame!
The
Supreme Lord said: O saintly lady, O princess, We deceived
you only because We wanted to hear you speak like this.
Indeed, everything you said in reply to My words is most
certainly true.
Tekst
50
O
rechtschapene, welke zegeningen die je ook verlangt om van de
lust bevrijd te zijn, o goedgunstige, zullen er altijd zijn
voor jou die werkelijk uitsluitend Mij toegewijd
bent.
Whatever
benedictions you hope for in order to become free of
material desires are ever yours, O fair and noble lady, for
you are My unalloyed devotee.
Tekst
51
O zondeloze, Ik
heb je zuivere liefde gezien en je in geloften zien vasthouden
aan de echtgenoot; voor zover woorden je van streek konden
brengen, kon je geest in gehechtheid aan Mij, niet worden
afgeleid.
O
sinless one, I have now seen firsthand the pure love and
chaste attachment you have for your husband. Even though
shaken by My words, your mind could not be pulled away from
Me.
Tekst
52
Zij die vallen
voor burgerlijke status en Mij aanbidden met boetedoeningen en
het naleven van geloften, zijn, lustig van aard, verbijsterd
door de begoochelende energie van Mij, de Beheerser van de
Uiteindelijke Gelukzaligheid.
Although
I have the power to award spiritual liberation, lusty
persons worship Me with penance and vows in order to get My
blessings for their mundane family life. Such persons are
bewildered by My illusory energy.
Tekst
53
O reservoir van
liefde, voor hen die met het verkrijgen van Mij, de Schat der
Emancipatie, minder gelukkig van Mij, de Meester erover, alleen
materiële schatten verlangen die er zelfs zijn voor
personen die in de hel verkeren, is het, omdat ze bezeten zijn
van de zinsbevrediging, [dan ook] de hel die ze het
beste past [zie ook 3.32,
en 7.5:
32].
O
supreme reservoir of love, unfortunate are they who even
after obtaining Me, the Lord of both liberation and material
riches, hanker only for material treasures. These worldly
gains can be found even in hell. Since such persons are
obsessed with sense gratification, hell is a fitting place
for them.
Tekst
54
Gelukkig, o
vrouwe van het huis, was je de constante trouwe dienst aan Mij
aan het leveren die de bevrijding schenkt uit een materieel
bestaan, de dienst die zeer moeilijk op te brengen is in het
bijzonder voor gevaarlijke vrouwen met kwade bedoelingen, die
zich enkel bekommeren om hun eigen levensadem en zich
vergenoegen in het verbreken [van
relaties].
Fortunately,
O mistress of the house, you have always rendered Me
faithful devotional service, which liberates one from
material existence. This service is very difficult for the
envious to perform, especially for a woman whose intentions
are wicked, who lives only to gratify her bodily demands,
and who indulges in duplicity.
Tekst
55
In mijn
paleizen kan Ik geen vrouw vinden zo liefdevol als jij, o
respectvolle; Jij die ten tijde van haar eigen huwelijk afzag
van de koningen die waren gearriveerd; jij door wie, met het je
ter ore komen van de ware stand van zaken, een brahmaanse
boodschapper naar Mij werd gestuurd met een vertrouwelijk
bericht.
In
all My palaces I can find no other wife as loving as you, O
most respectful one. When you were to be married, you
disregarded all the kings who had assembled to seek your
hand, and simply because you had heard authentic accounts
concerning Me, you sent a brâhmana to Me with your
confidential message.
Tekst
56
Toen je broer
verslagen in de strijd werd toegetakeld
[10.54]
en op de dag aangewezen voor de huwelijksplechtigheid [van
Aniruddha, haar oudste zoon, zie volgende hoofdstuk] werd
gedood tijdens een gokspelletje, kreeg je vanwege Ons een
ondraaglijk leed te verduren, maar er bang voor gescheiden te
raken repte je er met geen woord over en daardoor heb je Ons
voor je gewonnen.
When
your brother, who had been defeated in battle and then
disfigured, was later killed during a gambling match on
Aniruddha's wedding day, you felt unbearable grief, yet out
of fear of losing Me you spoke not a word. By this silence
you have conquered Me.
Tekst
57
Toen, met de
boodschapper heengezonden met het meest vertrouwelijke verzoek
om Mijn persoon, Ik op Mij liet wachten, wilde jij, deze wereld
als geheel leeg beziend, dit lichaam opgeven dat voor niemand
anders bestemd zou zijn [zie 10.53:
22-25];
moge dat [die standvastigheid] in jou voorstaan met Ons
verheugd in reactie daarop.'
When
you sent the messenger with your most confidential plan and
yet I delayed going to you, you began to see the whole world
as void and wanted to quit your body, which could never have
been given to anyone but Me. May this greatness of yours
remain with you always; I can do nothing to reciprocate
except joyfully thank you for your devotion.
Tekst
58
S'rî
S'uka zei: 'Op deze manier in echtelijke gesprekken de
menselijke wereld nabootsend schiep de Allerhoogste Heer er
behagen in Zichzelf met Ramâ
te vermaken.
S'ukadeva
Gosvâmî said: And so the self-satisfied Supreme
Lord of the universe enjoyed with the goddess of fortune,
engaging her in lovers' talks and thus imitating the ways of
human society.
Tekst
59
Zich
dienovereenkomstig als een huishouder gedragend in de paleizen
van de andere koninginnen, beantwoordde de Almachtige Heer en
Geestelijk Leraar van Al de Werelden aan de verplichtingen van
een gezinshoofd.'
The
almighty Lord Hari, preceptor of all the worlds, similarly
behaved like a conventional householder in the palaces of
His other queens, performing the religious duties of a
family man.
*
Het Sanskriet woord hier gebruikt is setu: dat betekent brug,
dam, grens, limiet, dus in deze context Zijn leiding, religie,
regel en wet.
**
Gesproken door S'rî Parâs'ara in de Vishnu
Purâna is er, zo brengt S'rîla S'rîdhara
Svâmî ons in herinnering, een vers in bevestiging
van dit vers:
devatve
deva-deheyam
manushyatve ca mânushî
vishnor dehânurûpâm vai
karoty eshâtmanas tanum
"Als
de Heer verschijnt als een halfgod, neemt zij [de godin van
het geluk] de gedaante aan van een godin, en als Hij
verschijnt als een menselijk wezen, neemt ze een menselijke
gedaante aan. Op die manier is het lichaam dat ze aanneemt in
overeenstemming met het lichaam aangenomen door Heer
Vishnu."
