
Canto
6
Hoofdstuk 2: Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam
(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'O Koning, toen de dienaren van de Allerhoogste Heer hadden vernomen wat de Yamadûta's zeiden gaven ze hen, goed als ze waren in argumenteren en de logica, antwoord in gepaste termen. (2) De Vishnudûta's zeiden: 'Helaas, hoe pijnlijk is het om te zien hoe goddeloosheid de dharmische gemeenschap aantast; hoe door hen, die de taak is toegewezen, zondeloze mensen niet noodzakelijk straf moeten ondergaan. (3) Tot de toevlucht van wie moeten de burgers zich keren als het verkeerde gedaan wordt door hen die, als de beschermers der bevolking, toegerust met alle goede kwaliteiten en allen gelijkgezind, aanwijzingen behoren te geven? (4) Wat de betere man ook in de praktijk brengt, wordt door de rest gedaan daar wat hij ook doet, door de mensen in het algemeen die van navolging zijn, wordt aanvaard als het juiste [zie ook B.G. 3: 21]. (5-6) De grote massa die werkelijk niet weet wat nu precies dharma of adharma zou zijn, heeft zijn hoofd gelegd in de schoot van de betere om in vrede te rusten. Hoe kan een dergelijke persoon, die met een welwillend hart het vertrouwen geniet van de levende wezens, de onbewusten nu pijn bezorgen die zich overgaven in goed vertrouwen en in vriendschap? (7) Hij hier heeft inderdaad reeds afgedaan met de zonden van miljoenen geboorten omdat hij, hulpeloos, van de Heer de naam uitsprak, die het middel van de bevrijding vormt. (8) Toen hij 'O Nârâyana, kom alsjeblieft' zei realiseerde hij, omdat hij aldus de vier lettergrepen [nâ-râ-ya-na] uitsprak, het volledige afdoen van alle ondeugd die hij als zondaar op z'n geweten had. (9-10) Ongeacht de ernst van de zonde die men begaan heeft als een dief, een alcoholist, als iemand van minachting, iemand die een brahmaan ter dood bracht, iemand die de vrouw van zijn goeroe begeerde of als iemand die een vrouw, een koning, koeien of zijn vader van het leven beroofde, zal Vishnu Zijn aandacht schenken aan een ieder die van een dergelijk respect voor Zijn naam is, omdat Hij het zingen van de heilige naam als de perfectie van het afdoen beschouwt. (*) (11) Een zondig man is niet in die mate gezuiverd door het afdoen in de gehoorzaamheid van geloften voorgeschreven door het brahmaanse als hij is met het uiten van de lettergrepen van de Heer Zijn naam die iemand zich de kwaliteiten van Hem die in de geschriften wordt geprezen helpt herinneren [vergelijk: 6.1: 16]. (12) Alhoewel men van afdoen was, zal de geest zich opnieuw uitputten op de weg van het onware, omdat het hart niet volledig gezuiverd was geraakt; derhalve zuiveren zij die oprecht geïnteresseerd zijn een einde te maken aan hun karma [zie B.G. 4: 16], hun bestaan door hun monden te zetten naar de heerlijkheid van de Heer [vergelijk: 1.2: 17]. (13) Probeer hem daarom niet met jullie mee te voeren; hij heeft reeds het oneindige gevonden voor het afrekenen met zijn zonden omdat hij op zijn doodsbed de naam van de Allerhoogste Heer uitsprak [zie ook B.G. 7: 27 en 8: 5]. (14) Met andere bedoelingen, voor de lol, bij wijze van vermaak of terloops gedaan heeft laten klinken van de naam [van de Heer] van Vaikunthha, een onbeperkt vermogen om de zonde te neutraliseren, zo weten de gevorderden. (15) Als men ten val kwam, uitgleed, zijn botten brak, werd gebeten of geplaagd werd door ziekte of gewond raakte, is een persoon, aldus verzeild in relatie tot de Heer, er zeker van niet tot een hels leven te worden veroordeeld [zie ook B.G. 8: 6]. (16) Door de heiligen die goed op de hoogte zijn is het zware en lichte van het afdoen voorgeschreven voor het zware en lichte van de zonden. (17) Maar al het zondige dat volgens hen zijn einde vindt in verzaking, liefdadigheid, geloften en dergelijke, ontwart niet de knoop van adharma in het hart; dàt bereikt men in dienst aan wat de Beheerser toebehoort. (18) Dat wat, zoals vuur dat doet met droog gras, de zonden van een persoon tot as verbrand, is het bewust of onbewust uitspreken van de heilige namen van Hem die in de geschriften wordt geprezen. (19) Een uitgesproken mantra manifesteert zijn vermogen precies zoals een krachtig medicijn dat doet als het op deze of gene manier zelfs door een onwetende persoon op de juiste manier werd ingenomen.'
(20) S'rî S'uka zei: 'Zij, volmaakt duidelijk makend wat dharma is in de zin van dienstbaarheid aan de Heer, o Koning, redden, hem van de dood verlossend, hem aldus van de strop van Yamarâja. (21) O onderwerper der vijanden, de Yamadûta's aldus van repliek gediend gingen naar het verblijf van Yamarâja om hem de verschuldigde verantwoording af te leggen waarbij ze tot in detail informatie verschaften over alles wat zich had voorgedaan. (22) De tweemaal geborene bevrijd van de strop, nu vrij van angst, kwam bij zinnen en betoonde zijn respect door het hoofd te buigen voor de dienaren van Vishnu, blij als hij was ze te zien. (23) De dienaren van de Hoogste Persoonlijkheid echter die begrepen, o zondeloze, dat hij iets wilde zeggen, verdwenen onder zijn ogen plots vandaar. (24-25) Ajâmila die vanwege de gesprekken over Heer Hari aldus van de dienaren van Vishnu en Yamarâja beter op de hoogte was geraakt van wat het zuivere van dharma inhoudt in relatie tot de Heer, hoe het beschreven wordt in de Veda's en hoe onder de geaardheden der natuur in toewijding voor de Allerhoogste Heer de verheerlijking van de naam onmiddellijk zuivert, had grote spijt van al het slechte wat hij zich herinnerde gedaan te hebben: (26) 'Helaas, omdat ik de beheersing over mezelf verloor met deze vrouw van laag allooi kinderen verwekkend, vernietigde ik al het brahmaanse in me en eindigde ik in de opperste misère. (27) Hij wordt veroordeeld door de oprechten die zijn kuise jonge vrouw in de steek liet en, vervallen in zonde, zijn familie te schande maakte; verdoemd ben ik, ik, die seks had met een onkuise wijndrinkende meid. (28) Mijn vader en moeder, oud, met niemand anders, met geen andere vriend om voor ze te zorgen, hadden zwaar te lijden vanaf het ogenblik dat ze door mij, ondankbaar als de laagste, in de steek werden gelaten. (29) Het moge duidelijk zijn dat ik als zodanig, een waarlijk miserabele persoon die al te lustig brak met het dharma, in de hel behoor te belanden om aldaar de pijn der vergelding te ondergaan. (30) Heb ik het gedroomd of ben ik getuige van een wonder hier? Waar zijn zij allen nu gebleven die me met touwen in hun handen aan het wegslepen waren? (31) En waar zijn die volmaakte persoonlijkheden van uitzonderlijke schoonheid naar toe die me bevrijdden toen ik in de richting van de hel werd meegevoerd opgebracht in touwen? (32) Het was vanwege de aanblik van deze verheven toegewijden, dankzij wie het goedgunstige zich wel moest voltrekken, dat ik, ondanks mijn kwade lot, mezelf werkelijk gelukkig kon zien worden! (33) Hoe zou het ook zonder kunnen dat een man die de dood tegemoet treedt, alleronreinst als een getrouwe van een prostituée, in die hoedanigheid in staat is zijn tong het woord van de heilige naam van de Heer van Vaikunthha te laten spreken? (34) Waar blijf ik nou als een bedrieger, zondaar in eigen persoon en schaamteloze vernietiger van zijn eigen cultuur; waar zou Nârâyana, de al-gunstige van de heilige naam van de Allerhoogste Heer dan zijn? (35) Als zo'n toegewijde zal ik op die manier mijn weg vervolgen, zodat met het beheersen van de zinnen, de geest en de adem, mijn ziel niet nogmaals door onwetendheid in de duisternis zal worden getrokken. (36-37) Bevrijd van deze gebondenheid in karmische acties van onwetendheid en lust zal ik de zelfgerealiseerde, alleraardigste, genadige en vredige vriend zijn van alle levende wezens. Ik zal me losmaken van de kluister van mijn ziel, de gevangenschap in mâyâ in de vorm van een vrouw, welke voorzeker, zo gevallen, met mij speelde alsof ik een huisdier was. (38) Het aldus opgevend met het 'ik' en 'mijn' van het lichaam en de zaken die ermee verband houden, zal ik mijn geest, me concentrerend en me gedragend volgens de regels, bezig houden met het zuivere van de Allerhoogste Heer Zijn naam in gezang en met alles wat erbij hoort.'
(39) Aldus gaf hij het idee op van een materieel leven en ging hij naar Hardvar [van de Ganges 'de poort naar Hari'] bevrijd zijnde van alle gebondenheid door enkel maar voor een ogenblik omgang te hebben met het heilige.(40) Aldaar op een plek van geestelijke discipline [een ashram of tempel] fixeerde hij met de yoga als leidraad zich [aldus] inwaarts afkerend van zijn zintuigen, zijn geest op het ware van het zelf. (41) Daartoe innerlijk verzonken, de geest losmakend van de sturing der geaardheden, hield hij zich bezig met de Superziel als de gedaante van de Heer wiens Zelf stap voor stap gerealiseerd wordt. (42) Zo gauw hij zijn geest en intelligentie vastgelegd had, kreeg hij de [vier goddelijke] personen voor zich te zien die hij voorheen had gezien, waarop de brahmaan toen zijn hoofd eerbiedig voorover boog. (43) Hen op die heilige plaats aan de Ganges ziend, gaf hij direct zijn voertuig van de tijd op, om zijn oorspronkelijke geestelijke gedaante [svarûpa] aan te nemen geschikt voor hem als metgezel van de Heer. (44) Op weg naar de hemel waar de echtgenoot van de Geluksgodin [Vishnu] verblijft, klom de man van kennis tezamen met de dienaren van Vishnu aan boord van een hemelvoertuig [vimâna] gemaakt van goud. (45) Op deze manier vond hij die alle dharma eraan had gegeven, die was getrouwd met een laaggeboren meid, was vervallen in abominabele handelingen en, gebroken hebbend met al zijn geloften, in een hels leven was beland, direct de bevrijding toen hij zich bediende van de naam van de Allerhoogste Heer. (46) Derhalve, teneinde niet opnieuw gehecht te raken aan baatzuchtig handelen met een geest besmet door hartstocht en onwetendheid, bestaat er voor personen verlangend te ontsnappen aan de materiële gebondenheid geen betere methode om te breken met de karmische gevolgen dan het herhaaldelijk zingen van de naam van de Toevlucht aller Heilige Plaatsen. (47-48) Welke persoon ook die met geloof verneemt over of met grote toewijding deze vertrouwelijke geschiedenis die je van alle zonde bevrijdt navertelt, zal inderdaad niet, onder het gezag van de dienaren van Yamarâja, naar de hel gaan, maar worden verwelkomt in de geestelijke wereld van Vishnu, welke misstap hij ook beging in zijn materieel bestaan. (49) Als ten tijde van zijn dood Ajâmila door de naam van de Heer aan te grijpen al naar de hemel ging, ookal bedoelde hij maar zijn zoon, wat zou dat dan niet inhouden voor degene die met geloof en liefde vasthoudt aan de naam?
Tweede editie, geladen 24 maart 2007.
Bronteksten:
Ajâmila wordt gered door de Vishnudûta's
De zoon van Vyâsadeva zei: 'O Koning, toen de dienaren van de Allerhoogste Heer hadden vernomen wat de Yamadûta's zeiden gaven ze hen, goed als ze waren in argumenteren en de logica, antwoord in gepaste termen.S'ukadeva Gosvâmî zei: Mijn beste koning, de dienaren van Heer Vishnu zijn zeer bekwaam op het gebied van logica en rede. Nadat ze de verklaringen van de Yamadûta's hadden aangehoord, antwoordden ze als volgt. (Vedabase).
De Vishnudûta's zeiden: 'Helaas, hoe pijnlijk is het om te zien hoe goddeloosheid de dharmische gemeenschap aantast; hoe door hen, die de taak is toegewezen, zondeloze mensen niet noodzakelijk straf moeten ondergaan.
De Vishnudûta's zeiden: Helaas, hoe pijnlijk is het dat goddeloosheid doordringt in een gezelschap waar men de religieuze principes hoog zou moeten houden. Degenen die belast zijn met het handhaven van de religieuze principes straffen zowaar nodeloos een onschuldig persoon, die niet mag worden gestraft. (Vedabase).
Tot de toevlucht van wie moeten de burgers zich keren als het verkeerde gedaan wordt door hen die, als de beschermers der bevolking, toegerust met alle goede kwaliteiten en allen gelijkgezind, aanwijzingen behoren te geven?
Een koning of een regeringsvertegenwoordiger moet dermate begiftigd zijn met goede eigenschappen dat hij uit genegenheid en liefde als een vader, instandhouder en beschermheer van de burgers optreedt. Hij moet de burgers goede raad en juiste aanwijzingen geven op basis van de erkende geschriften, en iedereen gelijk behandelen. Als allerhoogste autoriteit op het gebied van de rechtspraak doet Yamarâja dit, en hetzelfde geldt voor degenen die in zijn voetspoor treden. Als dergelijke personen echter van het rechte pad afwijken en blijk geven van partijdigheid door een onschuldig iemand, die geen blaam treft, te straffen, tot wie moeten de burgers zich dan wenden voor hun onderhoud en veiligheid? (Vedabase)
Wat de betere man ook in de praktijk brengt, wordt door de rest gedaan daar wat hij ook doet, door de mensen in het algemeen die van navolging zijn, wordt aanvaard als het juiste [zie ook B.G. 3: 21].
De overgrote meerderheid van de mensen volgt het voorbeeld van een leider in de samenleving en gedraagt zich zoals hij zich gedraagt. Alles wat de leider aanvaardt, neemt men voor waar aan. (Vedabase).
De grote massa die werkelijk niet weet wat nu precies dharma of adharma zou zijn, heeft zijn hoofd gelegd in de schoot van de betere om in vrede te rusten. Hoe kan een dergelijke persoon, die met een welwillend hart het vertrouwen geniet van de levende wezens, de onbewusten nu pijn bezorgen die zich overgaven in goed vertrouwen en in vriendschap?
De grote massa heeft over het algemeen geen kennis genoeg om onderscheid te kunnen maken tussen religie en goddeloosheid. De onschuldige, weinig verlichte burger is als een onwetend dier dat vredig slaapt met zijn kop op de schoot van zijn meester en vast vertrouwen heeft in diens bescherming. Als een leider werkelijk een goed hart heeft en het vertrouwen van de levende wezens waard is, hoe kan hij dan zo'n onwetend persoon, die zich in goed vertrouwen en vriendschap volkomen aan hem heeft overgegeven, straffen of doden? (Vedabase)
Hij hier heeft inderdaad reeds afgedaan met de zonden van miljoenen geboorten omdat hij, hulpeloos, van de Heer de naam uitsprak, die het middel van de bevrijding vormt.
Ajâmila heeft reeds geboet voor al zijn zonden. Hij heeft zelfs niet alleen geboet voor de zonden die hij tijdens dit leven begaan heeft, maar ook voor alles wat hij tijdens miljoenen andere levens misdaan heeft, aangezien hij in een hulpeloze staat de heilige naam van Nârâyana heeft gechant. Hoewel zijn chanten niet zuiver was, heeft hij niettemin gechant zonder overtredingen te begaan; daarom is hij nu gelouterd en komt hij ervoor in aanmerking om te worden bevrijd. (Vedabase).
Toen hij 'O Nârâyana, kom alsjeblieft' zei realiseerde hij, omdat hij aldus de vier lettergrepen [nâ-râ-ya-na] uitsprak, het volledige afdoen van alle ondeugd die hij als zondaar op z'n geweten had.
De Vishnudûta's vervolgden: Zelfs vroeger - terwijl hij at of op andere momenten - riep deze Ajâmila zijn zoon door te zeggen: "Mijn beste Nârâyana, kom alsjeblieft hier." Hoewel hij zijn zoon riep, sprak hij niettemin de vier lettergrepen nâ-râ-ya-na uit. Eenvoudigweg door op deze wijze de naam van Nârâyana te chanten, heeft hij voldoende boete gedaan om de zonden van miljoenen levens teniet te doen. (Vedabase).
Ongeacht de ernst van de zonde die men begaan heeft als een dief, een alcoholist, als iemand van minachting, iemand die een brahmaan ter dood bracht, iemand die de vrouw van zijn goeroe begeerde of als iemand die een vrouw, een koning, koeien of zijn vader van het leven beroofde, zal Vishnu Zijn aandacht schenken aan een ieder die van een dergelijk respect voor Zijn naam is, omdat Hij het zingen van de heilige naam als de perfectie van het afdoen beschouwt.. (*)
Het chanten van de heilige naam van Heer Vishnu is de beste methode van boetedoening. Dit geldt zowel voor iemand die goud of andere waardevolle zaken steelt, als voor een dronkaard, iemand die een vriend of een familielid verraadt, iemand die een brâhmana doodt, of iemand die seks heeft met de vrouw van zijn guru of een andere meerdere. Het is tevens de beste methode van boetedoening voor iemand die vrouwen, de koning of zijn vader vermoordt, voor iemand die koeien slacht, en voor alle andere zondaars. Door eenvoudigweg de heilige naam van Heer Vishnu te chanten, kunnen dergelijke zondaars de aandacht van de Allerhoogste Heer trekken, die dan denkt: omdat deze naam Mijn heilige naam heeft gechant, is het Mijn plicht hem te beschermen. (Vedabase).
Een zondig man is niet in die mate gezuiverd door het afdoen in de gehoorzaamheid van geloften voorgeschreven door het brahmaanse als hij is met het uiten van de lettergrepen van de Heer Zijn naam die iemand zich de kwaliteiten van Hem die in de geschriften wordt geprezen helpt herinneren [vergelijk: 6.1: 16].
Door de vedische riten te verrichten of door boete te doen, raken zondaars niet zo gezuiverd als wanneer ze slechts eenmaal de heilige naam van Heer Hari chanten. Hoewel ritualistische boetedoening iemand kan bevrijden van de reacties op zijn zonden, wekt het niet het verlangen bij hem op om toegewijde dienst te gaan doen, zoals wel het geval is bij het chanten van de naam van de Heer, wat iemand immers aan de roem, de eigenschappen, de attributen, het spel en vermaak en het toebehoren van de Heer herinnert. (Vedabase).
Alhoewel men van afdoen was, zal de geest zich opnieuw uitputten op de weg van het onware, omdat het hart niet volledig gezuiverd was geraakt; derhalve zuiveren zij die oprecht geïnteresseerd zijn een einde te maken aan hun karma [zie B.G. 4: 16], hun bestaan door hun monden te zetten naar de heerlijkheid van de Heer [vergelijk: 1.2: 17].
De boetedoeningsriten die aanbevolen worden in de religieuze geschriften zijn niet voldoende om het hart volkomen te zuiveren, omdat na dergelijke boetedoeningen iemands geest opnieuw aangetrokken raakt tot materiële activiteiten. Wie serieus bevrijding zoekt van de reacties op zijn baatzuchtige materiële activiteiten, krijgt daarom de raad om de Hare Krishna mantra te chanten, of de naam, de roem en het spel en vermaak van de Heer te verheerlijken, want dit is de meest volmaakte methode van boetedoening, omdat dit chanten werkelijk al het vuil uit het hart verwijdert. (Vedabase).
Probeer hem daarom niet met jullie mee te voeren; hij heeft reeds het oneindige gevonden voor het afrekenen met zijn zonden omdat hij op zijn doodsbed de naam van de Allerhoogste Heer uitsprak [zie ook B.G. 7: 27 en 8: 5].
Op het moment van de dood heeft deze Ajâmila volkomen hulpeloos en zeer luid de heilige naam van de Heer, Nârâyana, gechant. Dat chanten alleen heeft hem reeds bevrijd van de reacties op al zijn zonden. Daarom, o dienaren van Yamarâja, mogen jullie hem niet proberen mee te nemen naar jullie meester om gestraft te worden in de hel. (Vedabase).
Met andere bedoelingen, voor de lol, bij wijze van vermaak of terloops gedaan heeft laten klinken van de naam [van de Heer] van Vaikunthha, een onbeperkt vermogen om de zonde te neutraliseren, zo weten de gevorderden.
Wie de heilige naam van de Heer chant wordt onmiddellijk bevrijd van de reacties op oneindig veel zonden, zelfs als hij indirect chant [op iets anders doelend], of voor de grap, als muzikaal vermaak, of zelfs zonder aandacht. Iedereen die geleerd is in de geschriften erkent dit. (Vedabase).
Als men ten val kwam, uitgleed, zijn botten brak, werd gebeten of geplaagd werd door ziekte of gewond raakte, is een persoon, aldus verzeild in relatie tot de Heer, er zeker van niet tot een hels leven te worden veroordeeld [zie ook B.G. 8: 6].
Als iemand de heilige naam van Hari chant voordat hij als gevolg van een ongeluk sterft - doordat hij bijvoorbeeld van het dak van een huis valt, onderweg uitglijdt en zijn botten breekt, gebeten wordt door een slang, pijn of hevige koorts heeft, of verwond wordt door een wapen - wordt hij onmiddellijk vergeven en hoeft hij niet meer naar de hel te gaan, ook al is hij een zondaar. (Vedabase).
Door de heiligen die goed op de hoogte zijn is het zware en lichte van het afdoen voorgeschreven voor het zware en lichte van de zonden.
Gezaghebbende geleerden en wijzen hebben nauwkeurig vastgesteld dat men voor de grootste zonden zware boetedoening dient te ondergaan, en voor minder ernstige zonden lichtere boete moet doen. Het chanten van de Hare Krishna mantra echter, vernietigt de reacties op alle zonden, of deze nu groot zijn of klein. (Vedabase).Tekst 17:
Maar al het zondige dat volgens hen zijn einde vindt in verzaking, liefdadigheid, geloften en dergelijke, ontwart niet de knoop van adharma in het hart; dàt bereikt men in dienst aan wat de Beheerser toebehoort.
Hoewel we de reacties op een zondig leven kunnen neutraliseren door middel van ascese, liefdadigheid, geloften en andere dergelijke methoden, kunnen we met deze vrome activiteiten niet de materiële verlangens in ons hart vernietigen. Wie echter de lotusvoeten van de Godspersoon dient wordt onmiddellijk van dit soort onzuiverheden bevrijd. (Vedabase).
Dat wat, zoals vuur dat doet met droog gras, de zonden van een persoon tot as verbrand, is het bewust of onbewust uitspreken van de heilige namen van Hem die in de geschriften wordt geprezen.
Zoals vuur droog gras tot as verbrandt, zo verbrandt de heilige naam van de Heer, of men hem nu bewust of onbewust chant, zonder uitzondering alle reacties op iemands zonden. (Vedabase).
Een uitgesproken mantra manifesteert zijn vermogen precies zoals een krachtig medicijn dat doet als het op deze of gene manier zelfs door een onwetende persoon op de juiste manier werd ingenomen.'
Als iemand een medicijn inneemt, of gedwongen wordt het in te nemen, zonder dat hij de werking ervan kent, zal het toch effect hebben omdat de werking van een medicijn niet afhankelijk is van het begrip van de patiënt. Op dezelfde manier zal het chanten van de heilige naam van de Heer, zelfs als men de waarde ervan niet kent, en ongeacht of men het bewust of onbewust doet, zeer veel effect hebben. (Vedabase).
S'rî S'uka zei: 'Zij, volmaakt duidelijk makend wat dharma is in de zin van dienstbaarheid aan de Heer, o Koning, redden, hem van de dood verlossend, hem aldus van de strop van Yamarâja.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Mijn beste koning, nadat de afgezanten van Heer Vishnu aldus met rede en logica een volmaakte uiteenzetting hadden gegeven over de principes van toegewijde dienst, bevrijdden ze de brâhmana Ajâmila uit de handen van de Yamadûta's, en redden hem zo van de dood. (Vedabase).
O onderwerper der vijanden, de Yamadûta's aldus van repliek gediend gingen naar het verblijf van Yamarâja om hem de verschuldigde verantwoording af te leggen waarbij ze tot in detail informatie verschaften over alles wat zich had voorgedaan.
Mijn beste Mahârâja Parîkshit, o bedwinger van de vijand, nadat de dienaren van Yamarâja antwoord hadden gekregen van de afgezanten van Heer Vishnu, gingen ze terug naar Yamarâja en vertelden hem alles wat er was gebeurd. (Vedabase).
De tweemaal geborene bevrijd van de strop, nu vrij van angst, kwam bij zinnen en betoonde zijn respect door het hoofd te buigen voor de dienaren van Vishnu, blij als hij was ze te zien.
Nadat de brâhmana Ajâmila bevrijd was uit de stroppen van de Yamadûta's kwam hij, nu vrij van angst, weer bij zijn positieven en bracht onmiddellijk zijn eerbetuigingen aan de Vishnudûta's door zijn hoofd neer te buigen aan hun lotusvoeten. Hij was buitengewoon blij met hun aanwezigheid omdat hij gezien had dat ze hem gered hadden uit de handen van de dienaren van Yamarâja. (Vedabase).
De dienaren van de Hoogste Persoonlijkheid echter die begrepen, o zondeloze, dat hij iets wilde zeggen, verdwenen onder zijn ogen plots vandaar.
O zondeloze Mahârâja Parîkshit, toen de afgezanten van de Allerhoogste Godspersoon, de Vishnudûta's, zagen dat Ajâmila iets probeerde te zeggen, verdwenen ze plotseling. (Vedabase).
Ajâmila die vanwege de gesprekken over Heer Hari aldus van de dienaren van Vishnu en Yamarâja beter op de hoogte was geraakt van wat het zuivere van dharma inhoudt in relatie tot de Heer, hoe het beschreven wordt in de Veda's en hoe onder de geaardheden der natuur in toewijding voor de Allerhoogste Heer de verheerlijking van de naam onmiddellijk zuivert, had grote spijt van al het slechte wat hij zich herinnerde gedaan te hebben:
Nadat Ajâmila de dialoog tussen de Yamadûta's en de Vishnudûta's gehoord had, kon hij het verschil begrijpen tussen de religieuze principes die te maken hebben met de drie geaardheden der materiële natuur en in de drie Veda's vermeld staan, en de transcendentale religieuze principes, die boven de geaardheden der materiële natuur staan en betrekking hebben op de relatie tussen het levend wezen en de Allerhoogste Godspersoon. Bovendien had Ajâmila de naam, roem, eigenschappen en het spel en vermaak van de Allerhoogste Godspersoon horen verheerlijken. Op die manier werd hij een volmaakt zuivere toegewijde. Hij kon zich toen al zijn vroeger begane zonden herinneren, en had zeer veel spijt van wat hij gedaan had. (Vedabase).
'Helaas, omdat ik de beheersing over mezelf verloor met deze vrouw van laag allooi kinderen verwekkend, vernietigde ik al het brahmaanse in me en eindigde ik in de opperste misère.
Ajâmila zei: Helaas, hoe laag ben ik wel niet gezonken doordat ik de dienaar was van mijn zinnen! Ik kwam ten val uit mijn positie als bevoegd brâhmana en heb kinderen verwekt in de schoot van een prostituée. (Vedabase).
Hij wordt veroordeeld door de oprechten die zijn kuise jonge vrouw in de steek liet en, vervallen in zonde, zijn familie te schande maakte; verdoemd ben ik, ik, die seks had met een onkuise wijndrinkende meid.
Laat me verdoemd worden om alles wat ik heb gedaan! Ik heb zo zondig gehandeld, dat ik mijn hele familie te schande heb gemaakt. Ik heb zelfs mijn kuise en mooie jonge vrouw opgegeven om seksueel contact te hebben met een prostituée die gewend is om wijn te drinken. Naar de verdoemenis met mij! (Vedabase)
Mijn vader en moeder, oud, met niemand anders, met geen andere vriend om voor ze te zorgen, hadden zwaar te lijden vanaf het ogenblik dat ze door mij, ondankbaar als de laagste, in de steek werden gelaten.
Mijn vader en moeder waren oud en hadden geen andere zoon of vriend om voor ze te zorgen. Omdat ik niet voor ze gezorgd heb, hebben ze vele moeilijkheden gekend. Helaas, als een verachtelijke, laaggeboren man ben ik zo ondankbaar geweest om hen in die situatie te laten zitten. (Vedabase).
Het moge duidelijk zijn dat ik als zodanig, een waarlijk miserabele persoon die al te lustig brak met het dharma, in de hel behoor te belanden om aldaar de pijn der vergelding te ondergaan.
Het is nu duidelijk dat ik, zondaar die ik ben, als gevolg van zulke activiteiten in de hel moet belanden die bedoeld is voor mensen die de religieuze principes hebben gebroken en daar verschrikkelijk moeten lijden. (Vedabase).
Heb ik het gedroomd of ben ik getuige van een wonder hier? Waar zijn zij allen nu gebleven die me met touwen in hun handen aan het wegslepen waren?
Heb ik gedroomd, of was het werkelijkheid? Ik zag afschuwelijke mannen met touwen in hun handen, die me gevangen kwamen nemen en me mee wilden slepen. Waar zijn ze gebleven? (Vedabase)
En waar zijn die volmaakte persoonlijkheden van uitzonderlijke schoonheid naar toe die me bevrijdden toen ik in de richting van de hel werd meegevoerd opgebracht in touwen?
En waar zijn die vier prachtige, transcendentale personen, die me bevrijd hebben en verhinderd hebben dat ik naar de hel gesleurd werd? (Vedabase)
Het was vanwege de aanblik van deze verheven toegewijden, dankzij wie het goedgunstige zich wel moest voltrekken, dat ik, ondanks mijn kwade lot, mezelf werkelijk gelukkig kon zien worden!
Ik ben zonder meer diep gevallen en zeer onfortuinlijk omdat mijn leven gewoon een oceaan van zonden is geweest. Maar toch heb ik dankzij mijn vroegere geestelijke activiteiten die vier verheven personen kunnen zien die me kwamen redden, en ik voel me nu buitengewoon verheugd vanwege hun bezoek. (Vedabase).
Hoe zou het ook zonder kunnen dat een man die de dood tegemoet treedt, alleronreinst als een getrouwe van een prostituée, in die hoedanigheid in staat is zijn tong het woord van de heilige naam van de Heer van Vaikunthha te laten spreken?
Als ik in het verleden geen toegewijde dienst verricht had, hoe zou ik, die zo onzuiver was dat ik een prostituée onderhield, dan ooit de kans hebben gekregen om de heilige naam van Vaikunthhapati te chanten, juist toen ik op het punt stond te sterven? Dat was beslist niet mogelijk geweest. (Vedabase).
Waar blijf ik nou als een bedrieger, zondaar in eigen persoon en schaamteloze vernietiger van zijn eigen cultuur; waar zou Nârâyana, de al-gunstige van de heilige naam van de Allerhoogste Heer dan zijn?
Ajâmila vervolgde: Ik ben een schaamteloze bedrieger, die zijn eigen brahmaanse cultuur gedood heeft. Ik ben waarlijk de zonde in persoon. Wie ben ik vergeleken bij het al-zegenrijke chanten van de heilige naam van Heer Nârâyana? (Vedabase)
Als zo'n toegewijde zal ik op die manier mijn weg vervolgen, zodat met het beheersen van de zinnen, de geest en de adem, mijn ziel niet nogmaals door onwetendheid in de duisternis zal worden getrokken.
Ik ben een grote zondaar, maar aangezien ik nu deze kans gekregen heb, moet ik mijn geest, mijn levenslucht en mijn zinnen volkomen meester worden, en voortdurend toegewijde dienst doen, zodat ik niet opnieuw ten onder zal gaan in het diepe duister en de onwetendheid van het materiële leven. (Vedabase).
Bevrijd van deze gebondenheid in karmische acties van onwetendheid en lust zal ik de zelfgerealiseerde, alleraardigste, genadige en vredige vriend zijn van alle levende wezens. Ik zal me losmaken van de kluister van mijn ziel, de gevangenschap in mâyâ in de vorm van een vrouw, welke voorzeker, zo gevallen, met mij speelde alsof ik een huisdier was.
Omdat we ons met het lichaam vereenzelvigen, zijn we onderhevig aan verlangens naar zinsbevrediging, en houden ons daarom bezig met vele verschillende soorten vrome en zondige activiteiten. Dit heet materiële gebondenheid. Nu zal ik me losmaken uit mijn materiële gebondenheid, die teweeggebracht is door de begoochelende energie van de Allerhoogste Godspersoon in de gedaante van een vrouw. Gevallen als ik ben, ben ik het slachtoffer geworden van de begoochelende energie, die me tot een dansende hond heeft gemaakt in de handen van een vrouw. Nu zal ik alle wellustige verlangens opgeven, en me uit deze illusie bevrijden. Ik zal een genadige, welgezinde vriend van alle levende wezens worden, en altijd opgaan in Krishna-bewustzijn. (Vedabase).
Het aldus opgevend met het 'ik' en 'mijn' van het lichaam en de zaken die ermee verband houden, zal ik mijn geest, me concentrerend en me gedragend volgens de regels, bezig houden met het zuivere van de Allerhoogste Heer Zijn naam in gezang en met alles wat erbij hoort.'
Gewoon doordat ik de heilige naam van de Heer gechant heb in het gezelschap van toegewijden, raakt mijn hart nu gezuiverd. Daarom zal ik niet opnieuw ten prooi vallen aan de valse verleiding van materiële zinsbevrediging. Nu ik in de Absolute Waarheid ben verankerd, zal ik me voortaan niet meer met het lichaam vereenzelvigen. Ik zal de valse ideeën van 'ik' en 'mijn' opgeven, en mijn geest op de lotusvoeten van Krishna richten. (Vedabase).
Aldus gaf hij het idee op van een materieel leven en ging hij naar Hardvar [van de Ganges 'de poort naar Hari'] bevrijd zijnde van alle gebondenheid door enkel maar voor een ogenblik omgang te hebben met het heilige.
Doordat Ajâmila een ogenblik in het gezelschap van toegewijden verkeerd had, kon hij zich vastberaden onthechten van de materiële levensbeschouwing. Aldus bevrijd van alle materiële gehechtheden, begaf hij zich onmiddellijk naar Hardwar. (Vedabase).
Aldaar op een plek van geestelijke discipline [een ashram of tempel] fixeerde hij met de yoga als leidraad zich [aldus] inwaarts afkerend van zijn zintuigen, zijn geest op het ware van het zelf.
In Hardwar zocht Ajâmila zijn toevlucht in een tempel van Vishnu, waar hij bhakti-yoga beoefende. Met beheerste zinnen richtte hij zijn geest volkomen op de dienst aan de Heer. (Vedabase).
Daartoe innerlijk verzonken, de geest losmakend van de sturing der geaardheden, hield hij zich bezig met de Superziel als de gedaante van de Heer wiens Zelf stap voor stap gerealiseerd wordt.
Ajâmila gaf zich volkomen over aan toegewijde dienst. Op die manier onthechtte hij zijn geest van zinsbevrediging en ging hij volkomen op in gedachten aan de gedaante van de Heer. (Vedabase).
Zo gauw hij zijn geest en intelligentie vastgelegd had, kreeg hij de [vier goddelijke] personen voor zich te zien die hij voorheen had gezien, waarop de brahmaan toen zijn hoofd eerbiedig voorover boog.
Toen de intelligentie en geest van de brâhmana Ajâmila volkomen op de gedaante van de Heer waren gericht, zag hij opnieuw vier hemelse personen voor zich verschijnen. Hij begreep dat het dezelfde personen waren die hij voorheen gezien had, en hij bracht hun zijn eerbetuigingen door zich voor hen neer te buigen. (Vedabase).
Hen op die heilige plaats aan de Ganges ziend, gaf hij direct zijn voertuig van de tijd op, om zijn oorspronkelijke geestelijke gedaante [svarûpa] aan te nemen geschikt voor hem als metgezel van de Heer.
Toen Ajâmila de Vishnudûta's zag, gaf hij zijn materiële lichaam op in Hardwar, aan de oever van de Ganges. Hij kreeg toen zijn oorspronkelijke geestelijke gedaante terug, waarmee hij een metgezel kon worden van de Heer. (Vedabase).
Op weg naar de hemel waar de echtgenoot van de Geluksgodin [Vishnu] verblijft, klom de man van kennis tezamen met de dienaren van Vishnu aan boord van een hemelvoertuig [vimâna] gemaakt van goud.
Vergezeld door de afgezanten van Heer Vishnu stapte Ajâmila aan boord van een gouden vliegtuig, dat via de luchtwegen rechtstreeks naar het rijk van Heer Vishu, de echtgenoot van de godin van het geluk, vloog. (Vedabase).
Op deze manier vond hij die alle dharma eraan had gegeven, die was getrouwd met een laaggeboren meid, was vervallen in abominabele handelingen en, gebroken hebbend met al zijn geloften, in een hels leven was beland, direct de bevrijding toen hij zich bediende van de naam van de Allerhoogste Heer.
Ajâmila was een brâhmana die als gevolg van slecht gezelschap de hele brahmaanse cultuur en alle religieuze principes had opgegeven. Hij raakte diep gevallen en stal, dronk en deed nog allerlei andere afschuwelijke dingen. Hij onderhield zelfs een prostituée. Zodoende was hij voorbestemd om door de afgezanten van Yamarâja naar de hel te worden gebracht; maar gewoon omdat hij maar even de heilige naam Nârâyana had gechant, werd hij onmiddellijk gered. (Vedabase).
Derhalve, ten einde niet opnieuw gehecht te raken aan baatzuchtig handelen met een geest besmet door hartstocht en onwetendheid, bestaat er voor personen verlangend te ontsnappen aan de materiële gebondenheid geen betere methode om te breken met de karmische gevolgen dan het herhaaldelijk zingen van de naam van de Toevlucht aller Heilige Plaatsen.
Daarom moet iedereen die naar vrijheid van materiële gebondenheid verlangt, overgaan tot het chanten en verheerlijken van de naam, roem, gedaante en het stel en vermaak van de Allerhoogste Godspersoon, aan wiens lotusvoeten men alle heilige plaatsen vindt. Andere methoden, zoals vrome boetedoening, het verwerven van speculatieve kennis of het beoefenen van mystieke yoga-meditatie zullen hem niet werkelijk helpen, omdat men zelfs na dergelijke methoden te hebben beoefend weer tot baatzuchtige activiteiten vervalt, aangezien men niet in staat is de geest te beheersen, die besmet is door de lagere geaardheden der natuur, namelijk hartstocht en onwetendheid. (Vedabase).
Welke persoon ook die met geloof verneemt over of met grote toewijding deze vertrouwelijke geschiedenis die je van alle zonde bevrijdt navertelt, zal inderdaad niet, onder het gezag van de dienaren van Yamarâja, naar de hel gaan, maar worden verwelkomt in de geestelijke wereld van Vishnu, welke misstap hij ook beging in zijn materieel bestaan.
Omdat dit zeer vertrouwelijke historische verhaal de kracht bezit om alle reacties op iemands zonden te vernietigen, is degene die er met geloof en toewijding naar luistert of het beschrijft niet langer verdoemd tot een leven in de hel, ook al heeft hij een materieel lichaam en is hij nog zo zondig geweest. De Yamadûta's, die de bevelen van Yamarâja uitvoeren, zullen zelfs niet bij hem in de buurt komen om naar hem te kijken. Nadat hij zijn lichaam heeft opgegeven, keert hij terug naar huis, terug naar God, waar hij vol respect wordt ontvangen en vereerd. (Vedabase).
Als ten tijde van zijn dood Ajâmila door de naam van de Heer aan te grijpen al naar de hemel ging, ookal bedoelde hij maar zijn zoon, wat zou dat dan niet inhouden voor degene die met geloof en liefde vasthoudt aan de naam?
Toen Ajâmila op zijn sterfbed lag, chantte hij in zijn ellende de heilige naam van de Heer, en hoewel het chanten voor zijn zoon bedoeld was, keerde hij niettemin terug naar huis, terug naar God. Wie zou er daarom aan kunnen twijfelen dat iemand die vol vertrouwen en zonder overtredingen te begaan de heilige naam van de Heer chant, teruggaat naar God? (Vedabase)
*: Het is dit vers dat âcârya's als S'rîla Visvanâtha Cakravartî Thâkura van de erfopvolging aanhalen om het argument dat het zingen van de heilige naam iemand onmiddellijk zal zuiveren van alle zonden schriftuurlijk te onderbouwen: het is de manier waarop men de Heer Zijn bescherming aanroept. Het is Zijn dharma daaraan gevolg te geven; Hij zal er zelfs voor incarneren als dat nodig is zoals hij uitlegt in de Gîtâ (4: 7). Hij daalde om deze reden ook als Heer Caitanya neder daartoe aangeroepen door S'rî Advaita en op die manier stelde hij opnieuw de noodzaak van dit Bhâgavatam voor de religieuze hervoming van de mensen van onze moderne tijd aan de orde om de heilige namen te zingen.
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Pandu dasa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd