regelbalk


 

 

Canto 10

Durlabha Mânava

 

 

Hoofdstuk 59: Mura en Bhauma Gedood en de Gebeden van Bhûmi

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft vertel me over dit avontuur van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna]. Hoe werd Bhauma, die deze vrouwen gevangen zette, gedood door de Allerhoogste?'

(2-3) S'rî S'uka zei: 'Op de hoogte gesteld door Indra, wiens parasol van Varuna [of bewijs van adel] alsmede een plaats [genaamd Mani-parvata] op de berg der goden [de heuvel Mandara, zie 8.6: 22-23] was weggestolen en wiens verwant [moeder Aditi, zie 8.17] was beroofd van haar oorhangers, ging Hij [Heer Krishna in reactie] op wat Bhaumâsura allemaal had gedaan tezamen met Zijn vrouw [Satyabhâmâ zie *] gezeten op Garuda naar de stad Prâgjyotisha [Bhauma's hoofdstad, nu Tejpur in Assam], die beschut lag omringd door bergen en wapensystemen, vuur, water en wind en was versterkt met een [mura-pâs'a] hekwerk bestaande uit tienduizenden harde en afschrikkende draden aan alle kanten. (4) Met Zijn knots brak Hij door de opgeworpen barricades van rotsblokken, met Zijn pijlen versloeg Hij de wapensystemen, met Zijn schijf brak Hij door het vuur, het water en de windverdediging en met Zijn zwaard sloeg Hij zich evenzo door het hekwerk. (5) Met het weerklinken van Zijn schelphoorn de zegels [van de vesting] en de harten van de moedige strijders brekend, sloeg Gadâdhara met Zijn zware strijdknots Zich door de verdedigingswerken. (6) Toen hij het geluid hoorde van de Heer Zijn Pâñcajanya, dat weerklonk als de donderslag aan het einde der tijden, verhief zich de vijfkoppige demon Mura die lag te slapen in het water [van de gracht]. (7) Zijn drietand opheffend, moeilijk te aanschouwen met een gloed zo verschrikkelijk als het vuur van de zon, ging hij, als wilde hij met zijn vijf monden de drie werelden verzwelgen, over tot de aanval zoals de zoon van Târkshya [Garuda] een slang aanvalt. (8) Zijn drietand rondzwaaiend wiep hij hem uit alle macht naar Garuda met een dermate kolossaal gebrul van zijn vijf monden dat de aarde, de hemel en de buitenruimte van het eivormige omhulsel van het universum ervan galmde. (9) Heer Krishna brak toen met twee pijlen de drietand die op Garuda afvloog in drie stukken en trof vervolgens met grote kracht zijn gezichten met meer pijlen. Daarop slingerde de duivel woedend zijn knots op Hem af. (10) Die knots op Hem afvliegend werd door de Oudere Broer van Gada [Gadâgraja, Krishna] op het slagveld in duizend stukken gebroken. Toen hij daarop met zijn armen geheven op Hem afstormde, sneed de Onoverwinnelijke moeiteloos de hoofden eraf met Zijn werpschijf. (11) Levenloos in het water neervallend met zijn hoofden eraf alsof Indra met zijn kracht een bergpiek had afgesplitst, kwamen zijn zeven zoons die zich hoogst ellendig voelden over hun vaders dood, vertoornd in actie om hem te wreken.

(12) Ingezet door Bhaumâsura traden Tâmra, Antariksha, S'ravana, Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân en Aruna de zevende met Pîthha voorop als hun generaal naar voren op het slagveld hun wapens met zich meedragend. (13) In de aanval zetten ze kwaad en woest hun zwaarden, knotsen, speren, lansen en drietanden in tegen de Onoverwinnelijke, maar onder geen enkele omstandigheid in Zijn kunnen belemmerd door hun berg van wapens schoot de Allerhoogste Heer ze met Zijn pijlen aan gruzelementen. (14) Hun hoofden, armen, dijen benen en wapenrusting stukschietend stuurde Hij ze allemaal naar Yamarâja. Toen Bhauma, de zoon van moeder aarde, zag hoe zijn leger en aanvoerders bezweken onder de pijlen en de werpschijf van Krishna, trad hij, niet in staat dat te verdragen, naar voren met van de bronst druipende olifanten die waren geboren uit de melkoceaan. (15) Toen hij Heer Krishna en Zijn echtgenote zag zitten op Garuda, als waren ze de bliksem in een wolk boven de zon, liet hij zijn S'ataghnî [een projectiel met vele punten] op Hem los en vielen tegelijkertijd al zijn soldaten aan. (16) De Allerhoogste Heer, de Oudere Broer van Gada, veranderde hun lichamen - en tegelijkertijd ook de lijven van de paarden en de olifanten - met verschillend gevederde scherpe pijlen in een verzameling van afgeschoten armen, dijbenen en nekken. (17-19) Ieder van de puntige en stakige wapens die de strijders inzetten, o held van de Kuru's, werd door Krishna telkens met drie pijlen aan stukken geschoten. Gedragen door hem met de grote vleugels, Garuda, die met beide vleugels klappen uitdeelde, werden de olifanten verslagen. De olifanten door zijn vleugels, bek en klauwen belaagd trokken zich terug in de stad terwijl Naraka ['hel' ofwel Bhauma] doorging met de veldslag. (20) Bhauma, getergd te zien hoe door Garuda zijn leger op de terugtocht werd gedrongen, viel hem aan met een speer die [ooit] de bliksemschicht [van Indra] weerstond, maar die raakte hem net zo min als je een olifant kan raken als je hem slaat met een bloem. (21) Om Krishna te doden nam Bhauma, gefrustreerd in zijn pogingen, zijn drietand ter hand, maar voordat hij hem zelfs maar kon lanceren, sneed de Heer met de scherpgerande schijf van Zijn cakra het hoofd van Bhaumâsura eraf terwijl die op zijn olifant zat. (22) Schitterend, glimmend gesierd met oorhangers en een fraaie helm, viel dat alles bij elkaar op de grond, en aanbaden [onder uitroepen van] 'Helaas, helaas' en 'Bravo, bravo!' de wijzen en de heersende goden Heer Krishna, Hem overladend met bloemen.

(23) Moeder aarde die daaropvolgend Krishna benaderde bood gouden oorhangers aan die gloeiden van de glimmende edelstenen, een Vaijayantî slinger van woudbloemen en gaf Hem de parasol van Varuna en het Grote Juweel [de bergtop van Mandara]. (24) De godin toen, o Koning, die met een geest vervuld van toewijding haar handen vouwde en neerboog, prees de Heer van het Universum die wordt aanbeden door de besten onder de goden. (25) Bhûmi zei: 'Voor U mijn eerbetuigingen o God der Goden, o Heer, die de schelp, de schijf en de knots vasthoudt, U die overeenkomstig het verlangen van de toegewijden Uw verschillende gedaanten heeft aangenomen, o Allerhoogste Ziel; laat er de lof voor U zijn. (26) Mijn eerbetoon geldt Hem met het lotusvormige kuiltje in Zijn buik, mijn eerbied geldt Hem met de slinger van lotussen om, mijn respect voor Hem wiens blik koel is als een lotus, mijn lofprijzing geldt U met de voeten die zijn als lotussen [zoals in 1.8: 22]. (27) Mijn eerbetuiging is er voor U, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon, het Zaad en de Volle Kennis, U breng ik de eregroet. (28) Laat er de verering zijn van U, de Ongeboren Verwekker, de Onbegrensde Absolute, de Ziel der hogere en lagere energieën, de Ziel van de Schepping, de Superziel! (29) U, verlangend te scheppen, o Meester, doet Zich kennen als zijnde Ongeboren [als Brahmâ], neemt voor de vernietiging de onwetendheid op U [als S'iva] en bent voor het behoud [gemanifesteerd als] de goedheid [met de vishnu-avatâra's] van het Universum [maar niettemin bent U] niet overdekt [door deze geaardheden], o Heer van Jagat [het Levende Wezen dat het Universum is]. Hoewel U Kâla [de tijd], Pradhâna [de oorspronkelijke staat der materie] en Purusha [het volledige als de oorspronkelijke Persoon] bent bestaat U er niettemin onafhankelijk van. (30) Dit zelf van mij, het water, het vuur en de lucht, de ether, de zinsobjecten, de halfgoden, de geest, de zintuigen, degene die handelt, het geheel van de materiële energie, kortom alles wat zich rondbeweegt of niet rondbeweegt, vormt [voor zichzelf bestaand] de verbijstering o Allerhoogste Heer, daar het zich allemaal in U bevindt, U waarbuiten zich niets bevindt [zie ook siddhânta]! (31) Deze zoon van hem [Bhauma's zoon, Bhûmi's kleinzoon] heeft in zijn angst de lotusvoeten benaderd van U die het leed wegneemt van hen die hun toevlucht zoeken; alstUblieft neem hem in bescherming en plaats op zijn hoofd Uw lotushand die alle zonde wegvaagt.'

(32) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, met deze woorden door Bhûmi met toewijding en nederigheid aanbeden, ging, om de angst weg te nemen, de verblijven binnen van Bhauma die rijk waren aan alle denkbare weelde. (33) Aldaar zag de Heer zestienduizend [••] maagden van adel die door Bhaumâsura met geweld waren weggehaald bij de koningen. (34) Toen de vrouwen Hem, de meest uitzonderlijke van alle mannen, zagen binnenkomen, kozen ze bekoord als ze waren voor Hem die hen door het lot in de schoot was geworpen als de echtgenoot van hun dromen. (35) Verzonken in Krishna denkend: 'Moge de voorzienigheid maken dat Hij mijn echtgenoot wordt', sloten ze Hem aldus allen stuk voor stuk in hun hart. (36) Schoongewassen en smetteloos gekleed stuurde Hij hen in draagstoelen naar Dvârakâ tezamen met de [buitgemaakte] enorme schat aan strijdwagens, paarden en een groot aantal andere kostbaarheden.  (37) Kes'ava stuurde ook vierenzestig snelle, witte olifanten mee met vier slagtanden die van dezelfde soort waren als Airâvata [Indra's olifant]. (38-39) Zich begevend naar de verblijfplaats van de koning der goden overhandigde Hij Aditi haar oorhangers. Daarna werd Hij tezamen met Zijn geliefde [Satyabhâmâ] aanbeden door Indra de leider van de dertig [belangrijkste] halfgoden en door de echtgenote van de grote koning. Er door Zijn vrouw toe aangezet trok hij de pârijâta uit de grond, plaatste die op Garuda en bracht hem, de halfgoden verslaand [die dat bestreden], naar Zijn stad. (40) Helemaal vanuit de hemel gevolgd door de bijen die begeertig waren naar de zoete geur en het sap, sierde de boom eenmaal geplant de tuin op van Satyabhâmâ's verblijf. (41) Nadat hij [Indra] zich voorover had gebogen, waarbij hij met de punten van zijn kroon Zijn voeten beroerde, en Acyuta had gesmeekt aan zijn verlangens te beantwoorden, ging hij, die grote ziel onder de halfgoden, nu hij eenmaal zijn doel bereikt had, niettemin de strijd met Hem aan [over de pârijâta]. Vervloekt zij hun weelde, wat een onbenul! [zie ook 3.3: 5]. (42) Toen trouwde de Opperheer zoals het hoort met die vrouwen op één en hetzelfde tijdstip in hun verschillende verblijven, en voor dat doel nam de Onvergankelijke Ene evenzovele gedaanten aan [zie 10.58: 45, 10.69: 19-45 en B.G. 9: 15; 13: 31]. (43) Steeds zich in hun onovertroffen, allermooiste paleizen ophoudend genoot Hij, die het onvoorstelbare ten uitvoer brengt, samen met de Hem welgevallige vrouwen en beantwoordde Hij, opgaand in het genot als iedere andere man, aan Zijn huwelijkse plichten [zie ook 1.11: 37-39]. (44) De vrouwen die zo de echtgenoot van Ramâ verwierven wisten Hem te bereiken op een manier die zelfs niet voor Brahmâ en de andere goden openstaat, met zoals ze in een steeds groter plezier deelden in de altijd weer nieuwe, liefdevolle aantrekking van een omgaan met Hem in glimlachen en blikken, intieme gesprekken en bedeesdheid. (45) Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas toewijding zijnd, Zijn voeten wassend, met betelnoot van dienst zijnd, met massages en koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het zorgen voor Zijn bed, met baden en met het geven van kadootjes, waren ze, hoewel ze honderden dienstmeisjes hadden, [persoonlijk] de Almachtige Heer van dienst.' 

 

next                       

 
 

Tweede editie, geladen 26 september 2008  

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

The Killing of the Demon Naraka

 

Text 1

De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft vertel me over dit avontuur van Hem die S'ârnga hanteert [Krishna]. Hoe werd Bhauma, die deze vrouwen gevangen zette, gedood door de Allerhoogste?'

[King Parîkshit said:] How was Bhaumâsura, who kidnapped so many women, killed by the Supreme Lord? Please narrate this adventure of Lord S'ârngadhanvâ's. (Vedabase)

 

Text 2-3

S'rî S'uka zei: 'Op de hoogte gesteld door Indra, wiens parasol van Varuna [of bewijs van adel] alsmede een plaats [genaamd Mani-parvata] op de berg der goden [de heuvel Mandara, zie 8.6: 22-23] was weggestolen en wiens verwant [moeder Aditi, zie 8.17] was beroofd van haar oorhangers, ging Hij [Heer Krishna in reactie] op wat Bhaumâsura allemaal had gedaan tezamen met Zijn vrouw [Satyabhâmâ zie *] gezeten op Garuda naar de stad Prâgjyotisha [Bhauma's hoofdstad, nu Tejpur in Assam], die beschut lag omringd door bergen en wapensystemen, vuur, water en wind en was versterkt met een [mura-pâs'a] hekwerk bestaande uit tienduizenden harde en afschrikkende draden aan alle kanten.

S'ukadeva Gosvâmî said: After Bhauma had stolen the earrings belonging to Indra's mother, along with Varuna's umbrella and the demigods' playground at the peak of Mandara mountain, Indra went to Lord Krishna and informed Him of these misdeeds. The Lord, taking His wife Satyabhâmâ with Him, then rode on Garuda to Prâgjyotisha-pura, which was surrounded on all sides by fortifications consisting of hills, unmanned weapons, water, fire and wind, and by obstructions of mura-pâs'a wire. (Vedabase)

 

Text 4

Met Zijn knots brak Hij door de opgeworpen barricades van rotsblokken, met Zijn pijlen versloeg Hij de wapensystemen, met Zijn schijf brak Hij door het vuur, het water en de windverdediging en met Zijn zwaard sloeg Hij zich evenzo door het hekwerk.

With His club the Lord broke through the rock fortifications; with His arrows, the weapon fortifications; with His disc, the fire, water and wind fortifications; and with His sword, the mura-pâs'a cables. (Vedabase)

 

Text 5

Met het weerklinken van Zijn schelphoorn de zegels [van de vesting] en de harten van de moedige strijders brekend, sloeg Gadâdhara met Zijn zware strijdknots Zich door de verdedigingswerken.

With the sound of His conchshell Lord Gadâdhara then shattered the magic seals of the fortress, along with the hearts of its brave defenders, and with His heavy club He demolished the surrounding earthen ramparts. (Vedabase)

 

Text 6

Toen hij het geluid hoorde van de Heer Zijn Pâñcajanya, dat weerklonk als de donderslag aan het einde der tijden, verhief zich de vijfkoppige demon Mura die lag te slapen in het water [van de gracht].

The five-headed demon Mura, who slept at the bottom of the city's moat, awoke and rose up out of the water when he heard the vibration of Lord Krishna's Pâñcajanya conchshell, a sound as terrifying as the thunder at the end of the cosmic age. (Vedabase)

 

Text 7

Zijn drietand opheffend, moeilijk te aanschouwen met een gloed zo verschrikkelijk als het vuur van de zon, ging hij, als wilde hij met zijn vijf monden de drie werelden verzwelgen, over tot de aanval zoals de zoon van Târkshya [Garuda] een slang aanvalt.

Shining with the blinding, terrible effulgence of the sun's fire at the end of a millennium, Mura seemed to be swallowing up the three worlds with his five mouths. He lifted up his trident and fell upon Garuda, the son of Târkshya, like an attacking snake. (Vedabase)

 

Text 8

Zijn drietand rondzwaaiend wiep hij hem uit alle macht naar Garuda met een dermate kolossaal gebrul van zijn vijf monden dat de aarde, de hemel en de buitenruimte van het eivormige omhulsel van het universum ervan galmde.

Mura whirled his trident and then hurled it fiercely at Garuda, roaring from all five mouths. The sound filled the earth and sky, all directions and the limits of outer space, until it reverberated against the very shell of the universe. (Vedabase)

 

Text 9

Heer Krishna brak toen met twee pijlen de drietand die op Garuda afvloog in drie stukken en trof vervolgens met grote kracht zijn gezichten met meer pijlen. Daarop slingerde de duivel woedend zijn knots op Hem af.

Then with two arrows Lord Hari struck the trident flying toward Garuda and broke it into three pieces. Next the Lord hit Mura's faces with several arrows, and the demon angrily hurled his club at the Lord. (Vedabase)

 

Text 10

Die knots op Hem afvliegend werd door de Oudere Broer van Gada [Gadâgraja, Krishna] op het slagveld in duizend stukken gebroken. Toen hij daarop met zijn armen geheven op Hem afstormde, sneed de Onoverwinnelijke moeiteloos de hoofden eraf met zijn werpschijf.

As Mura's club sped toward Him on the battlefield, Lord Gadâgraja intercepted it with His own and broke it into thousands of pieces. Mura then raised his arms high and rushed at the unconquerable Lord, who easily sliced off his heads with His disc weapon. (Vedabase)

 

Text 11

Levenloos in het water neervallend met zijn hoofden eraf alsof Indra met zijn kracht een bergpiek had afgesplitst, kwamen zijn zeven zoons die zich hoogst ellendig voelden over hun vaders dood, vertoornd in actie om hem te wreken.

Lifeless, Mura's decapitated body fell into the water like a mountain whose peak has been severed by the power of Lord Indra's thunderbolt. The demon's seven sons, enraged by their father's death, prepared to retaliate. (Vedabase)

 

Text 12

Ingezet door Bhaumâsura traden Tâmra, Antariksha, S'ravana, Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân en Aruna de zevende met Pîthha voorop als hun generaal naar voren op het slagveld hun wapens met zich meedragend.

Ordered by Bhaumâsura, Mura's seven sons - Tâmra, Antariksha, S'ravana, Vibhâvasu, Vasu, Nabhasvân and Aruna - followed their general, Pîthha, onto the battlefield bearing their weapons. (Vedabase)

   

Text 13

In de aanval zetten ze kwaad en woest hun zwaarden, knotsen, speren, lansen en drietanden in tegen de Onoverwinnelijke, maar onder geen enkele omstandigheid in Zijn kunnen belemmerd door hun berg van wapens schoot de Allerhoogste Heer ze met Zijn pijlen aan gruzelementen.

These fierce warriors furiously attacked invincible Lord Krishna with arrows, swords, clubs, spears, lances and tridents, but the Supreme Lord, with unfailing prowess, cut this mountain of weapons into tiny pieces with His arrows. (Vedabase)

 

Text 14

Hun hoofden, armen, dijen benen en wapenrusting stukschietend stuurde Hij ze allemaal naar Yamarâja. Toen Bhauma, de zoon van moeder aarde, zag hoe zijn leger en aanvoerders bezweken onder de pijlen en de werpschijf van Krishna, trad hij, niet in staat dat te verdragen, naar voren met van de bronst druipende olifanten die waren geboren uit de melkoceaan.

The Lord severed the heads, thighs, arms, legs and armor of these opponents led by Pîthha and sent them all to the abode of Yamarâja. Narakâsura, the son of the earth, could not contain his fury when he saw the fate of his military leaders. Thus he went out of the citadel with elephants born from the Milk Ocean who were exuding mada from their foreheads out of excitement. (Vedabase)

 

Text 15

Toen hij Heer Krishna en Zijn echtgenote zag zitten op Garuda, als waren ze de bliksem in een wolk boven de zon, liet hij zijn S'ataghnî [een projectiel met vele punten] op Hem los en vielen tegelijkertijd al zijn soldaten aan.

Lord Krishna and His wife, mounted upon Garuda, looked like a cloud with lightning sitting above the sun. Seeing the Lord, Bhauma released his S'ataghnî weapon at Him, whereupon all of Bhauma's soldiers simultaneously attacked with their weapons. (Vedabase)

 

Text 16

De Allerhoogste Heer, de Oudere Broer van Gada, veranderde hun lichamen - en tegelijkertijd ook de lijven van de paarden en de olifanten - met verschillend gevederde scherpe pijlen in een verzameling van afgeschoten armen, dijbenen en nekken.

At that moment Lord Gadâgraja shot His sharp arrows at Bhaumâsura's army. These arrows, displaying variegated feathers, soon reduced that army to a mass of bodies with severed arms, thighs and necks. The Lord similarly killed the opposing horses and elephants. (Vedabase)

    

Text 17-19

Ieder van de puntige en stakige wapens die de strijders inzetten, o held van de Kuru's, werd door Krishna telkens met drie pijlen aan stukken geschoten. Gedragen door hem met de grote vleugels, Garuda, die met beide vleugels klappen uitdeelde, werden de olifanten verslagen. De olifanten door zijn vleugels, bek en klauwen belaagd trokken zich terug in de stad terwijl Naraka ['hel' ofwel Bhauma] doorging met de veldslag.

Lord Hari then struck down all the missiles and weapons the enemy soldiers threw at Him, O hero of the Kurus, destroying each and every one with three sharp arrows. Meanwhile Garuda, as he carried the Lord, struck the enemy's elephants with his wings. Beaten by Garuda's wings, beak and talons, the elephants fled back into the city, leaving Narakâsura alone on the battlefield to oppose Krishna. (Vedabase)

  

Text 20

Bhauma, getergd te zien hoe door Garuda zijn leger op de terugtocht werd gedrongen, viel hem aan met een speer die [ooit] de bliksemschicht [van Indra] weerstond, maar die raakte hem net zo min als je een olifant kan raken als je hem slaat met een bloem.

Seeing his army driven back and tormented by Garuda, Bhauma attacked him with his spear, which had once defeated Lord Indra's thunderbolt. But though struck by that mighty weapon, Garuda was not shaken. Indeed, he was like an elephant hit with a flower garland. (Vedabase)

 

Text 21

Om Krishna te doden nam Bhauma, gefrustreerd in zijn pogingen, zijn drietand ter hand, maar voordat hij hem zelfs maar kon lanceren, sneed de Heer met de scherpgerande schijf van Zijn cakra het hoofd van Bhaumâsura eraf terwijl die op zijn olifant zat.

Bhauma, frustrated in all his attempts, took up his trident to kill Lord Krishna. But even before he could release it, the Lord cut off his head with His razor-sharp cakra as the demon sat atop his elephant. (Vedabase)

  

Text 22

Schitterend, glimmend gesierd met oorhangers en een fraaie helm, viel dat alles bij elkaar op de grond, en aanbaden [onder uitroepen van] 'Helaas, helaas' en 'Bravo, bravo!' de wijzen en de heersende goden Heer Krishna, Hem overladend met bloemen.

Fallen on the ground, Bhaumâsura's head shone brilliantly, decorated as it was with earrings and an attractive helmet. As cries of "Alas, alas!" and "Well done!" arose, the sages and principal demigods worshiped Lord Mukunda by showering Him with flower garlands. (Vedabase)

  

Text 23

Moeder aarde die daaropvolgend Krishna benaderde bood gouden oorhangers aan die gloeiden van de glimmende edelstenen, een Vaijayantî slinger van woudbloemen en gaf Hem de parasol van Varuna en het Grote Juweel [de bergtop van Mandara].

The goddess of the earth then approached Lord Krishna and presented Him with Aditi's earrings, which were made of glowing gold inlaid with shining jewels. She also gave Him a Vaijayantî flower garland, Varuna's umbrella and the peak of Mandara Mountain. (Vedabase)

  

Text 24

De godin toen, o Koning, die met een geest vervuld van toewijding haar handen vouwde en neerboog, prees de Heer van het Universum die wordt aanbeden door de besten onder de goden.

O King, after bowing down to Him and then standing with joined palms, the goddess, her mind filled with devotion, began to praise the Lord of the universe, whom the best of demigods worship. (Vedabase)

 

Text 25

Bhûmi zei: 'Voor U mijn eerbetuigingen o God der Goden, o Heer, die de schelp, de schijf en de knots vasthoudt, U die overeenkomstig het verlangen van de toegewijden Uw verschillende gedaanten heeft aangenomen, o Allerhoogste Ziel; laat er de lof voor U zijn.

Goddess Bhûmi said: Obeisances unto You, O Lord of the chief demigods, O holder of the conchshell, disc and club. O Supreme Soul within the heart, You assume Your various forms to fulfill Your devotees' desires. Obeisances unto You. (Vedabase)

 

 Text 26

Mijn eerbetoon geldt Hem met het lotusvormige kuiltje in Zijn buik, mijn eerbied geldt Hem met de slinger van lotussen om, mijn respect voor Hem wiens blik koel is als een lotus, mijn lofprijzing geldt U met de voeten die zijn als lotussen [zoals in 1.8: 22].

My respectful obeisances are unto You, O Lord, whose abdomen is marked with a depression like a lotus flower, who are always decorated with garlands of lotus flowers, whose glance is as cool as the lotus and whose feet are engraved with lotuses. (Vedabase)

 

Text 27

Mijn eerbetuiging is er voor U, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon, het Zaad en de Volle Kennis, U breng ik de eregroet.

Obeisances unto You, the Supreme Lord Vâsudeva, Vishnu, the primeval person, the original seed. Obeisances unto You, the omniscient one. (Vedabase)

 

Text 28

Laat er de verering zijn van U, de Ongeboren Verwekker, de Onbegrensde Absolute, de Ziel der hogere en lagere energieën, de Ziel van de Schepping, de Superziel!

Obeisances unto You of unlimited energies, the unborn progenitor of this universe, the Absolute. O Soul of the high and the low, O Soul of the created elements, O all-pervading Supreme Soul, obeisances unto You. (Vedabase)

 

Text 29

U, verlangend te scheppen, o Meester, doet Zich kennen als zijnde Ongeboren [als Brahmâ], neemt voor de vernietiging de onwetendheid op U [als S'iva] en bent voor het behoud [gemanifesteerd als] de goedheid [met de vishnu-avatâra's] van het Universum [maar niettemin bent U] niet overdekt [door deze geaardheden], o Heer van Jagat [het Levende Wezen dat het Universum is]. Hoewel U Kâla [de tijd], Pradhâna [de oorspronkelijke staat der materie] en Purusha [het volledige als de oorspronkelijke Persoon] bent bestaat U er niettemin onafhankelijk van.

Desiring to create, O unborn master, You increase and then assume the mode of passion. You do likewise with the mode of ignorance when You wish to annihilate the universe and with goodness when You wish to maintain it. Nonetheless, You remain uncovered by these modes. You are time, the pradhâna, and the purusha, O Lord of the universe, yet still You are separate and distinct. (Vedabase)

 

Text 30

Dit zelf van mij, het water, het vuur en de lucht, de ether, de zinsobjecten, de halfgoden, de geest, de zintuigen, degene die handelt, het geheel van de materiële energie, kortom alles wat zich rondbeweegt of niet rondbeweegt, vormt [voor zichzelf bestaand] de verbijstering o Allerhoogste Heer, daar het zich allemaal in U bevindt, U waarbuiten zich niets bevindt [zie ook siddhânta]!

This is illusion: that earth, water, fire, air, ether, sense objects, demigods, mind, the senses, false ego and the total material energy exist independent of You. In fact, they are all within You, my Lord, who are one without a second. (Vedabase)

 

 Text 31

Deze zoon van hem [Bhauma's zoon, Bhûmi's kleinzoon] heeft in zijn angst de lotusvoeten benaderd van U die het leed wegneemt van hen die hun toevlucht zoeken; alstUblieft neem hem in bescherming en plaats op zijn hoofd Uw lotushand die alle zonde wegvaagt.'

Here is the son of Bhaumâsura. Frightened, he is approaching Your lotus feet, since You remove the distress of all who seek refuge in You. Please protect him. Place Your lotus hand, which dispels all sins, upon his head. (Vedabase)

  

Text 32

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, met deze woorden door Bhûmi met toewijding en nederigheid aanbeden, ging, om de angst weg te nemen, de verblijven binnen van Bhauma die rijk waren aan alle denkbare weelde.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus entreated by Goddess Bhûmi in words of humble devotion, the Supreme Lord bestowed fearlessness upon her grandson and then entered Bhaumâsura's palace, which was filled with all manner of riches. (Vedabase)

 

Text 33

Aldaar zag de Heer zestienduizend [**] maagden van adel die door Bhaumâsura met geweld waren weggehaald bij de koningen.

There Lord Krishna saw sixteen thousand royal maidens, whom Bhauma had taken by force from various kings. (Vedabase)

 

Text 34

Toen de vrouwen Hem, de meest uitzonderlijke van alle mannen, zagen binnenkomen, kozen ze bekoord als ze waren voor Hem die hen door het lot in de schoot was geworpen als de echtgenoot van hun dromen.

The women became enchanted when they saw that most excellent of males enter. In their minds they each accepted Him, who had been brought there by destiny, as their chosen husband. (Vedabase)

    

Text 35

Verzonken in Krishna denkend: 'Moge de voorzienigheid maken dat Hij mijn echtgenoot wordt', sloten ze Hem aldus allen stuk voor stuk in hun hart.

With the thought "May providence grant that this man become my husband," each and every princess absorbed her heart in contemplation of Krishna. (Vedabase)

 

Text 36

Schoongewassen en smetteloos gekleed stuurde Hij hen in draagstoelen naar Dvârakâ tezamen met de [buitgemaakte] enorme schat aan strijdwagens, paarden en een groot aantal andere kostbaarheden.

The Lord had the princesses arrayed in clean, spotless garments and then sent them in palanquins to Dvârakâ, together with great treasures of chariots, horses and other valuables. (Vedabase)

 

Text 37

Kes'ava stuurde ook vierenzestig snelle, witte olifanten mee met vier slagtanden die van dezelfde soort waren als Airâvata [Indra's olifant].

Lord Krishna also dispatched sixty-four swift white elephants, descendants of Airâvata, who each sported four tusks. (Vedabase)

 

Text 38-39

Zich begevend naar de verblijfplaats van de koning der goden overhandigde Hij Aditi haar oorhangers. Daarna werd Hij tezamen met Zijn geliefde [Satyabhâmâ] aanbeden door Indra de leider van de dertig [belangrijkste] halfgoden en door de echtgenote van de grote koning. Er door Zijn vrouw toe aangezet trok hij de pârijâta uit de grond, plaatste die op Garuda en bracht hem, de halfgoden verslaand [die dat bestreden], naar Zijn stad.

The Lord then went to the abode of Indra, the demigods' king, and gave mother Aditi her earrings; there Indra and his wife worshiped Krishna and His beloved consort Satyabhâmâ. Then, at Satyabhâmâ's behest the Lord uprooted the heavenly pârijâta tree and put it on the back of Garuda. After defeating Indra and all the other demigods, Krishna brought the pârijâta to His capital. (Vedabase)

  

Text 40

Helemaal vanuit de hemel gevolgd door de bijen die begeertig waren naar de zoete geur en het sap, sierde de boom eenmaal geplant de tuin op van Satyabhâmâ's verblijf.

Once planted, the pârijâta tree beautified the garden of Queen Satyabhâmâ's palace. Bees followed the tree all the way from heaven, greedy for its fragrance and sweet sap. (Vedabase)

 

Text 41

Nadat hij [Indra] zich voorover had gebogen, waarbij hij met de punten van zijn kroon Zijn voeten beroerde, en Acyuta had gesmeekt aan zijn verlangens te beantwoorden, ging hij, die grote ziel onder de halfgoden, nu hij eenmaal zijn doel bereikt had, niettemin de strijd met Hem aan [over de pârijâta]. Vervloekt zij hun weelde, wat een onbenul! [zie ook 3.3: 5].

Even after Indra had bowed down to Lord Acyuta, touched His feet with the tips of his crown and begged the Lord to fulfill his desire, that exalted demigod, having achieved his purpose, chose to fight with the Supreme Lord. What ignorance there is among the gods! To hell with their opulence! (Vedabase)

 

Text 42

Toen trouwde de Opperheer zoals het hoort met die vrouwen op één en hetzelfde tijdstip in hun verschillende verblijven, en voor dat doel nam de Onvergankelijke Ene evenzovele gedaanten aan [zie 10.58: 45, 10.69: 19-45 en B.G. 9: 15; 13: 31].

Then the imperishable Supreme Personality, assuming a separate form for each bride, duly married all the princesses simultaneously, each in her own palace. (Vedabase)

 

Text 43

Steeds zich in hun onovertroffen, allermooiste paleizen ophoudend genoot Hij, die het onvoorstelbare ten uitvoer brengt, samen met de Hem welgevallige vrouwen en beantwoordde Hij, opgaand in het genot als iedere andere man, aan Zijn huwelijkse plichten [zie ook 1.11: 37-39].

The Lord, performer of the inconceivable, constantly remained in each of His queens' palaces, which were unequaled and unexcelled by any other residence. There, although fully satisfied within Himself, He enjoyed with His pleasing wives, and like an ordinary husband He carried out His household duties. (Vedabase)

 

Text 44

De vrouwen die zo de echtgenoot van Ramâ verwierven wisten Hem te bereiken op een manier die zelfs niet voor Brahmâ en de andere goden openstaat, met zoals ze in een steeds groter plezier deelden in de altijd weer nieuwe, liefdevolle aantrekking van een omgaan met Hem in glimlachen en blikken, intieme gesprekken en bedeesdheid.

Thus those women obtained as their husband the husband of the goddess of fortune, although even great demigods like Brahmâ do not know how to approach Him. With ever-increasing pleasure they experienced loving attraction for Him, exchanged smiling glances with Him and reciprocated with Him in ever-fresh intimacy, replete with joking and feminine shyness. (Vedabase)

 

Text 45

Hem benaderend, een zitplaats biedend, van eersteklas toewijding zijnd, Zijn voeten wassend, met betelnoot van dienst zijnd, met massages en koelte toewuivend, met geuren, bloemenslingers, het verzorgen van Zijn haar, het zorgen voor Zijn bed, met baden en met het geven van kadootjes, waren ze, hoewel ze honderden dienstmeisjes hadden, [persoonlijk] de Almachtige Heer van dienst.' 

Although the Supreme Lord's queens each had hundreds of maidservants, they chose to personally serve the Lord by approaching Him humbly, offering Him a seat, worshiping Him with excellent paraphernalia, bathing and massaging His feet, giving Him pân to chew, fanning Him, anointing Him with fragrant sandalwood paste, adorning Him with flower garlands, dressing His hair, arranging His bed, bathing Him, and presenting Him with various gifts. (Vedabase)

 

* De âcârya's leggen uit dat Satyabhâmâ Krishna zou vergezellen om toestemming te verlenen om Bhauma te doden ondanks de belofte die Hij ooit deed aan Bhûmi, de godin van de aarde, haar zoon Bhauma zonder haar toestemming geen geweld aan te doen. Ook zou ze zijn meegekomen om de pârijâta bloemenboom mee te nemen die Krishna haar had beloofd nadat Hij voor Rukminî zo'n bloem had meegebracht [zie ook 10.50: 54 en3.3: 5].

** Wat betreft het precieze aantal van Krishna's koninginnen bestaat er geen absolute enigheid. Hier staat geschreven 16000. De Vishnu Purâna V.19 - 9.31 maakt melding van 16100 dames terwijl nog weer anderen spreken van 16001 van hen. Het vers 10.90: 29 niet meegerekend dat ook melding maakt van meer dan 16100 stuks, zouden zuiver redenerend vanuit de Bhâgavatam verhalen alleen, er 16008 koninginnen zijn [zie ook voorgaande voetnoot].

 

 

 

 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Mukunda Murâri dâsa en het derde van Syamarani dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties