Canto
10
Hoofdstuk 13: Heer Brahmâ Steelt de Jongens en Kalveren
(1) S'rî S'uka zei: 'U hebt heel goede vragen gesteld en bent zo een fortuinlijk mens, o beste van de toegewijden, omdat u een nieuwe glans verleent met uw wens de verhalen over de Heer telkens weer opnieuw te willen horen. (2) Het is dit wat de waarachtigen onderscheidt die de essentie van het leven aanvaardden: dat wat het doel van het leven is, wat hun begrijpen is en waar hun geesten vol van zijn, doet, als ze het ter sprake brengen in verband met de Onfeilbare, zich voor hen ondanks de herhalingen telkens weer voor als zijnde nieuw, precies zoals voor een rokkenjager elke vrouw weer nieuw lijkt. (3) Alstublieft luister goed o Koning, ik zal u erover vertellen hoewel het een vertrouwelijke aangelegeheid is, omdat voor een liefdevolle toegewijde goeroes zelfs over verborgen zaken uitleg verschaffen.
(4) Nadat Hij al de jongens en kalveren uit de bek had gered van die dodelijke Agha, bracht de Allerhoogste Heer ze naar de oever van de rivier en sprak Hij deze woorden: (5) 'O hoe prachtig deze oever, beste vrienden, met alle gelegenheid die hij biedt om te spelen, zijn zachte schone zand, de geur van de bloeiende lotussen die de hommels aantrekt en de geluiden van de tjilpende vogels overal eromheen in de vele bomen! (6) Laten we hier eten, het is al laat en we zijn slapjes van de honger; na het drenken van de kalveren in het water, kunnen ze op hun gemak van het gras hier in de buurt eten.' (7) Zoals gezegd lieten ze de kalveren drinken van het water, brachten ze ze naar het malse gras, openden ze hun lunchpakketten en genoten ze heel gelukkig samen de maaltijd met de Allerhoogste Heer.(8) In een grote kring naar binnen kijkend met een gelukkig gezicht groepeerden de jongens van Vraja zich rondom Krishna en zagen er op die manier neerzittend in het woud zo prachtig uit als de blaadjes en bladeren die de werveling van een lotusbloem vormen. (9) Om als bord te dienen bij het eten gebruikten sommigen bloembladeren terwijl anderen zich bedienden van hoopjes bladeren, vruchten en twijgjes, hun eigen pakketten, boomschors of een stuk steen. (10) Ieder van hen liet de rest proeven van zijn eigen favoriete eten en zo hadden ze er lol in samen met de Heer hun middageten te genieten. (11) Met Zijn fluit weggestopt in Zijn gordel en de hoorn en de staf aan Zijn linker zijde, nam Hij de yoghurtrijst en de smakelijke vruchten tussen Zijn vingers. Terwijl Hij zo in het midden zat van de kring van Zijn kameraadjes maakte Hij ze aan het lachen met grappen uit eigen koker. En zo zagen de bewoners van de hemel hoe de Genieter van alle Offers opging in Zijn spel en vermaak als een kind. (12) O nazaat van Bharata, terwijl de Onfeilbare op deze manier samen met de koeherdertjes zo intiem aan het eten was, waren de kalveren op zoek naar gras diep het bos ingelopen. (13) Toen Krishna, de Vrees der Vrees, dat ontdekte zei Hij tot de jongens die zich zorgen maakten: 'O vrienden, blijf zitten waar je zit, ik zal de kalfjes hier weer netjes terugbrengen!' (14) Ze dit gezegd hebbend ging Krishna, de Allerhoogste Heer, met een beetje eten in Zijn hand, eropuit om overal in de bergen, grotten, bosschages en beschutte plekken te speuren naar de kalveren van Zijn vriendjes.
(15) Hij geboren uit de lotus [Brahmâ] zich ophoudend in het voorbije was zeer gecharmeerd van de manier waarop de Heer de jongens betoverde en alleen maar om er meer van te zien voerde hij de jongens en de kalfjes weg om ze elders te verbergen, o man van de Kuru-band. Deze autoriteit van de hemel die voordien getuige was geweest van de verlossing van Aghâsura, was zeer verbaasd geraakt over de Alvermogende Persoonlijkheid [zie voetnoot*]. (16) Toen Hij noch de kalveren noch de jongens kon vinden zocht Krishna het hele bos af. (17) De kalfjes noch hun zorgdagers ook maar ergens bekennend in het woud begreep Krishna, Zich bewust van alles wat er gaande is in het universum, meteen dat dit het werk was van Vidhi [Heer Brahmâ]. (18) Daarop breidde Krishna, als de Beheerser die het ganse universum bestiert, zich uit tot de twee gedaanten [van zowel de jongens als de kalfjes], om zowel hun moeders als hem [Brahmâ] een plezier te doen. (19) Exact hetzelfde als de koeherdersjongens en hun kwetsbare kalfjes met dezelfde afmetingen van benen en handen, met dezelfde hoorns, fluiten, stokken en pakketten en dergelijke; met dezelfde sierselen en uitdossing in alle opzichten; met precies hun karakter, gewoonten, trekken, kenmerken en neigingen, en van hetzelfde spel en spelen, nam de Ongeborene als Vishnu zich uitbreidend feilloos hun identiteit aan in ieder detail overeenkomend qua woorden en voorkomen. (20) Persoonlijk zo op verschillende manieren genietend van het gezelschap dat Hij Zichzelf bood aan kalveren en hoedende koeherders, ging Hij, de Ziel van Allen, toen Vraja binnen. (21) Afzonderlijk Zichzelf in de vorm van de verschillende kalveren naar de verschillende koeienschuren brengend ging Hij toen, met het Zich in Zijn expanderen verdeeld hebben in verschillende personen, o Koning, de verschillende huizen binnen. (22) Hun moeders vergaten, zo gauw ze het geluid van hun fluiten hoorden, waar ze mee bezig waren en tilden de jongens als veertjes op in hun armen om ze te knuffelen en ze, nat van de liefde, te laten drinken van hun naar nectar smakende moedermelk; aldus hun zoons voedend waren ze van respect voor de Hoogste Heer. (23) Iedere keer dat Mâdhava 's avonds thuis zo kwam, o heerser der mensen, klaar met wat er moest worden gedaan, droegen ze zorg door Hem te masseren, te baden, te oliën, Hem op te sieren, mantra's te zingen voor Zijn bescherming, met tilaka tekens aan te brengen en [al de jongens die Hij was] goed te eten te geven. (24) Ook de kalfjes die naar hun schuren waren gebracht werden meteen geroepen door hun luid loeiende moeders die, ieder door hun eigen kalf gevolgd, hen steeds weer likten en ze voedden met de melk vloeiend uit hun uiers. (25) Koe en gopî waren hierin even liefdevol als gebruikelijk, zij het dat er extra liefde van hen uitging voor hen op een manier die ze nog niet eerder hadden gevoeld, en ook was er een onmiddelijke reactie van hun kinderen die echter, nu ze Hem als hun zoon hadden, geheel vrij was van de begoocheling [van het 'ik' en 'mijn']. (26) Voor de duur van een jaar groeide aldus zonder ophouden geleidelijk aan bij alle bewoners van Vraja de wingerd van de toewijding voor hun kinderen met de manier waarop ze nu, als nooit tevoren, van zoveel liefde waren voor hun eigen kinderen als ze voorheen waren voor Krishna. (27) Op deze manier handhaafde Zich de Opperziel, die middels Zichzelf in de gedaante van de koeherdersjongens Zichzelf hoedde in de vorm van de kalveren, voor de tijd van een jaar, gelukkig spelend in de gemeenschap en het bos.
(28) Op een dag, toen op vijf of zes dagen na een heel jaar was verstreken, ging de Ongeboren Heer, met Balarâma zorgdragend voor de kalveren, het woud in. (29) Niet ver van Vraja op zoek naar gras voor hun kalfjes, werden zij vervolgens van niet al te ver opgemerkt door de moederkoeien die graasden op de Govardhana heuvel (30) Op het moment dat ze ze zagen vergaten ze, in de greep van de liefde, de kudde en braken ze, ondanks het lastige pad, met hun nekken omhoog tegen hun bulten in galop weg van hun verzorgers, kop en staart geheven en melk druppelend terwijl ze luid loeiend zich derwaarts haastten.(31) Toen de koeien zich bij hun kalveren voegden aan de voet van de heuvel likten ze, ondanks dat ze reeds opnieuw hadden gekalfd, hun ledematen en voedden ze ze zorgzaam met de melk die van hen vloeide alsof ze pasgeboren kalfjes waren. (32) De gopa's gefrustreerd in hun pogingen ze van het moeilijke en gevaarlijke pad te houden, schaamden zich er diep over dat ze zo boos waren geworden toen ze, daar aangekomen, hun zonen met de koeien en kalveren zagen. (33) Met hun geesten badend in een staat van opperste, bovenzinnelijke liefde verdween met die grote aantrekking hun boosheid als sneeuw voor de zon waarop zij, hun jongens vervolgens optillend in hun armen om ze te omhelzen, het hoogste genoegen beleefden toen ze hun neus in hun haar konden drukken. (34) Daarna, helemaal blij van de omhelzingen, maakten de gopa's zichzelf met moeite los van hen en hadden ze de tranen in hun ogen als ze er weer aan terugdachten. (35) Toen Balarâma de overmaat aan liefde zag en de niet aflatende gehechtheid van alle bewoners van Vraja, hoe zeer hun kinderen ook de moederborst waren ontgroeid, kon Hij niet begrijpen wat hier de reden van was en overwoog Hij voor zichzelf: (36) 'Wat voor een wonder speelt zich hier af? De goddelijke liefde [prema] van allen hier in Vraja en Mezelf inbegrepen voor de kinderen en voor Vâsudeva, de Ziel van het Volkomen Geheel, is nog nooit zo groot geweest! (37) Wie zou hier achter zitten, wat is haar oorsprong; betreft het een goddelijk wezen, is het een vrouw of is het een duivelin? In ieder geval moet het de bijzondere genade [Mâyâ-devî] van Mijn Handhaver zijn, wie anders zou Mij nu kunnen betoveren?' (38) Het overdenkend zag Hij door de ogen van de transcendentie al de kalveren tezamen met hun begeleiders als [niemand anders dan] de Heer van Vaikunthha. (39) 'Deze jongens zijn geen [geïncarneerde] meesters der verlichting, noch zijn deze kalveren grote wijzen. U, o Allerhoogste Beheerser bent het alleen die Zich manifesteert in al de verscheidenheid van het bestaan; hoe kan U nu tegelijkertijd alles zijn wat er bestaat? Zeg Me wat precies Uw woord is in dezen'; en met deze beheersing en tegenwoordigheid van geest kwam Baladeva tot begrip voor de situatie [**].
(40) De zelfgeborene [Brahmâ] die na zo'n lange tijd terugkeerde, hoewel het slechts een ogenblik was naar zijn eigen tijdrekening [zie kalpa], zag dat een jaar later de Heer tezamen met Zijn expansies als voorheen aan het spelen was. (41) [Hij zei tot zichzelf:] 'Omdat al de jongens van Gokula tezamen met hun kalveren diep in slaap verzonken zijn op het bed van mijn begoochelende macht kan het niet zo zijn dat zij vandaag weer zouden zijn opgestaan. (42) Daarom vraag ik me af waar dezen hier vandaan kwamen; ze verschillen van degenen die begoocheld zijn door mijn macht van illusie, niettemin tref ik een zelfde aantal van hen aan een heel jaar samen spelend met Vishnu!' (43) Op deze manier een lange tijd zich bezinnend op het verschil tussen hen kon hij, de uit zichzelf geborene, met geen mogelijkheid uitmaken wie nu echt was en wie niet. (44) En zo was zelfs hij, die ongeziene, in feite door zijn eigen mystieke macht begoocheld - hij inderdaad die Vishnu in nevelen wilde hullen, Vishnu die Zelf boven alle misvatting verheven, het ganse universum in raadselen hult. (45) Zo zinloos als een moeilijk te onderscheiden mist gedurende de nacht en het licht van een gloeiworm gedurende de dag zal een persoon van een minder mystiek vermogen niets anders dan zijn zelfvernietiging realiseren als hij zijn vermogen probeert in te zetten tegen een grote persoonlijkheid.(46) En terwijl hij, de zelfgeborene, hen gadesloeg werden kalf en koeherder datzelfde moment door hem gezien als hebbende een huid met de kleur van een regenwolk en een aankleding van gele zijde. (47-48) Met vier armen, met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, met helmen, oorhangers, halssnoeren en slingers van woudbloemen; met de s'rîvatsa, het juweel bij Hun schelp-gestreepte nekken en met armbanden om Hun polsen; met versieringen aan Hun voeten en banden om Hun enkels, schenen Ze allerprachtigst toe met Hun gordels en ringen om Hun vingers. (49) Van kop tot teen waren al Hun leden bedekt door strengen verse, zachte tulsî geofferd door hen die van grote verdienste zijn [zie ook 10.12: 7-11]. (50) Met Hun glimlachen stralend als de maneschijn en de heldere blikken van Hun rossige ogen waren Ze, gelijk de geaardheden van [de witte] goedheid en [rode] hartstocht, de scheppers en beschermers van de verlangens van Hun toegewijden [vergelijk 10.3: 20]. (51) Het Loffelijk Oerwezen [Vishnu alzo] werd door het eerste levende wezen [Brahmâ] tot aan het kleinste polletje gras, met gedaanten bewegend en niet bewegend, uiteenlopend aanbeden met dans en gezang. (52) Ieder van Hen werd omringd door al de heerlijkheid der volmaaktheden [siddhi's, zijn als de kleinste etc.], de mystieke vermogens met Ajâ [***] voorop en de vierentwintig elementen van de schepping met het geheel van hen [de mahat-tattva] als eerste. (53) Ze werden aanbeden door de tijdsfactor [kâla], de individuele aard [svabhâva], de reformatie [samskâra], het verlangen [kâma], het vruchtdragend handelen [karma], de geaardheden [guna] en anderen van wie, met het door een ieder van Hen aannemen van een gedaante, de grootheid werd verslagen door Zijn heerlijkheid [zie ook B.G. 13: 22]. (54) Zij als niets anders dan eeuwigheid, geestelijke kennis, het onbegrensde en het gelukzalige, daar aanwezig in gedaanten van de Ene Vervoering, waren in Hun heerlijkheid van een grootsheid die zelfs buiten het bereik lag van de zieners die zich bezighouden met de filosofie [zie ook 1.2: 12 en *4]. (55) Aldus zag de zelfgeboren Brahmâ, tegelijk op het zelfde moment, het geheel van Hen als expansies van de Allerhoogste Absolute Waarheid [para-brahman] door wiens gloed dit alles, bewegend of niet-bewegend, wordt gemanifesteerd. (56) Toen door Hun uitstraling gevangen in gelukzaligheid en geschokt in al zijn elf zinnen, viel de zelfgeborene stil als de pop van een kind in de aanwezigheid van de plaatselijke beeltenis van God.
(57) Begrijpend dat de heer van Irâ [Brahmâ's metgezel Sarasvatî] aldus in raadselen verkeerde door de weerlegging van al het irrelevante, door dat [Opperste Brahman] gekend in de Veda's, door dat zelfgemanifesteerde gelukzalige boven de materiële energie dat zijn heerlijkheid overtrof en dat hij er geen hoogte van kon krijgen wat dit alles was, rukte Hij die Nimmer wordt Geboren [Krishna] in één keer de sluier van yogamâyâ weg [zie ook 7.7: 23]. (58) Toen, met zijn uitwendige bewustzijn weer tot leven gewekt, stond hij als een dodeman met moeite op en opende hij zijn ogen om dit universum te aanschouwen met zichzelf erbij. (59) Op dat moment inderdaad in alle richtingen kijkend zag hij, zich recht voor hem bevindend, Vrindâvana dat rijk zo met haar bomen en aangenaam in alle seizoenen haar bewoners onderhoudt.(60) Aldaar, in die verblijfplaats van de Onoverwinnelijke, leven mens en dier, van nature elkaar vijandig gezind, tezamen als vrienden en is alle woede, dorst en dat alles op de vlucht geslagen. (61) Daar zag hij die zich ophoudt in het voorbije [Brahmâ], Hem, de Absolute Waarheid zonder Zijns gelijke, het Allerhoogste Onbegrensde van een onpeilbare kennis, in Zijn aannemen van de rol van een kind in een koeherdersgezin, zoals Hij voordien was, helemaal alleen overal op zoek naar Zijn kalfjes en jongens met een beetje eten in Zijn hand [*5]. (62) Toen hij dat zag kwam hij snel van zijn draagdier [de zwaan] naar beneden en viel hij als een gouden staf plat op de grond met de tippen van zijn vier kronen Zijn twee voeten beroerend en volbracht hij al buigend een baadceremonie met het zuivere water van zijn vreugdetranen. (63) Keer op keer denkend over wat hij voorheen had gezien, zeeg hij gedurende een lange tijd neer en stond hij weer op aan de voeten van Krishna, de grootheid daar aanwezig. (64) Geleidelijk aan toen weer overeind komend wreef hij zijn ogen uit opkijkend naar Mukunda en met zijn hoofd voorover gebogen, een trillend lijf en een haperende stem prees hij Hem nederig met gevouwen handen en een bezonken geest.'Tweede editie, geladen 6 april 2008.
Bronteksten:
Brahmâ steelt de jongens en kalveren
S'rî S'uka zei: 'U hebt heel goede vragen gesteld en bent zo een fortuinlijk mens, o beste van de toegewijden, omdat u een nieuwe glans verleent met uw wens de verhalen over de Heer telkens weer opnieuw te willen horen.S'rîla S'ukadeva Gosvâmî zei: O beste van de toegewijden, zeer fortuinlijke Parîkshit, u hebt me goede vragen gesteld, want hoewel u voortdurend naar de beschrijvingen van het spel en vermaak van de Heer luistert, ervaart u ze telkens weer als nieuw. (Vedabase)
Het is dit wat de waarachtigen onderscheidt die de essentie van het leven aanvaardden: dat wat het doel van het leven is, wat hun begrijpen is en waar hun geesten vol van zijn, doet, als ze het ter sprake brengen in verband met de Onfeilbare, zich voor hen ondanks de herhalingen telkens weer voor als zijnde nieuw, precies zoals voor een rokkenjager elke vrouw weer nieuw lijkt.
Paramahamsa's, toegewijden die de essentie van het leven aanvaard hebben, zijn tot in het diepst van hun hart aan Krishna gehecht, en Hij is het doel van hun leven. Ze zijn van nature geneigd om altijd en alleen maar te spreken over onderwerpen die betrekking hebben op Krishna, alsof die onderwerpen telkens nieuwer zijn. Ze zijn net zo aan die onderwerpen gehecht als materialisten gehecht zijn aan onderwerpen met betrekking tot vrouwen en seks. (Vedabase)
Alstublieft luister goed o Koning, ik zal u erover vertellen hoewel het een vertrouwelijke aangelegeheid is, omdat voor een liefdevolle toegewijde goeroes zelfs over verborgen zaken uitleg verschaffen.
O koning, luister alstublieft aandachtig naar me. Hoewel de activiteiten van de Allerhoogste Heer zeer vertrouwelijk zijn en een gewoon mens ze niet begrijpen kan, zal ik u erover vertellen, want geestelijk leraren leggen aan een nederige discipel zelfs onderwerpen uit die zeer vertrouwelijk en moeilijk te begrijpen zijn. (Vedabase)
Nadat Hij al de jongens en kalveren uit de bek had gered van die dodelijke Agha, bracht de Allerhoogste Heer ze naar de oever van de rivier en sprak Hij deze woorden:
Nadat Hij de jongens en de kalveren gered had uit de bek van Aghâsura, die de dood in persoon was, nam Heer Krishna, de Allerhoogste Godspersoon, hen allemaal mee naar de oever van de rivier en sprak de volgende woorden. (Vedabase)
'O hoe prachtig deze oever, beste vrienden, met alle gelegenheid die hij biedt om te spelen, zijn zachte schone zand, de geur van de bloeiende lotussen die de hommels aantrekt en de geluiden van de tjilpende vogels overal eromheen in de vele bomen!
Beste vrienden, kijk toch eens hoe bijzonder mooi deze rivieroever door zijn aangename sfeer is, en zie eens hoe de bloeiende lotussen met hun geur de bijen en vogels aantrekken. Het gezoem van de bijen en getjilp van de vogels echoot tussen de prachtige bomen in het woud. Ook is het zand hier zuiver en zacht. Daarom is dit zondermeer de beste plek om te spelen en ons te vermaken. (Vedabase)
Laten we hier eten, het is al laat en we zijn slapjes van de honger; na het drenken van de kalveren in het water, kunnen ze op hun gemak van het gras hier in de buurt eten.'
Ik denk dat we hier onze lunch moeten nemen, want het is al erg laat en daarom zijn we hongerig. Hier kunnen de kalveren water drinken, rustig rondlopen en gras eten. (Vedabase)
Zoals gezegd lieten ze de kalveren drinken van het water, brachten ze ze naar het malse gras, openden ze hun lunchpakketten en genoten ze heel gelukkig samen de maaltijd met de Allerhoogste Heer.
Het voorstel van Heer Krishna werd aangenomen. De koeherdersjongens lieten de kalveren water uit de rivier drinken en bonden ze toen vast aan de bomen waar het gras groen en mals was. Vervolgens opende de jongens hun mandjes waar hun lunch in zat en begonnen met veel transcendentaal plezier samen met Krishna te eten. (Vedabase)
In een grote kring naar binnen kijkend met een gelukkig gezicht groepeerden de jongens van Vraja zich rondom Krishna en zagen er op die manier neerzittend in het woud zo prachtig uit als de blaadjes en bladeren die de werveling van een lotusbloem vormen.
Als het hart van een lotus, omringd door bloemblaadjes en bladeren, zat Krishna in het centrum, omringd door rijen vrienden die er allemaal prachtig uitzagen. Ieder van hen probeerde Krishna aan te kijken, in de hoop dat Krishna naar hem zou kijken. Zo genoten ze allemaal van hun lunch in het woud. (Vedabase)
Om als bord te dienen bij het eten gebruikten sommigen bloembladeren terwijl anderen zich bedienden van hoopjes bladeren, vruchten en twijgjes, hun eigen pakketten, boomschors of een stuk steen.
Sommige koeherdersjongens stalden hun lunch uit op bloemen, sommige op bladeren, sommige op vruchten, sommige op hoopjes bladeren, sommige in hun mandjes zelf, sommigen op stukken boomschors en sommige op stenen. Dit is wat de kinderen zich als borden voorstelden terwijl ze hun lunch namen. (Vedabase)
Ieder van hen liet de rest proeven van zijn eigen favoriete eten en zo hadden zeer lol in samen met de Heer hun middageten te genieten.
Alle koeherdersjongens genoten van hun lunch met Krishna en lieten elkaar de verschillende smaken proeven van de diverse gerechten die ze van huis meegenomen hadden. Terwijl ze elkaars gerechten proefden, moesten ze lachen en maakten elkaar aan het lachen. (Vedabase)
Met Zijn fluit weggestopt in Zijn gordel en de hoorn en de staf aan Zijn linker zijde, nam Hij de yoghurtrijst en de smakelijke vruchten tussen Zijn vingers. Terwijl Hij zo in het midden zat van de kring van Zijn kameraadjes maakte Hij ze aan het lachen met grappen uit eigen koker. En zo zagen de bewoners van de hemel hoe de Genieter van alle Offers opging in Zijn spel en vermaak als een kind.
Krishna is yajña-bhuk - Hij eet alleen datgene wat in yajña's geofferd wordt - maar omwille van Zijn kinderspel zat Hij daar nu met Zijn fluit aan Zijn rechterzijde tussen Zijn strakke kleding en Zijn middel, en Zijn herderszoon en drijfstok voor de koeien aan Zijn linkerzijde. Hij hield een zalig gerecht van yoghurt en rijst en stukjes bijpassend fruit tussen Zijn vingers, en zat daar als het hart van een lotus, waarbij Hij al Zijn vrienden aankeek, persoonlijk grapjes met hen maakte en hen onder het eten deed schateren van het lachen. De hemelbewoners, die op dat moment toekeken, stonden versteld over het feit dat de Godspersoon, die alleen bij yajña's eet, nu met Zijn vrienden in het woud Zijn lunch nam. (Vedabase)
O nazaat van Bharata, terwijl de Onfeilbare op deze manier samen met de koeherdertjes zo intiem aan het eten was, waren de kalveren op zoek naar gras diep het bos ingelopen.
O Mahârâja Parîkshit, terwijl de koeherdersjongens, die in het diepst van hun hart niets anders kenden dan Krishna, met elkaar in het woud hun lunch namen, liepen de kalveren, door het groene gras verleid, ver weg het dichte woud in. (Vedabase)
Toen Krishna, de Vrees der Vrees, dat ontdekte zei Hij tot de jongens die zich zorgen maakten: 'O vrienden, blijf zitten waar je zit, ik zal de kalfjes hier weer netjes terugbrengen!'
Toen Krishna zag dat Zijn vrienden, de koeherdersjongens, bang werden, nam Hij, de geduchte meester van de angst zelf, hun angst weg met de woorden: "Beste vrienden, hou niet op met eten. Ik ga Zelf achter jullie kalveren aan en zal ze hier terugbrengen." (Vedabase)
Ze dit gezegd hebbend ging Krishna, de Allerhoogste Heer, met een beetje eten in Zijn hand, eropuit om overal in de bergen, grotten, bosschages en beschutte plekken te speuren naar de kalveren van Zijn vriendjes.
"Laat Mij de kalveren zoeken" zei Krishna. "Laat je plezier niet onderbreken." Vervolgens vertrok de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, de rijst met yoghurt in Zijn hand meenemend, om de kalveren van Zijn vrienden te zoeken. Om Zijn vrienden een plezier te doen, doorzocht Hij alle bergen, berggrotten, bosjes en nauwe doorgangen. (Vedabase)
Hij geboren uit de lotus [Brahmâ] zich ophoudend in het voorbije was zeer gecharmeerd van de manier waarop de Heer de jongens betoverde en alleen maar om er meer van te zien voerde hij de jongens en de kalfjes weg om ze elders te verbergen, o man van de Kuru-band. Deze autoriteit van de hemel die voordien getuige was geweest van de verlossing van Aghâsura, was zeer verbaasd geraakt over de Alvermogende Persoonlijkheid [zie voetnoot*].
O Mahârâja Parîkshit, Heer Brahmâ, die op de hogere planeten in de hemel verblijft, had de activiteiten van de almachtige Krishna gadegeslagen toen deze Aghâsura doodde en verloste, en was stomverbaasd. Nu wilde diezelfde Brahmâ eens wat van zijn eigen macht laten zien en tegelijkertijd de macht testen van Krishna, die Zich als een kind vermaakte alsof Hij met gewone koeherdersjongens speelde. Daarom bracht Brahmâ de jongens en kalveren tijdens Krishna's afwezigheid naar een andere plek. Zo raakte hij verstrikt, want binnen niet al te lange tijd zou hij inderdaad zien hoe machtig Krishna is. (Vedabase)
Toen Hij noch de kalveren noch de jongens kon vinden zocht Krishna het hele bos af.
Toen Krishna de kalveren niet kon vinden, keerde Hij terug naar de oever van de rivier, maar daar zag Hij dat ook de koeherdersjongens verdwenen waren. Daarom begon Hij zowel naar de kalveren als de jongens te zoeken, alsof Hij niet begreep wat er gebeurd was. (Vedabase)
De kalfjes noch hun zorgdagers ook maar ergens bekennend in het woud begreep Krishna, Zich bewust van alles wat er gaande is in het universum, meteen dat dit het werk was van Vidhi [Heer Brahmâ].
Toen Krishna de kalveren en hun verzorgers, de koeherdersjongens, nergens in het woud kon vinden, begreep Hij plotseling dat dit het werk van Brahmâ was. (Vedabase)
Daarop breidde Krishna, als de Beheerser die het ganse universum bestiert, zich uit tot de twee gedaanten [van zowel de jongens als de kalfjes], om zowel hun moeders als hem [Brahmâ] een plezier te doen.
Om zowel Brahmâ als de moeders van de kalveren en de koeherdersjongens een plezier te doen, expandeerde Krishna, de schepper van de hele kosmische openbaring, Zich toen als de kalveren en de koeherdersjongens. (Vedabase)
Exact hetzelfde als de koeherdersjongens en hun kwetsbare kalfjes met dezelfde afmetingen van benen en handen, met dezelfde hoorns, fluiten, stokken en pakketten en dergelijke; met dezelfde sierselen en uitdossing in alle opzichten; met precies hun karakter, gewoonten, trekken, kenmerken en neigingen, en van hetzelfde spel en spelen, nam de Ongeborene als Vishnu zich uitbreidend feilloos hun identiteit aan in ieder detail overeenkomend qua woorden en voorkomen.
Door middel van Zijn Vâsudeva-aspect expandeerde Krishna Zich gelijktijdig in precies evenveel koeherdersjongens en kalveren als er vermist werden, met hun specifieke lichamelijke kenmerken, hun specifieke handen, benen en andere ledematen, hun stokken, hoorns en fluiten, hun lunchpakketjes, hun specifieke soorten kleding en op verschillende manieren aangebrachte sieraden, hun namen, leeftijden en voorkomens, en hun typerende activiteiten en eigenschappen. Door Zich op deze wijze te expanderen, bevestigde de prachtige Krishna de uitspraak, samagra-jagad vishnumayam: "Heer Vishnu is alomtegenwoordig." (Vedabase)
Persoonlijk zo op verschillende manieren genietend van het gezelschap dat Hij Zichzelf bood aan kalveren en hoedende koeherders, ging Hij, de Ziel van Allen, toen Vraja binnen.
Toen Hij Zichzelf geëxpandeerd had als de kalveren en koeherdersjongens zoals ze allemaal waren, en tegelijkertijd als hun leider optrad, betrad Krishna, terwijl Hij van hun gezelschap genoot, Vrajabhûmi, het land van Zijn vader, Nanda Mahârâja, zoals Hij dat altijd deed. (Vedabase)
Afzonderlijk Zichzelf in de vorm van de verschillende kalveren naar de verschillende koeienschuren brengend ging Hij toen, met het Zich in Zijn expanderen verdeeld hebben in verschillende personen, o Koning, de verschillende huizen binnen.
O Mahârâja Parîkshit, Krishna, die Zichzelf in verschillende kalveren en koeherdersjongens geëxpandeerd had, ging als de kalveren verschillende stallen binnen en betrad vervolgens als de jongens verschillende huizen. (Vedabase)
Hun moeders vergaten, zo gauw ze het geluid van hun fluiten hoorden, waar ze mee bezig waren en tilden de jongens als veertjes op in hun armen om ze te knuffelen en ze, nat van de liefde, te laten drinken van hun naar nectar smakende moedermelk; aldus hun zoons voedend waren ze van respect voor de Hoogste Heer.
Bij het horen van het geluid van de fluiten en hoorns waarop hun zonen speelden, lieten de moeders van de jongens hun huishoudelijk werk onmiddellijk voor wat het was, namen hun jongens op schoot, sloegen beide armen om hen heen en lieten ze hun borstmelk drinken, die naar buiten vloeide vanwege hun bijzonder intense liefde, met name voor Krishna. Krishna is in wezen alles, maar op dat moment gaven ze uiting aan intense liefde en genegenheid en vonden het een bijzonder genoegen om Krishna, de Parabrahman, te voeden. Krishna dronk de melk van Zijn respectievelijke moeders alsof het nectar was. (Vedabase)
Iedere keer dat Mâdhava 's avonds thuis zo kwam, o heerser der mensen, klaar met wat er moest worden gedaan, droegen ze zorg door Hem te masseren, te baden, te oliën, Hem op te sieren, mantra's te zingen voor Zijn bescherming, met tilaka tekens aan te brengen en [al de jongens die Hij was] goed te eten te geven.
O Mahârâja Parîkshit, vervolgens keerde Krishna volgens het vaste verloop van Zijn activiteiten in de avond terug, ging het huis van ieder van de koeherdersjongens binnen en gedroeg Zich precies zoals zij dat deden, waarmee Hij hun moeders veel transcendentaal plezier bezorgde. De moeders masseerden de jongens met olie, baadden ze, smeerden hun lichamen in met sandelhoutpulp, versierden ze met juwelen, chantten beschermende mantra's, brachten tilaka aan op hun lichamen en gaven ze te eten. Zo dienden de moeders Krishna persoonlijk. (Vedabase)
Ook de kalfjes die naar hun schuren waren gebracht werden meteen geroepen door hun luid loeiende moeders die, ieder door hun eigen kalf gevolgd, hen steeds weer likten en ze voedden met de melk vloeiend uit hun uiers.
Toen gingen de koeien hun verschillende stallen in en begonnen luid te loeien om hun kalveren. Toen de kalveren kwamen, likten de moeders ze onophoudelijk en lieten ze de melk drinken die rijkelijk uit hun uiers vloeide. (Vedabase)
Koe en gopî waren hierin even liefdevol als gebruikelijk, zij het dat er extra liefde van hen uitging voor hen op een manier die ze nog niet eerder hadden gevoeld, en ook was er een onmiddelijke reactie van hun kinderen die echter, nu ze Hem als hun zoon hadden, geheel vrij was van de begoocheling [van het 'ik' en 'mijn'].
Vroeger, van het begin af aan, voelden de gopî's al moederliefde voor Krishna. Hun liefde voor Krishna was voorwaar zelfs groter dan voor hun eigen zonen. In het uiten van hun liefde hadden ze dus een onderscheid gemaakt tussen Krishna en hun eigen zonen, maar nu was dat verschil echter verdwenen. (Vedabase)
Voor de duur van een jaar groeide aldus zonder ophouden geleidelijk aan bij alle bewoners van Vraja de wingerd van de toewijding voor hun kinderen met de manier waarop ze nu, als nooit tevoren, van zoveel liefde waren voor hun eigen kinderen als ze voorheen waren voor Krishna.
Hoewel de inwoners van Vrajabhûmi, de koeherders en koeherderinnen, vroeger meer genegenheid voor Krishna gevoeld hadden dan voor hun eigen kinderen, nam de liefde voor hun eigen zonen, doordat Krishna hun zonen geworden was, nu een jaar lang voortdurend toe. Er kwam geen eind aan de groeiende genegenheid voor hun zonen, die nu Krishna waren. Iedere dag vonden ze nieuwe inspiratie om evenveel van hun kinderen te houden als ze van Krishna hielden. (Vedabase)
Op deze manier handhaafde Zich de Opperziel, die middels Zichzelf in de gedaante van de koeherdersjongens Zichzelf hoedde in de vorm van de kalveren, voor de tijd van een jaar, gelukkig spelend in de gemeenschap en het bos.
Op deze wijze was Heer S'rî Krishna, die Zelf de koeherdersjongens en kalveren geworden was, Zijn eigen hoeder. Zo vervolgde Hij een jaar lang Zijn spel en vermaak in Vrindâvana en in het woud. (Vedabase)
Op een dag, toen op vijf of zes dagen na een heel jaar was verstreken, ging de Ongeboren Heer, met Balarâma zorgdragend voor de kalveren, het woud in.
Op een dag, vijf of zes nachten voordat het jaar om was, ging Krishna samen met Balarâma het woud in om de kalveren te hoeden. (Vedabase)
Toen, niet ver van Vraja op zoek naar gras voor hun kalfjes, werden zij van niet al te ver opgemerkt door de moederkoeien die graasden op de Govardhana heuvel
Toen keken de koeien, die bovenop de heuvel Govardhana aan het grazen waren, naar beneden, op zoek naar groen gras, en zagen dat hun kalveren vlakbij graasden, niet ver van Vrindâvana. (Vedabase)
Op het moment dat ze ze zagen vergaten ze, in de greep van de liefde, de kudde en braken ze, ondanks het lastige pad, met hun nekken omhoog tegen hun bulten in galop weg van hun verzorgers, kop en staart geheven en melk druppelend terwijl ze luid loeiend zich derwaarts haastten.
Toen de koeien vanaf de top van de heuvel Govardhana hun eigen kalveren zagen, voelden ze zo veel genegenheid dat ze zichzelf en hun verzorgers volkomen vergaten, en hoewel het pad erg hobbelig was, renden ze vol verlangen naar hun kalveren toe, waarbij het leek alsof ze maar één stel poten hadden. Met hun uiers zo vol dat de melk eruit stroomde, hun koppen en staarten in de lucht, en hun bulten meedansend met hun nekken, daverden ze naar beneden tot ze hun kalveren bereikt hadden en die konden voeden. (Vedabase)
Toen de koeien zich bij hun kalveren voegden aan de voet van de heuvel likten ze, ondanks dat ze reeds opnieuw hadden gekalfd, hun ledematen en voedden ze ze zorgzaam met de melk die van hen vloeide alsof ze pasgeboren kalfjes waren.
De koeien hadden al nieuwe kalveren, maar toen ze onderaan de heuvel Govardhana gekomen waren, voelden ze zo'n diepe genegenheid voor hun oudere kalveren dat ze die de melk uit hun uiers lieten drinken en ze toen nerveus begonnen te likken, alsof ze hen wilden opeten. (Vedabase)
De gopa's gefrustreerd in hun pogingen ze van het moeilijke en gevaarlijke pad te houden, schaamden zich er diep over dat ze zo boos waren geworden toen ze, daar aangekomen, hun zonen met de koeien en kalveren zagen.
De koeherders, die de koeien er niet van hadden kunnen weerhouden naar hun kalveren te gaan, voelden zich tegelijkertijd beschaamd en boos. Het was erg moeilijk voor ze om de oneffen weg af te lopen, maar toen ze beneden aankwamen en daar hun eigen zonen zagen, werden ze door grote genegenheid overweldigd. (Vedabase)
Met hun geesten badend in een staat van opperste, bovenzinnelijke liefde verdween met die grote aantrekking hun boosheid als sneeuw voor de zon waarop zij, hun jongens vervolgens optillend in hun armen om ze te omhelzen, het hoogste genoegen beleefden toen ze hun neus in hun haar konden drukken.
Op dat moment versmolten de gedachten van de koeherders met de gevoelens van vaderliefde die bij het zien van hun zonen in hen opkwamen. Ze voelden een enorme aantrekkings kracht en hun boosheid verdween volkomen. Ze tilden hun zonen op, sloegen hun armen om hen heen en roken aan hun hoofd, waardoor ze de grootste vreugde beleefden. (Vedabase)
Daarna, helemaal blij van de omhelzingen, maakten de gopa's zichzelf met moeite los van hen en hadden ze de tranen in hun ogen als ze er weer aan terugdachten.
Vervolgens maakten de oudere koeherders, die diepe gevoelens ervaren hadden bij het omhelzen van hun zonen, zich geleidelijk aan en met grote moeite en tegenzin uit die omhelzing los en keerden terug naar het woud. Maar telkens als ze zich hun zonen herinnerden, stroomden er tranen uit hun ogen. (Vedabase)
Toen Balarâma de overmaat aan liefde zag en de niet aflatende gehechtheid van alle bewoners van Vraja, hoe zeer hun kinderen ook de moederborst waren ontgroeid, kon Hij niet begrijpen wat hier de reden van was en overwoog Hij voor zichzelf:
Door de toegenomen liefde voelden de koeien zich zelfs voortdurend aangetrokken tot de kalveren die al groter waren en niet langer de melk van hun moeders dronken. Toen Baladeva deze gehechtheid opmerkte, kon Hij maar niet begrijpen wat de oorzaak hiervan was, en vroeg Zich daarom het volgende af. (Vedabase)
'Wat voor een wonder speelt zich hier af? De goddelijke liefde [prema] van allen hier in Vraja en Mezelf inbegrepen voor de kinderen en voor Vâsudeva, de Ziel van het Volkomen Geheel, is nog nooit zo groot geweest!
Wat is dit voor wonderbaarlijk verschijnsel? Mijn liefde en de liefde van de andere inwoners van Vraja voor deze jongens en hun kalveren neemt meer toe dan ze ooit gedaan heeft, net als onze liefde voor Heer Krishna, de Superziel van alle levende wezens. (Vedabase)
Wie zou hier achter zitten, wat is haar oorsprong; betreft het een goddelijk wezen, is het een vrouw of is het een duivelin? In ieder geval moet het de bijzondere genade [Mâyâ-devî] van Mijn Handhaver zijn, wie anders zou Mij nu kunnen betoveren?'
Wie is dit mystieke vermogen, en waar is ze vandaan gekomen? Is ze een halfgodin of een demon? Ze moet wel de begoochelende energie zijn van Mijn meester, Heer Krishna; wie kan Mij anders in de war brengen? (Vedabase)
Het overdenkend zag Hij door de ogen van de transcendentie al de kalveren tezamen met hun begeleiders als [niemand anders dan] de Heer van Vaikunthha.
Vanuit deze gedachte kon Heer Balarâma door het oog van transcendentale kennis zien dat al deze kalveren en vrienden van Krishna expansies waren van de gedaante van S'rî Krishna. (Vedabase)
'Deze jongens zijn geen [geïncarneerde] meesters der verlichting, noch zijn deze kalveren grote wijzen. U, o Allerhoogste Beheerser bent het alleen die Zich manifesteert in al de verscheidenheid van het bestaan; hoe kan U nu tegelijkertijd alles zijn wat er bestaat? Zeg Me wat precies Uw woord is in dezen'; en met deze beheersing en tegenwoordigheid van geest kwam Baladeva tot begrip voor de situatie [**].
Heer Baladeva zei: "O allerhoogste bestuurder! Deze jongens zijn geen grote halfgoden, zoals Ik eerder dacht. En deze kalveren zijn geen grote wijzen, zoals Nârada. Nu pas kan Ik zien dat Jij alleen Je in al deze verschillende vormen openbaart. Jij bent één, maar tegelijkertijd ben Je in al de verschillende gedaanten van de kalveren en jongens aanwezig. Leg me dit alsjeblieft in het kort uit." Op dit verzoek van Heer Baladeva gaf Krishna een verklaring voor de hele situatie, waarna Baladeva alles begreep. (Vedabase)
De zelfgeborene [Brahmâ] die na zo'n lange tijd terugkeerde, hoewel het slechts een ogenblik was naar zijn eigen tijdrekening [zie kalpa], zag dat een jaar later de Heer tezamen met Zijn expansies als voorheen aan het spelen was.
Toen Heer Brahmâ een moment later (volgens zijn eigen tijdrekening) terugkwam zag hij dat Heer Krishna - al was er volgens menselijke normen een heel jaar verstreken - na al die tijd nog net als voorheen aan het spelen was met de jongens en kalveren, die Zijn expansies waren. (Vedabase)
[Hij zei tot zichzelf:] 'Omdat al de jongens van Gokula tezamen met hun kalveren diep in slaap verzonken zijn op het bed van mijn begoochelende macht kan het niet zo zijn dat zij vandaag weer zouden zijn opgestaan.
Heer Brahmâ dacht: Alle jongens en kalveren die er in Gokula waren heb ik op het bed van mijn mystieke vermogens laten inslapen en ze zijn tot op de dag vandaag nog niet opgestaan. (Vedabase)
Daarom vraag ik me af waar dezen hier vandaan kwamen; ze verschillen van degenen die begoocheld zijn door mijn macht van illusie, niettemin tref ik een zelfde aantal van hen aan een heel jaar samen spelend met Vishnu!'
Hetzelfde aantal jongens en kalveren speelden een heel jaar lang met Krishna, maar toch zijn ze verschillend van degenen die ik met mijn mystieke vermogens begoocheld heb. Wie zijn ze dan? Waar zijn ze vandaan gekomen? (Vedabase)
Op deze manier een lange tijd zich bezinnend op het verschil tussen hen kon hij, de uit zichzelf geborene, met geen mogelijkheid uitmaken wie nu echt was en wie niet.
Zo dacht Heer Brahmâ een lange tijd na en probeerde een onderscheid te maken tussen de twee groepen jongens, die beiden apart van elkaar bestonden. Hij probeerde te begrijpen wie echt was en wie niet, maar kwam er niet uit. (Vedabase)
En zo was zelfs hij, die ongeziene, in feite door zijn eigen mystieke macht begoocheld - hij inderdaad die Vishnu in nevelen wilde hullen, Vishnu die Zelf boven alle misvatting verheven, het ganse universum in raadselen hult.
Omdat Heer Brahmâ de alomtegenwoordige Heer Krishna had willen begoochelen, die nooit begoocheld kan worden, maar juist Zelf het hele universum begoochelt, werd hij dus door zijn eigen mystieke vermogens in verwarring gebracht. (Vedabase)
Zo zinloos als een moeilijk te onderscheiden mist gedurende de nacht en het licht van een gloeiworm gedurende de dag zal een persoon van een minder mystiek vermogen niets anders dan zijn zelfvernietiging realiseren als hij zijn vermogen probeert in te zetten tegen een grote persoonlijkheid.
Zoals het duister van sneeuw in een donkere nacht en het licht van een gloeiworm overdag geen enkele waarde hebben, zo kunnen de mystieke vermogens van een inferieur persoon niets uitrichten tegen iemand die veel meer macht heeft; in plaats daarvan neemt de macht van de mindere af. (Vedabase)
En terwijl hij, de zelfgeborene, hen gadesloeg werden kalf en koeherder datzelfde moment door hem gezien als hebbende een huid met de kleur van een regenwolk en een aankleding van gele zijde.
Terwijl Brahmâ toekeek hadden de kalveren en de jongens die ze hoedden ineens een tint als van blauwachtige regenwolken en waren gekleed in geelzijden gewaden. (Vedabase)
Met vier armen, met de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, met helmen, oorhangers, halssnoeren en slingers van woudbloemen; met de s'rîvatsa, het juweel bij Hun schelp-gestreepte nekken en met armbanden om Hun polsen; met versieringen aan Hun voeten en banden om Hun enkels, schenen Ze allerprachtigst toe met Hun gordels en ringen om Hun vingers.
Al die persoonlijkheden hadden vier armen en hielden een hoornschelp, werpschijf, knots en lotus in Hun handen. Ze droegen een helm op Hun hoofd, ringen in Hun oren en een slinger van bloemen uit het woud om Hun hals, die drie lijnen heeft zoals een hoornschelp. Op het rechter bovengedeelte van Hun borst was het teken van de godin van het geluk zichtbaar. Verder droegen Ze banden om Hun armen, het Kaustubha-juweel om Hun hals en armbanden om Hun polsen. Met de ringen rond Hun enkels, de juwelen aan Hun voeten en een heilige gordel om Hun middel zagen Ze er allemaal ontzettend mooi uit. (Vedabase)
Van kop tot teen waren al Hun leden bedekt door strengen verse, zachte tulsî geofferd door hen die van grote verdienste zijn [zie ook 10.12: 7-11].
Elk deel van Hun lichaam - van Hun voeten tot Hun hoofd - was volledig versierd met verse, zachte slingers van tulasî-blaadjes, een offerande van toegewijden die de Heer vereren met de meest vrome activiteiten, namelijk luisteren en chanten. (Vedabase)
Met Hun glimlachen stralend als de maneschijn en de heldere blikken van Hun rossige ogen waren Ze, gelijk de geaardheden van [de witte] goedheid en [rode] hartstocht, de scheppers en beschermers van de verlangens van Hun toegewijden [vergelijk 10.3: 20].
Met hun zuivere glimlach, die op het licht van de wassende maan leek, en de zijdelingse blik van Hun roodachtige ogen schiepen en beschermden deze Vishnu-gedaanten de verlangens van Hun eigen toegewijden, alsof het door de geaardheden hartstocht en goedheid gedaan werd. (Vedabase)
Het Loffelijk Oerwezen [Vishnu alzo] werd door het eerste levende wezen [Brahmâ] tot aan het kleinste polletje gras, met gedaanten bewegend en niet bewegend, uiteenlopend aanbeden met dans en gezang.
Alle wezens, zowel de bewegende als de niet bewegende, van de vierhoofdige Heer Brahmâ tot het meest onbeduidende levend wezen, hadden gedaanten aangenomen en vereerden die vishnu-mûrti's al naargelang hun respectievelijke capaciteiten op verschillende manieren en met verschillende middelen, zoals dansen en zingen. (Vedabase)
Ieder van Hen werd omringd door al de heerlijkheid der volmaaktheden [siddhi's, zijn als de kleinste etc.], de mystieke vermogens met Ajâ [***] voorop en de vierentwintig elementen van de schepping met het geheel van hen [de mahat-tattva] als eerste.
De vishnu-mûrti's werden omringd door de volheden, met animâ-siddhi als belangrijkste; door de mystieke vermogens, met Ajâ als belangrijkste; en door de vierentwintig elementen voor de schepping van de materiële wereld, met de mahat-tattva als belangrijkste. (Vedabase)
Ze werden aanbeden door de tijdsfactor [kâla], de individuele aard [svabhâva], de reformatie [samskâra], het verlangen [kâma], het vruchtdragend handelen [karma], de geaardheden [guna] en anderen van wie, met het door een ieder van Hen aannemen van een gedaante, de grootheid werd verslagen door Zijn heerlijkheid [zie ook B.G. 13: 22].
Toen zag Heer Brahmâ dat kâla (de tijd), svabhâva (onze eigen aard door voorkeur in omgang), samskâra (zuivering), kâma (verlangen), karma (baatzuchtig handelen) en de guna's (de drie geaardheden der materiële natuur), die wat hun onafhankelijkheid betreft volledig ondergeschikt zijn aan de macht van de Heer, allemaal een gedaante aangenomen hadden en deze vishnu-mûrti's eveneens vereerden. (Vedabase)
Zij als niets anders dan eeuwigheid, geestelijke kennis, het onbegrensde en het gelukzalige, daar aanwezig in gedaanten van de Ene Vervoering, waren in Hun heerlijkheid van een grootsheid die zelfs buiten het bereik lag van de zieners die zich bezighouden met de filosofie [zie ook 1.2: 12 en *4].
De vishnu-mûrti's hadden allemaal eeuwige, onbegrensde gedaanten vol kennis en gelukzaligheid, en aan de invloed van de tijd ontstegen. Hun verheven heerlijkheid kon zelfs niet benaderd worden door de jñâni's die de Upanisads bestuderen. (Vedabase)
Aldus zag de zelfgeboren Brahmâ, tegelijk op het zelfde moment, het geheel van Hen als expansies van de Allerhoogste Absolute Waarheid [para-brahman] door wiens gloed dit alles, bewegend of niet-bewegend, wordt gemanifesteerd.
Zo zag Heer Brahmâ het Allerhoogste Brahman, door wiens energie dit hele universum, met al zijn bewegende en niet bewegende levende wezens, geopenbaard wordt. Tegelijkertijd zag hij eveneens de kalveren en jongens als expansie van de Heer. (Vedabase)
Toen door Hun uitstraling gevangen in gelukzaligheid en geschokt in al zijn elf zinnen, viel de zelfgeborene stil als de pop van een kind in de aanwezigheid van de plaatselijke beeltenis van God.
Door de krachtige uitstraling van de vishnu-mûrti's werden de elf zintuigen van Heer Brahmâ door verbazing geschokt en door transcendentale gelukzaligheid verlamd, net als het kleipopje van een klein kind in de aanwezigheid van de mûrti van het dorp. (Vedabase)
Begrijpend dat de heer van Irâ [Brahmâ's metgezel Sarasvatî] aldus in raadselen verkeerde door de weerlegging van al het irrelevante, door dat [Opperste Brahman] gekend in de Veda's, door dat zelfgemanifesteerde gelukzalige boven de materiële energie dat zijn heerlijkheid overtrof en dat hij er geen hoogte van kon krijgen wat dit alles was, rukte Hij die Nimmer wordt Geboren [Krishna] in één keer de sluier van yogamâyâ weg [zie ook 7.7: 23].
Het Allerhoogste Brahman gaat alle speculatie te boven, is zelf-geopenbaard, heeft Zijn eigen gelukzalige bestaan en staat buiten de materiële energie. Door de kroonjuwelen van de Veda's wordt Hij gekend; door verwerping van onbelangrijke kennis. Met betrekking tot dat Allerhoogste brahman, de Godspersoon, die Zijn heerlijkheid geopenbaard had door de vierarmige Vishnu-gedaanten te openbaren, was Heer Brahmâ, de heer van Sarasvatî, dus begoocheld. "Wat is dit?" dacht hij en was vervolgens zelfs niet eens in staat om te zien. Heer Krishna begreep de situatie waarin Brahmâ verkeerde en verwijderde toen onmiddellijk het gordijn van Zijn yogamâyâ. (Vedabase)
Toen, met zijn uitwendige bewustzijn weer tot leven gewekt, stond hij als een dodeman met moeite op en opende hij zijn ogen om dit universum te aanschouwen met zichzelf erbij.
Vervolgens hervond Heer Brahmâ zijn uitwendig bewustzijn en stond op als een dode die weer tot leven komt. Toen hij met veel moeite zijn ogen opende, zag hij het universum, samen met zichzelf. (Vedabase)
Op dat moment inderdaad in alle richtingen kijkend zag hij, zich recht voor hem bevindend, Vrindâvana dat rijk zo met haar bomen en aangenaam in alle seizoenen haar bewoners onderhoudt.
Toen keek Heer Brahmâ alle richtingen uit en zag onmiddellijk Vrindâvana, vol bomen, die het bestaansmiddel vormen voor de inwoners en in alle seizoenen even aangenaam zijn. (Vedabase)
Aldaar, in die verblijfplaats van de Onoverwinnelijke, leven mens en dier, van nature elkaar vijandig gezind, tezamen als vrienden en is alle woede, dorst en dat alles op de vlucht geslagen.
Vrindâvana is de transcendentale woonplaats van de Heer, waar woede, honger of dorst niet bestaan. Hoewel ze van nature vijanden zijn, leven mensen en wilde dieren er samen in transcendentale vriendschap. (Vedabase)
Daar zag hij die zich ophoudt in het voorbije [Brahmâ], Hem, de Absolute Waarheid zonder Zijns gelijke, het Allerhoogste Onbegrensde van een onpeilbare kennis, in Zijn aannemen van de rol van een kind in een koeherdersgezin, zoals Hij voordien was, helemaal alleen overal op zoek naar Zijn kalfjes en jongens met een beetje eten in Zijn hand [*5].
Toen zag Heer Brahmâ de Absolute Waarheid - die Zijn gelijke niet kent, volledige kennis bezit en onbegrensd is - de rol aannemen van een kind in een familie van koeherders en daar helemaal alleen staan, terwijl Hij net als voorheen met wat voedsel in Zijn hand overal naar de kalveren en Zijn vrienden, de koeherdersjongens, op zoek was. (Vedabase)
Toen hij dat zag kwam hij snel van zijn draagdier [de zwaan] naar beneden en viel hij als een gouden staf plat op de grond met de tippen van zijn vier kronen Zijn twee voeten beroerend en volbracht hij al buigend een baadceremonie met het zuivere water van zijn vreugdetranen.
Na dit gezien te hebben, kwam Heer Brahmâ haastig van zijn drager, de zwaan, af en viel als een gouden stok op de grond, waar hij de lotusvoeten van Heer Krishna beroerde met de uiteinden van de vier kronen op zijn hoofden. Terwijl hij zijn eerbetuigingen bracht, baadde hij de voeten van Krishna met het water van zijn vreugdetranen. (Vedabase)
Keer op keer denkend over wat hij voorheen had gezien, zeeg hij gedurende een lange tijd neer en stond hij weer op aan de voeten van Krishna, de grootheid daar aanwezig.
Terwijl hij een lange tijd telkens weer opstond en zich aan de lotusvoeten van Heer Krishna liet neervallen, herinnerde Heer Brahmâ zich voortdurend de grootheid van de Heer die hij zojuist gezien had. (Vedabase)
Geleidelijk aan toen weer overeind komend wreef hij zijn ogen uit opkijkend naar Mukunda en met zijn hoofd voorover gebogen, een trillend lijf en een haperende stem prees hij Hem nederig met gevouwen handen en een bezonken geest.'
Vervolgens stond Heer Brahmâ langzaam op, veegde de tranen uit zijn ogen en keek op naar Mukunda. Met zijn hoofd diep gebogen, zijn geest geconcentreerd en bevend over zijn hele lichaam, begon hij Heer Krishna heel nederig en met haperende stem te loven. (Vedabase)
*: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Een ieder die materieel geboren is is onderhevig aan verbijstering. Dit spel en vermaak wordt derhalve brahma-vimohana-lîlâ genoemd, het spel van het verbijsteren van Brahmâ. Mohitam nâbhijânâti mâm ebhyah param avyayam (Bg. 7.13). Personen van een materiële geboorte kunnen Krishna niet helemaal begrijpen. Zelfs de halfgoden kunnen Hem niet begrijpen (muhyanti yat sûrayah). Tene brahmâ hridâ ya âdi-kavaye (S.B. 1.1.1). Iedereen, van Brahmâ tot aan het kleinste insect, moet leer trekken uit Krishna'.
**: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'We moeten er goed op letten in te zien dat hoewel de allerhoogste bron één is, de emanaties van deze afzonderlijk zouden moeten worden beschouwd als inferieur en superieur. [d.w.z. onbewust en bewust - red.] Het verschil tussen de Mâyâvâda en Vaishnava filosofieën is dat de Vaishnava filosofie dit feit onderkent. S'rî Caitanya Mahâprabhu's filosofie, derhalve, wordt acintya-bhedâbheda genoemd - gelijktijdigheid van eenheid en verschil.' [zie ook de tweevoudige positie ingenomen door Krishna in de Bhagavad Gîtâ 7: 3-6]
***: Ajah betekent ongeboren, maar Ajâ, de geit, is een bijnaam voor Zijn begoochelende macht met Mâyâ-devî of Durgâ. Volgens Prabhupâda [de paramparâ] betekent het woord ajâ namelijk mâyâ, of mystieke macht: alles geheimzinnig bestaat in zijn geheel in Vishnu. Ajâ Taulvali is, volgens het Cologne lexicon, de naam van een Muni die leefde van de melk van een geit [een ajâ]. De term aja [de bok] heeft betrekking op de leider van de kudde, de bestuurder, de beweger, hij die aanzet geeft, en wordt gebruikt om Indra, Rudra, een van de Maruts, Agni, de zon, Brahmâ, Vishnu en S'iva aan te duiden.
*4: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Hoewel Krishna niet kan worden gezien middels de Upanishads, heet het elders dat Krishna in feite op deze manier kan worden gekend. Aupanishadam purusham: "Hij staat bekend middels de Upanishads." Dit betekent dat als men gelouterd is door Vedische kennis, iemand dan de toegang wordt verleend tot het devotionele begrijpen (mad-bhaktim labhate parâm [B.G. 18.54]).'
*5: S'rîla Prabhupâda geeft als commentaar: 'Een soortgelijk incident deed zich voor toen Brahmâ Krishna ging opzoeken in Dvârakâ. Toen Krishna's wachter Heer Krishna informeerde dat Heer Brahmâ was gearriveerd, reageerde Krishna met, "Welke Brahmâ? vraag hem welke Brahmâ." De wachter bracht deze vraag over, en Brahmâ stond versteld. "Is er dan een andere Brahmâ behalve ik?" dacht hij. Toen de wachter Heer Krishna op de hoogte stelde met, "Het is de Brahmâ met de vier hoofden," zei Heer Krishna, "Oh, die met de vier hoofden. Roep de anderen, laat ze hem zien".'
![]()
Voor
deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda
van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de
Srîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Parîkshit
dâsa
(Doug
Ball) en
Muralîdhara
dâsa;
het tweede van Parîkshit
dâsa,
Dhriti
devî dâsî
& Jagat-karana
devî dâsî;
en het derde schilderij is van Muralîdhara
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd