regelbalk

 

Arunodaya-kîrt./Jiv Jâgo

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 83

 

Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

 (1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's, op deze manier Zijn genade tonend, deed toen bij Yudhishthhira navraag over het welbevinden van allen [van Zijn familie] en Zijn weldoeners. (2) Zij, die door het zien van Zijn voeten hun zonden vernietigd zagen, aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld voelden zich zeer vereerd en gaven blij ten antwoord: (3) 'Van welke kant zou er ongeluk te vrezen zijn voor hen die van Uw lotusvoeten ooit de bedwelmende nectar dronken uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen, voor hen die met de drinkbekers van hun oren zich vol dronken, o Meester, vernietiger der vergeetachtigheid over de Doener van de materieel belichaamden. (4) Waarlijk worden bij het licht van Uw persoonlijke gedaante de drie materiële toestanden [of vormen van ellende, voortkomend uit iemand zelf, uit anderen en uit de natuur] zoals geschapen door het materiële bewustzijn uitgebannen, en zijn we, volledig verzonken, van spiritueel geluk, ons voorover gebogen hebbend voor U, het doel van de vervolmaakte heilige [de paramahamsa], die ter bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe vedische kennis bedreigd door de tijd, bij de macht van Uw illusie deze gedaante heeft aangenomen.' 

(5) De grote wijze zei: 'Met het door Zijn mensen aldus verheerlijken van het kroonjuweel van alle persoonlijkheden geprezen in de geschriften, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bij elkaar om onder elkaar de onderwerpen van Govinda te bespreken bezongen in de drie werelden; alstublieft luister naar de beschrijving die ik van hen geef. (6-7) S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en de andere vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons dit: hoe gebeurde het dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, vanuit Zijn eigen mystieke macht de manier van de wereld volgend, met jullie getrouwd raakte?' 

(8) S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen klaar stonden om me aan S'is'upâla aan te bieden; moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' 

(9) S'rî Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd zijnde, om Zijn naam te zuiveren, het juweel terug na de koning van de beren [Jâmbavân] verslagen te hebben; hierover bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer aan hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56 ]. 

(10) S'rî Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld zette zich niet bewust van Hem, de Echtgenoot van Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56].

(11) S'rî Kâlindî zei: 'Wetende dat ik met het verlangen Zijn voeten aan te raken boetedoeningen aan het volbrengen was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23]. 

(12) S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar voren tredend kaapte Hij me weg op de manier zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist bij een troep honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt; moge daar voor mij, leven na leven, de dienst zijn van het wassen van Zijn voeten [10.58: 31]. 

(13-14) S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal met scherpe hoorns, door mijn vader geregeld om het kunnen op de proef te stellen van de koningen,vernietigden de trots van de helden; maar ze werden snel onderworpen en vastgebonden door Hem, met het gemak van kinderen die met jonge geitjes spelen. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed nam Hij me, beschermd door dienstmaagden, met Zich mee, met een leger van vier divisies onderweg de koningen verslaand; moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55]. 

(15-16) S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ [Draupadî], gaf mijn vader, op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uitnodigend, mij aan Hem tezamen met vrouwelijke metgezellen en een wacht van een akshauhini aan troepen; laat er voor mij, leven na leven ronddolend door mijn karma, er die beterschap zijn van mezelf in het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56]. 

(17) S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad werd uitgekozen door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand. (18) Mijn vader bekend als Brihatsena, o geheiligde dame, voorzag, op de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, uit genegenheid voor zijn dochter erin hieraan te beantwoorden. (19) Net als in jouw svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt [opgehangen als doelwit] die voor Arjuna om te winnen, echter aan het gezicht onttrokken, alleen maar als een weerspiegeling in het water kon worden gezien [in een vat eronder]. (20) Hierover vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar mijn vaders stad tezamen met hun duizenden leermeesters. (21) Mijn vader eerde ten volle hen allen, ieder overeenkomstig zijn kracht en leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet hadden, in de bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen om een schot te wagen. (22) Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en sommigen die de boogpees gespannen hadden vielen na er door te zijn geraakt. (23) Andere helden, de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha als ook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin hem te spannen maar konden het [doelwit] niet ontdekken. (24) Erin slagend het te herkennen, waagde Arjuna, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling in het water naar de vis keek, een schot, maar de pijl geen doel treffend, schampte het enkel. (25-26) Toen de trotse koningen in hun trots verslagen het opgegeven hadden, wist de Opperheer, speels de boog ter hand nemend, hem spannend en een pijl aanleggend, met een enkele blik in het water terwijl de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel], de vis met zijn schacht te doorboren. (27) Pauken weerklonken in de hemel samen met het geluid van 'Jaya' van de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd bloemen in stromen deden neerregenen. (28) Vervolgens deed ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en bloemen gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het offerperk met zachtjes klinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting om met schitterende edelstenen en een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur. (29) Mijn gezicht opheffend met zijn vele haarlokken en de wangen in de gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar de koningen met een koele glimlach zijdelings blikken werpend en plaatste ik langzaam aan mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen. (30) Op dat moment weerklonken schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en zongen de zangers terwijl de mannelijke en vrouwelijke dansers dansten. (31) Mijn aldus uitverkiezen van de Allerhoogste Heer als mijn meester kon door de koningen aan de leiding niet worden getolereerd, o Draupadî; ze begonnen ruzie te zoeken van streek als ze waren met een vloekend hart. (32) Op dat punt aangeland mij in de strijdwagen tillend met zijn vier kostelijke paarden stond Hij, Zijn S'ârnga gereed makend en Zijn kuras aantrekkend, op het slagveld klaar met Zijn vier armen [vol gemanifesteerd]. (33) Onder de blikken van de koningen reed Dâruka de wagen afgewerkt met goud voor, o Koningin, als was Hij de koning der dieren tegenover een stel beesten. (34) Zij, de koningen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw, gingen hem achterna, terwijl sommigen van hen om Hem onderweg tegen te houden, met hun bogen geheven klaar stonden. (35) Door de stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd neer, terwijl een paar andere het opgaven en er vandoor gingen. (36) Toen betrad de Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] Dvârakâ, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitvoerig versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die de zon tegenhielden. (37) Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meeste kostbare kleding en juwelen en met bedden, zetels en ander meubilair. (38) Tezamen met dienstmaagden van alle rijkdommen voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, in strijdwagens en strijders te paard, gaf hij de Heer der Volledigheid [Pûrnasya] uit toewijding de meest kostbare wapens mee. (39) Door de verzaking van het abrupt verbreken van onze materiële associatie zijn we inderdaad allen deze dienstmaagden geworden bij Hem in huis, Hij die van Binnen Geheel Voldaan is.

(40) De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Met het in de strijd doden van de demon Bhauma samen met zijn volgelingen kende Hij ons, die door hem gevangen waren gezet, als de dochters van de koningen verslagen tijdens zijn verovering van de aarde; ons vrijlatend, die zich constant Zijn lotusvoeten herinneren als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan is Hij, die In Alle Verlangens Bevredigd Is, met ons getrouwd. (41-42) O geheiligde dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten zelfs of mystieke macht, de allerhoogste goddelijkheid, onsterfelijkheid of naar de verblijfplaats van Hari, we verlangen ernaar op onze hoofden het stof te dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, verrijkt door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60 , ** en de s'ikshâshtaka vers 4]. (43) Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: de aanraking van de voeten van de Allerhoogste Ziel.'

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Draupadî Meets the Queens of Krishna

 

Text 1:

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's, op deze manier Zijn genade tonend, deed toen bij Yudhishthhira navraag over het welbevinden van allen [van Zijn familie] en Zijn weldoeners. 

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus Lord Krishna, the spiritual master of the gopîs and the very purpose of their life, showed them His mercy. He then met with Yudhishthhira and all His other relatives and inquired from them about their welfare.

 

Text 2:

Zij, die door het zien van Zijn voeten hun zonden vernietigd zagen, aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld voelden zich zeer vereerd en gaven blij ten antwoord:

Feeling greatly honored, King Yudhishthhira and the others, freed of all sinful reactions by seeing the feet of the Lord of the universe, gladly answered His inquiries.

  

Text 3:

'Van welke kant zou er ongeluk te vrezen zijn voor hen die van Uw lotusvoeten ooit de bedwelmende nectar dronken uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen, voor hen die met de drinkbekers van hun oren zich vol dronken, o Meester, vernietiger der vergeetachtigheid over de Doener van de materieel belichaamden.

[Lord Krishna's relatives said:] O master, how can misfortune arise for those who have even once freely drunk the nectar coming from Your lotus feet? This intoxicating liquor pours into the drinking cups of their ears, having flowed from the minds of great devotees through their mouths. It destroys the embodied souls' forgetfulness of the creator of their bodily existence.

 

Text 4:

Waarlijk worden bij het licht van Uw persoonlijke gedaante de drie materiële toestanden [of vormen van ellende, voortkomend uit iemand zelf, uit anderen en uit de natuur] zoals geschapen door het materiële bewustzijn uitgebannen, en zijn we, volledig verzonken, van spiritueel geluk, ons voorover gebogen hebbend voor U, het doel van de vervolmaakte heilige [de paramahamsa], die ter bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe vedische kennis bedreigd door de tijd, bij de macht van Uw illusie deze gedaante heeft aangenomen.' 

The radiance of Your personal form dispels the threefold effects of material consciousness, and by Your grace we become immersed in total happiness. Your knowledge is indivisible and unrestricted. By Your Yogamâyâ potency You have assumed this human form for protecting the Vedas, which had been threatened by time. We bow down to You, the final destination of perfect saints.

     

 Text 5:

De grote wijze zei: 'Met het door Zijn mensen aldus verheerlijken van het kroonjuweel van alle persoonlijkheden geprezen in de geschriften, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bij elkaar om onder elkaar de onderwerpen van Govinda te bespreken bezongen in de drie werelden; alstublieft luister naar de beschrijving die ik van hen geef.

The great sage S'ukadeva Gosvâmî said: As Yudhishthhira and the others were thus praising Lord Krishna, the crest jewel of all sublimely glorified personalities, the women of the Andhaka and Kaurava clans met with one another and began discussing topics about Govinda that are sung throughout the three worlds. Please listen as I relate these to you.

 

Text 6-7

S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en de andere vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons dit: hoe gebeurde het dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, vanuit Zijn eigen mystieke macht de manier van de wereld volgend, met jullie getrouwd raakte?' 

S'rî Draupadî said: O Vaidarbhî, Bhadrâ and Jâmbavatî, O Kaus'alâ, Satyabhâmâ and Kâlindî, O S'aibyâ, Rohinî, Lakshmanâ and other wives of Lord Krishna, please tell me how the Supreme Lord Acyuta, imitating the ways of this world by His mystic power, came to marry each of you.

 

Text 8

S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen klaar stonden om me aan S'is'upâla aan te bieden; moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' 

S'rî Rukminî said: When all the kings held their bows at the ready to assure that I would be presented to S'is'upâla, He who puts the dust of His feet on the heads of invincible warriors took me from their midst, as a lion forcibly takes his prey from the midst of goats and sheep. May I always be allowed to worship those feet of Lord Krishna, the abode of Goddess S'rî.

 

Text 9

S'rî Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd zijnde, om Zijn naam te zuiveren, het juweel terug na de koning van de beren [Jâmbavân] verslagen te hebben; hierover bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer aan hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56 ]. 

S'rî Satyabhâmâ said: My father, his heart tormented by his brothers death, accused Krishna of killing him. To remove the stain on His reputation, the Lord defeated the king of the bears and took back the Syamantaka jewel, which He then returned to my father. Fearing the consequences of his offense, my father offered me to the Lord, even though I had already been promised to others.

 

 Text 10

S'rî Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld zette zich niet bewust van Hem, de Echtgenoot van Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56].

S'rî Jâmbavatî said: Unaware that Lord Krishna was none other than his own master and worshipable Deity, the husband of Goddess Sîtâ, my father fought with Him for twenty-seven days. When my father finally came to his senses and recognized the Lord, he took hold of His feet and presented Him with both me and the Syamantaka jewel as tokens of his reverence. I am simply the Lord's maidservant.

    

 Text 11

S'rî Kâlindî zei: 'Wetende dat ik met het verlangen Zijn voeten aan te raken boetedoeningen aan het volbrengen was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23]. 

S'rî Kâlindî said: The Lord knew I was performing severe austerities and penances with the hope of one day touching His lotus feet. So He came to me in the company of His friend and took my hand in marriage. Now I am engaged as a sweeper in His palace.

 

Text 12

S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar voren tredend kaapte Hij me weg op de manier zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist bij een troep honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt; moge daar voor mij, leven na leven, de dienst zijn van het wassen van Zijn voeten [10.58: 31]. 

S'rî Mitravindâ said: At my svayam-vara ceremony He came forward, defeated all the kings present - including my brothers, who dared insult Him - and took me away just as a lion removes his prey from amidst a pack of dogs. Thus Lord Krishna, the shelter of the goddess of fortune, brought me to His capital city. May I be allowed to serve Him by washing His feet, life after life.

 

Text 13-14

S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal met scherpe hoorns, door mijn vader geregeld om het kunnen op de proef te stellen van de koningen,vernietigden de trots van de helden; maar ze werden snel onderworpen en vastgebonden door Hem, met het gemak van kinderen die met jonge geitjes spelen. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed nam Hij me, beschermd door dienstmaagden, met Zich mee, met een leger van vier divisies onderweg de koningen verslaand; moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55]. 

S'rî Satyâ said: My father arranged for seven extremely powerful and vigorous bulls with deadly sharp horns to test the prowess of the kings who desired my hand in marriage. Although these bulls destroyed the false pride of many heroes, Lord Krishna subdued them effortlessly, tying them up in the same way that children playfully tie up a goat's kids. He thus purchased me with His valor. Then He took me away with my maidservants and a full army of four divisions, defeating all the kings who opposed Him along the road. May I be granted the privilege of serving that Lord.

 

Text 15-16

S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ [Draupadî], gaf mijn vader, op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uitnodigend, mij aan Hem tezamen met vrouwelijke metgezellen en een wacht van een akshauhini aan troepen; laat er voor mij, leven na leven ronddolend door mijn karma, er die beterschap zijn van mezelf in het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56]. 

S'rî Bhadrâ said: My dear Draupadî, of his own free will my father invited his nephew Krishna, to whom I had already dedicated my heart, and offered me to Him as His bride. My father presented me to the Lord with an akshauhini military guard and a retinue of my female companions. My ultimate perfection is this: to always be allowed to touch Lord Krishna's lotus feet as I wander from life to life, bound by my karma.

 

Text 17

S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad werd uitgekozen door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand. 

S'rî Lakshmanâ said: O Queen, I repeatedly heard Nârada Muni glorify the appearances and activities of Acyuta, and thus my heart also became attached to that Lord, Mukunda. Indeed, even Goddess Padmahastâ chose Him as her husband after careful consideration, rejecting the great demigods who rule various planets.

   

Text 18

Mijn vader bekend als Brihatsena, o geheiligde dame, voorzag, op de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, uit genegenheid voor zijn dochter erin hieraan te beantwoorden.

My father, Brihatsena, was by nature compassionate to his daughter, and knowing how I felt, O saintly lady, he arranged to fulfill my desire.

 

 Text 19

Net als in jouw svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt [opgehangen als doelwit] die voor Arjuna om te winnen, echter aan het gezicht onttrokken, alleen maar als een weerspiegeling in het water kon worden gezien [in een vat eronder]. 

Just as a fish was used as a target in your svayam-vara ceremony, O Queen, to assure that you would obtain Arjuna as your husband, so a fish was also used in my ceremony. In my case, however, it was concealed on all sides, and only its reflection could be seen in a pot of water below.

 

 Text 20

Hierover vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar mijn vaders stad tezamen met hun duizenden leermeesters.

Hearing of this, thousands of kings expert in shooting arrows and in wielding other weapons converged from all directions on my father's city, accompanied by their military teachers.

 

 Text 21

Mijn vader eerde ten volle hen allen, ieder overeenkomstig zijn kracht en leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet hadden, in de bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen om een schot te wagen.

My father properly honored each king according to his strength and seniority. Then those whose minds were fixed on me took up the bow and arrow and one by one tried to pierce the target in the midst of the assembly.

  

 Text 22

Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en sommigen die de boogpees gespannen hadden vielen na er door te zijn geraakt. 

Some of them picked up the bow but could not string it, and so they threw it aside in frustration. Some managed to pull the bowstring toward the tip of the bow, only to have the bow spring back and knock them to the ground.

 

 Text 23

Andere helden, de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha als ook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin hem te spannen maar konden het [doelwit] niet ontdekken. 

A few heroes - namely Jarâsandha, S'is'upâla, Bhîma, Duryodhana, Karna and the King of Ambashthha - succeeded in stringing the bow, but none of them could find the target.

  

 Text 24

Erin slagend het te herkennen, waagde Arjuna, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling in het water naar de vis keek, een schot, maar de pijl geen doel treffend, schampte het enkel. 

Then Arjuna looked at the reflection of the fish in the water and determined its position. When he carefully shot his arrow at it, however, he did not pierce the target but merely grazed it.

  

 Text 25-26

Toen de trotse koningen in hun trots verslagen het opgegeven hadden, wist de Opperheer, speels de boog ter hand nemend, hem spannend en een pijl aanleggend, met een enkele blik in het water terwijl de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel], de vis met zijn schacht te doorboren. 

After all the arrogant kings had given up, their pride broken, the Supreme Personality of Godhead picked up the bow, easily strung it and then fixed His arrow upon it. As the sun stood in the constellation Abhijit, He looked at the fish in the water only once and then pierced it with the arrow, knocking it to the ground.

 

 Text 27

Pauken weerklonken in de hemel samen met het geluid van 'Jaya' van de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd bloemen in stromen deden neerregenen. 

Kettledrums resounded in the sky, and on the earth people shouted "Jaya! Jaya!" Overjoyed, demigods showered flowers.

 

 Text 28

Vervolgens deed ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en bloemen gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het offerperk met zachtjes klinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting om met schitterende edelstenen en een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur.

Just then I walked onto the ceremonial ground, the ankle bells on my feet gently tinkling. I was wearing new garments of the finest silk, tied with a belt, and I carried a brilliant necklace fashioned of gold and jewels. There was a shy smile on my face and a wreath of flowers in my hair.

 

 Text 29

Mijn gezicht opheffend met zijn vele haarlokken en de wangen in de gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar de koningen met een koele glimlach zijdelings blikken werpend en plaatste ik langzaam aan mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen.

I lifted my face, which was encircled by my abundant locks and effulgent from the glow of my earrings reflected from my cheeks. Smiling coolly, I glanced about. Then, looking around at all the kings, I slowly placed the necklace on the shoulder of Murâri, who had captured my heart.

 

 Text 30

Op dat moment weerklonken schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en zongen de zangers terwijl de mannelijke en vrouwelijke dansers dansten. 

Just then there were loud sounds of conchshells and mridanga, pathaha, bherî and ânaka drums, as well as other instruments. Men and women began to dance, and singers began to sing.

 

 Text 31

Mijn aldus uitverkiezen van de Allerhoogste Heer als mijn meester kon door de koningen aan de leiding niet worden getolereerd, o Draupadî; ze begonnen ruzie te zoeken van streek als ze waren met een vloekend hart. 

The leading kings there could not tolerate my having chosen the Supreme Personality of Godhead, O Draupadî. Burning with lust, they became quarrelsome.

 

 Text 32

Op dat punt aangeland mij in de strijdwagen tillend met zijn vier kostelijke paarden stond Hij, Zijn S'ârnga gereed makend en Zijn kuras aantrekkend, op het slagveld klaar met Zijn vier armen [vol gemanifesteerd].

The Lord then placed me on His chariot, drawn by four most excellent horses. Donning His armor and readying His bow S'ârnga, He stood on the chariot, and there on the battleground He manifested His four arms.

 

 Text 33

Onder de blikken van de koningen reed Dâruka de wagen afgewerkt met goud voor, o Koningin, als was Hij de koning der dieren tegenover een stel beesten.

Dâruka drove the Lord's gold-trimmed chariot as the kings looked on, O Queen, like small animals helplessly watching a lion.

 

 Text 34

Zij, de koningen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw, gingen hem achterna, terwijl sommigen van hen om Hem onderweg tegen te houden, met hun bogen geheven klaar stonden. 

The kings pursued the Lord like village dogs chasing a lion. Some kings, raising their bows, stationed themselves on the road to stop Him as He passed by.

 

 Text 35

Door de stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd neer, terwijl een paar andere het opgaven en er vandoor gingen.

These warriors were deluged by arrows shot from the Lord's bow, S'ârnga. Some of the kings fell on the battlefield with severed arms, legs and necks; the rest gave up the fight and fled.

 

 Text 36

Toen betrad de Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] Dvârakâ, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitvoerig versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die de zon tegenhielden.

The Lord of the Yadus then entered His capital city, Kus'asthalî [Dvârakâ], which is glorified in heaven and on earth. The city was elaborately decorated with flagpoles carrying banners that blocked the sun, and also with splendid archways. As Lord Krishna entered, He appeared like the sun-god entering his abode..

 

 Text 37

Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meeste kostbare kleding en juwelen en met bedden, zetels en ander meubilair.

My father honored his friends, family and in-laws with priceless clothing and jewelry and with royal beds, thrones and other furnishings.

 

 Text 38

Tezamen met dienstmaagden van alle rijkdommen voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, in strijdwagens en strijders te paard, gaf hij de Heer der Volledigheid [Pûrnasya] uit toewijding de meest kostbare wapens mee.

With devotion he presented the perfectly complete Lord with a number of maidservants bedecked with precious ornaments. Accompanying these maidservants were guards walking on foot and others riding elephants, chariots and horses. He also gave the Lord extremely valuable weapons.

 

 Text 39

Door de verzaking van het abrupt verbreken van onze materiële associatie zijn we inderdaad allen deze dienstmaagden geworden bij Hem in huis, Hij die van Binnen Geheel Voldaan is.

Thus, by renouncing all material association and practicing austere penances, we queens have all become personal maidservants of the self- satisfied Supreme Lord.

 

 Text 40

De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Met het in de strijd doden van de demon Bhauma samen met zijn volgelingen kende Hij ons, die door hem gevangen waren gezet, als de dochters van de koningen verslagen tijdens zijn verovering van de aarde; ons vrijlatend, die zich constant Zijn lotusvoeten herinneren als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan is Hij, die In Alle Verlangens Bevredigd Is, met ons getrouwd. 

Rohinî-devi, speaking for the other queens, said: After killing Bhaumâsura and his followers, the Lord found us in the demon's prison and could understand that we were the daughters of the kings whom Bhauma had defeated during his conquest of the earth. The Lord set us free, and because we had been constantly meditating upon His lotus feet, the source of liberation from material entanglement, He agreed to marry us, though His every desire is already fulfilled.

 

 Text 41-42

O geheiligde dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten zelfs of mystieke macht, de allerhoogste goddelijkheid, onsterfelijkheid of naar de verblijfplaats van Hari, we verlangen ernaar op onze hoofden het stof te dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, verrijkt door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60 , ** en de s'ikshâshtaka vers 4].

O saintly lady, we do not desire dominion over the earth, the sovereignty of the King of heaven, unlimited facility for enjoyment, mystic power, the position of Lord Brahmâ, immortality or even attainment of the kingdom of God. We simply desire to carry on our heads the glorious dust of Lord Krishna's feet, enriched by the fragrance of kunkuma from His consort's bosom.

 

 Text 43

Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: de aanraking van de voeten van de Allerhoogste Ziel.'

We desire the same contact with the Supreme Lord's feet that the young women of Vraja, the cowherd boys and even the aborigine Pulinda women desire - the touch of the dust He leaves on the plants and grass as He tends His cows.

 

* Zij die hier Rohinî heet is niet Rohini, de moeder van Balarâma, maar de ene koningin die de 16000 koninginnen vertegenwoordigt waarmee Krishna trouwde naast zijn acht hoofdkoningen.

** De paramparâ geeft aan dat de S'rî waar hier naar verwezen wordt de allerhoogste godin van het geluk is zoals herkend in de 'Brihad-gautamîya-tantra':

devî krishna-mayî proktâ
râdhikâ para-devatâ
sarva-lakshmî-mayî sarva
kântih sammohinî parâ

"De bovenzinnelijke godin S'rîmatî Râdhârânî is de rechtstreekse tegenhanger van Heer S'rî Krishna. Ze is de centrale figuur voor al de godinnen van het geluk. Aan haar is al de aantrekkelijkheid om de al-aantrekkelijke Persoonlijkheid van God aan te trekken. Zij is het voorwereldlijk innerlijk vermogen van de Heer."

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties