regelbalk

 

Nrisimha Pranâma

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 72

 

Jarâsandha Gedood door Bhîma en de Koningen Bevrijd

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Eens aan zijn hof zittend temidden van de wijzen, de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en zijn broers, nam Yudhishthhira het woord, en zei hij met al de âcârya's, de familie, de ouderen, zijn bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden op die manier luisterend, het volgende: (3) S'rî Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag de veelvoudige glorie van U met de zuiverende koning van alle vuuroffers genaamd râjasûya eren; alstUblieft sta het ons toe dat dat plaats vindt o Meester. (4) Zij die constant in volledige dienstbaarheid mediteren op en van verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging afroepen van alles dat ongunstig is, worden gezuiverd; zij, en niet andere personen, o U wiens Navel als een Lotus is, verwerven het beëindigen van een materieel bestaan of verkrijgen, in geval ze wensen koesteren, de voorwerpen van hun verlangen. (5) Derhalve, o God der Goden, toon de bevolking de macht in deze wereld van de dienst aan de lotusvoeten; alstUblieft toon, o Almachtige, de status van die Kuru's en Sriñjaya's die U aldus aanbidden, in verhouding tot de status van diegenen die niet van aanbidding zijn. (6) In Uw geest van Absolute Waarheid kan er geen verschil zijn met wat het Uwe is en van wat van anderen is, daar U de Ziel van Alle Wezens bent die gelijk in Uw visie binnen in Uzelf het geluk ervaart; voor hen die naar behoren van dienst zijn vergunt U als de wensboom de verlangde resultaten in overeenstemming met de dienstbaarheid en hierin [in Uw beantwoorden aan verlangens] schuilt geen tegenspraak.'

(7) De Allerhoogste Heer zei: 'Dit hebt u volmaakt besloten o Koning, hiermee zal de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller van de vijand! (8) Voor de wijzen, de voorvaderen, de goden en ook de vrienden, o meester van Ons, als ook voor alle levende wezens is deze koning aller offers [de letterlijke betekenis van râjasûja] wenselijk. (9) Met het onder controle brengen van de aarde, al de koningen overwinnend en al de benodigdheden inzamelend, moet u [daarna] de grote offerplechtigheid uitvoeren. (10) Deze broers van u, o Koning, werden geboren als individuele delen van de halfgoden die over de werelden heersen [zie stamboom], en Ik, niet te overwinnen voor hen die zichzelf niet in de hand hebben, geef Me voor u in uw zelfbeheersing gewonnen. (11) Geen persoon, zelfs niet een halfgod of wat te zeggen van een aardse heerser, kan door zijn kracht, schoonheid, roem of macht in deze wereld iemand te boven gaan die Mij is toegewijd.'

(12) S'rî S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, blij het lied [de Gîtâ] van de Allerhoogste Heer te horen, betrok hij, gesterkt met het vermogen van Vishnu, zijn broers in het veroveren van alle windrichtingen. (13) Sahadeva met de Sriñjaya's stuurde hij naar het zuiden, Nakula met de Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het oosten. (14) Zij, de helden, die bij de genade van hun kracht vele koningen onderwierpen brachten van overal een overmaat aan rijkdommen mee naar hem van wie, van plan zijnde de offerplechtigheid uit te voeren, de vijand niet geboren was, o Koning. (15) De koning zich bezinnend op het nieuws dat Jarâsandha niet was verslagen, werd door de Heer, de Oorspronkelijke Persoon, op de hoogte gesteld van de manier daaromtrent door Uddhava geopperd [in 10.71: 2-10]. (16) En zo gingen Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van brahmanen gedrieën naar Girivraja, mijn beste, alwaar de zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich ophield. (17) Op het uur vastgelegd voor ongenode gasten naar zijn verblijfplaats gaand bedelden de edelen, zich voordoend als brahmanen, bij de religieuze huishouder die van respect was voor brahmanen: (18) 'O Koning, weet dat behoeftige gasten zijn gearriveerd die van verre kwamen; u al het beste wensend, geef ons alstublieft al wat we verlangen. (19) Wat zou er voor de geduldige niet te verdragen zijn, wat alles is voor de onzedigen onmogelijk te volbrengen, wat kunnen de vrijgevigen allemaal niet wegschenken, wie sluit nu hen die van een gelijke blik zijn buiten? (20) Hij waarlijk is verachtelijk en zielig die, voor zichzelf ertoe in staat, met het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft zoals bezongen door de geheiligden. (21) Velen als daar zijn Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali, en de legendarische jager en duif [zie*] inderdaad, begaven zich van het niet-blijvende naar het blijvende.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Echter, uit hun stemmen, hun fysieke voorkomen en de sporen van de boogpees op hun armen zelfs, herkende hij hen als edelen, als leden van de familie die hij al eens eerder had gezien: (23) [hij dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen van brahmanen moet ik geven wat ze ook maar vragen; zelfs mijn eigen zo moeilijk op te geven lichaam. (24-25) Weet men niet van Bali dat de glorie zich wijd en zijd verbreidde door het vlekkeloze van zijn machtsbekleding, ook al werd hij ten val gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die, in de uitdossing van een brahmaan zich voordoend als een tweemaal geborene van Vishnu, Indra's weelde wilde wegnemen. Ofschoon er zich van bewust schonk hij de hele aarde weg, ook al was het de daitya koning [Bali] ontzegd [door zijn goeroe, zie 8.19]. (26) Wat voor zin heeft het ook voor een gevallen kshatriya om te leven, als hij met zijn vergankelijke lichaam zich niet beijvert ten gunste van de meerdere eer en glorie van de brahmanen? (27) Aldus breed van opvattingen zei hij tot Krishna, Arjuna en Vrikodara ['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de leer, vraag me wat u maar wilt, ik geef u zelfs mijn eigen hoofd!'

(28) De Opperheer zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, lever strijd met ons in een man-tot-man gevecht als u dat aanstaat; wij, leden van de adelstand, zijn naar hier gekomen met de wens te vechten en verlangen niets anders. (29) Die daar is Bhîma, de zoon van Prithâ en deze andere hier voorwaar is Arjuna en Ik, Ik ben Krishna hun neef van moeders zijde, uw vijand moet u weten [zie 10.50].'

(30) Aldus uitgedaagd moest de koning van Magadha hard lachen inderdaad en zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik jullie slag leveren, jullie dwazen! (31) Maar ik ga het gevecht niet aan met Jij, die laf, in de strijd in kracht tekort schietend, je eigen stad Mathurâ hebt achtergelaten vertrekkend naar een veilig plaatsje in de oceaan. (32) En wat betreft hem hier, Arjuna, hij, niet oud genoeg en ook niet zo heel sterk, is geen partij voor mij en moet niet de tegenstander vormen; Bhîma is degene die net zo sterk is als ik.'

(33) Met die uitspraak gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij, zelf een andere ter hand nemend zich buiten de stad. (34) Toen, tegenover elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden op elkaar in met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen, door het gevecht tot een dolle woede gedreven. (35) Kundig links- en rechtsom cirkelend lieten de twee, zich in het gevecht rondbewegend, zo schitterend zien als acteurs op een toneel. (36) Vervolgens zwaaiden ze met hun knotsen in botsing, met een geluid lijkend op de inslag van de bliksem, o Koning, samenkletterend als de slagtanden van olifanten. (37) In woede ontstoken hevig vechtend als een paar olifanten werden, met de snelle kracht van hun armen ze machtig tegen elkaars schouders, heupen,voeten, handen dijen en sleutelbeenderen zwaaiend, de knotsen in het contact stukgeslagen als betrof het een stel arka-takken. (38) Met hun strijdknotsen aldus aan gruzelementen bewerkten de twee grote helden onder de mensen elkaar kwaad met hun vuisten, in het slaan zo hard als ijzer, waarbij, met hen twee vechtende olifanten, het geluid voortgebracht door de klappen van hun handen aanzwol tot het geluid van donderslagen. (39) Met de twee, gelijk qua training en kracht in uithoudingsvermogen, aldus toeslaand was het gevecht onbeslist en duurde het onafgebroken voort, o Koning. [**] (40) Op de hoogte van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij in het leven was geroepen door Jarâ [zie 9.22: 8 en ***], begiftigde Krishna de zoon van Prithâ met Zijn eigen denkvermogen. (41) Na vastgesteld te hebben wat de manier was om hun vijand te doden toonde Hij wiens visie Onfeilbaar is het aan Bhîma door bij wijze van teken een twijg in tweeën te splijten. (42) Dat begrijpend greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters, zijn vijand bij de voeten beet en liet hij hem op de grond vallen. (43) Met zijn voet boven op één been staande greep hij met beide handen het andere vast en reet hij, als een olifant met een boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen. (44) De koning zijn onderdanen zagen twee stukken met ieder een been, een dij, een heup, een rugdeel, een schouder, een arm, een oog, een wenkbrauw en een oor. (45) Met de dood van de heer van Magadha steeg een grote schreeuw van treurnis op, terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma omhelsden hem feliciterend. (46) Door de Ondoorgrondelijke Ene Allerhoogste Heer en Onderhouder van Alle Levende Wezens werd zijn zoon Sahadeva gekroond tot de heer en meester der Magadha's en werden de door de koning van Magadha gevangen genomen koningen vrijgelaten.

 

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

The Slaying of the Demon Jarâsandha

 

Text 1-2:

S'rî S'uka zei: 'Eens aan zijn hof zittend temidden van de wijzen, de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en zijn broers, nam Yudhishthhira het woord, en zei hij met al de âcârya's, de familie, de ouderen, zijn bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden op die manier luisterend, het volgende:

S'ukadeva Gosvâmî said: One day, as King Yudhishthhira sat in the royal assembly surrounded by eminent sages, brâhmanas, kshatriyas and vais'yas, and also by his brothers, spiritual masters, family elders, blood relations, in- laws and friends, he addressed Lord Krishna as everyone listened.

 

Text 3:

S'rî Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag de veelvoudige glorie van U met de zuiverende koning van alle vuuroffers genaamd râjasûya eren; alstUblieft sta het ons toe dat dat plaats vindt o Meester.

S'rî Yudhishthhira said: O Govinda, I desire to worship Your auspicious, opulent expansions by the Râjasûya sacrifice, the king of Vedic ceremonies. Please make our endeavor a success, my Lord.

 

Text 4:

Zij die constant in volledige dienstbaarheid mediteren op en van verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging afroepen van alles dat ongunstig is, worden gezuiverd; zij, en niet andere personen, o U wiens Navel als een Lotus is, verwerven het beëindigen van een materieel bestaan of verkrijgen, in geval ze wensen koesteren, de voorwerpen van hun verlangen.

Purified persons who constantly serve, meditate upon and glorify Your shoes, which destroy everything inauspicious, are sure to obtain freedom from material existence, O lotus-naveled one. Even if they desire something in this world, they obtain it, whereas others - those who do not take shelter of You - are never satisfied, O Lord.

  

Text 5:

Derhalve, o God der Goden, toon de bevolking de macht in deze wereld van de dienst aan de lotusvoeten; alstUblieft toon, o Almachtige, de status van die Kuru's en Sriñjaya's die U aldus aanbidden, in verhouding tot de status van diegenen die niet van aanbidding zijn.

Therefore, O Lord of lords, let the people of this world see the power of devotional service rendered to Your lotus feet. Please show them, O almighty one, the position of those Kurus and Sriñjayas who worship You, and the position of those who do not.

 

Text 6:

In Uw geest van Absolute Waarheid kan er geen verschil zijn met wat het Uwe is en van wat van anderen is, daar U de Ziel van Alle Wezens bent die gelijk in Uw visie binnen in Uzelf het geluk ervaart; voor hen die naar behoren van dienst zijn vergunt U als de wensboom de verlangde resultaten in overeenstemming met de dienstbaarheid en hierin [in Uw beantwoorden aan verlangens] schuilt geen tegenspraak.'

Within Your mind there can be no such differentiation as "This one is mine, and that is another's," because You are the Supreme Absolute Truth, the Soul of all beings, always equipoised and enjoying transcendental happiness within Yourself. Just like the heavenly desire tree, You bless all who properly worship You, granting their desired fruits in proportion to the service they render You. There is nothing wrong in this.

 

Text 7:

De Allerhoogste Heer zei: 'Dit hebt u volmaakt besloten o Koning, hiermee zal de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller van de vijand!

The Supreme Personality of Godhead said: Your decision is perfect, O King, and thus your noble fame will spread to all the worlds, O tormentor of your enemies.

 

Text 8:

Voor de wijzen, de voorvaderen, de goden en ook de vrienden, o meester van Ons, als ook voor alle levende wezens is deze koning aller offers [de letterlijke betekenis van râjasûja] wenselijk.

Indeed, My lord, for the great sages, the forefathers and the demigods, for Our well-wishing friends and, indeed, for all living beings, the performance of this king of Vedic sacrifices is desirable.

   

Text 9:

Met het onder controle brengen van de aarde, al de koningen overwinnend en al de benodigdheden inzamelend, moet u [daarna] de grote offerplechtigheid uitvoeren.

First conquer all kings, bring the earth under your control and collect all the required paraphernalia; then execute this great sacrifice.

     

Text 10:

Deze broers van u, o Koning, werden geboren als individuele delen van de halfgoden die over de werelden heersen [zie stamboom], en Ik, niet te overwinnen voor hen die zichzelf niet in de hand hebben, geef Me voor u in uw zelfbeheersing gewonnen.

These brothers of yours, O King, have taken birth as partial expansions of the demigods ruling various planets. And you are so self-controlled that you have conquered even Me, who am unconquerable for those who cannot control their senses.

   

Text 11:

Geen persoon, zelfs niet een halfgod of wat te zeggen van een aardse heerser, kan door zijn kracht, schoonheid, roem of macht in deze wereld iemand te boven gaan die Mij is toegewijd.'

No one in this world, even a demigod - what to speak of an earthly king - can defeat My devotee with his strength, beauty, fame or riches.

  

Text 12:

S'rî S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, blij het lied [de Gîtâ] van de Allerhoogste Heer te horen, betrok hij, gesterkt met het vermogen van Vishnu, zijn broers in het veroveren van alle windrichtingen.

S'ukadeva Gosvâmî said: Upon hearing these words sung by the Supreme Lord, King Yudhishthhira became joyful, and his face blossomed like a lotus. Thus he sent forth his brothers, who were empowered with Lord Vishnu's potency, to conquer all directions.

 

Text 13:

Sahadeva met de Sriñjaya's stuurde hij naar het zuiden, Nakula met de Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het oosten.

He sent Sahadeva to the south with the Sriñjayas, Nakula to the west with the Matsyas, Arjuna to the north with the Kekayas, and Bhîma to the east with the Madrakas.

 

Text 14:

Zij, de helden, die bij de genade van hun kracht vele koningen onderwierpen brachten van overal een overmaat aan rijkdommen mee naar hem van wie, van plan zijnde de offerplechtigheid uit te voeren, de vijand niet geboren was, o Koning.

After defeating many kings with their prowess, these heroic brothers brought back abundant wealth for Yudhishthhira Mahârâja, who was intent on performing the sacrifice, O King.

 

Text 15:

De koning zich bezinnend op het nieuws dat Jarâsandha niet was verslagen, werd door de Heer, de Oorspronkelijke Persoon, op de hoogte gesteld van de manier daaromtrent door Uddhava geopperd [in 10.71: 2-10].

When King Yudhishthhira heard that Jarâsandha remained undefeated, he set to pondering, and then the primeval Lord, Hari, told him the means Uddhava had described for defeating Jarâsandha.

     

Text 16

En zo gingen Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van brahmanen gedrieën naar Girivraja, mijn beste, alwaar de zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich ophield.

Thus Bhîmasena, Arjuna and Krishna disguised themselves as brâhmanas and went to Girivraja, my dear King, where the son of Brihadratha was to be found.

 

Text 17

Op het uur vastgelegd voor ongenode gasten naar zijn verblijfplaats gaand bedelden de edelen, zich voordoend als brahmanen, bij de religieuze huishouder die van respect was voor brahmanen:

Disguised as brâhmanas, the royal warriors approached Jarâsandha at home during the appointed hour for receiving guests. They submitted their entreaty to that dutiful householder, who was especially respectful to the brahminical class.

 

Text 18

'O Koning, weet dat behoeftige gasten zijn gearriveerd die van verre kwamen; u al het beste wensend, geef ons alstublieft al wat we verlangen.

[Krishna, Arjuna and Bhîma said:] O King, know us to be needy guests who have come to you from afar. We wish all good unto you. Please grant us whatever we desire.

  

Text 19

Wat zou er voor de geduldige niet te verdragen zijn, wat alles is voor de onzedigen onmogelijk te volbrengen, wat kunnen de vrijgevigen allemaal niet wegschenken, wie sluit nu hen die van een gelijke blik zijn buiten?

What can the tolerant not bear? What will the wicked not do? What will the generous not give in charity? And who will those of equal vision see as an outsider?

 

Text 20

Hij waarlijk is verachtelijk en zielig die, voor zichzelf ertoe in staat, met het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft zoals bezongen door de geheiligden.

He indeed is to be censured and pitied who, though able to do so, fails to achieve with his temporary body the lasting fame glorified by great saints.

 

Text 21

Velen als daar zijn Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali, en de legendarische jager en duif [zie*] inderdaad, begaven zich van het niet-blijvende naar het blijvende.'

Haris'candra, Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali, the legendary hunter and pigeon, and many others have attained the permanent by means of the impermanent.

  

 Text 22

S'rî S'uka zei: 'Echter, uit hun stemmen, hun fysieke voorkomen en de sporen van de boogpees op hun armen zelfs, herkende hij hen als edelen, als leden van de familie die hij al eens eerder had gezien:

S'ukadeva Gosvâmî said: From the sound of their voices, their physical stature and the marks of bowstrings on their forearms, Jarâsandha could tell that his guests were of the royal order. He began to think he had seen them somewhere before.

 

 Text 23

[hij dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen van brahmanen moet ik geven wat ze ook maar vragen; zelfs mijn eigen zo moeilijk op te geven lichaam.

[Jarâsandha thought:] These are surely members of the royal order dressed as brâhmanas, but still I must grant their request for charity, even if they beg me for my own body.

   

Text 24-25

Weet men niet van Bali dat de glorie zich wijd en zijd verbreidde door het vlekkeloze van zijn machtsbekleding, ook al werd hij ten val gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die, in de uitdossing van een brahmaan zich voordoend als een tweemaal geborene van Vishnu, Indra's weelde wilde wegnemen. Ofschoon er zich van bewust schonk hij de hele aarde weg, ook al was het de daitya koning [Bali] ontzegd [door zijn goeroe, zie 8.19].

Indeed, the spotless glories of Bali Mahârâja are heard throughout the world. Lord Vishnu, wishing to recover Indra's opulence from Bali, appeared before him in the guise of a brâhmana and made him fall from his powerful position. Though aware of the ruse and forbidden by his guru, Bali, king of the demons, still gave Vishnu the whole earth in charity.

 

 Text 26

Wat voor zin heeft het ook voor een gevallen kshatriya om te leven, als hij met zijn vergankelijke lichaam zich niet beijvert ten gunste van de meerdere eer en glorie van de brahmanen?

What is the use of an unqualified kshatriya who goes on living but fails to gain everlasting glory by working with his perishable body for the benefit of brâhmanas?

 

 Text 27

Aldus breed van opvattingen zei hij tot Krishna, Arjuna en Vrikodara ['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de leer, vraag me wat u maar wilt, ik geef u zelfs mijn eigen hoofd!'

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus making up his mind, the generous Jarâsandha addressed Krishna, Arjuna and Bhîma: "O learned brâhmanas, choose whatever you wish. I will give it to you, even if it is my own head."

 

 Text 28

De Opperheer zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, lever strijd met ons in een man-tot-man gevecht als u dat aanstaat; wij, leden van de adelstand, zijn naar hier gekomen met de wens te vechten en verlangen niets anders.

The Supreme Lord said: O exalted King, give us battle in the form of a duel, if you think it fitting. We are princes and have come to beg a fight. We have no other request to make of you.

 

 Text 29

Die daar is Bhîma, de zoon van Prithâ en deze andere hier voorwaar is Arjuna en Ik, Ik ben Krishna hun neef van moeders zijde, uw vijand moet u weten [zie 10.50].'

Over there is Bhîma, son of Prithâ, and this is his brother Arjuna. Know Me to be their maternal cousin, Krishna, your enemy.

 

 Text 30

Aldus uitgedaagd moest de koning van Magadha hard lachen inderdaad en zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik jullie slag leveren, jullie dwazen!

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus challenged, Magadharâja laughed out loud and contemptuously said, "All right, you fools, I'll give you a fight!

 

 Text 31

Maar ik ga het gevecht niet aan met Jij, die laf, in de strijd in kracht tekort schietend, je eigen stad Mathurâ hebt achtergelaten vertrekkend naar een veilig plaatsje in de oceaan.

"But I will not fight with You, Krishna, for You are a coward. Your strength abandoned You in the midst of battle, and You fled Your own capital of Mathurâ to take shelter in the sea.

 

 Text 32

En wat betreft hem hier, Arjuna, hij, niet oud genoeg en ook niet zo heel sterk, is geen partij voor mij en moet niet de tegenstander vormen; Bhîma is degene die net zo sterk is als ik.'

"As for this one, Arjuna, he is not as old as I, nor is he very strong. Since he is no match for me, he should not be the contender. Bhîma, however, is as strong as I am."

 

 Text 33

Met die uitspraak gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij, zelf een andere ter hand nemend zich buiten de stad.

Having said this, Jarâsandha offered Bhîmasena a huge club, took up another himself and went outside the city.

 

 Text 34

Toen, tegenover elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden op elkaar in met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen, door het gevecht tot een dolle woede gedreven.

The two heroes thus began battling each other on the level fighting grounds outside the city. Maddened with the fury of combat, they struck each other with their lightning-bolt-like clubs.

 

Text 35

Kundig links- en rechtsom cirkelend lieten de twee, zich in het gevecht rondbewegend, zo schitterend zien als acteurs op een toneel.

As they skillfully circled left and right, like actors dancing on a stage, the fight presented a magnificent spectacle.

 

Text 36

Vervolgens zwaaiden ze met hun knotsen in botsing, met een geluid lijkend op de inslag van de bliksem, o Koning, samenkletterend als de slagtanden van olifanten.

When Jarâsandha's and Bhîmasena's clubs loudly collided, O King, the sound was like the impact of the big tusks of two fighting elephants, or the crash of a thunderbolt in a flashing electrical storm.

 

Text 37

In woede ontstoken hevig vechtend als een paar olifanten werden, met de snelle kracht van hun armen ze machtig tegen elkaars schouders, heupen,voeten, handen dijen en sleutelbeenderen zwaaiend, de knotsen in het contact stukgeslagen als betrof het een stel arka-takken.

They swung their clubs at each other with such speed and force that as the clubs struck their shoulders, hips, feet, hands, thighs and collarbones, the weapons were crushed and broken like branches of arka trees with which two enraged elephants furiously attack each other.

 

Text 38

Met hun strijdknotsen aldus aan gruzelementen bewerkten de twee grote helden onder de mensen elkaar kwaad met hun vuisten, in het slaan zo hard als ijzer, waarbij, met hen twee vechtende olifanten, het geluid voortgebracht door de klappen van hun handen aanzwol tot het geluid van donderslagen.

Their clubs thus ruined, those great heroes among men angrily pummeled each other with their iron-hard fists. As they slapped each other, the sound resembled the crash of elephants colliding or harsh thunderclaps.

 

Text 39

Met de twee, gelijk qua training en kracht in uithoudingsvermogen, aldus toeslaand was het gevecht onbeslist en duurde het onafgebroken voort, o Koning. [**]

As they thus fought, this contest between opponents of equal training, strength and stamina reached no conclusion. And so they kept on fighting, O King, without any letup.

 

Text 40

Op de hoogte van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij in het leven was geroepen door Jarâ [zie 9.22: 8 en ***], begiftigde Krishna de zoon van Prithâ met Zijn eigen denkvermogen.

Lord Krishna knew the secret of His enemy Jarâsandha's birth and death, and also how he had been given life by the demoness Jarâ. Considering all this, Lord Krishna imparted His special power to Bhîma.

 

Text 41

Na vastgesteld te hebben wat de manier was om hun vijand te doden toonde Hij wiens visie Onfeilbaar is het aan Bhîma door bij wijze van teken een twijg in tweeën te splijten.

Having determined how to kill the enemy, that Lord of infallible vision made a sign to Bhîma by tearing in half a small branch of a tree.

 

Text 42

Dat begrijpend greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters, zijn vijand bij de voeten beet en liet hij hem op de grond vallen.

Understanding this sign, mighty Bhîma, the best of fighters, seized his opponent by the feet and threw him to the ground.

 

Text 43

Met zijn voet boven op één been staande greep hij met beide handen het andere vast en reet hij, als een olifant met een boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen.

Bhîma pressed down on one leg with his foot while grabbing Jarâsandha's other leg in his hands, and just as a great elephant might break the branch of a tree, Bhîma tore Jarâsandha apart from the anus upward.

 

Text 44

De koning zijn onderdanen zagen twee stukken met ieder een been, een dij, een heup, een rugdeel, een schouder, een arm, een oog, een wenkbrauw en een oor.

The King's subjects then saw him lying in two separate pieces, each with a single leg, thigh, testicle, hip, shoulder, arm, eye, eyebrow and ear, and with half a back and chest.

 

Text 45

Met de dood van de heer van Magadha steeg een grote schreeuw van treurnis op, terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma omhelsden hem feliciterend.

With the death of the lord of Magadha, a great cry of lamentation arose, while Arjuna and Krishna congratulated Bhîma by embracing him.

 

Text 46

Door de Ondoorgrondelijke Ene Allerhoogste Heer en Onderhouder van Alle Levende Wezens werd zijn zoon Sahadeva gekroond tot de heer en meester der Magadha's en werden de door de koning van Magadha gevangen genomen koningen vrijgelaten.

The immeasurable Supreme Personality of Godhead, the sustainer and benefactor of all living beings, correlated Jarâsandha's son, Sahadeva, as the new ruler of the Magadhas. The Lord then freed all the kings Jarâsandha had imprisoned.

 

* Het verhaal luidt dat de duif en zijn partner hun eigen vlees aan een jager gaven als bewijs van hun gastvrijheid, en zo naar de hemel werden overgebracht in een hemels voertuig. Toen de jager hun positie vanuit de geaardheid goedheid doorzag, raakte hij ook verzaakt, en gaf hij aldus het jagen op en vertrok hij om boete te doen. Omdat hij bevrijd was van alle zonde werd hij, nadat zijn lichaam in een bosbrand verbrandde, tot de hemel bevorderd.  

** Sommige âcârya's nemen de volgende twee verzen mee in de tekst van dit hoofdstuk, en S'rîla Prabhupâda vertaalde ze ook in 'Krishna':

evam tayor mahâ-râja
yudhyatoh sapta-vims'atih
dinâni niragams tatra
suhrid-van nis'i tishthhatoh

ekadâ mâtuleyam vai
prâha râjan vrikodarah
na s'akto 'ham jarâsandham
nirjetum yudhi mâdhava

"Aldus, o Koning, gingen ze tweeënzeventig dagen door met vechten. Aan het eind van iedere dag vechten, leefden beiden 's nachts als vrienden in Jarâsandha's paleis. Toen op de achtentwintigste dag, o Koning, zei Vrikodara [Bhîma] zijn neef van moeders zijde, 'Mâdhava, ik kan Jarâsandha niet in de strijd verslaan.' "

*** S'rîla Prabhupâda schrijft "Jarâsandha werd in twee verschillende delen geboren uit twee verschillende moeders. Toen zijn vader zag dat de baby geen nut had, wierp hij de twee delen in het woud, waar ze later werden gevonden door een heks met een zwart hart genaamd Jarâ. Zij slaagde erin de twee delen van de baby van top tot teen samen te voegen. Hiermee bekend, wist Heer Krishna daarom ook hoe hem te doden."

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties