
Bronteksten
(geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):
The
Slaying of the Demon Jarâsandha
Text
1-2:
S'rî
S'uka zei: 'Eens aan zijn hof zittend temidden van de wijzen,
de edelen, de populaire persoonlijkheden, de zakenlieden en
zijn broers, nam Yudhishthhira het woord, en zei hij met al de
âcârya's, de familie, de ouderen, zijn
bloedverwanten, aangetrouwden en vrienden op die manier
luisterend, het volgende:
S'ukadeva
Gosvâmî said: One day, as King Yudhishthhira sat
in the royal assembly surrounded by eminent sages,
brâhmanas, kshatriyas and vais'yas, and also by his
brothers, spiritual masters, family elders, blood relations,
in- laws and friends, he addressed Lord Krishna as everyone
listened.
Text
3:
S'rî
Yudhishthhira zei: 'O Govinda, ik zou graag de veelvoudige
glorie van U met de zuiverende koning van alle vuuroffers
genaamd râjasûya eren; alstUblieft sta het ons toe
dat dat plaats vindt o Meester.
S'rî
Yudhishthhira said: O Govinda, I desire to worship Your
auspicious, opulent expansions by the Râjasûya
sacrifice, the king of Vedic ceremonies. Please make our
endeavor a success, my Lord.
Text
4:
Zij die
constant in volledige dienstbaarheid mediteren op en van
verheerlijking zijn voor Uw slippers, welke de vernietiging
afroepen van alles dat ongunstig is, worden gezuiverd; zij, en
niet andere personen, o U wiens Navel als een Lotus is,
verwerven het beëindigen van een materieel bestaan of
verkrijgen, in geval ze wensen koesteren, de voorwerpen van hun
verlangen.
Purified
persons who constantly serve, meditate upon and glorify Your
shoes, which destroy everything inauspicious, are sure to
obtain freedom from material existence, O lotus-naveled one.
Even if they desire something in this world, they obtain it,
whereas others - those who do not take shelter of You - are
never satisfied, O Lord.
Text
5:
Derhalve, o God
der Goden, toon de bevolking de macht in deze wereld van de
dienst aan de lotusvoeten; alstUblieft toon, o Almachtige, de
status van die Kuru's en Sriñjaya's die U aldus
aanbidden, in verhouding tot de status van diegenen die niet
van aanbidding zijn.
Therefore,
O Lord of lords, let the people of this world see the power
of devotional service rendered to Your lotus feet. Please
show them, O almighty one, the position of those Kurus and
Sriñjayas who worship You, and the position of those
who do not.
Text
6:
In Uw geest van
Absolute Waarheid kan er geen verschil zijn met wat het Uwe is
en van wat van anderen is, daar U de Ziel van Alle Wezens bent
die gelijk in Uw visie binnen in Uzelf het geluk ervaart; voor
hen die naar behoren van dienst zijn vergunt U als de wensboom
de verlangde resultaten in overeenstemming met de
dienstbaarheid en hierin [in Uw beantwoorden aan
verlangens] schuilt geen tegenspraak.'
Within
Your mind there can be no such differentiation as "This one
is mine, and that is another's," because You are the Supreme
Absolute Truth, the Soul of all beings, always equipoised
and enjoying transcendental happiness within Yourself. Just
like the heavenly desire tree, You bless all who properly
worship You, granting their desired fruits in proportion to
the service they render You. There is nothing wrong in
this.
Text
7:
De Allerhoogste
Heer zei: 'Dit hebt u volmaakt besloten o Koning, hiermee zal
de hele wereld getuige zijn van uw zegenrijke roem, o kweller
van de vijand!
The
Supreme Personality of Godhead said: Your decision is
perfect, O King, and thus your noble fame will spread to all
the worlds, O tormentor of your enemies.
Text
8:
Voor de wijzen,
de voorvaderen, de goden en ook de vrienden, o meester van Ons,
als ook voor alle levende wezens is deze koning aller offers
[de letterlijke betekenis van râjasûja]
wenselijk.
Indeed,
My lord, for the great sages, the forefathers and the
demigods, for Our well-wishing friends and, indeed, for all
living beings, the performance of this king of Vedic
sacrifices is desirable.
Text
9:
Met het onder
controle brengen van de aarde, al de koningen overwinnend en al
de benodigdheden inzamelend, moet u [daarna] de grote
offerplechtigheid uitvoeren.
First
conquer all kings, bring the earth under your control and
collect all the required paraphernalia; then execute this
great sacrifice.
Text
10:
Deze broers van
u, o Koning, werden geboren als individuele delen van de
halfgoden die over de werelden heersen [zie
stamboom],
en Ik, niet te overwinnen voor hen die zichzelf niet in de hand
hebben, geef Me voor u in uw zelfbeheersing
gewonnen.
These
brothers of yours, O King, have taken birth as partial
expansions of the demigods ruling various planets. And you
are so self-controlled that you have conquered even Me, who
am unconquerable for those who cannot control their
senses.
Text
11:
Geen persoon,
zelfs niet een halfgod of wat te zeggen van een aardse heerser,
kan door zijn kracht, schoonheid, roem of macht in deze wereld
iemand te boven gaan die Mij is toegewijd.'
No
one in this world, even a demigod - what to speak of an
earthly king - can defeat My devotee with his strength,
beauty, fame or riches.
Text
12:
S'rî
S'uka zei: 'Met een gezicht bloeiend als een lotus, blij het
lied [de Gîtâ]
van de Allerhoogste Heer te horen, betrok hij, gesterkt met het
vermogen van Vishnu, zijn broers in het veroveren van alle
windrichtingen.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Upon hearing these words sung by
the Supreme Lord, King Yudhishthhira became joyful, and his
face blossomed like a lotus. Thus he sent forth his
brothers, who were empowered with Lord Vishnu's potency, to
conquer all directions.
Text
13:
Sahadeva met de
Sriñjaya's stuurde hij naar het zuiden, Nakula met de
Matsya's in westelijke richting, Arjuna met de Kekaya's naar
het noorden en Bhîma met de Madraka's naar het
oosten.
He
sent Sahadeva to the south with the Sriñjayas, Nakula
to the west with the Matsyas, Arjuna to the north with the
Kekayas, and Bhîma to the east with the
Madrakas.
Text
14:
Zij, de helden,
die bij de genade van hun kracht vele koningen onderwierpen
brachten van overal een overmaat aan rijkdommen mee naar hem
van wie, van plan zijnde de offerplechtigheid uit te voeren, de
vijand niet geboren was, o Koning.
After
defeating many kings with their prowess, these heroic
brothers brought back abundant wealth for Yudhishthhira
Mahârâja, who was intent on performing the
sacrifice, O King.
Text
15:
De koning zich
bezinnend op het nieuws dat Jarâsandha niet was
verslagen, werd door de Heer, de Oorspronkelijke Persoon, op de
hoogte gesteld van de manier daaromtrent door Uddhava geopperd
[in 10.71:
2-10].
When
King Yudhishthhira heard that Jarâsandha remained
undefeated, he set to pondering, and then the primeval Lord,
Hari, told him the means Uddhava had described for defeating
Jarâsandha.
Text
16
En zo gingen
Bhîmasena, Arjuna en Krishna uitgedost in de kleding van
brahmanen gedrieën naar Girivraja, mijn beste, alwaar de
zoon van Brihadratha [Jarâsandha] zich
ophield.
Thus
Bhîmasena, Arjuna and Krishna disguised themselves as
brâhmanas and went to Girivraja, my dear King, where
the son of Brihadratha was to be found.
Text
17
Op het uur
vastgelegd voor ongenode gasten naar zijn verblijfplaats gaand
bedelden de edelen, zich voordoend als brahmanen, bij de
religieuze huishouder die van respect was voor
brahmanen:
Disguised
as brâhmanas, the royal warriors approached
Jarâsandha at home during the appointed hour for
receiving guests. They submitted their entreaty to that
dutiful householder, who was especially respectful to the
brahminical class.
Text
18
'O Koning, weet
dat behoeftige gasten zijn gearriveerd die van verre kwamen; u
al het beste wensend, geef ons alstublieft al wat we verlangen.
[Krishna,
Arjuna and Bhîma said:] O King, know us to be
needy guests who have come to you from afar. We wish all
good unto you. Please grant us whatever we desire.
Text
19
Wat zou er voor
de geduldige niet te verdragen zijn, wat alles is voor de
onzedigen onmogelijk te volbrengen, wat kunnen de vrijgevigen
allemaal niet wegschenken, wie sluit nu hen die van een gelijke
blik zijn buiten?
What
can the tolerant not bear? What will the wicked not do? What
will the generous not give in charity? And who will those of
equal vision see as an outsider?
Text
20
Hij waarlijk is
verachtelijk en zielig die, voor zichzelf ertoe in staat, met
het tijdelijke lichaam niet de eeuwige roem verwerft zoals
bezongen door de geheiligden.
He
indeed is to be censured and pitied who, though able to do
so, fails to achieve with his temporary body the lasting
fame glorified by great saints.
Text
21
Velen als daar
zijn Haris'candra,
Rantideva,
Uñchavritti
Mudgala,
S'ibi,
Bali,
en de legendarische jager en duif [zie*]
inderdaad, begaven zich van het niet-blijvende naar het
blijvende.'
Haris'candra,
Rantideva, Uñchavritti Mudgala, S'ibi, Bali, the
legendary hunter and pigeon, and many others have attained
the permanent by means of the impermanent.
Text
22
S'rî
S'uka zei: 'Echter, uit hun stemmen, hun fysieke voorkomen en
de sporen van de boogpees op hun armen zelfs, herkende hij hen
als edelen, als leden van de familie die hij al eens eerder had
gezien:
S'ukadeva
Gosvâmî said: From the sound of their voices,
their physical stature and the marks of bowstrings on their
forearms, Jarâsandha could tell that his guests were
of the royal order. He began to think he had seen them
somewhere before.
Text
23
[hij
dacht:] 'Deze verwanten van de adelstand met de kentekenen
van brahmanen moet ik geven wat ze ook maar vragen; zelfs mijn
eigen zo moeilijk op te geven lichaam.
[Jarâsandha
thought:] These are surely members of the royal order
dressed as brâhmanas, but still I must grant their
request for charity, even if they beg me for my own
body.
Text
24-25
Weet men niet
van Bali dat de glorie zich wijd en zijd verbreidde door het
vlekkeloze van zijn machtsbekleding, ook al werd hij ten val
gebracht door Heer Vishnu [Vâmana] die, in de
uitdossing van een brahmaan zich voordoend als een tweemaal
geborene van Vishnu, Indra's weelde wilde wegnemen. Ofschoon er
zich van bewust schonk hij de hele aarde weg, ook al was het de
daitya koning [Bali] ontzegd [door zijn goeroe, zie
8.19].
Indeed,
the spotless glories of Bali Mahârâja are heard
throughout the world. Lord Vishnu, wishing to recover
Indra's opulence from Bali, appeared before him in the guise
of a brâhmana and made him fall from his powerful
position. Though aware of the ruse and forbidden by his
guru, Bali, king of the demons, still gave Vishnu the whole
earth in charity.
Text
26
Wat voor zin
heeft het ook voor een gevallen kshatriya om te leven, als hij
met zijn vergankelijke lichaam zich niet beijvert ten gunste
van de meerdere eer en glorie van de brahmanen?
What
is the use of an unqualified kshatriya who goes on living
but fails to gain everlasting glory by working with his
perishable body for the benefit of brâhmanas?
Text
27
Aldus breed van
opvattingen zei hij tot Krishna, Arjuna en Vrikodara
['wolvenbuik' ofwel Bhîma]: 'O mannen van de
leer, vraag me wat u maar wilt, ik geef u zelfs mijn eigen
hoofd!'
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Thus making up his mind,
the generous Jarâsandha addressed Krishna, Arjuna and
Bhîma: "O learned brâhmanas, choose whatever you
wish. I will give it to you, even if it is my own
head."
Text
28
De Opperheer
zei: 'Alstublieft hoogmogende Koning, lever strijd met ons in
een man-tot-man gevecht als u dat aanstaat; wij, leden van de
adelstand, zijn naar hier gekomen met de wens te vechten en
verlangen niets anders.
The
Supreme Lord said: O exalted King, give us battle in the
form of a duel, if you think it fitting. We are princes and
have come to beg a fight. We have no other request to make
of you.
Text
29
Die daar is
Bhîma, de zoon van Prithâ en deze andere hier
voorwaar is Arjuna en Ik, Ik ben Krishna hun neef van moeders
zijde, uw vijand moet u weten [zie 10.50].'
Over
there is Bhîma, son of Prithâ, and this is his
brother Arjuna. Know Me to be their maternal cousin,
Krishna, your enemy.
Text
30
Aldus
uitgedaagd moest de koning van Magadha hard lachen inderdaad en
zei hij vol minachting: 'In dat geval, zal ik jullie slag
leveren, jullie dwazen!
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Thus challenged,
Magadharâja laughed out loud and contemptuously said,
"All right, you fools, I'll give you a fight!
Text
31
Maar ik ga het
gevecht niet aan met Jij, die laf, in de strijd in kracht
tekort schietend, je eigen stad Mathurâ hebt
achtergelaten vertrekkend naar een veilig plaatsje in de
oceaan.
"But
I will not fight with You, Krishna, for You are a coward.
Your strength abandoned You in the midst of battle, and You
fled Your own capital of Mathurâ to take shelter in
the sea.
Text
32
En wat betreft
hem hier, Arjuna, hij, niet oud genoeg en ook niet zo heel
sterk, is geen partij voor mij en moet niet de tegenstander
vormen; Bhîma is degene die net zo sterk is als
ik.'
"As
for this one, Arjuna, he is not as old as I, nor is he very
strong. Since he is no match for me, he should not be the
contender. Bhîma, however, is as strong as I
am."
Text
33
Met die
uitspraak gaf hij Bhîma een grote knots en begaf hij,
zelf een andere ter hand nemend zich buiten de stad.
Having
said this, Jarâsandha offered Bhîmasena a huge
club, took up another himself and went outside the
city.
Text
34
Toen, tegenover
elkaar in het strijdperk, sloegen de twee helden op elkaar in
met hun bliksemschicht-gelijke strijdknotsen, door het gevecht
tot een dolle woede gedreven.
The
two heroes thus began battling each other on the level
fighting grounds outside the city. Maddened with the fury of
combat, they struck each other with their
lightning-bolt-like clubs.
Text
35
Kundig links-
en rechtsom cirkelend lieten de twee, zich in het gevecht
rondbewegend, zo schitterend zien als acteurs op een toneel.
As
they skillfully circled left and right, like actors dancing
on a stage, the fight presented a magnificent
spectacle.
Text
36
Vervolgens
zwaaiden ze met hun knotsen in botsing, met een geluid lijkend
op de inslag van de bliksem, o Koning, samenkletterend als de
slagtanden van olifanten.
When
Jarâsandha's and Bhîmasena's clubs loudly
collided, O King, the sound was like the impact of the big
tusks of two fighting elephants, or the crash of a
thunderbolt in a flashing electrical storm.
Text
37
In woede
ontstoken hevig vechtend als een paar olifanten werden, met de
snelle kracht van hun armen ze machtig tegen elkaars schouders,
heupen,voeten, handen dijen en sleutelbeenderen zwaaiend, de
knotsen in het contact stukgeslagen als betrof het een stel
arka-takken.
They
swung their clubs at each other with such speed and force
that as the clubs struck their shoulders, hips, feet, hands,
thighs and collarbones, the weapons were crushed and broken
like branches of arka trees with which two enraged elephants
furiously attack each other.
Text
38
Met hun
strijdknotsen aldus aan gruzelementen bewerkten de twee grote
helden onder de mensen elkaar kwaad met hun vuisten, in het
slaan zo hard als ijzer, waarbij, met hen twee vechtende
olifanten, het geluid voortgebracht door de klappen van hun
handen aanzwol tot het geluid van donderslagen.
Their
clubs thus ruined, those great heroes among men angrily
pummeled each other with their iron-hard fists. As they
slapped each other, the sound resembled the crash of
elephants colliding or harsh thunderclaps.
Text
39
Met de twee,
gelijk qua training en kracht in uithoudingsvermogen, aldus
toeslaand was het gevecht onbeslist en duurde het onafgebroken
voort, o Koning. [**]
As
they thus fought, this contest between opponents of equal
training, strength and stamina reached no conclusion. And so
they kept on fighting, O King, without any letup.
Text
40
Op de hoogte
van de geboorte en dood van de vijand en hoe hij in het leven
was geroepen door Jarâ [zie 9.22:
8 en
***],
begiftigde Krishna de zoon van Prithâ met Zijn eigen
denkvermogen.
Lord
Krishna knew the secret of His enemy Jarâsandha's
birth and death, and also how he had been given life by the
demoness Jarâ. Considering all this, Lord Krishna
imparted His special power to Bhîma.
Text
41
Na vastgesteld
te hebben wat de manier was om hun vijand te doden toonde Hij
wiens visie Onfeilbaar is het aan Bhîma door bij wijze
van teken een twijg in tweeën te splijten.
Having
determined how to kill the enemy, that Lord of infallible
vision made a sign to Bhîma by tearing in half a small
branch of a tree.
Text
42
Dat begrijpend
greep de immens sterke Bhîma, de beste aller vechters,
zijn vijand bij de voeten beet en liet hij hem op de grond
vallen.
Understanding
this sign, mighty Bhîma, the best of fighters, seized
his opponent by the feet and threw him to the ground.
Text
43
Met zijn voet
boven op één been staande greep hij met beide
handen het andere vast en reet hij, als een olifant met een
boomtak, hem van zijn anus naar boven uiteen.
Bhîma
pressed down on one leg with his foot while grabbing
Jarâsandha's other leg in his hands, and just as a
great elephant might break the branch of a tree, Bhîma
tore Jarâsandha apart from the anus upward.
Text
44
De koning zijn
onderdanen zagen twee stukken met ieder een been, een dij, een
heup, een rugdeel, een schouder, een arm, een oog, een
wenkbrauw en een oor.
The
King's subjects then saw him lying in two separate pieces,
each with a single leg, thigh, testicle, hip, shoulder, arm,
eye, eyebrow and ear, and with half a back and chest.
Text
45
Met de dood van
de heer van Magadha steeg een grote schreeuw van treurnis op,
terwijl Arjuna en Acyuta beiden Bhîma omhelsden hem
feliciterend.
With
the death of the lord of Magadha, a great cry of lamentation
arose, while Arjuna and Krishna congratulated Bhîma by
embracing him.
Text
46
Door de
Ondoorgrondelijke Ene Allerhoogste Heer en Onderhouder van Alle
Levende Wezens werd zijn zoon Sahadeva gekroond tot de heer en
meester der Magadha's en werden de door de koning van Magadha
gevangen genomen koningen vrijgelaten.
The
immeasurable Supreme Personality of Godhead, the sustainer
and benefactor of all living beings, correlated
Jarâsandha's son, Sahadeva, as the new ruler of the
Magadhas. The Lord then freed all the kings Jarâsandha
had imprisoned.
*
Het verhaal luidt dat de duif en zijn partner hun eigen vlees
aan een jager gaven als bewijs van hun gastvrijheid, en zo naar
de hemel werden overgebracht in een hemels voertuig. Toen de
jager hun positie vanuit de geaardheid goedheid doorzag, raakte
hij ook verzaakt, en gaf hij aldus het jagen op en vertrok hij
om boete te doen. Omdat hij bevrijd was van alle zonde werd
hij, nadat zijn lichaam in een bosbrand verbrandde, tot de
hemel bevorderd.
**
Sommige âcârya's nemen de volgende twee verzen mee
in de tekst van dit hoofdstuk, en S'rîla Prabhupâda
vertaalde ze ook in 'Krishna':
evam
tayor mahâ-râja
yudhyatoh sapta-vims'atih
dinâni niragams tatra
suhrid-van nis'i tishthhatoh
ekadâ
mâtuleyam vai
prâha râjan vrikodarah
na s'akto 'ham jarâsandham
nirjetum yudhi mâdhava
"Aldus,
o Koning, gingen ze tweeënzeventig dagen door met vechten.
Aan het eind van iedere dag vechten, leefden beiden 's nachts
als vrienden in Jarâsandha's paleis. Toen op de
achtentwintigste dag, o Koning, zei Vrikodara
[Bhîma] zijn neef van moeders zijde,
'Mâdhava, ik kan Jarâsandha niet in de strijd
verslaan.' "
***
S'rîla Prabhupâda schrijft "Jarâsandha werd
in twee verschillende delen geboren uit twee verschillende
moeders. Toen zijn vader zag dat de baby geen nut had, wierp
hij de twee delen in het woud, waar ze later werden gevonden
door een heks met een zwart hart genaamd Jarâ. Zij
slaagde erin de twee delen van de baby van top tot teen samen
te voegen. Hiermee bekend, wist Heer Krishna daarom ook hoe hem
te doden."
