regelbalk


 

Canto 5

Dâmodarâshthaka

 

Hoofdstuk 19: De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

(1) S'rî S'uka zei: 'In het land Kimpurusha is de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de oudere broer van Lakshmana, Râmacandra, die Sîtâ zo tevreden stemt; hij die met het volk van Kimpurusha in de toewijding van aanbidding altijd bezig is met de dienst aan Zijn voeten is de verheven en grootste toegewijde Hanumân. (2) Samen met Ârshthishena [de leider van Kimpurusha] aandachtig luisterend naar het loflied op zijn meest goedgunstige Heer en meester zoals gezongen door een gezelschap van Gandharva's, bidt hij [Hanumân] zelf het volgende: (3) 'O mijn Heer, mijn eerbetuigingen aan U als de Lieve Heer waarvan men spreekt in de geschriften, al mijn respect voor U, behept met alle goede kwaliteiten die men aantreft bij de gevorderden, mijn trouw geldt U als de Ene die Zijn zinnen onder controle heeft en Hij die altijd herdacht en aanbeden wordt door de mensen uit alle windstreken; mijn respectbetuiging aan U als de toetssteen der kwaliteit voor iedere zoeker naar de waarheid, ik verbuig me voor U, de grote persoonlijkheid en godheid der brahmanen; aan die Koning der Koningen mijn eerbetoon. (4) Laat mij Hem aanbidden, die transcendentale zuivere, allerhoogste waarheid, die wordt ervaren als het ene lichaam van spiritueel vermogen waarmee de invloed van de geaardheden der natuur teniet wordt gedaan; Hij niet zichtbaar anders dan bij bovenzinnelijkheid, in Zijn natuur onverstoord en voorbij naam en vorm waarlijk vrij van ego, wordt middels een zuiver [natuurlijk, Krishna-]bewustzijn bereikt. (5) Geïncarneerd als een menselijk wezen was Hij voorzeker er niet enkel als de Almachtige om de demon Râvana te doden, maar was Hij er ook om de sterfelijken van deze materiële wereld te onderrichten; om welke andere reden dan het dienen van de tevredenheid van Hem als de geestelijke ziel in eigen persoon, zou er anders al de ellende zijn van Sîtâ's gescheiden zijn van Hem, de Beheerser? (6) Naar waarheid is Hij, de Opperziel en beste vriend der zelfgerealiseerden, nimmer gehecht aan wat dan ook in de drie werelden; Hij is de Allerhoogste Heer, Vâsudeva die in feite nimmer leed onder het gescheiden zijn van Zijn vrouw Sîtâ - noch geldt dat voor Lakshmana, die zeker ook van dat vermogen tot loslaten is. (7) Noch is men door geboorte van het Grootste, noch is men dat door zijn kapitaal, noch is men dat door welsprekendheid, noch door eigen slimmigheid, noch is men dat door zijn lichaamsbouw; alhoewel we helaas maar bosbewoners zijn, aanvaarde Lakshmana's oudere broer ons in vriendschap en werd de oorzaak van het plezier in Hem middels al die andere methoden afgewezen. (8) Derhalve, verlicht of niet, beest of menselijk wezen, een ieder die van de ziel is behoort Râma te aanbidden, de allerbeste die zo makkelijk te behagen is, de Heer die als een menselijk wezen verscheen en zodoende de bewoners van Kosala [Ayodhyâ], noordelijk India, terug naar God leidde.'

(9) Ook in het land Bhârata kent men de Allerhoogste Heer tot aan het einde van het millennium als Nara-Nârâyana; Hij, wiens heerlijkheden ondoorgrondelijk zijn, bewijst Zijn grondeloze genade aan de kandidaten van de zelfverwerkelijking die de verzaking beoefenen die zo bevorderlijk is voor de religie, de kennis der spiritualiteit, de onthechting, het meesterschap van de yoga, de controle over de zinnen en de vrijheid van vals ego. (10) De praktijk van de analytische yoga over hoe men zich God behoort te realiseren, zoals geformuleerd door de Heer [Kapila, zie 3.28 & 29], werd Sâvarni Manu onderwezen door de meest machtige Nârada, die tezamen met de in Bhârata [India] levende navolgers van het systeem van statusoriëntaties [het varnâs'rama systeem, zie B.G. 4: 13], met grote liefde in vervoering de Heer dient terwijl hij uitroept: (11) 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor U o Heer, meester der zinnen en verpersoonlijking van de vrijheid van gehechtheid, alle eerbewijs aan U die het enige bent wat een man van armoede bezit. U, Nara-Nârâyana, bent de meest verhevene van alle wijzen, de allerhoogste geestelijk leraar van al de paramahamsa's [de zwaan-gelijke gerealiseerde meesters] en de oorspronkelijke onder de zelfverwerkelijkten; keer op keer betoon ik U aldus de eer.' (12) En hij zingt daarbij: 'U bent degene van overzicht werkzaam in deze kosmische schepping; de Ene die er niet aan is gehecht de meester te zijn, noch hebt U, alhoewel U als een menselijk wezen ten tonele verschijnt, te lijden onder honger, dorst en vermoeidheid; noch raakt de visie van U, die alles en allen overziet, ooit onzuiver door de kwaliteiten der materie; jegens U als de onthechte en zuivere getuige die boven alle emotie staat, mijn betoon van respect. (13) O Heer van de Yoga, van dit, wat zo trefzeker werd uitgesproken door de almachtige Heer Brahmâ over hoe volmaakt te volgen naar de beginselen van de yoga, weten we dat iemand die de identificatie met het lichaam heeft opgegeven, ten tijde van zijn dood, met een houding van toewijding, zijn geest moet richten op U als de transcendentie. (14) Een persoon gedreven door verlangen denkt in angst over zijn kinderen, echtgenote en weelde; maar iedere persoon die bekend is met het triviale van zijn aan de tijd gebonden lichaam, beschouwt, vanwege het feit dat het lichaam verloren gaat, dergelijke ondernemingen slechts als tijdverspilling. (15) Derhalve, o meester van ons, o Bovenzinnelijkheid over de zintuigen, bidt ik dat wij, met het illusoire van U, zeer spoedig dit gefixeerde idee van 'ik' en 'mijn' mogen opgeven, dat in verband met de banaliteit van ons materiële voertuig zo moeilijk te overwinnen is; alstUblieft vergun ons de yogawetenschap in relatie tot U, zodat we onze natuur vinden.'

(16) Ook zijn er in dit land Bhârata vele rivieren en bergen als de Malaya, Mangala-prastha, Mainâka, Trikûtha, Rishabha, Kûthaka, Kollaka, Sahya, Devagiri, Rishyamûka, S'rî-s'aila, Venkatha, Mahendra, Vâridhâra, Vindhya, S'uktimân, Rikshagiri, Pâriyâtra, Drona, Citrakûtha, Govardhana, Raivataka, Kakubha, Nîla, Gokâmukha, Indrakîla en Kâmagiri, zowel als honderden en duizenden andere bergpieken; en de grote en kleine rivieren die hun ontstaan vinden op hun hellingen zijn niet te tellen. (17-18) Door al deze wateren van Bhârata vinden de bewoners zuivering van geest, door alleen al hun naam alsook door ze te beroeren. De grote rivieren zijn de Candravasâ , Tâmraparnî, Avathodâ, Kritamâlâ, Vaihâyasî, Kâverî, Venî, Payasvinî, S'arkarâvartâ, Tungabhadrâ, Krishnâvenyâ, Bhîmarathî, Godâvarî, Nirvindhyâ, Payoshnî, Tâpî, Revâ, Surasâ, Narmadâ, Carmanvatî, Sindhu [de huidige Indus], de twee hoofdrivieren de Andha en de Sona, de Mahânadî, Vedasmriti, Rishikulyâ, Trisâmâ, Kaus'ikî, Mandâkinî, Yamunâ, Sarasvatî, Drishadvatî, Gomatî, Sarayû, Rodhasvatî, Saptavatî, Sushomâ, S'atadrû, Candrabhâgâ, Marudvridhâ, Vitastâ, Asiknî en de Vis'vâ. (19) In deze landstreek leiden de mensen, die daar uit de goedheid, het rode [de hartstocht] en uit de duisternis zijn geboren in een klasse die overeenstemt met hun verworven karma, levens die goddelijk zijn, menselijk of hels; en zo ook zijn er, overeenkomstig wat men in het verleden deed, afgegrensd in de zin van kasten, naar het pad van de bevrijding vele doelen met iedere ziel mogelijk. (20) In relatie tot de Opperheer, die de ziel van gelijkheid in alle levende wezens is en de onafhankelijke, de Superziel Vâsudeva is van de vrijheid boven het denken en de spraak, kan in dezen een ieder, door middel van de verschillende wegen en doelen van de bhakti-yoga, breken met de oorzaak van het gebonden zijn in onwetendheid. Er wordt immers met deze wegen en doelen daadwerkelijk een nauwe betrekking gevonden tussen de persoon en de Allerhoogste Persoonlijkheid, buiten wie er in werkelijkheid geen andere oorzaak te vinden is.'

(21) Het volgende is wat voorzeker door al de halfgoden wordt gezegd: 'Men zegt dat het vanwege al de vrome daden die deze mensen volbrachten is dat de Heer zelve over hen verheugd is en dat ze de maatschappij van het land Bhârata-varsha verwierven. Het is die Heer Mukunda die in feite onze ambitie is; door Hem verwerven wij de dienstbaarheid. (22) Wat loont al die moeite van je bezighouden met rituelen, verzakingen, geloften en liefdadigheden volbracht, of een hemels koninkrijk; het is allemaal van nul en generlei belang als men zich daarbij, als gevolg van zinnelijke onmatigheid, niet de lotusvoeten van Heer Nârâyana herinnert. (23) Van grotere waarde dan het bereiken van een positie van een leven dat eindeloos duurt en vatbaar is voor herhaling [zoals van Brahmâ], is het geboren te zijn in het land Bhârata voor slechts honderd jaren, daar, in een dergelijk kort leven als een sterfelijk mens, het werk gedaan wordt door degenen die daadwerkelijk het leven zelf op zijn waarde weten te schatten; in volledige onthechting, verwerven zij, bevrijd van angst, de Heer Zijn verblijf. (24) Daar waar de zoete stroom van de gesprekken over Vaikunthha niet wordt aangetroffen, noch de toegewijden worden gevonden die, altijd bezig in Zijn dienst, bij Hem hun beschutting vinden, noch de uitvoering plaatsvindt van die offerplechtigheden voor de Heer die ware festiviteiten zijn, dan is, hoewel het een plaats kon zijn bewoond door hemellieden, dat zeker niet een plaats om regelmatig te bezoeken. (25) Als zij die hier een menselijke geboorte verwierven, en alsook zij onder de [elders] levenden die volledig zijn toegerust met alles van de kennis en het handelen, zich ondanks deze verworvenheden niet inzetten voor de positie van het eeuwige, treden dergelijke personen, net als vogels die waren weggetrokken, de gebondenheid weer tegemoet. (26) Met hun geloof zijn ze in de uitvoering van de rituelen verdeeld; met de offerandes gebracht aan de heersende godheid en met het reciteren van de mantra's volgens de geijkte methode, wordt de Ene God afzonderlijk met verschillende namen aangeroepen. Hij, volkomen in Zichzelf, aanvaardt dat allergelukkigst daar Hij de verlener van alle gunsten is in eigen persoon. (27) Hoewel Hij naar waarheid precies dat vergunt waarvoor de mens tot Hem bad, is Hij niet de verlener van gunsten waar men telkens weer opnieuw om vraagt; Hij schenkt persoonlijk, zelfs ongevraagd, aan hen die bezig zijn in Zijn dienst al het gewenste dat zonder ophouden ontspruit aan Zijn lotusvoeten. (28) Als er van ons hier enige verdienste rest van ons volmaakte offeren, grondige bestuderen en goede handelen, laat dat dan leiden tot een geboorte in het land van Bhârata dat ons inspireert de Heer in gedachten te houden heersend over die plaats waar, vanuit de toegewijden, alle geluk zich uitbreidt.'

(29-30) S'rî S'uka vervolgde: 'Wat betreft het continent dat bekend staat als Jambûdvîpa [het euraziatische continent, zie 5.1: 32], o Koning, is er ook, zoals sommige geleerden die op de hoogte zijn dat beweren, sprake van een onderverdeling in acht deelgebieden ['eilanden' in de zin van provincies] van het land welke zich vormde door het rondwroeten van de zoons van Mahârâja Sagara [het indiase deel ofwel Bhârata-varsha], die probeerden het verloren gegane offerpaard weer terug te vinden [zie 9.8] ]. Ze dragen de volgende namen: Svarnaprastha, Candras'ukla, Âvartana, Ramanaka, Mandara-harina, Pâñcajanya, Simhala en Lankâ. (31) Aldus heb ik u uitgelegd wat de verdelingen van het land Jambûdvîpa zijn, o beste van de nakomelingen van Bharata, zoals over hen aan mij uitleg werd verschaft.

 

 

next                

 
Tweede editie, geladen 2 maart, 2007.
 

 

 

Bronteksten:

Het eiland Jambûdvîpa

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'In het land Kimpurusha is de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de oudere broer van Lakshmana, Râmacandra, die Sîtâ zo tevreden stemt; hij die met het volk van Kimpurusha in de toewijding van aanbidding altijd bezig is met de dienst aan Zijn voeten is de verheven en grootste toegewijde Hanumân.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, in Kimpurusha-varsha is de grote toegewijde Hanumân samen met de inwoners van dat land altijd bezig met toegewijde dienst aan Heer Râmacandra, de oudere broer van Lakshmana en de beminde echtgenoot van Sîtâdevî. (Vedabase)

 

Tekst 2 :

Samen met Ârshthishena [de leider van Kimpurusha] aandachtig luisterend naar het loflied op zijn meest goedgunstige Heer en meester zoals gezongen door een gezelschap van Gandharva's, bidt hij [Hanumân] zelf het volgende:

Een groot aantal Gandharva's bezingen er zonder ophouden de heerlijkheid van Heer Râmacandra. Dit zingen is uiterst zegenrijk. Hanumânjî en Ârshthishena, de belangrijkste persoon in Kimpurusha-varsha, horen deze lofzang aan één stuk door en hebben nergens anders aandacht voor. Hanumân chant de volgende mantra's. (Vedabase)

 

Tekst 3:

'O mijn Heer, mijn eerbetuigingen aan U als de Lieve Heer waarvan men spreekt in de geschriften, al mijn respect voor U, behept met alle goede kwaliteiten die men aantreft bij de gevorderden, mijn trouw geldt U als de Ene die Zijn zinnen onder controle heeft en Hij die altijd herdacht en aanbeden wordt door de mensen uit alle windstreken; mijn respectbetuiging aan U als de toetssteen der kwaliteit voor iedere zoeker naar de waarheid, ik verbuig me voor U, de grote persoonlijkheid en godheid der brahmanen; aan die Koning der Koningen mijn eerbetoon.

Laat me U alstublieft een plezier doen, Heer, door de bîja-mantra omkâra te chanten. Ik wil graag nederig mijn eer betuigen aan de Godspersoon, die de beste der hoogst verheven persoonlijkheden is. U, mijn Heer, bent het reservoir van alle goede eigenschappen der Âryan's, de geestelijk gevorderden. Uw karakter en gedrag zijn altijd van het hoogste niveau, en U hebt volledige controle over Uw zinnen en geest. Wanneer U optreedt als een gewoon mens, laat U met Uw voorbeeldige karakter zien hoe anderen zich moeten gedragen. Er bestaat een toetssteen waarop de kwaliteit van goud getest kan worden, maar U bent een toetssteen voor alle goede eigenschappen. U wordt vereerd door brâhmana's die tot de grootste toegewijden behoren. U, de Allerhoogste Persoon, bent de koning der koningen, en daarom buig ik me nederig voor U neer. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Laat mij Hem aanbidden, die transcendentale zuivere, allerhoogste waarheid, die wordt ervaren als het ene lichaam van spiritueel vermogen waarmee de invloed van de geaardheden der natuur teniet wordt gedaan; Hij niet zichtbaar anders dan bij bovenzinnelijkheid, in Zijn natuur onverstoord en voorbij naam en vorm waarlijk vrij van ego, wordt middels een zuiver [natuurlijk, Krishna-]bewustzijn bereikt.

De Heer, wiens zuivere gedaante [sac-cid-ânanda-vigraha] onaangetast is door de geaardheden der materiële natuur, kan waargenomen worden met een zuiver bewustzijn. In de Vedânta wordt Hij beschreven als uniek en zonder weerga. Dankzij Zijn geestelijke vermogen kan Hij niet besmet raken door de materiële natuur, en omdat men Hem niet kan zien met materiële ogen, staat Hij bekend als transcendentaal. Hij kent geen materiële activiteiten, noch heeft Hij een materiële gedaante of naam. Alleen in zuiver bewustzijn, Krishna-bewustzijn, kan men de transcendentale gedaante van de Heer waarnemen. Laten we vast gericht blijven op de lotusvoeten van Heer Râmacandra, en die transcendentale lotusvoeten eer betuigen. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Geïncarneerd als een menselijk wezen was Hij voorzeker er niet enkel als de Almachtige om de demon Râvana te doden, maar was Hij er ook om de sterfelijken van deze materiële wereld te onderrichten; om welke andere reden dan het dienen van de tevredenheid van Hem als de geestelijke ziel in eigen persoon, zou er anders al de ellende zijn van Sîtâ's gescheiden zijn van Hem, de Beheerser?

Het was zo beschikt dat Râvana, de leider van de Râkshasa's, door niemand anders gedood kon worden dan door een mens, en dat was de reden waarom Heer Râmacandra, de Allerhoogste Godspersoon, Zich in de gedaante van een mens manifesteerde. Heer Râmacandra's missie was echter niet alleen om Râvana te doden, maar ook om ons stervelingen te leren dat materieel geluk met seks of met een vrouw als het middelpunt de oorzaak van veel ellende is. Waarom zou Hij anders al die moeilijkheden doorstaan hebben ten gevolge van de roof van moeder Sîtâ? Tenslotte is Hij de Allerhoogste Godspersoon, die volkomen voldaan is in Zichzelf, en kan geen enkele rampspoed Hem raken. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Naar waarheid is Hij, de Opperziel en beste vriend der zelfgerealiseerden, nimmer gehecht aan wat dan ook in de drie werelden; Hij is de Allerhoogste Heer, Vâsudeva die in feite nimmer leed onder het gescheiden zijn van Zijn vrouw Sîtâ - noch geldt dat voor Lakshmana, die zeker ook van dat vermogen tot loslaten is.

Omdat Heer S'rî Râmacandra de Allerhoogste Godspersoon is, Vâsudeva, is Hij aan niets in deze materiële wereld gehecht. Hij is de innig geliefde Superziel van alle zelfgerealiseerde zielen en hun zeer intieme vriend. Hij is rijk aan alle volheden. Daarom is het onmogelijk dat Hij geleden heeft onder het feit dat Hij van Zijn vrouw gescheiden was, maar Hij had evenmin Zijn vrouw of Lakshmana, Zijn jongere broer, op kunnen geven. Het zou absoluut ondenkbaar geweest zijn om een van beiden op te geven. (Vedabase)

  

Tekst 7:

Noch is men door geboorte van het Grootste, noch is men dat door zijn kapitaal, noch is men dat door welsprekendheid, noch door eigen slimmigheid, noch is men dat door zijn lichaamsbouw; alhoewel we helaas maar bosbewoners zijn, aanvaarde Lakshmana's oudere broer ons in vriendschap en werd de oorzaak van het plezier in Hem middels al die andere methoden afgewezen.

Op basis van materiële hoedanigheden als zijn aristocratische afkomst, zijn lichamelijke schoonheid, welsprekendheid, scherpe intelligentie of het feit dat men tot een superieur ras of land behoort, kan men geen vriendschappelijke relatie met de Allerhoogste Heer Râmacandra opbouwen. In feite is geen van deze eigenschappen een voorwaarde om de vriendschap van Heer S'rî Râmacandra te winnen. Hoe kan het anders dat Heer Râmacandra ons, onbeschaafde woudbewoners, die niet van adellijke afkomst zijn, een lelijk lichaam hebben en niets van welsprekendheid afweten, toch als vrienden aanvaard heeft? (Vedabase)

 

Tekst 8:

Derhalve, verlicht of niet, beest of menselijk wezen, een ieder die van de ziel is behoort Râma te aanbidden, de allerbeste die zo makkelijk te behagen is, de Heer die als een menselijk wezen verscheen en zodoende de bewoners van Kosala [Ayodhyâ], noordelijk India, terug naar God leidde.'

Daarom, of men nu een halfgod is of een demon, een mens of een ander schepsel zoals een zoogdier of een vogel, iedereen moet Heer Râmacandra vereren, die de Allerhoogste Godspersoon is, en op deze aarde verschijnt alsof Hij een mens is. Zware boetedoening en versterving is daarbij niet nodig, want Hij aanvaardt zelfs de kleinste dienst die Zijn toegewijde Hem bewijst. Op deze wijze kan men Hem tevredenstellen, en wanneer Hij voldaan is, heeft de toegewijde zijn doel bereikt. Ja, Heer S'rî Râmacandra heeft alle toegewijden van Ayodhyâ terug naar huis gebracht, terug naar God [Vaikunthha]. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Ook in het land Bhârata kent men de Allerhoogste Heer tot aan het einde van het millennium als Nara-Nârâyana; Hij, wiens heerlijkheden ondoorgrondelijk zijn, bewijst Zijn grondeloze genade aan de kandidaten van de zelfverwerkelijking die de verzaking beoefenen die zo bevorderlijk is voor de religie, de kennis der spiritualiteit, de onthechting, het meesterschap van de yoga, de controle over de zinnen en de vrijheid van vals ego.

[S'ukadeva Gosvâmî vervolgde:] De heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon is onvoorstelbaar. Hij is in Bhârata-varsha - in Badarikâs'rama - verschenen in de gedaante van Nara-Nârâyana om Zijn toegewijden te zegenen door ze lessen te geven in religie, kennis, verzaking, geestelijke kracht, het beheersen van de zinnen en de kunst om zich van het vals ego te bevrijden. Hij bezit grote geestelijke eigenschappen, en tot op het eind van dit millennium onderwerpt Hij Zich aan ascese. Dat is het proces van zelfrealisatie. (Vedabase)

 

Tekst 10:

De praktijk van de analytische yoga over hoe men zich God behoort te realiseren, zoals geformuleerd door de Heer [Kapila, zie 3.28 & 29], werd Sâvarni Manu onderwezen door de meest machtige Nârada, die tezamen met de in Bhârata [India] levende navolgers van het systeem van statusoriëntaties [het varnâs'rama systeem, zie B.G. 4: 13], met grote liefde in vervoering de Heer dient terwijl hij uitroept:

Bhagavân Nârada heeft in zijn eigen boek, de Nârada Pañcarâtra, heel levendig beschreven wat we moeten doen als we door middel van kennis en beoefening van mystieke yoga het allerhoogste doel in het leven willen bereiken - namelijk toewijding. Ook heeft hij een beschrijving gegeven van de heerlijkheid van de Heer, de Allerhoogste Godspersoon. De grote wijze Nârada onderrichtte Sâvarni Manu in de grondbeginselen van dit transcendentale werk, zodat deze op zijn beurt de bewoners van Bhârata-varsha die de principes van varnâs'rama-dharma strikt naleven, kon leren hoe ze tot toegewijde dienst aan de Heer kunnen komen. Zo bewijst Nârada Muni samen met andere bewoners van Bhârata-varsha altijd dienst aan Nara-Nârâyana, en hij chant als volgt. (Vedabase)

 

 

Tekst 11

'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor U o Heer, meester der zinnen en verpersoonlijking van de vrijheid van gehechtheid, alle eerbewijs aan U die het enige bent wat een man van armoede bezit. U, Nara-Nârâyana, bent de meest verhevene van alle wijzen, de allerhoogste geestelijk leraar van al de paramahamsa's [de zwaan-gelijke gerealiseerde meesters] en de oorspronkelijke onder de zelfverwerkelijkten; keer op keer betoon ik U aldus de eer.'

Laat me nederig mijn eer betuigen aan Nara-Nârâyana, de beste onder de heiligen, de Allerhoogste Godspersoon. Hij is de meest zelfbeheerste en zelfgerealiseerde Persoon, Hij is vrij van elk vals prestige en Hij is het eigendom van degenen die verstoken zijn van materieel bezit. Hij is de geestelijk leraar van alle paramahamsa's, die de meest verheven mensen zijn, en Hij is de meester der zelfgerealiseerde zielen. Laat me steeds weer eer betuigen aan Zijn lotusvoeten. (Vedabase)

 

Tekst 12

En hij zingt daarbij: 'U bent degene van overzicht werkzaam in deze kosmische schepping; de Ene die er niet aan is gehecht de meester te zijn, noch hebt U, alhoewel U als een menselijk wezen ten tonele verschijnt, te lijden onder honger, dorst en vermoeidheid; noch raakt de visie van U, die alles en allen overziet, ooit onzuiver door de kwaliteiten der materie; jegens U als de onthechte en zuivere getuige die boven alle emotie staat, mijn betoon van respect.

Ook Nârada, de zeer machtige en heilige wijze, vereert Nara-Nârâyana en chant de volgende mantra: De Allerhoogste Godspersoon is de meester der schepping, instandhouding en vernietiging van deze zichtbare kosmische openbaring, maar toch is Hij absoluut vrij van vals prestige. Hoewel er dwazen zijn die denken dat Hij net zo'n materieel lichaam heeft als wij, wordt Hij nooit gekweld door honger, dorst of vermoeidheid. Hoewel Hij de getuige is die alles ziet, raken Zijn zinnen niet bezoedeld door de objecten die Hij waarneemt. Laat me nederig eer betuigen aan deze onthechte, zuivere getuige van de wereld, de Allerhoogste Ziel, de Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 13:

O Heer van de Yoga, van dit, wat zo trefzeker werd uitgesproken door de almachtige Heer Brahmâ over hoe volmaakt te volgen naar de beginselen van de yoga, weten we dat iemand die de identificatie met het lichaam heeft opgegeven, ten tijde van zijn dood, met een houding van toewijding, zijn geest moet richten op U als de transcendentie.

O Heer, meester van alle mystieke yoga, dit is de uitleg die de zelfgerealiseerde ziel Heer Brahmâ [Hiranyagarbha] gegeven heeft van het yoga-proces. Op het moment van de dood geven alle yogî's in volledige onthechting hun materiële lichaam op door eenvoudigweg hun geest op Uw lotusvoeten te richten. Dat is de vervolmaking van yoga. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Een persoon gedreven door verlangen denkt in angst over zijn kinderen, echtgenote en weelde; maar iedere persoon die bekend is met het triviale van zijn aan de tijd gebonden lichaam, beschouwt, vanwege het feit dat het lichaam verloren gaat, dergelijke ondernemingen slechts als tijdverspilling.

Materialisten zijn over het algemeen zeer gehecht aan het lichamelijke comfort dat ze al hebben en de gemakken die ze in de toekomst nog hopen te krijgen. Daarom zijn ze met hun gedachten altijd bij hun vrouw, hun kinderen en hun kapitaal en zijn ze bang om hun lichaam op te geven, dat vol uitwerpselen en urine zit. Maar als iemand die zich bezighoudt met Krishna-bewustzijn ook bang is om zijn lichaam op te geven, wat heeft het dan voor zin gehad dat hij zoveel moeite heeft gedaan om de s'âstra's te bestuderen? Dan is dat gewoon tijdverlies geweest. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Derhalve, o meester van ons, o Bovenzinnelijkheid over de zintuigen, bidt ik dat wij, met het illusoire van U, zeer spoedig dit gefixeerde idee van 'ik' en 'mijn' mogen opgeven, dat in verband met de banaliteit van ons materiële voertuig zo moeilijk te overwinnen is; alstUblieft vergun ons de yogawetenschap in relatie tot U, zodat we onze natuur vinden.'

O Heer, o Transcendentie, help ons daarom alstublieft en geef ons de kracht om bhakti-yoga te beoefenen zodat we in staat zijn om onze rusteloze geest te beheersen en op U te richten. Besmet als we zijn door Uw begoochelende energie, zijn we allemaal erg gehecht aan ons lichaam, dat vol uitwerpselen en urine zit, en aan alles wat met het lichaam te maken heeft. Afgezien van toegewijde dienst bestaat er geen enkele manier om deze gehechtheid op te geven. Wees daarom zo goed om ons deze zegen te schenken. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Ook zijn er in dit land Bhârata vele rivieren en bergen als de Malaya, Mangala-prastha, Mainâka, Trikûtha, Rishabha, Kûthaka, Kollaka, Sahya, Devagiri, Rishyamûka, S'rî-s'aila, Venkatha, Mahendra, Vâridhâra, Vindhya, S'uktimân, Rikshagiri, Pâriyâtra, Drona, Citrakûtha, Govardhana, Raivataka, Kakubha, Nîla, Gokâmukha, Indrakîla en Kâmagiri, zowel als honderden en duizenden andere bergpieken; en de grote en kleine rivieren die hun ontstaan vinden op hun hellingen zijn niet te tellen.

In Bhârata-varsha zijn er, net als in Ilâvrita-varsha, veel bergen en rivieren. De namen van deze bergen zijn onder andere: de Malaya, Mangala-prastha, Mainâka, Trikûtha, Rishabha, Kûthaka, Kollaka, Sahya, Devagiri, Rishyamûka, S'rî-s'aila, Venkatha, Mahendra, Vâridhâra, Vindhya, S'uktimân, Rikshagiri, Pâriyâtra, Drona, Citrakûtha, Govardhana, Raivataka, Kakubha, Nîla, Gokâmukha, de Indrakîla en de Kâmagiri. Er zijn nog vele andere bergen, waar vanaf een heleboel grote en kleine rivieren naar beneden stromen. (Vedabase)

 

Tekst 17-18:

Door al deze wateren van Bhârata vinden de bewoners zuivering van geest, door alleen al hun naam alsook door ze te beroeren. De grote rivieren zijn de Candravasâ , Tâmraparnî, Avathodâ, Kritamâlâ, Vaihâyasî, Kâverî, Venî, Payasvinî, S'arkarâvartâ, Tungabhadrâ, Krishnâvenyâ, Bhîmarathî, Godâvarî, Nirvindhyâ, Payoshnî, Tâpî, Revâ, Surasâ, Narmadâ, Carmanvatî, Sindhu [de huidige Indus], de twee hoofdrivieren de Andha en de Sona, de Mahânadî, Vedasmriti, Rishikulyâ, Trisâmâ, Kaus'ikî, Mandâkinî, Yamunâ, Sarasvatî, Drishadvatî, Gomatî, Sarayû, Rodhasvatî, Saptavatî, Sushomâ, S'atadrû, Candrabhâgâ, Marudvridhâ, Vitastâ, Asiknî en de Vis'vâ.

Twee van deze rivieren - de Brahmaputra en de Sona - worden nada's genoemd, of hoofdrivieren. De volgende grote rivieren zijn heel belangrijk; de Candravasâ, Tâmraparnî, Avathodâ, Kritamâlâ, Vaihâyasî, Kâverî, Venî, Payasvinî, S'arkarâvartâ, Tungabhadrâ, Krishnâvenyâ, Bhîmarathî, Godâvarî, Nirvindhyâ, Payoshnî, Tâpî, Revâ, Surasâ, Narmadâ, Carmanvatî, Mahânadî, Vedasmriti, Rishikulyâ, Trisâmâ, Kaus'ikî, Mandâkinî, Yamunâ, Sarasvatî, Drishadvatî, Gomatî, Sarayû, Rodhasvatî, Saptavatî, Sushomâ, S'atadrû, Candrabhâgâ, Marudvridhâ, Vitastâ, Asiknî en Vis'vâ. Omdat de bevolking van Bhârata-varsha zich deze rivieren altijd herinnert, wordt ze gezuiverd. Soms chanten ze de namen van deze rivieren als mantra's, en dan weer gaan ze rechtstreeks naar de rivier zelf om het water aan te raken en er een bad in te nemen. Op deze wijze worden de bewoners van Bhârata-varsha gezuiverd. (Vedabase)

 

Tekst 19:

In deze landstreek leiden de mensen, die daar uit de goedheid, het rode [de hartstocht] en uit de duisternis zijn geboren in een klasse die overeenstemt met hun verworven karma, levens die goddelijk zijn, menselijk of hels; en zo ook zijn er, overeenkomstig wat men in het verleden deed, afgegrensd in de zin van kasten, naar het pad van de bevrijding vele doelen met iedere ziel mogelijk.

De mensen die in dit gebied geboren worden, zijn onderverdeeld volgens de geaardheden der materiële natuur - goedheid [sattva-guna], hartstocht [rajo-guna] en onwetendheid [tamo-guna]. Sommigen van hen komen ter wereld als verheven persoonlijkheden, anderen als gewone mensen en weer anderen zijn uitgesproken gedegradeerd, want in Bhârata-varsha wordt men precies volgens het karma geboren dat men in het verleden heeft opgebouwd. Als een bonafide geestelijk leraar iemands juiste positie vastgesteld heeft en men geleerd heeft hoe men Heer Vishnu moet dienen volgens de vier maatschappelijke klassen [brâhmana, kshatriya, vais'ya en s'ûdra] en de vier geestelijke âs'rama's [brahmacârî, grihastha, vânaprastha en sannyâsa], wordt zijn leven volmaakt. (Vedabase)

 

Tekst 20:

In relatie tot de Opperheer, die de ziel van gelijkheid in alle levende wezens is en de onafhankelijke, de Superziel Vâsudeva is van de vrijheid boven het denken en de spraak, kan in dezen een ieder, door middel van de verschillende wegen en doelen van de bhakti-yoga, breken met de oorzaak van het gebonden zijn in onwetendheid. Er wordt immers met deze wegen en doelen daadwerkelijk een nauwe betrekking gevonden tussen de persoon en de Allerhoogste Persoonlijkheid, buiten wie er in werkelijkheid geen andere oorzaak te vinden is.'

Na vele, vele levens, wanneer de vruchten van zijn vrome activiteiten beginnen te rijpen, krijgt de geconditioneerde ziel de kans om met zuivere toegewijden om te gaan. Dan pas kan hij de knoop doorhakken die hem gebonden houdt aan onwetendheid, voortkomend uit al zijn verschillende baatzuchtige activiteiten. Door zijn omgang met toegewijden begint hij beetje bij beetje dienst te bewijzen aan Heer Vâsudeva, die transcendentaal is, vrij van gehechtheid aan de materiële wereld, verheven boven geest en woorden, en onafhankelijk van alles wat er bestaat. Deze bhakti-yoga, toegewijde dienst aan Heer Vâsudeva, is het ware pad der bevrijding. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Het volgende is wat voorzeker door al de halfgoden wordt gezegd: 'Men zegt dat het vanwege al de vrome daden die deze mensen volbrachten is dat de Heer zelve over hen verheugd is en dat ze de maatschappij van het land Bhârata-varsha verwierven. Het is die Heer Mukunda die in feite onze ambitie is; door Hem verwerven wij de dienstbaarheid.

Omdat de menselijke levensvorm de beste mogelijkheden voor zelfrealisatie geeft, zeggen alle halfgoden in de hemel het volgende: Wat een geluk hebben deze mensen dat ze geboren zijn in Bhârata-varsha. Ze hebben ongetwijfeld allerlei vormen van vrome onthouding beoefend in het verleden, of de Allerhoogste Godspersoon Zelf moet zeer tevreden over hen geweest zijn. Hoe zouden ze anders op zoveel manieren toegewijde dienst kunnen doen? Wij halfgoden kunnen er alleen maar naar streven om als mens geboren te worden in Bhârata-varsha en toegewijde dienst te doen, maar deze mensen zijn daar nu al mee bezig. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Wat loont al die moeite van je bezighouden met rituelen, verzakingen, geloften en liefdadigheden volbracht, of een hemels koninkrijk; het is allemaal van nul en generlei belang als men zich daarbij, als gevolg van zinnelijke onmatigheid, niet de lotusvoeten van Heer Nârâyana herinnert.

De halfgoden vervolgden: Door met grote moeite vedische rituele offers te brengen, ascese te beoefenen, geloften af te leggen en aan liefdadigheid te doen, hebben we onze huidige positie als halfgoden van de hemelse planeten bereikt. Maar wat is de waarde daarvan? Hier gaan we immers volkomen op in materiële zinsbevrediging, en daardoor kunnen we ons de lotusvoeten van Heer Nârâyana nauwelijks meer herinneren. Ja, door onze buitensporige zinsbevrediging zijn we Zijn lotusvoeten praktisch vergeten. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Van grotere waarde dan het bereiken van een positie van een leven dat eindeloos duurt en vatbaar is voor herhaling [zoals van Brahmâ], is het geboren te zijn in het land Bhârata voor slechts honderd jaren, daar, in een dergelijk kort leven als een sterfelijk mens, het werk gedaan wordt door degenen die daadwerkelijk het leven zelf op zijn waarde weten te schatten; in volledige onthechting, verwerven zij, bevrijd van angst, de Heer Zijn verblijf.

Men kan beter een kort leven in Bhârata-varsha hebben dan een leven van vele miljoenen jaren op Brahmaloka, want promotie naar Brahmaloka houdt in dat men terug moet keren in de kringloop van geboorte en dood. Hoewel het leven in Bhârata-varsha, dat in een lager planetenstelsel ligt, heel kort is, kan degene die daar geboren wordt zich tot volkomen Krishna-bewustzijn verheffen en de hoogste volmaaktheid bereiken door zich - zelfs in zijn korte leven - volledig over te geven aan de lotusvoeten van de Heer. Zo bereikt men Vaikunthhaloka, waar geen angst bestaat, en men evenmin steeds weer in een materieel lichaam herboren moet worden. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Daar waar de zoete stroom van de gesprekken over Vaikunthha niet wordt aangetroffen, noch de toegewijden worden gevonden die, altijd bezig in Zijn dienst, bij Hem hun beschutting vinden, noch de uitvoering plaatsvindt van die offerplechtigheden voor de Heer die ware festiviteiten zijn, dan is, hoewel het een plaats kon zijn bewoond door hemellieden, dat zeker niet een plaats om regelmatig te bezoeken.

Een intelligent mens heeft geen enkele interesse in een plaats - zelfs al ligt die in het hoogste planetenstelsel - waar de zuivere Ganges van gesprekken over de activiteiten van de Heer niet stroomt, waar geen toegewijden bezig zijn met hun dienst aan de oevers van deze rivier van nectar, en de Heer niet tevredengesteld wordt met festivals van sankîrtana-yajña [vooral omdat sankîrtana het aanbevolen yajña voor dit tijdperk is]. (Vedabase)

  

Tekst 25:

Als zij die hier een menselijke geboorte verwierven, en alsook zij onder de [elders] levenden die volledig zijn toegerust met alles van de kennis en het handelen, zich ondanks deze verworvenheden niet inzetten voor de positie van het eeuwige, treden dergelijke personen, net als vogels die waren weggetrokken, de gebondenheid weer tegemoet.

Bhârata-varsha is het juiste land met de beste omstandigheden voor het doen van toegewijde dienst, hetgeen iemand kan bevrijden van de gevolgen van jñâna en karma. Als men in Bhârata-varsha in een menselijk lichaam geboren wordt en goed werkende zintuigen heeft om aan het sankîrtana-yajña deel te nemen, maar ondanks deze kans geen toegewijde dienst verricht, is men net als een wild dier of een vogel die vrijgelaten is maar zich door zijn onvoorzichtigheid opnieuw door een jager laat vangen. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Met hun geloof zijn ze in de uitvoering van de rituelen verdeeld; met de offerandes gebracht aan de heersende godheid en met het reciteren van de mantra's volgens de geijkte methode, wordt de Ene God afzonderlijk met verschillende namen aangeroepen. Hij, volkomen in Zichzelf, aanvaardt dat allergelukkigst daar Hij de verlener van alle gunsten is in eigen persoon.

In India [Bhârata-varsha] leven veel mensen die de halfgoden aanbidden, de door de Allerhoogste Heer aangestelde functionarissen, zoals Indra, Candra en Sûrya, die elk op een bepaalde manier vereerd moeten worden. De gelovigen offeren aan de halfgoden omdat ze hen als volkomen deeltjes zien van het geheel, de Allerhoogste Heer. Daarom aanvaardt de Allerhoogste Godspersoon hun offerandes, en doordat Hij hun wensen en verlangens vervult, brengt Hij ze geleidelijk tot het niveau van echte toegewijde dienst. Omdat de Heer volkomen is, zegent Hij de gelovigen met alles wat zij verlangen, ook al vereren ze maar een deel van Zijn transcendentale lichaam. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Hoewel Hij naar waarheid precies dat vergunt waarvoor de mens tot Hem bad, is Hij niet de verlener van gunsten waar men telkens weer opnieuw om vraagt; Hij schenkt persoonlijk, zelfs ongevraagd, aan hen die bezig zijn in Zijn dienst al het gewenste dat zonder ophouden ontspruit aan Zijn lotusvoeten.

De Allerhoogste Godspersoon bevredigt de materiële verlangens van een toegewijde die Hem daarom vraagt, maar Hij schenkt hem geen zegeningen die maken dat hij steeds meer wensen krijgt. De Heer biedt de toegewijde echter graag bescherming aan Zijn lotusvoeten, zelfs als deze daar helemaal nier op uit is, en die veilige plek bevredigt al zijn verlangens. Dat is de speciale genade van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Als er van ons hier enige verdienste rest van ons volmaakte offeren, grondige bestuderen en goede handelen, laat dat dan leiden tot een geboorte in het land van Bhârata dat ons inspireert de Heer in gedachten te houden heersend over die plaats waar, vanuit de toegewijden, alle geluk zich uitbreidt.'

Op dit moment leven we op de hemelse planeten, en dat is ongetwijfeld te danken aan de rituele ceremonies die we gehouden hebben, en aan onze vrome daden, offerplechtigheden en studie van de Veda's. Maar op een geven moment is ons leven hier voorbij. We bidden dat we, als we tenminste nog iets van onze vrome activiteiten te goed hebben, weer als mensen in Bhârata-varsha geboren mogen worden en ons de lotusvoeten van de Heer kunnen herinneren. De Heer is zo goed dat Hij persoonlijk naar Bhârata-varsha komt om het geluk van de mensen daar nog te verhogen. (Vedabase)

 

Tekst 29-30:

S'rî S'uka vervolgde: 'Wat betreft het continent dat bekend staat als Jambûdvîpa [het euraziatische continent, zie 5.1: 32], o Koning, is er ook, zoals sommige geleerden die op de hoogte zijn dat beweren, sprake van een onderverdeling in acht deelgebieden ['eilanden' in de zin van provincies] van het land welke zich vormde door het rondwroeten van de zoons van Mahârâja Sagara [het indiase deel ofwel Bhârata-varsha], die probeerden het verloren gegane offerpaard weer terug te vinden [zie 9.8]. Ze dragen de volgende namen: Svarnaprastha, Candras'ukla, Âvartana, Ramanaka, Mandara-harina, Pâñcajanya, Simhala en Lankâ.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, er zijn geleerden die menen dat Jambûdvîpa omgeven wordt door acht kleinere eilanden. Toen de zoons van Mahârâja Sagara de hele wereld afzochten naar hun paard, groeven ze in de aarde, waardoor deze gordel van acht eilanden ontstond. Deze eilanden hebben de volgende namen: Svarnaprastha, Candras'ukla, Âvartana, Ramanaka, Mandaraharina, Pâñcajanya, Simhala en Lankâ. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Aldus heb ik u uitgelegd wat de verdelingen van het land Jambûdvîpa zijn, o beste van de nakomelingen van Bharata, zoals over hen aan mij uitleg werd verschaft.

Beste koning Parîkshit, o beste onder de afstammelingen van Bharata Mahârâja, ik heb het eiland Bhârata-varsha en ook de eilanden eromheen beschreven volgens de aanwijzingen die ik op mijn beurt ontvangen heb. Dit zijn de eilanden die te zamen Jambûdvîpa vormen. (Vedabase)
 
 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties