Canto
3
Hoofdstuk 1: De Vragen van Vidura
(1) S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging na het verzaken van zijn leven in welstand: (2) 'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'
(3) De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken? (4) De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals op prijs gesteld door de zoekers der waarheid.'
(5) Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevreden gesteld vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.
(6) S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het voeden was had hij, zich nooit op het rechte pad bevindend, zijn gezichtsvermogen verloren met de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optredend als hun voogd. Hij deed hen het huis van schellak binnengaan welk hij aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148]. (7) Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73]. (8) Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel gegeven door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra] . (9) Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna voor hen verscheen in de vergadering als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, van al de zinnige mannen door de koning niet serieus genomen in het wegkwijnen van het laatste restje van hun vroomheid.
(10) Toen [voorheen] Vidura naar het paleis werd geroepen ging hij daar binnen om raad te geven op verzoek van natuurlijk de oudere broer [Dhritarâshthra] en het advies dat hij toen gaf was precies geschikt voor wat de ministers van staat met zijn instructies wisten te waarderen: (11) 'Geeft nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen. Voor hem samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u waarlijk bevreesd moeten zijn. (12) De zoons van Prithâ zijn nu opgenomen door de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de brahmanen en de goddelijken nu hier is tezamen met Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die met Hem een ongekend aantal koningen overwon. (13) Hij [Duryodhana], deze overtreding in eigen persoon, met het idee van hem als uw zoon in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke, terwijl hij, verstoken van alle goedheid, gekant is tegen Krishna - dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo gauw mogelijk opgeven.'
(14) Nadat Vidura aldus sprak werd hij daar door Duryodhana aangesproken die, rood aangelopen van woede en met trillende lippen, in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten beledigde: (15) 'Wie heeft hem gevraagd hier te zijn, die doortrapte zoon van een bijslaap, die opgroeide levend op het onderhoud van hen met wie hij de positie inneemt van een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!' (16) Consequent zette Vidura op zijn beurt zijn boog bij de deur en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door de uitwendige energie; maar ondanks deze voor het oor ernstige pijlen, treurde hij er niet over en voelde hij zich prima.
(17) Na de Kaurava's verlaten te hebben, bereikte hij van Hastinâpura vertrekkend, de vroomheid van de Allerhoogste Heer in het nemen van zijn toevlucht tot pelgrimages, enkel de hoogste graad van toewijding verlangend zoals gevestigd door al die duizenden beeltenissen. (18) Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding waar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de vormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich alleen voort over de heilige gronden. (19) Zuiver en onafhankelijk de aarde doorkruisend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding kon men hem niet herkennen in de uitdossing van een bedelaar te werk gaand volgens de geloften de Heer te behagen. (20) Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1-13]. (21) Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos verbrand door vlam te vatten door zijn eigen wrijving, waarop hij, stil voor zichzelf denkend, westwaarts ging naar de rivier de Sarasvatî. (22) Daar aan de oever van de rivier bezocht hij en naar behoren aanbad hij de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva. (23) Er waren daar eveneens andere plaatsen gevestigd door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de belangrijkste ieder klein deel van de tempels markeerde - hetgeen reeds van een afstand bezien al deed denken aan Heer Krishna. (24)Vandaar komend door het welvarende koninkrijk van Surat, Sauvîra en Kurujângala (het westen van India), gebeurde het dat, zo gauw hij in de loop van de tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].
(25) Hij omhelsde de sobere en zachtgeaarde constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel ondervroeg hij hem over de familie van de Allerhoogste Heer: (26) 'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna & Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld? (27) En, o Uddhava, is onze grootste Kuru en zwager, Vasudeva [de vader van Heer Krishna], die waarlijk als een vader is voor zijn zusters en zo vrijgevig is in het naar hun genoegen voorzien van zijn vrouwen in alles wat ze verlangen, gelukkig? (28) Alsjeblieft, zeg me of de militaire hoofdaanvoerder van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is, o Uddhava - hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevreden stellen van de brahmanen, geboorte schonk als prins van de Allerhoogste Heer. (29) En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's van de Vrishni familie van het Dâs'ârha geslacht in de Bhoja-dynastie? Hij is degene die van Heer Krishna de hoop op de troon terugkreeg nadat hij het had moeten opgeven op een afstand gezet te zijn [door oom Kamsa's heerschappij]. (30) O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde onder alle strijders, aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] zo rijk in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva? (31) En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die leerde van Arjuna en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en eveneens voorzeker door het leveren van dienst tot de bestemming van het Transcendentale kwam die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is? (32) En de goed onderlegde foutloze zoon S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem - hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof, de symptomen vertonend van bovenzinnelijke liefde. (33) Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja; zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam gaf zij [Devakî], net als de moeder der halfgoden [Aditi] die de Godheid ter wereld bracht, geboorte aan Vishnu. (34) En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God geheel gelukkig die van jullie allen de bron van alle verlangens is, Aniruddha, die van oudsher is aanvaard als het geboortekanaal van de Rig-Veda, de schepper van de geest en de transcendentale vierde volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [Vishnu-tattva]? (35) En, o ootmoedige, zijn anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ, die het Goddelijke van hun eigen zelf als de ziel aanvaardden, in het navolgen met een absoluut geloof, ook allemaal goed in het doorbrengen van hun tijd?
(36) Handhaaft Yudhishthhira met de principes van het menszijn het religieuze respect onder de bescherming van de armen van Arjuna en de Onfeilbare; met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, wekte hij de afgunst van Duryodhana. (37) En liet de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede los op de zondaren? Het slagveld kon zijn tred op het pad van het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots niet verdragen. (38) Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters met zijn boog de Gândîva en die zo vele vijanden versloeg, gaat het goed met hem? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een valse jager. (39) En is het spel van de tweeling zoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] zorgeloos, beschermd als ze zijn door hun broers als oogleden die ogen beschermen met hun teruggrissen van hun eigendom in het gevecht met de vijand, zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra? (40) O beminnelijke, is Prithâ nog in leven; zij wijdde haar leven aan de zorg voor de vaderloze kinderen, levend zonder koning Pându, die in z'n eentje als een bevel voerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.
(41) O zachtmoedige, ik beklaag slechts hem [Dhritarâshthra] die afglijdend nadat zijn broer [Pându] stierf in opstand kwam en mij, die hem het beste wenste, verdreef uit mijn eigen huis in het aannemen van dezelfde gedragslijn als zijn zoons. (42) Daarom reis ik zonder door de ogen van de gewone man herkend te worden door deze wereld van de Heer, welke voor anderen zo verbijsterend is om te beheersen, naar de genade van Zijn voeten, welke ikzelf nooit uit het oog verloor zonder twijfel zijnde in deze aangelegenheid. (43) Natuurlijk, wachtte Hij ermee, wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [door de hindernissen van het zelf, de anderen en de wereldse invloed] en die voortdurend de aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, als de Allerhoogste Heer van de Kuru's en er op uit het lijden van de overgegevenen weg te nemen, hen te doden ondanks hun overtredingen. (44) De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld is, is er om korte metten te maken met de parvenu's zodat allen tot begrip mogen komen; voor welk doel zou Hij anders een lichaam aanvaarden en allerlei soorten van karma? (45) O mijn vriend, bezing de heerlijkheden van de Heer van alle heilige plaatsen die voor het belang van het ongeborene geboorte nam in de familie van de Yadu's en aan wie alle heersers van het universum zich overgaven in de beheersing van Zijn eigen Zelf.
Tweede editie, geladen 4 mei, 2006.
Bronteksten:
De Vragen van Vidura
S'uka zei: 'Dit is wat Vidura voorheen vroeg aan Zijne Genade Maitreya Rishi toen hij het woud inging na het verzaken van zijn leven in welstand:S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat hij zijn welvarende thuis vaarwel had gezegd en het bos was ingegaan, stelde de grote toegewijde, koning Vidura, zijne genade Maitreya Rishi de volgende vraag. (Vedabase)
'Wat te zeggen van het huis [van de Pândava's] waar ik mee geïdentificeerd ben? S'rî Krishna, de Allerhoogste Heer en meester van allen, werd aanvaard als de gezant van Zijn volk en had het opgegeven het huis van Duryodhana te betreden.'
Wat valt er verder te zeggen over de woning van de Pândava's? S'rî Krishna, de heer en meester van al wat is, trad er op als uw minister. Hij ging er binnen alsof het Zijn eigen huis was, terwijl Hij totaal geen aandacht schonk aan het huis van Duryodhana. (Vedabase)
De koning zei: 'Alstublieft zeg ons meester, waar en wanneer ontmoette Vidura Zijne Genade Maitreya Rishi om dit te bespreken?'
De koning vroeg S'ukadeva Gosvâmî: Waar en wanneer vonden de ontmoeting en het gesprek tussen de heilige Vidura en zijne genade Maitreya Muni plaats? Wees zo goed, o heer, ons dit te beschrijven. (Vedabase)
De vragen die Vidura de heilige man stelde kunnen zeker niet onbelangrijk zijn geweest, ze moeten vol van de hoogste bedoeling zijn geweest zoals op prijs gesteld door de zoekers der waarheid.'
De heilige Vidura was een grote en zuivere toegewijde; daarom moeten zijn vragen een zeer diepe bedoeling hebben gehad, van het hoogste gehalte zijn geweest en de goedkeuring van geleerde kringen weggedragen hebben. (Vedabase)
Sûta zei: "Hij, de grote wijze S'ukadeva aldus ondervraagd door Koning Parîkchit, antwoordde hem volkomen tevreden gesteld vanuit zijn grote kunde: 'Alstublieft, luister hiernaar'.
S'rî Sûta Gosvâmî zei: De grote wijze S'ukadeva Gosvâmî, hoogst ervaren als hij was, was tevreden over de koning. Nadat hij zijn vragen had aangehoord, zei hij tot hem: "Luister alstublieft aandachtig. (Vedabase)"
S'rî S'ukadeva zei: 'In de tijd dat koning Dhritarâshthra zijn oneerlijke zoons aan het voeden was had hij, zich nooit op het rechte pad bevindend, zijn gezichtsvermogen verloren met de zoons van zijn jongere broer [de verscheiden Pându, zie stamboom] optredend als hun voogd. Hij deed hen het huis van schellak binnengaan welk hij aanstak [zie Mahâbhârata I 139-148].
S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Gedreven door het goddeloze verlangen om zijn oneerlijke zoons zijn steun te bieden, raakte Dhrtarâstra verblind en stak het huis van schellak in brand met de bedoeling dat zijn vaderloze neefs, de Pândava's, in de vlammen zouden omkomen. (Vedabase)
Toen in de samenkomst de echtgenote van de heilige Kuru's [Draupadî] werd beledigd door zijn zoon [Duhs'âsana] die haar bij haar haar greep, verbad de koning dit niet hoewel zijn schoondochter tranen plengde die het rode stof van haar borst wegwaste [zie Mahâbhârata II 58-73].
De koning kwam niet tussenbeide toen zijn zoon Duhs'âsana de afschuwelijke daad beging om het haar te grijpen van Draupadî, de vrouw van de goddelijke koning Yudhishthhira, ook al wisten haar tranen het rode poeder van haar borst. (Vedabase)
Toen hij die geen vijanden heeft [Yudhishthhira] met oneerlijke methoden werd verslagen in een dobbelspel en als waarheidsgetrouw iemand het woud inging, werd hem toen hij na de afgesproken tijd terugkeerde nooit zijn gerechte deel gegeven door hem die overmand was door illusie [Dhritarâshthra] .
Yudisthira, wiens eerste vijand nog geboren moest worden, werd tijdens een dobbelspel verslagen door het oneerlijke spel van de tegenpartij. Maar omdat hij gezworen had om altijd in waarheid te leven trok hij het woud in. Toen hij te bestemder tijd terugkeerde en nederig om het hem rechtmatig toekomende deel van het koninkrijk vroeg, werd hem dit door Dhritharâshthra, die door begoocheling overmeesterd was, geweigerd. (Vedabase)
Ook werd Heer Krishna, toen Hij op de smeekbede van Arjuna voor hen verscheen in de vergadering als de leraar van de wereld, met al Zijn woorden zo goed als nectar, van al de zinnige mannen door de koning niet serieus genomen in het wegkwijnen van het laatste restje van hun vroomheid.
S'rî Krishna werd door Arjuna naar de bijeenkomst gezonden als geestelijk leraar van de hele wereld, en hoewel sommigen [zoals Bhîshma] Zijn woorden als zuivere nectar indronken, waren ze geen nectar voor anderen, die volledig verstoken waren van de geringste sporen van vroegere vrome daden. De koning [Dhrtarâstra of Duryodhana] nam Krishna's woorden niet erg serieus. (Vedabase)
Toen [voorheen] Vidura naar het paleis werd geroepen ging hij daar binnen om raad te geven op verzoek van natuurlijk de oudere broer [Dhritarâshthra] en het advies dat hij toen gaf was precies geschikt voor wat de ministers van staat met zijn instructies wisten te waarderen:
Toen Vidura door zijn oudste broer ]Dhritharâshthra] werd ontboden om hem raad te geven, ging hij het paleis binnen en gaf het advies dat precies juist was. Zijn raad is welbekend, en de raadgevingen van Vidura dragen de goedkeuring weg van ervaren bewindslieden. (Vedabase)
'Geeft nu het rechtmatig deel terug aan hem die zonder vijand is [Yudhishthhira] en die zo verdraagzaam was onder jouw onverdraaglijke overtredingen. Voor hem samen met zijn jongere broers, waaronder Bhîma die als een slang zo wraakzuchtig is van woede, zou u waarlijk bevreesd moeten zijn.
[Vidura zei:] Je moet nu Yudhishthhira, die geen vijanden heeft en als gevolg van jouw wandaden mateloos leed heeft moeten verdragen, zijn wettige aandeel teruggeven. Hij wacht erop met zijn jongere broers, onder wie de wraakzuchtige Bhîma, die zwoegend ademhaalt als een slang, en van wie je zeker bang bent. (Vedabase)
De zoons van Prithâ zijn nu opgenomen door de Allerhoogste Heer der Bevrijding die met de brahmanen en de goddelijken nu hier is tezamen met Zijn familie, de eerbiedwaardige Yadu dynastie, die met Hem een ongekend aantal koningen overwon.
S'rî Krishna, de Godspersoon, accepteert de zoons van Prithâ als Zijn eigen familieleden, en alle koningen van de wereld zijn met Hem. Hij verblijft in Zijn woning met al Zijn familieleden, de koningen en prinsen van het vorstenhuis Yadu, die ontelbare heersers hebben verslagen, en Hij is hun Heer. (Vedabase)
Hij [Duryodhana], deze overtreding in eigen persoon, met het idee van hem als uw zoon in uw huishouden naar voren als een vijand van de Oorspronkelijke, terwijl hij, verstoken van alle goedheid, gekant is tegen Krishna - dat ongeluk moet u, voor het heil van de familie, zo gauw mogelijk opgeven.'
Je onderhoudt de misdaad in eigen persoon, Duryodhana, als je zoon die geen kwaad kan doen, hoewel hij afgunstig is op S'rî Krishna. En omdat je een niet-toegewijde van Krishna zo steunt, ontbreekt het je aan alle heilzame eigenschappen. Bevrijd je zo snel mogelijk van dit kwade lot en wees zo de weldoener van je hele familie. (Vedabase)!
Nadat Vidura aldus sprak werd hij daar door Duryodhana aangesproken die, rood aangelopen van woede en met trillende lippen, in de aanwezigheid van Karna, zijn jongere broers en S'akuni [een oom van moeders zijde] de respectabele man van goede kwaliteiten beledigde:
Na deze woorden werd Vidura, wiens nobele karakter door respectabele mensen werd gewaardeerd, beledigd door Duryodhana, die rood aanliep van woede en wiens lippen trilden. Duryodhana was in gezelschap van Karna, zijn jongere broers en zijn oom van moederskant, S'akuni. (Vedabase)
'Wie heeft hem gevraagd hier te zijn, die doortrapte zoon van een bijslaap, die opgroeide levend op het onderhoud van hen met wie hij de positie inneemt van een vijandelijke spion? Gooi hem onmiddellijk het paleis uit en laat hem slechts zijn adem!'
Wie heeft hem gevraagd om hier te komen, deze zoon van een maitresse? Hij is zo vals, dat hij spioneert voor de vijand van degenen die hem hebben grootgebracht. Smijt hem meteen het paleis uit en laat hem alleen zijn adem. (Vedabase)
Consequent zette Vidura op zijn beurt zijn boog bij de deur en verliet het paleis van zijn broer, in het diepst van zijn hart geraakt door de uitwendige energie; maar ondanks deze voor het oor ernstige pijlen, treurde hij er niet over en voelde hij zich prima.
Zijn oren door deze pijlen doorboord, en tot in het diepst van zijn hart geraakt, zette Vidura zijn boog bij de deur en verliet het paleis van zijn broer. Het speet hem niet, want hij beschouwde de invloed van de uitwendige natuur als oppermachtig. (Vedabase)
Na de Kaurava's verlaten te hebben, bereikte hij van Hastinâpura vertrekkend, de vroomheid van de Allerhoogste Heer in het nemen van zijn toevlucht tot pelgrimages, enkel de hoogste graad van toewijding verlangend zoals gevestigd door al die duizenden beeltenissen.
Door zijn vroomheid had Vidura kunnen leven als de deugdzame Kaurava's. Na zijn vertrek uit Hastinâpura zocht hij zijn toevlucht bij vele bedevaartplaatsen, die de lotusvoeten van de Heer zijn. Omdat hij verlangde een hoog niveau van vroom leven te bereiken, reisde hij naar heilige plaatsen, waar zich duizenden bovenzinnelijke gedaanten van de Heer bevinden. (Vedabase)
Hij reisde naar heilige plaatsen van toewijding waar de lucht, de heuvels en de boomgaarden, wateren, rivieren en meren zuiver zijn met tempels opgeluisterd met de vormen van het Oneindige. Aldus bewoog hij zich alleen voort over de heilige gronden.
Hij reisde alleen naar verschillende heilige plaatsen, zoals Ayodhyâ, Dvârakâ en Mathurâ, en hij dacht aan niets anders dan aan Krishna. Hij ging daar waar de lucht, de heuvels, de boomgaarden en de meren en rivieren zuiver en zondeloos zijn en waar de gedaanten van de Onbegrensde de tempels sieren. Zo vervolgde hij zijn pelgrimstocht. (Vedabase)
Zuiver en onafhankelijk de aarde doorkruisend, werd hij geheiligd door de grond waar hij op sliep en zonder zijn gebruikelijke kleding kon men hem niet herkennen in de uitdossing van een bedelaar te werk gaand volgens de geloften de Heer te behagen.
Terwijl hij zo over de aarde rondreisde, vervulde hij alleen maar plichten die de Allerhoogste Heer Hari voldoening schonken. Hij was zuiver en onafhankelijk in zijn levensonderhoud. Omdat hij zich in heilige plaatsen baadde, was hij voortdurend in staat van geheiligdheid, ook al ging hij als bedelaar gekleed, verzorgde hij zijn haar niet en sliep hij op de grond. Op die manier bleef hij voor zijn familie steeds ongezien. (Vedabase)
Op deze manier enkel door India reizend, kwam hij aan bij het land van Prabhâsa, dat destijds onder het bestuur van koning Yudhishthhira stond die bij de genade van de Onoverwinnelijke Heer de wereld onder één krijgsmacht en vlag regeerde [zie 1-13].
Terwijl hij zo alle bedevaartsoorden in Bhâratavarsha afreisde, bezocht hij Prabhâsakshetra. In die tijd was Mahârâja Yudhishthhira keizer en regeerde de wereld onder één krijgsmacht en één vlag. (Vedabase)
Daar hoorde hij hoe al zijn verwanten waren omgekomen [te Kurukshetra] in een gewelddadige hartstocht als met een bamboebos verbrand door vlam te vatten door zijn eigen wrijving, waarop hij, stil voor zichzelf denkend, westwaarts ging naar de rivier de Sarasvatî.
In het bedevaartsoord Prabhâsa kwam het hem ter kennis dat als gevolg van laaiende hartstocht al zijn familieleden omgekomen waren, zoals een heel bos kan afbranden als gevolg van wrijving tussen bamboestengels. Daarna begaf hij zich westwaarts naar waar de sarasvatî stroomt. (Vedabase)
Daar aan de oever van de rivier bezocht hij en naar behoren aanbad hij de heilige plaatsen genaamd Trita, Us'anâ, Manu, Prithu, Agni, Asita, Vâyu, Sudâsa, Go, Guha en S'râddhadeva.
Aan de oever van de Sarasvatî lagen elf bedevaartsplaatsen, namelijk. (1) Trita,. (2) Us'anâ,. (3) Manu,. (4) Prithu,. (5) Agni,. (6) Asita,. (7) Vâyu,. (8) Sudâsa,. (9) Go,. (10) Guha en. (11) S'râddhadeva. Vidura bezocht ze allemaal en voltrok er de riten naar behoren. (Vedabase)
Er waren daar eveneens andere plaatsen gevestigd door de goddelijke tweemaal geborenen en toegewijden van de verscheidene vormen van Heer Vishnu, die als de belangrijkste ieder klein deel van de tempels markeerde - hetgeen reeds van een afstand bezien al deed denken aan Heer Krishna.
Er waren ook vele andere tempels voor de verschillende gedaanten van de Allerhoogste Godspersoon Vishnu, gesticht door grote wijzen en halfgoden. Ze waren versierd met de belangrijkste symbolen van de Heer en deden iedereen altijd aan de oorspronkelijke Godspersoon S'rî Krishna denken. (Vedabase)
Vandaar komend door het welvarende koninkrijk van Surat, Sauvîra en Kurujângala. (het westen van India), gebeurde het dat, toen hij na enige tijd bij de Yamunâ rivier aankwam, hij Uddhava, de Allerhoogste Heer Zijn grootste toegewijde tegenkwam [zie ook Canto 11].
Daarna reisde hij door zeer welvarende provincies, zoals Surat, Sauvîra en Matsya en door West-India, dat bekend stond als Kurujângala. Tenslotte kwam hij bij de oever van de Yamunâ, waar hij Uddhava, de grote toegewijde van S'rî Krishna, ontmoette. (Vedabase)
Tekst 25:
Hij omhelsde de sobere en zachtgeaarde constante metgezel van Vâsudeva die voorheen een student was van Brihaspati, de meester aller rituelen, en met grote liefde en veel gevoel ondervroeg hij hem over de familie van de Allerhoogste Heer:
Met veel liefde en gevoel omhelsde Vidura Uddhava, die altijd met Krishna was omgegaan en vroeger een groot leerling van Brihaspati was geweest. Vidura vroeg hem vervolgens naar nieuws over de familie van S'rî Krishna, de Godspersoon. (Vedabase)
'Gaat het goed met de oorspronkelijke persoonlijkheden van God [Krishna & Balarâma] in het huis van S'ûrasena [de vader van koningin Kuntî, Prithâ], die, op het verzoek van de Schepper die uit de lotus werd geboren, voor de verheffing en het welzijn van een ieder nederdaalden in de wereld?
[Vertel me alsjeblieft] of de oorspronkelijke Godspersonen, die op verzoek van Brahmâ [die geboren is uit de lotus die uit de Heer voortkwam] verschenen zijn en het welzijn van de wereld hebben bevorderd door iedereen te verheffen, het goed maken in het huis van S'ûrasena. (Vedabase)
En, o Uddhava, is onze grootste Kuru en zwager, Vasudeva [de vader van Heer Krishna], die waarlijk als een vader is voor zijn zusters en zo vrijgevig is in het naar hun genoegen voorzien van zijn vrouwen in alles wat ze verlangen, gelukkig?
[Vertel me alsjeblieft] of de beste vriend van de Kuru's, onze zwager Vasudeva, het goed maakt. Hij is bijzonder vrijgevig. Hij is als een vader voor zijn zusters en weet zijn vrouwen altijd tevreden te stellen. (Vedabase)
Alsjeblieft, zeg me of de militaire hoofdaanvoerder van de Yadu's, Pradyumna, wel helemaal gelukkig is, o Uddhava - hij was in zijn voorgaande leven de god van de liefde en is nu de grote held waaraan Rukminî, na het tevreden stellen van de brahmanen, geboorte schonk als prins van de Allerhoogste Heer.
O Uddhava, zeg me alsjeblieft hoe het met Pradyumna gaat, de opperbevelhebber der Yadu's, die in een vorig leven de liefdesgod was. Rukminî kreeg hem als zoon van Krishna, door de gunst van de brâhmana's, wie ze voldoening schonk. (Vedabase)
En gaat alles goed met Ugrasena, de koning van de Sâtvata's van de Vrishni familie van het Dâs'ârha geslacht in de Bhoja-dynastie? Hij is degene die van Heer Krishna de hoop op de troon terugkreeg nadat hij het had moeten opgeven op een afstand gezet te zijn [door oom Kamsa's heerschappij].
O mijn vriend, zeg me of Ugrasena, de koning van de Sâtvata's, Vrishni's, Bhoja's en Dâs'ârha's, het nu goed maakt. Hij trok ver weg van zijn koninkrijk en liet alle hoop op de troon varen, maar S'rî Krishna herstelde hem als vorst. (Vedabase)
O ernstige, gaat het goed met Sâmba, de zoon van de Heer die zoveel op Hem lijkt? Hij is de meest vooraanstaande en best gemanierde onder alle strijders, aan wie Jâmbavatî [een andere vrouw van Krishna] zo rijk in haar geloften het leven schonk na zijn voorgaande leven als de goddelijke Kârttikeya die geboren werd uit de echtgenote van S'iva?
O zachtmoedige, gaat het Krishna's zoon Sâmba goed? Hij bezit alle kwaliteiten die men van een zoon van de Godspersoon verwacht. In een vorig leven werd hij uit de schoot van de echtgenote van Heer S'iva geboren als Kârttikeya, en nu is hij geboren als zoon van Jâmbavatî, Krishna's meest fortuinlijke vrouw. (Vedabase)
En hoe is het met Yuyudhâna [Sâtyaki], hij die leerde van Arjuna en zijn doel bereikte als iemand die de finesses van de krijgskunst begreep en eveneens voorzeker door het leveren van dienst tot de bestemming van het Transcendentale kwam die zelfs voor de grote verzakers zo moeilijk te bereiken is?
O Uddhava, gaat het Yuyudhâna goed? Hij leerde de finesses van de krijgskunst van Arjuna en bereikte de bovenzinnelijke bestemming, die zelfs voor grote asceten zeer moeilijk bereikbaar is. (Vedabase)
En de goed onderlegde foutloze zoon S'vaphalka, Akrûra, hoe gaat het met hem - hij is degene die in zijn overgave op het pad van Krishna's lotusvoeten uit zijn evenwicht geraakt neerviel in het stof, de symptomen vertonend van bovenzinnelijke liefde.
Vertel me alsjeblieft of Akrûra, de zoon van S'vaphalka, het goed maakt. Hij is een onberispelijke ziel, overgegeven aan de Godspersoon. Uit bovenzinnelijke liefde raakte hij eens zijn innerlijk evenwicht kwijt en viel neer in het stof van een weg waarop de voetafdrukken van Krishna te zien waren. (Vedabase)
Is alles goed met de dochter van Koning Devaka-Bhoja; zoals uit de Veda's de bedoeling van het offeren voortkwam gaf zij [Devakî], net als de moeder der halfgoden [Aditi] die de Godheid ter wereld bracht, geboorte aan Vishnu.
Zoals de Veda's het doel van alle offers bevatten, ontving de dochter van koning Devaka-bhoja de Allerhoogste Godspersoon in haar schoot, net als de moeder van de halfgoden. Gaat het haar [Devakî] goed? (Vedabase)
En is ook Hij, de Persoonlijkheid van God geheel gelukkig die van jullie allen de bron van alle verlangens is, Aniruddha, die van oudsher is aanvaard als het geboortekanaal van de Rig-Veda, de schepper van de geest en de transcendentale vierde volkomen expansie van het Werkelijkheidsprincipe [Vishnu-tattva]?
Mag ik vragen of Aniruddha het goed maakt? Hij vervult alle wensen van de zuivere toegewijden, en wordt van oudsher als de oorzaak van de Rig-Veda beschouwd, de schepper van de geest, en is de vierde volkomen expansie van Vishnu. (Vedabase)
En, o ootmoedige, zijn anderen als Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ, die het Goddelijke van hun eigen zelf aanvaardden als de ziel in het navolgen met een absoluut geloof, ook allemaal goed in het doorbrengen van hun tijd?
O ingetogene, gaat het de anderen goed, zoals Hridîka, Cârudeshna, Gada en de zoon van Satyabhâmâ, die allen S'rî Krishna aanvaarden als de ziel van het zelf en daarom geen stap van Zijn pad afwijken? (Vedabase)
Handhaaft Yudhishthhira, die de principes van het menszijn behartigt, het religieuze respect onder de bescherming van de armen van Arjuna en de Onfeilbare, welke, met de rijkdom van zijn koninklijke hofhouding en de dienst van Arjuna, de afgunst van Duryodhana wekte?
Laat me ook vragen of Mahârâja Yudhishthhira het koninkrijk nu regeert volgens religieuze principes en met eerbied voor het pad der religie. Vroeger brandde Duryodhana van afgunst, omdat Yudhishthhira door de armen van Krishna en Arjuna beschermd werd alsof het zijn eigen armen waren. (Vedabase)
En liet de onoverwinnelijke Bhîma, die gelijk een cobra is, zijn lang gekoesterde woede los op de zondaren? Het slagveld kon zijn tred op het pad van het wonderbaarlijke spel van zijn strijdknots niet verdragen.
[Zeg me alsjeblieft], heeft de onoverwinnelijke Bhîma, die als een cobra is, zijn lang opgekropte woede op de zondaars gebotvierd? Het slagveld kon zelfs het prachtige spel van zijn knots niet verdragen toen hij het pad betrad. (Vedabase)
Arjuna, hij die zo roemrijk is onder de strijdwagenvechters met zijn boog de Gândîva en die zo vele vijanden versloeg, gaat het goed met hem? Eens behaagde hij Heer S'iva door hem met pijlen te bestoken toen S'iva zich onherkenbaar voordeed als een valse jager.
[Zeg me alsjeblieft] of Arjuna, wiens boog de naam Gândîva draagt, en die beroemd is onder de wagenvechters om zijn overwinningen op zijn vijanden, het goed maakt. Hij schonk Heer S'iva eens voldoening door hem onder een pijlenregen te bedelven, nadat deze hem vermomd als een onbekende jager tegemoet getreden was. (Vedabase)
En is het spel van de tweeling zoons van Prithâ [Nakula en Sahadeva] zorgeloos, beschermd als ze zijn door hun broers als oogleden die ogen beschermen met hun teruggrissen van hun eigendom in het gevecht met de vijand, zoals Garuda [de drager van Vishnu] dat deed [met de nectar] uit de mond van Indra?
Zijn de tweelingbroers onder bescherming van hun oudere broers in goeden doen? Zoals het oog altijd door het ooglid beschermd wordt, staan zij onder bescherming van de zoons van Prithâ, die hun wettig koninkrijk teruggristen uit de handen van hun vijand Duryodhana, zoals Garuda nectar weggriste uit de mond van Indra, de bliksemdrager. (Vedabase)
O beminnelijke, is Prithâ nog in leven; zij wijdde haar leven aan de zorg voor de vaderloze kinderen, levend zonder koning Pându, die in z'n eentje als een bevel voerend strijder de vier windrichtingen de baas kon met enkel een tweede boog.
O mijn heer, leeft Prithâ nog? Ze leefde slechts ter wille van haar vaderloze kinderen, anders zou ze onmogelijk door hebben kunnen gaan zonder koning Pându, die de grootste bevelhebber was en geheel alleen, slechts met behulp van een tweede boog, de vier windstreken aan zich onderwierp. (Vedabase)
O zachtmoedige, ik beklaag slechts hem [Dhritarâshthra] die afglijdend nadat zijn broer [Pându] stierf in opstand kwam en mij, die hem het beste wenste, verdreef uit mijn eigen huis in het aannemen van dezelfde gedragslijn als zijn zoons.
O zachtmoedige, ik beklaag hem alleen maar ]Dhritharâshthra], die na de dood van zijn broer tegen hem in opstand kwam. Door hem werd ik, hoewel ik hem oprecht welgezind ben, uit mijn eigen huis verdreven, omdat hij de handelwijze van zijn zoons volgde. (Vedabase)
Daarom reis ik zonder door de ogen van de gewone man herkend te worden door deze wereld van de Heer, welke voor anderen zo verbijsterend is om te beheersen, naar de genade van Zijn voeten, welke ikzelf nooit uit het oog verloor zonder twijfel zijnde in deze aangelegenheid.
Dit verbaast me niet, nu ik over de hele wereld heb gereisd, waarbij ik door niemand herkend ben. De activiteiten van de Godspersoon zijn als die van een sterveling van deze aarde en ze brengen anderen in verwarring, maar door Zijn genade ben ik van Zijn grootsheid op de hoogte en voel me zo in elk opzicht gelukkig. (Vedabase)
Natuurlijk, wachtte Hij ermee, wat betreft de koningen die afdwaalden door de drie soorten van valse trots [door de hindernissen van het zelf, de anderen en de wereldse invloed] en die voortdurend de aarde van streek brachten door de bewegingen van hun troepen, als de Allerhoogste Heer van de Kuru's en er op uit het lijden van de overgegevenen weg te nemen, hen te doden ondanks hun overtredingen.
Ondanks het feit dat Hij de Heer is en altijd het leed van de lijdenden wil verlichten, onthield Hij [Krishna] Zich van het doen van de Kuru's, ook al bedreven ze allerlei zonden en zag Hij hoe andere vorsten door hun krachtige troepenverplaatsingen, gedreven door de drie vormen van valse trots, de aarde voortdurend in opschudding brachten. (Vedabase)
De verschijning van de Ongeborene, van Hem die zonder enige verplichting in de wereld is, is er om korte metten te maken met de parvenu's zodat allen tot begrip mogen komen; voor welk doel zou Hij anders een lichaam aanvaarden en allerlei soorten van karma?
De Heer verschijnt om de rebellen te vernietigen. Zijn activiteiten zijn bovenzinnelijk en worden verricht opdat iedereen tot inzicht komt. Waarom zou de Heer, die immers volledig aan de stof ontstegen is, anders ter wereld komen? (Vedabase)
O mijn vriend, bezing de heerlijkheden van de Heer van alle heilige plaatsen die voor het belang van het ongeborene geboorte nam in de familie van de Yadu's en aan wie alle heersers van het universum zich overgaven in de beheersing van Zijn eigen Zelf.
O mijn vriend, verheerlijk daarom alsjeblieft de Heer, die in de pelgrimsoorden geprezen dient te worden. Hoewel Hij ongeboren is, verschijnt Hij uit Zijn grondeloze genade voor de overgegeven heersers in alle streken van het heelal. Alleen ter wille van hen verscheen Hij in de familie van Zijn zuivere toegewijden, de Yadu's. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Produktie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties