Canto 1 |
|
Hoofdstuk 10: Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ
(1) S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? De geneugten des levens moesten toch aan banden worden gelegd?"
(2) Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira zijn eigen koninkrijk zich had hersteld. (3) Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, verlicht door perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra]. (4) Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers. (5) De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden. (6) Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.
(7) Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura. (8) Na die periode werd het Hem, na het vragen om de nodige toestemming, toegestaan te vertrekken; en na zich te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij toen Zijn strijdwagen, waarbij Hij ook van de anderen hetzelfde respectbetoon met de nodige omhelzingen ontving. (9-10) Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna. (11-12) Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar een enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden? (13) Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en gebonden als ze waren door pure genegenheid, bewogen ze zich rusteloos. (14) De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî. (15) Te dien tijde weerklonken mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten. (16) Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna. (17) Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had. (18) Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.
(19) Van overal weerklonken de woorden van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren in relatie tot de Absolute Waarheid die daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur. (20) De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve: (21) 'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke die, materieel nog niet gemanifesteerd, in Zijn eigen Zelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur; Hij die Superziel, die Allerhoogste Heer, waarin de levende wezens met hun energieën in ruste opgaan, zoals dat 's nachts gebeurt. (22) Hij in de rol van de samensteller van de Veda's kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel namen en vormen toe in het opnieuw in het leven roepen van de uiterlijke schijn van de materiële natuur; namen die Hij geeft aan dat wat in feite niet te benoemen is. (23) Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien; zij zijn het die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen. (24) O vriendinnen, dit is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, vertrouwelijk beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, die, door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt, zonder ooit eraan gehecht te raken. (25) Wanneer er ook maar heersers zijn, die onwetend, als beesten, tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten, in verscheidene gedaanten, terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7]. (26) O, hoe allerhoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, omdat dit, van alle levende wezens, de allerhoogste leider en echtgenoot van de godin van het geluk is die hier ten tonele verscheen en rondging.(27) Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], die plaats die, tot de meerdere deugd en roem van de aarde, de glorie van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik. (28) Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde vast en zeker met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van volmaakte aanbidding geweest voor de Heer; o vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden! (29) Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden meebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba. (30) Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in het hart naar zich toe te halen, aldus nooit alleen thuis achtergelaten'.
(31) Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier zo over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer. (32) Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen. (33) Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's, die in beslag waren genomen door de gedachte aan het komende afscheid, over om terug te keren, waarna Hij met Zijn geliefde metgezellen verder Zijn weg vervolgde naar Dvârakâ. (34-35) Door Kurujâñgala [de provincie van Delhi] en Pâñcâlâ [een deel van Punjab] en S'ûrasenâ en Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na het doortrekken van Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat], kwam Hij, o S'aunaka, uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden. (36) Op verschillende plaatsen viel het voor dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."
Tweede editie, geladen 21 febr. 2006
Bronteksten:
Het Vertrek van Heer Krishna naar Dvârakâ
S'aunaka Muni vroeg: "Hoe regeerde Koning Yudhishthhira, de grootste van de strikte volgers der religie, samen met zijn jongere broers het koninkrijk na de agressors gedood te hebben die zich onrechtmatig de wettige nalatenschap wilden toeëigenen? De geneugten des levens moesten toch aan banden worden gelegd?"S'aunaka Muni vroeg: Hoe regeerde Mahârâja Yudhishthhira, de grootste van alle godsdienstoefenaars, na het doden van zijn vijanden, die zijn rechtmatig erfgoed aan zich hadden willen trekken, samen met zijn broers over zijn onderdanen? Hij kon toch zeker niet vrijelijk en ongehinderd van zijn koninkrijk genieten? (Vedabase)
Sûta zei: "Na de uitputtende bamboebrand van de Kurudynastie, was de Heer, de handhaver van de schepping, er verheugd over te zien hoe de spruit van Yudhishthhira zijn eigen koninkrijk zich had hersteld.
Sûta Gosvâmî zei: Heer S'rî Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die de instandhouder der wereld is, voelde zich voldaan nadat Koning Yudhishthhira in zijn eigen koninkrijk op de troon hersteld was en de Kurudynastie, door de bamboebrand der woede uitgeput, weer tot de orde van de dag was teruggekeerd. (Vedabase)
Na gehoord te hebben wat Bhîshma en de Onfeilbare hadden gezegd, was Yudhishthhira, verlicht door perfecte kennis, zijn verbijstering te boven gekomen en heerste hij, gevolgd door zijn broers en beschermd door de onoverwinnelijke Heer, over de aarde en de zeeën als was hij de koning van de hemel [Indra].
Verlicht door wat Bhîshmadeva en Heer S'rî Krishna, de onfeilbare, gezegd hadden, wijdde Mahârâja Yudhishthhira zich aan het ontwikkelen van volmaakte kennis, omdat alle gevoelens van twijfel waren uitgeroeid. Zo heerste hij over de aarde en de zeeën, door zijn jongere broers hierin bijgestaan. (Vedabase)
Alle regen die nodig was viel uit de hemel, de akkers brachten al het nodige voort en uit pure vreugde bevochtigden de koeien de weiden met hun volle uiers.
Tijdens de regering van Mahârâja Yudhishthhira regende er uit de wolken al het water dat men nodig had, terwijl de aarde de mens in overvloed alle leeftocht schonk. Uit haar volle uier besprenkelde de vrolijke koe overal waar ze ging de weilanden met melk. (Vedabase)
De rivieren, oceanen en heuvels verzekerden hem in alle seizoenen van alle noodzakelijke groenten, begroeiing en medicinale kruiden.
De rivieren, oceanen, bergen, heuvels, wouden, planten en werkzame kruiden droegen in elk jaargetijde in overvloed hun belasting aan de koning af. (Vedabase)
Nimmer werd, vanwege henzelf, de natuur of vanwege anderen, enig levend wezen geplaagd door angsten, ziekten of extreme temperaturen, zoals dat altijd het geval is met een koning die geen vijanden heeft.
Omdat de koning geen vijanden had, waren de levende wezens nimmer van streek door geesteskwellingen, ziekten of overmatige hitte of kou. (Vedabase)
Om Zijn familie tot rust te brengen en Zijn zuster [Subhadrâ, die met Arjuna was getrouwd] een plezier te doen, verbleef de Heer een paar maanden in de stad Hastinâpura.
S'rî Hari, Heer S'rî Krishna, verbleef enkele maanden te Hastinâpura teneinde Zijn familie gerust te stellen en Zijn eigen zuster [Subhadrâ] een genoegen te doen. (Vedabase)
Na die periode werd het Hem, na het vragen om de nodige toestemming, toegestaan te vertrekken; en na zich te hebben verbogen voor de koning en hem omhelsd te hebben besteeg Hij toen Zijn strijdwagen, waarbij Hij ook van de anderen hetzelfde respectbetoon met de nodige omhelzingen ontving.
Toen de Heer naderhand vroeg te mogen vertrekken en de koning Hem hiertoe zijn toestemming gaf, bracht Hij hem Zijn eerbetuigingen door Zich aan zijn voeten neer te buigen, en de koning omhelsde Hem. Nadat anderen de Heer omhelsd en Hem hun eerbetuigingen gebracht hadden, besteeg Hij Zijn wagen. (Vedabase)
Zijn zus, [de vrouw van de Pândava's] Draupadî, [hun moeder] Kuntî, [Parîkchit's moeder] Uttarâ en [de blinde grootvader] Dhritarâshthra en [zijn vrouw] Gândhârî, [hun zoon] Yuyutsu, [de Kurupriester] Kripâcârya, [de tweelingbroers] Nakula en Sahadeva tezamen met Bhîma, en [de Pândava priester] Dhaumya en ook andere dames van het paleis en [Vyâsa's moeder] Satyavatî, konden de scheiding van Hem met de schelphoorn in Zijn hand maar moeilijk verdragen en bezwijmden het bijna.
Subhadrâ, Draupadî, Kuntî, Uttarâ, Gândhârî, Dhritarâshthra, Yuyutsu, Krpâcârya, Nakula, Sahadeva, Bhîmasena, Dhaumya en Satyavatî - allen vielen toen bijna flauw, omdat ze het onmogelijk konden verdragen van Heer Krishna gescheiden te zijn. (Vedabase)
Hij die intelligent is zal wat betreft de faam die wordt bezongen, bevrijd als hij door het juiste gezelschap is van een materialistisch leven, er niet over peinzen het op te geven als hij ook maar een enkele keer die verering heeft meegemaakt. Hoe konden dan de Pândava's die Hem hun hart hadden geschonken de scheiding van Hem verdragen als ze Hem van aangezicht tot aangezicht gezien hadden en Hem aangeraakt en met Hem samen geslapen, neergezeten en gegeten hadden?
De schranderen, die door omgang met zuivere toegewijden begrepen hebben wie de Opperheer is en zich daardoor niet meer in verkeerd materialistisch gezelschap ophouden, en die misschien maar eenmaal 's Heren heerlijkheid hebben horen bezingen, kunnen er nooit meer buiten. Hoe konden de Pândava's het dan verdragen van Hem gescheiden te zijn, want ze waren intiem met Hem omgegaan, hadden Hem in de ogen gezien, Hem aangeraakt, met Hem gepraat en geslapen, gezeten en gegeten. (Vedabase)
Allen, met wijd open ogen naar Hem kijkend, smolten voor Hem en gebonden als ze waren door pure genegenheid, bewogen ze zich rusteloos.
Aangetrokken als allen tot hem waren, smolt hun hart. Ze keken Hem aan zonder met hun ogen te knipperen en liepen in verwarring her en der in het rond. (Vedabase)
De dames van de familie die uit het paleis kwamen, hadden het er moeilijk mee een vloed van tranen te beheersen, bang als ze waren dat om die reden ongunstige dingen zouden gebeuren met de zoon van Devakî.
De dames van de familie, wier ogen uit benauwenis om Krishna vol tranen stonden, kwamen het paleis uit. Ze wisten zich slechts met grote moeite te beheersen, bang als ze waren dat huilen bij het afscheid kwaad zou kunnen. (Vedabase)
Te dien tijde weerklonken mridanga's [trommels gebruikt in de toegewijde dienst], schelphoorns, hoorns, snaarinstrumenten, fluiten en nog meer slagwerk, bellen en andere ritme-instrumenten.
Terwijl de Heer het paleis van Hastinâpura verliet, weerklonk tot Zijn eer het gezamenlijke geluid van verschillende soorten trommen - zoals de mridanga, dhola, nagra, dhundhurî en dundubhi - de vînâ, koperinstrumenten en verschillende soorten fluiten, panava en gomukha. (Vedabase)
Om het goed te kunnen zien klommen de dames van de Kurudynastie op het dak van het paleis, vanwaar ze met liefde en verlegen glimlachen bloemen lieten neerregenen op Krishna.
Uit liefdevol verlangen Krishna te zien bestegen de dames van de koninklijke familie der Kuru's het paleisdak, vanwaar ze teder en verlegen lachend een bloemenregen op de Heer lieten neerdalen. (Vedabase)
Voor de Meest Geliefde der Geliefden nam de overwinnaar van de slaap [Arjuna] een geborduurde parasol ter hand die versierd was met parels en kantwerk en een met juwelen ingelegde handgreep had.
Toen nam Arjuna, de grote krijger en overwinnaar van de slaap, de innige vriend van de geliefde Opperheer, een parasol ter hand, die met parels en kant geborduurd was en voorzien van een steel bezet met juwelen. (Vedabase)
Als de meester van Madhu, schitterend gezeten op overal rondgestrooide bloemen, werd Hem onderweg door Uddhava, Zijn halfbroer-neef en Zijn wagenmenner Sâtyaki koelte toegewuift.
Uddhava en Sâtyaki begonnen Krishna met bewerkte waaiers koelte toe te wuiven, en de Heer, meester van Madhu, gezeten op een tapijt van bloemen, gelastte hen de terugreis te aanvaarden. (Vedabase)
Van overal weerklonken de woorden van het eerbetoon der brahmanen die voor de gelegenheid noch gepast noch ongepast waren in relatie tot de Absolute Waarheid die daar aanwezig was in een gedaante onderworpen aan de drie geaardheden der natuur.
Van alle kanten werd Krishna overladen met zegeningen, die gepast noch ongepast waren, omdat ze allemaal goed waren voor de Absolute Waarheid, die nu voor mens speelde. (Vedabase)
De dames van de hoofdstad van de koning der Kuru's waren dusdanig met hun hart verzonken in gesprekken onder elkaar over Hem die geprezen wordt in de geschriften, dat het aantrekkelijker klonk dan de lofzangen van de Veda's zelve:
Verzonken in gedachten aan de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer, die met uitgelezen poëzie bezongen wordt, begonnen de dames op de daken van alle huizen in Hastinâpura over Hem te praten. Dit praten was aantrekkelijker dan alle zangen van de Veda's bij elkaar. (Vedabase)
'Hem zullen we ons beslist blijven herinneren als de Persoonlijkheid van God, als de Oorspronkelijke die, materieel nog niet gemanifesteerd, in Zijn eigen Zelf bestond vóór de schepping van de geaardheden der natuur; Hij die Superziel, die Allerhoogste Heer, waarin de levende wezens met hun energieën in ruste opgaan, zoals dat 's nachts gebeurt.
Ze zeiden: Hier is Hij, de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods, zoals we Hem ons zo goed herinneren. Alleen Hij was het die bestond vóór de geopenbaarde schepping van de geaardheden der natuur, en omdat Hij de Opperheer is, is het alleen in Hem dat alle levende wezens opgaan in de nacht, als slapende, hun energie buiten werking. (Vedabase)
Hij in de rol van de samensteller van de Veda's kent aldus, bij het tentoonspreiden van Zijn eigen persoonlijke vermogen, de individuele ziel namen en vormen toe in het opnieuw in het leven roepen van de uiterlijke schijn van de materiële natuur; namen die Hij geeft aan dat wat in feite niet te benoemen is.
Uit verlangen weer naam en gedaante te geven aan Zijn eigenste deeltjes, de levende wezens, bracht de Persoonlijkheid Gods hen onder de hoede van de stoffelijke natuur. Door Zijn eigen vermogen ontvangt de stoffelijke natuur het vermogen tot herscheppen. (Vedabase)
Hij is toevallig dezelfde Persoonlijkheid van God als degene die de grote toegewijden voor ogen hebben die erin slaagden hun zinnen en leven te beheersen en die, bij de gratie van hun toewijding, de ontwikkeling van een zuivere geest mogen zien; zij zijn het die hierdoor, alleen maar hierdoor, een gezuiverd bestaan verdienen.
Hier is die Persoonlijkheid Gods wiens bovenzinnelijke gedaante bespeurd wordt door grote toegewijden wier bewustzijn als gevolg van strikte toegewijde dienst en volmaakte levens- en zinsbeheersing volkomen gelouterd is. Alleen zo kan men zijn bestaan reinigen. (Vedabase)
O vriendinnen, dit is Hij die omwille van Zijn fijne spel en vermaak, vertrouwelijk beschreven in de Veda's en door de intieme toegewijden besproken, wordt gerespecteerd als de enige ware Allerhoogste Beheerser en Superziel van de totale schepping, die, door de manifestatie van Zijn spel en vermaak schept, handhaaft en vernietigt, zonder ooit eraan gehecht te raken.
O lieve vriendinnen, hier is die Persoonlijkheid Gods, wiens aantrekkelijk en vertrouwelijk spel en vermaak door Zijn grote toegewijden beschreven is in de geheime gedeelten van de Vedische Schriften. Hij is het alleen die de stoffelijke wereld schept, instandhoudt en vernietigt, zonder erdoor beroerd te worden. (Vedabase)
Wanneer er ook maar heersers zijn, die onwetend, als beesten, tegen de goddelijke principes ingaan, dan manifesteert Hij, voorzeker uit goedheid, Zijn allerhoogste macht en positieve waarheid, genade en wonderbaarlijke activiteiten, in verscheidene gedaanten, terwille van de handhaving [van het dharma] in verschillende perioden en tijdperken [zie ook B.G 4: 7].
Telkens wanneer er vorsten en bestuurders zijn die als dieren in de laagste sferen van het bestaan verblijven, openbaart de Heer in Zijn bovenzinnelijke gedaante Zijn oppermacht, de positieve Waarheid, bewijst de getrouwen Zijn bijzondere genade, doet wonderbaarlijke daden en neemt naar gelang tijd en plaats van Zijn verschijnen verschillende bovenzinnelijke gedaanten aan. (Vedabase)
O, hoe allerhoogst verheerlijkt is de dynastie van koning Yadu en hoe verheven is de deugd van het land van Mathurâ, omdat dit, van alle levende wezens, de allerhoogste leider en echtgenoot van de godin van het geluk is die hier ten tonele verscheen en rondging.
O hoe mateloos verheerlijkt is de dynastie van Koning Yadu en hoe deugdzaam is het land van Mathurâ, waar de opperleider van alle levende wezens, de echtgenoot van de geluksgodin, ter wereld kwam en in Zijn kinderjaren omzwierf. (Vedabase)
Hoe wonderbaarlijk is Dvârakâ [het eiland waar Krishna Zijn verblijf heeft], die plaats die, tot de meerdere deugd en roem van de aarde, de glorie van de hemelse werelden overtreft en waarvan de bewoners het gewoon zijn voortdurend de ziel van de levende wezens [Krishna] te zien die Zijn genade schenkt met de zegening van Zijn goedlachse blik.
Het is beslist geweldig dat Dvârakâ de heerlijkheid van de hemelse planeten in de schaduw stelt en de roem der aarde verhoogt. De inwoners van Dvârakâ aanschouwen de ziel van alle levende wezens [Krishna] altijd op Zijn liefst. Hij ziet hen aan en schenkt hun de gunst van Zijn zoete glimlach. (Vedabase)
Om keer op keer te genieten van Zijn lippen zijn de vrouwen die Hij huwde vast en zeker met geloften, wassingen, vuuroffers en dergelijke van volmaakte aanbidding geweest voor de Heer; o vriendinnen, vaak bezwijmden de dames in Vraja het als ze hun geesten daarop gericht hadden!
O vriendinnen, denk toch eens aan Zijn vrouwen, wier hand Hij genomen had. Hoeveel geloften moeten ze niet hebben afgelegd, hoeveel baden genomen in heilige rivieren, hoe vaak vuuroffers aangericht en de Heer van het Universum volmaakt aanbeden hebben, dat ze nu voortdurend van de nectar van Zijn lippen mogen genieten [door hem te kussen]. De jongedames van Vrajabhûmi vielen bij de gedachte aan die gunst al dikwijls flauw. (Vedabase)
Van de koningin van Dvârakâ [Rukminî, Krishna's eerste vrouw], die met grote moed door Hem werd ontvoerd uit de open verkiezing van de bruidegom als de prijs die moest worden betaald door de aanvallende koningen aangevoerd door S'is'upâla, en van de andere dames die op dezelfde manier werden meebracht na het doden van duizenden doortrapte koningen [met Bhaumâsura aan het hoofd], zijn er kinderen als Pradyumna, Sâmba en Amba.
De kinderen van deze dames zijn Pradyumna, Sâmba, Amba enz. Dames als Rukminî, Satyabhâmâ en Jâmbavatî werden, nadat Hij vele machtige koningen, aangevoerd door S'is'upâla, verslagen had, tijdens hun svayamvara-ceremonie weggeroofd. En weer andere nam Hij met geweld mee nadat Hij Bhaumâsura en duizenden helpers gedood had. Al deze dames verkeren in staat van heerlijkheid. (Vedabase)
Al deze zo heel goede vrouwen van het hoogste aanzien die van hun individualiteit en zuiverheid waren beroofd, werden door hun lotusogige echtgenoot die hen raakte door hen in het hart naar zich toe te halen, aldus nooit alleen thuis achtergelaten'.
Hoewel ze geen individualiteit en zuiverheid bezaten, zagen al deze vrouwen hun leven heilrijk en heerlijk worden. Hun echtgenoot, de lotusogige Persoonlijkheid Gods, liet hen thuis nimmer alleen. Telkens weer streelde Hij hun hart met waardevolle gaven. (Vedabase)
Terwijl de dames van de hoofdstad op deze manier zo over Hem aan het bidden en praten waren, gunde Hij hen de genade van Zijn blik en hen groetend met een glimlach op Zijn gezicht, vertrok de Heer.
Terwijl de dames van de hoofdstad, Hastinâpura, Hem zo groetten en over Hem praatten, aanvaardde de Heer glimlachend hun heilwensen en verliet de stad terwijl de genade van Zijn blik op hen rustte. (Vedabase)
Yudhishthhira die geen vijanden had, engageerde uit genegenheid en bezorgdheid, vier divisies troepen [te paard, op olifanten, met wagens en te voet] om de vijand der atheïsten te beschermen.
Hoewel Mahârâja Yudhishthhira met niemand in vijandschap leefde, liet hij vier legerafdelingen [paarden, olifanten, strijdwagens en voetvolk] Heer Krishna, de vijand van de asura's [demonen], begeleiden. De Mahârâja deed zulks om de vijand zelf en ook uit liefde tot de Heer. (Vedabase)
Nadat ze Hem aldus over een grote afstand begeleid hadden, haalde de Heer beleefd en vol genegenheid de vastberaden Pândava's, die in beslag waren genomen door de gedachte aan het komende afscheid, over om terug te keren, waarna Hij met Zijn geliefde metgezellen verder Zijn weg vervolgde naar Dvârakâ.
Uit innige liefde voor Heer Krishna gingen de Pândava's, leden van de Kurudynastie, een heel eind met Hem mee om Hem weg te brengen. De gedachte aan hun toekomstige gescheidenheid van Hem overstelpte hen met emoties. De Heer bracht hen er tenslotte toe naar huis terug te keren en reisde in gezelschap van Zijn gelieven voort naar Dvârakâ. (Vedabase)
Door Kurujâñgala [de provincie van Delhi] en Pâñcâlâ [een deel van Punjab] en S'ûrasenâ en Brahmâvarta [het noorden van Uttar Pradesh] en de districten langs de rivier de Yamunâ, kwam Hij langs Kurukshetra waar de veldslag was uitgevochten en de provincie Matsyâ, Sârasvatân [een ander deel van Punjab] en zo verder. Door het land der woestijnen [Rajasthan] en het land waar nauwelijks water is [Madhya Pradesh], en na het doortrekken van Sauvîra [Saurastra] en Âbhîra [een deel van Gujarat], kwam Hij, o S'aunaka, uiteindelijk aan in het westelijk deel van de provincie van Dvârakâ met Zijn door de lange reis lichtelijk vermoeid geraakte paarden.
O S'aunaka, de Heer trok vervolgens naar Kurujâñgala, Pâñcâlâ, S'ûrasenâ, het land aan de oever van de rivier de Yamunâ, Brahmâvarta, Kurukshetra, Matsyâ, Sârasvatâ, het woestijngebied en het waterschaarste-gebied. Na deze doorreis bereikte Hij de provincies Sauvîra en Âbhîra, die Hij westwaarts doortrok, waarna Hij tenslotte in Dvârakâ aankwam. (Vedabase)
Op verschillende plaatsen viel het voor dat de Heer werd verwelkomd en Hem verschillende diensten werden aangeboden als Hij in de avond arriveerde nadat de zon de oostelijke hemel had doortrokken om daar onder te gaan waar de oceaan zich bevindt."
Op Zijn reis door deze gebieden werd Hij welkom geheten, vereerd en van allerlei gaven voorzien. 's Avonds onderbrak de Heer Zijn tocht overal teneinde Zich na zonsondergang aan Zijn avondriten te wijden. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding op deze pagina is van Ramadasa-abhirama
Dasa
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties