regelbalk


 

Canto 4

Prabhupâda Pranâti

 

 

Hoofdstuk 2: Daksha vervloekt Heer S'iva

(1) Vidura zei: 'Waarom toonde Daksha zich vijandig jegens Heer S'iva, de beste onder de zachtmoedigen, terwijl hij zijn eigen dochter Satî, waar hij zoveel om gaf, verwaarloosde? (2) Hoe kon hij hem haten die de geestelijk leraar is van de hele wereld en die, met een vredelievende persoonlijkheid en van binnenuit tevreden zonder vijandschap, de grootste halfgod van het universum is? (3) Zeg me daarom, o brahmaan, wat de reden is waardoor de schoonvader en schoonzoon ruzieden en waardoor Satî het leven opgaf dat onmogelijk op te geven is.'

(4) Maitreya zei: 'Voorheen, hadden de leiders, grote wijzen en onsterfelijken van de schepping tezamen met hun volgelingen en de filosofen zich verzameld ter gelegenheid van een offerplechtigheid. (5) Toen hij [Daksha] die grote vergadering binnenkwam gaf dat de wijzen een kijk op hem, vrij van duisternis als hij was, als zijnde stralend met een luister gelijk die van de zon. (6) Zij, de leden van de vergadering, tezamen met hen die voor het vuur zorgden, stonden, onder de indruk van zijn luister, uitgezonderd Heer Brahmâ en Heer S'iva, allen van hun zitplaatsen op. (7) Daksha, hij van alle weelde, die gepast werd verwelkomd door de leiders van de bijeenkomst, bracht de ongeborene, de meester van de wereld, zijn eerbetuigingen en ging op zijn aanwijzing zitten. (8) Door de zittende Heer S'iva, die hem geen respect toonde, voelde hij zich echter beledigd en zijn beheersing verliezend sprak hij tot hem met een kwade blik in zijn ogen. (9) 'Luistert naar me, o wijzen onder de brahmanen, o goddelijken, o vuurgoden, hoe ik tot u spreek over de manieren van de zachtmoedigen, en ik doe dit niet uit onwetendheid of uit jaloezie. (10) Hij, die behoort tot de heersers van het universum, heeft, met een gebrek aan manieren en schaamteloos, de faam bezoedeld en bedorven van hen die het pad van de zachtmoedigen volgen. (11) Hij heeft het aanvaard van een ondergeschikte positie te zijn, zich als een eerlijk mens opstellend in het nemen van de hand van mijn dochter, in de aanwezigheid van vuur en brahmanen. (12) De hand van haar nemend die ogen heeft gelijk die van een hertje, heeft hij, met zelf de ogen van een aap, mij, die zo'n verwelkoming toekomt, niet geëerd door van zijn zitplaats op te staan. (13) Zonder acht te slaan op de regels en voorschriften, heeft hij, onzuiver en trots, gebroken met de beleefdheidscode; hoewel ik het niet wilde, heb ik mijn dochter weggegeven alsof de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra werd gegeven. (14-15) In het gezelschap van geesten en demonen dwaalt hij rond op begraafplaatsen waar lichamen worden gecremeerd, lachend en huilend als een waanzinnige, met zijn haar in de war zich besmeurend met de as van de brandstapel. Hij heeft een slinger van schedels en is versierd met dodemansbeenderen; alleen in naam is hij S'iva of goedgunstig. In feite is hij ongunstig, waanzinnig en geliefd bij de waanzinnigen, hun leider en hun Heer, vergroofd in de geaardheid onwetendheid. (16) Aan hem, de Heer der Spoken, die verstoken is van alle reinheid, die er met zijn hart zo ver vandaan is, heb ik helaas, zoals de hoogste meester het verlangde, Satî gegeven.'

(17) Maitreya zei: 'Aldus S'iva beledigend die zich van vijandigheden weerhield, ging Daksha woedend daarop zijn handen en mond wassen met water en begon hij zijn vervloeking: (18) 'Dat aandeel van het offer aan de goden dat de halfgoden hebben tezamen met Indra, Upendra [de jongere broer van Indra] en de anderen, is er niet voor de laagste der halfgoden.' (19) Hoewel gevraagd door de leden van de vergadering het niet te doen, vertrok hij, Daksha, na S'iva te hebben vervloekt, vandaar huiswaarts, o Vidura, daar hij zeer kwaad geworden was. (20) Begrijpend dat Heer S'iva was vervloekt, liep Nandis'vara, een van zijn volgelingen, rood aan en blind van woede vervloekte hij scherp Daksha en de brahmanen die het hadden toegestaan dat de vervloeking plaats vond.

(21) 'Moge hij die in betrekking tot de lichamelijkheid van hem hier, de niet-afgunstige Heer S'iva, er afgunst op na houdt en dus in een dualistische visie van de domheid is bezeten, zijn greep op de werkelijkheid verliezen. (22) Hij die zich aangetrokken voelt tot het bestaan van pretentieuze religiositeit van huishouders en volgens de voorschriften van de Veda's te werk gaat in een verlangen naar materieel geluk en vruchtdragende bezigheden, zal zijn intelligentie verloren zien gaan. (23) Laat hij die met de intelligentie waarmee men het lichaam aanziet voor het zelf, de kennis van Vishnu heeft vergeten en als een dier gehecht is aan het sexleven, die uitzinnige Daksha, gauw de kop van een geit krijgen. (24) Mogen zij die Daksha navolgen in zijn beledigingen en die in de onwetendheid van hun vruchtdragende handelingen versuft zijn geraakt in hun materialistische opvoeding en intelligentie, telkens weer hier in de oceaan van materieel lijden belanden. (25) Laten zij die zo afgunstig zijn op Heer S'iva en wiens geesten zo traag zijn geworden van de bekoorlijke, bloemrijke taal der Veda's die zo doortrokken is van de geur van honing, gehecht blijven. (26) Laten die brahmanen, die het zochten in scholing, verzaking en geloften om er financieel op vooruit te gaan en hun fysieke zinnen te bevredigen, maar van deur tot deur als bedelaars rondzwerven, wat dan ook etend!'

(27) De woorden aanhorend van deze vloek aldus tegen de klasse der tweemaal geborenen, formuleerde Bhrigu in reactie daarop een onoverkomelijke vervloeking in overeenstemming met de brahmaanse manier van afstraffen: (28) 'Moge een ieder die er een gelofte op aflegt Heer S'iva te behagen en dergelijke principes navolgt, een atheïst worden die afdwaalt van de schriftuurlijke bepalingen. (29) Laten zij, die de reinheid hebben afgezworen, dwaas hun haren lang hebben, beenderen dragen en bedekt zijn met as, zich maar overgeven aan de leiding van S'iva van wie men het spirituele heeft van het vinden van verlichting in bedwelming. (30) Aangezien u in waarheid de brahmanen en de trouw aan de Veda's belastert, hebt u derhalve uw toevlucht gezocht in de zwakheid van het atheïsme. (31) In de Veda's die voorzeker het goedgunstig pad van alle mensen zijn en welke in het verleden altijd strikt werden nageleefd, vindt men het bewijs van Janârdana [de Heer als degene die iedereen het beste wenst]. (32) Met het belasteren van die opperste en zuiverste geest, welke de eeuwige weg der waarachtigen is, bent u gedoemd in het atheïsme te belanden waarin u uw godheid, de Heer der materie en de dood [S'iva als Bhûtapati] heeft!'

(33) Maitreya zei: 'Aldus ter sprake gekomen in de vloek van Bhrigu, ging S'iva, de Allerhoogste, lichtelijk terneergeslagen, vandaar met zijn volgelingen weg. (34) Daarvan, o grote meester, verkeren zelfs de vaderen der mensheid voor duizenden jaren in aanbidding, daar dat de manier is waarop de Hoogste Persoonlijkheid, de leider aller wijzen, behoort te worden gerespecteerd. (35) Hun harten zuiverend, met het aldaar, waar de Ganges samenkomt met de Yamunâ, nemen van hun ceremonieel afsluitend bad, gingen ze allen heen, terug naar hun eigen verblijfplaatsen.'

 

next                             

 
Tweede editie, geladen 28 augustus 2006.  

 

 

Bronteksten:

Daksha vervloekt Heer S'iva

 

Tekst 1 :

Vidura zei: 'Waarom toonde Daksha zich vijandig jegens Heer S'iva, de beste onder de zachtmoedigen, terwijl hij zijn eigen dochter Satî, waar hij zoveel om gaf, verwaarloosde?

Vidura vroeg: Waarom was Daksha, die zo op zijn dochter gesteld was, afgunstig op Heer S'iva, die de beste onder de zachtmoedigen is? En waarom negeerde hij zijn eigen dochter, Satî? (Vedabase)

 

Tekst 2:

Hoe kon hij hem haten die de geestelijk leraar is van de hele wereld en die, met een vredelievende persoonlijkheid en van binnenuit tevreden zonder vijandschap, de grootste halfgod van het universum is?

Heer S'iva, de geestelijk leraar van de hele wereld, is vreedzaam, niemand vijandig gezind en altijd innerlijk voldaan. Hij is het meest verheven van alle halfgoden. Hoe is het mogelijk dat Daksha zo'n zegenrijke persoonlijkheid vijandig gezind was? (Vedabase)

 

Tekst 3:

Zeg me daarom, o brahmaan, wat de reden is waardoor de schoonvader en schoonzoon ruzieden en waardoor Satî het leven opgaf dat onmogelijk op te geven is.'

Mijn beste Maitreya, het is heel moeilijk voor iemand om een eind aan zijn leven te maken. Wilt u me alstublieft uitleggen hoe het kwam dat deze twee persoonlijkheden - schoonzoon en schoonvader - zo'n hooglopende ruzie konden krijgen, dat de verheven godin Satî haar lichaam opgaf? (Vedabase)

 

Tekst 4:

Maitreya zei: 'Voorheen, hadden de leiders, grote wijzen en onsterfelijken van de schepping tezamen met hun volgelingen en de filosofen zich verzameld ter gelegenheid van een offerplechtigheid.

De wijze Maitreya zei: Lang geleden brachten de leiders van deze universele schepping eens een geweldig offer, waarvoor alle grote wijzen, filosofen, halfgoden en vuurgoden met hun volgelingen bijeenkwamen. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Toen hij [Daksha] die grote vergadering binnenkwam gaf dat de wijzen een kijk op hem, vrij van duisternis als hij was, als zijnde stralend met een luister gelijk die van de zon.

Toen Daksha, de leider van de prajâpati's, zijn opwachting maakte op die bijeenkomst, werden alle aanwezigen verlicht door de uitstraling van zijn lichaam, dat schitterde als de zon. Bij hem vergeleken, verdwenen alle andere persoonlijkheden die daar te zamen waren, in het niets. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Zij, de leden van de vergadering, tezamen met hen die voor het vuur zorgden, stonden, onder de indruk van zijn luister, uitgezonderd Heer Brahmâ en Heer S'iva, allen van hun zitplaatsen op.

Onder de indruk van zijn uitstraling, stonden alle vuurgoden en andere leden van dat illustere gezelschap van hun zitplaatsen op om Daksha hun eer te betuigen, met uitzondering van Heer Brahmâ en Heer S'iva. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Daksha, hij van alle weelde, die gepast werd verwelkomd door de leiders van de bijeenkomst, bracht de ongeborene, de meester van de wereld, zijn eerbetuigingen en ging op zijn aanwijzing zitten.

De voorzitter van die grote bijeenkomst, Heer Brahmâ, verwelkomde Daksha naar behoren. Nadat hij Heer Brahmâ zijn eer had bewezen, begaf Daksha zich op diens aanwijzingen naar de voor hem bestemde zitplaats. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Door de zittende Heer S'iva, die hem geen respect toonde, voelde hij zich echter beledigd en zijn beheersing verliezend sprak hij tot hem met een kwade blik in zijn ogen.

Maar nog voordat hij zijn plaats bereikt had, zag Daksha dat Heer S'iva was blijven zitten zonder hem enige eer te bewijzen. Dit vatte hij op als een grove belediging en hij begon vol woede en met gloeiende ogen heftig tegen Heer S'iva uit te varen. (Vedabase)

 

Tekst 9:

'Luistert naar me, o wijzen onder de brahmanen, o goddelijken, o vuurgoden, hoe ik tot u spreek over de manieren van de zachtmoedigen, en ik doe dit niet uit onwetendheid of uit jaloezie.

O alle hier bijeengekomen wijzen, brâhmana's en vuurgoden, luister alstublieft aandachtig, want ik zou iets willen zeggen over de manieren van beschaafde personen. Ik spreek niet uit onwetendheid of afgunst. (Vedabase)

 

Tekst 10

Hij, die behoort tot de heersers van het universum, heeft, met een gebrek aan manieren en schaamteloos, de faam bezoedeld en bedorven van hen die het pad van de zachtmoedigen volgen.

S'iva heeft de naam en faam van de bestuurders van het universum te schande gemaakt en de weg der goede manieren bezoedeld. Omdat hij schaamteloos is, weet hij niet hoe hij zich moet gedragen. (Vedabase)

 

Tekst 11

Hij heeft het aanvaard van een ondergeschikte positie te zijn, zich als een eerlijk mens opstellend in het nemen van de hand van mijn dochter, in de aanwezigheid van vuur en brahmanen.

Hij heeft reeds de positie van mijn ondergeschikte aanvaard door ten overstaan van vuur en brâhmana's met mijn dochter te trouwen. Hij heeft mijn dochter, de gelijke van Gâyatrî, tot vrouw genomen, en zich voorgedaan als een eerlijk man. (Vedabase)

 

Tekst 12:

De hand van haar nemend die ogen heeft gelijk die van een hertje, heeft hij, met zelf de ogen van een aap, mij, die zo'n verwelkoming toekomt, niet geëerd door van zijn zitplaats op te staan.

Hoewel hij ogen heeft als een aap, is hij toch met mijn dochter getrouwd, die de ogen van een jong hertje heeft. Desondanks is hij niet opgestaan om me te ontvangen en zag hij evenmin de noodzaak om me met aangename woorden te verwelkomen. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Zonder acht te slaan op de regels en voorschriften, heeft hij, onzuiver en trots, gebroken met de beleefdheidscode; hoewel ik het niet wilde, heb ik mijn dochter weggegeven alsof de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra werd gegeven.

Ik had geenszins het verlangen om mijn dochter af te staan aan deze figuur, die alle regels van de beleefdheid gebroken heeft. Aangezien hij zich niet aan de vereiste regels en voorschriften houdt, is hij onzuiver, maar ik was verplicht mijn dochter aan hem uit te huwelijken, net zoals men de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra onderricht. (Vedabase)

 

Tekst 14-15:

In het gezelschap van geesten en demonen dwaalt hij rond op begraafplaatsen waar lichamen worden gecremeerd, lachend en huilend als een waanzinnige, met zijn haar in de war zich besmeurend met de as van de brandstapel. Hij heeft een slinger van schedels en is versierd met dodemansbeenderen; alleen in naam is hij S'iva of goedgunstig. In feite is hij ongunstig, waanzinnig en geliefd bij de waanzinnigen, hun leider en hun Heer, vergroofd in de geaardheid onwetendheid.

Hij woont op onreine plaatsen zoals crematoria, en zijn metgezellen zijn geesten en demonen. Naakt als een dolleman, soms lachend en soms huilend, smeert hij het as van verbrande lijken over zijn lichaam. Hij baadt zich niet regelmatig en hij versiert zijn lichaam met een krans van doodshoofden en botten. Daarom is hij slechts in naam S'iva of zegenrijk; in werkelijkheid is hij het meest waanzinnige en heilloze wezen dat er bestaat. Daarom is hij zeer geliefd bij krankzinnige wezens, die zich diep in de geaardheid onwetendheid bevinden, en is hij hun leider. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Aan hem, de Heer der Spoken, die verstoken is van alle reinheid, die er met zijn hart zo ver vandaan is, heb ik helaas, zoals de hoogste meester het verlangde, Satî gegeven.'

Op verzoek van Heer Brahmâ schonk ik hem mijn kuise dochter, hoewel hij in het geheel niet rein is en zijn hart vol onaangename dingen zit. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Maitreya zei: 'Aldus S'iva beledigend die zich van vijandigheden weerhield, ging Daksha woedend daarop zijn handen en mond wassen met water en begon hij zijn vervloeking:

De wijze Maitreya vervolgde: Omdat Daksha zag dat Heer S'iva bleef zitten alsof hij tegen hem was, waste hij zijn handen en mond en vervloekte hem met de volgende woorden. (Vedabase)
 
Tekst 18:

'Dat aandeel van het offer aan de goden dat de halfgoden hebben tezamen met Indra, Upendra [de jongere broer van Indra] en de anderen, is er niet voor de laagste der halfgoden.'

De halfgoden hebben recht op een deel van de offerandes, maar Heer S'iva, de laagste onder de halfgoden, moet dat recht ontnomen worden. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Hoewel gevraagd door de leden van de vergadering het niet te doen, vertrok hij, Daksha, na S'iva te hebben vervloekt, vandaar huiswaarts, o Vidura, daar hij zeer kwaad geworden was.

Maitreya vervolgde: Mijn beste Vidura, ondanks het verzoek van al degenen die bijeengekomen waren voor het offer, vervloekte Daksha Heer S'iva in grote woede, en verliet daarna de bijeenkomst en keerde terug naar huis. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Begrijpend dat Heer S'iva was vervloekt, liep Nandis'vara, een van zijn volgelingen, rood aan en blind van woede vervloekte hij scherp Daksha en de brahmanen die het hadden toegestaan dat de vervloeking plaats vond.

Toen hij begreep dat Heer S'iva vervloekt was, ontstak Nandîsvara, een van Heer S'iva's belangrijkste metgezellen, in grote woede. Zijn ogen werden rood en hij maakte zich klaar om Daksha en alle aanwezige brâhmana's, die hadden toegestaan dat Daksha S'iva met snijdende woorden verwenst had, te vervloeken. (Vedabase)

 

Tekst 21:

'Moge hij die in betrekking tot de lichamelijkheid van hem hier, de niet-afgunstige Heer S'iva, er afgunst op na houdt en dus in een dualistische visie van de domheid is bezeten, zijn greep op de werkelijkheid verliezen.

Iedereen die Daksha als de belangrijkste persoon beschouwt en Heer S'iva uit afgunst genegeerd heeft, ontbreekt het aan intelligentie, en hij zal vanwege zijn dualistische visie zijn bovenzinnelijke kennis verliezen. (Vedabase)
 

Tekst 22:

Hij die zich aangetrokken voelt tot het bestaan van pretentieuze religiositeit van huishouders en volgens de voorschriften van de Veda's te werk gaat in een verlangen naar materieel geluk en vruchtdragende bezigheden, zal zijn intelligentie verloren zien gaan.

Zogenaamd religieus gezinsleven, waarbij men zich aangetrokken voelt tot materieel geluk en daarom ook tot de oppervlakkige uitleg van de Veda's, beroofd iemand van al zijn intelligentie en maakt hem gehecht aan baatzuchtige activiteiten als het allerhoogste goed. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Laat hij die met de intelligentie waarmee men het lichaam aanziet voor het zelf, de kennis van Vishnu heeft vergeten en als een dier gehecht is aan het sexleven, die uitzinnige Daksha, gauw de kop van een geit krijgen.

Daksha neemt het lichaam voor het belangrijkste wat er is. Omdat hij vishnu-pâda, vishnu-gati, vergeten is en alleen gehecht is aan seksueel genot, zal hij binnenkort het hoofd van een geit hebben. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Mogen zij die Daksha navolgen in zijn beledigingen en die in de onwetendheid van hun vruchtdragende handelingen versuft zijn geraakt in hun materialistische opvoeding en intelligentie, telkens weer hier in de oceaan van materieel lijden belanden.

Zij die zo doods als stof zijn geworden door materialistische kennis en intelligentie te ontwikkelen, wijden zich in hun onwetendheid aan baatzuchtige activiteiten. Dergelijke figuren hebben Heer S'iva met opzet beledigd. Mogen ze gevangen blijven in de kringloop van geboorte en dood. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Laten zij die zo afgunstig zijn op Heer S'iva en wiens geesten zo traag zijn geworden van de bekoorlijke, bloemrijke taal der Veda's die zo doortrokken is van de geur van honing, gehecht blijven.

Mogen degenen die afgunstig zijn op Heer S'iva, omdat ze zich laten verleiden door de bloemrijke taal van de aantrekkelijke beloften in de Veda's, en wier geest daardoor is afgestompt, voor altijd gehecht blijven aan baatzuchtige activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Laten die brahmanen, die het zochten in scholing, verzaking en geloften om er financieel op vooruit te gaan en hun fysieke zinnen te bevredigen, maar van deur tot deur als bedelaars rondzwerven, wat dan ook etend!'

Deze brâhmana's vermeerderen hun kennis, betrachten zelfdiscipline en houden zich aan geloften met als enig doel om het lichaam in stand te houden. Ze zullen geen onderscheid kunnen maken tussen wat men wel en niet moet eten. Alleen voor hun lichamelijk onderhoud zullen ze geld vergaren door langs de deuren te bedelen. (Vedabase)

 

Tekst 27:

De woorden aanhorend van deze vloek aldus tegen de klasse der tweemaal geborenen, formuleerde Bhrigu in reactie daarop een onoverkomelijke vervloeking in overeenstemming met de brahmaanse manier van afstraffen:

Toen alle kaste-brâhmana's op deze wijze door Nandîsvara waren vervloekt, antwoordde de wijze Bhrigu daarop door de volgelingen van Heer S'iva met de volgende zeer krachtige brahmaanse vloek te verdoemen. (Vedabase)

 

Tekst 28:

'Moge een ieder die er een gelofte op aflegt Heer S'iva te behagen en dergelijke principes navolgt, een atheïst worden die afdwaalt van de schriftuurlijke bepalingen.

Wie een gelofte aflegt om Heer S'iva tevreden te stellen, of volgens dergelijke beginselen leeft, zal zeker een atheïst worden en afwijken van de bovenzinnelijke aanwijzingen van de geschriften. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Laten zij, die de reinheid hebben afgezworen, dwaas hun haren lang hebben, beenderen dragen en bedekt zijn met as, zich maar overgeven aan de leiding van S'iva van wie men het spirituele heeft van het vinden van verlichting in bedwelming.

Degenen die Heer S'iva aanbidden, zijn zo dom dat ze hem nadoen door lang haar te dragen. Wie geïnitieerd is in de S'iva-verering leeft het liefst op wijn en vlees en dergelijke. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Aangezien u in waarheid de brahmanen en de trouw aan de Veda's belastert, hebt u derhalve uw toevlucht gezocht in de zwakheid van het atheïsme.

Bhrigu Muni vervolgde: Omdat je de Veda's en de brâhmana's, die de vedische beginselen naleven, belastert, is het duidelijk dat je nu al je toevlucht bij de leer van het atheïsme gezocht hebt. (Vedabase)

 

Tekst 31:

In de Veda's die voorzeker het goedgunstig pad van alle mensen zijn en welke in het verleden altijd strikt werden nageleefd, vindt men het bewijs van Janârdana [de Heer als degene die iedereen het beste wenst].

De Veda's onderwijzen de eeuwige leefregels voor een voorspoedige ontwikkeling van de menselijke beschaving, en deze zijn in het verleden strikt nageleefd. Het overduidelijke bewijs hiervan is de Allerhoogste Godspersoon, Janârdana, de welgezinde vriend van alle levende wezens. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Met het belasteren van die opperste en zuiverste geest, welke de eeuwige weg der waarachtigen is, bent u gedoemd in het atheïsme te belanden waarin u uw godheid, de Heer der materie en de dood [S'iva als Bhûtapati] heeft!'

Door de beginselen van de Veda's te belasteren, die de zuivere en meest verheven levensweg van de heiligen vertegenwoordigen, zullen jullie als volgelingen van Bhûtapati, Heer S'iva, zonder meer tot atheïsme vervallen. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Maitreya zei: 'Aldus ter sprake gekomen in de vloek van Bhrigu, ging S'iva, de Allerhoogste, lichtelijk terneergeslagen, vandaar met zijn volgelingen weg.

De wijze Maitreya zei: Het over en weer vervloeken van de volgelingen van Heer S'iva en die van Daksha en Bhrigu, maakte Heer S'iva zeer bedroefd. Zonder een woord te zeggen, verliet hij het offerperk, gevolgd door zijn discipelen. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Daarvan, o grote meester, verkeren zelfs de vaderen der wereld voor duizenden jaren in aanbidding, daar dat de manier is waarop de Hoogste Persoonlijkheid, de leider aller wijzen, behoort te worden gerespecteerd.

De wijze Maitreya vervolgde: O Vidura, zo volbrachten alle stamvaders van de bevolking van het universum een offer dat duizenden jaren duurde, want offeren is de beste manier om de Allerhoogste Heer, Hari, de Godspersoon, te aanbidden. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Hun harten zuiverend, met het daar, waar de Ganges samenkomt met de Yamunâ, nemen van hun ceremonieel afsluitend bad, gingen ze allen heen, terug naar hun eigen verblijfplaatsen.'

Mijn beste Vidura, o drager van pijl en boog, toen het offer volbracht was, namen alle halfgoden die eraan deel hadden genomen hun bad op de plaats waar de Ganges en de Yamunâ samenkomen. Zo'n bad heet avabhritha-snâna. Toen ze hun hart zo gezuiverd hadden, keerde ieder terug naar zijn eigen woonplaats. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties