
Canto
5
Hoofdstuk 4: De Eigenschappen van Rishabhadeva
(1) S'rî S'uka zei: 'Vanaf de aanvang van Zijn verschijnen onderscheidde Hij [als de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] zich in het hebben van al de eigenschappen van de Opperheer zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle macht en de grote kenmerken, daarbij dag na dag in Zijn effectiviteit toenemend in een groot verlangen te heersen over ministers, burgers, de brahmanen, de goddelijken en de gehele oppervlakte van de aarde. (2) Aldus voorzeker allerverhevendst in zowel de gestalte van zijn lichaam als in het hebben van al de kwaliteiten door de poëten beschreven, gaf de vader Hem vanwege zijn kunnen, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, de naam Rishabha, de Allerbeste. (3) Koning Indra die zeer afgunstig op Zijn grootsheid bleek te zijn stond het niet toe dat er ook maar enige regen viel op het land beneden de Himalaya's; de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die daar weet van had, glimlachte als de meester der yoga daarover en deed door de macht van Zijn spirituele zelf het water naar beneden stromen over Zijn plaats die Ajanâbha werd genoemd. (4) Door Zijn onafhankelijke wil had Hij, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon, middels Zijn begoochelend vermogen de geest verbijsterd van koning Nâbhi, die naar zijn zin zonder twijfel de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, en dat deed hem, overweldigd door een overmaat aan een groot enthousiasme, door zijn extase met een haperende stem in zijn grote genegenheid dingen zeggen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling', met het in zijn opvoeden bereiken van een bovenzinnelijke verrukking. (5) Wel bekend met de populariteit van Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat, zette koning Nâbhi, in zijn verlangen de burgerij strikt volgens de principes te beschermen, zijn zoon op de troon, hem toevertrouwend aan de brahmanen. Met Merudevî volbracht hij in Badarikâs'rama met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen, volledig opgegaan in de yoga met de aanbidding van Nara-Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, waarmee hij in de loop van de tijd Zijn zegerijke verblijf bereikte.
(6) O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke mens die het voorbeeld van de zedige koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon te krijgen?' en (7) 'Is er behalve Nâbhi ook maar één toegewijde van de brahmanen die in eerbetoon hen tevredenstellend in het offerperk, bij de genade van hun toegewijde dienst de opwachting werd vergund van de Allerhoogste Genieter van alle offers?'.
(8) De Allerhoogste Heer Rishabha vormde toen, met het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein, een voorbeeld door te verblijven bij de geestelijk leraar, schenkingen te doen bij het afronden van Zijn studie en, zoals dat door de goeroe werd verlangd, de plichten van een huishouder op zich te nemen. Aldus, getrouwd met Jayantî die Hem door Indra was geschonken, gaf Hij door het voorbeeld te geven onderricht in het verrichten van de twee vormen van arbeid zoals vermeld in de geschriften [het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht], daarbij een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] verwekkend die precies als Hij waren. (9) Van hen was daadwerkelijk de oudste, Bharata, een grote beoefenaar van de yoga; hij had de beste kwaliteiten en het was door hem dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemden. (10) Na hem volgden Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha die de oudere zoons waren van de negenennegentig anderen. (11-12) Van de laatstgenoemden waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden; van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijk verslag doen in het bespreken van de conversatie tussen Vâsudeva en Nârada die de geest de volste bevrediging schenkt. (13) De eenentachtig jongere zoons van Jayantî waren, in navolging van wat hun vader had opgedragen, van een goede ontwikkeling met een uitstekende beheersing van de heilige schrift en een grote vaardigheid in het brengen van offers; zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.
(14) De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijk Heerser vol van bovenzinnelijke verrukking die persoonlijk altijd vrij van alle ondeugd was; door strikt in overeenstemming met de tradities te werk te gaan, bracht Hij, met het onderricht aan de onwetenden van wie in de loop van de tijd enkel het tegenovergestelde in het verwaarlozen van de religie wordt gevonden, gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, het tot het instellen van het eeuwige van de rechtgeaardheid en de economie, zodat zij een goede naam konden genieten, nageslacht konden verwekken en genoegen konden ondervinden in het huishoudelijk bestaan [vergelijk B.G. 4: 13]. (15) Wat ook gedaan door leidende persoonlijkheden wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21]. (16) Hoewel Hij weet had van de strekking van de verschillende vedische plichten op het pad van de brahmanen, regeerde Hij [als een kshatriya] over de mensen middels gecontroleerde zinnen, een beheerste geest en tolerantie. (17) Tezamen met het nodige in overeenstemming met de plaats en de tijd verzekerde Hij, geholpen door de goede [jeugdige] leeftijd en de geloofsijver van de priesters die de verschillende goden voor verschillende doeleinden aanbaden, zoals is voorgeschreven, Zich een honderdtal keren van allerlei soorten van ceremoniële offerdiensten. (18) Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enige behoefte om wat dan ook, waneer dan ook, voor zichzelf te hebben of van een ander te bezittien, net zo min als men zich ook niets voorstelt van wat niet bestaat; men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote genegenheid jegens degene die de last torste. (19) Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta bereikte [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten N. W. van Hastinâpura] zei Hij, in het bijzijn van de burgers in een bijeenkomst van de besten der brahmanen, het volgende tegen zijn oplettende en welgemanierde zoons, tot hen predikend ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.
Tweede editie, geladen 31 december, 2006.
![]()
Bronteksten:
Rishabhadeva, de Allerhoogste Godspersoon
S'rî S'uka zei: 'Vanaf de aanvang van Zijn verschijnen onderscheidde Hij [als de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] zich in het hebben van al de eigenschappen van de Opperheer zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle macht en de grote kenmerken, daarbij dag na dag in Zijn effectiviteit toenemend in een groot verlangen te heersen over ministers, burgers, de brahmanen, de goddelijken en de gehele oppervlakte van de aarde.S'ukadeva Gosvâmî zei: Vanaf het moment dat de Heer als zoon van Mahârâja Nâbhi verscheen, vertoonde Hij de kenmerken van de Allerhoogste Godspersoon, zoals de symbolen op Zijn voetzolen [de vlag, de bliksemschicht enzovoort]. Hij was iedereen even welgezind en zeer vredig van aard. Hij was meester over Zijn geest en zinnen, en aangezien Hij alle volheden bezat, hunkerde Hij niet naar materieel genot. Door al deze eigenschappen werd de zoon van Mahârâja Nâbhi met de dag machtiger. Daarom waren de burgers, de geleerde brâhmana's, de halfgoden en de ministers het er allemaal over eens dat Rishabhadeva als heerser van de aarde aangesteld moest worden. (Vedabase)
Aldus voorzeker allerverhevendst in zowel de gestalte van zijn lichaam als in het hebben van al de kwaliteiten door de poëten beschreven, gaf de vader Hem vanwege zijn kunnen, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, de naam Rishabha, de Allerbeste.
Toen de zoon van Mahârâja Nâbhi verscheen, gaf Hij blijk van alle goede eigenschappen waar de grote dichters over schrijven; Hij had een goedgebouwd lichaam dat alle kenmerken van God vertoonde, en Hij was moedig, sterk, knap, beroemd, invloedrijk en enthousiast. Toen Zijn vader, Mahârâja Nâbhi, al deze eigenschappen zag, dacht hij dat zijn zoon de beste van alle mensen of het allerhoogste levend wezen was en gaf Hem daarom de naam Rishabha. (Vedabase)
Koning Indra die zeer afgunstig op Zijn grootsheid bleek te zijn stond het niet toe dat er ook maar enige regen viel op het land beneden de Himalaya's; de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die daar weet van had, glimlachte als de meester der yoga daarover en deed door de macht van Zijn spirituele zelf het water naar beneden stromen over Zijn plaats die Ajanâbha werd genoemd.
Omdat Indra, de hemelkoning, die materieel gesproken heel rijk is, afgunstig was op koning Rishabhadeva liet hij het niet meer regenen op de planeet Bhârata-varsha. De Allerhoogste Heer, Rishabhadeva, die de meester van alle mystieke kracht was, begreep koning Indra's bedoeling en glimlachte. Daarna liet Hij het op eigen kracht - met behulp van yogamâyâ [Zijn innerlijke vermogen] - overvloedig regenen in Zijn eigen rijk, dat bekendstond als Ajanâbha. (Vedabase)
Door Zijn onafhankelijke wil had Hij, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon, middels Zijn begoochelend vermogen de geest verbijsterd van koning Nâbhi, die naar zijn zin zonder twijfel de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, en dat deed hem, overweldigd door een overmaat aan een groot enthousiasme, door zijn extase met een haperende stem in zijn grote genegenheid dingen zeggen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling', met het in zijn opvoeden bereiken van een bovenzinnelijke verrukking.
Omdat koning Nâbhi een volmaakte zoon gekregen had, zoals hij gewenst had, werd hij voortdurend overspoeld door een gevoel van transcendentale gelukzaligheid en behandelde hij zijn zoon met zeer veel genegenheid. In extase noemde hij Hem met haperende stem "mijn lieve zoon" en "mijn lieveling". Hij dacht zo onder invloed van yogamâyâ, die het mogelijk maakte dat hij de Allerhoogste Heer, de allerhoogste vader, als zijn eigen zoon beschouwde. Uit Zijn onmetelijke goedgunstigheid was de Heer zijn zoon geworden, en ging Hij met iedereen om alsof Hij een gewoon mens was. Zo begon koning Nâbhi, overweldigd door geestelijke gelukzaligheid, vreugde en toewijding, zijn transcendentale zoon met zeer veel genegenheid op te voeden. (Vedabase)
Wel bekend met de populariteit van Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat, zette koning Nâbhi, in zijn verlangen de burgerij strikt volgens de principes te beschermen, zijn zoon op de troon, hem toevertrouwend aan de brahmanen. Met Merudevî volbracht hij in Badarikâs'rama met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen, volledig opgegaan in de yoga met de aanbidding van Nara-Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, waarmee hij in de loop van de tijd Zijn zegerijke verblijf bereikte.
Omdat koning Nâbhi zag dat zijn zoon Rishabhadeva heel geliefd was bij de burgers, de regeringsleden en de ministers, kroonde hij Hem tot keizer van de wereld opdat Hij de bevolking zou beschermen volgens het vedische religieuze stelsel. Voor dit doel vertrouwde hij Hem aan geleerde brâhmana's toe, die Hem leiding zouden geven bij het regeren. Daarna gingen Mahârâja Nâbhi en zijn vrouw Merudevî naar Badarikâs'rama in de Himalaya's waar de koning zich vol vreugde aan een leven van volmaakte ascese en boetedoening wijdde. Diep in samâdhi vereerde hij de Allerhoogste Godspersoon, Nara-Nârâyana, een volkomen expansie van Krishna. Als resultaat hiervan werd hij na verloop van tijd bevorderd naar de geestelijke wereld Vaikunthha. (Vedabase)
O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke mens die het voorbeeld van de zedige koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon te krijgen?' en
O Mahârâja Parîkshit, de oude wijzen hebben twee verzen geschreven ter verheerlijking van Mahârâja Nâbhi. Het eerste daarvan luidt: "Wie kan zo volmaakt worden als Mahârâja Nâbhi? Wie kan hem nadoen? Door zijn toegewijde dienst stemde de Allerhoogste Godspersoon ermee in om zijn zoon te worden.". (Vedabase)
'Is er behalve Nâbhi ook maar één toegewijde van de brahmanen die in eerbetoon hen tevredenstellend in het offerperk, bij de genade van hun toegewijde dienst de opwachting werd vergund van de Allerhoogste Genieter van alle offers?'.
[Het tweede gebed luidde:] "Wie is er beter in het vereren van de gekwalificeerde brâhmana's dan Mahârâja Nâbhi? Volkomen voldaan lieten ze hem door middel van hun brahmaanse kracht rechtstreeks Nârâyana, de Allerhoogste Godspersoon, zien.". (Vedabase)
De Allerhoogste Heer Rishabha vormde toen, met het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein, een voorbeeld door te verblijven bij de geestelijk leraar, schenkingen te doen bij het afronden van Zijn studie en, zoals dat door de goeroe werd verlangd, de plichten van een huishouder op zich te nemen. Aldus, getrouwd met Jayantî die Hem door Indra was geschonken, gaf Hij door het voorbeeld te geven onderricht in het verrichten van de twee vormen van arbeid zoals vermeld in de geschriften [het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht], daarbij een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] verwekkend die precies als Hij waren.
Nadat Mahârâja Nâbhi naar Badarikâs'rama vertrokken was, begreep de Allerhoogste Heer, Rishabhadeva, dat het koninkrijk voortaan Zijn veld van activiteiten zou zijn. Daarom gaf Hij het goede voorbeeld, en leerde Hij Zijn volk wat de plichten van een gezinshoofd zijn, door allereerst als brahmacârî de leiding van geestelijke leraren te aanvaarden. Hij ging zelfs bij Zijn leraren wonen, in de gurukula. Nadat Hij Zijn opleiding voltooid had, gaf Hij Zijn geestelijke leraren geschenken. (guru-dakshinâ) en begon Zijn leven als grihastha. Hij trouwde met een meisje genaamd Jayantî, Hem ten huwelijk gegeven door de hemelkoning Indra, en schonk haar honderd zonen, die in macht en goede eigenschappen niet voor Hem onderdeden. Rishabhadeva en Jayantî leidden een voorbeeldig gezinsleven door alle in de s'ruti- en smriti-s'âstra's voorgeschreven riten uit te voeren. (Vedabase)
Van hen was daadwerkelijk de oudste, Bharata, een grote beoefenaar van de yoga; hij had de beste kwaliteiten en het was door hem dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemden.
Van Rishabhadeva's honderd zonen, was de oudste - Bharata - een zeer groot toegewijde, begiftigd met de beste eigenschappen. Ter ere van hem staat deze planeet nog steeds bekend als Bhârata-varsha. (Vedabase)
Na hem volgden Kus'âvartha, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha die de oudere zoons waren van de negenennegentig anderen.
Na Bharata kwamen er nog negenennegentig andere zonen. De negen oudsten heetten Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha. (Vedabase)
Van de laatstgenoemden waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden; van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijk verslag doen in het bespreken van de conversatie tussen Vâsudeva en Nârada die de geest de volste bevrediging schenkt.
Behalve deze zonen waren er nog Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana - allen zeer verheven, gevorderde toegewijden en erkende predikers van het S'rîmad-Bhâgavatam. Deze toegewijden werden geloofd om hun onwankelbare devotie voor Vâsudeva, de Allerhoogste Godspersoon. Om uw geest volkomen tevreden te stellen, zal ik [S'ukadeva Gosvâmî] later de eigenschappen van deze negen toegewijden beschrijven, wanneer ik het gesprek tussen Vâsudeva en Nârada bespreek. (Vedabase)
De eenentachtig jongere zoons van Jayantî waren, in navolging van wat hun vader had opgedragen, van een goede ontwikkeling met een uitstekende beheersing van de heilige schrift en een grote vaardigheid in het brengen van offers; zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.
Behalve de bovengenoemde negentien, kregen Rishabhadeva en Jayantî nog eenentachtig andere zonen. Omdat deze zonen de instructies van hun vader opvolgden, werden ze zeer beschaafd en welgemanierd, zuiver in hun activiteiten, en zeer bekwaam op het gebied van vedische kennis en het uitvoeren van vedische riten. Op die manier werden ze allemaal volmaakt gekwalificeerde brâhmana's. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijk Heerser vol van bovenzinnelijke verrukking die persoonlijk altijd vrij van alle ondeugd was; door strikt in overeenstemming met de tradities te werk te gaan, bracht Hij, met het onderricht aan de onwetenden van wie in de loop van de tijd enkel het tegenovergestelde in het verwaarlozen van de religie wordt gevonden, gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, het tot het instellen van het eeuwige van de rechtgeaardheid en de economie, zodat zij een goede naam konden genieten, nageslacht konden verwekken en genoegen konden ondervinden in het huishoudelijk bestaan [vergelijk B.G. 4: 13].
Als incarnatie van de Allerhoogste Godspersoon was Heer Rishabhadeva volkomen onafhankelijk, want Zijn lichaam was geestelijk, eeuwig en vol transcendentale gelukzaligheid. Hij was eeuwig vrij van de vier principes der materiële ellende [geboorte, dood, ouderdom en ziekte], en kende bovendien geen materiële gehechtheid. Hij gedroeg Zich altijd evenwichtig en zag iedereen op hetzelfde niveau. Hij voelde Zich ongelukkig als anderen ongelukkig waren, en wenste alle levende wezens het beste toe. Hoewel Hij volmaakt was en de Allerhoogste Heer en meester van iedereen, gedroeg Hij Zich niettemin alsof Hij een gewone geconditioneerde ziel was. Daarom hield Hij Zich strikt aan de principes van het varnâs'rama-dharma. Omdat de mensen in de loop der tijd en beginselen van het varnâs'rama-dharma verwaarloosd hadden, leerde Hij de in onwetendheid verkerende bevolking door Zijn persoonlijke eigenschappen en Zijn gedrag hoe ze hun plicht binnen het varnâs'rama-dharma-stelsel moesten vervullen. Op die manier zorgde Hij ervoor dat Zijn onderdanen de regels voor het gezinsleven volgden, zodat ze als religieuze mensen leerden leven en in staat waren om hun materiële situatie te verbeteren, een goede reputatie op te bouwen, zonen en dochters te krijgen, materieel geluk en tenslotte het eeuwige leven te bereiken. Door Zijn instructies liet Hij zien hoe men een grihastha kan blijven en tegelijkertijd tot volmaaktheid kan komen door de beginselen van het varnâs'rama-dharma te volgen. (Vedabase)
Wat ook gedaan door leidende persoonlijkheden wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21].
Hoe een groot man ook handelt, de gewonen mensen volgen altijd zijn voorbeeld. (Vedabase)
Hoewel Hij weet had van de strekking van de verschillende vedische plichten op het pad van de brahmanen, regeerde Hij [als een kshatriya] over de mensen middels gecontroleerde zinnen, een beheerste geest en tolerantie.
Hoewel Heer Rishabhadeva alles af wist van de vertrouwelijke vedische kennis, en zodoende eveneens op de hoogte was van alle informatie betreffende de verschillende beroepen, bleef Hij niettemin een kshatriya, en volgde Hij de aanwijzingen van de brâhmana's op met betrekking tot het beheersen van de geest en de zinnen, het beoefenen van verdraagzaamheid enzovoort. Zo regeerde Hij het volk dus volgens het varnâs'rama-dharma-stelsel, dat voorschrijft dat de brâhmana's advies moeten geven aan de kshatriya's, en dat de kshatriya's het land dienen te regeren via de vais'ya's en de s'ûdra's. (Vedabase)Tekst 17:
Tezamen met het nodige in overeenstemming met de plaats en de tijd verzekerde Hij, geholpen door de goede [jeugdige] leeftijd en de geloofsijver van de priesters die de verschillende goden voor verschillende doeleinden aanbaden, zoals is voorgeschreven, Zich een honderdtal keren van allerlei soorten van ceremoniële offerdiensten.
Heer Rishabhadeva bracht alle soorten offers honderdmaal op de manier die de Veda's voorschrijven, en stelde Heer Vishnu daardoor in alle opzichten tevreden. Alle riten werden rijkelijk uitgevoerd met de beste artikelen, op een heilige plaats, tijdens een gunstig moment en door priesters die allen jong en gelovig waren. Nadat Heer Vishnu op die manier vereerd was werd de prasâda uitgedeeld aan alle halfgoden, waardoor de ceremonies en festivals altijd met succes bekroond werden. (Vedabase)
Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enige behoefte om wat dan ook, waneer dan ook, voor zichzelf te hebben of van een ander te bezittien, net zo min als men zich ook niets voorstelt van wat niet bestaat; men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote genegenheid jegens degene die de last torste.
Niemand begeert een luchtspiegeling of een fantasma zoals een bloem in de lucht, omdat iedereen heel goed weet dat zulke dingen niet bestaan. Toen Heer Rishabhadeva deze planeet, Bhârata-varsha, regeerde, vroegen zelfs de gewone mensen nooit en te nimmer om wat dan ook. Niemand vraagt ooit om iets illusoirs; met andere woorden, iedereen was volkomen tevreden en daarom had niemand iets te vragen. De bevolking koesterde grote genegenheid voor de koning, en aangezien deze genegenheid voortdurend toenam, had niemand de behoefte om iets te vragen. (Vedabase)
Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta bereikte [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten N.W. van Hastinâpura] zei Hij, in het bijzijn van de burgers in een bijeenkomst van de besten der brahmanen, het volgende tegen zijn oplettende en welgemanierde zoons, tot hen predikend ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.
Toen Heer Rishabhadeva, de Allerhoogste Godspersoon, eens een wereldreis maakte, kwam Hij aan bij de plaats die bekendstaat als Brahmâvarta. Daar vond een grote bijeenkomst van geleerde brâhmana's plaats, en alle zonen van de koning luisterden zeer aandachtig naar hun onderricht. Op die bijeenkomst instrueerde Rishabhadeva Zijn zonen in het bijzijn van alle burgers, ook al waren ze reeds zeer beschaafd, toegewijd en bekwaam. Hij onderwees hen zodanig, dat ze in de toekomst de wereld perfect zouden kunnen regeren. Daarom sprak Hij als volgt. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Locana
dasa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd