regelbalk


 

Canto 6

S'rî S'rî Gurv-ashthaka

 

Hoofdstuk 5: Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha

(1) S'rî S'uka zei: 'Er toe aangezet door Heer Vishnu Zijn uitwendig vermogen [mâyâ] verwekte hij [Daksha] in zijn vrouw genaamd Pâñcajanî [Asiknî] een groot aantal hoogst machtige zoons die de Haryas'va's werden genoemd. (2) Met hen allen van een soortgelijk karakter en manier van doen, begaven de zonen van Daksha, o Koning, zich in de richting van het westen, gehoorzamend aan de opdracht van hun vader te zorgen voor nageslacht. (3) Het water aldaar genaamd Nârâyana-saras, is een zeer grote heilige plaats waar de Sindhu [de huidige Indus] de oceaan instroomt; hij wordt bezocht door de wijzen en de volmaakten. (4-5) Hoewel het in aanraking verkeren met dat water afdoende was om hen volledig te zuiveren van hun fixaties op het onware, voelden zij zich innerlijk hoogst aangetrokken tot de praktijken van de verheven zielen en volbrachten zij met overtuiging de zwaarste boetedoeningen. Toen ze er klaar voor waren voor het doel bij te dragen tot de groei van de bevolking zoals hun vader hen dat had opgedragen, werden ze bezocht door devarishi [Nârada]. (6-8) Hij sprak tot hen als volgt: 'O Haryas'va's, hoewel jullie de prinsen zijn die het voor het zeggen hebben, schieten jullie, helaas, tekort in ervaring; als jullie tezamen niet gezien hebben wat de uitwassen zijn van deze aarde, hoe kan je dan ten dienste van de waarheid nageslacht verwekken? Bezie het als met een man wiens koninkrijk bestaat uit een gat in de grond vanwaaruit geen ontsnappen mogelijk is. Aan zijn zijde is er een vrouw die zich in allerlei bochten wringt, met enkel de bedoeling om haar eigen man in een slaaf van de liefde te veranderen waarvoor hij moet betalen. Er is daar een rivier die twee kanten op stroomt bij een prachtig huis van vijfentwintig materialen waar een zwaan mooie verhalen vertelt terwijl er een messcherpe schijf aan het ronddraaien is. (9) Hoe kunnen jullie, hier niet van op de hoogte, de orders opvolgen van jullie vader die er alles van weet, en niettemin van plan zijn een hele wereld naar je hand te zetten?'

(10) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Haryas'va's die raadselachtige woorden van de Devarshi hadden gehoord, namen ze hen in overweging met de volle inzet van hun intelligentie en ontwaakte hun onderscheidingsvermogen. (11) De aarde was het veld van handelen, de bestemming van het levend wezen welke, sedert mensenheugenis bestaand, de oorzaak is van zijn gebondenheid; wat zou tijdgebonden arbeid nu voor nut hebben als men niet haar eindigheid inziet? (12) Met inderdaad één enkele heerser, één Allerhoogste Heer aanwezig die niet kan worden waargenomen, die niet geschapen is en die onafhankelijk, als Zijn eigen toevlucht in het voorbije er als de vierde dimensie is, waartoe leidt dan de hang naar baatzuchtig handelen? (13) Als inderdaad onwetend alhier [in het gat] iemand vertrokken is naar de lagere regionen zonder een kans op terugkeer naar de spirituele verblijfplaats vanwaar men ook niet terugkeert, wat kan dan het nut van het tijdelijke van vruchtdragende activiteiten zijn [vergelijk B.G. 9.4 en 8.15]? (14) De verschillende dingen die het levend wezen met zijn intelligentie probeert, bezeten zijnd van de hartstocht enzovoorts, doen hem lijken op iemand die van de betaalde liefde leeft; wat heeft het voor zin zich in te spannen voor resultaten, als men daar het einde niet van ziet in deze wereld? (15) In die context onderworpen aan de materiële gang van zaken verliest men zijn status als een zelfstandige autoriteit en beweegt de intelligentie zich precies zoals een seksverslaafde persoon verstoken van inzicht zich beweegt; wat heeft in deze wereld al die liefde voor het gebonden zijn aan je karma voor nut? (16) Het illusoire van de materie geeft aanleiding tot schepping en vernietiging, hetgeen een rivier is die [zo dus twee kanten opstroomt en] voor de verzotte geest [te] snel stroomt aan zijn oevers [om eruit te komen]; als men daar geen weet van heeft, wat voor nut heeft het dan te werken voor een tijdelijk voordeel? (17) Als men in dit bestaan niet op de hoogte is van de vijfentwintig manieren [de elementen zie: 3.26: 11-15] om tegen de werkelijkheid van de oorspronkelijke persoon aan te kijken, de wonderlijke spiegel voor de individuele persoonlijkheid, welk voordeel behaalt men dan met het valse van het zich bekommeren om materieel gewin? (18) Als men [gelijk een zwaan] niet in staat is onderscheid te maken wat betreft de toevlucht, als men het wat betreft de Heer heeft opgegeven met Zijn geschriften [de s'âstra's] die informeren over de wegen der gebondenheid en bevrijding, wat is dan de zin van de worsteling in gehechtheid aan tijdelijke resultaten? (19) Het o zo scherpgerande, ronddraaiende rad van de tijd bestiert de hele wereld naar eigen maat en orde; wat voor nut heeft het te ondernemen in winstverlangen als men hier in deze wereld er niet van op de hoogte is [van deze orde van de tijd]? (20) Hoe kan men verstrikt in de geaardheden [zie B.G. 18: 19-29] ook maar iets op touw zetten, als men niet de aanwijzingen van de geschriften van de Vader begrijpt om volgens het boek te leven dat uitlegt hoe men een punt moet zetten achter de materiële manier van leven?'

(21) Aldus overtuigd, o Koning, deelden de Haryas'va's allen dezelfde mening; hem [Nârada] omlopend vertrokken ze om het pad te betreden waarvan men niet weer terugkeert [zie ook B.G. 8: 16]. (22) Terwijl hij in spirituele klanken de Heer der Zinnen in gedachten hield en zo, innerlijk onverdeeld, het bewustzijn betrok op de lotusvoeten, bereisde de muni al de werelden [zie de bhajan Nârada Muni]. (23) Van Nârada vernemend over het verlies van zijn zoons die qua gedrag tot de besten der besten behoorden, had hij, Daksha, vol weeklagen te lijden; te zien wat er van zijn fijne zoons terecht was gekomen raakte hem diep. (24) Tot vrede gebracht door de Ongeborene verwekte hij wederom in Pâñcajanî een duizendtal zoons die de Savalâs'va's werden genoemd. (25) Zij op hun beurt gingen, door hun vader opgedragen het universum te bevolken, terwille van hun geloften naar de volmaakten aan de Nârâyana-saras, de plaats waar hun oudere broers voorheen ook naar toe waren vertrokken. (26) Daar regelmatig badend, japa doend en mantra's reciterend voor de Transcendentie, volbrachten ze grote boetedoeningen welke hen inderdaad zuiverden van alle vuil dat in hen was. (27-28) Maandenlang enkel water drinkend en lucht etend gingen ze te werk met deze mantra om de Meester aller Mantra's te aanbidden: 'Onze eerbetuigingen aan Heer Nârâyana, de Grote Ziel die eeuwig verwijlt in het zuiverste der goedheid, de grote zwaangelijke persoonlijkheid waarop wij mediteren.' [om namo nârâyanâya purushâya mahâtmane vis'uddha-sattva-dhishnyâya mahâ-hamsâya dhîmahi']. (29) Zij, erop mediterend het universum te bevolken, werden evenzo benaderd, o Koning, door de wijze Nârada, die net als toen sprak in woorden die diep gingen: (30) 'O zoons van Daksha, luister alstublieft aandachtig naar mijn aanwijzingen. Volgt allen het pad van uw broers waar u zo veel om geeft. (31) Een broeder trouw aan het pad van een oudere broeder bekend met het dharma [zie 6.1], is een vroom iemand die mag genieten met de Maruts [de windgoden].'

(32) Na zoveel gezegd te hebben vertrok Nârada met zijn algunstige visie vandaar, en zo kwamen ze ertoe het pad van hun broers vóór hen te volgen, mijn waarde vriend. (33) Op de juiste manier naar binnen gekeerd zich toen zo op het bovenzinnelijk pad begevend zijn ze, net als de nachten die afscheid namen in het westen, tot op de dag van vandaag er niet van teruggekeerd. (34) Op datzelfde ogenblik nam de Prajâpati vele ongunstige tekenen waar en vernam hij hoe, als voorheen, door Nârada er van zijn zoons weer niets terecht was gekomen. (35) Hij, overweldigd in zijn treurnis over zijn kinderen, werd zeer kwaad op Nârada en richtte zich, toen hij de devarishi ontmoette, woedend tot hem met trillende lippen. (36) S'rî Daksha zei: 'Jij valse prediker uitgedost als een heilige! Wat voor een dwaalleer houdt u ons nu voor; arme jongens die tekortschieten in ervaring hebt u het pad van bedelaars gewezen! (37) Met hen in het geheel niet vrij van de drie schulden [aan de heiligen, de goden en de vader middels celibaat, ceremoniën en nageslacht], heb je, met minachting voor hun werklast, hen de weg geblokkeerd van het goede geluk in zowel de hemel als op aarde, jij zondaar! (38) Op die manier heb je harteloos het verstand van die jongens bedorven, en heb jij, die rondreist in het gezelschap van de Heer, Hem te schande gemaakt, jij dilettant! (39) Besef goed dat de besten van de Heer altijd vol van ijver zijn om de gevallenen te zegenen, maar niet jij, jij hebt werkelijk de band verbroken en tweedracht gezaaid onder mensen die van harmonie zijn [vergelijk B.G.: 18: 68-69]. (40) In de waan van jouw prediking denk je dat de verzaking wordt bereikt door de banden der genegenheid te verbreken, maar zo werkt verzaking niet bij mensen. (41) Als men niet de moeilijke tijd heeft ervaren die volgt op het plezier ontwikkelt zich bij een persoon niet de kennis; op het laatst ziet men er vanzelf vanaf, en niet vanwege een hersenspoeling door anderen. (42) Met vrouw en kinders nemen zij die eerlijk zijn de last der vedische verplichtingen op zich; het onverdraaglijke onrecht dat u ons hebt aangedaan kan ik [éénmaal] vergeven. (43) Maar, jij intrigant, voor het kwaad dat je voor de tweede keer hebt aangericht mag er, derhalve, o zotheid, nergens in de wereld een plek voor je zijn in je omzwervingen.'

(44) S'rî S'uka zei: 'Nârada Muni, zoals het een volleerd heilige past [zie ook 3.25: 21-27 en B.G. 12: 13-20], zei, het allemaal verdragend, enkel: 'Geaccepteerd, laat het zo zijn', hoewel hij zelf de man was met de touwtjes in handen.'  

  

next                      

 
Tweede editie, geladen 13 april 2007.

 

 

Bronteksten:

Prajâpati Daksha vervloekt Nârada Muni

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Er toe aangezet door Heer Vishnu Zijn uitwendig vermogen [mâyâ] verwekte hij [Daksha] in zijn vrouw genaamd Pâñcajanî [Asiknî] een groot aantal hoogst machtige zoons die de Haryas'va's werden genoemd.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Gedreven door de begoochelende energie van Heer Vishnu verwekte Prajâpati Daksha tienduizend zonen bij Pâñcajanî [Asiknî]. Deze zonen werden de Haryas'va's genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 2 :

Met hen allen van een soortgelijk karakter en manier van doen, begaven de zonen van Daksha, o Koning, zich in de richting van het westen, gehoorzamend aan de opdracht van hun vader te zorgen voor nageslacht.

O koning, alle zonen van Prajâpati Daksha waren even vriendelijk en zeer gehoorzaam aan hun vader. Toen hun vader hun opdroeg kinderen te verwekken, begaven ze zich in westelijke richting. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Het water aldaar genaamd Nârâyana-saras, is een zeer grote heilige plaats waar de Sindhu [de huidige Indus] de oceaan instroomt; hij wordt bezocht door de wijzen en de volmaakten.

In het westen, waar de Sindhu in de oceaan uitmondt, ligt een pelgrimsoord genaamd Nârâyana-saras, waar vele wijzen en andere geestelijk gevorderde personen wonen. (Vedabase)

 

Tekst 4-5:

Hoewel het in aanraking verkeren met dat water afdoende was om hen volledig te zuiveren van hun fixaties op het onware, voelden zij zich innerlijk hoogst aangetrokken tot de praktijken van de verheven zielen en volbrachten zij met overtuiging de zwaarste boetedoeningen. Toen ze er klaar voor waren voor het doel bij te dragen tot de groei van de bevolking zoals hun vader hen dat had opgedragen, werden ze bezocht door devarishi [Nârada].

In die heilige plaats begonnen de Haryas'va's het water van het meer regelmatig aan te raken en erin te baden. Doordat ze langzamerhand zeer zuiver werden, raakten ze steeds meer aangetrokken tot de activiteiten van paramahamsa's. Maar aangezien hun vader ze had opgedragen om de bevolking uit te breiden, gingen ze verder met het beoefenen van strenge ascese om aan zijn wens tegemoet te komen. Op een dag werden ze echter benaderd door de wijze Nârada die gezien had dat de jongens zulke lofwaardige ascese ondergingen om de bevolking uit te breiden. (Vedabase)

 

Tekst 6-8:

Hij sprak tot hen als volgt: 'O Haryas'va's, hoewel jullie de prinsen zijn die het voor het zeggen hebben, schieten jullie, helaas, tekort in ervaring; als jullie tezamen niet gezien hebben wat de uitwassen zijn van deze aarde, hoe kan je dan ten dienste van de waarheid nageslacht verwekken? Bezie het als met een man wiens koninkrijk bestaat uit een gat in de grond vanwaaruit geen ontsnappen mogelijk is. Aan zijn zijde is er een vrouw die zich in allerlei bochten wringt, met enkel de bedoeling om haar eigen man in een slaaf van de liefde te veranderen waarvoor hij moet betalen. Er is daar een rivier die twee kanten op stroomt bij een prachtig huis van vijfentwintig materialen waar een zwaan mooie verhalen vertelt terwijl er een messcherpe schijf aan het ronddraaien is.

De grote wijze Nârada zei: O Haryas'va's, jullie hebben de uiterste grenzen van de wereld nog niet gezien. Er bestaat een koninkrijk dat slechts door één man bewoond wordt, en waar een gat is waar niemand die erin is binnengegaan, ooit weer uitkomt. Daar is een uiterst onkuise vrouw, die zich in allerlei aantrekkelijke kleren hult, en die man daar is haar echtgenoot. In dat koninkrijk vindt men een rivier die beide kanten opstroomt, een prachtig huis gemaakt van vijfentwintig elementen, een zwaan die verschillende geluiden voortbrengt, en een uit zichzelf ronddraaiend object, bestaande uit vlijmscherpe scheermessen en bliksemschichten. Omdat jullie dit alles niet gezien hebben, zijn jullie onervaren jongens zonder veel kennis. Hoe willen jullie zo kinderen verwekken? (Vedabase)

 

Tekst 9:

Hoe kunnen jullie, hier niet van op de hoogte, de orders opvolgen van jullie vader die er alles van weet, en niettemin van plan zijn een hele wereld naar je hand te zetten?'

Helaas, jullie vader is alwetend, maar jullie weten niet wat zijn ware opdracht is. Hoe kunnen jullie je voortplanten zonder dat je het ware doel van je vader kent? (Vedabase)

   

Tekst 10:

S'rî S'uka zei: 'Nadat de Haryas'va's die raadselachtige woorden van de Devarshi hadden gehoord, namen ze hen in overweging met de volle inzet van hun intelligentie en ontwaakte hun onderscheidingsvermogen.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat de Haryas'va's deze raadselachtige woorden van Nârada Muni hadden gehoord, dachten ze erover na met de intelligentie die ze van nature bezaten, zonder hulp van anderen. (Vedabase)

 

Tekst 11:

De aarde was het veld van handelen, de bestemming van het levend wezen welke, sedert mensenheugenis bestaand, de oorzaak is van zijn gebondenheid; wat zou tijdgebonden arbeid nu voor nut hebben als men niet haar eindigheid inziet?

[De Haryas'va's begrepen Nârada's woorden als volgt:] Het woord "bhûh" ["de aarde"] heeft betrekking op het veld der activiteiten. Het materiële lichaam, dat het resultaat is van de daden van het levend wezen, is zijn veld van activiteit en bezorgt hem valse benamingen. Deze verschillende materiële lichamen, die de wortels zijn waarmee hij gebonden is aan de materiële lichamen, die de wortels zijn waarmee hij gebonden is aan de materiële wereld, heeft hij al sinds onheuglijke tijden. Wat voor zin heeft het om zich domweg bezig te houden met tijdelijke baatzuchtige activiteiten, zonder de beëindiging van deze gebondenheid voor ogen te hebben? (Vedabase)

 

Tekst 12:

Met inderdaad één enkele heerser, één Allerhoogste Heer aanwezig die niet kan worden waargenomen, die niet geschapen is en die onafhankelijk, als Zijn eigen toevlucht in het voorbije er als de vierde dimensie is, waartoe leidt dan de hang naar baatzuchtig handelen?

[Nârada Muni had over een koninkrijk gesproken waar maar één man woont, en de Haryas'va's begrepen wat de strekking hiervan was.] Alles bestaat slechts voor het plezier van één persoon, de Allerhoogste Godspersoon, die alles overal waarneemt. Hij is vervuld van zes volheden, en volkomen onafhankelijk van wie dan ook. Hij is nooit onderhevig aan de drie geaardheden der materiële natuur, aangezien Hij altijd transcendentaal is aan deze materiële schepping. Wat voor baat heeft de mens erbij om net als honden en katten dag en nacht alleen maar hard te werken voor tijdelijk geluk, als hij ondanks alle vorderingen die hij op het gebied van kennis heeft gemaakt en al zijn materiële vooruitgang er niet toe komt om Hem, de Allerhoogste, te begrijpen? (Vedabase)

 

Tekst 13:

Als inderdaad onwetend alhier [in het gat] iemand vertrokken is naar de lagere regionen zonder een kans op terugkeer naar de spirituele verblijfplaats vanwaar men ook niet terugkeert, wat kan dan het nut van het tijdelijke van vruchtdragende activiteiten zijn [vergelijk B.G. 9.4 en 8.15]?

[Nârada Muni had gesproken over een bila, een gat, waar men nooit meer uitkomt als men er eenmaal binnen is gegaan. De Haryas'va's begrepen ook wat er met deze allegorie bedoeld werd.] Bijna niemand die naar het lagere planetenstelsel genaamd Pâtâla is gegaan, is er ooit weer van teruggekeerd. Op eenzelfde wijze keert ook iemand die naar Vaikunthha-dhâma [pratyag-dhâma] gaat, nooit meer terug naar deze materiële wereld. Als er zo'n plaats bestaat, waarvandaan men, als men hem eenmaal heeft bereikt, niet meer terugkeert naar het ellendige materiële leven, waarom zou men dan als apen op en neer springen in de tijdelijke materiële wereld zonder die plaats te gaan zien of hem proberen te begrijpen? Welk voordeel behaalt men daarmee? (Vedabase)

  

Tekst 14:

De verschillende dingen die het levend wezen met zijn intelligentie probeert, bezeten zijnd van de hartstocht enzovoorts, doen hem lijken op iemand die van de betaalde liefde leeft; wat heeft het voor zin zich in te spannen voor resultaten, als men daar het einde niet van ziet in deze wereld?

[Nârada Muni had een vrouw beschreven die prostituée was van beroep. De Haryas'va's begrepen wie deze vrouw was.] Vermengd met de geaardheid hartstocht is de onstabiele intelligentie van het levend wezen als een prostituée die alleen maar om de aandacht te trekken steeds van kleding verandert. Maar als men zich volledig aan tijdelijke baatzuchtige activiteiten overgeeft zonder te begrijpen wat er met hem gebeurt, wat wint hij daar dan eigenlijk mee? (Vedabase)

 

Tekst 15:

In die context onderworpen aan de materiële gang van zaken verliest men zijn status als een zelfstandige autoriteit en beweegt de intelligentie zich precies zoals een seksverslaafde persoon verstoken van inzicht zich beweegt; wat heeft in deze wereld al die liefde voor het gebonden zijn aan je karma voor nut?

[Nârada Muni had ook over de man van de prostituée gesproken. De Haryas'va's begrepen dit als volgt:] Wie met een prostituée trouwt, verliest al zijn onafhankelijkheid. Op dezelfde manier verlengt een levend wezen wiens intelligentie bezoedeld is zijn materialistische bestaan. Gefrustreerd door de materiële natuur, moet hij de ingevingen van zijn intelligentie volgen, waardoor hij in allerlei plezierige en onplezierige situaties terechtkomt. Wat voor zin heeft het om zich onder dergelijke omstandigheden met baatzuchtige activiteiten bezig te houden? (Vedabase)

 

Tekst 16:

Het illusoire van de materie geeft aanleiding tot schepping en vernietiging, hetgeen een rivier is die [zo dus twee kanten opstroomt en] voor de verzotte geest [te] snel stroomt aan zijn oevers [om eruit te komen]; als men daar geen weet van heeft, wat voor nut heeft het dan te werken voor een tijdelijk voordeel?

[Nârada Muni had gezegd dat er een rivier was die twee kanten opstroomde. De Haryas'va's begrepen wat hiermee bedoeld werd.] De materiële natuur werkt op twee manieren - door te scheppen en door te vernietigen; zo stroomt de rivier van de materiële natuur dus twee kanten op. Een levend wezen dat in zijn onwetendheid in deze rivier valt, gaat onder in de golven, en aangezien de stroming bij de oevers sterker is, kan hij er niet uitkomen. Wat voor voordeel behaalt men door baatzuchtige activiteiten te verrichten in die rivier van mâyâ? (Vedabase)
 
Tekst 17:

Als men in dit bestaan niet op de hoogte is van de vijfentwintig manieren [de elementen zie: 3.26: 11-15] om tegen de werkelijkheid van de oorspronkelijke persoon aan te kijken, de wonderlijke spiegel voor de individuele persoonlijkheid, welk voordeel behaalt men dan met het valse van het zich bekommeren om materieel gewin?

[Nârada Muni had gezegd dat er een huis is dat uit vijfentwintig elementen bestaat. De Haryas'va's begrepen deze analogie.] De Allerhoogste Heer is de bron van de vijfentwintig elementen, en als het Allerhoogste Wezen, de bestuurder van oorzaak en gevolg, maakt hij dat deze gemanifesteerd worden. Wat voor voordeel behaalt iemand die zich aan tijdelijke baatzuchtige activiteiten wijdt, zonder die Allerhoogste Persoon te kennen? (Vedabase)

 

Tekst 18:

Als men [gelijk een zwaan] niet in staat is onderscheid te maken wat betreft de toevlucht, als men het wat betreft de Heer heeft opgegeven met Zijn geschriften [de s'âstra's] die informeren over de wegen der gebondenheid en bevrijding, wat is dan de zin van de worsteling in gehechtheid aan tijdelijke resultaten?

[Nârada Muni had over een zwaan gesproken. In dit vers wordt uitgelegd wat die zwaan symboliseert.] De vedische geschriften [de s'âstra's] beschrijven heel duidelijk hoe men de Allerhoogste Godspersoon, de bron van alle materiële en geestelijke energie, kan leren kennen; ze geven zelfs een zeer uitgebreide uitleg van deze twee energieën. De zwaan [hamsa] is iemand die onderscheid maakt tussen het materiële en het geestelijke, die overal de essentie uithaalt, en die uit weet te leggen welke weg tot gebondenheid leidt en welke tot bevrijding. De woorden van de geschriften bestaan uit een verscheidenheid aan klanken. Wat voor baat heeft een arme dwaas erbij als hij het bestuderen van deze s'âstra's opgeeft en zich aan tijdelijke activiteiten wijdt? (Vedabase)

 

Tekst 19:

Het o zo scherpgerande, ronddraaiende rad van de tijd bestiert de hele wereld naar eigen maat en orde; wat voor nut heeft het te ondernemen in winstverlangen als men hier in deze wereld er niet van op de hoogte is [van deze orde van de tijd]?

[Nârada Muni had over een object gesproken dat van vlijmscherpe messen en bliksemschichten was gemaakt. De Haryas'va's begrepen deze analogie als volgt:] De eeuwig vliegende tijd is zo vlijmscherp, dat het lijkt alsof hij van messen en bliksemschichten gemaakt is. Ononderbroken en volkomen onafhankelijk, stuwt hij de activiteiten van de hele wereld voort. Welk voordeel kan iemand behalen als hij geen poging doet om de eeuwige tijd te bestuderen, maar zich bezighoudt met tijdelijke materiële activiteiten? (Vedabase)

 

Tekst 20:

Hoe kan men verstrikt in de geaardheden [zie B.G. 18: 19-29] ook maar iets op touw zetten, als men niet de aanwijzingen van de geschriften van de Vader begrijpt om volgens het boek te leven dat uitlegt hoe men een punt moet zetten achter de materiële manier van leven?'

[Nârada Muni had gevraagd hoe men uit onwetendheid ongehoorzaam kon zijn aan zijn eigen vader. De Haryas'va's hadden begrepen wat hij met deze vraag bedoelde.] Men moet het oorspronkelijke onderricht van de s'âstra aanvaarden. In de vedische beschaving krijgt men een heilige draad als symbool van het feit dat men tweemaal geboren is. Men wordt voor de tweede maal geboren wanneer men de kennis van de s'âstra van een bonafide geestelijk leraar ontvangen heeft; daarom zijn de heilige geschriften de ware vader. Alle s'âstra's leren dat we een eind moeten maken aan onze materiële levenswijze, en iemand die de bedoeling van de instructies van de vader, de s'âstra's, niet begrijpt, verkeert in onwetendheid. Als een materiële vader probeert om zijn zoon in materiële activiteiten te betrekken, moet men bedenken dat dit niet de instructies van de ware vader zijn. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Aldus overtuigd, o Koning, deelden de Haryas'va's allen dezelfde mening; hem [Nârada] omlopend vertrokken ze om het pad te betreden waarvan men niet weer terugkeert [zie ook B.G. 8: 16].

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning, nadat de Haryas'va's, de zonen van Prajâpati Daksha, het onderricht van Nârada hadden gehoord, waren ze volkomen overtuigd: ze geloofden in zijn instructies en waren allemaal tot dezelfde conclusie gekomen. Na hem als hun geestelijk leraar te hebben aanvaard, liepen ze in een cirkel om de grote wijze heen, en sloegen toen de weg in vanwaar men nooit meer terugkeert naar deze wereld. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Terwijl hij in spirituele klanken de Heer der Zinnen in gedachten hield en zo, innerlijk onverdeeld, het bewustzijn betrok op de lotusvoeten, bereisde de muni al de werelden [zie de bhajan Nârada Muni].

De zeven muzieknoten - sha, ri, gâ, ma, pa, dha en ni - worden voor muziekinstrumenten gebruikt, maar ze komen oorspronkelijk uit de Sâma-Veda. De grote wijze Nârada brengt klanken voort die het spel en vermaak van de Allerhoogste Heer beschrijven. Door zulke transcendentale geluidsvibraties, zoals hare krishna, hare krishna, krishna krishna, hare hare / hare râma, hare râma, râma râma, hare hare, houdt hij zijn geest vast gericht op de lotusvoeten van de Heer, en neemt hij Hrishîkes'a, de meester der zinnen, rechtstreeks waar. Nadat Nârada Muni de Haryas'va's bevrijd had, zette hij zijn reis langs de verschillende planetenstelsels voort, zijn geest onafgebroken geconcentreerd op de lotusvoeten van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Van Nârada vernemend over het verlies van zijn zoons die qua gedrag tot de besten der besten behoorden, had hij, Daksha, vol weeklagen te lijden; te zien wat er van zijn fijne zoons terecht was gekomen raakte hem diep.

De Haryas'va's, de zonen van Prajâpati Daksha, waren buitengewoon welgemanierd en ontwikkeld, maar door Nârada Muni's onderricht hielden ze zich jammer genoeg niet aan hun vaders opdracht. Toen Daksha dit nieuws hoorde, dat hem via Nârada Muni zelf bereikte, begon hij zich te beklagen. Hoewel hij zulke goede zonen had, was hij ze allemaal kwijtgeraakt, en dit was voor hem zonder meer een reden om bedroefd te zijn. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Tot vrede gebracht door de Ongeborene verwekte hij wederom in Pâñcajanî een duizendtal zoons die de Savalâs'va's werden genoemd.

Toen Heer Brahmâ Prajâpati Daksha zo zag treuren om zijn verloren kinderen, kalmeerde hij hem door hem bepaalde instructies te geven, waarna Daksha opnieuw duizend kinderen verwekte bij zijn vrouw Pâñcajanî . Ditmaal stonden zijn zonen bekend als de Savalâs'va's. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Zij op hun beurt gingen, door hun vader opgedragen het universum te bevolken, terwille van hun geloften naar de volmaakten aan de Nârâyana-saras, de plaats waar hun oudere broers voorheen ook naar toe waren vertrokken.

Gehoorzamend aan de opdracht van hun vader om kinderen te verwekken, ging ook de tweede groep zonen naar Nârâyana-saras, dezelfde plaats waar hun broers eerder volmaaktheid hadden bereikt door de instructies van Nârada op te volgen. De Savalâs'va's legden zware geloften van ascese af en maakten dat heilige oord hun verblijfplaats. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Daar regelmatig badend, japa doend en mantra's reciterend voor de Transcendentie, volbrachten ze grote boetedoeningen welke hen inderdaad zuiverden van alle vuil dat in hen was.

Daar, te Nârâyana-saras, beoefende de tweede groep zonen ascese, net zoals hun oudere broers dat gedaan hadden. Ze baadden zich in het heilige water, door de aanraking waarvan hun hart van al het vuil in de vorm van materiële verlangens gezuiverd werd; ze prevelden mantra's beginnend met omkâra, en ze ondergingen allerlei zware boetedoeningen. (Vedabase)

 

Tekst 27-28:

Maandenlang enkel water drinkend en lucht etend gingen ze te werk met deze mantra om de Meester aller Mantra's te aanbidden: 'Onze eerbetuigingen aan Heer Nârâyana, de Grote Ziel die eeuwig verwijlt in het zuiverste der goedheid, de grote zwaangelijke persoonlijkheid waarop wij mediteren.' [om namo nârâyanâya purushâya mahâtmane vis'uddha-sattva-dhishnyâya mahâ-hamsâya dhîmahi'].

Een paar maanden lang dronken de zonen van Prajâpati Daksha alleen maar water en aten ze niets anders dan lucht. Terwijl ze zulke zware ascese ondergingen, chantten ze de volgende mantra: "Laten we onze nederige eerbetuigingen brengen aan Nârâyana, de Allerhoogste Godspersoon, die altijd in Zijn transcendentale rijk verblijft. Laten we Hem nederig eer betuigen, want Hij is de Allerhoogste Persoon [paramahamsa]." (Vedabase)

 

Tekst 29:

Zij, erop mediterend het universum te bevolken, werden evenzo benaderd, o Koning, door de wijze Nârada, die net als toen sprak in woorden die diep gingen:

O koning Parîkshit, Nârada Muni benaderde deze zonen van Prajâpati Daksha, die tapasya deden om kinderen te kunnen verwekken, en sprak dezelfde raadselachtige woorden tot hen als hij bij hun oudere broers had gedaan. (Vedabase)

 

Tekst 30:

'O zoons van Daksha, luister alstublieft aandachtig naar mijn aanwijzingen. Volgt allen het pad van uw broers waar u zo veel om geeft.

O zonen van Daksha, luister alsjeblieft aandachtig naar wat ik jullie ga zeggen. Jullie zijn je oudere broers, de Haryas'va's, allen zeer toegenegen; daarom zouden jullie dezelfde weg moeten volgen als zij. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Een broeder trouw aan het pad van een oudere broeder bekend met het dharma [zie 6.1], is een vroom iemand die mag genieten met de Maruts [de windgoden].'

Iemand die zich bewust is van de religieuze principes volgt het voetspoor van zijn oudere broers. Door zijn nobele gedrag krijgt zo'n vroom persoon de gelegenheid om in het gezelschap van de halfgoden zoals de Maruts van het leven te genieten, aangezien die ook allemaal zeer gesteld zijn op hun broers. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Na zoveel gezegd te hebben vertrok Nârada met zijn algunstige visie vandaar, en zo kwamen ze ertoe het pad van hun broers vóór hen te volgen, mijn waarde vriend.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O beste der hoog ontwikkelde Âryan's, nadat Nârada Muni, wiens genadevolle blik nooit zijn uitwerking mist, deze woorden tot de zonen van Prajâpati Daksha had gesproken, vertrok hij zoals hij van plan was geweest. De zonen van Daksha volgden hun oudere broers; ze gaven hun streven om kinderen te verwekken op, en wijdden zich aan het beoefenen van het Krishna-bewustzijn. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Op de juiste manier naar binnen gekeerd zich toen zo op het bovenzinnelijk pad begevend zijn ze, net als de nachten die afscheid namen in het westen, tot op de dag van vandaag er niet van teruggekeerd.

De Savalâs'va's kozen de juiste weg. Deze weg staat open voor hen wier leven gericht is op het bereiken van toegewijde dienst of de genade van de Allerhoogste Godspersoon. Zoals de nachten die in het westen zijn verdwenen nooit weer terugkomen, zijn ook zij tot op heden nooit teruggekeerd. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Op datzelfde ogenblik nam de Prajâpati vele ongunstige tekenen waar en vernam hij hoe, als voorheen, door Nârada er van zijn zoons weer niets terecht was gekomen.

Toen hoorde Prajâpati Daksha, die vele onheilspellende voortekens zag, van verschillende kanten dat zijn tweede groep zonen, de Savalâs'va's, door het onderricht van Nârada dezelfde weg als hun oudere broers hadden gekozen. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Hij, overweldigd in zijn treurnis over zijn kinderen, werd zeer kwaad op Nârada en richtte zich, toen hij de devarishi ontmoette, woedend tot hem met trillende lippen.

Toen Daksha hoorde dat ook de Savalâs'va's deze wereld hadden verlaten om zich aan toegewijde dienst te wijden, werd hij heel erg kwaad op Nârada, en viel hij bijna flauw van verdriet. Toen Daksha Nârada ontmoette, begonnen zijn lippen te trillen van woede en sprak hij als volgt. (Vedabase)

 

Tekst 36:

S'rî Daksha zei: 'Jij valse prediker uitgedost als een heilige! Wat voor een dwaalleer houdt u ons nu voor; arme jongens die tekortschieten in ervaring hebt u het pad van bedelaars gewezen!

Prajâpati Daksha zei: Helaas, Nârada Muni, hoewel je het kleed van een heilige draagt, ben je in feite helemaal niet heilig. Eigenlijk ben ik degene die heilig is, ook al leef ik op dit moment als een grhastha. Door mijn zonen de weg der verzaking te wijzen, heb je me vreselijk onrecht aangedaan. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Met hen in het geheel niet vrij van de drie schulden [aan de heiligen, de goden en de vader middels celibaat, ceremoniën en nageslacht], heb je, met minachting voor hun werklast, hen de weg geblokkeerd van het goede geluk in zowel de hemel als op aarde, jij zondaar!

Prajâpati Daksha zei: Mijn zonen hebben hun drie schulden nog lang niet afgelost; voorwaar ze hebben er niet bij stilgestaan welke verplichtingen ze nog allemaal hebben. O Nârada Muni, o zondaar in persoon, jij hebt hun voortgang naar geluk in deze wereld en de volgende belemmerd, want ze staan nog steeds in de schuld bij de heiligen, de halfgoden en hun vader. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Op die manier heb je harteloos het verstand van die jongens bedorven, en heb jij, die rondreist in het gezelschap van de Heer, Hem te schande gemaakt, jij dilettant!

Prajâpati Daksha vervolgde: Omdat je andere levende wezens geweld aandoet en tegelijkertijd beweert dat je een metgezel van Heer Vishnu bent, maak je de goede naam van de Allerhoogste Godspersoon te schande. Je hebt onschuldige jongens nodeloos de mentaliteit van verzaking bijgebracht, en kent daarom schaamte noch mededogen. Hoe is het daarom mogelijk dat jij samen met de persoonlijke metgezellen van de Allerhoogste Heer reist? (Vedabase)

 

Tekst 39:

Besef goed dat de besten van de Heer altijd vol van ijver zijn om de gevallenen te zegenen, maar niet jij, jij hebt werkelijk de band verbroken en tweedracht gezaaid onder mensen die van harmonie zijn [vergelijk B.G.: 18: 68-69].

Alle toegewijden van de Heer zijn zeer vriendelijk voor de geconditioneerde zielen, en zijn er altijd op uit om anderen goed te doen. Jij bent hier echter een uitzondering op, want hoewel je gekleed haat als een toegewijde, roep je vijandigheid op bij mensen die niet je vijanden zijn, of je verbreekt vriendschapsbanden en zet vrienden tegen elkaar op. Schaam je je niet om je voor te doen als een toegewijde terwijl je je aan dit soort laaghartige daden schuldig maakt? (Vedabase)

 

Tekst 40:

In de waan van jouw prediking denk je dat de verzaking wordt bereikt door de banden der genegenheid te verbreken, maar zo werkt verzaking niet bij mensen.

Prajâpati Daksha vervolgde: Jij denkt misschien dat als je gewoon het gevoel van verzaking in iemand wakker maakt, die persoon daardoor onthecht zal raken van de materiële wereld, maar ik zeg je dat tenzij men tot volkomen kennis komt, het gewoonweg veranderen van kleding, zoals jij gedaan hebt, niemand onthecht kan maken. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Als men niet de moeilijke tijd heeft ervaren die volgt op het plezier ontwikkelt zich bij een persoon niet de kennis; op het laatst ziet men er vanzelf vanaf, en niet vanwege een hersenspoeling door anderen.

Materieel genot is inderdaad de oorzaak van alle ellende, maar men kan het niet opgeven tenzij men persoonlijk ervaren heeft hoeveel lijden het met zich meebrengt. Daarom moet iemand in staat gesteld worden om door te gaan met een zogenaamd plezierig leven te leiden, zodat hij tegelijkertijd zijn kennis kan vergroten doordat hij zelf kan ervaren hoe ellendig dit valse, tijdelijke geluk is. Dan zal hij - zonder hulp van anderen - een afkeer krijgen van materieel genot. Degenen die echter door anderen van gedachten zijn veranderd, raken niet zo onthecht als zij die persoonlijk ervaring hebben opgedaan. (Vedabase)

 

Tekst 42:

Met vrouw en kinders nemen zij die eerlijk zijn de last der vedische verplichtingen op zich; het onverdraaglijke onrecht dat u ons hebt aangedaan kan ik [éénmaal] vergeven.

Hoewel ik in familieverband leef met mijn vrouw en kinderen, houd ik me oprecht aan de vedische voorschriften door me toe te leggen op baatzuchtige activiteiten om van het leven te genieten, zonder daarbij zonden te begaan waarvoor ik later moet boeten. Ik heb allerlei soorten yajñ'a's verricht, met inbegrip van het deva-yajña, het rishi-yajña, het pitr-yajña en het nri-yajña. Omdat deze yajña's vrata's [geloften] genoemd worden, sta ik bekend als een grihavrata. Jammer genoeg heb je me zeer veel verdriet aangedaan door mijn zonen zonder enige reden en volkomen ten onrechte de weg der verzaking te wijzen. Voor één keer kon ik dit nog door de vingers zien. (Vedabase)

 

Tekst 43:

Maar, jij intrigant, voor het kwaad dat je voor de tweede keer hebt aangericht mag er, derhalve, o zotheid, nergens in de wereld een plek voor je zijn in je omzwervingen.'

Je bent er al één keer de oorzaak van geweest dat ik mijn zonen ben kwijtgeraakt, en nu heb je opnieuw dezelfde heilloze streek uitgehaald. Daarom ben je een schurk die niet weet hoe hij zich tegenover anderen moet gedragen. Je mag dan wel het hele universum doorreizen, maar ik vervloek je dat je nergens een plaats zult hebben om te verblijven. (Vedabase)

 

Tekst 44:

S'rî S'uka zei: 'Nârada Muni, zoals het een volleerd heilige past [zie ook 3.25: 21-27 en B.G. 12: 13-20], zei, het allemaal verdragend, enkel: 'Geaccepteerd, laat het zo zijn', hoewel hij zelf de man was met de touwtjes in handen.'  

S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning, aangezien Nârada Muni een ware heilige is, antwoordde hij toen hij door Prajâpati Daksha vervloekt werd met de woorden tad bâdham: "Ja, wat je gezegd hebt is goed. Ik aanvaard je vloek." Hij had op zijn beurt Prajâpati Daksha kunnen vervloeken, maar omdat hij een verdraagzame en genadige sâdhu is, ondernam hij niets tegen hem. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties