
Canto
5
Hoofdstuk 2: De Activitieiten van Mahârâja Âgnîdhra
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ]. (3) Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klinken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5)De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar. (6) Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig in de greep van de almachtige Cupido geraakt, greep hij toen de kans haar aan te spreken.
(7) 'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen. (11) En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij. (16) Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.
(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst. (18) Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god. (21) Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd. (22) Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti.
Tweede editie, geladen 26 december 2006. ![]()
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen.
S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra zoals hij had opgedragen zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (Vedabase)
Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ].
Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, in de volle aandacht van de geest der boetvaardigen, verdiept in verzakingen en eerbetoon jegens de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ]. (Vedabase)
Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden.
Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de apsara Pûrvacitti naar beneden. (Vedabase)
Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klinken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke.
Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het weerklinken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (Vedabase)
De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar.
De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, met zijn half open ogen als lotusknoppen opkijkend, ontwaarde hij haar. (Vedabase)
Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig in de greep van de almachtige Cupido geraakt, greep hij toen de kans haar aan te spreken.
Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende God der Liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige stijlvolle kleine bewegingen van haar voeten in reaktie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig onder de kontrole van de almachtige Cupido gebracht, greep hij toen zijn kans waar haar aan te spreken. (Vedabase)
'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos?
'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de verzotte dieren in dit bos? (Vedabase)?
Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen!
Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen traag van begrip die dit niet begrijpen! (Vedabase)
Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda.
Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn zonder ophouden allen zingend voor de Heer de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen naar de afdelingen van de Veda, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen. (Vedabase)
Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen.
Van het geluid weerklinkend van alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen en daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen. (Vedabase)
En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert?
En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt; wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen; en wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert? (Vedabase)
Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends.
Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, zeer verwarrend. (Vedabase)
En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen.
En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visgelijke oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (Vedabase)
Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw?
Mijn ogen kunnen geen rust vinden in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusgelijke handpalm; geef je niet om al je loshangende krullende haar; bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden door de wind opgetild zoals door een man die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (Vedabase)
O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij.
O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben; je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij. (Vedabase)
Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.
Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de God der Geestelijke Wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gefixeerd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook je fijnste vriendinnen mogen volgen. (Vedabase)
Tekst 17
S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst.
S'rî S'uka zei: 'Aldus zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen slaagde hij er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst. (Vedabase)
Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend.
Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend. (Vedabase)
Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla droegen.
Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyâka, Hiranmaya, Kuru, Bhadras'va en Ketumâla droegen. (Vedabase)
Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god.
Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verzekerde Pûrvacitti zich er ten stelligste van dat ze weer tot de Ongeboren God kwam. (Vedabase)
Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd.
Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en naar gelang ieder zijn naam verdeelde de vader naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd. (Vedabase)
Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven.
Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Vedas zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadra en Devavîti. (Vedabase)
Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti.
Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadra en Devavîti. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
Het schilderij is getiteld: 'Vasanti" en is
geschilderd door Raja Ravi Varma.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd.