regelbalk


 

Canto 5

Pañca Tattva

 

Hoofdstuk 3: Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi.

 (1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra, er naar verlangend zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. (2) Toen hij zelfzeker met een groot geloof en devotie en een zuivere geest met de aanbidding bezig was, manifesteerde de Allerhoogste Heer vanuit Zijn liefde aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen, Zichzelf in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante die met Zijn betoverend schone ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, alhoewel dat niet kon worden verkregen met de inleidende pravargya ceremonie zoals begonnen, en wat er bij hoorde, de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters, en door middel van de regulerende beginselen zelf. (3) Nadat Hij Zichzelf allerduidelijkst in Zijn vierhandige gedaante zeer helder, als de bovenste beste van alle levende wezens had gemanifesteerd, met een geel zijden gewaad en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken dat Hij op Zijn borst heeft, met Zijn schelphoorn, lotusbloem, schijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel en Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, en schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, voelde koning Nâbhi en de priesters en de anderen zich als arme mensen die een grote schat verworven hadden en met grote achting en alles van de aanbidding bogen ze eerbiedig hun hoofden. (4-5) De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard keer op keer, o Meest Verhevene, het ons in aanbidding aanbieden van ons respect, de eerbetuigingen van ons, Uw dienaren. Alzo zijn wij in staat te handelen voor zover geïnstrueerd door hen die boven ons staan; welke mens, wiens geest niet in het minst in staat in beslag wordt genomen door de gedaantewisselingen van de materiële natuur, vermag het zich te verzekeren, met de Allerhoogste Beheerser die Zich bevindt voorbij de zeggenschap van de materiële natuur, van de namen, gedaanten en kwaliteiten behorend bij Zijn positie alhier! Door het allergunstigst in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, welke alle zondig handelen van de mensheid wegvagen, kunnen we U slechts ten dele kennen. (6) Het is werkelijk door de aanbidding van Uw dienaren, die in hevige vervoering met haperende stemmen hun gebeden doen, daarbij te werk gaand met water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten, dat U tevreden gesteld raakt. (7) Alle overige bezorgdheid alhier over de gebruiksartikelen in dezen benodigd, is, zo onderkennen wij, dankzij Uw grootheid zelfs niet nodig. (8) Al de geestelijke deugden - Uw eigenlijke identiteit - nemen, in zichzelf genoeg, ongetwijfeld op ieder moment, rechtstreeks en zonder ooit te stoppen, eindeloos toe; maar, o Heer, het immer door ons verlangen in dezen naar de zegeningen van het materieel plezier, kan er alleen maar zijn met het doel Uw genade te verwerven. (9) Hoewel U, persoonlijk, met de overmaat van Uw grondeloze genade en heerlijkheid ernaar verlangend het spirituele pad [genaamd apavarga] open te leggen, naar hier bent gekomen en aanwezig bent en te zien bent zoals men elke gewone persoon kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon aan U daar we, o Heer der Heerscharen, zijn als dwazen onbekend met dat uiteindelijke welzijn van U. (10) Dit dan, het in dit offer van de deugdzame koning Nâbhi, o Heer, o Beste der Begunstigers, zijn geworden tot een voorwerp van onze aanschouwing, van ons Uw toegewijden, is zonder twijfel werkelijk de grootste zegening, o meest aanbiddelijke. (11) U bent voor hen, van wie de eindeloze onzuiverheid, Uw kwaliteiten bereikt hebbend, is weggenomen door de kracht der onthechting en het vuur der kennis, U bent voor die wijzen die in zichzelf vergenoegd, onophoudelijk verslag deden van al het goede van U in het vertellen van Uw verhalen, de allerhoogste verrukking voortgebracht.  (12) Niettemin strompelen we op de een of andere manier verder, hongerig ten val komend en geeuwend omdat we ons niet op onze plaats voelen enzovoorts, en ook zijn we er uit onszelf niet toe in staat U te herinneren in de koorts van onze doodstrijd; laat het mogelijk zijn dat we in staat zijn Uw namen te uiten en dat we van Uw handelingen en eigenschappen kunnen spreken, daar zij het vermogen hebben al onze zonden te verdrijven. (13) Daarenboven, hoopt deze vrome koning door U gezegend te worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies als U is: een allerhoogste beheerser van de zegeningen van de hemel en het pad dat daarnaar leidt; ookal gedraagt deze koning zich met U, de grote liefde van het eerbetoon, met het idee van kinderen als het uiteindelijk levensdoel, maar als een arme man die van een persoon van liefdadigheid en rijkdom slechts een greintje vraagt.  (14) Wie o wie zonder respect voor de voeten van de groten in deze wereld van U is niet overmeesterd door de onoverkomelijke illusoire energie waarvan men het pad niet kan vinden; wie is in zijn intelligentie niet verbijsterd door het materiële genoegen dat als een vergif is; wie is in zijn aard niet belemmerd door die stroom? (15) Vanwege het inderdaad U weer uitgenodigd zijn in dit offerperk als degeen der wonderbaarlijkheden - alstUblieft tolereer vanuit Uw gelijkgezindheid jegens allen en alles derhalve ons, de onwetenden, die, niet bijster intelligent in minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materiële uitkomst op het oog hebben.' 

(16) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen, aldus verheerlijkt met de ongebonden recitatie door hen voor wiens voeten zelfs de keizer van Bhâratavarsha [India] boog, sprak toen tot hen. (17) De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allen waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik - alzo zeer moeilijk te bereiken; als de Ene zonder weerga is er enkel dat Ik van Mij dat zo gelijk is, niettemin met het bramaanse van wat u zei niet onwaar zijnde, behoort dat van Mij voorzeker zo tot stand te komen, zoals het is verwoord door de goddelijkheid van de klasse der tweemaal geborenen. (18) Daar er niemand aan MIj gelijk te vinden is, zal ik daarom door persoonlijke expansie in een volkomen deel van Mijzelf, verschijnen in de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

(19) S'rî S'uka zei: 'Na aldus gesproken te hebben tot de echtgenoot in de aanwezigheid van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer. (20) O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer, op deze manier gunstig gestemd door de besten der wijzen, in de oorspronkelijke gedaante van zuivere goedheid van een avatâra in zijn vrouw Merudevî, in een verlangen de groten der verzaking, zij die zich teruggetrokken hebben en zij die van studie zijn [de sannyâsî's, de vânaprastha's en de brahmacârî's] de manier te tonen waarop men met de principes van dharma [rechtgeaardheid, de religie, de ware natuur] te werk gaat.

 

next               

 
Tweede editie, geladen 31 december, 2006.   
 

 

 

Bronteksten:

Rishabhadeva's verschijning in de schoot van Merudevî, de vrouw van koning Nâbhi

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra, er naar verlangend zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. 

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Omdat Mahârâja Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra, zonen wilde hebben, begon hij met grote aandacht gebeden te richten tot de Allerhoogste Godspersoon, Heer Vishnu, de meester en begunstigde van alle offers. Merudevî, Mahârâja Nâbhi's vrouw, die op dat moment nog geen enkel kind ter wereld gebracht had, vereerde Heer Vishnu samen met haar man. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Toen hij zelfzeker met een groot geloof en devotie en een zuivere geest met de aanbidding bezig was, manifesteerde de Allerhoogste Heer vanuit Zijn liefde aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen, Zichzelf in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante die met Zijn betoverend schone ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, alhoewel dat niet kon worden verkregen met de inleidende pravargya ceremonie zoals begonnen, en wat er bij hoorde, de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters, en door middel van de regulerende beginselen zelf. 

Bij het brengen van een offer zijn er zeven transcendentale manieren om de genade van de Allerhoogste Godspersoon te verkrijgen:. (1) door kostbare dingen of rijk voedsel te offeren,. (2) door naargelang de plaats te handelen,. (3) door naargelang de tijd te handelen,. (4) door mantra's te chanten,. (5) door via de priester te handelen,. (6) door geschenken aan de priesters te geven, en. (7) door zich aan de leefregels te houden. Toch zal men er niet altijd in slagen om zich langs deze weg de gunst van de Allerhoogste Heer te verwerven. De Heer is Zijn toegewijden echter altijd zeer toegenegen; toen Mahârâja Nâbhi Hem daarom vol geloof en devotie vereerde en met een zuivere, onvertroebelde geest gebeden tot Hem richtte, terwijl hij uitwendig een pravargya-offer bracht, was de Allerhoogste Godspersoon zo goed om uit genegenheid voor Zijn toegewijden voor koning Nâbhi te verschijnen in Zijn onoverwinnelijke en betoverende vierarmige gedaante. Om het verlangen van Zijn toegewijde te vervullen verscheen de Allerhoogste Godspersoon dus voor hem in deze prachtige gedaante, die zo aangenaam is voor de geest en de ogen van degenen die Hem toegewijd zijn. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Nadat Hij Zichzelf allerduidelijkst in Zijn vierhandige gedaante zeer helder, als de bovenste beste van alle levende wezens had gemanifesteerd, met een geel zijden gewaad en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken dat Hij op Zijn borst heeft, met Zijn schelphoorn, lotusbloem, schijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel en Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, en schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, voelde koning Nâbhi en de priesters en de anderen zich als arme mensen die een grote schat verworven hadden en met grote achting en alles van de aanbidding bogen ze eerbiedig hun hoofden.

Heer Vishnu verscheen voor koning Nâbhi met vier armen. Hij was heel stralend en Hij zag eruit als de beste van alle levende wezens. Hij droeg een geel-zijden kleed rond Zijn heupen en op Zijn borst was het S'rîvatsa-teken te zien, dat altijd prachtig is. Hij hield een hoornschelp, een lotus, een werpschijf en een knots vast, en om Zijn hals hing behalve een krans van wilde bloemen ook het Kaustubhajuweel. Hij was prachtig getooid met een helm, oorbellen, armbanden rond onder- en bovenarmen, een gordel, een parelketting, enkelbellen en nog andere sieraden die met fonkelende juwelen waren ingelegd. Toen koning Nâbhi, zijn priesters en de andere aanwezigen de Heer voor zich zagen, voelden ze zich net als arme mensen die plotseling heel rijk geworden zijn. Ze ontvingen de Heer door eerbiedig hun hoofd te buigen en Hem met verschillende artikelen eer te bewijzen. (Vedabase)

 

Tekst 4-5:

De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard keer op keer, o Meest Verhevene, het ons in aanbidding aanbieden van ons respect, de eerbetuigingen van ons, Uw dienaren. Alzo zijn wij in staat te handelen voor zover geïnstrueerd door hen die boven ons staan; welke mens, wiens geest niet in het minst in staat in beslag wordt genomen door de gedaantewisselingen van de materiële natuur, vermag het zich te verzekeren, met de Allerhoogste Beheerser die Zich bevindt voorbij de zeggenschap van de materiële natuur, van al de namen, gedaanten en kwaliteiten behorend bij Zijn positie alhier! Door het allergunstigst in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, welke alle zondig handelen van de mensheid wegvagen, kunnen we U slechts ten dele kennen.

De priesters richtten de volgende gebeden tot de Heer: O Heer, U komt alle eer toe. Wij zijn slechts Uw dienaren. Hoewel U volkomen bent in Uzelf, willen we U toch vragen om uit Uw grondeloze genade een klein beetje dienst te aanvaarden van ons, Uw eeuwige dienaren. Wij zijn ons niet werkelijk bewust van Uw transcendentale gedaante, maar we kunnen U eenvoudigweg keer op keer onze eerbetuigingen brengen, zoals in de vedische geschriften en door de gezaghebbende âcârya's aanbevolen wordt. Materialisten voelen zich zeer sterk aangetrokken tot de geaardheden der materiële natuur en zijn daarom nooit volmaakt, maar U staat boven alle materiële begrippen. Uw naam, gedaante en eigenschappen zijn alle transcendentaal, buiten het bereik van empirische kennis. Ja, wie kan zich een voorstelling van U maken? In de materiële wereld kennen we alleen materiële namen en eigenschappen; daarom kunnen we niets anders doen dan onze nederige eerbetuigingen en gebeden aanbieden aan U, die transcendentaal bent. Het verheerlijken van Uw transcendentale eigenschappen zal de zonden van de hele mensheid wegvagen, en voor ons is het de meest zegenrijke activiteit, dankzij welke we Uw bovennatuurlijke positie ten dele kunnen begrijpen. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Het is werkelijk door de aanbidding van Uw dienaren, die in hevige vervoering met haperende stemmen hun gebeden doen, daarbij te werk gaand met water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten, dat U tevreden gesteld raakt.

O Allerhoogste Heer, U bent in alle opzichten volkomen. U bent zonder meer zeer tevreden wanneer Uw toegewijden met haperende stem gebeden tot U richten en U in extase tulasî-blaadjes, water, twijgjes met nieuwe bladeren en pas opgekomen gras brengen. Dit schenkt U beslist voldoening. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Alle overige bezorgdheid alhier over de gebruiksartikelen in dezen benodigd, is, zo onderkennen wij, dankzij Uw grootheid zelfs niet nodig. 

We hebben U met allerlei artikelen vereerd en U offers gebracht, maar volgens ons zijn al deze dingen niet noodzakelijk als men U wil plezieren. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Al de geestelijke deugden - Uw eigenlijke identiteit - nemen, in zichzelf genoeg, ongetwijfeld op ieder moment, rechtstreeks en zonder ooit te stoppen, eindeloos toe; maar, o Heer, het immer door ons verlangen in dezen naar de zegeningen van het materieel plezier, kan er alleen maar zijn met het doel Uw genade te verwerven.

Alles wat waardevol is of waar men in het leven maar naar kan streven, is rechtstreeks, vanzelf, op elk moment en meer en meer in U aanwezig. Ja, U bent de verpersoonlijking van oneindige vreugde en gelukzaligheid. Wat ons aangaat, o Heer, wij jagen altijd materieel genot na. U heeft al deze offers niet nodig; ze zijn bedoeld voor ons, zodat wij door U gezegend kunnen worden. Al deze offers zijn voor de vervulling van onze persoonlijke verlangens, en U heeft er niet werkelijk behoefte aan. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Hoewel U, persoonlijk, met de overmaat van Uw grondeloze genade en heerlijkheid ernaar verlangend het spirituele pad [genaamd apavarga] open te leggen, naar hier bent gekomen en aanwezig bent en te zien bent zoals men elke gewone persoon kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon aan U daar we, o Heer der Heerscharen, zijn als dwazen onbekend met dat uiteindelijke welzijn van U.

O Heer der heren, wij verkeren volkomen in onwetendheid omtrent dharma, artha, kâma en moksha. (bevrijding), omdat we niet werkelijk weten wat het doel van het leven is. U bent persoonlijk voor ons verschenen alsof U vereerd wilt worden, maar in feite bent U hier alleen maar opdat wij U kunnen zien. U bent uit Uw onmetelijke, grondeloze genade gekomen in ons belang, en U zegent ons met Uw persoonlijke glorie - apavarga, bevrijding. Ondanks het feit dat wij U in onze onwetendheid niet naar behoren vereerd hebben, bent U toch gekomen. (Vedabase)

 

Tekst 10

Dit dan, het in dit offer van de deugdzame koning Nâbhi, o Heer, o Beste der Begunstigers, zijn geworden tot een voorwerp van onze aanschouwing, van ons Uw toegewijden, is zonder twijfel werkelijk de grootste zegening, o meest aanbiddelijke.

O meest aanbiddenswaardige van allen, U bent de grootste van alle weldoeners, en Uw verschijning in het offerperk van de heilige koning Nâbhi is bedoeld om ons te zegenen. Doordat wij U hebben mogen aanschouwen, heeft U ons de grootste zegen geschonken. (Vedabase)

 

Tekst 11

U bent voor hen, van wie de eindeloze onzuiverheid, Uw kwaliteiten bereikt hebbend, is weggenomen door de kracht der onthechting en het vuur der kennis, U bent voor die wijzen die in zichzelf vergenoegd, onophoudelijk verslag deden van al het goede van U in het vertellen van Uw verhalen, de allerhoogste verrukking voortgebracht.

O Heer, alle grote wijzen die diepzinnig en heilig zijn, beschrijven Uw transcendentale eigenschappen onophoudelijk. Deze wijzen hebben de oneindig vele onzuiverheden reeds opgebrand en zijn dankzij het vuur der kennis sterk onthecht geraakt van de materiële wereld. Zodoende hebben ze zich Uw eigenschappen verworven, en zijn in zichzelf voldaan. Toch is Uw persoonlijke aanwezigheid zelfs voor degenen die door het verheerlijken van Uw transcendentale eigenschappen geestelijke gelukzaligheid ervaren zeldzaam. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Niettemin strompelen we op de een of andere manier verder, hongerig ten val komend en geeuwend omdat we ons niet op onze plaats voelen enzovoorts, en ook zijn we er uit onszelf niet toe in staat U te herinneren in de koorts van onze doodstrijd; laat het mogelijk zijn dat we in staat zijn Uw namen te uiten en dat we van Uw handelingen en eigenschappen kunnen spreken, daar zij het vermogen hebben al onze zonden te verdrijven.

O Heer, misschien zullen we op het moment van de dood niet in staat zijn om ons Uw naam, gedaante en eigenschappen te herinneren doordat we struikelen, honger hebben, vallen, gapen of hoge koorts hebben en ons ziek en ellendig voelen. Daarom bidden we U, o Heer, die Uw toegewijden altijd zeer toegenegen bent, om ons te willen helpen Uzelf, Uw eigenschappen en Uw activiteiten te herinneren en Uw heilige naam uit te spreken, want dit alles kan elke reactie op ons zondige leven tenietdoen. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Daarenboven, hoopt deze vrome koning door U gezegend te worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies als U is: een allerhoogste beheerser van de zegeningen van de hemel en het pad dat daarnaar leidt; ookal gedraagt deze koning zich met U, de grote liefde van het eerbetoon, met het idee van kinderen als het uiteindelijk levensdoel, maar als een arme man die van een persoon van liefdadigheid en rijkdom slechts een greintje vraagt.

O Heer, hier is de grote koning Nâbhi, wiens hoogste doel in het leven het is om een zoon te hebben zoals U. O Heer, zijn positie is te vergelijken met die van iemand die een handje graan bedelt van een heel rijk man. Mahârâja Nâbhi wil zo graag een zoon hebben, dat hij U daarvoor vereert, hoewel U hem om het even welke zegen kunt schenken - zoals bevordering naar de hemelse planeten of bevrijding, zodat hij terug kan keren naar God. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Wie o wie zonder respect voor de voeten van de groten in deze wereld van U is niet overmeesterd door de onoverkomelijke illusoire energie waarvan men het pad niet kan vinden; wie is in zijn intelligentie niet verbijsterd door het materiële genoegen dat als een vergif is; wie is in zijn aard niet belemmerd door die stroom?

O Heer, tenzij iemand de lotusvoeten van grote toegewijden vereert, zal hij ten prooi vallen aan de begoochelende energie en zal zijn verstand verbijsterd zijn. Ja, wie durft te beweren dat hij nog nooit meegevoerd is door de golven van materieel genot, die als vergif zijn? Uw begoochelende energie is onoverwinnelijk, en niemand kan de wegen of werking ervan doorgronden. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Vanwege het inderdaad U weer uitgenodigd zijn in dit offerperk als degeen der wonderbaarlijkheden - alstUblieft tolereer vanuit Uw gelijkgezindheid jegens allen en alles derhalve ons, de onwetenden, die, niet bijster intelligent in minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materiële uitkomst op het oog hebben.' 

O Heer, Uw schitterende activiteiten zijn zonder tal. Het enige doel dat we hadden met het brengen van dit grote offer, was om een zoon te krijgen; hieruit blijkt dat onze intelligentie niet erg scherp is, en dat we het doel van het leven niet werkelijk kennen. Door U met materiële beweegredenen voor dit onbeduidende offer uit te nodigen, hebben we beslist een grote overtreding jegens Uw lotusvoeten begaan. O Heer der heren, daarom doen we een beroep op Uw grondeloze genade en Uw onverstoorbaarheid - vergeef ons alstublieft onze overtreding. (Vedabase)

 

Tekst 16:

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen, aldus verheerlijkt met de ongebonden recitatie door hen voor wiens voeten zelfs de keizer van Bhâratavarsha [India] boog, sprak toen tot hen.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: De priesters, die zelfs door koning Nâbhi, de keizer van Bhârata-varsha, vereerd werden, richtten gebeden tot de Heer in proza [normaal gesproken reciteerde men gebeden in poëzie-vorm], en bogen zich neer aan Zijn lotusvoeten. De Heer der heren, de meester der halfgoden, was zeer tevreden over hen, en begon als volgt tot hen te spreken. (Vedabase)
 
Tekst 17:

De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allen waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik - alzo zeer moeilijk te bereiken; als de Ene zonder weerga is er enkel dat Ik van Mij dat zo gelijk is, niettemin met het bramaanse van wat u zei niet onwaar zijnde, behoort dat van Mij voorzeker zo tot stand te komen, zoals het is verwoord door de goddelijkheid van de klasse der tweemaal geborenen.

De Allerhoogste Godspersoon antwoordde: O grote wijzen, jullie gebeden doen Me werkelijk veel plezier, want alles wat jullie zeggen is waar. Jullie hebben gebeden om een zoon zoals Ik voor koning Nâbhi, maar deze wens is zeer moeilijk te vervullen. Aangezien Ik de Allerhoogste Godspersoon ben en er geen tweede zoals Ik of iemand gelijk aan Mij bestaat, is het onmogelijk om nog zo iemand als Ik te vinden. Omdat jullie allen echter gekwalificeerde brâhmana's zijn, mogen jullie woorden niet gelogenstraft worden. Ik beschouw de brâhmana's die begiftigd zijn met brahmaanse eigenschappen als identiek aan Mijn eigen mond. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Daar er niemand aan MIj gelijk te vinden is, zal ik daarom door persoonlijke expansie in een volkomen deel van Mijzelf, verschijnen in de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

Aangezien Ik niemand kan vinden die Mijn gelijke is, zal Ik als een volkomen expansie van Mijzelf persoonlijk verschijnen in de schoot van Merudevî, de vrouw van Mahârâja Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra. (Vedabase)

 

Tekst 19:

S'rî S'uka zei: 'Na aldus gesproken te hebben tot de echtgenoot in de aanwezigheid van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na deze woorden te hebben gesproken verdween de Heer. De vrouw van koning Nâbhi, Merudevî, zat naast haar echtgenoot en had zodoende alles gehoord wat de Allerhoogste Heer gezegd had. (Vedabase)

 

Tekst 20:

O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer, op deze manier gunstig gestemd door de besten der wijzen, in de oorspronkelijke gedaante van zuivere goedheid van een avatâra in zijn vrouw Merudevî, in een verlangen de groten der verzaking, zij die zich teruggetrokken hebben en zij die van studie zijn [de sannyâsî's, de vânaprastha's en de brahmacârî's] de manier te tonen waarop men met de principes van dharma [rechtgeaardheid, de religie, de ware natuur] te werk gaat.

O Vishnudatta, Parîkshit Mahârâja, omdat de grote wijzen de Allerhoogste Godspersoon met dat offer hadden weten te plezieren, besloot Hij om persoonlijk te laten zien hoe men de religieuze principes toe moet passen [zoals de brahmacârî's, sannyâsî's, vânaprastha's en grihastha's dat doen door het verrichten van bepaalde riten], en bovendien het verlangen van Mahârâja Nâbhi te vervullen. Daarom verscheen Hij als de zoon van Merudevî in Zijn oorspronkelijke geestelijke gedaante, die transcendentaal is aan de geaardheden der materiële natuur. (Vedabase)

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Jadurani devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties