
Canto
2
Hoofdstuk 2: De Heer in het Hart
(1) S'rî S'uka zei: 'Spoedig herwint de ziel vanaf zijn geboorte, mediterend op de Universele Gedaante, zijn verloren herinneringen met het aldus vinden van vrede met de Heer, waarna, met een opgehelderde blik, hij zijn leven opnieuw kan opbouwen als voorheen. (2) Voorzeker doet het aanhangen van het spirituele de intelligentie, vanwege haar vele namen, verwijlen in betekenisloze ideeën waarin men rondwaart in werkelijkheden van illusie en haar verschillende verlangens zonder ooit te genieten, alsof men aan het dromen is. (3) Derhalve behoort de verlichte persoon in de wereld der namen zichzelf te beperken tot het hoogst noodzakelijke zonder gek te zijn van verlangen, intelligent gefixeerd [op de Universele Gedaante] teneinde succesvol te zijn. Hij behoort tot het praktisch inzicht te komen dat hij anders enkel terwille van hard werken bezig zou zijn. (4) Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en met de beschutting van bomen, wat is dan het nut van kleding? (5) Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer Zijn bescherming van de overgegeven zielen opgegeven? Waarom moet dan een geleerd mens, het diegenen die onder de invloed van weelde verkeren, naar de zin maken? (6) Aldus zal voorzeker met het aanbidden van het in het eigen hart zo geliefde doel van de Superziel volmaakt in zichzelf, in onthechting van de wereld ter wille vsn Hem, de Eeuwig Onbegrensde en Allerhoogste Heer, het hoogste en duurzame gewin geven waarin de oorzaak van de materiële gebondenheid zonder twijfel zijn einde zal vinden.(7) Wie anders dan de materialisten zouden door het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van namen en henzelf, de grote massa in het algemeen, als gevallen in de rivier van het lijden zien, beheerst als ze zijn door de misère die het gevolg is van hun eigen arbeid?
(8) Anderen zien in de meditatie op Hem binnen in hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter in het idee van Hem als hebbende vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots dragen. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadamba bloem bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie. (13) Stuk voor stuk, behoort men op de ledematen te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet, en aldus geleidelijk de beheersing over het denken krijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, behoort hij, aan het eind van zijn voorgeschreven plichten, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon in herinnering te brengen.
(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, de zinnen door de geest te beheersen in het de baas zijn over de levensadem. (16) Het denken, behoort door zijn eigen zuivere intelligentie in relatie tot het levende wezen zichzelf te reguleren en met alles wat erbij hoort in het zelf op te gaan, terwijl dat zelf op de volkomen voldane Superziel vast moet liggen zodat het aldus, alle andere activiteiten beëindigend, de volkomen gelukzaligheid kan bereiken. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of veroorzaking van zijn natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de opperste situatie, geven zij die ernaar verlangen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], waarbij ze in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer op ieder moment in hun hart nemen. (19) Door middel van inzicht behoort de filosoof zich aldus terug te trekken, welbekend met de wetenschap van het terwille van het leven naar behoren reguleren van de kracht, door de aars ['het lucht-gat'] te blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven te richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel], en aldus een eind te maken aan het materiële verlangen. (20) De zwevende kracht moet geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] worden gevoerd, opwaarts naar de borst vanwaar de mediterende op intelligente wijze het meditatieve uit moet zoeken door het langzaam in het strottehoofd te brengen. (21) Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener, de uitgang van de zeven centra blokkerend en een tijdje ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot standhoudend voor het angstvrije, het domein van het hoofd binnen te gaan en op te geven terwille van het Allerhoogste.
(22) Als men er echter een verlangen op nahoudt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's], het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren, zal men het ongetwijfeld ook te stellen krijgen met de geest en de zinnen die erbij komen kijken. (23) Men zegt van de bestemming van de grote transcendentalisten, dat ze van binnen de levensadem van het subtiele lichaam bestaan, terwijl degenen die hun werk materieel gemotiveerd volbrengen nooit de vooruitgang bereiken die door degenen in de verzonkenheid van de yoga gerealiseerd wordt in de versobering van de toegewijde dienst.
(24) In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur bereikt men, de hemelbewegingen volgend, door het gracieuze verloop van de ademhaling [de sushumnâ], de zuivere geest [Brahmaloka, plaats van de Schepper] die opheldering geeft en de besmettingen wegwast, waarna men opwaarts de cirkel [de cakra, het wiel], o Koning, genaamd S'is'umâra bereikt [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu], begevend, wordt door het enkele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt aanbiddelijk voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden, waar de zelfgerealiseerde zielen genieten voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, verdwenen zijn vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] die, als het thuis van de gezuiverde zielen van verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft bij het zien van de onwetenden onderworpen aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.
(28) Zonder twijfel bereikt men vanuit dat zuivere zelf, de vormen van water en vuur overtreffend, de stralende atmosfeer waar, na de nodige tijd, het zelf door de eigen adem het etherische bereikt, de ware grootheid van de ziel. (29) Door het ruiken van geuren, door het proeven met de mond, door het zien van vormen en door het in contact verkeren middels fysieke aanraking en, als het ware, het door ontvangst via het gehoor bereiken van de identificatie met het etherische, komt de yogi door de zintuigen eveneens tot materiële handelingen. (30) In de geaardheid goedheid overtreft hij de verandering in de materiële vorm door de grove en subtiele zinnen te neutraliseren, tezamen met die vooruitgang de wijsheid van de ware werkelijkheid [zelfrealisatie] zien meekomend in dat volledige ophouden van de [werking van de] materiële geaardheden. (31) De persoon bereikt door die zuivering van het zelf van de Superziel de rust, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].
(32) Alles wat ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, is in overeenstemming met de Veda's zoals uwe Majesteit dat naar behoren verlangde, en het is eveneens waarlijk overeenkomstig de eeuwige waarheid zoals die beslist werd vernomen in het zuivere van de geest naar de voldoening van de aanbeden Opperheer Vâsudeva. (33) Voor hen die ronddolen in dit leven in het materiële universum, is er zeker niets gunstiger als middel van realisatie dan dat wat beoogd wordt in de toegewijde dienst [bhakti-yoga] jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's drie keer, en met een studieuze inzet nauwgezet onderzoek doend, stelde hij vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is in het aangetrokken zijn tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel; als de Heer die onderscheiden wordt door de intelligentie van de ziener in verschillende tekenen en veronderstellingen. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar en wanneer dan ook, te vernemen van de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Diegenen die de nectar drinken die hun oren vult met de vertellingen over de Allerhoogste Heer, de dierbaarste van de toegewijden, zullen hun materiële plezier, het verontreinigde levensdoel, gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die verwijlen naast de lotus.'
Tweede editie, geladen 28 maart 2006.
Bronteksten:
De Heer in het hart.
S'rî S'uka zei: 'Spoedig herwint de ziel vanaf zijn geboorte, mediterend op de Universele Gedaante, zijn verloren herinneringen met het aldus vinden van vrede met de Heer, waarna, met een opgehelderde blik, hij zijn leven opnieuw kan opbouwen als voorheen.S'rî S'ukadeva Gosvâmî sprak: Vroeger, vóór de schepping van de kosmos, herkreeg Heer Brahmâ door meditatie op de virâth-rûpa, waarmee hij de Heer voldoening schonk, zijn verloren bewustzijn. Zo wist hij de schepping weer te maken zoals ze geweest was. (Vedabase)
Voorzeker doet het aanhangen van het spirituele de intelligentie, vanwege haar vele namen, verwijlen in betekenisloze ideeën waarin men rondwaart in werkelijkheden van illusie en haar verschillende verlangens zonder ooit te genieten, alsof men aan het dromen is.
De manier waarop de Vedische klanken ons bereiken is zo verwarringwekkend, dat het verstand van de mensen erdoor op zinloze zaken gericht raakt, zoals de hemelse koninkrijken. De gebonden zielen zweven weg in gedroom van zulk begoochelend hemels genoegen, terwijl ze er in feite geen enkel tastbaar geluk aan ontlenen. (Vedabase)
Derhalve behoort de verlichte persoon in de wereld der namen zichzelf te beperken tot het hoogst noodzakelijke zonder gek te zijn van verlangen, intelligent gefixeerd [op de Universele Gedaante] teneinde succesvol te zijn. Hij behoort tot het praktisch inzicht te komen dat hij anders enkel terwille van hard werken bezig zou zijn.
Daarom dient de verlichte, zolang hij zich nog in de wereld der namen bevindt, slechts naar voldoening van de minimale levensbehoeften te streven. Hij dient zijn verstand te bewaren en nooit ongewenste zaken te willen najagen, bekwaam om te onderscheiden dat dat allemaal hard gezwoeg is voor niets. (Vedabase)
Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en met de beschutting van bomen, wat is dan het nut van kleding?
Als er genoeg vlakke grond voorhanden is om zich op uit te strekken, wat moet men dan met banken en bedden? Als men zijn eigen armen ervoor benutten kan, wat moet men dan met een kussen? Als men zijn handen weet te gebruiken, waar heeft men dan allerlei gereedschappen voor nodig? Als er van alles is om zich mee te bedekken, zoals boombast, wat moet men dan met kleren. (Vedabase)
Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer Zijn bescherming van de overgegeven zielen opgegeven? Waarom moet dan een geleerd mens, het diegenen die onder de invloed van weelde verkeren, naar de zin maken?
Liggen er geen gescheurde kleren gewoon op de weg? En schenken de bomen, die ervoor zijn om anderen in stand te houden, soms niet meer barmharig hun vruchten weg? En zijn de rivieren soms opgedroogd, dat ze de dorstigen niet meer met hun water laven? Zijn de berggrotten nu niet meer toegankelijk, of - belangrijker dan al het andere - beschermt de Almachtige de zielen niet meer die zich volkomen aan Hem overgeven? Waarom zien we dan dat geleerde wijzen mensen vleien die beneveld zijn door de bedwelming van hun zuurverdiende geld? (Vedabase)
Aldus zal voorzeker met het aanbidden van het in het eigen hart zo geliefde doel van de Superziel volmaakt in zichzelf, in onthechting van de wereld ter wille vsn Hem, de Eeuwig Onbegrensde en Allerhoogste Heer, het hoogste en duurzame gewin geven waarin de oorzaak van de gekonditioneerde vorm van bestaan inderdaad zijn einde zal vinden.
Aldus verankerd, behoort men de Superziel, die door Zijn almacht in het eigen hart zetelt, dienst te bewijzen. Aangezien Hij, eeuwig en onbegrensd, de Almachtige Godspersoon is, vormt Hij het hoogste levensdoel, en door Hem te aanbidden kan men de oorzaak van zijn gebonden zijnstoestand uit de weg ruimen. (Vedabase)
Wie anders dan de materialisten zouden door het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van namen en henzelf, de grote massa in het algemeen, als gevallen in de rivier van het lijden zien, beheerst als ze zijn door de misère die het gevolg is van hun eigen arbeid?
Wie anders dan grove materialisten zullen geen acht slaan op deze bovenzinnelijke denkwijze en zich alleen met de vluchtige namen bezighouden, ziende hoe de grote massa in de stroom van het leed gevallen is, als gevolg van de opeenhoping van de gevolgen van haar doen en laten? (Vedabase)
Anderen zien in de meditatie op Hem binnen in hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter in het idee van Hem als hebbende vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots dragen.
Anderen zien de Godspersoon als verblijvend in de hartstreek van het lichaam, ter grootte van slechts acht duim, met vier handen, waarmee Hij een lotus, een wagenwiel, een hoornschelp en een knots vasthoudt. (Vedabase)
Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadamba bloem bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen.
Aan Zijn mond ziet men hoe gelukkig Hij is. Zijn ogen zijn wijd open als lotusblaadjes, en Zijn kledij, geel als het saffraan van een kadamba-bloem, is overdekt met kostbare juwelen. Zijn sieraden zijn allemaal van goud, ingelegd met juwelen, en Hij draagt een stralende hoofdtooi en oorhangers. (Vedabase)
Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien.
Zijn lotusvoeten rusten op de bloemkern van de lotusharten van grote mystici. Op Zijn borst ligt het Kaustubha-juweel, waarin een prachtig kalf is gegraveerd, en op Zijn schouders liggen andere juwelen. Zijn romp is helemaal met verse bloemenkransen omhangen. (Vedabase)
Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit.
Hij is fraai getooid met een sierlijke krans om Zijn middel en ringen bezet met kostbare stenen aan Zijn vingers. Zijn enkelbelletjes, Zijn armbanden, Zijn geoliede haar, blauwzwart en krullend, en Zijn prachtige glimlach zijn allemaal uiterst aangenaam. (Vedabase)
Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn terwille van iemands meditatie.
Het grootmoedige spel en vermaak van de Heer en de laaiende blikken van Zijn lachend gezicht geven aan hoe rijk Zijn zegeningen zijn. Daarom richte men zich zo lang op deze bovenzinnelijke gedaante van de Heer als de geest zich in meditatie met Hem verbinden kan. (Vedabase)
Stuk voor stuk, behoort men op de ledematen te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet, en aldus geleidelijk de beheersing over het denken krijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie.
Men dient zich in zijn meditatie eerst op de lotusvoeten van de Heer te richten en vandaar naar Zijn glimlachende gelaat op te stijgen. Men meditere eerst op de lotusvoeten, dan op de onderbenen, de dijen en zo steeds hoger. Hoe meer de geest zich met de verschillende ledematen verbindt, één voor één, hoe meer het verstand gelouterd raakt. (Vedabase)
Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, behoort hij, aan het eind van zijn voorgeschreven plichten, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon in herinnering te brengen.
Als de grove materialist geen gevoel van liefdevolle dienstbaarheid jegens de Opperheer ontwikkelt, die zowel de bovenzinnelijke als de stoffelijke wereld overschouwt, dient hij zich na vervulling van zijn voorgeschreven plichten de kosmische gedaante van de Heer te heugen of erop te mediteren. (Vedabase)
Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, de zinnen door de geest te beheersen in het de baas zijn over de levensadem.
O vorst, wanneer de yogi deze mensenplaneet ook maar wil verlaten, hij mag zich nooit in de war laten brengen door overwegingen van geschikte plaats en tijd, maar dient altijd rustig en onverstoord neer te zitten en, terwijl hij zijn levensadem reguleert, de zinnen met de geest te beteugelen. (Vedabase)
Het denken, behoort door zijn eigen zuivere intelligentie in relatie tot het levende wezen zichzelf te reguleren en met alles wat erbij hoort in het zelf op te gaan, terwijl dat zelf op de volkomen voldane Superziel vast moet liggen zodat het aldus, alle andere activiteiten beëindigend, de volkomen gelukzaligheid kan bereiken.
Vervolgens dient de yogi met de kracht van zijn zuivere verstand zijn geest in het levend wezen te laten opgaan en daarop het levend wezen in het Superzelf. Hierdoor raakt het volkomen voldane wezen gevestigd op het hoogste niveau van voldoening, zodat het alle verdere aktiviteiten laat varen. (Vedabase)
Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van intelligetie of de natuur.
In die bovenzinnelijke staat, labdhopas'ânti, bestaat geen heerschappij van de vernietigende tijd, welke zelfs de hemelgoden bestiert, wie macht gegeven is om over de stoffelijke wezens te heersen, laat staan dat de hemelgoden zelf er iets te zeggen hebben. Noch regeert er de drie stoffelijke geaardheden, goedheid, hartstocht en onwetendheid, noch zelfs het vals ego, noch de Oceaan der Oorzaken, noch de stoffelijke natuur. (Vedabase)
Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de opperste situatie, geven zij die ernaar verlangen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], waarbij ze in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer op ieder moment in hun hart nemen.
De transcendentalisten willen alles wat goddeloos is vermijden, want ze kennen die hoogste verheven staat waarin alles met de Opperheer, Vishnu, verbonden is. Daarom zorgt een zuivere toegewijde, die in volkomen harmonie met de Heer leeft, niet voor verwarring, maar aanbidt elk ogenblik van zijn leven de lotusvoeten van de Heer, die hij in zijn hart neemt. (Vedabase)
Door middel van inzicht behoort de filosoof zich aldus terug te trekken, welbekend met de wetenschap van het terwille van het leven naar behoren reguleren van de kracht, door de aars ['het lucht-gat'] te blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven te richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel], en aldus een eind te maken aan het materiële verlangen.
Krachtens wetenschappelijke kennis moet men zich terdege in staat van absolute realisatie bevinden en zo alle stoffelijke begeerten weten te blussen. Vervolgens dient men zijn stoffelijke lichaam op te geven door met de hiel van zijn voet het luchtgat [waardoor men zich ontlast] af te sluiten en de levenslucht langs de zes kardinale punten omhoog te brengen. (Vedabase)
De zwevende kracht moet geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] worden gevoerd, opwaarts naar de borst vanwaar de mediterende op intelligente wijze het meditatieve uit moet zoeken door het langzaam in het strottehoofd te brengen.
De mediterende toegewijde dient de levenslucht geleidelijk van de navel omhoog te voeren naar het hart, vandaar naar de hals en vandaar naar de verhemelte-basis. Met zijn verstand moet hij de juiste plaatsen zien te onderscheiden. (Vedabase)
Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener, de uitgang van de zeven centra blokkerend en een tijdje ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot standhoudend voor het angstvrije, het domein van het hoofd binnen te gaan en op te geven terwille van het Allerhoogste.
Daarop moet de bhakti-yogi de levenslucht opstuwen tot tussen de wenkbrauwen en vervolgens, de zeven uitlaatopeningen van de levenslucht afsluitend, zich standvastig op zijn terugkeer naar huis, naar God, richten. Is hij volkomen van elk stoffelijk verlangen bevrijd, dan dient hij door te dringen naar het schedelgat en, de Allerhoogste bereikend, zijn banden met de stof te laten varen. (Vedabase)
Als men er echter een verlangen op nahoudt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's], het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren, zal men het ongetwijfeld ook te stellen krijgen met de geest en de zinnen die erbij komen kijken.
O vorst, waneer een yogi echter naar meer stoffelijke geneugten verlangt, zoals een verblijf op de hoogste planeet, Brahmaloka, of verwerving van de acht volmaaktheden, of rondreizen door de kosmische ruimte met de Vaihâyasa's, of een positie op een van de miljoenen planeten, dan moet hij zijn aan de stof aangepaste geest en zinnen met zich meenemen. (Vedabase)
Men zegt van de bestemming van de grote transcendentalisten, dat ze van binnen de levensadem van het subtiele lichaam bestaan, terwijl degenen die hun werk materieel gemotiveerd volbrengen nooit de vooruitgang bereiken die door degenen in de verzonkenheid van de yoga gerealiseerd wordt in de versobering van de toegewijde dienst.
Transcendentalisten houden zich bezig met het geestelijk lichaam. Daarom zijn door de kracht van hun toegewijde dienst, boete, mystiek vermogen en bovenzinnelijke kennis hun bewegingen zowel in als buiten de stoffelijke werelden onbegrensd vrij. De baatzuchtig strevenden of grove materialisten kunnen zich nimmer zo onbeperkt bewegen. (Vedabase)
In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur bereikt men, de hemelbewegingen volgend, door het gracieuze verloop van de ademhaling [de sushumnâ], de zuivere geest [Brahmaloka, plaats van de Schepper] die opheldering geeft en de besmettingen wegwast, waarna men opwaarts de cirkel [de cakra, het wiel], o Koning, genaamd S'is'umâra bereikt [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd].
O vorst, wanneer zo'n mystikus bij het licht van Sushumnâ door de melkweg heen gaat om de hoogste planeet, Brahmaloka, te bereiken, gaat hij eerst naar Vais'vânara, de planeet van de vuurgod, waar hij volkomen van alle smetten gereinigd wordt, en vandaar gaat hij nog hoger, naar de kring van S'is'umâra, teneinde daar de omgang te zoeken van Heer Hari, de Godspersoon. (Vedabase)
Zich voorbij die navel van het universum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu], begevend, wordt door het enkele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt aanbiddelijk voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden, waar de zelfgerealiseerde zielen genieten voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ].
Deze S'is'umâra is de spil waarom de hele kosmos draait en wordt de navel van Vishnu [Garbhodakas'âyî Vishnu] genoemd. Alleen de yogi komt buiten deze S'is'umâra-kring en bereikt de planeet [Maharloka] waar gelouterde heiligen van het soort van Bhrigu een leven van een duur van 4.300.000.000 zonnejaren genieten. Deze planeet is zelfs aanbiddenswaardig voor heiligen die zich op bovenzinnelijk niveau bevinden. (Vedabase)
Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, verdwenen zijn vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] die, als het thuis van de gezuiverde zielen van verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven].
Ten tijde van de eindverwoesting van het hele heelal [aan het eind van het leven van Brahmâ] emaneert er een vuurvlam uit de mond van Anata [van de bodem van het heelal]. De yogi ziet alle planeten van het universum tot as verbranden en vertrekt dan naar Satyaloka per vliegtuig, zoals in gebruik bij de grote gelouterde zielen. De levensduur op Satyaloka wordt berekend op 15.480.000.000.000 jaar. (Vedabase)
Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft bij het zien van de onwetenden onderworpen aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.
Op die planeet Satyaloka kent men verlies noch ouderdom noch dood. Er bestaat geen enkele vorm van pijn en daarom leeft men er zonder zorgen, of het moest zijn dat men uit meegevoel soms begaan is met het lot van hen die zich niet bewust zijn van het bestaan van de weg der toegewijde dienst en aan onoverkomelijke ellende onderworpen zijn in de stoffelijke wereld. (Vedabase)
Zonder twijfel bereikt men vanuit dat zuivere zelf, de vormen van water en vuur overtreffend, de stralende atmosfeer waar, na de nodige tijd, het zelf door de eigen adem het etherische bereikt, de ware grootheid van de ziel.
Na het bereiken van Satyaloka is de toegewijde er speciaal toe in staat om zich zonder vrees te belichamen in een fijnstoffelijke gedaante van een identiteit gelijk aan die van de grofstoffelijke, waarna hij achtereenvolgens bestaansniveaus bereikt van aarde naar water, naar vuur, hitte en lucht, tot hij de etherische sfeer binnengaat. (Vedabase)
Door het ruiken van geuren, door het proeven met de mond, door het zien van vormen en door het in contact verkeren middels fysieke aanraking en, als het ware, het door ontvangst via het gehoor bereiken van de identificatie met het etherische, komt de yogi door de zintuigen eveneens tot materiële handelingen.
Zo trekt de yogi voorbij aan de verschillende subtiele zinsobjekten, zoals de geur van de reuk, het verhemelte van de smaak, de vormen van het zien, de aanrakingen van het gevoel, de ether-vibraties van het oor en de materiële aktiviteiten van de zintuigen. (Vedabase)Tekst 30:
In de geaardheid goedheid overtreft hij de verandering in de materiële vorm door de grove en subtiele zinnen te neutraliseren, tezamen met die vooruitgang de wijsheid van de ware werkelijkheid [zelfrealisatie] zien meekomend in dat volledige ophouden van de [werking van de] materiële geaardheden.
Terwijl de toegewijde zo aan de grofstoffelijke en subtiele aspekten van de universum-omhullingen ontstijgt, gaat hij binnen in de sfeer van het ego. Daar laat hij de stoffelijke geaardheden [onwetendheid en hartstocht] in dit neutraliteits-punt versmelten en bereikt zo het ego-in-goedheid. Hierna versmelt het ego-totaal in het mahat-tattva en komt de toegewijde tot het niveau van zuivere zelfverwerkelijking. (Vedabase)
De persoon bereikt door die zuivering van het zelf van de Superziel de rust, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].
Alleen de gelouterde ziel kan het volmaakte niveau bereiken van omgang met de Godspersoon in haar wezensstaat van volkomen gelukzaligheid en voldoening. Wie bij machte is om weer tot volmaakte toewijding te geraken wordt niet meer tot deze materiële wereld aangetrokken en keert er nooit meer in terug. (Vedabase)
Alles wat ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, is in overeenstemming met de Veda's zoals uwe Majesteit dat naar behoren verlangde, en het is eveneens waarlijk overeenkomstig de eeuwige waarheid zoals die beslist werd vernomen in het zuivere van de geest naar de voldoening van de aanbeden Opperheer Vâsudeva.
O Mahârâja Parîkshit, uwe majesteit dient te weten dat al hetgeen ik in antwoord op uw gepaste vraag heb beschreven met de opvatting van de Veda's strookt en eeuwige waarheid is. Dit werd zo door Heer Krishna in eigen persoon beschreven aan Brahmâ, over wie de Heer, na door hem op de juiste wijze geëerd te zijn, Zich voldaan voelde. (Vedabase)
Voor hen die ronddolen in dit leven in het materiële universum, is er zeker niets gunstiger als middel van realisatie dan dat wat beoogd wordt in de toegewijde dienst [bhakti-yoga] jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva.
Voor hen die door het stoffelijk heelal ronddwalen bestaat er geen zegenrijker weg tot verlossing dan te doen wat in rechtstreekse toegewijde dienst aan Heer Krishna wordt nagestreefd. (Vedabase)
De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's drie keer, en met een studieuze inzet nauwgezet onderzoek doend, stelde hij vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is in het aangetrokken zijn tot de ziel.
De grote persoonlijkheid Brahmâ bestudeerde de Veda's driemaal met grote aandacht en scherpte van geest, en na dit nauwgezette onderzoek was zijn konklusie dat aangetrokken raken tot de Allerhoogste Godspersoon, S'rî Krishna, de hoogste vervolmaking van het geestelijk leven is. (Vedabase)
De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel; als de Heer die onderscheiden wordt door de intelligentie van de ziener in verschillende tekenen en veronderstellingen.
De Godspersoon Heer S'rî Krishna verkeert zij aan zij met de individuele ziel in ieder wezen. Dit valt als feit waar te nemen en te veronderstellen in de aktiviteiten van het zien en het benutten van het verstand. (Vedabase)
Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar en wanneer dan ook, te vernemen van de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen.
O koning, het is daarom van wezenlijk belang dat ieder mens altijd en overal over de Opperheer, de Godspersoon, hoort, Hem verheerlijkt en zich Hem heugt. (Vedabase)
Diegenen die de nectar drinken die hun oren vult met de vertellingen over de Allerhoogste Heer, de dierbaarste van de toegewijden, zullen hun materiële plezier, het verontreinigde levensdoel, gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die verwijlen naast de lotus.'
Degenen die door haar met hun oren in te drinken geheel vervuld raken van de nektar-rijke boodschap van Heer Krishna, de lieveling van de toegewijden, raken gelouterd van de neiging om zich op een onrein levensdoel te richten, namelijk op het stoffelijk genot, en keren zo terug tot God, naar Zijn lotusvoeten. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding van Vishnu op deze pagina is van Dhrti
devî dâsî
Produktie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties