regelbalk


 

Canto 6

Govinda jaya jaya

 

Hoofdstuk 4: De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer

(1-2) De koning zei: 'Alhoewel u in het kort mij uitleg hebt verschaft over de schepping der goddelijken, zij die van het duister zijn en de menselijke wezens; de slangachtigen, de beesten en de vogels onder de heerschappij van Svâyambhuva Manu [zie canto 3], zou ik graag meer in detail hierover van u willen vernemen mijn Heer, zowel als een uiteenzetting krijgen over de schepping die zich daarna vanuit het vermogen van de Bovenzinnelijke Allerhoogste Heer voordeed'.

(3) S'rî Sûta zei: "O beste der wijzen [bijeengekomen te Naimishâranya zie canto 1.1], aldus horend van het verzoek van de koning prees de grote yogi, de zoon van Vyâsa hem en gaf hij antwoord. (4) S'rî S'uka zei: 'Toen de Pracetâ's, de tien zonen van koning Prâcînabarhi terugkeerden van [hun meditaties] nabij de oceaan zagen ze dat de ganse planeet overwoekerd was door geboomte [zie 4.24, 4.30, 4.31]. (5) Verstoord over de bomen hadden ze, na zo lang boete gedaan te hebben, met hun monden een vuur aangewakkerd met de bedoeling alle bossen af te branden. (6) Toen hij, de koning van het woud, de grote Soma, zag dat alle bomen werden verbrand door het laaiende vuur sprak, o zoon van Kuru, teneinde hun woede tot bedaren te brengen, hij als volgt.

(7) 'Verbrand de arme bomen niet tot as, o fortuinlijke zielen, het is aan u om te streven naar een toename van alle levende wezens die jullie kennen als hun beschermers. (8) Het moge jullie spijten; de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer, de oorspronkelijke, onveranderlijke Vader en almachtige beschermer, schiep al de bomen, de planten en de gewassen om tot voedsel te dienen. (9) Waarlijk dienen de niet-bewegenden zij die vleugels hebben tot voedsel en dienen zij die geen ledematen hebben [zoals grassen] als voedsel voor degenen met benen die geen handen of klauwen hebben; de vierbenigen op hun beurt zijn er voor de dieren met klauwen en voor de tweebenigen [om respectievelijk met hun vlees en hun melk van dienst te zijn]. (10) U bent, naar de opdracht van uw vader en de God der Goden, o zondeloze n, er tevens om de bevolking voort te brengen; hoe dan in God's naam kunnen jullie de bomen in de as leggen? (11) Volg enkel, zoals jullie vader, grootvader en overgrootvader het deed, het pad der heiligen en bedwing de woede die zich in u opwierp! (12) Wees zoals de ouders die, zoals de oogleden zijn voor hun ogen, als vrienden zijn voor hun kinderen; wees zoals de echtgenoot zijn vrouw beschermt en zoals de huishouder zorg draagt voor hen die van liefdadigheid afhankelijk zijn, of gelijk de geschoolden die als vrienden zijn voor de onwetenden. (13) De Superziel verblijvend in de lichamen van alle levende wezens is Heer en Meester over allen; probeer hen te bezien als Zijn verblijfplaats en moge Hij aldus tevreden over u zijn. (14) Een ieder die door onderzoek in zelfverwerkelijking de zo machtige woede onderwerpt die, als uit de hemel gevallen, plots ontwaakte, zal de geaardheden der natuur overstijgen. (15) Genoeg met dat afbranden van de bomen, laat er al het goede geluk zijn voor hen die nog resten en aanvaard de dochter [genaamd Mârishâ], die door hen werd opgevoed, als uw echtegnote.'

(16) O Koning, na hen aldus te hebben toegesproken, bracht hij, koning Soma, hen die waren teruggekeerd het Apsarameisje met de mooie heupen en huwden zij haar overeenkomstig de religie. (17) In haar werd uit hen allen Daksha voortgebracht, de zoon van de Pracetâ's, door wiens voortplantingsdrift vervolgens de drie werelden gezegd werden te overstroomd met nageslacht. (18) Luister nu aandachtig naar mij hoe Daksha, zo vol genegenheid voor zijn dochters, middels zijn zaad als zeker ook middels zijn geest, al dat leven voortbracht. (19) Met inderdaad zijn geest zette de prajâpati in het begin de toon voor die levende wezens die van het goddelijke en het goddeloze zijn, met inbegrip van allen levend in de lucht, op het land of in het water, die onder hen ressorteerden. (20) Maar toen hij zag dat zijn schepping van levende wezens niet in aantal toenam, ging Daksha naar de voet van het Vindhyagebergte alwaar hij de moeilijkste boetedoeningen deed. (21) Daar op de gunstigste plaats om aan alle terugslagen van de zonde een einde te maken, de heilige plaats genaamd Aghamarshana, stelde hij de Heer tevreden door met ascese en regelmaat de ceremoniën op te voeren. (22) Ik zal u nu uiteen zetten hoe hij met de Hamsa-guhya ['het geheim van de zwaan']-gebeden de Heer tevreden stelde door Hem te behagen als de Allerhoogste Persoonlijkheid voorbij de zinnen. (23) Daksha zei: 'Mijn eerbetuigingen biedt ik Hem, van wie wij de juiste weg mogen inzien om de geaardheden en de materiële energie, waaraan allen die leven gebonden zijn, te transcenderen; Mijn lof voor Hem, de uit zichzelf geboren Beheerser boven iedere maat en berekening verheven, die in Zijn verblijfplaats niet waarneembaar is voor de materieel gestuurde intelligentie. (24) De vriend van wiens vriendschap de persoon geen weet heeft, precies zoals de zinsobjecten geen weet hebben van het zintuig dat hen waarneemt; die vriend waarmee men in dit lichaam samenleeft, Hem bied ik mijn eerbetuigingen. (25) Dit lichaam met zijn soorten van adem, zijn zinnen, zijn begrip, zijn elementen en zinsobjecten, zij voor zichzelf, naar elkaar toe en naar alles toe daarbuiten, worden gekend door het levend wezen; maar met al die kwaliteiten bekend, kent hij niet de Onbegrensde die allen kent; Hem aanbid ik. (26) Als het denken tot staan is gebracht en alle ideeën en namen van vorm van een materiële zienswijze en heugenis hun einde hebben gevonden, zal als gevolg van dat beëindigen Hij worden waargenomen in Zijn eigen unieke spirituele volkomenheid; jegens die zwaangelijke [zwaan genoemd vanwege het uitziften van ware van het onware, van de melk uit het water], jegens Hem die men zich realiseert in de zuiverste staat, mijn respect. (27-28) Precies als met vuur dat opgesloten in het hout tevoorschijn wordt getoverd met het zingen van de vijftien hymnen [de Sâmidhenîmantra's], toveren de grote brahmanen van het offeren dat tevoorschijn wat met Zijn krachten bij de geaardheden der natuur zich bevindt in het hart van de gevierde en de overige elementen [zie b.v. 3.26: 11]; Hij, die men zich realiseert met de verrukking, de negatie van het zich bevrijden van het illusoire van de hele verscheidenheid; Hij van alle namen, Hij, de gigantische gedaante van het universum; moge Hij, dat ondoorgrondelijke reservoir van alle kwaliteiten mij genadig zijn. (29) Wat dan ook uitgedrukt in woorden of vastgesteld in bezinning, in zintuiglijke waarneming of in gedachten, moge van iets, dat bestaat als een uitdrukking van de drie geaardheden, daadwerkelijk niet de eigenlijke vorm zijn; de eigenlijke vorm doet zich in waarheid voor als dat [vormhebbende van de Allerhoogste Heer] wat de oorzaak is die een einde maakt aan alles wat van de geaardheden in de schepping is. (30) In wie, van wie en door wie als ook tot wie behoort en op wie is gericht; Hij, ofwel optredend ofwel daartoe aanleiding gevend, is van zowel het materiële als het spirituele van het bestaan de Allerhoogste Oorzaak een ieder welbekend, die het Brahman is, de Oorzaak Aller Oorzaken, de onvergelijkelijke Ene buiten wie er geen andere oorzaak te vinden is. (31) Van wiens vele energieën de sprekers der verschillende filosofieën met het bespreken van de oorzaken van tegenwerping en instemming zijn en van wie zij voortdurend, verbijsterd over de ziel, creatief zijn; jegens Hem, die onbegrensde alles doordringende Ene van alle bovenzinnelijke kenmerken, mijn eerbetoon. (32) Zij die de kennis voorstaan van de uiteindelijke oorzaak en spreken over wat zou zijn [het absolute heeft vorm: sâkâra] en wat niet zou zijn [het absolute is vormloos: nirâkâra], betrekken zich op één en hetzelfde onderwerp van studie maar leggen verschillende en tegengestelde karakters aan de dag zoals men dat kan opmaken uit dat wat van de mystieke eenheid en van analyse is; daadwerkelijk is die transcendentale verblijfplaats, die uiteindelijke oorzaak, één en dezelfde [vergelijk 5.26: 39]. (33) Teneinde Zijn grondeloze genade te tonen aan de toegewijden aan Zijn lotusvoeten, manifesteert Hij, de eeuwige, Allerhoogste Persoonlijkheid die niet aan enige naam of vorm gebonden is, Zich met de gedaanten en heilige namen waarmee Hij geboorte neemt en optreedt; moge Hij, de Transcendentie, genade met me hebben. (34) Hij die met de lagere ontwikkelingsgraden der aanbidding Zich naar gelang de verlangens van ieder levend wezen manifesteert vanuit de kern van het hart, wint, net als de wind waaiend over de aarde, aan kleur en aroma [aldus de gedaante van halfgoden aannemend]; moge Hij, mijn Heerser, aandacht hebben voor mijn overwegingen.'

(35-39) S'rî S'uka zei: 'Na aldus te zijn geprezen door de opgedragen gebeden verscheen Hij, de Allerhoogste Heer, de zorgdrager der toegewijden, aldaar in Aghamarshana, o beste onder de Kuru's. Met Zijn voeten op Garuda's schouders hield Hij met Zijn acht lange en machtige armen, de werpschijf, de schelphoorn, het zwaard, het schild, de pijl, de boog, het touw en de knots omhoog. Zijn intens blauw-zwarte gedaante was gehuld in gele kledij, Zijn gezicht en blik waren zeer opgewekt en Zijn hele lichaam was van top tot teen opgesierd; versierd met het stralende kaustubha juweel, het S'rîvatsa merkteken, een grote geronde helm, glitterende haaien-oorhangers, een gordel, ringen om Zijn vingers, armbanden om Zijn polsen en bovenarmen en met Zijn enkelbelletjes, betoverde Zijn verschijning de drie werelden. Als de schittering van de lagere, de hogere en de tussenwerelden werd de Beheerser omringd door Nârada, Nanda en andere eeuwige metgezellen zowel als door de leiders der goddelijken, en werd Hij verheerlijkt door de volmaakten, de hemelse zangers, en de eerbiedwaardigen van de Veda's die voor hem zongen. (40) Met het zien van die hoogst wonderbaarlijke gedaante was de prajâpati aanvankelijk bevreesd, maar toen, naar lichaam, geest en ziel verheugd, wierp hij zich languit voorover ter aarde. (41) Door het grote geluk dat zijn zinnen vulde als rivieren volstromend van bergstroompjes, was hij niet in staat een woord uit te brengen. (42) Met het zien van een grote toegewijde als hij, vol van verlangen naar nageslacht, voor Hem uitgestrekt, sprak Hij, Janârdana die allen tot vrede beweegt en die op de hoogte is van ieders hartewens, als volgt. (43) De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van de Pracetâ's, u, zo hoogst fortuinlijk, vervolmaakte in groot geloof door uw boetedoeningen uw goede zelf en bereikte met Mij als uw voorwerp het allerhoogste van de liefde. (44) Ik ben zeer verheugd over u, o heerser der mensen; vanwege uw boete is het aantal van de levende wezens alhier toegenomen. Moge er van dit verlangen vooruitgang zijn op ieder gebied. (45) Brahmâ, S'iva, u allen stamvaders, de Manu's en alle heersers van macht [zoals de goddelijkheid van de zon en de maan], al dezen zijn inderdaad expansies van Mijn energieën en vormen de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens. (46) Boete is Mijn hart, o brahmaan, de vedische kennis is Mijn lichaam, de spirituele aktiviteiten zijn Mijn gedaante, de rituelen volgens voorschrift uitgevoerd zijn Mijn ledematen en de verlevendiging door de goddelijken [het ongeziene goede geluk der devotionele activiteiten] is het ware van Mijn geest en ziel. (47) In den beginne, vóór de schepping, was Ik zeker de enige die er bestond, buiten Mij was er niets te vinden; het uitwendige van een materieel bewustzijn was niet gemanifesteerd alsof in slaap verzonken. (48) Toen in Mij, vanuit Mijn onbegrensd vermogen, het onbegrensde der kwaliteiten in de gedaante van het universum zijn bestaan vond, werd inderdaad daarin het eerste levende wezen, Heer Brahmâ, geboren afkomstig uit niemand anders dan zichzelf. (49-50) Toen hij, Svayambhû, de waarlijk grote God, in het tot stand proberen te brengen van de schepping over zichzelf, in het verlengde van Mijn macht, nadacht als zijnde incapabel, werd de god die hij was te dien tijde door mij aangeraden de zwaarste boetedoening te volbrengen; aldus waren er van hem in het begin de negen grote persoonlijkheden der schepping waaruit u allen bent voortgekomen [zie 3.24: 21 en ook 3.8]. (51) O Prajâpati, neemt deze dochter genaamd Asiknî van een andere prajâpati genaamd Pañcajana tot uw echtgenote, mijn beste zoon. (52) U, gehuwd met haar, zal in seksuele gemeenschap overeenkomstig de beginselen der religie wederom [zie 4.2] de oorzaak zijn van de velen van dezen die overeenkomstig het dharma echtelijk verbonden geboorte zullen geven aan alle levenden [zie ook B.G. 7: 11]. (53) Alle levenden die, vanwege Mijn begoochelende energie, na u overgaan tot seksuele gemeenschap, zullen er dan eveneens toe komen hun best te doen in het brengen van offers aan Mij.'

(54) S'rî S'uka zei: 'Met het Hem aldus sprekend voor ogen hebben, verdween de Allerhoogste Heer, de schepper van het hele universum, vandaar alsof Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, een droombeeld was geweest. '

 

next                       

 
Tweede editie, geladen 5 april 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

Prajâpati Daksha vereert Heer Vishnu met de Hamsa-guhya-gebeden

 

Text 1-2 :

De koning zei: 'Alhoewel u in het kort mij uitleg hebt verschaft over de schepping der goddelijken, zij die van het duister zijn en de menselijke wezens; de slangachtigen, de beesten en de vogels onder de heerschappij van Svâyambhuva Manu [zie canto 3], zou ik graag meer in detail hierover van u willen vernemen mijn Heer, zowel als een uiteenzetting krijgen over de schepping die zich daarna vanuit het vermogen van de Bovenzinnelijke Allerhoogste Heer voordeed '.

De gezegende koning sprak tot S'ukadeva Gosvâmî: O mijn heer, de halfgoden, de demonen, de mensen, de Nâga's, de zoogdieren en de vogels werden geschapen tijdens de heerschappij van Svâyambhuva Manu. Hoewel u deze schepping in het kort besproken heeft [in het derde Canto], zou ik er nu graag alle bijzonderheden van willen vernemen, en ik zou ook graag willen horen over het vermogen waarmee de Allerhoogste Godspersoon de tweede schepping tot stand gebracht heeft. (Vedabase)

 

Text 3:

S'rî Sûta zei: "O beste der wijzen [bijeengekomen te Naimishâranya zie canto 1.1], aldus horend van het verzoek van de koning prees de grote yogi, de zoon van Vyâsa hem en gaf hij antwoord.

Sûta Gosvâmî zei: O grote wijzen [bijeengekomen te Naimishâranya], nadat de grote yogi S'ukadeva Gosvâmî Mahârâja Parîkshits vragen had gehoord, gaf hij blijk van zijn waardering en antwoordde als volgt. (Vedabase)

 

Text 4:

S'rî S'uka zei: 'Toen de Pracetâ's, de tien zonen van koning Prâcînabarhi terugkeerden van [hun meditaties] nabij de oceaan zagen ze dat de ganse planeet overwoekerd was door geboomte [zie 4.24, 4.30, 4.31].

S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen de tien zonen van Prâcînabarhi te voorschijn kwamen uit de oceaan waarin ze zich aan ascese hadden gewijd, zagen ze dat het hele aardoppervlak met bomen was bedekt. (Vedabase)

 

Text 5:

Verstoord over de bomen hadden ze, na zo lang boete gedaan te hebben, met hun monden een vuur aangewakkerd met de bedoeling alle bossen af te branden.

Door de langdurige ascese die de Pracetâ's in het water hadden ondergaan, werden ze geweldig kwaad op de bomen. In hun verlangen om ze te verbranden, begonnen ze wind en vuur te spuwen. (Vedabase)

 

Text 6:

Toen hij, de koning van het woud, de grote Soma, zag dat alle bomen werden verbrand door het laaiende vuur sprak, o zoon van Kuru, teneinde hun woede tot bedaren te brengen, hij als volgt.

Mijn beste koning Parîkshit, toen Soma, de koning van de bomen en de halfgod van de maan, zag dat de wind en het vuur alle bomen tot as verbrandde, had hij het zeer met ze te doen, aangezien hij de instandhouder van alle bomen en planten is. Om de Pracetâ's tot bedaren te brengen, sprak Soma als volgt. (Vedabase)

   

Text 7:

'Verbrand de arme bomen niet tot as, o fortuinlijke zielen, het is aan u om te streven naar een toename van alle levende wezens die jullie kennen als hun beschermers.

O zeer fortuinlijken, u moet deze arme bomen niet doden door ze tot as te verbranden. Het is uw plicht de burgers [prajâ's] alle voorspoed toe te wensen en u op te stellen als hun beschermers. (Vedabase)

 

Text 8:

Het moge jullie spijten; de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer, de oorspronkelijke, onveranderlijke Vader en almachtige beschermer, schiep al de bomen, de planten en de gewassen om tot voedsel te dienen.

De Allerhoogste Godspersoon, S'rî Hari, is de meester van alle levende wezens, met inbegrip van alle prajâpati's, zoals Heer Brahmâ. Hij is de alomtegenwoordige en onvernietigbare meester en het is Hij die al deze bomen en groenten geschapen heeft als voedsel voor andere levende wezens. (Vedabase)

 

Text 9

Waarlijk dienen de niet-bewegenden zij die vleugels hebben tot voedsel en dienen zij die geen ledematen hebben [zoals grassen] als voedsel voor degenen met benen die geen handen of klauwen hebben; de vierbenigen op hun beurt zijn er voor de dieren met klauwen en voor de tweebenigen [om respectievelijk met hun vlees en hun melk van dienst te zijn].

De natuur heeft het zo geregeld dat vruchten en bloemen als voedsel voor insekten en vogels dienen; gras en andere levende wezens zonder benen zijn bedoeld als voedsel voor viervoeters zoals koeien en buffels; dieren die hun voorpoten niet als handen kunnen gebruiken zijn als voedsel bestemd voor dieren die klauwen hebben, zoals tijgers; en viervoeters zoals herten en geiten alsook granen zijn als voedsel voor de mens bedoeld. (Vedabase)

 

Text 10:

U bent, naar de opdracht van uw vader en de God der Goden, o zondeloze n, er tevens om de bevolking voort te brengen; hoe dan in God's naam kunnen jullie de bomen in de as leggen?

O zuiveren van hart, uw vader, Prâcînabarhi, en de Allerhoogste Godspersoon hebben u opdracht gegeven om u te vermenigvuldigen en zodoende de wereld te bevolken. Hoe kunt u daarom deze bomen en planten verbranden, die nodig zijn om uw onderdanen en afstammelingen in stand te houden? (Vedabase)

 

Text 11:

Volg enkel, zoals jullie vader, grootvader en overgrootvader het deed, het pad der heiligen en bedwing de woede die zich in u opwierp!

Uw vader, grootvader en overgrootvaders hebben de weg der goedheid bewandeld, die erin bestaat dat men zijn onderdanen [prajâ's] - waaronder mensen, dieren en bomen - instandhoudt. Dat is de weg die u ook zou moeten volgen. Onnodige woede is in strijd met uw plicht. Daarom verzoek ik u uw woede te beheersen. (Vedabase)

 

Text 12:

Wees zoals de ouders die, zoals de oogleden zijn voor hun ogen, als vrienden zijn voor hun kinderen; wees zoals de echtgenoot zijn vrouw beschermt en zoals de huishouder zorg draagt voor hen die van liefdadigheid afhankelijk zijn, of gelijk de geschoolden die als vrienden zijn voor de onwetenden.

Zoals de vader en de moeder de vrienden en instandhouders van hun kinderen zijn, het ooglid het oog beschermt, de man zijn vrouw onderhoudt en bescherming biedt, het gezinshoofd bedelaars beschermt en onderhoudt, en de geleerde de vriend van de onwetenden is, zo is de koning de beschermer en levensbron van al zijn onderdanen. Ook de bomen zijn onderdanen van de koning, en dienen daarom eveneens te worden beschermd. (Vedabase)

 

Text 13:

De Superziel verblijvend in de lichamen van alle levende wezens is Heer en Meester over allen; probeer hen te bezien als Zijn verblijfplaats en moge Hij aldus tevreden over u zijn.

De Allerhoogste Godspersoon bevindt Zich als de Superziel in het diepst van het hart van alle levende wezens, of het nu bewegende of niet-bewegende levende wezens zijn - mensen, vogels, zoogdieren, bomen of wat voor levende wezens dan ook. Daarom zou u ieder lichaam als de woning of de tempel van de Heer moeten beschouwen. Zo'n visie zal de Heer tevredenstellen. U moogt in uw woede deze levende wezens in de gedaanten van bomen niet doden. (Vedabase)

  

Text 14:

Een ieder die door onderzoek in zelfverwerkelijking de zo machtige woede onderwerpt die, als uit de hemel gevallen, plots ontwaakte, zal de geaardheden der natuur overstijgen.

Wie voor de weg der zelfrealisatie kiest en daarom zijn machtige woede beheerst - die plotseling in het lichaam oplaait als kwam hij uit de hemel vallen - transcendeert de invloed van de geaardheden der materiële natuur. (Vedabase)

 

Text 15:

Genoeg met dat afbranden van de bomen, laat er al het goede geluk zijn voor hen die nog resten en aanvaard de dochter [genaamd Mârishâ], die door hen werd opgevoed, als uw echtegnote.'

Het is nergens voor nodig om deze arme bomen nog langer te verbranden. Laat de bomen die nog over zijn gelukkig zijn. Ook u zou gelukkig moeten zijn, want hier is een heel mooi meisje, met vele goede eigenschappen. Ze heet Mârishâ, en ze is grootgebracht door de bomen, als ware zij hun eigen dochter. Dit mooie meisje mag u tot vrouw nemen. (Vedabase)

 

Text 16:

O Koning, na hen aldus te hebben toegesproken, bracht hij, koning Soma, hen die waren teruggekeerd het Apsarameisje met de mooie heupen en huwden zij haar overeenkomstig de religie.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Mijn beste koning, nadat Soma, de koning van de maan, de Pracetâ's aldus tot bedaren had gebracht, schonk hij hun de mooie dochter van Pramlocâ Apsara. De Pracetâ's aanvaardden dit meisje, dat hele mooie, hoge heupen had, toen allemaal en huwden haar volgens de religieuze beginselen. (Vedabase)
 
Text 17:

In haar werd uit hen allen Daksha voortgebracht, de zoon van de Pracetâ's, door wiens voortplantingsdrift vervolgens de drie werelden gezegd werden te overstroomd met nageslacht.

Bij dit meisje verwekten de Pracetâ's een zoon genaamd Daksha, die de drie werelden met levende wezens bevolkte. (Vedabase)

 

Text 18:

Luister nu aandachtig naar mij hoe Daksha, zo vol genegenheid voor zijn dochters, middels zijn zaad als zeker ook middels zijn geest, al dat leven voortbracht.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Luister nu alstublieft met volle aandacht, dan zal ik u vertellen hoe Prajâpati Daksha, die zijn dochters zeer toegenegen was, door middel van zijn zaad en door middel van zijn geest verschillende soorten levende wezens schiep. (Vedabase)

 

Text 19:

Met inderdaad zijn geest zette de prajâpati in het begin de toon voor die levende wezens die van het goddelijke en het goddeloze zijn, met inbegrip van allen levend in de lucht, op het land of in het water, die onder hen ressorteerden.

Met zijn geest schiep Prajâpati Daksha eerst allerlei soorten halfgoden, demonen, mensen, vogels, zoogdieren, waterdieren enzovoort. (Vedabase)

 

Text 20:

Maar toen hij zag dat zijn schepping van levende wezens niet in aantal toenam, ging Daksha naar de voet van het Vindhyagebergte alwaar hij de moeilijkste boetedoeningen deed.

Maar toen Prajâpati Daksha zag dat hij niet genoeg verschillende levende wezens voortbracht, ging hij naar een berg nabij het Vindhyagebergte om daar zeer zware ascese te beoefenen. (Vedabase)

 

Text 21:

Daar op de gunstigste plaats om aan alle terugslagen van de zonde een einde te maken, de heilige plaats genaamd Aghamarshana, stelde hij de Heer tevreden door met ascese en regelmaat de ceremoniën op te voeren.

Vlakbij die berg was een zeer heilige plaats, Aghamarshana genaamd. Daar voerde Prajâpati Daksha verschillende riten uit en stelde hij de Allerhoogste Godspersoon, Hari, tevreden door zware versterving te ondergaan om Hem te plezieren. (Vedabase)

 

Text 22:

Ik zal u nu uiteen zetten hoe hij met de Hamsa-guhya ['het geheim van de zwaan']-gebeden de Heer tevreden stelde door Hem te behagen als de Allerhoogste Persoonlijkheid voorbij de zinnen.

Mijn beste koning, ik zal u een uitgebreide uitleg geven van de Hamsa-guhya-gebeden die Daksha tot de Allerhoogste Godspersoon richtte, en u beschrijven hoe hij de Heer met die gebeden tevredenstelde. (Vedabase)

 

Text 23:

Daksha zei: 'Mijn eerbetuigingen biedt ik Hem, van wie wij de juiste weg mogen inzien om de geaardheden en de materiële energie, waaraan allen die leven gebonden zijn, te transcenderen; Mijn lof voor Hem, de uit zichzelf geboren Beheerser boven iedere maat en berekening verheven, die in Zijn verblijfplaats niet waarneembaar is voor de materieel gestuurde intelligentie.

Prajâpati Daksha zei: De Allerhoogste Godspersoon is transcendentaal aan de begoochelende energie en de materiële verschijnselen die deze voortbrengt. Hij bezit het vermogen van onfeilbare kennis en de allerhoogste wil, en Hij is de bestuurder van zowel de levende wezens als de begoochelende energie. De geconditioneerde zielen die deze materiële openbaring als de enige werkelijkheid hebben aanvaard, kunnen Hem niet zien, omdat Hij niet gekend kan worden door middel van experimentele kennis. Hij is absoluut en volkomen, en Hij heeft geen hogere oorzaak. Laat ik Hem mijn nederige eerbetuigingen brengen. (Vedabase)

 

Text 24:

De vriend van wiens vriendschap de persoon geen weet heeft, precies zoals de zinsobjecten geen weet hebben van het zintuig dat hen waarneemt; die vriend waarmee men in dit lichaam samenleeft, Hem bied ik mijn eerbetuigingen.

Op dezelfde manier als de zinsobjecten [vorm, smaak, aanraking, geur en geluid] niet in staat zijn te begrijpen hoe de zinnen hen waarnemen, kan ook de geconditioneerde ziel - ondanks het feit dat hij samen met de Superziel in hetzelfde lichaam verblijft - niet begrijpen hoe de allerhoogste geestelijke persoon, de meester van de materiële schepping, zijn zinnen bestuurt. Laat ik mijn nederige eerbetuigingen brengen aan die Allerhoogste Persoon, die de allerhoogste bestuurder is. (Vedabase)

 

Text 25:

Dit lichaam met zijn soorten van adem, zijn zinnen, zijn begrip, zijn elementen en zinsobjecten, zij voor zichzelf, naar elkaar toe en naar alles toe daarbuiten, worden gekend door het levend wezen; maar met al die kwaliteiten bekend, kent hij niet de Onbegrensde die allen kent; Hem aanbid ik.

Omdat het lichaam, de levensluchten, de uit- en inwendige zinnen, de vijf grofstoffelijke elementen en de fijnstoffelijke zinsobjecten [vorm, smaak, geur, geluid en aanraking] maar materie zijn, kunnen ze noch hun eigen aard kennen, noch die van de andere zinnen of die van hun bestuurders. Maar het levend wezen, dat geestelijk is, is wel in staat om zijn lichaam, de levensluchten, de zinnen, de elementen en de zinsobjecten te kennen, en hij kan bovendien de drie geaardheden begrijpen die er de oorsprong van zijn. Ondanks het feit echter dat het levend wezen volkomen op de hoogte is van dit alles, is hij niet bij machte om het Allerhoogste Wezen te zien, dat alwetend en oneindig is. Daarom breng ik Hem mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Text 26:

Als het denken tot staan is gebracht en alle ideeën en namen van vorm van een materiële zienswijze en heugenis hun einde hebben gevonden, zal als gevolg van dat beëindigen Hij worden waargenomen in Zijn eigen unieke spirituele volkomenheid; jegens die zwaangelijke [zwaan genoemd vanwege het uitziften van ware van het onware, van de melk uit het water], jegens Hem die men zich realiseert in de zuiverste staat, mijn respect.

Wanneer het bewustzijn volkomen gezuiverd is van alle grove en subtiele materiële besmetting, en niet langer onrustig is zoals in waak- of droomtoestand, en wanneer de activiteiten van de geest niet opgeschort zijn zoals in susupti, de toestand van diepe slaap, komt men tot het niveau van trance. In die toestand komt er een eind aan onze materiële visie en de herinneringen in de geest, op basis waarvan we namen en vormen creëren. Alleen in zo'n toestand van trance wordt de Allerhoogste Godspersoon geopenbaard. Laat ons daarom onze nederige eerbetuigingen brengen aan de Allerhoogste Godspersoon, die in die onbesmette, transcendentale toestand waargenomen kan worden. (Vedabase)

 

Text 27-28:

Precies als met vuur dat opgesloten in het hout tevoorschijn wordt getoverd met het zingen van de vijftien hymnen [de Sâmidhenîmantra's], toveren de grote brahmanen van het offeren dat tevoorschijn wat met Zijn krachten bij de geaardheden der natuur zich bevindt in het hart van de gevierde en de overige elementen [zie b.v. 3.26: 11 ]; Hij, die men zich realiseert met de verrukking, de negatie van het zich bevrijden van het illusoire van de hele verscheidenheid; Hij van alle namen, Hij, de gigantische gedaante van het universum; moge Hij, dat ondoorgrondelijke reservoir van alle kwaliteiten mij genadig zijn.

Zoals grote geleerde brâhmana's die expert zijn in het uitvoeren van riten en het brengen van vedische offers door het chanten van de vijftien Sâmidhenî-mantra's, het vuur dat in hout verborgen ligt te voorschijn kunnen brengen, en daarmee de kracht van de vedische mantra's bewijzen, zo kunnen degenen die werkelijk gevorderd van bewustzijn zijn - zij die Krishna-bewust zijn - de Superziel ontwaren, die Zich door Zijn eigen transcendentale vermogen in het hart bevindt. Het hart is bedekt met de drie geaardheden der materiële natuur, en de negen materiële elementen [de materiële natuur, de totale materiële energie, het ego, de geest en de vijf objecten van zinsbevrediging], alsook door de vijf materiële elementen en de tien zinnen. Deze zevenentwintig elementen maken tezamen de uitwendige energie van de Heer uit. Grote yogi's mediteren op de Heer, die Zich als de Superziel, Paramâtmâ, in het diepst van het hart bevindt. Moge die Superziel tevreden over me zijn. Men kan de Superziel realiseren wanneer men erop gebrand is om bevrijd te raken uit de oneindig vele vormen van materieel leven. Die bevrijding kan men bereiken als men zich aan de transcendentale liefdedienst van de Heer wijdt en Hem door zijn houding van dienstbaarheid realiseert. Men kan de Heer aanspreken met verschillende geestelijke namen, die niet te bevatten zijn voor de materiële zintuigen. Wanneer zal die Allerhoogste Godspersoon tevreden over me zijn? (Vedabase)

 

Text 29:

Wat dan ook uitgedrukt in woorden of vastgesteld in bezinning, in zintuiglijke waarneming of in gedachten, moge van iets, dat bestaat als een uitdrukking van de drie geaardheden, daadwerkelijk niet de eigenlijke vorm zijn; de eigenlijke vorm doet zich in waarheid voor als dat [vormhebbende van de Allerhoogste Heer] wat de oorzaak is die een einde maakt aan alles wat van de geaardheden in de schepping is.

Alles wat men uit door middel van materieel geluid, alles wat men vaststelt door middel van materiële intelligentie, en alles wat men waarneemt met de materiële zinnen of verzint met de materiële geest, is slechts een produkt van de geaardheden der materiële natuur en heeft daarom niets met de ware aard van de Allerhoogste Godspersoon te maken. De Allerhoogste Heer staat boven deze geschapen materiële wereld, aangezien Hij de oorzaak van zowel de materiële geaardheden als de schepping is. Als oorzaak aller oorzaken, bestaat Hij zowel vóór als na de schepping. Aan Hem wil ik mijn nederige eerbetuigingen brengen. (Vedabase)

 

Text 30:

In wie, van wie en door wie als ook tot wie behoort en op wie is gericht; Hij, ofwel optredend ofwel daartoe aanleiding gevend, is van zowel het materiële als het spirituele van het bestaan de Allerhoogste Oorzaak een ieder welbekend, die het Brahman is, de Oorzaak Aller Oorzaken, de onvergelijkelijke Ene buiten wie er geen andere oorzaak te vinden is.

Het Allerhoogste Brahman, Krishna, is de uiteindelijke rustplaats en bron van alles. Alles wordt door Hem gedaan, alles behoort Hem toe en alles wordt aan Hem geofferd. Hij is het hoogste doel, en of Hij nu Zelf handelt of anderen doet handelen, Hij is uiteindelijk degene die alles doet. Er zijn vele oorzaken, hogere en lagere, maar aangezien Hij de oorzaak aller oorzaken is, staat Hij bekend als het Allerhoogste brahman die reeds vóór alle activiteiten bestond. Niemand is Zijn gelijke, en Hij heeft geen oorzaak buiten Zichzelf. Daarom breng ik Hem mijn eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Text 31:

Van wiens vele energieën de sprekers der verschillende filosofieën met het bespreken van de oorzaken van tegenwerping en instemming zijn en van wie zij voortdurend, verbijsterd over de ziel, creatief zijn; jegens Hem, die onbegrensde alles doordringende Ene van alle bovenzinnelijke kenmerken, mijn eerbetoon.

Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de alomtegenwoordige Allerhoogste Godspersoon, die oneindig veel transcendentale eigenschappen bezit. Vanuit het binnenste van het hart van al dergelijke filosofen die verschillende visies propageren, laat Hij ze hun eigen ziel vergeten tijdens hun gedebatteer, waarbij ze het soms met elkaar eens zijn en dan weer niet. Zodoende schept Hij in deze materiële wereld een situatie waarin ze niet in staat zijn om tot een conclusie te komen. Aan Hem breng ik mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Text 32:

Zij die de kennis voorstaan van de uiteindelijke oorzaak en spreken over wat zou zijn [het absolute heeft vorm: sâkâra] en wat niet zou zijn [het absolute is vormloos: nirâkâra], betrekken zich op één en hetzelfde onderwerp van studie maar leggen verschillende en tegengestelde karakters aan de dag zoals men dat kan opmaken uit dat wat van de mystieke eenheid en van analyse is; daadwerkelijk is die transcendentale verblijfplaats, die uiteindelijke oorzaak, één en dezelfde [vergelijk 5.26: 39].

Er bestaan twee groepen - namelijk de theïsten en de atheïsten. De theïsten, die het bestaan van de Superziel erkennen, ontdekken de geestelijke oorzaak van al wat is door middel van mystieke yoga. De Sânkhyïten echter, die alleen de materiële elementen analyseren, komen tot een impersonalistische conclusie, en ontkennen dat er een allerhoogste oorzaak bestaat - zij het Bhagavân, Paramâtmâ of zelfs Brahman. In plaats daarvan houden ze zich bezig met de enorme hoeveelheid uiterlijke verschijnselen in de materiële natuur. Uiteindelijk leveren beide groepen echter het bewijs van het bestaan van de Absolute Waarheid, omdat ze ondanks het feit dat hun verklaringen met elkaar in strijd zijn, hetzelfde doel hebben, namelijk het vinden van de uiteindelijke oorzaak. Beide benaderen hetzelfde Allerhoogste Brahman, aan wie ik mijn nederige eerbetuigingen breng. (Vedabase)

 

Text 33:

Teneinde Zijn grondeloze genade te tonen aan de toegewijden aan Zijn lotusvoeten, manifesteert Hij, de eeuwige, Allerhoogste Persoonlijkheid die niet aan enige naam of vorm gebonden is, Zich met de gedaanten en heilige namen waarmee Hij geboorte neemt en optreedt; moge Hij, de Transcendentie, genade met me hebben.

De Allerhoogste Godspersoon, wiens rijkdom onvoorstelbaar is, die geen materiële namen, gedaanten of activiteiten heeft en alomtegenwoordig is, is bijzonder genadig voor de toegewijden die Zijn lotusvoeten vereren. Daarom openbaart Hij door middel van Zijn spel en vermaak verschillende transcendentale gedaanten en namen. Moge die Allerhoogste Godspersoon, wiens gedaante eeuwig en vol kennis en gelukzaligheid is, me genadig zijn. (Vedabase)

 

Text 34:

Hij die met de lagere ontwikkelingsgraden der aanbidding Zich naar gelang de verlangens van ieder levend wezen manifesteert vanuit de kern van het hart, wint, net als de wind waaiend over de aarde, aan kleur en aroma, [aldus de gedaante van halfgoden aannemend]; moge Hij, mijn Heerser, aandacht hebben voor mijn overwegingen.'

Op dezelfde manier als de lucht verschillende aspecten van de fysieke elementen met zich meevoert, zoals het aroma van een bloem of bepaalde kleuren doordat er stof met de lucht vermengd raakt, toont de Heer Zich naargelang het verlangen van iemand die Hem via de minder volmaakte methoden vereert, alhoewel Hij dan als de halfgoden verschijnt, en niet in Zijn oorspronkelijke gedaante. Wat is echter het nut van deze andere gedaanten? Moge de oorspronkelijke Allerhoogste Godspersoon mijn verlangens vervullen. (Vedabase)

 

Text 35-39:

S'rî S'uka zei: 'Na aldus te zijn geprezen door de opgedragen gebeden verscheen Hij, de Allerhoogste Heer, de zorgdrager der toegewijden, aldaar in Aghamarshana, o beste onder de Kuru's. Met Zijn voeten op Garuda's schouders hield Hij met Zijn acht lange en machtige armen, de werpschijf, de schelphoorn, het zwaard, het schild, de pijl, de boog, het touw en de knots omhoog. Zijn intens blauw-zwarte gedaante was gehuld in gele kledij, Zijn gezicht en blik waren zeer opgewekt en Zijn hele lichaam was van top tot teen opgesierd; versierd met het stralende Kaustubha juweel, het S'rîvatsa merkteken, een grote geronde helm, glitterende haaien-oorhangers, een gordel, ringen om Zijn vingers, armbanden om Zijn polsen en bovenarmen en met Zijn enkelbelletjes, betoverde Zijn verschijning de drie werelden. Als de schittering van de lagere, de hogere en de tussenwerelden werd de Beheerser omringd door Nârada, Nanda en andere eeuwige metgezellen zowel als door de leiders der goddelijken, en werd Hij verheerlijkt door de volmaakten, de hemelse zangers, en de eerbiedwaardigen van de Veda's die voor hem zongen.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: De Allerhoogste Godspersoon, Hari, die Zijn toegewijden uitermate toegenegen is, was zeer voldaan over de gebeden van Daksha, en openbaarde Zich daarom op die heilige plaats, bekend als Aghamarshana. O Mahârâja Parîkshit, beste der Kuru's, de lotusvoeten van de Heer rustten op de schouders van Garuda, Zijn drager, en Hij verscheen met acht prachtige, lange, machtige armen. In iedere hand hield Hij een ander, schitterend wapen - namelijk een werpschijf, een hoornschelp, een zwaard, een schild, een pijl, een boog, een touw en een knots. Zijn kleding was geel en de kleur van zijn lichaam diep blauwachtig. De uitdrukking van Zijn ogen en trouwens Zijn hele gelaat was heel blij, en de lange bloemenslinger om Zijn hals hing tot op Zijn voeten. Zijn borst was getooid met het Kaustubha-juweel en het S'rîvatsa-teken. Op Zijn hoofd droeg Hij een prachtige, ronde helm, en Zijn oren waren gesierd met oorbellen die er uitzagen als haaien. Al deze juwelen waren uitzonderlijk mooi. De Heer droeg een gouden gordel rond Zijn middel, armbanden om Zijn armen, ringen om Zijn vingers en enkelbellen om Zijn voeten. Aldus getooid met verschillende sieraden, kent men Heer Hari, tot wie alle levende wezens in de drie werelden aangetrokken zijn, als Purushottama, de beste van allen. Hij was vergezeld van grote toegewijden zoals Nârada, Nanda en alle belangrijke halfgoden, met de hemelkoning Indra aan het hoofd, en de bewoners van verschillende hogere planetenstelsels zoals Siddhaloka, Gandharvaloka en Câranaloka. Deze toegewijden, die zich zowel aan weerskanten als achter de Heer bevonden, richtten voortdurend gebeden tot Hem. (Vedabase)

 

Text 40:

Met het zien van die hoogst wonderbaarlijke gedaante was de prajâpati aanvankelijk bevreesd, maar toen, naar lichaam, geest en ziel verheugd, wierp hij zich languit voorover ter aarde.

Toen Prajâpati Daksha die prachtige, stralende gedaante van de Allerhoogste Godspersoon zag, was hij eerst enigszins bevreesd, maar daarna heel erg blij om de Heer te aanschouwen, en hij liet zich als een stok op de grond vallen [dandavat] om de Heer zijn eerbetuigingen te brengen. (Vedabase)

 

Text 41:

Door het grote geluk dat zijn zinnen vulde als rivieren volstromend van bergstroompjes, was hij niet in staat een woord uit te brengen.

Zoals rivieren gevuld raken met het water dat van de bergen stroomt, zo raakten al Daksha's zinnen vervuld van vreugde. Door het zeer grote geluk dat hij ervaarde, kon hij geen woord uitbrengen, en hij bleef gewoon languit op de grond liggen. (Vedabase)

 

Text 42:

Met het zien van een grote toegewijde als hij, vol van verlangen naar nageslacht, voor Hem uitgestrekt, sprak Hij, Janârdana die allen tot vrede beweegt en die op de hoogte is van ieders hartewens, als volgt.

Hoewel Prajâpati Daksha geen woord kon uitbrengen, sprak de Heer, die ieders hart kent, de volgende woorden tot hem toen Hij hem daar zo zag liggen, vervuld van het verlangen om de bevolking uit te breiden. (Vedabase)

 

Text 43:

De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van de Pracetâ's, u, zo hoogst fortuinlijk, vervolmaakte in groot geloof door uw boetedoeningen uw goede zelf en bereikte met Mij als uw voorwerp het allerhoogste van de liefde.

De Allerhoogste Godspersoon zei: O zeer fortuinlijke Prâcetasa, door je diepe geloof in Mij ben je tot de hoogste devotionele extase gekomen. Ja, als gevolg van je ascese gecombineerd met je verheven toewijding is je leven nu met succes bekroond en heb je volkomen volmaaktheid bereikt. (Vedabase)

 

Text 44:

Ik ben zeer verheugd over u, o heerser der mensen; vanwege uw boete is het aantal van de levende wezens alhier toegenomen. Moge er van dit verlangen vooruitgang zijn op ieder gebied.

Mijn beste Prajâpati Daksha, je hebt zeer zware ascese ondergaan voor het welzijn en de toename van de wereldbevolking. Ook Ik wens dat iedereen in deze wereld gelukkig is. Ik ben zeer tevreden over je omdat je je inzet voor het welzijn van de hele wereld en daarmee Mijn verlangen vervult. (Vedabase)

 

Text 45:

Brahmâ, S'iva, u allen stamvaders, de Manu's en alle heersers van macht [zoals de goddelijkheid van de zon en de maan], al dezen zijn inderdaad expansies van Mijn energieën en vormen de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens.

Heer Brahmâ, Heer S'iva, de Manu's, de andere halfgoden op de hogere planetenstelsels en ook jullie, de prajâpati's, die de bevolking uitbreiden, zetten zich in voor het welzijn van alle levende wezens. Zodoende zijn jullie, expansies van Mijn tussen-energie, allen incarnaties van Mijn verschillende eigenschappen. (Vedabase)

 

Text 46:

Boete is Mijn hart, o brahmaan, de vedische kennis is Mijn lichaam, de spirituele aktiviteiten zijn Mijn gedaante, de rituelen volgens voorschrift uitgevoerd zijn Mijn ledematen en de verlevendiging door de goddelijken [het ongeziene goede geluk der devotionele activiteiten] is het ware van Mijn geest en ziel.

Mijn beste brâhmana, ascese in de vorm van meditatie is Mijn hart; vedische kennis in de vorm van hymnen en mantra's is Mijn lichaam; en geestelijke activiteiten en extatische emoties Mijn ware gedaante. De riten en offers, naar behoren uitgevoerd, zijn Mijn verschillende leden; het onzichtbare geluk dat voortkomt uit vrome of geestelijke activiteiten vormt Mijn geest; en de halfgoden die in hun verschillende departementen Mijn opdrachten uitvoeren, zijn Mijn ziel en zaligheid. (Vedabase)

 

Text 47:

In den beginne, vóór de schepping, was Ik zeker de enige die er bestond, buiten Mij was er niets te vinden; het uitwendige van een materieel bewustzijn was niet gemanifesteerd alsof in slaap verzonken.

Vóór de schepping van deze kosmische openbaring bestond alleen Ik, met Mijn eigen geestelijke vermogens. Bewustzijn was toen ongeopenbaard, net zoals het bewustzijn van iemand die slaapt ongeopenbaard is. (Vedabase)

 

Text 48:

Toen in Mij, vanuit Mijn onbegrensd vermogen, het onbegrensde der kwaliteiten in de gedaante van het universum zijn bestaan vond, werd inderdaad daarin het eerste levende wezen, Heer Brahmâ, geboren afkomstig uit niemand anders dan zichzelf.

Ik bezit onbeperkte vermogens, en daarom sta Ik bekend als oneindig of alomtegenwoordig. De kosmische openbaring is in Mij ontstaan uit Mijn materiële energie, en in die universele openbaring verscheen het belangrijkste levend wezen, Heer Brahmâ, die jou heeft voortgebracht en die geen materiële moeder heeft gehad. (Vedabase)

 

Text 49-50:

Toen hij, Svayambhû, de waarlijk grote God, in het tot stand proberen te brengen van de schepping over zichzelf, in het verlengde van Mijn macht, nadacht als zijnde incapabel, werd de god die hij was te dien tijde door mij aangeraden de zwaarste boetedoening te volbrengen; aldus waren er van hem in het begin de negen grote persoonlijkheden der schepping waaruit u allen bent voortgekomen [zie 3.24: 21 en ook3.8].

Toen de belangrijkste heer van het universum, Heer Brahmâ [Svayambhû], nadat hij door Mijn energie geïnspireerd was, probeerde te scheppen, achtte hij zich daartoe niet in staat. Daarom gaf Ik hem advies, en overeenkomstig Mijn aanwijzingen heeft hij toen zeer zware ascese beoefend. Dankzij deze ascese was de grote Heer Brahmâ in staat negen personen voort te brengen om hem bij het scheppingswerk te helpen, en jij bent een van hen. (Vedabase)

 

Text 51:

O Prajâpati, neemt deze dochter genaamd Asiknî van een andere prajâpati genaamd Pañcajana tot uw echtgenote, mijn beste zoon.

O Daksha, Mijn beste zoon, Prajâpati Pañcajana heeft een dochter met de naam Asiknî. Ik schenk haar aan jou opdat je haar als je vrouw zult aanvaarden. (Vedabase)

 

Text 52:

U, gehuwd met haar, zal in seksuele gemeenschap overeenkomstig de beginselen der religie wederom [zie 4.2] de oorzaak zijn van de velen van dezen die overeenkomstig het dharma echtelijk verbonden geboorte zullen geven aan alle levenden [zie ook B.G. 7: 11].

Verenig je nu in geslachtsgemeenschap als man en vrouw, want op die manier zul je bij dit meisje honderden kinderen kunnen verwekken om de bevolking van het universum uit te breiden. (Vedabase)

 

Text 53:

Alle levenden die, vanwege Mijn begoochelende energie, na u overgaan tot seksuele gemeenschap, zullen er dan eveneens toe komen hun best te doen in het brengen van offers aan Mij. '

Nadat je vele honderdduizenden kinderen zult hebben verwekt, zullen ook zij aan Mijn begoochelende energie ten prooi vallen, en zich net als jij overgeven aan geslachtsverkeer. Maar dankzij Mijn genade jegens jou en hen zullen ook zij Me vol toewijding offerandes kunnen aanbieden. (Vedabase)

 

Text 54:

S'rî S'uka zei: 'Met het Hem aldus sprekend voor ogen hebben, verdween de Allerhoogste Heer, de schepper van het hele universum, vandaar alsof Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, een droombeeld was geweest.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Nadat de Allerhoogste Godspersoon, Hari, de schepper van het universum, aldus gesproken had in het bijzijn van Prajâpati Daksha, verdween Hij opeens, als een droombeeld. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Muralidhara dasa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties