Tweede
editie, geladen 27 april 2009

Voorgaande
Aadhar-editie en
Vedabase links:
Tekst
1-2
De
Allerhoogste Heer zei: 'Mysticisme noch analyse, algemene
vroomheid en ook niet de studie van geschriften;
boetedoeningen, verzaking, gewenste en vrome werken noch
liefdadigheid; het naleven van geloften, plechtigheden,
vedische hymnen, pelgrimeren, algemene discipline noch de
basisregels omvatten Mij in de mate waarin de sat-sanga
[zie 11.11:
25] Mij
omvat die alle gehechtheid aan zinsbevrediging
wegvaagt.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Mysticisme noch analyse, reguliere
vroomheid, en ook niet de studie van de geschriften,
boetedoeningen, verzaking, gewenste en vrome werken, en
liefdadigheid ook niet; het naleven van geloften,
plechtigheden, vedische hymnen, pelgrimeren, algemene
discipline noch de basisregels omvatten Mij in de mate
waarin de sat-sanga [zie 11.11: 25] Mij omvangt die
alle materiële associatie wegvaagt.
(Vedabase)
Tekst
3-6
Door alleen maar
sat-sanga bereikten vele levende wezens zoals de zoons
van Diti, de kwaadaardigen, de dieren, de vogels, de zangers en
dansers van de hemel, de excellenten en vervolmaakten, de
eerbiedwaardigen en de schatbewaarders, de wetenschappers onder
de mensen en de handelaren, de arbeiders en de vrouwen, de
ongeciviliseerden en zij die van de hartstocht en de traagheid
zijn in ieder tijdperk steeds Mijn verblijf. En zo lukte dat
ook Vritrâsura,
de zoon van Kayâdhû [Prahlâda,
zie 6.18:
12-13] en
anderen zoals zij, Vrishaparvâ [zie
9.18:
26],
Bali,
Bâna,
Maya
alsook Vibhîshana [de broer van Râvana],
Sugrîva [de leider van de Vânara's]
en Hanumân,
Jâmbavân,
Gajendra,
Jatâyu,
Tulâdhâra,
Dharma-vyâdha,
Kubjâ
en de gopî's in Vraja, alsook de vrouwen van de
brahmanen [zie 10.23]
en anderen.
Door
enkel satsang bereikten vele levende wezens zoals de zoons
van Diti, de kwaadaardigen, de dieren, de vogels, de zangers
en dansers van de hemel, de excellenten en vervolmaakten, de
eerbiedwaardigen en de schatbewaarders, de wetenschappers
onder de mensen en de handelaren, de arbeiders en de
vrouwen, de ongeciviliseerden en zij die van de hartstocht
en de traagheid zijn in ieder tijdperk steeds Mijn verblijf,
zoals ook Vritrâsura, de zoon van Kayâdhû
[Prahlâda, zie 6.18: 12-13] en anderen,
Vrishaparvâ [zie 9.18: 26], Bali, Bâna,
Maya als ook Vibhîshana [de broer van
Râvana], Sugrîva [de leider van de
vânara's] en Hanumân, Jâmbavân,
Gajendra, Jatâyu, Tulâdhâra,
Dharma-vyâdha, Kubjâ en de gopî's in Vraja
en ook de vrouwen van de brahmanen [zie 10.23] en
anderen dat deden. (Vedabase)
Tekst
7
Zij die niet de heilige
schrift bestudeerden, noch de grote heiligen aanbaden,
bereikten, zonder geloften te hebben afgelegd en zonder
boetedoeningen, Mij door Mijn gezelschap.
Zij,
niet de heilige schrift bestudeerd hebbend, noch de grote
heiligen aanbeden hebbend, bereikten, zonder geloften en
zonder boetedoeningen ondergaan te hebben, Mij middels Mijn
omgang. (Vedabase)
Tekst
8-9
Door enkel de liefde
inderdaad bereikten de gopî's, de koeien, de
onbeweeglijke schepselen, de dieren, de slangen [als
Kâliya]
en anderen die verbijsterd waren in hun intelligentie, zonder
moeite de volmaaktheid door naar Mij te komen, Ik die niet kan
worden bereikt met een groots opgezet ondernemen in de yoga,
met analyseren, met liefdadigheid, geloften, boetepraktijken,
rituele offerplechtigheden, exegese, persoonlijke studie of
door zich aan te sluiten bij de wereldverzakende
orde.
Inderdaad
zuiver door de liefde bereikten de gopî's, de koeien,
de onbeweeglijke schepselen, de dieren, de slangen [als
Kâliya] en anderen die verbijsterd waren in hun
intelligentie, de volmaaktheid heel gemakkelijk door tot Mij
te komen, Ik die niet kan worden bereikt grotelijks
ondernemend met de yoga, met analyseren, met liefdadigheid,
geloften, boetepraktijken, rituele offerplechtigheden,
exegese, persoonlijke studie of het aanvaarden van de
wereldverzakende orde.
(Vedabase)
Tekst
10
Toen Akrûra Mij en
Balarâma naar Mathurâ bracht waren de bewoners
steeds zeer gehecht aan Mij met geesten vervuld van de grootste
liefde. Met Mij als de enige die ze gelukkig kon maken waren ze
er allerellendigst aan toe nadat ze van Mij gescheiden waren
[zie 10:
39].
Toen
Akrûra Mij samen met Balarâma naar Mathurâ
meenam waren zij van niet aflatende gehechtheid, wiens
bewustzijn allerdiepzinnigst was door hun liefde, van een
groot leedwezen in reactie op het afscheid toen ze niemand
anders dan Mij zagen om hen gelukkig te maken [zie 10:
39]. (Vedabase)
Tekst
11
Al de nachten die ze in
Vrindâvana met Mij, hun teer beminde Geliefde, hadden
doorgebracht o Uddhava, schenen hen slechts een kortstondig
moment toe, maar weer verstoken van Mij leken die nachten wel
een kalpa
te duren.
Al
de nachten die ze in Vrindâvana met Mij, hun teer
beminde Geliefde, hadden doorgebracht o Uddhava, schenen hen
slechts een kortstondig moment toe, maar weer verstoken van
Mij werden ze zo lang als een kalpa.
(Vedabase)
Tekst
12
Zij die in hun bewustzijn
aan Mij gebonden waren in de intimiteit waren zich niet meer
bewust van hun eigen lichamen, net zoals wijzen die volledig
verzonken het bewustzijn verliezen van zaken zo nabij als namen
en vormen, als ze als rivieren die de oceaan instroomden zich
ver verwijderd hebben [in het voorbije, zie B.G.
2:
70].
Zij
met hun bewustzijn gevangen in de intimiteit met Mij waren
zich niet bewust van hun eigen lichamen, precies zoals
wijzen in volledige verzonkenheid iets dat zeer nabij staat,
als namen en vormen, bezien als zo ver van hen verwijderd
als rivieren die eenmaal de oceaan zijn ingestroomd
[B.G. 2: 70].
(Vedabase)
Tekst
13
De vrouwen met Mij, een
bekoorlijke minnaar naar hun zin, de geliefde van de vrouw van
een andere man, hadden geen idee van de eigenlijke positie van
Mij, de Allerhoogste Absolute Waarheid, die ze met
honderdduizenden tegelijk bereikten.
De
vrouwen met Mij, een bekoorlijke minnaar naar hun zin, de
geliefde van de vrouwen van een ander, hadden geen idee van
de eigenlijke positie van Mij, de Allerhoogste Absolute
Waarheid, die ze met honderdduizenden tegelijk bereikten.
(Vedabase)
Tekst
14-15
Derhalve o Uddhava, geef
de voorschriften, de reglementen ermee en de cultuur der riten
terwille van zichzelf op, geef dat op wat je te weten kwam en
nog te weten zult komen; ga alleen voor Mij, de eigenlijke
beschutting van de ziel binnenin al de belichaamden; met die
enkele toewijding moet je bij Mijn genade niets te vrezen
hebben van welke zijde ook [vergelijk B.G.
18:
66].'
Derhalve
o Uddhava, geef de voorschriften, de reglementen ermee en de
cultuur der riten terwille van zichzelf op, geef dat op wat
je te weten kwam en nog zult te weten komen; ga alleen voor
Mij, de eigenlijke beschutting van de ziel binnenin al de
belichaamden; met die enkele toewijding moet je bij Mijn
genade niets te vrezen hebben van welke zijde dan ook
[vergelijk B.G. 18:
66].
(Vedabase)
Tekst
16
S'rî Uddhava zei:
Het horen van Jouw woorden, o meester van alle yogameesters,
heeft de twijfel niet weggenomen die zich nestelde in mijn hart
en waardoor mijn geest de weg kwijt is.'
S'rî
Uddhava zei: 'Het horen van Jouw woorden, o Heer van de
Heren der Yoga, heeft de twijfel niet weggenomen die zich
nestelde in mijn hart en waarvan mijn geest de weg kwijt
is.'
(Vedabase)
Tekst
17
De Allerhoogste Heer zei:
'Hij, het levende wezen Zelve, is, samen met de
prâna, vanbinnen aanwezig, want Hij ging het hart
binnen Zijn plaats hebbend in de subtiele geluidsvibratie die
de geest in beslag neemt in de grovere vorm van de
verschillende intonaties van korte en langere klinkers en
medeklinkers.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Hij, het levende wezen Zelve, is,
samen met de prâna, innerlijk aanwezig met het
binnengegaan zijn in het hart waarbij Hij Zijn plaats heeft
in de subtiele geluidsvibratie die de geest in beslag neemt
in de grovere vorm van de verschillende intonaties van korte
en langere klinkers en medeklinkers.
(Vedabase)
Tekst
18
Precies zoals vuur
opgesloten in hout, met behulp van lucht, door wrijving
ontstoken heel klein wordt geboren en aangroeit met ghee,
manifesteer Ik Mij dienovereenkomstig in dit gesproken
[vedische] woord.
Precies
zoals vuur opgesloten in hout, met behulp van lucht, door
wrijving ontstoken heel klein wordt geboren en aangroeit met
ghee, is het dienovereenkomstig inderdaad met Mijn
manifestatie voorzeker zo in woorden.
(Vedabase)
Tekst
19
Aldus zijn er als
[Mijn] transformaties de spraak, de functie van de
handen en de benen, de geslachtsdelen en de anus [de
karmendriya's];
de reuk, de smaak, het zien, de tastzin en het horen [de
jñânendriya's]
en de functies van iemands overtuiging, wijsheid en eigenbelang
[ofwel de 'geest, de intelligentie en het valse ego']
zowel als het primaire van de materie [de
pradhâna
of de draad, zie 11.9:
19] en de
rajas, tamas en de sattva [de
guna's].
Aldus
zijn de spraak, de functie van de handen en de benen, de
geslachtsdelen en de anus [de karmendriya's]; de
reuk, de smaak, het zien, de tastzin en het horen [de
jñânendriya's] en de functies van het
vaststellen, de ervaringswijsheid en het eigenbelang [of
de 'geest, de intelligentie en het valse ego'] zowel als
het primaire van de materie [de pradhâna of de
draad, zie 11.9: 19] en de rajas, tamas en de sattva
[de guna's] er als de transformatie [van
Mij]. (Vedabase)
Tekst
20
Waarlijk is dit levende
wezen dat, één en ongemanifesteerd zijnde begaan
is met de drievoudigheid, de bron van de lotus der schepping.
Hij, eeuwig als Hij is, verschijnt, in de loop van de tijd Zijn
vermogens opdelend, in vele verdelingen, net als zaden dat doen
nadat ze vielen in een vruchtbare bodem.
Waarlijk
is dit levende wezen, één en ongemanifesteerd,
dat begaan is met de drievoudigheid, de bron van de lotus
der schepping; Hij, eeuwig als Hij is, in de loop van de
tijd Zijn vermogens opdelend in vele verdelingen, verschijnt
net als zaden dat doen gevallen op een vruchtbare bodem.
(Vedabase)
Tekst
21
Net zoals stof zich
uitstrekt langs de schering en de inslag van zijn draden,
bevindt het geheel van dit universum, zich lang en breed
uitbreidend, zich in Hem [op Zijn draad, zie ook
6.3:
12 en B.G.
7:
7]. Van
dit materiële bestaan is er sinds mensenheugenis deze boom
[dit organisch lichaam], die van nature met het
opbloeiend voortbrengen van vruchten is geneigd tot
vruchtdragende arbeid [ofwel karma].
Net
zoals stof zich uitstrekt op de schering en de inslag van
zijn draden, bevindt het geheel van dit universum, zich lang
en breed uitbreidend, zich in Hem [op Zijn draad, zie
ook 6.3: 12 en B.G. 7: 7] als dit materiële
bestaan, waarvan deze boom [dit organisch lichaam]
bestaand sinds mensenheugenis, van nature is geneigd tot
vruchtdragende arbeid [of karma] met het opbloeiend
voortbrengen van de vruchten. (Vedabase)
Tekst
22-23
Van deze boom die zich
uitstrekt in de zon zijn er twee zaden [zonde en
deugd], honderden van wortels [de levende wezens],
drie stammen beneden [de geaardheden], vijf stammen
boven [de elementen], vijf sappen voortgebracht
[geluid, vorm, aanraking, smaak en geur], elf
vertakkingen [de geest en de tien indriya's];
twee vogels die er hun nest hebben [de jîva en
de âtmâ], drie soorten van bast [de
lucht, de gal en het slijm] en twee vruchten [het geluk
en het ongeluk]. De wellustige levend in een huishouding
geniet van één vrucht van de boom, terwijl de
zwaangelijke anderen die in het woud leven met de hulp van de
aanbiddelijken [de toegewijden, de goeroes] de Ene
kennen die bij machte van Zijn mâyâ
verschijnt in vele gedaanten.
Van
deze boom die zich uitstrekt in de zon zijn er twee zaden
[zonde en deugd], honderden van wortels [de
levende wezens], drie stammen beneden [de
geaardheden], vijf stammen boven [de elementen],
vijf sappen voortgebracht [geluid, vorm, aanraking,
smaak en geur], elf vertakkingen [de geest en de
tien indriya's]; twee vogels die er hun nest hebben
[de jîva en de âtmâ], drie soorten
van bast [de lucht, de gal en het slijm] en twee
vruchten [het geluk en het ongeluk]. De wellustige
levend in een huishouding geniet van één
vrucht van de boom, terwijl de zwaangelijke anderen in het
woud levend met de hulp van de aanbiddelijken [de
toegewijden, de goeroes] de Ene kennen die bij machte
van Zijn mâyâ verschijnt in vele gedaanten.
(Vedabase)
Tekst
24
Aldus van een zuivere
toegewijde dienst zijnd die zich ontwikkelde door het aanbidden
van de goeroe, behoort de nuchtere persoon middels de scherpe
bijl van de kennis te kappen met het subtiele lichaam van
gehechtheid dat de individuele ziel er op nahoudt zodat hij met
de grootste zorg spiritueel levend de Allerhoogste Ziel
bereikt. Daarna moet hij afzien van de middelen waarmee hij
zijn doel bereikte [zie ook B.G. 15:
3-4].'
Aldus
van een onvermengde toegewijde dienst zijnde ontwikkeld door
het aanbidden van de goeroe, behoort de nuchtere ziel
middels de scherpe bijl van de kennis, de individuele ziel
zijn subtiele lichaam van gehechtheid om te hakken en met de
grootste zorg spiritueel levend de Allerhoogste Ziel te
bereiken, waarna hij hoort af te zien van de middelen
waarmee hij zijn doel bereikte [zie ook B.G. 15:
3-4].'
(Vedabase)