regelbalk


 

Canto 10

S'uddha Bhakata

 

 

Hoofdstuk 40: Akrûra's Gebeden

(1) S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam. (2) Aarde, water, vuur, lucht, de ether en waar dat vandaan komt [het valse ego]; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de geest], het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (3) Dezen die onder het bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] in de greep van de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56]. (4) Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogi's hun offers brengen. (5) Sommige brahmanen aanbidden van respect zijnde voor de drie heilige vuren [agni-traya] U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten. (6) Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie e.g. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70]. (7) En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt. (8) Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook in navolging van de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva voor ogen op het pad uitgestippeld door Heer S'iva. (9) Zij allen, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (10) Net als de rivieren die ontspringend in de bergen vol van de regen van alle kanten de oceaan in stromen, o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (11) Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (12) Mijn eerbetuigingen voor U die, er los van staand in Uw visie, als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren. (13-14) Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad. [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (15) In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg.

(16) Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (17-18) Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (19) Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst van allen die zich heiligden ongeacht waar ze zijn en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte. (20) Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (21) Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36]. (22) Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft; mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

(23) O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (24) Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige. (25) Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is. (26) Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien en als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend. (27) Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10].

(28) Ik van dien aard nader Uw voeten die - zoals ook Uw genade - onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer. En daarbij hou ik in gedachten dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is. (29) Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een persoon beheersen. (30) Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave.'
 

 

next                       

 
 

 Tweede editie, geladen 20 juli 2008

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederland beschikbaar):

The Prayers of Akrûra

 

Tekst 1

S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam.

S'rî Akrûra said: I bow down to You, the cause of all causes, the original and inexhaustible Supreme Person, Nârâyana. From the whorl of the lotus born from Your navel, Brahmâ appeared, and by his agency this universe has come into being. (Vedabase)

 

Tekst 2

Aarde, water, vuur, lucht, de ether en waar dat vandaan komt [het valse ego]; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de geest], het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam.

Earth; water; fire; air; ether and its source, false ego; the mahat-tattva, the total material nature and her source, the Supreme Lord's purusha expansion; the mind; the senses; the sense objects; and the senses' presiding deities - all these causes of the cosmic manifestation are born from Your transcendental body. (Vedabase)

 

Tekst 3

Dezen die onder het bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] in de greep van de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56].

The total material nature and these other elements of creation certainly cannot know You as You are, for they are manifested in the realm of dull matter. Since You are beyond the modes of nature, even Lord Brahmâ, who is bound up in these modes, does not know Your true identity. (Vedabase)

 

Tekst 4

Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogi's hun offers brengen.

Pure yogis worship You, the Supreme Personality of Godhead, by conceiving of You in the threefold form comprising the living entities, the material elements that constitute the living entities' bodies, and the controlling deities of those elements. (Vedabase)

 

Tekst 5

Sommige brahmanen aanbidden van respect zijnde voor de drie heilige vuren [agni-traya] U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten.

Brâhmanas who follow the regulations concerning the three sacred fires worship You by chanting mantras from the three Vedas and performing elaborate fire sacrifices for the various demigods, who have many forms and names. (Vedabase)

 

Tekst 6

Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie e.g. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70].

In pursuit of spiritual knowledge, some persons renounce all material activities and, having thus become peaceful, perform the sacrifice of philosophic investigation to worship You, the original form of all knowledge. (Vedabase)

 

Tekst 7

En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt.

And yet others - those whose intelligence is pure - follow the injunctions of Vaishnava scriptures promulgated by You. Absorbing their minds in thought of You, they worship You as the one Supreme Lord manifesting in multiple forms. (Vedabase)

 

Tekst 8

Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook in navolging van de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva voor ogen op het pad uitgestippeld door Heer S'iva.

There are still others, who worship You, the Supreme Lord, in the form of Lord S'iva. They follow the path described by him and interpreted in various ways by many teachers. (Vedabase)

 

Tekst 9

Zij allen, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23].

But all these people, my Lord, even those who have turned their attention away from You and are worshiping other deities, are actually worshiping You alone, O embodiment of all the demigods. (Vedabase)

 

Tekst 10

Net als de rivieren die ontspringend in de bergen vol van de regen van alle kanten de oceaan in stromen, o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28].

As rivers born from the mountains and filled by the rain flow from all sides into the sea, so do all these paths in the end reach You, O master. (Vedabase)

 

Tekst 11

Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14].

Goodness, passion and ignorance, the qualities of Your material nature, entangle all conditioned living beings, from Brahmâ down to the nonmoving creatures. (Vedabase)

 

Tekst 12

Mijn eerbetuigingen voor U die, er los van staand in Uw visie, als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren.

I offer My obeisances to You, who as the Supreme Soul of all beings witness everyone's consciousness with unbiased vision. The current of Your material modes, produced by the force of ignorance, flows strongly among the living beings who assume identities as demigods, humans and animals. (Vedabase)

  

Tekst 13-14

Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11].

Fire is said to be Your face, the earth Your feet, the sun Your eye, and the sky Your navel. The directions are Your sense of hearing, the chief demigods Your arms, and the oceans Your abdomen. Heaven is thought to be Your head, and the wind Your vital air and physical strength. The trees and plants are the hairs on Your body, the clouds the hair on Your head, and the mountains the bones and nails of You, the Supreme. The passage of day and night is the blinking of Your eyes, the progenitor of mankind Your genitals, and the rain Your semen. (Vedabase)

   

 Tekst 15

In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg.

All the worlds, with their presiding demigods and teeming populations, originate in You, the inexhaustible Supreme Personality of Godhead. These worlds travel within You, the basis of the mind and senses, just as aquatics swim in the sea or tiny insects burrow within an udumbara fruit. (Vedabase)

 

Tekst 16

Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen.

To enjoy Your pastimes You manifest Yourself in various forms in this material world, and these incarnations cleanse away all the unhappiness of those who joyfully chant Your glories. (Vedabase)

 

Tekst 17-18

Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen.

I offer my obeisances to You, the cause of the creation, Lord Matsya, who swam about in the ocean of dissolution, to Lord Hayagrîva, the killer of Madhu and Kaithabha, to the immense tortoise [Lord Kûrma], who supported Mandara Mountain, and to the boar incarnation [Lord Varâha], who enjoyed lifting the earth. (Vedabase)

 

Tekst 19

Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst van allen die zich heiligden ongeacht waar ze zijn en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte.

Obeisances to You, the amazing lion [Lord Nrisimha], who remove Your saintly devotees' fear, and to the dwarf Vâmana, who stepped over the three worlds. (Vedabase)

  

Tekst 20

Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana.

Obeisances to You, Lord of the Bhrigus, who cut down the forest of the conceited royal order, and to Lord Râma, the best of the Raghu dynasty, who put an end to the demon Râvana. (Vedabase)

 

Tekst 21

Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36].

Obeisances to You, Lord of the Sâtvatas, and to Your forms of Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna and Aniruddha. (Vedabase)

 

Tekst 22

Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft; mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

Obeisances to Your form as the faultless Lord Buddha, who will bewilder the Daityas and Dânavas, and to Lord Kalki, the annihilator of the meat-eaters posing as kings. (Vedabase)

 

Tekst 23

O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma].

O Supreme Lord, the living entities in this world are bewildered by Your illusory energy. Becoming involved in the false concepts of "I" and "my," they are forced to wander along the paths of fruitive work. (Vedabase)

 

Tekst 24

Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige.

I too am deluded in this way, O almighty Lord, foolishly thinking my body, children, home, wife, money and followers to be real, though they are actually as unreal as a dream. (Vedabase)

 

Tekst 25

Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is.

Thus mistaking the temporary for the eternal, my body for my self, and sources of misery for sources of happiness, I have tried to take pleasure in material dualities. Covered in this way by ignorance, I could not recognize You as the real object of my love. (Vedabase)

 

Tekst 26

Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien en als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend.

Just as a fool overlooks a body of water covered by the vegetation growing in it and chases a mirage, so I have turned away from You. (Vedabase)

 

Tekst 27

Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10].

My intelligence is so crippled that I cannot find the strength to curb my mind, which is disturbed by material desires and activities and constantly dragged here and there by my obstinate senses. (Vedabase)

 

Tekst 28

Ik van dien aard nader Uw voeten die - zoals ook Uw genade - onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer. En daarbij hou ik in gedachten dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is.

Being thus fallen, I am approaching Your feet for shelter, O Lord, because although the impure can never attain Your feet, I think it is nevertheless possible by Your mercy. Only when one's material life has ceased, O lotus-naveled Lord, can one develop consciousness of You by serving Your pure devotees. (Vedabase)

 

Tekst 29

Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een persoon beheersen.

Obeisances to the Supreme Absolute Truth, the possessor of unlimited energies. He is the embodiment of pure, transcendental knowledge, the source of all kinds of awareness, and the predominator of the forces of nature that rule over the living being. (Vedabase)

 

Tekst 30

Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave.'  

O son of Vasudeva, obeisances to You, within whom all living beings reside. O Lord of the mind and senses, again I offer You my obeisances. O master, please protect me, who am surrendered unto You. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Prasanta dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties