
Canto
2
Hoofdstuk 5: De Oorzaak Aller Oorzaken
(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Mijn eerbetuigingen aan u, o god der halfgoden, daar u als de eerste, de levende wezens het leven schenkt. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder het transcendentale stuurt. (2) Wat is de vorm, de achtergrond en de bron van deze geschapen wereld, o meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is hiervan in feite werkelijk? (3) Dit alles weet u in uw goedheid, daar u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is; meester, het universum is als een walnoot in uw wetenschappelijke greep. (4) Wat is de bron van uw wijsheid, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, alleen, de levens van alle wezens met de elementen der materie, die voorzeker door de ziel worden gemachtigd? (5) Te werk gesteld als een spin, manifesteert u zelfvoorzienend zonder enige hulp uit uzelf al dezen [deze levens] zonder er zelf door verslagen te zijn. (6) Of ik nu wel of niet mijzelf ken als superieur of inferieur in deze wereld, of als een gelijke, o machtige, de kwaliteiten van naam en vorm van alles wat met het eeuwige zijn bestaan vond, zijn slechts tijdelijk, zoals al het overige dat ontsproot uit een andere bron. (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam en ons de kans gaf te twijfelen aan de uiteindelijke waarheid van u. (8) O, u alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over al hetgeen waar ik naar vroeg zodat ik, naar wat het gezag stelt, in staat zal zijn te begrijpen.'
(9) De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, u bent zeer vriendelijk in uw volmaakte navraag die me inspireert tot de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (10) U zit er niet naast in wat u zoëven zei in uw beschrijving van mij; mijn beste, daar het zonder het Allerhoogste voorbij aan mij, het, mij kennend, zeker zo zal zijn zoals u het over me zei. (11) Ik ben het die het universum doet verschijnen dat voortstraalt bij de macht van Zijn gloed [genaamd de brahmajyoti], zo goed als de zon en het vuur als ook de maan, de sterren, de planeten en de constellaties hun herderheid laten zien. (12) Mijn eerbetuigingen zijn voor Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer, door wiens onoverwinnelijke vermogens men mij de leraar [de goeroe] van de wereld noemt. (13) Onbeschaamd over hun voorop blijven gaan met macht der begoocheling, misbruiken zij die verbijsterd zijn hun woorden pratende over 'ik' en 'mijn', maar zo sprekende wordt ik slecht begrepen. (14) De vijf elementen in hun interactie in de Eeuwige Tijd als ook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan; ieder voor zich hebben ze in waarheid geen waarde. (15) Nârâyana [Krishna als de vier-armige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Met voor ogen wat door de Ziener, door de Superziel, de heerser over alle intelligentie die mij heeft geschapen, zo volmaakt werd geschapen, hou ik, geïnspireerd door Zijn blik, mezelf bezig met scheppen.
(18) Van deze [werkelijkheid van de geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (19) Onder de invloed van de geaardheden van de materiële energie raakt het eeuwig bevrijdde levende wezen gekonditioneerd aan de materiële kennis [van 'ik' en 'mijn'] die zich manifesteert met de symptomen van oorzaak en gevolg in materiële activiteiten. (20) Hij, deze Opperheer, die in de symptomen van al deze drie geaardheden waarlijk, als de Superziener, ongezien is in Zijn bewegingen, o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (21) [De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] die de werklast [karma] als ook de specifieke aard [- of svabhâva - heeft het op zich genomen middels de energie van zijn [Zijn] eigen Zelf, onafhankelijk daarin opgegaan, te verschijnen met het in gang zetten van verschillende gedaanten. (22) Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de activiteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de mahat-tattva] plaats vond. (23) Maar door de transformatie van het geheel der materie namen de geaardheden van de hartstocht en de goedheid toe zodat [tegenwicht biedend in reaktie] een overwegen van de geaardheid der duisternis plaatsgreep met haar enkelvoudige materiële kennis en overwegen van materiële activiteiten. (24) Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich in haar drie kenmerken van zowel goedheid, hartstocht als onwetendheid, en aldus, prabhu, raakten de machten van actie, kennis in schepping en begeleiding in intelligentie verdeeld. (25) Door de identificatie met de duisternis der materie werd middels de omvorming naar die geaardheid [het eerste element van] de ether tot ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en kwaliteit van het geluid dat een aanduiding vormt voor zowel de ziener als het geziene. (26-29) Door de omvorming van de ether kwam de aanraking, als de kwaliteit van de lucht, tot het volle van het geluid, met de kenmerken van het voorgaande element erin meegenomen, en kwam het zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reactie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort, daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend. Van het water dat van vuur getransformeerd raakte waren er de sappen en de smaak hetgeen, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daarop volgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwam [aldus] het denken van de goddelijken tot stand die handelen in goedheid, gekend in de tien van hen als de heerser der windrichtingen, de lucht, de zon, de wateren [Varuna], de langlevendheid [As'vinî-Kumâra's geassocieerd met de geur], het vuur, de hemelen [Indra], de beeltenis der transcendentie, het eindigen [Mitra, geassocieerd met de uitscheiding] en de geest [Brahmâ]. (31) Door de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie aangaande de macht der kennis en handeling naar de vijf zinnen plaats die de levende energie de intelligentie gaf van al haar horen, aanraken, ruiken, waarnemen en zich ontlasten. (32) Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis. (33) Toen die [elementen] allemaal de één na de ander samengevoegd door de Opperste Energie hun toepassing vonden, kwamen duidelijk onderscheiden, in het aannemen van hun primaire en secundaire aard, de twee [geestelijke en materiële werkelijkheden] van dit universum tot stand.
(34) Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de actie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen. (35) Hij Zelve als de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] kwam vanuit het universele ei te voorschijn Zichzelf verdelend in indelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum zijn als de ledematen van het lichaam met zeven systemen onder en zeven aan de bovenzijde van wat kan worden gezien. (37) De brahmanen werpen zich op als de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse als Zijn armen, de handelaren representeren de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn [onder]benen. (38) De aardse [lagere] werelden zijn van Zijn benen zegt men, de etherische werelden zijn van Zijn buik, de hemelse werelden van het hart zijn van de borst terwijl de opperste werelden van de heiligen en wijzen van de grote Ziel zijn. (39) Terwijl men tot aan de nek de werelden van de menselijkheid vindt en daarop vanaf de borst de werelden der verzaking en de werelden der waarheid met het hoofd aantreft, zijn het de werelden van de geest die in het eeuwige worden gevonden. (40-41) Met onder Zijn gordel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, tot zijn knieën de derde, de vierde op zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] vol van al de werelden. (42) Aldus stelt men zich [drievoudig] de aardse planeten gesitueerd op de benen, de etherische werelden gesitueerd in het gebied van de navel en de hemelse werelden vanaf de borst naar boven gesitueerd voor of anders de wereld zoals verschillend [in een vier- of veertien verdeling] voorgesteld.'
Tweede editie, geladen 12 April 2006
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
Nârada zei [tot de Schepper]: 'Mijn eerbetuigingen aan u, o god der halfgoden, daar u als de eerste, de levende wezens het leven schenkt. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder het transcendentale stuurt.Nârada zei [tot de Schepper]: 'Mijn eerbetuigingen aan u, o god der halfgoden, daar u als eerste, de levende wezens het leven schenkt. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder het transcendentale stuurt. (Vedabase)
Wat is de vorm, de achtergrond en de bron van deze geschapen wereld, o meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is hiervan in feite werkelijk?
Wat is de vorm, de achtergrond en van waar wordt deze wereld geschapen, o meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is hiervan in feite werkelijk? (Vedabase)
Dit alles weet u in uw goedheid, daar u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is; meester, het universum is als een walnoot in uw wetenschappelijke greep.
Dit alles weet u in uw goedheid, daar u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is, meester, het universum is als een walnoot in uw wetenschappelijke greep. (Vedabase)
Wat is de bron van uw wijsheid, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, alleen, de levens van alle wezens met de elementen der materie, die voorzeker door de ziel worden gemachtigd?
Wat is de bron van uw wijsheid, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, alleen, de levens van alle wezens met de elementen der materie, die voorzeker door de ziel worden gemachtigd? (Vedabase)
Te werk gesteld als een spin, manifesteert u zelfvoorzienend zonder enige hulp uit uzelf al dezen [deze levens] zonder er zelf door verslagen te zijn.
Te werk gesteld als een spin, manifesteert u zelfvoorzienend zonder enige hulp uit uzelf al dezen [deze levens] zonder er zelf door verslagen te zijn. (Vedabase)
Of ik nu wel of niet mijzelf ken als superieur of inferieur in deze wereld, of als een gelijke, o machtige, de kwaliteiten van naam en vorm van alles wat met het eeuwige zijn bestaan vond, zijn slechts tijdelijk, zoals al het overige dat ontsproot uit een andere bron.
Of ik nu wel of niet mijzelf ken als superieur of inferieur in deze wereld, of als een gelijke, o machtige, de kwaliteiten van naam en vorm van alles wat in het eeuwige zijn bestaan vond, zijn slechts tijdelijk, zoals al het overige dat ontsproot uit een andere bron. (Vedabase)
Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam en ons de kans gaf te twijfelen aan de uiteindelijke waarheid van u.
Hij, die vanuit zijn goede zelf strenge meditatie ondernam in volmaakte discipline en ons om die reden deed lijden geeft ons de kans te twijfelen aan het goede van de uiteindelijke waarheid. (Vedabase)
O, u alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over al hetgeen waar ik naar vroeg zodat ik, naar wat het gezag stelt, in staat zal zijn te begrijpen.'
Dit alles vraag ik me af met al de onderzoekingen naar de alwetende heerser over alles; alstublieft verklaar dit zodat ik zeker in staat zal zijn het zelf te begrijpen als iemand in navolging van uw argument.' (Vedabase)
De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, u bent zeer vriendelijk in uw volmaakte navraag die me inspireert tot de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer.
De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde die mij zo dierbaar is, u bent zeer vriendelijk in uw volmaakte navraag die me inspireert tot de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (Vedabase)
U zit er niet naast in wat u zoëven zei in uw beschrijving van mij; mijn beste, daar het zonder het Allerhoogste voorbij aan mij, het, mij kennend, zeker zo zal zijn zoals u het over me zei.
U zit er niet naast in wat u zoëven zei in uw beschrijving van mij; mijn beste, zonder het Allerhoogste en voorbije, zal het mij kennend zeker zijn zoals u het over me gezegd hebt. (Vedabase)
Ik ben het die het universum doet verschijnen dat voortstraalt bij de macht van Zijn gloed [genaamd de brahmajyoti], zo goed als de zon en het vuur als ook de maan, de sterren, de planeten en de constellaties hun herderheid laten zien.
Van het licht van de stralende wereld [genaamd de brahmajyoti] manifesteer ik precies zoals de zon en het vuur dat doen, zowel als ook de maan en het firmament met haar planeten onder de sterren. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen zijn voor Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer, door wiens onoverwinnelijke vermogens men mij de leraar [de goeroe] van de wereld noemt.
Mijn eerbetuigingen zijn voor Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer, door wiens onoverwinnelijke vermogens men mij de leraar [guru] van de wereld noemt. (Vedabase)
Onbeschaamd in het innemen van een vooraanstaande positie met de begoochelende materiële energie, misbruiken zij die verbijsterd zijn hun woorden pratende over 'ik' en 'mijn', maar zo sprekende wordt ik slecht begrepen.
Beschaamd over het voorop blijven staan met de begoochelende materiële energie, misbruiken zij die verbijsterd zijn hun woorden pratende over 'ik' en 'mijn', maar zo sprekende wordt ik slecht begrepen. (Vedabase)
De vijf elementen in hun interactie in de Eeuwige Tijd als ook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan; ieder voor zich hebben ze in waarheid geen waarde.
De vijf elementen in hun interaktie in de Eeuwige Tijd als ook de intuïtie of de natuur van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan; nooit is er in waarheid enige waarde in hun afzonderlijkheid. (Vedabase)
Nârâyana [Krishna als de vier-armige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen.
Nârâyana [Krishna als de vier-armige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, terwille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (Vedabase)
De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan.
De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de kultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (Vedabase)
Met voor ogen wat door de Ziener, door de Superziel, de heerser over alle intelligentie die mij heeft geschapen, zo volmaakt werd geschapen, hou ik, geïnspireerd door Zijn blik, mezelf bezig met scheppen.
Geïnspireerd door de werking van Zijn blik wordt ik mij ervan bewust dat Hij mij door Zijn visie, beheersing en opperste intelligentie als de Superziel van alles dat ontstond en ontstaat, vorm geeft. (Vedabase)
Van deze [werkelijkheid van de geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging.
Van deze [werkelijkheid van de geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werd aanvaard, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (Vedabase)
Onder de invloed van de geaardheden van de materiële energie raakt het eeuwig bevrijdde levende wezen gekonditioneerd aan de materiële kennis [van 'ik' en 'mijn'] die zich manifesteert met de symptomen van oorzaak en gevolg in materiële activiteiten.
Onder de invloed van de geaardheden van de materiële energie raakt het eeuwig bevrijdde levende wezen gekonditioneerd aan de materiële kennis [van ik en mijn] die zich manifesteert met de symptomen van oorzaak en gevolg in materiële activiteiten. (Vedabase)
Hij, deze Opperheer, die in de symptomen van al deze drie geaardheden waarlijk, als de Superziener, ongezien is in Zijn bewegingen, o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser.
Hij, deze Opperheer, die in de symptomen van al deze drie geaardheden waarlijk, als de Superziener, ongezien is in Zijn bewegingen, o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (Vedabase)
[De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] die de werklast [karma] als ook de specifieke aard [- of svabhâva - heeft het op zich genomen middels de energie van zijn [Zijn] eigen Zelf, onafhankelijk daarin opgegaan, te verschijnen met het in gang zetten van verschillende gedaanten.
Door de eeuwige tijd - het lot van alle levende bestaansvormen en de misleidende macht der beheersing - schijnt Zijn eigen Zelf, onafhankelijk erin opgegaan, te verschillen in het aanvaarden van een andere vorm. (Vedabase)
Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de activiteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de mahat-tattva] plaats vond.
Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de aktiviteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de maha tattva] plaats vond. (Vedabase)
Maar door de transformatie van het geheel der materie namen de geaardheden van de hartstocht en de goedheid toe zodat [tegenwicht biedend in reaktie] een overwegen van de geaardheid der duisternis plaatsgreep met haar enkelvoudige materiële kennis en overwegen van materiële activiteiten.
Maar door de transformatie van het geheel der materie namen de geaardheden van de hartstocht en de goedheid toe zo dat [tegenwicht biedend in reaktie] een overwegen van de geaardheid der duisternis plaats greep met haar enkelvoudige materiële kennis en overwegen van materiële aktiviteiten. (Vedabase)
Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich in haar drie kenmerken van zowel goedheid, hartstocht als onwetendheid, en aldus, prabhu, raakten de machten van actie, kennis in schepping en begeleiding in intelligentie verdeeld.
Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich in haar drie kenmerken van zowel goedheid, hartstocht als onwetendheid, en aldus, o meester, raakten de machten van aktie, kennis in schepping en begeleiding in intelligentie verdeeld. (Vedabase)
Door de identificatie met de duisternis der materie werd middels de omvorming naar die geaardheid [het eerste element van] de ether tot ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en kwaliteit van het geluid dat een aanduiding vormt voor zowel de ziener als het geziene.
Door de identificatie met de duisternis der materie werd voorzeker middels de omvorming naar die geaardheid [het vijfde element van] de ether tot ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en kwaliteiten van geluidskenmerken voor de ziener in relatie tot het geziene. (Vedabase)
Door de omvorming van de ether kwam de aanraking, als de kwaliteit van de lucht, tot het volle van het geluid, met de kenmerken van het voorgaande element erin meegenomen, en kwam het zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reactie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort, daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend. Van het water dat van vuur getransformeerd raakte waren er de sappen en de smaak hetgeen, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daarop volgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid.
Door de omvorming van de ether kwam men door de kwaliteit van de lucht in aanraking met het voorgaande in opeenvolging naar het volle van het geluid [de orale traditie b.v.] en zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reaktie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend [in boeken b.v.]. Van dat vuur van getransformeerd zijn viel het zo voor dat men in aanraking kwam met de sappen en de smaak van het water-element welk, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daarop volgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid. (Vedabase)
Uit de geaardheid goedheid kwam [aldus] het denken van de goddelijken tot stand die handelen in goedheid, gekend in de tien van hen als de heerser der windrichtingen, de lucht, de zon, de wateren [Varuna], de langlevendheid [As'vinî-Kumâra's geassocieerd met de geur], het vuur, de hemelen [Indra], de beeltenis der transcendentie, het eindigen [Mitra, geassocieerd met de uitscheiding] en de geest [Brahmâ].
Uit de geaardheid goedheid kwam [aldus] het denken van de goddelijken tot stand die handelen in goedheid, gekend in de tien van hen als de heerser der windrichtingen, de lucht, de zon, de wateren [Varuna], de langlevendheid [As'vini Kumâra's geassocieerd met de geur], het vuur, de hemelen [Indra], de beeltenis der transcendentie, het eindigen [Mitra, geassocieerd met de uitscheiding] en de geest [Brahmâ]. (Vedabase)
Door de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie aangaande de macht der kennis en handeling naar de vijf zinnen plaats die de levende energie de intelligentie gaf van al haar horen, aanraken, ruiken, waarnemen en zich ontlasten.
Door de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie aangaande de macht der kennis en handeling naar de vijf zinnen plaats die de levende energie de intelligentie gaf van al haar horen, aanraken, ruiken, waarnemen en zich ontlasten. (Vedabase)
Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis.
Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis. (Vedabase)
Toen die [elementen] allemaal de één na de ander samengevoegd door de Opperste Energie hun toepassing vonden, kwamen duidelijk onderscheiden, in het aannemen van hun primaire en secundaire aard, de twee [geestelijke en materiële werkelijkheden] van dit universum tot stand.
Toen die [elementen] allemaal de één na de ander samengevoegd door de Opperste Energie werden toegepast, en dat eveneens in het aanvaarden van hun primaire en secundaire aard, kwamen beide [dienovereenkomstige geestelijke en materiële werkelijkheden] van dit universum duidelijk tot stand. (Vedabase)
Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de actie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen.
Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de actie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen. (Vedabase)
Hij Zelve als de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] kwam vanuit het universele ei te voorschijn Zichzelf verdelend in indelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden.
Hij Zelve als de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] kwam vanuit het universele ei te voorschijn Zichzelf verdelend in indelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (Vedabase)
De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum zijn als de ledematen van het lichaam met zeven systemen onder en zeven aan de bovenzijde van wat kan worden gezien.
De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum zijn als de ledematen van het lichaam met zeven systemen onder en zeven aan de bovenzijde van wat kan worden gezien. (Vedabase)
De brahmanen werpen zich op als de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse als Zijn armen, de handelaren representeren de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn [onder]benen.
Uit de mond van de Oorspronkelijke Persoon manifesteerden zich de brahmanen, de heersende klasse kwam voort uit Zijn armen, uit de bovenbenen van de Opperheer kwamen de handelaren voort terwijl de arbeidersklasse van zijn [onder]benen is. (Vedabase)
De aardse [lagere] werelden zijn van Zijn benen zegt men, de etherische werelden zijn van Zijn buik, de hemelse werelden van het hart zijn van de borst terwijl de opperste werelden van de heiligen en wijzen van de grote Ziel zijn.
De aardse [lagere] werelden zijn van Zijn benen zegt men, de etherische werelden zijn van Zijn buik, de hemelse werelden van het hart zijn van de borst terwijl de opperste werelden van de heiligen en wijzen van de grote Ziel zijn. (Vedabase)
Terwijl men tot aan de nek de werelden van de menselijkheid vindt en daarop vanaf de borst de werelden der verzaking en de werelden der waarheid met het hoofd aantreft, zijn het de werelden van de geest die in het eeuwige worden gevonden.
Terwijl men tot aan de nek de werelden van de menselijkheid vindt en daarop vanaf de borst de werelden der verzaking en de werelden der waarheid met het hoofd aantreft, zijn het de werelden van de geest die in het eeuwige worden gevonden. (Vedabase)
Met onder Zijn gordel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, tot zijn knieën de derde, de vierde op zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] vol van al de werelden.
Met onder Zijn gordel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, tot zijn knieën de derde, de vierde op zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virât rûpa of universele gedaante] vol van al de werelden. (Vedabase)
Aldus stelt men zich [drievoudig] de aardse planeten gesitueerd op de benen, de etherische werelden gesitueerd in het gebied van de navel en de hemelse werelden vanaf de borst naar boven gesitueerd voor of anders de wereld zoals verschillend [in een vier- of veertien verdeling] voorgesteld.'
Aldus stelt men zich [drievoudig] de aardse planeten gesitueerd op de benen, de etherische werelden gesitueerd in het gebied van de navel en de hemelse werelden vanaf de borst naar boven gesitueerd voor of anders de wereld zoals verschillend [in een vier- of veertien verdeling] voorgesteld." (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina.
De afbeelding is een Hindoe vintage voorstelling van Heer
Brahmâ.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties