
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Krishna
and Balarama Meet the Inhabitants of
Vrindâvana
Tekst
1
S'rî
S'uka zei: 'In de tijd dat Râma en Krishna in
Dvârakâ leefden, was er op een dag
[*]
toen een zonsverduistering die indrukwekkend was als het einde
van de dag van Brahmâ.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Once, while Balarâma and
Krishna were living in Dvârakâ, there occurred a
great eclipse of the sun, just as if the end of Lord
Brahmâ's day had come.
Tekst
2
De mensen die
dat van te voren reeds wisten, o Koning, kwamen van overal naar
het veld van Samanta-pañcaka ['de vijf meren' te
Kurukshetra] in de hoop daarmee hun voordeel te
doen.
Knowing
of this eclipse in advance, O King, many people went to the
holy place known as Samanta-pañcaka in order to earn
pious credit.
Tekst
3-6:
Het is de
plaats waar Heer Paras'urâma, met de wapens de grootste
held, met het met de aarde verlossen van haar overheersers, met
de stromen bloed van de koningen, de grote meren schiep
[zie 9.16:
18-19].
Bhagavân Paras'urâma was daartoe, hoewel karmische
terugslagen geen vat op hem hadden, als de Beheerser om de
wereld in het algemeen instructie te verschaffen, daar van
aanbidding als was hij een andere [een gewone] persoon
die het wenst de zonde van zich af te schudden. Aldus kwam, o
zoon van Bharata, voor die gelegenheid een groot aantal mensen
uit Bhârata daar naartoe voor een heilige bedevaart. De
Vrishni's, met inbegrip van Akrûra, Vasudeva, Âhuka
[Ugrasena] en anderen die een punt wilden zetten achter
hun zonden, gingen allen naar die heilige plaats terwijl Gada,
Pradyumna en anderen met Sucandra, S'uka en Sârana en de
legeraanvoerder Kritavarmâ, achterbleven om thuis de
wacht te houden.
After
ridding the earth of kings, Lord Paras'urâma, the
foremost of warriors, created huge lakes from the kings'
blood at Samantaka-pañcaka. Although he is never
tainted by karmic reactions, Lord Paras'urâma
performed sacrifices there to instruct people in general;
thus he acted like an ordinary person trying to free himself
of sins. From all parts of Bhârata- varsha a great
number of people now came to that Samanta-pañcaka on
pilgrimage. O descendant of Bharata, among those arriving at
the holy place were many Vrishnis, such as Gada, Pradyumna
and Sâmba, hoping to be relieved of their sins;
Akrûra, Vasudeva, Âhuka and other kings also
went there. Aniruddha remained in Dvârakâ with
Sucandra, S'uka and Sârana to guard the city, together
with Kritavarmâ, the commander of their armed
forces.
Tekst
7-8:
Als stralende
vidyâdhara's
kwamen ze in wagens gelijk die waar de goden in zitten, zich
bewegend in grote golven met paarden en trompetterende
olifanten en massa's voetvolk. Schitterend met hun vrouwen, met
gouden halskettingen, bloemenslingers, uitdossing en kuras,
kwamen ze zo verheven goddelijk en majesteitelijk over onderweg
als zij die door de hemel reizen.
The
mighty Yâdavas passed with great majesty along the
road. They were attended by their soldiers, who rode on
chariots rivaling the airplanes of heaven, on horses moving
with a rhythmic gait, and on bellowing elephants as huge as
clouds. Also with them were many infantrymen as effulgent as
celestial Vidyâdharas. The Yâdavas were so
divinely dressed - being adorned with gold necklaces and
flower garlands and wearing fine armor - that as they
proceeded along the road with their wives they seemed to be
demigods flying through the sky.
Tekst
9:
De zeer vrome
Yâdava's aldaar badend en vastend, droegen er nauwlettend
zorg voor dat de brahmanen koeien werden gegegeven,
kledingstukken, bloemenslingers, goud en
halskettingen.
At
Samanta-pañcaka, the saintly Yâdavas bathed and
then observed a fast with careful attention. Afterward they
presented brâhmanas with cows bedecked with garments,
flower garlands and gold necklaces.
Tekst
10:
In de meren van
Paras'urâma zoals voorgeschreven nogmaals een bad nemend
[de volgende dag als afsluiting van het vasten], baden
de Vrishni's, met het de tweemaal geborenen rijkelijk voorzien
van de meest uitgelezen spijzen: 'Moge er onze toewijding voor
Krishna zijn.'
In
accordance with scriptural injunctions, the descendants of
Vrishni then bathed once more in Lord Paras'urâma's
lakes and fed first-class brâhmanas with sumptuous
food. All the while they prayed, "May we be granted devotion
to Lord Krishna."
Tekst
11
Toen genoten de
Vrishni's, met Krishna als hun enige echte godheid, met Zijn
toestemming van de maaltijd, waarbij ze comfortabel neerzaten
in de koele schaduw van de bomen.
Then,
with the permission of Lord Krishna, their sole object of
worship, the Vrishnis ate breakfast and sat down at their
leisure beneath trees that gave cooling shade.
Tekst
12-13
Zij, daar
aangekomen, troffen hun vrienden en verwanten, de koningen van
de Matsya's, Us'înara's, Kaus'alya's, Vidarbha's, Kuru's,
Sriñjaya's, Kâmboja's, Kaikaya's, Madra's,
Kuntî's, Ânarta's, Kerala's en anderen, als ook
honderden medestanders en tegenstanders, o Koning, zowel als
hun vrienden, de gopa's en gopî's aangevoerd door Nanda
die er al zo lang naar uitzagen [om hen te
zien].
The
Yâdavas saw that many of the kings who had arrived
were old friends and relatives - the Matsyas,
Us'înaras, Kaus'alyas, Vidarbhas, Kurus,
Sriñjayas, Kâmbojas, Kaikayas, Madras,
Kuntîs and the kings of Ânarta and Kerala. They
also saw many hundreds of other kings, both allies and
adversaries. In addition, my dear King Parîkchit, they
saw their dear friends Nanda Mahârâja and the
cowherd men and women, who had been suffering in anxiety for
so long.
Tekst
14
Elkaar weer
treffend omhelsden ze, van de emoties met hun harten en
gezichten zo prachtig opbloeiend als lotussen, hen krachtig met
stromen tranen, kippenvel en een verstikte stem in de hoogste
staat van vervoering.
As
the great joy of seeing one another made the lotuses of
their hearts and faces bloom with fresh beauty, the men
embraced one another enthusiastically. With tears pouring
from their eyes, the hair on their bodies standing on end
and their voices choked up, they all felt intense
bliss.
Tekst
15
De vrouwen die
elkaar weer zagen glimlachten, met grote ogen van zuiverheid
gevuld met tranen, met de grootste vriendschap en sloten elkaar
in hun armen, borst tegen borsten drukkend met kunkuma pasta
ingesmeerd.
The
women glanced at one another with pure smiles of loving
friendship. And when they embraced, their breasts, smeared
with saffron paste, pressed against one another as their
eyes filled with tears of affection.
Tekst
16
Vervolgens
betoonden ze de ouderen hun respect en namen ze de
eerbetuigingen in ontvangst van jongere verwanten, deden ze
navraag over hun welzijn en het gemak van hun reis en begonnen
ze onderling te praten over Krishna.
They
all then offered obeisances to their elders and received
respect in turn from their younger relatives. After
inquiring from one another about the comfort of their trip
and their well-being, they proceeded to talk about
Krishna.
Tekst
17
Kuntî die
haar broers en zusters zag, als ook haar ouders, haar
schoonzussen en Mukunda, liet haar verdriet de vrije loop toen
ze met hen sprak.
Queen
Kuntî met with her brothers and sisters and their
children, and also with her parents, her brothers' wives and
Lord Mukunda. While talking with them she forgot her
sorrow.
Tekst
18
Kuntî
zei: 'O achtenswaardige, o broer van me, ik voel me zeer
gefrustreerd in mijn verlangens, daar jullie allen zeer
geheiligd als je bent, er niet aan dachten wat er allemaal met
mij gebeurde in tegenspoed [zie ook 1.8:
24]!
Queen
Kuntî said: My dear, respectable brother, I feel that
my desires have been frustrated, because although all of you
are most saintly, you forgot me during my calamities.
Tekst
19
Vrienden,
verwanten - zoons, broers en ouders zelfs - herinneren zich
niet diegene van hen die het Lot niet zo gunstig gezind is.'
Friends
and family members - even children, brothers and parents -
forget a dear one whom Providence no longer favors.
Tekst
20
S'rî
Vasudeva zei: 'Mijn beste, wees niet boos op ons, de mens is de
speelbal van het lot, een persoon immers, op eigen houtje bezig
of in opdracht, wordt bestierd door de Heer.
S'rî
Vasudeva said: Dear sister, please do not be angry with us.
We are only ordinary men, playthings of fate. Indeed,
whether a person acts on his own or is forced by others, he
is always under the Supreme Lord's control.
Tekst
21
Zwaar belaagd
door Kamsa zijn we allen in verschillende richtingen vertrokken
[zie 10.2.7
en 10.4];
pas nu werden we door Goddelijke Voorbeschikking teruggebracht
in onze juiste posities, o zuster.'
Harassed
by Kamsa, we all fled in various directions, but by the
grace of Providence we have now finally been able to return
to our homes, my dear sister.
Tekst
22
S'rî
S'uka zei: 'Al de koningen daar geëerd door Vasudeva,
Ugrasena en de andere Yâdava's, vonden vrede in de
opperste extase Acyuta te zien.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Vasudeva, Ugrasena and the other
Yadus honored the various kings, who became supremely
blissful and content upon seeing Lord Acyuta.
Tekst
23-26
Bhîshma,
Drona, de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra],
Gândhârî met haar zoons als ook de
Pândava's en hun echtgenotes, Kuntî,
Sañjaya, Vidura en Kripa; Kuntîbhoja en
Virâtha, Bhîshmaka, de grote Nagnajit, Purujit,
Drupada, S'alya, Dhrishthaketu, en hij, de koning van
Kâsi; Damaghosha, Vis'âlâksha, de koningen
van Maithila, Madra en Kekaya, Yudhâmanyu en
Sus'armâ en Bâhlika en anderen met hun zoons, en, o
beste der koningen, vele andere koningen ressorterend onder
Yudhishthhira, waren allen versteld het verblijf van
S'rî, de persoonlijke gedaante van S'âuri,
samen met Zijn vrouwen te aanschouwen.
All
the royalty present, including Bhîshma, Drona,
Dhritarâshthra, Gândhârî and her
sons, the Pândavas and their wives, Kuntî,
Sañjaya, Vidura, Kripâcârya,
Kuntîbhoja, Virâtha, Bhîshmaka, the great
Nagnajit, Purujit, Drupada, S'alya, Dhrishthaketu,
Kâs'irâja, Damaghosha, Vis'âlâksha,
Maithila, Madra, Kekaya, Yudhâmanyu, Sus'armâ,
Bâhlika with his associates and their sons, and the
many other kings subservient to Mahârâja
Yudhishthhira - all of them, O best of kings, were simply
amazed to see the transcendental form of Lord Krishna, the
abode of all opulence and beauty, standing before them with
His consorts.
Tekst
27
Zij toen,
gepast van Râma en Krishna eerbewijzen in ontvangst
genomen hebbend, prezen vervuld van vreugde enthousiast de
Vrishni's, de persoonlijke metgezellen van Krishna:
After
Lord Balarâma and Lord Krishna had liberally honored
them, with great joy and enthusiasm these kings began to
praise the members of the Vrishni clan, S'rî Krishna's
personal associates.
Tekst
28
'O meester van
de Bhoja's [Ugrasena], u bent van een geboorte de
moeite waard onder de mensen in deze wereld, omdat u bij
herhaling Krishna ziet, die zelfs door de yogî's maar
zelden wordt gezien.
[The
kings said:] O King of the Bhoja's, you alone among men
have achieved a truly exalted birth, for you continually
behold Lord Krishna, who is rarely visible even to great
yogîs.
Tekst
29-30
Zijn faam zoals
uitgedragen door de Veda's, het water dat van Zijn voeten
afspoelt en de woorden van de geopenbaarde geschriften [het
s'âstrische] zuiveren grondig dit universum [zie
ook B.G.
15: 15];
door de aanraking van Zijn lotusgelijke voeten is, ookal was
haar goede geluk verwoest door de Tijd, de vitaliteit van de
aarde ontwaakt en regent ze in overvloed op ons neer alles wat
we maar verlangen. Met het door u zien van Hem in eigen
persoon, het Hem aanraken en met Hem rondlopen, converseren,
neerliggen, zitten, eten, getrouwd zijn en het als bloedverband
verbonden zijn met Hem, hebt u die het [normaal
gesproken] helse pad van het gezinsleven bewandelt nu
Vishnu gevonden, de beëindiging [van het zoeken naar
de], hemel en bevrijding [zie ook 5.14
en 7.14
en B.G.
11: 41-42].'
His
fame, as broadcast by the Vedas, the water that has washed
His feet, and the words He speaks in the form of the
revealed scriptures - these thoroughly purify this universe.
Although the earth's good fortune was ravaged by time, the
touch of His lotus feet has revitalized her, and thus she is
raining down on us the fulfillment of all our desires. The
same Lord Vishnu who makes one forget the goals of heaven
and liberation has now entered into marital and blood
relationships with you, who otherwise travel on the hellish
path of family life. Indeed, in these relationships you see
and touch Him directly, walk beside Him, converse with Him,
and together with Him lie down to rest, sit at ease and take
your meals.
Tekst
31
S'rî
S'uka zei: 'Nanda er achter komend dat de Yadu's met Krishna
voorop daar waren aangekomen, ging eropuit om Hem te ontmoeten,
vergezeld van de gopa's met hun bezittingen op hun wagens.
S'ukadeva
Gosvâmî said: When Nanda Mahârâja
learned that the Yadus had arrived, led by Krishna, he
immediately went to see them. The cowherds accompanied him,
their various possessions loaded on their wagons.
Tekst
32
Erover verrukt
hem te zien leefden de Vrishni's helemaal op als ontwaakten ze
uit de dood en omhelsden ze hem stevig, erover opgewonden na zo
een lange tijd hem aanwezig te hebben.
Seeing
Nanda, the Vrishnis were delighted and stood up like dead
bodies coming back to life. Having felt much distress at not
seeing him for so long, they held him in a tight
embrace.
Tekst
33
Vasudeva, van
de liefde buiten zichzelf dolblij aan het omhelzen, herinnerde
zich de moeilijkheden veroorzaakt door Kamsa om reden waarvan
hij zijn zoons in Gokula had moeten achterlaten [zie
10.3
& 10.5].
Vasudeva
embraced Nanda Mahârâja with great joy. Beside
himself with ecstatic love, Vasudeva remembered the troubles
Kamsa had caused him, forcing him to leave his sons in
Gokula for Their safety.
Tekst
34
Krishna en
Râma betoonden met het omhelzen van Hun [pleeg-]
ouders hun de eer en brachten, met hun kelen vol van tranen van
liefde, niets uit, o grootste held van de
Kuru's.
O
hero of the Kurus, Krishna and Balarâma embraced Their
foster parents and bowed down to them, but Their throats
were so choked up with tears of love that the two Lords
could say nothing.
Tekst
35
Hen op hun
schoten hijsend en Ze in hun armen houdend gaven de twee o zo
fortuinlijke zielen, hij en Yas'odâ, hun verdriet prijs
[zo lang gescheiden te zijn geweest].
Raising
their two sons onto their laps and holding Them in their
arms, Nanda and saintly mother Yas'odâ forgot their
sorrow.
Tekst
36
Rohinî en
Devakî die daarna de koningin van Vraja omhelsden met in
gedachten wat ze allemaal [voor hen] gedaan had uit
vriendschap, spraken haar toe met kelen vol met
tranen:
Then
Rohinî and Devakî both embraced the Queen of
Vraja, remembering the faithful friendship she had shown
them. Their throats choking with tears, they addressed her
as follows.
Tekst
37
'Welke vrouw
kan de niet aflatende vriendschap vergeten van jullie twee, o
koningin van Vraja; zelfs niet het verwerven van de rijkdom van
Indra zou volstaan om jullie het in deze wereld te
vergoeden.
[Rohinî
and Devakî said:] What woman could forget the
unceasing friendship you and Nanda have shown us, dear Queen
of Vraja? There is no way to repay you in this world, even
with the wealth of Indra.
Tekst
38
Voordat deze
Twee hun ouders konden ontmoeten ontvingen Ze, verblijvend bij
jullie twee als Hun ouders, de opvoeding en genegenheid, de
voeding en bescherming, mijn beste dame; onder de vleugels van
jullie heiligen, voor niemand een vreemde en zo goed als
oogleden voor de ogen, hadden Ze niets te vrezen.'
Before
these two boys had ever seen Their real parents, you acted
as Their parents and gave Them all affectionate care,
training, nourishment and protection. They were never
afraid, good lady, because you protected Them just as
eyelids protect the eyes. Indeed, saintly persons like you
never discriminate between outsiders and their own
kin.
Tekst
39
S'rî
S'uka zei: 'De gopî's na zo'n lange tijd Krishna, het
voorwerp van hun verlangen, weerziend - voor de aanblik van wie
ze de schepper van hun oogleden wel konden verwensen [zie
10.31:
15] -
sloten allen via hun ogen Hem in hun harten om Hem naar
hartelust te omhelzen en bereikten de extatische vervoering die
zelfs voor hen die voortdurend bezig zijn met mediteren
moeilijk te bereiken is.
S'ukadeva
Gosvâmî said: While gazing at their beloved
Krishna, the young gopîs used to condemn the creator
of their eyelids, [which would momentarily block their
vision of Him]. Now, seeing Krishna again after such a
long separation, with their eyes they took Him into their
hearts, and there they embraced Him to their full
satisfaction. In this way they became totally absorbed in
ecstatic meditation on Him, although those who constantly
practice mystic yoga find such absorption difficult to
achieve.
Tekst
40
De Allerhoogste
Heer, ze meer privé benaderend, vroeg hen, ze omhelzend,
naar hun gezondheid en zei, lachend, dit:
The
Supreme Lord approached the gopîs in a secluded place
as they stood in their ecstatic trance. After embracing each
of them and inquiring about their well-being, He laughed and
spoke as follows.
Tekst
41
'Beste
vriendinnen, herinneren jullie je Ons nog, die eropuit om de
partij van onze vijanden te vernietigen, omwille van die plicht
zo lang weg bleven?
[Lord
Krishna said:] My dear girîfriends, do you still
remember Me? It was for My relatives' sake that I stayed
away so long, intent on destroying My enemies.
Tekst
42
Misschien
koesteren jullie wel minachting voor Ons erop bedacht dat We
jullie uit ons hoofd gezet zouden hebben - maar in feite is het
de Opperheer die de levende wezens samenbrengt en
scheidt.
Do
you perhaps think I'm ungrateful and thus hold Me in
contempt? After all, it is the Supreme Lord who brings
living beings together and then separates them.
Tekst
43
Zoals de wind
massa's wolken, gras, zaadpluizen en stof samenbrengend, ze
weer uit elkaar gooit, gaat op dezelfde manier de Schepper van
de levenden te werk met Zijn wezens [vergelijk
10.5:
24-25].
Just
as the wind brings together masses of clouds, blades of
grass, wisps of cotton and particles of dust, only to
scatter them all again, so the creator deals with His
created beings in the same way.
Tekst
44
Bij genade van
de liefde voor Mij die zich fortuinlijk genoeg ontwikkelde van
de kant van jullie goede zelven, hebben jullie Mij verworven;
en inderdaad is het de toegewijde dienst aan Mij wat de
levenden naar de onsterfelijkheid leidt [vergelijk B.G.
9.33].
Rendering
devotional service to Me qualifies any living being for
eternal life. But by your good fortune you have developed a
special loving attitude toward Me, by which you have
obtained Me.
Tekst
45
Zoals de ether,
het water, de aarde, de lucht en het vuur van materiële
zaken, o dames, ben Ik waarlijk binnen en buiten, het begin en
het einde van alle geschapen wezens [zie b.v.
10.9:
13-14].
Dear
ladies, I am the beginning and end of all created beings and
exist both within and without them, just as the elements
ether, water, earth, air and fire are the beginning and end
of all material objects and exist both within and without
them.
Tekst
46
Deze
materiële levensvormen, op deze manier inderdaad bestaande
te midden van de elementen der schepping en [eveneens]
als het âtmâ [de Ziel, het zelf en de
persoon] in zijn eigen ware identiteit [hen]
doorvarend, moeten jullie beiderzijds zien als zich opwerpend
in Mij, te weten, de Onvergankelijke, Opperste Waarheid
[zie ook e.g. 1.3:
1,
3.26:
51,
10.59:
29,
B.G.
9.15 en
siddhânta].'
In
this way all created things reside within the basic elements
of creation, while the spirit souls pervade the creation,
remaining in their own true identity. You should see both of
these - the material creation and the self - as manifest
within Me, the imperishable Supreme Truth.
Tekst
47
S'rî
S'uka zei: 'De gopî's, aldus met de instructie over het
âtmâ door Krishna onderricht, deden door
voortdurend te mediteren op Hem de subtiele overdekking van de
ziel te niet [zie linga, 7.2:
47 en
4.29]
en kwamen tot begrip voor Hem.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having thus been instructed by
Krishna in spiritual matters, the gopîs were freed of
all tinges of false ego because of their incessant
meditation upon Him. And with their deepening absorption in
Him, they came to understand Him fully.
Tekst
48
Ze zeiden: 'Met
dat wat Je zei, o Heer met de Lotusnavel, wensen we dat onze
geesten, hoezeer ook opgegaan in het huishouden, immer alert
zijn op Jouw Lotusvoeten welke, door de grote yogî's en
hoog geleerde filosofen in het hart gehouden om op te
mediteren, de enige toevlucht zijn om aan te landen voor hen
die neervielen in de overwoekerde put van een materieel bestaan
[zie ook 7.5:
5, 10.51:
46,
7.9:
28,
7.15:
46].'
The
gopîs spoke thus: Dear Lord, whose navel is just like
a lotus flower, Your lotus feet are the only shelter for
those who have fallen into the deep well of material
existence. Your feet are worshiped and meditated upon by
great mystic yogîs and highly learned philosophers. We
wish that these lotus feet may also be awakened within our
hearts, although we are only ordinary persons engaged in
household affairs.
*
Volgens S'rîla Sanâtana Gosvâmî in zijn
Vaishnava-toshanî commentaar zou deze gebeurtenis,
beschreven in terugblik, zich hebben voorgedaan na
Balarâma's bezoek aan Vraja (10.65)
en voor Mahârâja Yudhishthhira's
Râjasûya offerplechtigheid (in 10.74)
daar direct na de plechtigheid de vijandschap binnen de
Kuru-familie, de verbanning van de Pândava's en de
daaruit volgende oorlog te Kurukshetra zich
voordeed.
