regelbalk

 

Bhajahû Re Mana

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 82

 

Alle Koningen en de Bewoners van Vrindâvana op Bedevaart Herenigen Zich met Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'In de tijd dat Râma en Krishna in Dvârakâ leefden, was er op een dag [*] toen een zonsverduistering die indrukwekkend was als het einde van de dag van Brahmâ. (2) De mensen die dat van te voren reeds wisten, o Koning, kwamen van overal naar het veld van Samanta-pañcaka ['de vijf meren' te Kurukshetra] in de hoop daarmee hun voordeel te doen. (3-6) Het is de plaats waar Heer Paras'urâma, met de wapens de grootste held, met het met de aarde verlossen van haar overheersers, met de stromen bloed van de koningen, de grote meren schiep [zie 9.16: 18-19]. Bhagavân Paras'urâma was daartoe, hoewel karmische terugslagen geen vat op hem hadden, als de Beheerser om de wereld in het algemeen instructie te verschaffen, daar van aanbidding als was hij een andere [een gewone] persoon die het wenst de zonde van zich af te schudden. Aldus kwam, o zoon van Bharata, voor die gelegenheid een groot aantal mensen uit Bhârata daar naartoe voor een heilige bedevaart. De Vrishni's, met inbegrip van Akrûra, Vasudeva, Âhuka [Ugrasena] en anderen die een punt wilden zetten achter hun zonden, gingen allen naar die heilige plaats terwijl Gada, Pradyumna en anderen met Sucandra, S'uka en Sârana en de legeraanvoerder Kritavarmâ, achterbleven om thuis de wacht te houden. (7-8) Als stralende vidyâdhara's kwamen ze in wagens gelijk die waar de goden in zitten, zich bewegend in grote golven met paarden en trompetterende olifanten en massa's voetvolk. Schitterend met hun vrouwen, met gouden halskettingen, bloemenslingers, uitdossing en kuras, kwamen ze zo verheven goddelijk en majesteitelijk over onderweg als zij die door de hemel reizen. (9) De zeer vrome Yâdava's aldaar badend en vastend, droegen er nauwlettend zorg voor dat de brahmanen koeien werden gegegeven, kledingstukken, bloemenslingers, goud en halskettingen. (10) In de meren van Paras'urâma zoals voorgeschreven nogmaals een bad nemend [de volgende dag als afsluiting van het vasten], baden de Vrishni's, met het de tweemaal geborenen rijkelijk voorzien van de meest uitgelezen spijzen: 'Moge er onze toewijding voor Krishna zijn.' (11) Toen genoten de Vrishni's, met Krishna als hun enige echte godheid, met Zijn toestemming van de maaltijd, waarbij ze comfortabel neerzaten in de koele schaduw van de bomen. (12-13) Zij, daar aangekomen, troffen hun vrienden en verwanten, de koningen van de Matsya's, Us'înara's, Kaus'alya's, Vidarbha's, Kuru's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kaikaya's, Madra's, Kuntî's, Ânarta's, Kerala's en anderen, als ook honderden medestanders en tegenstanders, o Koning, zowel als hun vrienden, de gopa's en gopî's aangevoerd door Nanda die er al zo lang naar uitzagen [om hen te zien]. (14) Elkaar weer treffend omhelsden ze, van de emoties met hun harten en gezichten zo prachtig opbloeiend als lotussen, hen krachtig met stromen tranen, kippenvel en een verstikte stem in de hoogste staat van vervoering. (15) De vrouwen die elkaar weer zagen glimlachten, met grote ogen van zuiverheid gevuld met tranen, met de grootste vriendschap en sloten elkaar in hun armen, borst tegen borsten drukkend met kunkuma pasta ingesmeerd. (16) Vervolgens betoonden ze de ouderen hun respect en namen ze de eerbetuigingen in ontvangst van jongere verwanten, deden ze navraag over hun welzijn en het gemak van hun reis en begonnen ze onderling te praten over Krishna.

(17) Kuntî die haar broers en zusters zag, als ook haar ouders, haar schoonzussen en Mukunda, liet haar verdriet de vrije loop toen ze met hen sprak. (18) Kuntî zei: 'O achtenswaardige, o broer van me, ik voel me zeer gefrustreerd in mijn verlangens, daar jullie allen zeer geheiligd als je bent, er niet aan dachten wat er allemaal met mij gebeurde in tegenspoed [zie ook 1.8: 24]! (19) Vrienden, verwanten - zoons, broers en ouders zelfs - herinneren zich niet diegene van hen die het Lot niet zo gunstig gezind is.'

(20) S'rî Vasudeva zei: 'Mijn beste, wees niet boos op ons, de mens is de speelbal van het lot, een persoon immers, op eigen houtje bezig of in opdracht, wordt bestierd door de Heer. (21) Zwaar belaagd door Kamsa zijn we allen in verschillende richtingen vertrokken [zie 10.2.7 en 10.4]; pas nu werden we door Goddelijke Voorbeschikking teruggebracht in onze juiste posities, o zuster.'

(22) S'rî S'uka zei: 'Al de koningen daar geëerd door Vasudeva, Ugrasena en de andere Yâdava's, vonden vrede in de opperste extase Acyuta te zien. (23-26) Bhîshma, Drona, de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Gândhârî met haar zoons als ook de Pândava's en hun echtgenotes, Kuntî, Sañjaya, Vidura en Kripa; Kuntîbhoja en Virâtha, Bhîshmaka, de grote Nagnajit, Purujit, Drupada, S'alya, Dhrishthaketu, en hij, de koning van Kâsi; Damaghosha, Vis'âlâksha, de koningen van Maithila, Madra en Kekaya, Yudhâmanyu en Sus'armâ en Bâhlika en anderen met hun zoons, en, o beste der koningen, vele andere koningen ressorterend onder Yudhishthhira, waren allen versteld het verblijf van S'rî, de persoonlijke gedaante van S'âuri, samen met Zijn vrouwen te aanschouwen. (27) Zij toen, gepast van Râma en Krishna eerbewijzen in ontvangst genomen hebbend, prezen vervuld van vreugde enthousiast de Vrishni's, de persoonlijke metgezellen van Krishna: (28) 'O meester van de Bhoja's [Ugrasena], u bent van een geboorte de moeite waard onder de mensen in deze wereld, omdat u bij herhaling Krishna ziet, die zelfs door de yogî's maar zelden wordt gezien. (29-30) Zijn faam zoals uitgedragen door de Veda's, het water dat van Zijn voeten afspoelt en de woorden van de geopenbaarde geschriften [het s'âstrische] zuiveren grondig dit universum [zie ook B.G. 15: 15]; door de aanraking van Zijn lotusgelijke voeten is, ookal was haar goede geluk verwoest door de Tijd, de vitaliteit van de aarde ontwaakt en regent ze in overvloed op ons neer alles wat we maar verlangen. Met het door u zien van Hem in eigen persoon, het Hem aanraken en met Hem rondlopen, converseren, neerliggen, zitten, eten, getrouwd zijn en het als bloedverband verbonden zijn met Hem, hebt u die het [normaal gesproken] helse pad van het gezinsleven bewandelt nu Vishnu gevonden, de beëindiging [van het zoeken naar de], hemel en bevrijding [zie ook 5.14 en 7.14 en B.G. 11: 41-42].'

(31) S'rî S'uka zei: 'Nanda er achter komend dat de Yadu's met Krishna voorop daar waren aangekomen, ging eropuit om Hem te ontmoeten, vergezeld van de gopa's met hun bezittingen op hun wagens. (32) Erover verrukt hem te zien leefden de Vrishni's helemaal op als ontwaakten ze uit de dood en omhelsden ze hem stevig, erover opgewonden na zo een lange tijd hem aanwezig te hebben. (33) Vasudeva, van de liefde buiten zichzelf dolblij aan het omhelzen, herinnerde zich de moeilijkheden veroorzaakt door Kamsa om reden waarvan hij zijn zoons in Gokula had moeten achterlaten [zie 10.3 & 10.5]. (34) Krishna en Râma betoonden met het omhelzen van Hun [pleeg-] ouders hun de eer en brachten, met hun kelen vol van tranen van liefde, niets uit, o grootste held van de Kuru's. (35) Hen op hun schoten hijsend en Ze in hun armen houdend gaven de twee o zo fortuinlijke zielen, hij en Yas'odâ, hun verdriet prijs [zo lang gescheiden te zijn geweest]. (36) Rohinî en Devakî die daarna de koningin van Vraja omhelsden met in gedachten wat ze allemaal [voor hen] gedaan had uit vriendschap, spraken haar toe met kelen vol met tranen: (37) 'Welke vrouw kan de niet aflatende vriendschap vergeten van jullie twee, o koningin van Vraja; zelfs niet het verwerven van de rijkdom van Indra zou volstaan om jullie het in deze wereld te vergoeden. (38) Voordat deze Twee hun ouders konden ontmoeten ontvingen Ze, verblijvend bij jullie twee als Hun ouders, de opvoeding en genegenheid, de voeding en bescherming, mijn beste dame; onder de vleugels van jullie heiligen, voor niemand een vreemde en zo goed als oogleden voor de ogen, hadden Ze niets te vrezen.'

(39) S'rî S'uka zei: 'De gopî's na zo'n lange tijd Krishna, het voorwerp van hun verlangen, weerziend - voor de aanblik van wie ze de schepper van hun oogleden wel konden verwensen [zie 10.31: 15] - sloten allen via hun ogen Hem in hun harten om Hem naar hartelust te omhelzen en bereikten de extatische vervoering die zelfs voor hen die voortdurend bezig zijn met mediteren moeilijk te bereiken is. (40) De Allerhoogste Heer, ze meer privé benaderend, vroeg hen, ze omhelzend, naar hun gezondheid en zei, lachend, dit: (41) 'Beste vriendinnen, herinneren jullie je Ons nog, die eropuit om de partij van onze vijanden te vernietigen, omwille van die plicht zo lang weg bleven? (42) Misschien koesteren jullie wel minachting voor Ons erop bedacht dat We jullie uit ons hoofd gezet zouden hebben - maar in feite is het de Opperheer die de levende wezens samenbrengt en scheidt. (43) Zoals de wind massa's wolken, gras, zaadpluizen en stof samenbrengend, ze weer uit elkaar gooit, gaat op dezelfde manier de Schepper van de levenden te werk met Zijn wezens [vergelijk 10.5: 24-25]. (44) Bij genade van de liefde voor Mij die zich fortuinlijk genoeg ontwikkelde van de kant van jullie goede zelven, hebben jullie Mij verworven; en inderdaad is het de toegewijde dienst aan Mij wat de levenden naar de onsterfelijkheid leidt [vergelijk B.G. 9.33]. (45) Zoals de ether, het water, de aarde, de lucht en het vuur van materiële zaken, o dames, ben Ik waarlijk binnen en buiten, het begin en het einde van alle geschapen wezens [zie b.v. 10.9: 13-14]. (46) Deze materiële levensvormen, op deze manier inderdaad bestaande te midden van de elementen der schepping en [eveneens] als het âtmâ [de Ziel, het zelf en de persoon] in zijn eigen ware identiteit [hen] doorvarend, moeten jullie beiderzijds zien als zich opwerpend in Mij, te weten, de Onvergankelijke, Opperste Waarheid [zie ook e.g. 1.3: 1, 3.26: 51, 10.59: 29, B.G. 9.15 en siddhânta].'

(47) S'rî S'uka zei: 'De gopî's, aldus met de instructie over het âtmâ door Krishna onderricht, deden door voortdurend te mediteren op Hem de subtiele overdekking van de ziel te niet [zie linga, 7.2: 47 en 4.29] en kwamen tot begrip voor Hem. (48) Ze zeiden: 'Met dat wat Je zei, o Heer met de Lotusnavel, wensen we dat onze geesten, hoezeer ook opgegaan in het huishouden, immer alert zijn op Jouw Lotusvoeten welke, door de grote yogî's en hoog geleerde filosofen in het hart gehouden om op te mediteren, de enige toevlucht zijn om aan te landen voor hen die neervielen in de overwoekerde put van een materieel bestaan [zie ook 7.5: 5, 10.51: 46, 7.9: 28, 7.15: 46].'  

  

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Krishna and Balarama Meet the Inhabitants of Vrindâvana

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'In de tijd dat Râma en Krishna in Dvârakâ leefden, was er op een dag [*] toen een zonsverduistering die indrukwekkend was als het einde van de dag van Brahmâ.

S'ukadeva Gosvâmî said: Once, while Balarâma and Krishna were living in Dvârakâ, there occurred a great eclipse of the sun, just as if the end of Lord Brahmâ's day had come.

 

Tekst 2

De mensen die dat van te voren reeds wisten, o Koning, kwamen van overal naar het veld van Samanta-pañcaka ['de vijf meren' te Kurukshetra] in de hoop daarmee hun voordeel te doen.

Knowing of this eclipse in advance, O King, many people went to the holy place known as Samanta-pañcaka in order to earn pious credit.

  

Tekst 3-6:

Het is de plaats waar Heer Paras'urâma, met de wapens de grootste held, met het met de aarde verlossen van haar overheersers, met de stromen bloed van de koningen, de grote meren schiep [zie 9.16: 18-19]. Bhagavân Paras'urâma was daartoe, hoewel karmische terugslagen geen vat op hem hadden, als de Beheerser om de wereld in het algemeen instructie te verschaffen, daar van aanbidding als was hij een andere [een gewone] persoon die het wenst de zonde van zich af te schudden. Aldus kwam, o zoon van Bharata, voor die gelegenheid een groot aantal mensen uit Bhârata daar naartoe voor een heilige bedevaart. De Vrishni's, met inbegrip van Akrûra, Vasudeva, Âhuka [Ugrasena] en anderen die een punt wilden zetten achter hun zonden, gingen allen naar die heilige plaats terwijl Gada, Pradyumna en anderen met Sucandra, S'uka en Sârana en de legeraanvoerder Kritavarmâ, achterbleven om thuis de wacht te houden.

After ridding the earth of kings, Lord Paras'urâma, the foremost of warriors, created huge lakes from the kings' blood at Samantaka-pañcaka. Although he is never tainted by karmic reactions, Lord Paras'urâma performed sacrifices there to instruct people in general; thus he acted like an ordinary person trying to free himself of sins. From all parts of Bhârata- varsha a great number of people now came to that Samanta-pañcaka on pilgrimage. O descendant of Bharata, among those arriving at the holy place were many Vrishnis, such as Gada, Pradyumna and Sâmba, hoping to be relieved of their sins; Akrûra, Vasudeva, Âhuka and other kings also went there. Aniruddha remained in Dvârakâ with Sucandra, S'uka and Sârana to guard the city, together with Kritavarmâ, the commander of their armed forces.

 

Tekst 7-8:

Als stralende vidyâdhara's kwamen ze in wagens gelijk die waar de goden in zitten, zich bewegend in grote golven met paarden en trompetterende olifanten en massa's voetvolk. Schitterend met hun vrouwen, met gouden halskettingen, bloemenslingers, uitdossing en kuras, kwamen ze zo verheven goddelijk en majesteitelijk over onderweg als zij die door de hemel reizen.

The mighty Yâdavas passed with great majesty along the road. They were attended by their soldiers, who rode on chariots rivaling the airplanes of heaven, on horses moving with a rhythmic gait, and on bellowing elephants as huge as clouds. Also with them were many infantrymen as effulgent as celestial Vidyâdharas. The Yâdavas were so divinely dressed - being adorned with gold necklaces and flower garlands and wearing fine armor - that as they proceeded along the road with their wives they seemed to be demigods flying through the sky.

     

 Tekst 9:

De zeer vrome Yâdava's aldaar badend en vastend, droegen er nauwlettend zorg voor dat de brahmanen koeien werden gegegeven, kledingstukken, bloemenslingers, goud en halskettingen.

At Samanta-pañcaka, the saintly Yâdavas bathed and then observed a fast with careful attention. Afterward they presented brâhmanas with cows bedecked with garments, flower garlands and gold necklaces.

 

Tekst 10:

In de meren van Paras'urâma zoals voorgeschreven nogmaals een bad nemend [de volgende dag als afsluiting van het vasten], baden de Vrishni's, met het de tweemaal geborenen rijkelijk voorzien van de meest uitgelezen spijzen: 'Moge er onze toewijding voor Krishna zijn.'

In accordance with scriptural injunctions, the descendants of Vrishni then bathed once more in Lord Paras'urâma's lakes and fed first-class brâhmanas with sumptuous food. All the while they prayed, "May we be granted devotion to Lord Krishna."

 

Tekst 11

Toen genoten de Vrishni's, met Krishna als hun enige echte godheid, met Zijn toestemming van de maaltijd, waarbij ze comfortabel neerzaten in de koele schaduw van de bomen.

Then, with the permission of Lord Krishna, their sole object of worship, the Vrishnis ate breakfast and sat down at their leisure beneath trees that gave cooling shade.

 

Tekst 12-13

Zij, daar aangekomen, troffen hun vrienden en verwanten, de koningen van de Matsya's, Us'înara's, Kaus'alya's, Vidarbha's, Kuru's, Sriñjaya's, Kâmboja's, Kaikaya's, Madra's, Kuntî's, Ânarta's, Kerala's en anderen, als ook honderden medestanders en tegenstanders, o Koning, zowel als hun vrienden, de gopa's en gopî's aangevoerd door Nanda die er al zo lang naar uitzagen [om hen te zien].

The Yâdavas saw that many of the kings who had arrived were old friends and relatives - the Matsyas, Us'înaras, Kaus'alyas, Vidarbhas, Kurus, Sriñjayas, Kâmbojas, Kaikayas, Madras, Kuntîs and the kings of Ânarta and Kerala. They also saw many hundreds of other kings, both allies and adversaries. In addition, my dear King Parîkchit, they saw their dear friends Nanda Mahârâja and the cowherd men and women, who had been suffering in anxiety for so long.

 

 Tekst 14

Elkaar weer treffend omhelsden ze, van de emoties met hun harten en gezichten zo prachtig opbloeiend als lotussen, hen krachtig met stromen tranen, kippenvel en een verstikte stem in de hoogste staat van vervoering.

As the great joy of seeing one another made the lotuses of their hearts and faces bloom with fresh beauty, the men embraced one another enthusiastically. With tears pouring from their eyes, the hair on their bodies standing on end and their voices choked up, they all felt intense bliss.

    

 Tekst 15

De vrouwen die elkaar weer zagen glimlachten, met grote ogen van zuiverheid gevuld met tranen, met de grootste vriendschap en sloten elkaar in hun armen, borst tegen borsten drukkend met kunkuma pasta ingesmeerd.

The women glanced at one another with pure smiles of loving friendship. And when they embraced, their breasts, smeared with saffron paste, pressed against one another as their eyes filled with tears of affection.

 

Tekst 16

Vervolgens betoonden ze de ouderen hun respect en namen ze de eerbetuigingen in ontvangst van jongere verwanten, deden ze navraag over hun welzijn en het gemak van hun reis en begonnen ze onderling te praten over Krishna.

They all then offered obeisances to their elders and received respect in turn from their younger relatives. After inquiring from one another about the comfort of their trip and their well-being, they proceeded to talk about Krishna.

 

Tekst 17

Kuntî die haar broers en zusters zag, als ook haar ouders, haar schoonzussen en Mukunda, liet haar verdriet de vrije loop toen ze met hen sprak.

Queen Kuntî met with her brothers and sisters and their children, and also with her parents, her brothers' wives and Lord Mukunda. While talking with them she forgot her sorrow.

 

Tekst 18

Kuntî zei: 'O achtenswaardige, o broer van me, ik voel me zeer gefrustreerd in mijn verlangens, daar jullie allen zeer geheiligd als je bent, er niet aan dachten wat er allemaal met mij gebeurde in tegenspoed [zie ook 1.8: 24]!

Queen Kuntî said: My dear, respectable brother, I feel that my desires have been frustrated, because although all of you are most saintly, you forgot me during my calamities.

 

Tekst 19

Vrienden, verwanten - zoons, broers en ouders zelfs - herinneren zich niet diegene van hen die het Lot niet zo gunstig gezind is.'

Friends and family members - even children, brothers and parents - forget a dear one whom Providence no longer favors.

   

Tekst 20

S'rî Vasudeva zei: 'Mijn beste, wees niet boos op ons, de mens is de speelbal van het lot, een persoon immers, op eigen houtje bezig of in opdracht, wordt bestierd door de Heer.

S'rî Vasudeva said: Dear sister, please do not be angry with us. We are only ordinary men, playthings of fate. Indeed, whether a person acts on his own or is forced by others, he is always under the Supreme Lord's control.

 

 Tekst 21

Zwaar belaagd door Kamsa zijn we allen in verschillende richtingen vertrokken [zie 10.2.7 en 10.4]; pas nu werden we door Goddelijke Voorbeschikking teruggebracht in onze juiste posities, o zuster.'

Harassed by Kamsa, we all fled in various directions, but by the grace of Providence we have now finally been able to return to our homes, my dear sister.

 

 Tekst 22

S'rî S'uka zei: 'Al de koningen daar geëerd door Vasudeva, Ugrasena en de andere Yâdava's, vonden vrede in de opperste extase Acyuta te zien.

S'ukadeva Gosvâmî said: Vasudeva, Ugrasena and the other Yadus honored the various kings, who became supremely blissful and content upon seeing Lord Acyuta.

 

 Tekst 23-26

Bhîshma, Drona, de zoon van Ambikâ [Dhritarâshthra], Gândhârî met haar zoons als ook de Pândava's en hun echtgenotes, Kuntî, Sañjaya, Vidura en Kripa; Kuntîbhoja en Virâtha, Bhîshmaka, de grote Nagnajit, Purujit, Drupada, S'alya, Dhrishthaketu, en hij, de koning van Kâsi; Damaghosha, Vis'âlâksha, de koningen van Maithila, Madra en Kekaya, Yudhâmanyu en Sus'armâ en Bâhlika en anderen met hun zoons, en, o beste der koningen, vele andere koningen ressorterend onder Yudhishthhira, waren allen versteld het verblijf van S'rî, de persoonlijke gedaante van S'âuri, samen met Zijn vrouwen te aanschouwen.

All the royalty present, including Bhîshma, Drona, Dhritarâshthra, Gândhârî and her sons, the Pândavas and their wives, Kuntî, Sañjaya, Vidura, Kripâcârya, Kuntîbhoja, Virâtha, Bhîshmaka, the great Nagnajit, Purujit, Drupada, S'alya, Dhrishthaketu, Kâs'irâja, Damaghosha, Vis'âlâksha, Maithila, Madra, Kekaya, Yudhâmanyu, Sus'armâ, Bâhlika with his associates and their sons, and the many other kings subservient to Mahârâja Yudhishthhira - all of them, O best of kings, were simply amazed to see the transcendental form of Lord Krishna, the abode of all opulence and beauty, standing before them with His consorts.

  

 Tekst 27

Zij toen, gepast van Râma en Krishna eerbewijzen in ontvangst genomen hebbend, prezen vervuld van vreugde enthousiast de Vrishni's, de persoonlijke metgezellen van Krishna:

After Lord Balarâma and Lord Krishna had liberally honored them, with great joy and enthusiasm these kings began to praise the members of the Vrishni clan, S'rî Krishna's personal associates.

 

 Tekst 28

'O meester van de Bhoja's [Ugrasena], u bent van een geboorte de moeite waard onder de mensen in deze wereld, omdat u bij herhaling Krishna ziet, die zelfs door de yogî's maar zelden wordt gezien.

[The kings said:] O King of the Bhoja's, you alone among men have achieved a truly exalted birth, for you continually behold Lord Krishna, who is rarely visible even to great yogîs.

  

 Tekst 29-30

Zijn faam zoals uitgedragen door de Veda's, het water dat van Zijn voeten afspoelt en de woorden van de geopenbaarde geschriften [het s'âstrische] zuiveren grondig dit universum [zie ook B.G. 15: 15]; door de aanraking van Zijn lotusgelijke voeten is, ookal was haar goede geluk verwoest door de Tijd, de vitaliteit van de aarde ontwaakt en regent ze in overvloed op ons neer alles wat we maar verlangen. Met het door u zien van Hem in eigen persoon, het Hem aanraken en met Hem rondlopen, converseren, neerliggen, zitten, eten, getrouwd zijn en het als bloedverband verbonden zijn met Hem, hebt u die het [normaal gesproken] helse pad van het gezinsleven bewandelt nu Vishnu gevonden, de beëindiging [van het zoeken naar de], hemel en bevrijding [zie ook 5.14 en 7.14 en B.G. 11: 41-42].'

His fame, as broadcast by the Vedas, the water that has washed His feet, and the words He speaks in the form of the revealed scriptures - these thoroughly purify this universe. Although the earth's good fortune was ravaged by time, the touch of His lotus feet has revitalized her, and thus she is raining down on us the fulfillment of all our desires. The same Lord Vishnu who makes one forget the goals of heaven and liberation has now entered into marital and blood relationships with you, who otherwise travel on the hellish path of family life. Indeed, in these relationships you see and touch Him directly, walk beside Him, converse with Him, and together with Him lie down to rest, sit at ease and take your meals.

  

 Tekst 31

S'rî S'uka zei: 'Nanda er achter komend dat de Yadu's met Krishna voorop daar waren aangekomen, ging eropuit om Hem te ontmoeten, vergezeld van de gopa's met hun bezittingen op hun wagens.

S'ukadeva Gosvâmî said: When Nanda Mahârâja learned that the Yadus had arrived, led by Krishna, he immediately went to see them. The cowherds accompanied him, their various possessions loaded on their wagons.

 

 Tekst 32

Erover verrukt hem te zien leefden de Vrishni's helemaal op als ontwaakten ze uit de dood en omhelsden ze hem stevig, erover opgewonden na zo een lange tijd hem aanwezig te hebben.

Seeing Nanda, the Vrishnis were delighted and stood up like dead bodies coming back to life. Having felt much distress at not seeing him for so long, they held him in a tight embrace.

 

 Tekst 33

Vasudeva, van de liefde buiten zichzelf dolblij aan het omhelzen, herinnerde zich de moeilijkheden veroorzaakt door Kamsa om reden waarvan hij zijn zoons in Gokula had moeten achterlaten [zie 10.3 & 10.5].

Vasudeva embraced Nanda Mahârâja with great joy. Beside himself with ecstatic love, Vasudeva remembered the troubles Kamsa had caused him, forcing him to leave his sons in Gokula for Their safety.

 

 Tekst 34

Krishna en Râma betoonden met het omhelzen van Hun [pleeg-] ouders hun de eer en brachten, met hun kelen vol van tranen van liefde, niets uit, o grootste held van de Kuru's.

O hero of the Kurus, Krishna and Balarâma embraced Their foster parents and bowed down to them, but Their throats were so choked up with tears of love that the two Lords could say nothing.

 

 Tekst 35

Hen op hun schoten hijsend en Ze in hun armen houdend gaven de twee o zo fortuinlijke zielen, hij en Yas'odâ, hun verdriet prijs [zo lang gescheiden te zijn geweest].

Raising their two sons onto their laps and holding Them in their arms, Nanda and saintly mother Yas'odâ forgot their sorrow.

 

 Tekst 36

Rohinî en Devakî die daarna de koningin van Vraja omhelsden met in gedachten wat ze allemaal [voor hen] gedaan had uit vriendschap, spraken haar toe met kelen vol met tranen:

Then Rohinî and Devakî both embraced the Queen of Vraja, remembering the faithful friendship she had shown them. Their throats choking with tears, they addressed her as follows.

 

 Tekst 37

'Welke vrouw kan de niet aflatende vriendschap vergeten van jullie twee, o koningin van Vraja; zelfs niet het verwerven van de rijkdom van Indra zou volstaan om jullie het in deze wereld te vergoeden.

[Rohinî and Devakî said:] What woman could forget the unceasing friendship you and Nanda have shown us, dear Queen of Vraja? There is no way to repay you in this world, even with the wealth of Indra.

 

 Tekst 38

Voordat deze Twee hun ouders konden ontmoeten ontvingen Ze, verblijvend bij jullie twee als Hun ouders, de opvoeding en genegenheid, de voeding en bescherming, mijn beste dame; onder de vleugels van jullie heiligen, voor niemand een vreemde en zo goed als oogleden voor de ogen, hadden Ze niets te vrezen.'

Before these two boys had ever seen Their real parents, you acted as Their parents and gave Them all affectionate care, training, nourishment and protection. They were never afraid, good lady, because you protected Them just as eyelids protect the eyes. Indeed, saintly persons like you never discriminate between outsiders and their own kin.

 

 Tekst 39

S'rî S'uka zei: 'De gopî's na zo'n lange tijd Krishna, het voorwerp van hun verlangen, weerziend - voor de aanblik van wie ze de schepper van hun oogleden wel konden verwensen [zie 10.31: 15] - sloten allen via hun ogen Hem in hun harten om Hem naar hartelust te omhelzen en bereikten de extatische vervoering die zelfs voor hen die voortdurend bezig zijn met mediteren moeilijk te bereiken is.

S'ukadeva Gosvâmî said: While gazing at their beloved Krishna, the young gopîs used to condemn the creator of their eyelids, [which would momentarily block their vision of Him]. Now, seeing Krishna again after such a long separation, with their eyes they took Him into their hearts, and there they embraced Him to their full satisfaction. In this way they became totally absorbed in ecstatic meditation on Him, although those who constantly practice mystic yoga find such absorption difficult to achieve.

 

 Tekst 40

De Allerhoogste Heer, ze meer privé benaderend, vroeg hen, ze omhelzend, naar hun gezondheid en zei, lachend, dit:

The Supreme Lord approached the gopîs in a secluded place as they stood in their ecstatic trance. After embracing each of them and inquiring about their well-being, He laughed and spoke as follows.

 

 Tekst 41

'Beste vriendinnen, herinneren jullie je Ons nog, die eropuit om de partij van onze vijanden te vernietigen, omwille van die plicht zo lang weg bleven?

[Lord Krishna said:] My dear girîfriends, do you still remember Me? It was for My relatives' sake that I stayed away so long, intent on destroying My enemies.

 

 Tekst 42

Misschien koesteren jullie wel minachting voor Ons erop bedacht dat We jullie uit ons hoofd gezet zouden hebben - maar in feite is het de Opperheer die de levende wezens samenbrengt en scheidt.

Do you perhaps think I'm ungrateful and thus hold Me in contempt? After all, it is the Supreme Lord who brings living beings together and then separates them.

 

 Tekst 43

Zoals de wind massa's wolken, gras, zaadpluizen en stof samenbrengend, ze weer uit elkaar gooit, gaat op dezelfde manier de Schepper van de levenden te werk met Zijn wezens [vergelijk 10.5: 24-25].

Just as the wind brings together masses of clouds, blades of grass, wisps of cotton and particles of dust, only to scatter them all again, so the creator deals with His created beings in the same way.

 

 Tekst 44

Bij genade van de liefde voor Mij die zich fortuinlijk genoeg ontwikkelde van de kant van jullie goede zelven, hebben jullie Mij verworven; en inderdaad is het de toegewijde dienst aan Mij wat de levenden naar de onsterfelijkheid leidt [vergelijk B.G. 9.33].

Rendering devotional service to Me qualifies any living being for eternal life. But by your good fortune you have developed a special loving attitude toward Me, by which you have obtained Me.

 

 Tekst 45

Zoals de ether, het water, de aarde, de lucht en het vuur van materiële zaken, o dames, ben Ik waarlijk binnen en buiten, het begin en het einde van alle geschapen wezens [zie b.v. 10.9: 13-14].

Dear ladies, I am the beginning and end of all created beings and exist both within and without them, just as the elements ether, water, earth, air and fire are the beginning and end of all material objects and exist both within and without them.

 

 Tekst 46

Deze materiële levensvormen, op deze manier inderdaad bestaande te midden van de elementen der schepping en [eveneens] als het âtmâ [de Ziel, het zelf en de persoon] in zijn eigen ware identiteit [hen] doorvarend, moeten jullie beiderzijds zien als zich opwerpend in Mij, te weten, de Onvergankelijke, Opperste Waarheid [zie ook e.g. 1.3: 1, 3.26: 51, 10.59: 29, B.G. 9.15 en siddhânta].'

In this way all created things reside within the basic elements of creation, while the spirit souls pervade the creation, remaining in their own true identity. You should see both of these - the material creation and the self - as manifest within Me, the imperishable Supreme Truth.

 

 Tekst 47

S'rî S'uka zei: 'De gopî's, aldus met de instructie over het âtmâ door Krishna onderricht, deden door voortdurend te mediteren op Hem de subtiele overdekking van de ziel te niet [zie linga, 7.2: 47 en 4.29] en kwamen tot begrip voor Hem.

S'ukadeva Gosvâmî said: Having thus been instructed by Krishna in spiritual matters, the gopîs were freed of all tinges of false ego because of their incessant meditation upon Him. And with their deepening absorption in Him, they came to understand Him fully.

 

 Tekst 48

Ze zeiden: 'Met dat wat Je zei, o Heer met de Lotusnavel, wensen we dat onze geesten, hoezeer ook opgegaan in het huishouden, immer alert zijn op Jouw Lotusvoeten welke, door de grote yogî's en hoog geleerde filosofen in het hart gehouden om op te mediteren, de enige toevlucht zijn om aan te landen voor hen die neervielen in de overwoekerde put van een materieel bestaan [zie ook 7.5: 5, 10.51: 46, 7.9: 28, 7.15: 46].'

The gopîs spoke thus: Dear Lord, whose navel is just like a lotus flower, Your lotus feet are the only shelter for those who have fallen into the deep well of material existence. Your feet are worshiped and meditated upon by great mystic yogîs and highly learned philosophers. We wish that these lotus feet may also be awakened within our hearts, although we are only ordinary persons engaged in household affairs.

 

* Volgens S'rîla Sanâtana Gosvâmî in zijn Vaishnava-toshanî commentaar zou deze gebeurtenis, beschreven in terugblik, zich hebben voorgedaan na Balarâma's bezoek aan Vraja (10.65) en voor Mahârâja Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid (in 10.74) daar direct na de plechtigheid de vijandschap binnen de Kuru-familie, de verbanning van de Pândava's en de daaruit volgende oorlog te Kurukshetra zich voordeed.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties