Canto
7
Hoofdstuk 2: Hiranyakas'ipu, de Koning der Demonen over de Droevenis
(1) S'rî Nârada zei: 'Toen de broeder [Hiranyâksha] aldus door de Heer in de gedaante van een Everzwijn was gedood [zie 3.18-19] was Hiranyakas'ipu door woede en verdriet zeer van streek, o Koning. (2) Woedend erover op zijn lippen bijtend, staarde hij voor zich uit in de lucht die zwart zag van de laaiende woede van zijn ogen en sprak hij. (3) Met zijn schrikwekkende tanden en verbeten blik vreselijk om te zien hief hij, temidden van een vergadering van de Dânava's, zijn drietand op om met een grimas op zijn gezicht het volgende te zeggen. (4-5) 'O Dânava's en Daitya's, Dvimûrdha ['tweehoofdige'], Tryaksha ['met drie ogen'] S'ambara en S'atabâhu ['met honderd armen']; Hayagrîva ['met het hoofd van een paard'], Namuci. Pâka, Ilvala en Vipracitti! Pulomâ, S'akuna en alle overigen, luister naar de woorden die ik jullie te zeggen heb en mogen jullie vervolgens allen daarmee in overeenstemming direct, zonder uit te stellen, tot handelen overgaan. (6) Mijn zo zeer geliefde broer en begunstiger werd met die kleinzieligen, de goddelijken, die achter zijn rug samenzwerend van aanbidding waren, gedood door Hari die ons allen gelijkgezind zou zijn. (7-8) Hij heeft Zijn eigen liefde voor ons opgegeven en gedraagt zich nu, abominabel in mâyâ, als een wild beest door als een kind van de ene naar de andere gedaante over te springen zoals Zijn eerbetuigende toegewijden dat maar wensen. Ik zal Hem mijn drietand in de nek steken en Hem in Zijn bloed doen zwemmen ter ere van inderdaad degene [Hiranyâksha] die er zo dol op was het te drinken. Zo zal ik mijn broer behagen en mijn vrede vinden. (9) Als Hij, die meest verraderlijke vijand van allen een kopje kleiner is gemaakt, zal zoals met het uitdrogen van de takken en bladeren van een boom die bij de wortels gekapt is, hetzelfde die gasten van God overkomen wiens leven Vishnu toebehoort. (10) Gaan jullie allen ondertussen naar die wereld zo netjes op orde geharkt door de bestuurders van Brahmâ en zie er op toe dat al die spijtoptanten en opofferingsgezinde boekenwurmen worden vernietigd die naar gelofte schenkingen doen in liefdadigheid. (11) Vishnu die door de tweemaal geborenen zo uitputtend wordt aanbeden, is het offer in eigen persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid perfect volgens het boekje; Hij is die ene toevlucht van religie voor al die goden en wijzen, voorvaderen en al de anderen. (12) Sticht brand waar dan ook de tweemaal geborenen hun koeien houden, hun Veda's bestuderen en zo druk zijn met hun varnâs'rama gedoe; in de hens met al die steden of hak al de bomen ter plaatse om.'
(13) Hem de eer bewijzend namen ze de aanwijzingen van hun meester aan op hun hoofden en terroriseerden zij, de experts der vernietiging, al de mensen. (14) De steden en dorpen, weidegronden, boomgaarden en tuinen, velden, bossen en mijnen, boerderijen en plaatsen in de bergen, de plaatsen van de koeien zowel als de hoofdsteden, brandschatten zij alle. (15) Terwijl sommigen met toortsen de woonplaatsen in lichterlaaie zetten vernielden anderen met pikhouwelen de bruggen, de omringende muren en de stadspoorten en namen weer anderen voor de vernietiging van het levensonderhoud bijlen ter hand om de vruchtbomen om te hakken. (16) Toen keer op keer de mensen aldus werden verstoord door de volgelingen van de koning der Daitya's, gaven de godsbewusten hun vaste verblijfplaats op en trokken ze, niet meer te zien voor de demonen, rond over gans de aarde. (17) Hiranyakas'ipu, die het kwaad had met het verlies van zijn broer voerde de begrafenisriten uit en maande zijn neven tot kalmte. (18-19) S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca als ook hun moeder Rushâbhânu en Diti, zijn eigen moeder, sprak hij toe in beleefde termen, o heerser der mensen, als een goed aangepast persoon het volgende zeggend.
(20) Hiranyakas'ipu zei: 'O moeder, moeder, o schoonzus, o neven, jullie verdienen het niet te moeten weeklagen over onze held der verlichting die de vijand tegemoet tredend de meest glorieuze dood verkoos. (21) Van al de levende wezens die in deze wereld bijeen leven gelijk reizigers die zich verdringen rondom een pleisterplaats, o mijn lieve moeder, worden zij die door goddelijke voorbeschikking zijn samengebracht op één plaats naar gelang hun karma ieder een eigen kant opgestuurd. (22) De eeuwige, onuitputtelijke ziel, vrij van de smet der materie, is in staat zich naar overal te begeven; alles wetend en transcendentaal neemt die ziel het zelf op van een lichaam dat hem onder de invloed van de materiële wereld een verscheidenheid aan kwaliteiten bezorgt [zie B.G. 13: 22]. (23) Net zoals gereflecteerd in het water zich de bomen bewegen, lijkt het ook in geval van een optische illusie zo te zijn [zoals met hitte b.v.] dat de grond beweegt. (24) Dienovereenkomstig brengt de aanhangende geest, die in de war is door de geaardheden der materie, op dezelfde manier het onveranderlijke levende wezen van streek, o moeder van mij, er voor zorgend dat het wezen ondanks zijn vormeloosheid er in gaat geloven dat hij bij die lichaamsvorm hoort. (25-26) Deze ziel, die in de praktijk zo in de war is over het vormeloze van zijn bestaan, raakt verliefd op het lichaam en heeft geliefden en vijanden, bondgenoten en vreemdelingen in zijn karma met de materiële aangelegenheid. Geconfronteerd met geboren worden en dood gaan, zich op verschillende manieren beklagend en behept zijnd met een gebrek aan onderscheid over wat de geschriften zeggen, is hij vol van zorgen en met name vergeetachtig wat betreft het juiste onderscheid. (27) In dit verband haalt men vaak een oude geschiedenis aan van Yamarâja in discussie met de vrienden van een overledene. Luister goed. (28) Er was er eens een koning in Us'înara die bekend stond als Suyajña en door zijn vijanden in de strijd was gedood. Zijn verwanten zaten om hem heen. (29-31) Met zijn kostbare wapenrusting her en der en zijn sierselen en bloemenslingers op de grond gevallen, lag hij daar in zijn eigen bloed doorboord door de pijlen door zijn hart. Met zijn loshangende haar en zijn vertroebelde ogen had hij van woede doorbeten lippen, zat zijn lotusgezicht onder het stof en lagen zijn armen en wapens afgehakt op het slagveld. Toen de koninginnen zich ervan overtuigden dat de meester van Us'înara aldus door de voorzienigheid aan stukken dood was, waren ze in tranen en sloegen ze met hun handen zich onophoudelijk op de borst, telkens weer jammerend 'O, echtgenoot', neervallend aan zijn voeten. (32) Hardop huilend over hun geliefde man bevochtigden ze de lotusvoeten met de tranen rood van de kunkum van hun borsten en met hun sieraden en haar losgeraakt weeklaagden ze hartverscheurend, zielig huilend:
(33) 'Helaas, door de genadeloze voorzienigheid bent u o Heer van ons, o geliefde, aan ons gezicht onttrokken; de staat en de bewoners van Us'înara voorzag u voorheen in hun levensonderhoud, maar nu het met u is afgelopen bent u de oorzaak van een toename van hun weeklagen. (34) U was voor ons allen zo'n dankbare echtgenoot o Koning, hoe kunnen wij en uw gevolg nu zonder u leven; u die onze beste vriend bent, zeg ons waar zij, die van dienst waren aan uw lotusvoeten, u naartoe moeten volgen nu u ons verlaten hebt.' (35) De koninginnen aldus weeklagend, hadden de overleden echtgenoot op hun schoot genomen, het niet wensend dat het lijk zou worden begraven. Ondertussen ging de zon onder in het westen. (36) Yamarâja die de nabestaanden van de heerser zo luidkeels hoorde weeklagen kwam toen in eigen persoon in de gedaante van een jongen naar hen toe om tot hen te spreken.

(37) S'rî Yamarâja zei: 'Hoe jammer om deze oudere mensen zo verbijsterd te zien. Zien ze de wet van de natuur niet iedere dag heersen? Naar dezelfde natuur als waar deze man naar terugkeerde zullen zij ook zelf terugkeren. Niettemin huilen ze er maar wat op los! [vergelijk B.G. 2: 28]. (38) Helaas gaan we ervan uit dat, omdat we op het moment het zonder de bescherming van onze ouders moeten stellen, we ons, zwak als we zijn, geen zorgen hoeven te maken dat we door de roofdieren worden verslonden, ervan uitgaande dat Hij die ons beschermde in de baarmoeder ons zeker ook daarna zou beschermen. (39) O arme dames, de Allerhoogste Beheerser schept naar eigen wilsbesluit dit alles waarbij Hij hetzelfde blijft, en het is Hij die zonder twijfel eveneens handhaaft en vernietigt; alles wat beweegt en niet beweegt is, zo zegt men, als speelgoed voor de Heer die te allen tijde er toe in staat is iets te behouden of er een eind aan te maken. (40) Iets op straat verloren kan, door het lot beschermd, worden behouden ookal blijft men thuis, en kan, zo God het wil, voor hetzelfde geld verloren gaan; ondanks dat men niet beschermd is kan men onder Zijn bescherming in leven blijven of men nu thuis is of in het woud verblijft, maar deze die hier geveld ligt heeft het, goed beschermd, niet overleefd. (41) Allen die belichaamd zijn hebben hun eigen soort van geboorte overeenkomstig hun karma en verdwijnen in de loop van de tijd ook weer als gevolg van hun karma; maar dit alles gaat niet op voor de ziel ookal is die dan, zich bevindend in deze materiële wereld, in uiteenlopende gedaanten gebonden aan haar verschillende geaardheden. (42) Dit lichaam van de persoon geboren uit onwetendheid bestaat net zo afzonderlijk van hem als de materie van een huis afzonderlijk bestaat ten opzichte van zijn bewoner; op de zelfde manier staat de mens ook los van het lichaam waarin hij met water, aarde en vuur zijn geboorte nam en dat, van vorm veranderend met de tijd, ook weer teloor gaat. (43) Net als vuur in hout afzonderlijk kan worden waargenomen, net zoals de lucht binnenin het lichaam zijn afzonderlijke positie inneemt, net zoals de alles doordringende ether bij zichzelf blijft, zo staat ook het levend wezen los van zijn materiële omhulsel met zijn geaardheden. (44) [Het lichaam van] hem hier [genaamd] Suyajña ziet u recht voor u en over hem, o dwaze mensen, zit u te huilen, maar hij die ermee luisterde en sprak in deze wereld hebt u nooit kunnen waarnemen! (45) Alhoewel zich bevindend in dit lichaam is de grote heerser van het lichaam, de levensadem, niet de toehoorder, noch de spreker; de ziel staat los van hem, de levensadem, die is opgesloten in dit lichaam met al zijn zinsorganen. (46) De ziel van beheersing reikt tot, en geeft ook weer op, hoogwaardige en lager geklasseerde lichamen die zich gekenmerken door de vijf elementen, de zinnen en de geest, en in die bezigheid verschilt hij [als de z.g. linga, als het subtiele lichaam], bij de genade van zijn eigen geestelijke vermogen, inderdaad van dat wat hij aanneemt [zie tevens 4.29]. (47) Zolang men van baatzuchtig handelen is wordt men overdekt door het subtiele lichaam [de linga bestaande uit de geest, de intelligentie en het valse ego]; van die gebondenheid is er de omkering [van de controle van de ziel naar die van het lichaam] en de misère volgend op het zich vereenzelvigen met het illusoire van de materie [B.G. 8: 6]. (48) Net zoals met het waarnemen en praten in een dagdroom is het vasthouden aan het feitelijke van de geaardheden der natuur zinloos: alles wat de zintuigen in een droom produceren is vals. (49) Het is om die reden dat het hebben van zowel het eeuwige als het tijdelijke in deze wereld niet iets is waarover zij die van de kennis zijn zich beklagen, want anders, zoals u wel begrijpt, zou het niet mogelijk zijn iets te beginnen met hen die hier wel over treuren [zie ook B.G. 2: 11]. (50) Een jager in het bos die was opgedragen de vogelstand uit te dunnen, spreidde een net en lokkend met voedsel hier en daar ving hij ze dan. (51) Hij zag daar toen een paartje kulinga vogels voedsel zoeken en toen de jager het vrouwtje lokte werd ze bij verrassing gedood. (52) O koninginnen, het mannetje dat zag hoe ze in de touwen van het net gevangen van het leven werd beroofd, was zeer verdrietig en uit genegenheid, niet in staat ook maar iets te doen, begon het arme beestje te weeklagen over zijn wijfje: (53) 'Och arme, hoe wreed is het lot, de Almachtige van Genade, voor mijn wijfje, hoe akelig, wat anders dan gejammer kan ik opbrengen voor mijn arme liefje? (54) Naar Zijn believen mag Hij ook mijn leven nemen, wat, voor God, heeft mijn helft van het lichaam nu werkelijk voor een zin, wat een ellendig bestaan om voor de rest van je leven onder die pijn te moeten lijden! (55) Hoe onfortuinlijk zijn mijn kindjes er aan toe, wachtend op hun moeder in hun nest? Hoe kan ik de jongen nu in leven houden die nog niet kunnen vliegen, nu ze beroofd zijn van hun moeder?' (56) Met de vogel die met zijn ogen nat aldus op een afstand zeer verdrietig zat te jammeren over het verlies van zijn geliefde, slaagde de onversaagde jager erin hem te besluipen en uit het leven te helpen door hem met een pijl te doorboren.
(57) Zo, o onwetenden, is het met u ook gesteld als u niet de eindigheid van uw bestaan inziet; weeklagen over uw echtgenoot zal hem in nog geen honderd jaar terugbezorgen.'
(58) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'De jongen aldus filosofisch uitleg gevend deed de harten van al de familieleden versteld staan en ze hielden alles wat het oog ook maar kan ontwaren voor slechts tijdelijk [zie ook B.G. 2: 18]. (59) Yamarâja, nadat hij in deze gedaante uitleg had verschaft, verdween hij toen vandaar, waarop de verwanten van Koning Suyajña toen deden wat moest worden gedaan voor de begrafenis. (60) Dus, wat valt er nu voor u te klagen? Of het u nu toebehoort of aan iemand anders, of het nu uzelf betreft of anderen, in deze materiële wereld is het idee dat men heeft van zichzelf en van anderen het resultaat van de preoccupatie met het lichaam in combinatie met een gebrek aan kennis over dat wat belichaamd is.'
(61) S'rî Nârada zei: 'Diti en [Rushâbhânu,] de vrouw van de overleden broer, die de toespraak van de koning der Daitya's hadden gehoord, gaven prompt hun grote droefenis op en zetten hun harten naar de ware filosofie van het leven.'
Tweede editie, geladen 12 juni 2007.
![]()
Bronteksten:
Hiranyakas'ipu, koning der demonen
S'rî Nârada zei: 'Toen de broeder [Hiranyâksha] aldus door de Heer in de gedaante van een Everzwijn was gedood [zie 3.18-19] was Hiranyakas'ipu door woede en verdriet zeer van streek, o Koning.S'rî Nârada Muni zei: Beste koning Yudhishthhira, toen Heer Vishnu in de gedaante van het everzwijn Varâha Hiranyâksha doodde, werd diens broer Hiranyakas'ipu bijzonder kwaad en begon luid te klagen. (Vedabase)
Woedend erover op zijn lippen bijtend, staarde hij voor zich uit in de lucht die zwart zag van de laaiende woede van zijn ogen en sprak hij.
Zich razend op zijn lippen bijtend, staarde Hiranyakas'ipu naar de hemel met ogen die laaiden van woede en de lucht helemaal rokerig maakten. Toen sprak hij als volgt. (Vedabase)
Met zijn schrikwekkende tanden en verbeten blik vreselijk om te zien hief hij, temidden van een vergadering van de Dânava's, zijn drietand op om met een grimas op zijn gezicht het volgende te zeggen.
Met ontblote, verschrikkelijke tanden, woeste ogen en gefronste wenkbrauwen, vreselijk om te zien, greep hij zijn wapen - een drietand - en sprak zijn metgezellen, de demonen, als volgt toe. (Vedabase)
'O Dânava's en Daitya's, Dvimûrdha ['tweehoofdige'], Tryaksha ['met drie ogen'] S'ambara en S'atabâhu ['met honderd armen']; Hayagrîva ['met het hoofd van een paard'], Namuci. Pâka, Ilvala en Vipracitti! Pulomâ, S'akuna en alle overigen, luister naar de woorden die ik jullie te zeggen heb en mogen jullie vervolgens allen daarmee in overeenstemming direct, zonder uit te stellen, tot handelen overgaan.
O Dânavas en Daityas! O Dvimûrdha, Tryaksha, S'ambara en Satabânu! O Hayagrîva, Namuci, Pâka en Ilvala! O Vipracitti, Puloman, S'akuna en andere demonen! Luister alsjeblieft aandachtig naar me en doe dan zonder uitstel precies wat ik je zeg. (Vedabase)
Mijn zo zeer geliefde broer en begunstiger werd met die kleinzieligen, de goddelijken, die achter zijn rug samenzwerend van aanbidding waren, gedood door Hari die ons allen gelijkgezind zou zijn.
Mijn onbetekenende vijanden, de halfgoden, hebben met vereende krachten mijn zeer geliefde en gehoorzame broer Hiranyâksha gedood, die altijd het beste met mij voorhad. Hoewel de Allerhoogste Heer Vishnu beide partijen - de halfgoden en de demonen - altijd gelijk behandelt, heeft Hij dankzij de vrome verering van de halfgoden ditmaal hun kant gekozen en hen geholpen om Hiranyâksha te doden. (Vedabase)
Hij heeft Zijn eigen liefde voor ons opgegeven en gedraagt zich nu, abominabel in mâyâ, als een wild beest door als een kind van de ene naar de andere gedaante over te springen zoals Zijn eerbetuigende toegewijden dat maar wensen. Ik zal Hem mijn drietand in de nek steken en Hem in Zijn bloed doen zwemmen ter ere van inderdaad degene [Hiranyâksha] die er zo dol op was het te drinken. Zo zal ik mijn broer behagen en mijn vrede vinden.
De Allerhoogste Godspersoon heeft Zijn natuurlijke neiging tot onpartijdigheid jegens de demonen en halfgoden opgegeven. Hoewel Hij de Allerhoogste Persoon is, heeft Hij nu onder invloed van mâyâ Zijn toegewijden, de halfgoden, een plezier willen doen door de gedaante van een everzwijn aan te nemen, net zoals een wispelturig kind de voorkeur aan een bepaald persoon geeft. Daarom zal ik met mijn drietand Heer Vishnu's hoofd van Zijn romp scheiden en met de stromen bloed uit Zijn lichaam mijn broer Hiranyâksha plezieren, die altijd zo dol was op bloed. Dan pas zal ik vrede kennen. (Vedabase)
Als Hij, die meest verraderlijke vijand van allen een kopje kleiner is gemaakt, zal zoals met het uitdrogen van de takken en bladeren van een boom die bij de wortels gekapt is, hetzelfde die gasten van God overkomen wiens leven Vishnu toebehoort.
Wanneer men de wortels van een boom doorhakt en de boom omvalt, verdorren automatisch ook de takken en twijgen. Op dezelfde manier zullen, wanneer ik deze diplomatische Vishnu gedood heb, ook de halfgoden, voor wie Heer Vishnu alles betekent, de bron van hun leven kwijt zijn en wegkwijnen. (Vedabase)
Gaan jullie allen ondertussen naar die wereld zo netjes op orde geharkt door de bestuurders van Brahmâ en zie er op toe dat al die spijtoptanten en opofferingsgezinde boekenwurmen worden vernietigd die naar gelofte schenkingen doen in liefdadigheid.
Terwijl ik me bezighoud met het doden van Heer Vishnu moeten jullie afdalen naar de planeet aarde, waar dankzij de brahmaanse beschaving en het kshatriya-bestuur grote welvaart heerst. De mensen daar houden zich bezig met het beoefenen van ascese, het brengen van offers, het bestuderen van de Veda's, het volgen van geloftes en doen aan liefdadigheid. Vernietig ze allemaal! (Vedabase)
Vishnu die door de tweemaal geborenen zo uitputtend wordt aanbeden, is het offer in eigen persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid perfect volgens het boekje; Hij is die ene toevlucht van religie voor al die goden en wijzen, voorvaderen en al de anderen.
Het basisprincipe van de brahmaanse cultuur is het tevredenstellen van Heer Vishnu, de verpersoonlijking van offers en rituelen. Heer Vishnu is de oorsprong van alle religieuze principes en de toevlucht van de halfgoden, de grote pitâ's en de mensen. Wanneer de brâhmana's gedood worden, is er niemand meer die de kshatriya's aanmoedigt om yajña's te brengen en als de halfgoden niet meer tevredengesteld worden door yajña's zullen ze vanzelf sterven. (Vedabase)
Sticht brand waar dan ook de tweemaal geborenen hun koeien houden, hun Veda's bestuderen en zo druk zijn met hun varnâs'rama gedoe; in de hens met al die steden of hak al de bomen ter plaatse om.'
Ga meteen naar alle plaatsen toe waar de koeien en de brâhmana's goed beschermd worden en waar men de Veda's bestudeert volgens de principes van varnâs'rama. Steek daar alles in brand en hak er alle bomen bij de wortel om, want zij zijn de bron van het leven. (Vedabase)
Hem de eer bewijzend namen ze de aanwijzingen van hun meester aan op hun hoofden en terroriseerden zij, de experts der vernietiging, al de mensen.
De demonen, die dol zijn op rampzalige activiteiten, namen de bevelen van Hiranyakas'ipu met grote eerbied op het hoofd en brachten hem hun eerbetuigingen. Op zijn aanwijzingen begingen ze allerlei misdaden tegenover alle levende wezens. (Vedabase)
De steden en dorpen, weidegronden, boomgaarden en tuinen, velden, bossen en mijnen, boerderijen en plaatsen in de bergen, de plaatsen van de koeien zowel als de hoofdsteden, brandschatten zij alle.
De demonen staken de steden, dorpen, weidegronden, koestallen, tuinen, akkers en bossen in brand. Ze verbrandden de kluizenaarshutten van de heiligen, de belangrijke mijnen die waardevolle metalen opleverden, de boerenhoeven, de bergdorpen en de dorpen van de beschermers van de koeien, de koeherders. Ze legden ook de steden waar de regering zetelde in as. (Vedabase)
Terwijl sommigen met toortsen de woonplaatsen in lichterlaaie zetten vernielden anderen met pikhouwelen de bruggen, de omringende muren en de stadspoorten en namen weer anderen voor de vernietiging van het levensonderhoud bijlen ter hand om de vruchtbomen om te hakken.
Sommige demonen haalden met graafwerktuigen de bruggen, de stadswallen en de stadspoorten [gopura's] naar beneden. Andere hakten, gewapend met bijlen, de belangrijke bomen om die mango's, broodvruchten en ander voedsel produceerden. Er waren ook demonen die met brandende fakkels de woningen van de burgers in de as legden. (Vedabase)
Toen keer op keer de mensen aldus werden verstoord door de volgelingen van de koning der Daitya's, gaven de godsbewusten hun vaste verblijfplaats op en trokken ze, niet meer te zien voor de demonen, rond over gans de aarde.
Toen de mensen steeds weer getroffen werden door de kunstmatige rampen die door de volgelingen van Hiranyakas'ipu teweeggebracht werden, moesten ze allemaal hun vedische activiteiten staken. De halfgoden, die niet langer de opbrengst van de yajña's kregen, raakten daardoor ook verstoord. Ze verlieten hun residenties op de hemelse planeten en trokken, onzichtbaar voor de demonen, rond over de aarde om te zien wat voor rampzalige dingen er allemaal gebeurden. (Vedabase)Tekst 17:
Hiranyakas'ipu, die het kwaad had met het verlies van zijn broer voerde de begrafenisriten uit en maande zijn neven tot kalmte.
Nadat Hiranyakas'ipu de riten voor de dood van zijn broer had voltrokken, trachtte hij zijn neven te kalmeren, hoewel hijzelf buitengewoon ongelukkig was. (Vedabase)
S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca als ook hun moeder Rushâbhânu en Diti, zijn eigen moeder, sprak hij toe in beleefde termen, o heerser der mensen, als een goed aangepast persoon het volgende zeggend.
O koning, Hiranyakas'ipu was bijzonder kwaad, maar omdat hij een groot politicus was, wist hij hoe hij moest handelen overeenkomstig de tijd en omstandigheden. Met zoete woorden kalmeerde hij zijn neven, die de namen S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca droegen. Hij troostte zowel hun moeder, zijn schoonzuster Rushâbhânu, als zijn eigen moeder, Diti, door hen als volgt toe te spreken. (Vedabase)
Hiranyakas'ipu zei: 'O moeder, moeder, o schoonzus, o neven, jullie verdienen het niet te moeten weeklagen over onze held der verlichting die de vijand tegemoet tredend de meest glorieuze dood verkoos.
Hiranyakas'ipu zei: Lieve moeder, schoonzus en neven, jullie moeten niet om de dood van de grote held treuren, want het is eervol en begerenswaardig voor een held om in tegenwoordigheid van zijn vijand te sneuvelen. (Vedabase)
Van al de levende wezens die in deze wereld bijeen leven gelijk reizigers die zich verdringen rondom een pleisterplaats, o mijn lieve moeder, worden zij die door goddelijke voorbeschikking zijn samengebracht op één plaats naar gelang hun karma ieder een eigen kant opgestuurd.
Lieve moeder, in een restaurant of op een plek waar men koud water kan drinken, komen veel reizigers samen, en als ze water hebben gedronken, vervolgen ze weer hun weg naar hun respectievelijke bestemming. Zo ik het ook met levende wezens die bij elkaar komen in een familie en later, ten gevolge van hun eigen handelingen, uit elkaar raken en hun eigen weg gaan, ieder naar zijn eigen bestemming. (Vedabase)
De eeuwige, onuitputtelijke ziel, vrij van de smet der materie, is in staat zich naar overal te begeven; alles wetend en transcendentaal neemt die ziel het zelf op van een lichaam dat hem onder de invloed van de materiële wereld een verscheidenheid aan kwaliteiten bezorgt [zie B.G. 13: 22].
De geestelijke ziel of het levend wezen gaat niet dood, want ze is eeuwig en onbegrensd. Omdat ze vrij is van alle materiële besmetting, kan ze overal in de materiële en geestelijke werelden heengaan. Ze is volkomen bewust en verschilt totaal van het materiële lichaam, maar omdat ze door verkeerd gebruik van haar kleine beetje onafhankelijkheid van de rechte weg is afgedwaald, is ze gedwongen om de fijn- en grofstoffelijke lichamen aan te nemen die de materiële energie voor haar creëert en raakt daardoor onderworpen aan zogenaamd materieel geluk en leed. Daarom moet niemand treuren als de geestelijke ziel uit het lichaam verdwijnt. (Vedabase)
Net zoals gereflecteerd in het water zich de bomen bewegen, lijkt het ook in geval van een optische illusie zo te zijn [zoals met hitte b.v.] dat de grond beweegt.
Door het golven van het water lijken de bomen op de oever van de rivier die in het water weerspiegeld worden eveneens te bewegen. Zo lijkt ook de grond te bewegen als onze ogen door een stoornis in de geest een willekeurige beweging maken. (Vedabase)
Dienovereenkomstig brengt de aanhangende geest, die in de war is door de geaardheden der materie, op dezelfde manier het onveranderlijke levende wezen van streek, o moeder van mij, er voor zorgend dat het wezen ondanks zijn vormeloosheid er in gaat geloven dat hij bij die lichaamsvorm hoort.
Zomis het ook, lieve moeder, wanneer de geest onder invloed van de geaardheden der materiële natuur uit zijn evenwicht is geraakt; want dan denkt het levend wezen, dat weliswaar ontstegen is aan alle verschillende fasen waar het fijn- en het grofstoffelijke lichaam doorheen moeten, dat hij de ene staat voor de andere heeft verwisseld. (Vedabase)
Deze ziel, die in de praktijk zo in de war is over het vormeloze van zijn bestaan, raakt verliefd op het lichaam en heeft geliefden en vijanden, bondgenoten en vreemdelingen in zijn karma met de materiële aangelegenheid. Geconfronteerd met geboren worden en dood gaan, zich op verschillende manieren beklagend en behept zijnd met een gebrek aan onderscheid over wat de geschriften zeggen, is hij vol van zorgen en met name vergeetachtig wat betreft het juiste onderscheid.
In zijn verwarring beschouwt het levend wezen, dat zijn lichaam en geest voor het zelf houdt, bepaalde mensen als verwanten en anderen als buitenstaanders. Deze misvatting is de oorzaak van zijn lijden. Al dit soort van speculatieve materiële denkbeelden bij elkaar zijn de oorzaak van het lijden en zogenaamde geluk in de materiële wereld. De geestelijke ziel die dusdanig geconditioneerd is, moet geboren worden in verschillende levensvormen en in allerlei bewustzijnstoestanden handelen, met als gevolg dat ze voortdurend nieuwe lichamen voor zichzelf schept. Dit alsmaar doorgaande materiële leven wordt samsâra genoemd. Geboorte, dood, leed, dwaasheid en angst zijn het gevolg van dergelijke materiële opvattingen. Zo komt het dat we soms een juist begrip van zaken hebben en dan weer terugvallen in een foutieve levensvisie. (Vedabase)
In dit verband haalt men vaak een oude geschiedenis aan van Yamarâja in discussie met de vrienden van een overledene. Luister goed.
Er bestaat een oud verhaal dat dit goed illustreert. Het gaat over een gesprek tussen Yamarâja en de vrienden van een overleden persoon. Luister er alstublieft aandachtig naar. (Vedabase)
Er was er eens een koning in Us'înara die bekend stond als Suyajña en door zijn vijanden in de strijd was gedood. Zijn verwanten zaten om hem heen.
In de staat Us'înara leefde eens een beroemde koning met de naam Suyajña. Toen de koning door zijn vijanden in de strijd gedood was, kwamen zijn verwanten rond het lijk zitten en betreurden de dood van hun vriend. (Vedabase)
Met zijn kostbare wapenrusting her en der en zijn sierselen en bloemenslingers op de grond gevallen, lag hij daar in zijn eigen bloed doorboord door de pijlen door zijn hart. Met zijn loshangende haar en zijn vertroebelde ogen had hij van woede doorbeten lippen, zat zijn lotusgezicht onder het stof en lagen zijn armen en wapens afgehakt op het slagveld. Toen de koninginnen zich ervan overtuigden dat de meester van Us'înara aldus door de voorzienigheid aan stukken dood was, waren ze in tranen en sloegen ze met hun handen zich onophoudelijk op de borst, telkens weer jammerend 'O, echtgenoot', neervallend aan zijn voeten.
Zijn gouden, met juwelen bezette harnas vernield, zijn sieraden en bloemenslingers her en der verspreid, zo lag de verslagen koning met verwarde haren en dof geworden ogen op het slagveld, zijn hele lichaam besmeurd met bloed en zijn hart doorboord door de pijlen van de vijand. Toen hij stierf, had hij zijn moed willen tonen en op zijn lippen gebeten, en zijn tandenwaren in die stand blijven staan. Zijn prachtige lotusgezicht was nu zwart, bedekt met stof van het slagveld. Zijn armen, met in zijn handen nog zijn zwaard en andere wapens, waren afgehakt en gebroken. Toen de koninginnen van de koning van Us'înara hun echtgenoot zo zagen liggen, begonnen ze te huilen. "O koning, nu u gedood bent, zijn ook wij gestorven." Ze herhaalden deze woorden keer op keer en vielen aan de voeten van de dode koning neer terwijl ze zich voortdurend met hun vuisten op de borst sloegen. (Vedabase)
Hardop huilend over hun geliefde man bevochtigden ze de lotusvoeten met de tranen rood van de kunkum van hun borsten en met hun sieraden en haar losgeraakt weeklaagden ze hartverscheurend, zielig huilend:
De koninginnen huilden zo hard dat de tranen over hun borsten liepen, waar ze rood werden van het kunkuma-poeder, om tenslotte op de lotusvoeten van hun man neer te vallen. Hun haar raakte in de war, hun sieraden vielen op de grond en hun geweeklaag om de dood van hun man was zo hartverscheurend dat anderen medelijden met hen kregen. (Vedabase)
'Helaas, door de genadeloze voorzienigheid bent u o Heer van ons, o geliefde, aan ons gezicht onttrokken; de staat en de bewoners van Us'înara voorzag u voorheen in hun levensonderhoud, maar nu het met u is afgelopen bent u de oorzaak van een toename van hun weeklagen.
O heer, de wrede voorzienigheid heeft u nu weggevoerd naar een plaats die buiten ons gezichtsveld ligt. Vroeger zorgde u voor het levensonderhoud van de bewoners van Us'înara, die daardoor gelukkig waren, maar uw huidige toestand bezorgt ze veel verdriet. (Vedabase)
U was voor ons allen zo'n dankbare echtgenoot o Koning, hoe kunnen wij en uw gevolg nu zonder u leven; u die onze beste vriend bent, zeg ons waar zij, die van dienst waren aan uw lotusvoeten, u naartoe moeten volgen nu u ons verlaten hebt.'
O koning, o held, u was een heel dankbare echtgenoot en onze meest oprechte vriend. Hoe kunnen we zonder u verder leven? O held, waar u ook gaat, leid ons daar alstublieft ook heen zodat we uw voetspoor kunnen volgen en u opnieuw dienen. Laat ons toch met u meegaan! (Vedabase)
De koninginnen aldus weeklagend, hadden de overleden echtgenoot op hun schoot genomen, het niet wensend dat het lijk zou worden begraven. Ondertussen ging de zon onder in het westen.
Hoewel het tijd was het lijk te verbranden, wilden de koninginnen niemand toestaan om het mee te nemen en bleven ze zitten treuren met het dode lichaam op hun schoot. Intussen voltooide de zon zijn baan en ging onder in het westen. (Vedabase)
Yamarâja die de nabestaanden van de heerser zo luidkeels hoorde weeklagen kwam toen in eigen persoon in de gedaante van een jongen naar hen toe om tot hen te spreken.
De luide jammerklachten van de koninginnen die om het dode lichaam van de koning zaten te treuren, waren zelfs hoorbaar op de planeet van Yamarâja. Yamarâja nam daarop de gedaante van een jongen aan en ging persoonlijk naar de verwanten van het dode lichaam om ze het volgende advies te geven. (Vedabase)
S'rî Yamarâja zei: 'Hoe jammer om deze oudere mensen zo verbijsterd te zien. Zien ze de wet van de natuur niet iedere dag heersen? Naar dezelfde natuur als waar deze man naar terugkeerde zullen zij ook zelf terugkeren. Niettemin huilen ze er maar wat op los! [vergelijk B.G. 2: 28].
S'rî Yamarâja zei: Is het niet wonderlijk! Deze personen, die ouder zijn dan ik, hebben al duizenden malen meegemaakt dat de levende wezens geboren worden en weer sterven. Ze zouden dus moeten begrijpen dat ook zij zullen moeten sterven, en toch zijn ze volkomen van hun stuk gebracht. De geconditioneerde ziel komt van een onbekende plaats en keert na de dood naar diezelfde onbekende plaats terug. Er is geen uitzondering op deze regel, die ons opgelegd wordt door de materiële natuur. Waarom dan dit zinloze geween als ze dit allemaal al weten? (Vedabase)
Helaas gaan we ervan uit dat, omdat we op het moment het zonder de bescherming van onze ouders moeten stellen, we ons, zwak als we zijn, geen zorgen hoeven te maken dat we door de roofdieren worden verslonden, ervan uitgaande dat Hij die ons beschermde in de baarmoeder ons zeker ook daarna zou beschermen.
Het is verwonderlijk dat deze volwassen vrouwen geen hoger begrip van het leven hebben dan ik. Ik ben inderdaad zeer fortuinlijk, want hoewel ik nog maar een kind ben en helemaal alleen sta in de strijd om het materiële bestaan, zonder vader en moeder om me te beschermen, ben ik ondanks mijn grote zwakheid nog steeds niet verslagen of opgegeten door wilde dieren. Daarom heb ik het vaste vertrouwen dat de Allerhoogste Godspersoon, die me zelfs al in de moederschoot beschermd heeft, me verder zal beschermen, waar ik ook ben. (Vedabase)
O arme dames, de Allerhoogste Beheerser schept naar eigen wilsbesluit dit alles waarbij Hij hetzelfde blijft, en het is Hij die zonder twijfel eveneens handhaaft en vernietigt; alles wat beweegt en niet beweegt is, zo zegt men, als speelgoed voor de Heer die te allen tijde er toe in staat is iets te behouden of er een eind aan te maken.
De jongen sprak tot de vrouwen: O zwakke vrouwen! Het is alleen door de wil van de Allerhoogste Godspersoon, die nooit aan macht verliest, dat de hele wereld geschapen, instandgehouden en vernietigd wordt. Dat is het oordeel van de Veda's. Deze materiële schepping, bestaande uit bewegende en niet-bewegende wezens, is voor Hem net speelgoed. Als Allerhoogste Heer heeft Hij alle macht om ons te vernietigen en te beschermen. (Vedabase)
Iets op straat verloren kan, door het lot beschermd, worden behouden ookal blijft men thuis, en kan, zo God het wil, voor hetzelfde geld verloren gaan; ondanks dat men niet beschermd is kan men onder Zijn bescherming in leven blijven of men nu thuis is of in het woud verblijft, maar deze die hier geveld ligt heeft het, goed beschermd, niet overleefd.
Soms verliest men zijn geld op straat, waar iedereen het kan zien liggen, maar als zijn geld door het lot beschermd is, zal niemand het opmerken en krijgt de man die het verloren heeft alles weer terug. Maar aan de andere kant, als de Heer ons geen bescherming biedt, gaat zelfs geld verloren dat we heel veilig thuis hebben opgeborgen. Als de Allerhoogste Heer over iemand waakt, blijft men in leven, zelfs als men volkomen onbeschermd door het oerwoud loopt, terwijl iemand die in de beschutte huiselijke kring van verwanten en bekenden verkeert soms sterft zonder dat iemand hem kan helpen. (Vedabase)
Allen die belichaamd zijn hebben hun eigen soort van geboorte overeenkomstig hun karma en verdwijnen in de loop van de tijd ook weer als gevolg van hun karma; maar dit alles gaat niet op voor de ziel ookal is die dan, zich bevindend in deze materiële wereld, in uiteenlopende gedaanten gebonden aan haar verschillende geaardheden.
Elke geconditioneerde ziel krijgt een ander soort lichaam naargelang zijn daden, en als hij zijn karma heeft uitgeleefd, is het ook gedaan met dat lichaam. Hoewel de geestelijke ziel dus zowel fijn- als grofstoffelijke materiële lichamen bewoont in verschillende levensvormen, is hij daar niet aan gebonden, want hij is te allen tijde volstrekt verschillend van het geopenbaarde lichaam. (Vedabase)
Dit lichaam van de persoon geboren uit onwetendheid bestaat net zo afzonderlijk van hem als de materie van een huis afzonderlijk bestaat ten opzichte van zijn bewoner; op de zelfde manier staat de mens ook los van het lichaam waarin hij met water, aarde en vuur zijn geboorte nam en dat, van vorm veranderend met de tijd, ook weer teloor gaat.
Zoals een gezinshoofd verschillend is van zijn huis maar zich er toch mee vereenzelvigt, zo denkt de geconditioneerde ziel uit onwetendheid dat hij zijn lichaam is, hoewel het lichaam in werkelijkheid van de ziel verschilt. Dit lichaam is het resultaat van een combinatie van bepaalde hoeveelheden aarde, water en vuur, en wanneer deze elementen in de loop der tijd getransformeerd worden is het met het lichaam gedaan. De ziel heeft niets te maken met deze schepping en vernietiging van het lichaam. (Vedabase)
Net als vuur in hout afzonderlijk kan worden waargenomen, net zoals de lucht binnenin het lichaam zijn afzonderlijke positie inneemt, net zoals de alles doordringende ether bij zichzelf blijft, zo staat ook het levend wezen los van zijn materiële omhulsel met zijn geaardheden.
Zoals het vuur in hout duidelijk iets anders is dan dat hout, zoals de lucht in mond en neusgaten toch als iets aparts wordt gezien, en zoals de hemel weliswaar alomtegenwoordig is maar zich nooit met iets vermengt, zo is het levend wezen gevangen in het materiële lichaam, waar hij de oorsprong van is, maar tegelijkertijd toch los van staat. (Vedabase)
[Het lichaam van] hem hier [genaamd] Suyajña ziet u recht voor u en over hem, o dwaze mensen, zit u te huilen, maar hij die ermee luisterde en sprak in deze wereld hebt u nooit kunnen waarnemen!
Yamarâja vervolgde: Dwazen die jullie zijn, waarom klagen jullie zo? Suyajña, om wie jullie treuren, ligt nog steeds voor jullie en is nergens naartoe gegaan. Wat is dan de reden van jullie verdriet? Vroeger kon hij jullie horen en antwoord geven, maar nu jullie hem niet meer kunnen vinden, huilen jullie. Zulk gedrag is tegenstrijdig, want jullie hebben de persoon in het lichaam die jullie hoorde en antwoord gaf feitelijk nog nooit gezien. Er valt niets te treuren, want het lichaam dat jullie altijd gezien hebben, ligt nog steeds hier. (Vedabase)
Alhoewel zich bevindend in dit lichaam is de grote heerser van het lichaam, de levensadem, niet de toehoorder, noch de spreker; de ziel staat los van hem, de levensadem, die is opgesloten in dit lichaam met al zijn zinsorganen.
De belangrijkste substantie in het lichaam is de levensadem, maar ook dat is niet degene die luistert of spreekt. En hoger dan de levensadem is de ziel, maar die kan evenmin iets doen, want in feite is het de Superziel die alles bestuurt, in samenwerking met de individuele ziel. Deze Superziel, die de activiteiten van het lichaam bestuurt, is verschillend van het lichaam en van de levenskracht. (Vedabase)
De ziel van beheersing reikt tot, en geeft ook weer op, hoogwaardige en lager geklasseerde lichamen die zich gekenmerken door de vijf elementen, de zinnen en de geest, en in die bezigheid verschilt hij [als de z.g. linga, als het subtiele lichaam], bij de genade van zijn eigen geestelijke vermogen, inderdaad van dat wat hij aanneemt [zie tevens 4.29].
De vijf materiële elementen, de tien zinnen en de geest vormen tezamen de verschillende delen van de grof- en fijnstoffelijke lichamen. Het levend wezen komt in contact met zijn materiële lichamen, of die nu van hoog of laag niveau zijn, en doet er later op eigen kracht weer afstand van. Deze kracht is waarneembaar in het vermogen van een levend wezen om verschillende soorten lichamen te bezitten. (Vedabase)
Zolang men van baatzuchtig handelen is wordt men overdekt door het subtiele lichaam [bestaande uit de geest, de intelligentie en het valse ego]; van die gebondenheid is er de omkering [van de controle van de ziel naar die van het lichaam] en de misère volgend op het zich vereenzelvigen met het illusoire van de materie [B.G. 8: 6].
Zolang de geestelijke ziel bedekt is door het fijnstoffelijke lichaam, bestaande uit geest, intelligentie en vals ego, is ze gebonden aan de resultaten van haar baatzuchtige activiteiten. Dit fijnstoffelijke lichaam verbindt de geestelijke ziel met de materiële energie, en als gevolg daarvan moet ze onafgebroken, leven na leven, de ellende en de tegenslagen van het materiële bestaan ondergaan. (Vedabase)
Net zoals met het waarnemen en praten in een dagdroom is het vasthouden aan het feitelijke van de geaardheden der natuur zinloos: alles wat de zintuigen in een droom produceren is vals.
Het is nutteloos om de materiële geaardheden der natuur en het zogenaamde geluk en leed dat eruit voortkomt te beschouwen en te bespreken alsof ze werkelijk waren. Als de geest overdag op hol slaat en men begint te denken dat men buitengewoon belangrijk is, of als men 's nachts droomt dat men van het gezelschap van een mooie vrouw geniet, zijn dat allebei niets anders dan bedrieglijke dromen. Zo moet het eveneens duidelijk zijn dat het geluk en het leed, veroorzaakt door de materiële zinnen, evenmin enige betekenis hebben. (Vedabase)
Het is om die reden dat het hebben van zowel het eeuwige als het tijdelijke in deze wereld niet iets is waarover zij die van de kennis zijn zich beklagen, want anders, zoals u wel begrijpt, zou het niet mogelijk zijn iets te beginnen met hen die hier wel over treuren [zie ook B.G. 2: 11].
Degenen die volmaakte kennis over zelfrealisatie bezitten en heel goed weten dat de geestelijke ziel eeuwig is en het lichaam vergankelijk, raken niet overmand door verdriet. Maar mensen die niets van zelfrealisatie afweten, hebben altijd iets om over te treuren. Daarom is het moeilijk om iemand die in illusie verkeert kennis bij te brengen. (Vedabase)
Een jager in het bos die was opgedragen de vogelstand uit te dunnen, spreidde een net en lokkend met voedsel hier en daar ving hij ze dan.
Er was eens een jager die met wat voedsel vogels lokte en ze dan ving door een net over ze heen te gooien. Hij leefde alsof hij door de dood in eigen persoon aangesteld was om vogels te doden. (Vedabase)
Hij zag daar toen een paartje kulinga vogels voedsel zoeken en toen de jager het vrouwtje lokte werd ze bij verrassing gedood.
Op een van zijn tochten door het woud zag de jager een koppel kulinga-vogels. Een van de twee, het vrouwtje, liep door het lokaas van de jager in de val. (Vedabase)
O koninginnen, het mannetje dat zag hoe ze in de touwen van het net gevangen van het leven werd beroofd, was zeer verdrietig en uit genegenheid, niet in staat ook maar iets te doen, begon het arme beestje te weeklagen over zijn wijfje:
O koninginnen van Suyajña, toen het kulinga-mannetje zag dat zijn vrouw zich door de macht der Voorzienigheid in het grootste gevaar bevond, werd hij diep ongelukkig. Uit liefde voor zijn vrouw begon de arme vogel, die niet in staat was om haar te bevrijden, luid te klagen. (Vedabase)
'Och arme, hoe wreed is het lot, de Almachtige van Genade, voor mijn wijfje, hoe akelig, wat anders dan gejammer kan ik opbrengen voor mijn arme liefje?
Ach, wat is de Voorzienigheid toch genadeloos! Niemand is in staat om mijn vrouw te redden uit de penibele situatie waarin ze zich bevindt, en ze jammert om mijn hulp. Wat heeft de Voorzienigheid eraan om zo'n arme vogel mee te nemen? Wie heeft daar nu voordeel bij? (Vedabase)
Naar Zijn believen mag Hij ook mijn leven nemen, wat, voor God, heeft mijn helft van het lichaam nu werkelijk voor een zin, wat een ellendig bestaan om voor de rest van je leven onder die pijn te moeten lijden!
Als de Voorzienigheid zo onvriendelijk is om mijn vrouw, die de helft van mijn lichaam is, weg te nemen, waarom zou Hij dan ook mij niet meenemen? Wat heeft het voor zin om door te leven met een half lichaam nu ik mijn vrouw verloren heb? Wat win ik daar nu bij? (Vedabase)
Hoe onfortuinlijk zijn mijn kindjes er aan toe, wachtend op hun moeder in hun nest? Hoe kan ik de jongen nu in leven houden die nog niet kunnen vliegen, nu ze beroofd zijn van hun moeder?'
En die arme kleine vogeltjes die hun moeder kwijt zijn, zitten in het nest te wachten tot ze hen komt voederen. Ze zijn nog maar heel jong en hebben nog geen vleugels. Hoe zal ik ze in leven kunnen houden? (Vedabase)
Met de vogel die met zijn ogen nat aldus op een afstand zeer verdrietig zat te jammeren over het verlies van zijn geliefde, slaagde de onversaagde jager erin hem te besluipen en uit het leven te helpen door hem met een pijl te doorboren.'
Beroofd van zijn vrouw zat de kulinga-vogel met tranen in zijn ogen te weeklagen. Maar de jager, die zich een eindje verderop goed verscholen hield, maakte van dit gunstige moment gebruik om een pijl af te schieten, die zich door het lichaam van de kulinga-vogel boorde en hem doodde. (Vedabase)
Zo, o onwetenden, is het met u ook gesteld als u niet de eindigheid van uw bestaan inziet; weeklagen over uw echtgenoot zal hem in nog geen honderd jaar terugbezorgen.'
Yamarâja in de gedaante van een jongetje sprak toen als volgt tot de koninginnen: Jullie zijn allemaal zo dwaas dat jullie maar zitten te treuren en je eigen dood niet eens zien. Uit gebrek aan kennis beseffen jullie niet dat jullie je man toch nooit levend terug zullen krijgen, zelfs al treuren jullie nog honderden jaren, maar in de tussentijd is jullie eigen leven voorbij. (Vedabase)
S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'De jongen aldus filosofisch uitleg gevend deed de harten van al de familieleden versteld staan en ze hielden alles wat het oog ook maar kan ontwaren voor slechts tijdelijk [zie ook B.G. 2: 18].
Hiranyakas'ipu zei: Alle verwanten die rondom het lijk van Suyajña zaten, waren hoogst verbaasd over het filosofische onderricht van Yamarâja in de gedaante van een jongetje. Ze zagen in dat al het materiële tijdelijk is en niets eeuwig blijft bestaan. (Vedabase)
Yamarâja, nadat hij in deze gedaante uitleg had verschaft, verdween hij toen vandaar, waarop de verwanten van Koning Suyajña toen deden wat moest worden gedaan voor de begrafenis.
Na de dwaze verwanten van Suyajña zo onderricht te hebben, verdween Yamarâja, in de gedaante van een jongen, uit het zicht. Toen hielden de verwanten van koning Suyajña de rituele begrafenisplechtigheid. (Vedabase)
Dus, wat valt er nu voor u te klagen? Of het u nu toebehoort of aan iemand anders, of het nu uzelf betreft of anderen, in deze materiële wereld is het idee dat men heeft van zichzelf en van anderen het resultaat van de preoccupatie met het lichaam in combinatie met een gebrek aan kennis over dat wat belichaamd is.'
Daarom moet geen van jullie verdrietig zijn als het lichaam verloren gaat - of het nu om je eigen lichaam gaat of om dat van anderen. Alleen iemand in onwetendheid maakt lichamelijk onderscheid en denkt: "Wie ben ik? Wie zijn die anderen? Wat is van mij? En wat is voor anderen?" (Vedabase)
S'rî Nârada zei: 'Diti en [Rushâbhânu,] de vrouw van de overleden broer, die de toespraak van de koning der Daitya's hadden gehoord, gaven prompt hun grote droefenis op en zetten hun harten naar de ware filosofie van het leven.'
S'rî Nârada Muni vervolgde: Toen Diti, de moeder van Hiranyakas'ipu en Hiranyâksha, samen met haar schoondochter Rushâbhânu, Hiranyâksha's vrouw, het onderricht van Hiranyakas'ipu gehoord had, vergat ze haar verdriet om de dood van haar zoon en ging met heel haar geest en aandacht op in het begrijpen van de werkelijke levensfilosofie. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Suddha-bhakta
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd