
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Lord
Krishna Blesses the Liberated Kings
Text
1-6:
S'rî
S'uka zei: 'De achtentwintighonderd [koningen] die in
de strijd waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren
tevoorschijn uit het fort Giridronî [de
hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen
gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt, dronken
ze zich vol met hun ogen en was het alsof ze met hun tongen aan
het likken waren, alsof ze met hun neusgaten op konden snuiven
en in hun armen konden sluiten, Hem, donkergrijs als een
regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het
s'rîvatsateken, met vier armen, bekoorlijke ogen roze als
de werveling van een lotus, een aangenaam gezicht, de glimmende
makara [zeemonster-vormige] oorhangers; met een lotus,
een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen;
een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel en de
armbanden die Hem opsierden en met het schitterend mooie juweel
en een bosbloemenslinger om Zijn nek. Zij, wiens zonden waren
vernietigd, bogen voor Zijn voeten met hun hoofden
voorover.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Jarâsandha had defeated
20,800 kings in combat and thrown them into prison. As these
kings emerged from the Giridronî fortress, they
appeared dirty and shabbily dressed. They were emaciated by
hunger, their faces were dried up, and they were greatly
weakened by their long imprisonment.
The kings
then beheld the Lord before them. His complexion was dark
blue like the color of a cloud, and He wore a yellow silk
garment. He was distinguished by the S'rîvatsa mark on
His chest, His four mighty arms, the pinkish hue of His
eyes, which resembled the whorl of a lotus, His lovely,
cheerful face, His gleaming makara earrings and the lotus,
club, conchshell and disc in His hands. A helmet, a jeweled
necklace, a golden belt, and golden bracelets and armlets
decorated His form, and on His neck He wore both the
brilliant, precious Kaustubha gem and a garland of forest
flowers. The kings seemed to drink His beauty with their
eyes, lick Him with their tongues, relish His fragrance with
their nostrils and embrace Him with their arms. Their past
sins now eradicated, the kings all bowed down to Lord Hari,
placing their heads at His feet.
Text
7:
En met dat de
koningen met samengebrachte handen met hun woorden de Meester
der Zinnen prezen, werd door de extase van het ontmoeten van
Krishna de zwaarmoedigheid van de gevangenschap
weggevaagd.
The
ecstasy of beholding Lord Krishna having dispelled the
weariness of their imprisonment, the kings stood with joined
palms and offered words of praise to that supreme master of
the senses.
Text
8:
De koningen
zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan U, o God der Goden, o Heer der
Overgegevenen en Verdrijver van het Leed, o Onuitputtelijke;
alstUblieft, o Krishna, redt ons overgegevenen, wanhopig van de
verschrikking van het materiële bestaan.
The
kings said: Obeisances to You, O Lord of the ruling
demigods, O destroyer of Your surrendered devotees'
distress. Since we have surrendered to You, O inexhaustible
Krishna, please save us from this terrible material life,
which has made us so despondent.
Text
9:
O
Mâdhava, we wijzen niet met onze vinger, o Meester, naar
de heerser van Magadha, aangezien het door Uw beijveren van de
goede zaak is, o Almachtige, dat koningen [in weerwil]
uit hun positie ten val komen.
O
master, Madhusûdana, we do not blame this King of
Magadha, since it is actually by Your mercy that kings fall
from their royal position, O almighty Lord.
Text
10:
Gestimuleerd
met de heerschappij en weelde de stem verheffend slaagt een
koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de
tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het
ware voordeel te behalen.
Infatuated
with his opulence and ruling power, a king loses all self-
restraint and cannot obtain his true welfare. Thus
bewildered by Your illusory energy, he imagines his
temporary assets to be permanent.
Text
11:
Op dezelfde
manier als een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas
water, zien zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen
het illusoire onderhevig aan verandering voor iets
substantieels aan.
Just
as men of childish intelligence consider a mirage in the
desert to be a pond of water, so those who are irrational
look upon the illusory transformations of Mâyâ
as substantial.
Text
12-13:
Wij die
voorheen met het verlustigen over de weelde het zicht verloren,
ruziënd met elkaar over het veroveren van deze aarde,
belaagden zeer genadeloos onze eigen burgers, o Meester, en
hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing
gelaten. Zij, wij inderdaad o Krishna, werden ertoe gedwongen
om afstand te doen van onze weelde, in onze trots vernietigd
door de genade van Uw persoonlijke gedaante, de onweerstaanbare
macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt; mogen wij
alstUblieft leven met Uw voeten in gedachten.
Previously,
blinded by the intoxication of riches, we wanted to conquer
this earth, and thus we fought one another to achieve
victory, mercilessly harassing our own subjects. We
arrogantly disregarded You, O Lord, who stood before us as
death. But now, O Krishna, that powerful form of Yours
called time, moving mysteriously and irresistibly, has
deprived us of our opulences. Now that You have mercifully
destroyed our pride, we beg simply to remember Your lotus
feet.
Text
14:
Van nu af aan
smachten we niet langer naar een koninkrijk dat, zich vertonend
als een luchtspiegeling, voortdurend moet worden gediend met
het materiële lichaam dat onderhevig aan verval, een bron
van ziekte vormt; noch, o Almachtige, verlangen we naar de
vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals zo aantrekkelijk
voor het oor [vergelijk B.G. 1.32-35].
Never
again will we hanker for a miragelike kingdom - a kingdom
that must be slavishly served by this mortal body, which is
simply a source of disease and suffering and which is
declining at every moment. Nor, O almighty Lord, will we
hanker to enjoy the heavenly fruits of pious work in the
next life, since the promise of such rewards is simply an
empty enticement for the ears.
Text
15:
AlstUblieft
onderricht ons in de manier waarop we Uw lotusgelijke voeten
mogen herinneren, ook al blijven we telkens weer naar deze
wereld terugkeren [zie B.G. 8:
14].
Please
tell us how we may constantly remember Your lotus feet,
though we continue in the cycle of birth and death in this
world.
Text
16
Keer op keer
brengen we onze eerbetuigingen voor Krishna, de zoon van
Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen;
voor Govinda, de Vernietiger van het Leed.'
Again
and again we offer our obeisances unto Lord Krishna, Hari,
the son of Vasudeva. That Supreme Soul, Govinda, vanquishes
the suffering of all who surrender to Him.
Text
17
S'rî
S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht,
loffelijk geprezen door de koningen bevrijd uit hun
gebondenheid, mijn beste, sprak hen genadig toe in aangename
bewoordingen.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus the kings, now freed from
bondage, glorified the Supreme Lord. Then, my dear
Parîkchit, that merciful bestower of shelter spoke to
them in a gentle voice.
Text
18
De Allerhoogste
Heer zei: 'Ik verzeker jullie, van nu af aan, o Koningen, zal,
zoals jullie dat wensen, jullie zeer ferme toewijding zich
opwerpen voor Mij, het Zelf en de Beheerser van
Allen.
The
Supreme Personality of Godhead said: From now on, my dear
kings, you will have firm devotion to Me, the Supreme Self
and the Lord of all that be. I assure you this will come to
pass, just as you desire.
Text
19
Jullie besluit
is een gelukkig besluit, o heersers, daar Ik zie dat jullie
naar waarheid spreken over de schreeuwerige verdwazing met de
weelde en de macht die de mensheid zo tot waanzin drijft.
Fortunately
you have come to the proper conclusion, my dear kings, and
what you have spoken is true. I can see that human beings'
lack of self- restraint, which arises from their
intoxication with opulence and power, simply leads to
madness.
Text
20
Haihaya [of
Kârtavîryârjuna 9.15:
25],
Nahusha [9.18:
1-3], Vena
[zie 4.14],
Râvana [9.10],
Naraka [of Bhauma 10.59:
2-3] en
anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en
mensen omdat ze door de weelde onder de invloed geraakt
waren.
Haihaya,
Nahusha, Vena, Râvana, Naraka and many other rulers of
demigods, men and demons fell from their elevated positions
because of infatuation with material opulence.
Text
21
Jullie, met in
gedachten dat dit materiële lichaam en dergelijke is
onderworpen aan geboorte en dood, behoren, verbonden met Mij in
aanbidding met offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma
te beschermen.
Understanding
that this material body and everything connected with it
have a beginning and an end, worship Me by Vedic sacrifices,
and with clear intelligence protect your subjects in
accordance with the principles of religion.
Text
22
Geplaatst voor
lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je er mee bezig
houden generaties nageslacht te verwekken, met geesten
gefixeerd in het aanvaarden van Mij.
As
you live your lives, begetting generations of progeny and
encountering happiness and distress, birth and death, always
keep your minds fixed on Me.
Text
23
Neutraal t.o.v.
het lichaam en dat alles en standvastig in de geloften
innerlijk tevreden, zullen jullie, met de volle concentratie
van de geest op Mij, ten slotte Mij bereiken, het Absolute van
de Waarheid [vergelijk B.G. 4:
9;
8:
7;
9:
28;
12:
3-4].'
Be
detached from the body and everything connected to it.
Remaining self- satisfied, steadfastly keep your vows while
concentrating your minds fully on Me. In this way you will
ultimately attain Me, the Supreme Absolute Truth.
Text
24
S'rî
S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van al
de Werelden, aldus de koningen instruerend zette dienaren en
dienstmaagden aan het werk ze een bad te geven.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having thus instructed the kings,
Lord Krishna, the supreme master of all the worlds, engaged
male and female servants in bathing and grooming
them.
Text
25
O afstammeling
van Bharata, hij liet Sahadeva [Jarâsandha's
zoon] ze, zoals dat hen paste, voorzien van kleding,
sierselen, bloemenslingers en sandelhoutpasta.
O
descendant of Bharata, the Lord then had King Sahadeva honor
them with offerings of clothing, jewelry, garlands and
sandalwood paste, all suitable for royalty.
Text
26
Naar behoren
gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend
voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen
waardig, zoals betelnoot en dergelijke.
After
they had been properly bathed and adorned, Lord Krishna saw
to it that they dined on excellent food. He also presented
them with various items befitting the pleasure of kings,
such as betel nut.
Text
27
Geëerd
door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende
prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten
aan het eind van het regenseizoen.
Honored
by Lord Mukunda and freed from tribulation, the kings shone
splendidly, their earrings gleaming, just as the moon and
other celestial bodies shine brilliantly in the sky at the
end of the rainy season.
Text
28
Na ze op wagens
met fijne paarden versierd met goud en edelstenen te hebben
gezet, stuurde Hij, ze bevredigend met aangename woorden, heen
naar hun eigen koninkrijken.
Then
the Lord arranged for the kings to be seated on chariots
drawn by fine horses and adorned with jewels and gold, and
pleasing them with gracious words, He sent them off to their
own kingdoms.
Text
29
Zij, de
grootste persoonlijkheden, aldus door Krishna bevrijd van alle
moeilijkheden gingen weg, uitsluitend mediterend op de daden
van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum
is.
Thus
liberated from all difficulty by Krishna, the greatest of
personalities, the kings departed, and as they went they
thought only of Him, the Lord of the universe, and of His
wonderful deeds.
Text
30
Tot hun
ministers en andere medewerkers spraken ze van de handelingen
van de Hoogste Persoonlijkheid en brachten ze alles zonder
laksheid ten uitvoer zoals de Heer het had opgedragen.
The
kings told their ministers and other associates what the
Personality of Godhead had done, and then they diligently
carried out the orders He had imparted to them.
Text
31
Na
Jarâsandha door Bhîmasena te hebben laten doden,
vertrok, aanbeden door Sahadeva, Kes'ava, begeleid door de twee
zoons van Prithâ.
Having
arranged for Bhîmasena to kill Jarâsandha, Lord
Kes'ava accepted worship from King Sahadeva and then
departed with the two sons of Prithâ.
Text
32
Aankomend in
Indraprastha bliezen ze op hun schelphoorns waarmee ze de
vijanden die ze versloegen misnoegden en [nu] hun
weldoeners vreugde bereidden.
When
they arrived at Indraprastha, the victorious heroes blew
their conchshells, bringing joy to their well-wishing
friends and sorrow to their enemies.
Text
33
De ingezetenen
van Indraprastha in hun harten verheugd dat te horen, begrepen
dat Jarâsandha de vrede was opgelegd en dat de koning
[Yudhishthhira] zijn doelen waren
bereikt.
The
residents of Indraprastha were very pleased to hear that
sound, for they understood that now the King of Magadha had
been put to rest. King Yudhishthhira felt that his desires
were now fulfilled.
Text
34
De koning toen
hun respect betonend verhaalden Arjuna, Bhîma en
Janârdana over alles wat ze gedaan hadden.
Bhîma,
Arjuna and Janârdana offered their respects to the
King and informed him fully about what they had done.
Text
35
De koning van
het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde, in
extase door Krishna's genade tranen plengend uit
liefde.
Upon
hearing their account of the great favor Lord Kes'ava had
mercifully shown him, King Dharmarâja shed tears of
ecstasy. He felt such love that he could not say
anything.
