Tweede
editie, geladen 22 november 2008

Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Lord
Krishna Blesses the Liberated Kings
Text
1-6
S'rî
S'uka zei: 'De twintigduizend achthonderd [koningen]
die in de strijd [door Jarâsandha] waren
verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit
het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld
van de honger, met ingevallen gezichten en door hun
gevangenschap ernstig verzwakt als ze waren, dronken ze Hem in
met hun ogen en was het alsof ze Hem met hun tongen aan het
likken waren, alsof ze met hun neusgaten Hem op wilden snuiven
en Hem in hun armen wilden sluiten. Voor Hem, donkergrijs als
een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het
S'rîvatsa-teken, met Zijn vier armen, bekoorlijke ogen
roze als de werveling van een lotus, een aangenaam gezicht, de
glimmende makara [zeemonster-vormige]
oorhangers; voor Hem met een lotus, een knots, een schelphoorn
en een werpschijf in Zijn handen; een helm, een halssnoer,
gouden polsbanden, een gordel en de armbanden die Hem opsierden
en met het schitterend mooie juweel en een bosbloemenslinger om
Zijn nek, voor Hem bogen zij, wiens zonden waren verdreven, aan
Zijn voeten hun hoofden.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Jarâsandha had defeated
20,800 kings in combat and thrown them into prison. As these
kings emerged from the Giridronî fortress, they
appeared dirty and shabbily dressed. They were emaciated by
hunger, their faces were dried up, and they were greatly
weakened by their long imprisonment.
The kings
then beheld the Lord before them. His complexion was dark
blue like the color of a cloud, and He wore a yellow silk
garment. He was distinguished by the S'rîvatsa mark on
His chest, His four mighty arms, the pinkish hue of His
eyes, which resembled the whorl of a lotus, His lovely,
cheerful face, His gleaming makara earrings and the
lotus, club, conchshell and disc in His hands. A helmet, a
jeweled necklace, a golden belt, and golden bracelets and
armlets decorated His form, and on His neck He wore both the
brilliant, precious Kaustubha gem and a garland of forest
flowers. The kings seemed to drink His beauty with their
eyes, lick Him with their tongues, relish His fragrance with
their nostrils and embrace Him with their arms. Their past
sins now eradicated, the kings all bowed down to Lord Hari,
placing their heads at His feet. (Vedabase)
Text
7
En met dat de
koningen met samengebrachte handen met hun woorden de Meester
der Zinnen prezen, werd door de extase van het ontmoeten van
Krishna de zwaarmoedigheid van hun gevangenschap
weggevaagd.
The
ecstasy of beholding Lord Krishna having dispelled the
weariness of their imprisonment, the kings stood with joined
palms and offered words of praise to that supreme master of
the senses. (Vedabase)
Text
8
De koningen
zeiden: 'Wij brengen U onze eerbetuigingen, o God der Goden, o
Heer der Overgegevenen en Verdrijver van het Leed, o
Onuitputtelijke; alstUblieft, o Krishna, redt ons overgegeven
zielen die wanhopig zijn over de verschrikking van het
materiële bestaan.
The
kings said: Obeisances to You, O Lord of the ruling
demigods, O destroyer of Your surrendered devotees'
distress. Since we have surrendered to You, O inexhaustible
Krishna, please save us from this terrible material life,
which has made us so despondent. (Vedabase)
Text
9
O
Madhusûdana, we wijzen niet met onze vinger, o Meester,
naar de heerser van Magadha, aangezien het door Uw beijveren
van de goede zaak is, o Almachtige, dat [tegendraadse]
koningen uit hun positie ten val komen.
O
master, Madhusûdana, we do not blame this King of
Magadha, since it is actually by Your mercy that kings fall
from their royal position, O almighty Lord.
(Vedabase)
Text
10
Ertoe gedreven
met de heerschappij en weelde zijn stem te verheffen, slaagt
een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend
dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet
in het ware voordeel te behalen.
Infatuated
with his opulence and ruling power, a king loses all self-
restraint and cannot obtain his true welfare. Thus
bewildered by Your illusory energy, he imagines his
temporary assets to be permanent. (Vedabase)
Text
11
Op dezelfde
manier als een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas
water, zien zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen
het illusoire onderhevig aan verandering voor iets
substantieels aan.
Just
as men of childish intelligence consider a mirage in the
desert to be a pond of water, so those who are irrational
look upon the illusory transformations of Mâyâ
as substantial. (Vedabase)
Text
12-13
Wij die
voorheen met het ons verlustigen over de weelde het zicht
verloren en ruziënd met elkaar over het veroveren van deze
aarde, zeer genadeloos onze eigen burgers belaagden o Meester,
hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing
gelaten. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te
doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw
genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die
zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft
mogen leven met Uw voeten in gedachten.
Previously,
blinded by the intoxication of riches, we wanted to conquer
this earth, and thus we fought one another to achieve
victory, mercilessly harassing our own subjects. We
arrogantly disregarded You, O Lord, who stood before us as
death. But now, O Krishna, that powerful form of Yours
called time, moving mysteriously and irresistibly, has
deprived us of our opulences. Now that You have mercifully
destroyed our pride, we beg simply to remember Your lotus
feet. (Vedabase)
Text
14
Van nu af aan
smachten we niet langer naar een koninkrijk dat, zich vertonend
als een luchtspiegeling, voortdurend moet worden gediend met
het materiële lichaam dat onderhevig aan verval, een bron
van ziekte vormt; noch, o Almachtige, verlangen we naar de
vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals dat zo verlokkelijk
is voor het oor [vergelijk B.G. 1:
32-35].
Never
again will we hanker for a miragelike kingdom - a kingdom
that must be slavishly served by this mortal body, which is
simply a source of disease and suffering and which is
declining at every moment. Nor, O almighty Lord, will we
hanker to enjoy the heavenly fruits of pious work in the
next life, since the promise of such rewards is simply an
empty enticement for the ears. (Vedabase)
Text
15
AlstUblieft
onderricht ons in de manier waarop we Uw lotusgelijke voeten
mogen herinneren, ook al blijven we telkens weer naar deze
wereld terugkeren [zie B.G. 8:
14].
Please
tell us how we may constantly remember Your lotus feet,
though we continue in the cycle of birth and death in this
world. (Vedabase)
Text
16
Keer op keer
brengen we onze eerbetuigingen voor Krishna, de zoon van
Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen;
voor Govinda, de Vernietiger van het Leed.'
Again
and again we offer our obeisances unto Lord Krishna, Hari,
the son of Vasudeva. That Supreme Soul, Govinda, vanquishes
the suffering of all who surrender to Him. (Vedabase)
Text
17
S'rî
S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht,
loffelijk geprezen door de koningen die waren bevrijd uit hun
gebondenheid mijn beste, sprak hen genadig toe in aangename
bewoordingen.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus the kings, now freed from
bondage, glorified the Supreme Lord. Then, my dear
Parîkshit, that merciful bestower of shelter spoke to
them in a gentle voice. (Vedabase)
Text
18
De Allerhoogste
Heer zei: 'Ik verzeker jullie, van nu af aan, o Koningen, zal,
zoals jullie het willen, zich bij jullie een gedegen toewijding
ontwikkelen voor Mij, het Zelf en de Beheerser van
Allen.
The
Supreme Personality of Godhead said: From now on, my dear
kings, you will have firm devotion to Me, the Supreme Self
and the Lord of all that be. I assure you this will come to
pass, just as you desire. (Vedabase)
Text
19
Jullie besluit
is een gelukkig besluit, o heersers, want Ik zie dat jullie
naar waarheid spreken over de schaamteloze verdwazing die men
kan hebben met de weelde en de macht die de mensheid zo tot
waanzin drijft.
Fortunately
you have come to the proper conclusion, my dear kings, and
what you have spoken is true. I can see that human beings'
lack of self-restraint, which arises from their intoxication
with opulence and power, simply leads to madness.
(Vedabase)
Text
20
Haihaya [of
Kârtavîryârjuna 9.15:
25],
Nahusha [9.18:
1-3], Vena
[zie 4.14],
Râvana [9.10],
Naraka [of Bhauma 10.59:
2-3] en
anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en
mensen omdat ze bezeten raakten van de weelde.
Haihaya,
Nahusha, Vena, Râvana, Naraka and many other rulers of
demigods, men and demons fell from their elevated positions
because of infatuation with material opulence.
(Vedabase)
Text
21
Jullie, met in
gedachten dat dit materiële lichaam en wat er bij komt
kijken is onderworpen aan geboorte en eindigheid, hebben als
taak, in het verbonden zijn met Mij met gebeden en offers,
jullie burgers overeenkomstig het dharma te
beschermen.
Understanding
that this material body and everything connected with it
have a beginning and an end, worship Me by Vedic sacrifices,
and with clear intelligence protect your subjects in
accordance with the principles of religion.
(Vedabase)
Text
22
Geplaatst voor
lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je ermee
bezighouden generaties nageslacht te verwekken, terwijl jullie
in de geest verankerd zijn in het aanvaarden van
Mij.
As
you live your lives, begetting generations of progeny and
encountering happiness and distress, birth and death, always
keep your minds fixed on Me. (Vedabase)
Text
23
Neutraal met
betrekking tot het lichaam en dat alles en, standvastig in de
geloften, innerlijk tevreden zijnd, zullen jullie, met het je
ten volle concentreren op Mij, uiteindelijk Mij bereiken, het
Absolute van de Waarheid [vergelijk B.G.
4:
9;
8:
7;
9:
28;
12:
3-4].'
Be
detached from the body and everything connected to it.
Remaining self-satisfied, steadfastly keep your vows while
concentrating your minds fully on Me. In this way you will
ultimately attain Me, the Supreme Absolute Truth.
(Vedabase)
Text
24
S'rî
S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van al
de Werelden, die aldus de koningen instrueerde, zette dienaren
en dienstmaagden aan het werk ze een bad te
geven.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having thus instructed the kings,
Lord Krishna, the supreme master of all the worlds, engaged
male and female servants in bathing and grooming them.
(Vedabase)
Text
25
O afstammeling
van Bharata, Hij zorgde ervoor dat Sahadeva
[Jarâsandha's zoon] hen voorzag van kleding,
sierselen, bloemenslingers en sandelhoutpasta, zoals dat bij
hen paste.
O
descendant of Bharata, the Lord then had King Sahadeva honor
them with offerings of clothing, jewelry, garlands and
sandalwood paste, all suitable for royalty.
(Vedabase)
Text
26
Naar behoren
gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend
voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen
waardig, zoals betelnoot en dergelijke.
After
they had been properly bathed and adorned, Lord Krishna saw
to it that they dined on excellent food. He also presented
them with various items befitting the pleasure of kings,
such as betel nut. (Vedabase)
Text
27
Geëerd
door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende
prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten
aan het eind van het regenseizoen.
Honored
by Lord Mukunda and freed from tribulation, the kings shone
splendidly, their earrings gleaming, just as the moon and
other celestial bodies shine brilliantly in the sky at the
end of the rainy season. (Vedabase)
Text
28
Na ze op wagens
met fijne paarden versierd met goud en edelstenen te hebben
gezet, stuurde Hij, ze behagend met aangename woorden, heen
naar hun eigen koninkrijken.
Then
the Lord arranged for the kings to be seated on chariots
drawn by fine horses and adorned with jewels and gold, and
pleasing them with gracious words, He sent them off to their
own kingdoms. (Vedabase)
Text
29
Zij, de
grootste persoonlijkheden, die aldus door Krishna waren bevrijd
van alle moeilijkheden gingen op weg met niets anders voor ogen
dan de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het
Universum is.
Thus
liberated from all difficulty by Krishna, the greatest of
personalities, the kings departed, and as they went they
thought only of Him, the Lord of the universe, and of His
wonderful deeds. (Vedabase)
Text
30
Met hun
ministers en andere medewerkers spraken ze over de handelingen
van de Hoogste Persoonlijkheid en brachten ze alles wat de Heer
hen had opgedragen zonder nalatigheid ten uitvoer.
The
kings told their ministers and other associates what the
Personality of Godhead had done, and then they diligently
carried out the orders He had imparted to them.
(Vedabase)
Text
31
Nadat Hij
Jarâsandha door Bhîmasena had laten doden, vertrok,
na aanbeden te zijn door Sahadeva, Kes'ava onder begeleiding
van de twee zoons van Prithâ.
Having
arranged for Bhîmasena to kill Jarâsandha, Lord
Kes'ava accepted worship from King Sahadeva and then
departed with the two sons of Prithâ.
(Vedabase)
Text
32
Aankomend in
Indraprastha bliezen ze op de schelphoorns waarmee ze de
vijanden die ze versloegen in het ongeluk hadden gestort, maar
waarmee ze nu hun weldoeners vreugde verschaften.
When
they arrived at Indraprastha, the victorious heroes blew
their conchshells, bringing joy to their well-wishing
friends and sorrow to their enemies. (Vedabase)
Text
33
De ingezetenen
van Indraprastha wiens harten verheugd opsprongen dat te horen,
begrepen dat Jarâsandha de vrede was opgelegd en dat de
koning [Yudhishthhira] zijn doelen waren
bereikt.
The
residents of Indraprastha were very pleased to hear that
sound, for they understood that now the King of Magadha had
been put to rest. King Yudhishthhira felt that his desires
were now fulfilled. (Vedabase)
Text
34
Arjuna,
Bhîma en Janârdana verhaalden toen, nadat ze de
koning hun eerbetuigingen gebracht hadden, over alles wat ze
gedaan hadden.
Bhîma,
Arjuna and Janârdana offered their respects to the
King and informed him fully about what they had done.
(Vedabase)
Text
35
De koning van
het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde. In
extase door Krishna's genade liet hij uit liefde zijn tranen de
vrije loop.'
Upon
hearing their account of the great favor Lord Kes'ava had
mercifully shown him, King Dharmarâja shed tears of
ecstasy. He felt such love that he could not say anything.
(Vedabase)
