regelbalk

 

Mahâmantra 4

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 89

 

Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

(1) S'rî S'uka zei: 'Onder de wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî, o Koning, wierp zich een meningsverschil op over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren de grootste zou zijn. (2) Ernaar verlangend dit te weten zonden ze Bhrigu, de zoon van Brahmâ er op uit om dit uit te zoeken, o Koning, en zo begaf hij zich naar het hof van Brahmâ. (3) Om de goedheid op de proef te stellen verboog hij zich niet voor hem noch liet hij een gebed horen, waarop, aangewakkerd door zijn hartstocht, er woede opkwam bij de grote heer. (4) Hoewel er zich woede bij hem opwierp jegens zijn zoon, slaagde de zelfgeborene erin die in zichzelf de baas te worden, precies zoals vuur wordt uitgedoofd door zijn eigen product, water. (5) Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva overeind kwam in een poging zijn broeder met vreugde te omhelzen [zie ook 3.12: 6-10]. (6-7) Dit afwijzend zeggend 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij zijn drietand naar hem op, met ogen die vuur schoten klaar om te doden. De godin aan de voeten neervallend bewoog hem toen verbaal tot vrede en Bhrigu ging naar Vaikunthha waar Heer Janârdana verblijft. (8-9) Toen hij daar met zijn voet schopte tegen de borst van Hem die met Zijn hoofd op de schoot van de godin van het geluk lag, stond de Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden, op samen met Lakshmî. Van het bed af komend boog Hij daarop Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Weest welkom, o brahmaan, gaat u hier zitten, neemt u 't Ons niet kwalijk o meester, we hadden even niet in de gaten dat u was gearriveerd! (10-11) Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water spoelend van de voeten van uw goede zelf, die de heiligheid scheppen van de pelgrimsoorden. Vandaag, o Mijn heer, ben Ik de enkele en laatste toevlucht geworden, nu zal de godin van het geluk in Mijn borst huizen door uw voet vrijgemaakt van alle zonde!'

(12) S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over de plechtstatige woorden die alzo door de Heer van Vaikunthha werden gesproken, viel bevredigd stil met tranen in zijn ogen, overweldigd als hij was door toewijding. (13) O Koning, terugkerend naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden, beschreef Bhrigu uitvoerig wat hij zelf had ondervonden. (14-17) Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, daar ze van hun moeilijkheden waren verlost geloof hechtend aan Heer Vishnu als zijnde de grootste van wie er vrede en onbevreesdheid is, een rechtstreeks bewijs van dharma, de spirituele kennis, de onthechting en dat [tat, de realisatie], met inbegrip van het achtvoudige van de mystieke vermogens [siddhi's] en Zijn faam die de onzuiverheden uit de geest bant; Hij is de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met het opgeven van het geweld [van het heersen met hartstocht], geesten hebben die gelijkmoedig en vreedzaam zijn; Hij is de belichaming van de geaardheid goedheid waarvan de brahmanen van spirituele vrede, zo kien en deskundig van aanbidding zonder nevenmotieven, de aanbiddelijke godheden zijn [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81 ]. (18) Naar de guna's zijn er de drie typen van geconditioneerd zijn teweeg gebracht door Zijn materiële energie: de wilden [de râkshasa's], de onverlichte zielen [de asura's] en de goddelijken [de sura's]; van hen is het de geaardheid goedheid [van de sura's] die de weg wijst [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].'

(19) S'rî S'uka zei: 'De geschoolden op deze wijze levend aan de Sarasvatî om bij de gewone man de twijfel weg te nemen, bereikten door de dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid de bestemming die Hij was'."

(20) S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "Aldus stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Yyâsa]; handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid vernietigt ze de angst van een materieel bestaan en maakt ze dat de reiziger, die zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen, de vermoeidheid vergeet van zijn ronddolen op de [wereldse] weg. (21) S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kleine kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment, zoals men dat zegt, dat het de grond raakte, o nazaat van Bharata. (22) De geschoolde, in zijn misère weeklagend met een geest van streek, nam het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, het volgende: (23) 'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya verslaafd aan zingenot, met een bedrieglijke geest en vijandig jegens de brahmanen, in zijn plichtsvervulling is mislukt, moest mijn zoon de dood vinden. (24) Burgers van dienst met een slechte volksheer die, met zijn zinnen niet in bedwang, er behagen in schept van geweld te zijn [zoals met vleeseten], moeten armoe lijden en voortdurend ellende onder ogen zien.'

(25) En op dezelfde manier gebeurde het een tweede keer, en een derde keer net zo dat hij, de wijze brahmaan [een dood kind] achterlatend bij de poort, hetzelfde lied zong. (26-27) Arjuna op een dag vanwege Kes'ava in de buurt, hoorde er toevallig over toen een negende kind de brahmaan ontviel; hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand om bij uw huis de boog hoog te houden; waarlijk, deze edelen handelen alsof ze brahmanen zijn aanwezig bij een offerplechtigheid! (28) Daar waar brahmanen het afzien van echtgenotes, kinderen en weelde te betreuren hebben, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die voor hun eigen levensonderhoud bezig zijn. (29) O grote heer, ik zal de nakomelingen van jullie twee, die zo ellendig zijn in deze aangelegenheid, beschermen; als ik er niet in slaag mijn belofte gestand te doen zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].'

(30-31) De brahmaan zei: 'Aangezien noch Sankarshana, noch Vâsudeva, noch Pradyumna de grootste boogschutter, noch Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, in staat waren uitkomst te bieden [door mijn zoons te redden], waarom probeert u dan in hemelsnaam zo naïef te doen wat onmogelijk is voor de [catur-vyûha] Heren van het Universum; dat klinkt ons niet geloofwaardig in de oren.'

(32) S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna of zelfs een afstammeling; ik voorwaar ben hij die Arjuna heet met de Gândiva als zijn boog! (33) Wees niet geringschattend over mijn kunnen o brahmaan, het bevredigde de drieogige [S'iva]; ik, de dood in de strijd verslaand, zal uw kinderen retourneren o meester!'

(34) De geschoolde aldus overtuigd door Arjuna, o kweller van de vijand, ging huiswaarts, voldaan te vernemen over het kunnen van de zoon van Prithâ. (35) Op het moment dat zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Alstublieft voorkom dat mijn kind komt te overlijden!'

(36) Hij, zuiver water beroerend, bracht de grote beheerser [S'iva] zijn eerbetuigingen, en spande met [de mantra's van] zijn wapens in gedachten, de boogpees van de Gândiva. (37) Naar boven toe, overlangs en opzij bakende hij het barenshuis af met pijlen geladen met de mantra's, aldus een kooi van pijlen creërend. (38) Het kind van de brahmanenvrouw daarop volgend geboren, verdween na enige tijd gehuild te hebben plotsklaps de lucht in met lichaam en al. (39) De geschoolde met Krishna aanwezig zei toen vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in zo'n opsnijder van een impotente eunuch! (40) Als Arjuna, Aniruddha, Râma, en Krishna ook geen van allen te hulp konden schieten, wie is er dan nog te vinden die in staat is bescherming te bieden in een situatie als deze? (41) Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom, in de waan, dacht hen terug te halen die door het lot werden weggenomen!'

(42) Terwijl de wijze man van scholing hem aldus aan het vervloeken was, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtsreeks naar de hemelstad Samyamanî waar de grote Yamarâja leeft. (43-44) Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden. (45) 'Ik zal je de zoons laten zien van de tweemaal geborene, alsjeblieft veracht jezelf niet, dit soort mannen [van kritiek] zullen ons beiden de onbetwiste roem brengen. '

(46) De Allerhoogste Heer, de Goddelijke Beheerser, aldus ruggespraak houdend, klom met Arjuna in Zijn wagen en vertrok in westelijke richting. (47) De zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens langstrekkend stak hij de grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging Hij de diepe duisternis binnen [zie ook 5.1: 31- 33]. (48-49) Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt, o beste van de Bharata's, en dus stuurde de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogabeheersers, gezien hun toestand zijn persoonlijke cakra vergelijkbaar met een duizend zonnen vooruit. (50) De sudars'ana-schijf met zijn extreem intense gloed snel als de geest vooruit spoedend, sneed zich door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie, als een pijl door Heer Râmacandra afgeschoten op een leger. (51) Het pad van de cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, transcendentale licht, voor de pijn waarvan hij zijn beide ogen sloot [zie ook 10.28: 14-15]. (52) Vandaar gingen ze een watermassa binnen bewogen door een machtige wind tot een schittering van enorme golven, waarin een werkelijk wonderbaarlijke verblijfplaats gelegen was in een goddelijke gloed met zuilen helder stralend met duizenden edelstenen. (53) Daar hield zich het enorme serpent Ananta op, verbazingwekkend met Zijn duizenden koppen stralend van de juwelen op de kragen en het dubbele aantal schrikwekkende ogen, die met zijn donkerblauwe nekken en tongen leek op de witte berg [Kailâsa]. (54-56) Op de gemakkelijke zitplaats van dat serpent zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God, eruit ziend als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Bij Zijn acht fraaie lange armen, het kaustubha juweel, het s'rîvatsa-teken en de omhelzing van een bloemenslinger van woudbloemen, reflecteerden Zijn duizenden loshangende haarlokken de schittering van Zijn oorhangers en de verzamelingen van grote juwelen in Zijn kroon. Als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum werd Hij bediend door Zijn persoonlijke metgezellen met Nanda en Sunanda voorop, Zijn cakra en Zijn andere wapens zich manifesterend in hun persoonlijke gedaanten, [de gemalinnen van] Zijn energieën van welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn voltallige mystieke vermogens [siddhi's]. (57) Acyuta betoonde Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die bij de aanblik [van Mahâ-vishnu] in grote verbazing verviel toen de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum met een glimlach en een inspirerende stem tot hen getweeën sprak die hun handpalmen hadden samengebracht. (58) 'Ik bracht de zoons van de tweemaal geborene naar hier met het verlangen jullie twee te zien, die als Mijn expansies zijn nedergedaald; kom, na het doden van hen die van het duister zijn en een overlast vormen voor de aarde, snel terug naar hier in Mijn aanwezigheid [zie 2:2: 24-27 en 2.6: 26]. (59) Ofschoon van jullie twee alle verlangens in vervulling zijn gegaan, o beste van alle personen, moeten jullie, zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, voor het heil van de gewone mensen te werk gaan ter wille van het handhaven van het dharma.'

(60-61) De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, verbogen zich 'om' reciterend voor de Almachtige en namen opgetogen de twee zoons van de tweemaal geborene mee, terugkerend naar hun eigen verblijfplaats op dezelfde manier als ze gekomen waren. De geschoolde overhandigden ze zijn zoons die de zelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan]. (62) Met het gezien hebben van de verblijfplaats van Vishnu was Arjuna diep bewogen. Hij concludeerde dat welke speciale vermogens levende wezens ook mochten hebben [zoals zijn vriend die hem Zijn eigen superioriteit als Mahâ-vishnu toonde], ze allen de genade waren betoond door Krishna. (63) Hij spreidde in deze wereld vele heldendaden als deze ten toon, genoot van de zinnelijkheid [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest opwekkende offerplechtigheden [e.g. in 10:24 en 10: 74-75]. (64) Te beginnen bij Zijn brahmanen, regende de Allerhoogste Heer vanuit Zijn Heerschappij, precies zoals Indra dat doet, op het juiste moment alles neer wat Zijn toegehorigen zich maar wensten. (65) Met het gedood hebben van al de koningen die zich tegen het dharma opstelden en het door Arjuna en anderen laten doden van hen, maakte Hij het de zoon van Dharma [Yudhishthhira] makkelijk om de principes van de religie ten uitvoer te brengen [zie ook 1.14 & 15].  

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Krishna and Arjuna Retrieve a Brâhmana's Sons

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'Onder de wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî, o Koning, wierp zich een meningsverschil op over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren de grootste zou zijn.

S'ukadeva Gosvâmî said: Once, O King, as a group of sages were performing a Vedic sacrifice on the banks of the Sarasvatî River, a controversy arose among them as to which of the three chief deities is supreme.

 

Tekst 2:

Ernaar verlangend dit te weten zonden ze Bhrigu, de zoon van Brahmâ er op uit om dit uit te zoeken, o Koning, en zo begaf hij zich naar het hof van Brahmâ.

Eager to resolve this question, O King, the sages sent Lord Brahmâ's son Bhrigu to find the answer. First he went to his father's court.

 

Tekst 3:

Om de goedheid op de proef te stellen verboog hij zich niet voor hem noch liet hij een gebed horen, waarop, aangewakkerd door zijn hartstocht, er woede opkwam bij de grote heer.

To test how well Lord Brahmâ was situated in the mode of goodness, Bhrigu failed to bow down to him or glorify him with prayers. The lord became angry at him, inflamed into fury by his own passion.

 

Tekst 4:

Hoewel er zich woede bij hem opwierp jegens zijn zoon, slaagde de zelfgeborene erin die in zichzelf de baas te worden, precies zoals vuur wordt uitgedoofd door zijn eigen product, water.

Though anger toward his son was now rising within his heart, Lord Brahmâ was able to subdue it by applying his intelligence, in the same way that fire is extinguished by its own product, water.

 

Tekst 5:

Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva overeind kwam in een poging zijn broeder met vreugde te omhelzen [zie ook 3.12: 6-10].

Bhrigu then went to Mount Kailâsa. There Lord S'iva stood up and happily came forward to embrace his brother.

 

Tekst 6-7:

(6-7) Dit afwijzend zeggend 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij zijn drietand naar hem op, met ogen die vuur schoten klaar om te doden. De godin aan de voeten neervallend bewoog hem toen verbaal tot vrede en Bhrigu ging naar Vaikunthha waar Heer Janârdana verblijft.

But Bhrigu refused his embrace, telling him, "You are a deviant heretic." At this Lord S'iva became angry, and his eyes burned ferociously. He raised his trident and was about to kill Bhrigu when Goddess Devî fell at his feet and spoke some words to pacify him. Bhrigu then left that place and went to Vaikunthha, where Lord Janârdana resides.

  

Tekst 8-9:

Toen hij daar met zijn voet schopte tegen de borst van Hem die met Zijn hoofd op de schoot van de godin van het geluk lag, stond de Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden, op samen met Lakshmî. Van het bed af komend boog Hij daarop Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Weest welkom, o brahmaan, gaat u hier zitten, neemt u 't Ons niet kwalijk o meester, we hadden even niet in de gaten dat u was gearriveerd!

There he went up to the Supreme Lord, who was lying with His head on the lap of His consort, S'rî, and kicked Him on the chest. The Lord then rose, along with Goddess Lakshmî, as a sign of respect. Coming down from His bedstead, that supreme goal of all pure devotees bowed His head to the floor before the sage and told him, 'Welcome, brâhmana. Please sit in this chair and rest awhile. Kindly forgive us, dear master, for not noticing your arrival.

 

Tekst 10-11:

Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water spoelend van de voeten van uw goede zelf, die de heiligheid scheppen van de pelgrimsoorden. Vandaag, o Mijn heer, ben Ik de enkele en laatste toevlucht geworden, nu zal de godin van het geluk in Mijn borst huizen door uw voet vrijgemaakt van alle zonde!'

"Please purify Me, My realm and the realms of the universal rulers devoted to Me by giving us the water that has washed your feet. This holy water is indeed what makes all places of pilgrimage sacred. Today, my lord, I have become the exclusive shelter of the goddess of fortune, Lakshmî; she will consent to reside on My chest because your foot has rid it of sins."

      

Tekst 12

S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over de plechtstatige woorden die alzo door de Heer van Vaikunthha werden gesproken, viel bevredigd stil met tranen in zijn ogen, overweldigd als hij was door toewijding.

S'ukadeva Gosvâmî said: Bhrigu felt satisfied and delighted to hear the solemn words spoken by Lord Vaikunthha. Overwhelmed with devotional ecstasy, he remained silent, his eyes brimming with tears.

 

 Tekst 13

O Koning, terugkerend naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden, beschreef Bhrigu uitvoerig wat hij zelf had ondervonden.

O King, Bhrigu then returned to the sacrificial arena of the wise Vedic authorities and described his entire experience to them.

 

Tekst 14-17

Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, daar ze van hun moeilijkheden waren verlost geloof hechtend aan Heer Vishnu als zijnde de grootste van wie er vrede en onbevreesdheid is, een rechtstreeks bewijs van dharma, de spirituele kennis, de onthechting en dat [tat, de realisatie], met inbegrip van het achtvoudige van de mystieke vermogens [siddhi's] en Zijn faam die de onzuiverheden uit de geest bant; Hij is de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met het opgeven van het geweld [van het heersen met hartstocht], geesten hebben die gelijkmoedig en vreedzaam zijn; Hij is de belichaming van de geaardheid goedheid waarvan de brahmanen van spirituele vrede, zo kien en deskundig van aanbidding zonder nevenmotieven, de aanbiddelijke godheden zijn [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81 ].

Amazed upon hearing Bhrigu's account, the sages were freed from all doubts and became convinced that Vishnu is the greatest Lord. From Him come peace; fearlessness; the essential principles of religion; detachment with knowledge; the eightfold powers of mystic yoga; and His glorification, which cleanses the mind of all impurities. He is known as the supreme destination for those who are peaceful and equipoised - the selfless, wise saints who have given up all violence. His most dear form is that of pure goodness, and the brâhmanas are His worshipable deities. Persons of keen intellect who have attained spiritual peace worship Him without selfish motives.

 

Tekst 18

Naar de guna's zijn er de drie typen van geconditioneerd zijn teweeg gebracht door Zijn materiële energie: de wilden [de râkshasa's], de onverlichte zielen [de asura's] en de goddelijken [de sura's]; van hen is het de geaardheid goedheid [van de sura's] die de weg wijst [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].'

The Lord expands into three kinds of manifest beings - the Râkshasas, the demons and the demigods - all of whom are created by the Lord's material energy and conditioned by her modes. But among these three modes, it is the mode of goodness which is the means of attaining life's final success.

 

Tekst 19

S'rî S'uka zei: 'De geschoolden op deze wijze levend aan de Sarasvatî om bij de gewone man de twijfel weg te nemen, bereikten door de dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid de bestemming die Hij was'."

S'ukadeva Gosvâmî said: The learned brâhmanas living along the river Sarasvatî came to this conclusion in order to dispel the doubts of all people. Thereafter they rendered devotional service to the Supreme Lord's lotus feet and attained His abode.

 

Tekst 20

S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "Aldus stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Yyâsa]; handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid vernietigt ze de angst van een materieel bestaan en maakt ze dat de reiziger, die zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen, de vermoeidheid vergeet van zijn ronddolen op de [wereldse] weg.

S'rî Sûta Gosvâmî said: Thus did this fragrant nectar flow from the lotus mouth of S'ukadeva Gosvâmî, the son of the sage Vyâsadeva. This wonderful glorification of the Supreme Person destroys all fear of material existence. A traveler who constantly drinks this nectar through his ear- holes will forget the fatigue brought on by wandering along the paths of worldly life.

 

Tekst 21

S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kleine kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment, zoals men dat zegt, dat het de grond raakte, o nazaat van Bharata.

S'ukadeva Gosvâmî said: Once, in Dvârakâ, a brâhmana's wife gave birth to a son, but the newborn infant died as soon as he touched the ground, O Bhârata.

 

 Tekst 22

De geschoolde, in zijn misère weeklagend met een geest van streek, nam het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, het volgende:

The brâhmana took the corpse and placed it at the door of King Ugrasena's court. Then, agitated and lamenting miserably, he spoke the following.

 

 Tekst 23

'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya verslaafd aan zingenot, met een bedrieglijke geest en vijandig jegens de brahmanen, in zijn plichtsvervulling is mislukt, moest mijn zoon de dood vinden.

[The brâhmana said:] This duplicitous, greedy enemy of brâhmanas, this unqualified ruler addicted to sense pleasure, has caused my son's death by some discrepancies in the execution of his duties.

  

 Tekst 24

Burgers van dienst met een slechte volksheer die, met zijn zinnen niet in bedwang, er behagen in schept van geweld te zijn [zoals met vleeseten], moeten armoe lijden en voortdurend ellende onder ogen zien.'

Citizens serving such a wicked king, who takes pleasure in violence and cannot control his senses, are doomed to suffer poverty and constant misery.

  

 Tekst 25

En op dezelfde manier gebeurde het een tweede keer, en een derde keer net zo dat hij, de wijze brahmaan [een dood kind] achterlatend bij de poort, hetzelfde lied zong.

The wise brâhmana suffered the same tragedy with his second and third child. Each time, he left the body of his dead son at the King's door and sang the same song of lamentation.

 

 Tekst 26-27

Arjuna op een dag vanwege Kes'ava in de buurt, hoorde er toevallig over toen een negende kind de brahmaan ontviel; hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand om bij uw huis de boog hoog te houden; waarlijk, deze edelen handelen alsof ze brahmanen zijn aanwezig bij een offerplechtigheid!

When the ninth child died, Arjuna, who was near Lord Kes'ava, happened to overhear the brâhmana lamenting. Thus Arjuna addressed the brâhmana: "What is the matter, my dear brâhmana? Isn't there some lowly member of the royal order here who can at least stand before your house with a bow in his hand? These kshatriyas are behaving as if they were brâhmanas idly engaged in fire sacrifices.

 

Tekst 28

Daar waar brahmanen het afzien van echtgenotes, kinderen en weelde te betreuren hebben, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die voor hun eigen levensonderhoud bezig zijn.

"The rulers of a kingdom in which brâhmanas lament over lost wealth, wives and children are merely imposters playing the role of kings just to earn their livelihood.

 

 Tekst 29

O grote heer, ik zal de nakomelingen van jullie twee, die zo ellendig zijn in deze aangelegenheid, beschermen; als ik er niet in slaag mijn belofte gestand te doen zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].'

"My lord, I will protect the progeny of you and your wife, who are in such distress. And if I fail to keep this promise, I will enter fire to atone for my sin."

 

 Tekst 30-31

De brahmaan zei: 'Aangezien noch Sankarshana, noch Vâsudeva, noch Pradyumna de grootste boogschutter, noch Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, in staat waren uitkomst te bieden [door mijn zoons te redden], waarom probeert u dan in hemelsnaam zo naïef te doen wat onmogelijk is voor de [catur-vyûha] Heren van het Universum; dat klinkt ons niet geloofwaardig in de oren.'

The brâhmana said: Neither Sankarshana; Vâsudeva; Pradyumna, the best of bowmen; nor the unequaled warrior Aniruddha could save my sons. Then why do you naively attempt a feat that the almighty Lords of the universe could not perform? We cannot take you seriously.

  

 Tekst 32

S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna of zelfs een afstammeling; ik voorwaar ben hij die Arjuna heet met de Gândiva als zijn boog!

S'rî Arjuna said: I am neither Lord Sankarshana, O brâhmana, nor Lord Krishna, nor even Krishna's son. Rather, I am Arjuna, wielder of the Gândîva bow.

 

 Tekst 33

Wees niet geringschattend over mijn kunnen o brahmaan, het bevredigde de drieogige [S'iva]; ik, de dood in de strijd verslaand, zal uw kinderen retourneren o meester!'

Do not minimize my ability, which was good enough to satisfy Lord S'iva, O brâhmana. I will bring back your sons, dear master, even if I have to defeat Death himself in battle.

 

Tekst 34

De geschoolde aldus overtuigd door Arjuna, o kweller van de vijand, ging huiswaarts, voldaan te vernemen over het kunnen van de zoon van Prithâ.

Thus convinced by Arjuna, O tormentor of enemies, the brâhmana went home, satisfied by having heard Arjuna's declaration of his prowess.

 

 Tekst 35

Op het moment dat zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Alstublieft voorkom dat mijn kind komt te overlijden!'

When the wife of the elevated brâhmana was again about to give birth, he went to Arjuna in great anxiety and begged him, "Please, please protect my child from death!"

 

 Tekst 36

Hij, zuiver water beroerend, bracht de grote beheerser [S'iva] zijn eerbetuigingen, en spande met [de mantra's van] zijn wapens in gedachten, de boogpees van de Gândiva.

After touching pure water, offering obeisances to Lord Mahes'vara and recollecting the mantras for his celestial weapons, Arjuna strung his bow Gândîva.

 

 Tekst 37

Naar boven toe, overlangs en opzij bakende hij het barenshuis af met pijlen geladen met de mantra's, aldus een kooi van pijlen creërend.

Arjuna fenced in the house where the birth was taking place by shooting arrows attached to various missiles. Thus the son of Prithâ constructed a protective cage of arrows, covering the house upwards, downwards and sideways.

 

 Tekst 38

Het kind van de brahmanenvrouw daarop volgend geboren, verdween na enige tijd gehuild te hebben plotsklaps de lucht in met lichaam en al.

The brâhmana's wife then gave birth, but after the newborn infant had been crying for a short time, he suddenly vanished into the sky in his selfsame body.

 

 Tekst 39

De geschoolde met Krishna aanwezig zei toen vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in zo'n opsnijder van een impotente eunuch!

The brâhmana then derided Arjuna in front of Lord Krishna: "Just see how foolish I was to put my faith in the bragging of a eunuch!

 

 Tekst 40

Als Arjuna, Aniruddha, Râma, en Krishna ook geen van allen te hulp konden schieten, wie is er dan nog te vinden die in staat is bescherming te bieden in een situatie als deze?

"When neither Pradyumna, Aniruddha, Râma nor Kes'ava can save a person, who else can possibly protect him?

 

 Tekst 41

Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom, in de waan, dacht hen terug te halen die door het lot werden weggenomen!'

"To hell with that liar Arjuna! To hell with that braggart's bow! He is so foolish that he has deluded himself into thinking he can bring back a person whom destiny has taken away."

 

 Tekst 42

Terwijl de wijze man van scholing hem aldus aan het vervloeken was, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtsreeks naar de hemelstad Samyamanî waar de grote Yamarâja leeft.

While the wise brâhmana continued to heap insults upon him, Arjuna employed a mystic incantation to go at once to Samyamanî, the city of heaven where Lord Yamarâja resides.

 

 Tekst 43-44

Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden.

Not seeing the brâhmana's child there, Arjuna went to the cities of Agni, Nirriti, Soma, Vâyu and Varuna. With weapons at the ready he searched through all the domains of the universe, from the bottom of the subterranean region to the roof of heaven. Finally, not having found the brâhmana's son anywhere, Arjuna decided to enter the sacred fire, having failed to keep his promise. But just as he was about to do so, Lord Krishna stopped him and spoke the following words.

 

 Tekst 45

'Ik zal je de zoons laten zien van de tweemaal geborene, alsjeblieft veracht jezelf niet, dit soort mannen [van kritiek] zullen ons beiden de onbetwiste roem brengen. '

[Lord Krishna said:] I will show you the brâhmana's sons, so please don't despise yourself like this. These same men who now criticize us will soon establish our spotless fame.

 

 Tekst 46

De Allerhoogste Heer, de Goddelijke Beheerser, aldus ruggespraak houdend, klom met Arjuna in Zijn wagen en vertrok in westelijke richting.

Having thus advised Arjuna, the Supreme Personality of Godhead had Arjuna join Him on His divine chariot, and together they set off toward the west.

 

 Tekst 47

De zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens langstrekkend stak hij de grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging Hij de diepe duisternis binnen [zie ook 5.1: 31- 33].

The Lord's chariot passed over the seven islands of the middle universe, each with its ocean and its seven principal mountains. Then it crossed the Lokâloka boundary and entered the vast region of total darkness.

 

 Tekst 48-49

Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt, o beste van de Bharata's, en dus stuurde de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogabeheersers, gezien hun toestand zijn persoonlijke cakra vergelijkbaar met een duizend zonnen vooruit.

In that darkness the chariot's horses - S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa and Balâhaka - lost their way. Seeing them in this condition, O best of the Bhâratas, Lord Krishna, the supreme master of all masters of yoga, sent His Sudars'ana disc before the chariot. That disc shone like thousands of suns.

 

 Tekst 50

De sudars'ana-schijf met zijn extreem intense gloed snel als de geest vooruit spoedend, sneed zich door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie, als een pijl door Heer Râmacandra afgeschoten op een leger.

Following the Sudars'ana disc, the chariot went beyond the darkness and reached the endless spiritual light of the all pervasive brahma-jyoti. As Arjuna beheld this glaring effulgence, his eyes hurt, and so he shut them.

 

 Tekst 51

Het pad van de cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, transcendentale licht, voor de pijn waarvan hij zijn beide ogen sloot [zie ook 10.28: 14-15].

Following the Sudars'ana disc, the chariot went beyond the darkness and reached the endless spiritual light of the all pervasive brahma-jyoti. As Arjuna beheld this glaring effulgence, his eyes hurt, and so he shut them.

 

 Tekst 52

Vandaar gingen ze een watermassa binnen bewogen door een machtige wind tot een schittering van enorme golven, waarin een werkelijk wonderbaarlijke verblijfplaats gelegen was in een goddelijke gloed met zuilen helder stralend met duizenden edelstenen.

From that region they entered a body of water resplendent with huge waves being churned by a mighty wind. Within that ocean Arjuna saw an amazing palace more radiant than anything he had ever seen before. Its beauty was enhanced by thousands of ornamental pillars bedecked with brilliant gems.

 

 Tekst 53

Daar hield zich het enorme serpent Ananta op, verbazingwekkend met Zijn duizenden koppen stralend van de juwelen op de kragen en het dubbele aantal schrikwekkende ogen, die met zijn donkerblauwe nekken en tongen leek op de witte berg [Kailâsa].

In that palace was the huge, awe-inspiring serpent Ananta S'esha. He shone brilliantly with the radiance emanating from the gems on His thousands of hoods and reflecting from twice as many fearsome eyes. He resembled white Mount Kailâsa, and His necks and tongues were dark blue.

 

 Tekst 54-56

Op de gemakkelijke zitplaats van dat serpent zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God, eruit ziend als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Bij Zijn acht fraaie lange armen, het kaustubha juweel, het s'rîvatsa-teken en de omhelzing van een bloemenslinger van woudbloemen, reflecteerden Zijn duizenden loshangende haarlokken de schittering van Zijn oorhangers en de verzamelingen van grote juwelen in Zijn kroon. Als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum werd Hij bediend door Zijn persoonlijke metgezellen met Nanda en Sunanda voorop, Zijn cakra en Zijn andere wapens zich manifesterend in hun persoonlijke gedaanten, [de gemalinnen van] Zijn energieën van welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn voltallige mystieke vermogens [siddhi's].

Arjuna then saw the omnipresent and omnipotent Supreme Personality of Godhead, Mahâ-Vishnu, sitting at ease on the serpent bed. His bluish complexion was the color of a dense raincloud, He wore a beautiful yellow garment, His face looked charming, His broad eyes were most attractive, and He had eight long, handsome arms. His profuse locks of hair were bathed on all sides in the brilliance reflected from the clusters of precious jewels decorating His crown and earrings. He wore the Kaustubha gem, the mark of S'rîvatsa and a garland of forest flowers. Serving that topmost of all Lords were His personal attendants, headed by Sunanda and Nanda; His cakra and other weapons in their personified forms; His consort potencies Pushthi, S'rî, Kîrti and Ajâ; and all His various mystic powers.

 

 Tekst 57

Acyuta betoonde Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die bij de aanblik [van Mahâ-vishnu] in grote verbazing verviel toen de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum met een glimlach en een inspirerende stem tot hen getweeën sprak die hun handpalmen hadden samengebracht.

Lord Krishna offered homage to Himself in this boundless form, and Arjuna, astonished at the sight of Lord Mahâ-Vishnu, bowed down as well. Then, as the two of them stood before Him with joined palms, the almighty Mahâ- Vishnu, supreme master of all rulers of the universe, smiled and spoke to them in a voice full of solemn authority.

 

 Tekst 58

'Ik bracht de zoons van de tweemaal geborene naar hier met het verlangen jullie twee te zien, die als Mijn expansies zijn nedergedaald; kom, na het doden van hen die van het duister zijn en een overlast vormen voor de aarde, snel terug naar hier in Mijn aanwezigheid [zie 2:2: 24-27 en 2.6: 26].

[Lord Mahâ-Vishnu said:] I brought the brâhmana's sons here because I wanted to see the two of you, My expansions, who have descended to the earth to save the principles of religion. As soon as you finish killing the demons who burden the earth, quickly come back here to Me.

 

 Tekst 59

Ofschoon van jullie twee alle verlangens in vervulling zijn gegaan, o beste van alle personen, moeten jullie, zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, voor het heil van de gewone mensen te werk gaan ter wille van het handhaven van het dharma.'

Although all your desires are completely fulfilled, O best of exalted personalities, for the benefit of the people in general you should continue to exemplify religious behavior as the sages Nara and Nârâyana.

 

 Tekst 60-61

De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, verbogen zich 'om' reciterend voor de Almachtige en namen opgetogen de twee zoons van de tweemaal geborene mee, terugkerend naar hun eigen verblijfplaats op dezelfde manier als ze gekomen waren. De geschoolde overhandigden ze zijn zoons die de zelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan].

Thus instructed by the Supreme Lord of the topmost planet, Krishna and Arjuna assented by chanting om, and then they bowed down to almighty Lord Mahâ- Vishnu. Taking the brâhmana's sons with them, they returned with great delight to Dvârakâ by the same path along which they had come. There they presented the brâhmana with his sons, who were in the same infant bodies in which they had been lost.

 

 Tekst 62

Met het gezien hebben van de verblijfplaats van Vishnu was Arjuna diep bewogen. Hij concludeerde dat welke speciale vermogens levende wezens ook mochten hebben [zoals zijn vriend die hem Zijn eigen superioriteit als Mahâ-vishnu toonde], ze allen de genade waren betoond door Krishna.

Having seen the domain of Lord Vishnu, Arjuna was totally amazed. He concluded that whatever extraordinary power a person exhibits can only be a manifestation of S'rî Krishna's mercy.

 

 Tekst 63

Hij spreidde in deze wereld vele heldendaden als deze ten toon, genoot van de zinnelijkheid [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest opwekkende offerplechtigheden [e.g. in 10:24 en 10: 74-75].

Lord Krishna exhibited many other, similar heroic pastimes in this world. He apparently enjoyed the pleasures of ordinary human life, and He performed greatly potent fire sacrifices.

 

 Tekst 64

Te beginnen bij Zijn brahmanen, regende de Allerhoogste Heer vanuit Zijn Heerschappij, precies zoals Indra dat doet, op het juiste moment alles neer wat Zijn toegehorigen zich maar wensten.

The Lord having demonstrated His supremacy, at suitable times He showered down all desirable things upon the brâhmanas and His other subjects, just as Indra pours down his rain.

 

 Tekst 65

Met het gedood hebben van al de koningen die zich tegen het dharma opstelden en het door Arjuna en anderen laten doden van hen, maakte Hij het de zoon van Dharma [Yudhishthhira] makkelijk om de principes van de religie ten uitvoer te brengen [zie ook 1.14 & 15].  

Now that He had killed many wicked kings and engaged devotees such as Arjuna in killing others, the Lord could easily assure the execution of religious principles through the agency of such pious rulers as Yudhishthhira.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  
Picture of Arjuna by Vlad Holst


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties