
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Krishna
and Arjuna Retrieve a Brâhmana's Sons
Tekst
1:
S'rî
S'uka zei: 'Onder de wijzen die een offerplechtigheid hielden
aan de oever van de Sarasvatî, o Koning, wierp zich een
meningsverschil op over wie van de drie [Heren] die er
vanaf het begin waren de grootste zou zijn.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Once, O King, as a group of sages
were performing a Vedic sacrifice on the banks of the
Sarasvatî River, a controversy arose among them as to
which of the three chief deities is supreme.
Tekst
2:
Ernaar
verlangend dit te weten zonden ze Bhrigu,
de zoon van Brahmâ er op uit om dit uit te zoeken, o
Koning, en zo begaf hij zich naar het hof van
Brahmâ.
Eager
to resolve this question, O King, the sages sent Lord
Brahmâ's son Bhrigu to find the answer. First he went
to his father's court.
Tekst
3:
Om de goedheid
op de proef te stellen verboog hij zich niet voor hem noch liet
hij een gebed horen, waarop, aangewakkerd door zijn hartstocht,
er woede opkwam bij de grote heer.
To
test how well Lord Brahmâ was situated in the mode of
goodness, Bhrigu failed to bow down to him or glorify him
with prayers. The lord became angry at him, inflamed into
fury by his own passion.
Tekst
4:
Hoewel er zich
woede bij hem opwierp jegens zijn zoon, slaagde de zelfgeborene
erin die in zichzelf de baas te worden, precies zoals vuur
wordt uitgedoofd door zijn eigen product, water.
Though
anger toward his son was now rising within his heart, Lord
Brahmâ was able to subdue it by applying his
intelligence, in the same way that fire is extinguished by
its own product, water.
Tekst
5:
Vervolgens ging
hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva overeind kwam in
een poging zijn broeder met vreugde te omhelzen [zie ook
3.12:
6-10].
Bhrigu
then went to Mount Kailâsa. There Lord S'iva stood up
and happily came forward to embrace his brother.
Tekst
6-7:
(6-7)
Dit afwijzend zeggend 'Je bent iemand die van het pad afwijkt',
werd hij boos en hief hij zijn drietand naar hem op, met ogen
die vuur schoten klaar om te doden. De godin aan de voeten
neervallend bewoog hem toen verbaal tot vrede en Bhrigu ging
naar Vaikunthha waar Heer Janârdana
verblijft.
But
Bhrigu refused his embrace, telling him, "You are a deviant
heretic." At this Lord S'iva became angry, and his eyes
burned ferociously. He raised his trident and was about to
kill Bhrigu when Goddess Devî fell at his feet and
spoke some words to pacify him. Bhrigu then left that place
and went to Vaikunthha, where Lord Janârdana
resides.
Tekst
8-9:
Toen hij daar
met zijn voet schopte tegen de borst van Hem die met Zijn hoofd
op de schoot van de godin van het geluk lag, stond de
Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden, op samen
met Lakshmî. Van het bed af komend boog Hij daarop Zijn
hoofd voor de wijze en zei: 'Weest welkom, o brahmaan, gaat u
hier zitten, neemt u 't Ons niet kwalijk o meester, we hadden
even niet in de gaten dat u was gearriveerd!
There
he went up to the Supreme Lord, who was lying with His head
on the lap of His consort, S'rî, and kicked Him on the
chest. The Lord then rose, along with Goddess Lakshmî,
as a sign of respect. Coming down from His bedstead, that
supreme goal of all pure devotees bowed His head to the
floor before the sage and told him, 'Welcome,
brâhmana. Please sit in this chair and rest awhile.
Kindly forgive us, dear master, for not noticing your
arrival.
Tekst
10-11:
Alstublieft
zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die
Mij toegewijd zijn, met het water spoelend van de voeten van uw
goede zelf, die de heiligheid scheppen van de pelgrimsoorden.
Vandaag, o Mijn heer, ben Ik de enkele en laatste toevlucht
geworden, nu zal de godin van het geluk in Mijn borst huizen
door uw voet vrijgemaakt van alle zonde!'
"Please
purify Me, My realm and the realms of the universal rulers
devoted to Me by giving us the water that has washed your
feet. This holy water is indeed what makes all places of
pilgrimage sacred. Today, my lord, I have become the
exclusive shelter of the goddess of fortune, Lakshmî;
she will consent to reside on My chest because your foot has
rid it of sins."
Tekst
12
S'rî
S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over de plechtstatige woorden die
alzo door de Heer van Vaikunthha werden gesproken, viel
bevredigd stil met tranen in zijn ogen, overweldigd als hij was
door toewijding.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Bhrigu felt satisfied and
delighted to hear the solemn words spoken by Lord
Vaikunthha. Overwhelmed with devotional ecstasy, he remained
silent, his eyes brimming with tears.
Tekst
13
O Koning,
terugkerend naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda
hooghouden, beschreef Bhrigu uitvoerig wat hij zelf had
ondervonden.
O
King, Bhrigu then returned to the sacrificial arena of the
wise Vedic authorities and described his entire experience
to them.
Tekst
14-17
Toen ze dit
hoorden stonden de wijzen versteld, daar ze van hun
moeilijkheden waren verlost geloof hechtend aan Heer Vishnu als
zijnde de grootste van wie er vrede en onbevreesdheid is, een
rechtstreeks bewijs van dharma, de spirituele kennis, de
onthechting en dat [tat, de realisatie], met inbegrip
van het achtvoudige van de mystieke vermogens
[siddhi's] en Zijn faam die de onzuiverheden uit de
geest bant; Hij is de Allerhoogste Bestemming van de
onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met het opgeven van het
geweld [van het heersen met hartstocht], geesten hebben
die gelijkmoedig en vreedzaam zijn; Hij is de belichaming van
de geaardheid goedheid waarvan de brahmanen van spirituele
vrede, zo kien en deskundig van aanbidding zonder
nevenmotieven, de aanbiddelijke godheden zijn [zie
1.2:
7;
3.25:
37 en
10.81
].
Amazed
upon hearing Bhrigu's account, the sages were freed from all
doubts and became convinced that Vishnu is the greatest
Lord. From Him come peace; fearlessness; the essential
principles of religion; detachment with knowledge; the
eightfold powers of mystic yoga; and His glorification,
which cleanses the mind of all impurities. He is known as
the supreme destination for those who are peaceful and
equipoised - the selfless, wise saints who have given up all
violence. His most dear form is that of pure goodness, and
the brâhmanas are His worshipable deities. Persons of
keen intellect who have attained spiritual peace worship Him
without selfish motives.
Tekst
18
Naar de guna's
zijn er de drie typen van geconditioneerd zijn teweeg gebracht
door Zijn materiële energie: de wilden [de
râkshasa's], de onverlichte zielen [de
asura's] en de goddelijken [de sura's]; van hen is
het de geaardheid goedheid [van de sura's] die de weg
wijst [zie B.G. 14:
6 &
14:
14].'
The
Lord expands into three kinds of manifest beings - the
Râkshasas, the demons and the demigods - all of whom
are created by the Lord's material energy and conditioned by
her modes. But among these three modes, it is the mode of
goodness which is the means of attaining life's final
success.
Tekst
19
S'rî
S'uka zei: 'De geschoolden op deze wijze levend aan de
Sarasvatî om bij de gewone man de twijfel weg te nemen,
bereikten door de dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste
Persoonlijkheid de bestemming die Hij was'."
S'ukadeva
Gosvâmî said: The learned brâhmanas living
along the river Sarasvatî came to this conclusion in
order to dispel the doubts of all people. Thereafter they
rendered devotional service to the Supreme Lord's lotus feet
and attained His abode.
Tekst
20
S'rî
Sûta [te Naimishâranya]
zei: "Aldus stroomde deze nectar met de geur van een lotus
voort uit de mond van de zoon van de wijze
[Yyâsa]; handelend over de Allerhoogste
Persoonlijkheid vernietigt ze de angst van een materieel
bestaan en maakt ze dat de reiziger, die zich via de openingen
van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen, de
vermoeidheid vergeet van zijn ronddolen op de
[wereldse] weg.
S'rî
Sûta Gosvâmî said: Thus did this fragrant
nectar flow from the lotus mouth of S'ukadeva
Gosvâmî, the son of the sage Vyâsadeva.
This wonderful glorification of the Supreme Person destroys
all fear of material existence. A traveler who constantly
drinks this nectar through his ear- holes will forget the
fatigue brought on by wandering along the paths of worldly
life.
Tekst
21
S'uka zei:
'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kleine kind
geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het
moment, zoals men dat zegt, dat het de grond raakte, o nazaat
van Bharata.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Once, in Dvârakâ, a
brâhmana's wife gave birth to a son, but the newborn
infant died as soon as he touched the ground, O
Bhârata.
Tekst
22
De geschoolde,
in zijn misère weeklagend met een geest van streek, nam
het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei,
het presenterend, het volgende:
The
brâhmana took the corpse and placed it at the door of
King Ugrasena's court. Then, agitated and lamenting
miserably, he spoke the following.
Tekst
23
'Omdat deze
ongekwalificeerde, inhalige kshatriya verslaafd aan zingenot,
met een bedrieglijke geest en vijandig jegens de brahmanen, in
zijn plichtsvervulling is mislukt, moest mijn zoon de dood
vinden.
[The
brâhmana said:] This duplicitous, greedy enemy of
brâhmanas, this unqualified ruler addicted to sense
pleasure, has caused my son's death by some discrepancies in
the execution of his duties.
Tekst
24
Burgers van
dienst met een slechte volksheer die, met zijn zinnen niet in
bedwang, er behagen in schept van geweld te zijn [zoals met
vleeseten], moeten armoe lijden en voortdurend ellende
onder ogen zien.'
Citizens
serving such a wicked king, who takes pleasure in violence
and cannot control his senses, are doomed to suffer poverty
and constant misery.
Tekst
25
En op dezelfde
manier gebeurde het een tweede keer, en een derde keer net zo
dat hij, de wijze brahmaan [een dood kind] achterlatend
bij de poort, hetzelfde lied zong.
The
wise brâhmana suffered the same tragedy with his
second and third child. Each time, he left the body of his
dead son at the King's door and sang the same song of
lamentation.
Tekst
26-27
Arjuna op een
dag vanwege Kes'ava in de buurt, hoorde er toevallig over toen
een negende kind de brahmaan ontviel; hij zei: 'O brahmaan, is
er hier niet iemand om bij uw huis de boog hoog te houden;
waarlijk, deze edelen handelen alsof ze brahmanen zijn aanwezig
bij een offerplechtigheid!
When
the ninth child died, Arjuna, who was near Lord Kes'ava,
happened to overhear the brâhmana lamenting. Thus
Arjuna addressed the brâhmana: "What is the matter, my
dear brâhmana? Isn't there some lowly member of the
royal order here who can at least stand before your house
with a bow in his hand? These kshatriyas are behaving as if
they were brâhmanas idly engaged in fire
sacrifices.
Tekst
28
Daar waar
brahmanen het afzien van echtgenotes, kinderen en weelde te
betreuren hebben, zijn degenen die zich uitdossen als koningen
enkel maar acteurs die voor hun eigen levensonderhoud bezig
zijn.
"The
rulers of a kingdom in which brâhmanas lament over
lost wealth, wives and children are merely imposters playing
the role of kings just to earn their livelihood.
Tekst
29
O grote heer,
ik zal de nakomelingen van jullie twee, die zo ellendig zijn in
deze aangelegenheid, beschermen; als ik er niet in slaag mijn
belofte gestand te doen zal ik het vuur ingaan om een einde te
maken aan mijn zonden [vergelijk B.G.
2: 34].'
"My
lord, I will protect the progeny of you and your wife, who
are in such distress. And if I fail to keep this promise, I
will enter fire to atone for my sin."
Tekst
30-31
De brahmaan
zei: 'Aangezien noch Sankarshana, noch Vâsudeva, noch
Pradyumna de grootste boogschutter, noch Aniruddha de
onvergelijkelijke strijdwagenvechter, in staat waren uitkomst
te bieden [door mijn zoons te redden], waarom probeert
u dan in hemelsnaam zo naïef te doen wat onmogelijk is
voor de [catur-vyûha]
Heren van het Universum; dat klinkt ons niet geloofwaardig in
de oren.'
The
brâhmana said: Neither Sankarshana; Vâsudeva;
Pradyumna, the best of bowmen; nor the unequaled warrior
Aniruddha could save my sons. Then why do you naively
attempt a feat that the almighty Lords of the universe could
not perform? We cannot take you seriously.
Tekst
32
S'rî
Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna
of zelfs een afstammeling; ik voorwaar ben hij die Arjuna heet
met de Gândiva als zijn boog!
S'rî
Arjuna said: I am neither Lord Sankarshana, O
brâhmana, nor Lord Krishna, nor even Krishna's son.
Rather, I am Arjuna, wielder of the Gândîva
bow.
Tekst
33
Wees niet
geringschattend over mijn kunnen o brahmaan, het bevredigde de
drieogige [S'iva]; ik, de dood in de strijd verslaand,
zal uw kinderen retourneren o meester!'
Do
not minimize my ability, which was good enough to satisfy
Lord S'iva, O brâhmana. I will bring back your sons,
dear master, even if I have to defeat Death himself in
battle.
Tekst
34
De geschoolde
aldus overtuigd door Arjuna, o kweller van de vijand, ging
huiswaarts, voldaan te vernemen over het kunnen van de zoon van
Prithâ.
Thus
convinced by Arjuna, O tormentor of enemies, the
brâhmana went home, satisfied by having heard Arjuna's
declaration of his prowess.
Tekst
35
Op het moment
dat zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de
hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Alstublieft
voorkom dat mijn kind komt te overlijden!'
When
the wife of the elevated brâhmana was again about to
give birth, he went to Arjuna in great anxiety and begged
him, "Please, please protect my child from death!"
Tekst
36
Hij, zuiver
water beroerend, bracht de grote beheerser [S'iva] zijn
eerbetuigingen, en spande met [de mantra's van] zijn
wapens in gedachten, de boogpees van de
Gândiva.
After
touching pure water, offering obeisances to Lord Mahes'vara
and recollecting the mantras for his celestial weapons,
Arjuna strung his bow Gândîva.
Tekst
37
Naar boven toe,
overlangs en opzij bakende hij het barenshuis af met pijlen
geladen met de mantra's, aldus een kooi van pijlen
creërend.
Arjuna
fenced in the house where the birth was taking place by
shooting arrows attached to various missiles. Thus the son
of Prithâ constructed a protective cage of arrows,
covering the house upwards, downwards and sideways.
Tekst
38
Het kind van de
brahmanenvrouw daarop volgend geboren, verdween na enige tijd
gehuild te hebben plotsklaps de lucht in met lichaam en al.
The
brâhmana's wife then gave birth, but after the newborn
infant had been crying for a short time, he suddenly
vanished into the sky in his selfsame body.
Tekst
39
De geschoolde
met Krishna aanwezig zei toen vol minachting tot Arjuna: 'Kijk
hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in zo'n opsnijder
van een impotente eunuch!
The
brâhmana then derided Arjuna in front of Lord Krishna:
"Just see how foolish I was to put my faith in the bragging
of a eunuch!
Tekst
40
Als Arjuna,
Aniruddha, Râma, en Krishna ook geen van allen te hulp
konden schieten, wie is er dan nog te vinden die in staat is
bescherming te bieden in een situatie als deze?
"When
neither Pradyumna, Aniruddha, Râma nor Kes'ava can
save a person, who else can possibly protect him?
Tekst
41
Weg met die
Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever
die zo dom, in de waan, dacht hen terug te halen die door het
lot werden weggenomen!'
"To
hell with that liar Arjuna! To hell with that braggart's
bow! He is so foolish that he has deluded himself into
thinking he can bring back a person whom destiny has taken
away."
Tekst
42
Terwijl de
wijze man van scholing hem aldus aan het vervloeken was, nam
Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en
ging hij rechtsreeks naar de hemelstad Samyamanî waar de
grote Yamarâja leeft.
While
the wise brâhmana continued to heap insults upon him,
Arjuna employed a mystic incantation to go at once to
Samyamanî, the city of heaven where Lord
Yamarâja resides.
Tekst
43-44
Het
brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens
gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti
[de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja],
Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar
andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van
de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal
geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op
het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die
hem probeerde tegen te houden.
Not
seeing the brâhmana's child there, Arjuna went to the
cities of Agni, Nirriti, Soma, Vâyu and Varuna. With
weapons at the ready he searched through all the domains of
the universe, from the bottom of the subterranean region to
the roof of heaven. Finally, not having found the
brâhmana's son anywhere, Arjuna decided to enter the
sacred fire, having failed to keep his promise. But just as
he was about to do so, Lord Krishna stopped him and spoke
the following words.
Tekst
45
'Ik zal je de
zoons laten zien van de tweemaal geborene, alsjeblieft veracht
jezelf niet, dit soort mannen [van kritiek] zullen ons
beiden de onbetwiste roem brengen. '
[Lord
Krishna said:] I will show you the brâhmana's
sons, so please don't despise yourself like this. These same
men who now criticize us will soon establish our spotless
fame.
Tekst
46
De Allerhoogste
Heer, de Goddelijke Beheerser, aldus ruggespraak houdend, klom
met Arjuna in Zijn wagen en vertrok in westelijke
richting.
Having
thus advised Arjuna, the Supreme Personality of Godhead had
Arjuna join Him on His divine chariot, and together they set
off toward the west.
Tekst
47
De zeven
continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens
langstrekkend stak hij de grens over die de werelden scheidt
van de buitenruimte en ging Hij de diepe duisternis binnen
[zie ook 5.1:
31- 33].
The
Lord's chariot passed over the seven islands of the middle
universe, each with its ocean and its seven principal
mountains. Then it crossed the Lokâloka boundary and
entered the vast region of total darkness.
Tekst
48-49
Daar in de
duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva,
Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*]
de weg kwijt, o beste van de Bharata's, en dus stuurde de
Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogabeheersers, gezien hun
toestand zijn persoonlijke cakra
vergelijkbaar met een duizend zonnen vooruit.
In
that darkness the chariot's horses - S'aibya, Sugrîva,
Meghapushpa and Balâhaka - lost their way. Seeing them
in this condition, O best of the Bhâratas, Lord
Krishna, the supreme master of all masters of yoga, sent His
Sudars'ana disc before the chariot. That disc shone like
thousands of suns.
Tekst
50
De
sudars'ana-schijf met zijn extreem intense gloed snel als de
geest vooruit spoedend, sneed zich door de immens diepe en
angstwekkende duisternis van de manifestatie, als een pijl door
Heer Râmacandra afgeschoten op een leger.
Following
the Sudars'ana disc, the chariot went beyond the darkness
and reached the endless spiritual light of the all pervasive
brahma-jyoti. As Arjuna beheld this glaring effulgence, his
eyes hurt, and so he shut them.
Tekst
51
Het pad van de
cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna het
allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende,
transcendentale licht, voor de pijn waarvan hij zijn beide ogen
sloot [zie ook 10.28:
14-15].
Following
the Sudars'ana disc, the chariot went beyond the darkness
and reached the endless spiritual light of the all pervasive
brahma-jyoti. As Arjuna beheld this glaring effulgence, his
eyes hurt, and so he shut them.
Tekst
52
Vandaar gingen
ze een watermassa binnen bewogen door een machtige wind tot een
schittering van enorme golven, waarin een werkelijk
wonderbaarlijke verblijfplaats gelegen was in een goddelijke
gloed met zuilen helder stralend met duizenden edelstenen.
From
that region they entered a body of water resplendent with
huge waves being churned by a mighty wind. Within that ocean
Arjuna saw an amazing palace more radiant than anything he
had ever seen before. Its beauty was enhanced by thousands
of ornamental pillars bedecked with brilliant gems.
Tekst
53
Daar hield zich
het enorme serpent Ananta op, verbazingwekkend met Zijn
duizenden koppen stralend van de juwelen op de kragen en het
dubbele aantal schrikwekkende ogen, die met zijn donkerblauwe
nekken en tongen leek op de witte berg
[Kailâsa].
In
that palace was the huge, awe-inspiring serpent Ananta
S'esha. He shone brilliantly with the radiance emanating
from the gems on His thousands of hoods and reflecting from
twice as many fearsome eyes. He resembled white Mount
Kailâsa, and His necks and tongues were dark
blue.
Tekst
54-56
Op de
gemakkelijke zitplaats van dat serpent zag hij de Almachtige,
Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle
Persoonlijkheden van God, eruit ziend als een grijze wolk, met
prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en
grote ogen. Bij Zijn acht fraaie lange armen, het kaustubha
juweel, het s'rîvatsa-teken en de omhelzing van een
bloemenslinger van woudbloemen, reflecteerden Zijn duizenden
loshangende haarlokken de schittering van Zijn oorhangers en de
verzamelingen van grote juwelen in Zijn kroon. Als de
Belangrijkste van de Heersers van het Universum werd Hij
bediend door Zijn persoonlijke metgezellen met Nanda en Sunanda
voorop, Zijn cakra en Zijn andere wapens zich manifesterend in
hun persoonlijke gedaanten, [de gemalinnen van] Zijn
energieën van welvaart, schoonheid, roem en materiële
schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en
Ajâ] en Zijn voltallige mystieke vermogens
[siddhi's].
Arjuna
then saw the omnipresent and omnipotent Supreme Personality
of Godhead, Mahâ-Vishnu, sitting at ease on the
serpent bed. His bluish complexion was the color of a dense
raincloud, He wore a beautiful yellow garment, His face
looked charming, His broad eyes were most attractive, and He
had eight long, handsome arms. His profuse locks of hair
were bathed on all sides in the brilliance reflected from
the clusters of precious jewels decorating His crown and
earrings. He wore the Kaustubha gem, the mark of
S'rîvatsa and a garland of forest flowers. Serving
that topmost of all Lords were His personal attendants,
headed by Sunanda and Nanda; His cakra and other weapons in
their personified forms; His consort potencies Pushthi,
S'rî, Kîrti and Ajâ; and all His various
mystic powers.
Tekst
57
Acyuta betoonde
Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna
dat deed die bij de aanblik [van Mahâ-vishnu] in
grote verbazing verviel toen de Almachtige Heer en Meester van
Alle Heersers van het Universum met een glimlach en een
inspirerende stem tot hen getweeën sprak die hun
handpalmen hadden samengebracht.
Lord
Krishna offered homage to Himself in this boundless form,
and Arjuna, astonished at the sight of Lord
Mahâ-Vishnu, bowed down as well. Then, as the two of
them stood before Him with joined palms, the almighty
Mahâ- Vishnu, supreme master of all rulers of the
universe, smiled and spoke to them in a voice full of solemn
authority.
Tekst
58
'Ik bracht de
zoons van de tweemaal geborene naar hier met het verlangen
jullie twee te zien, die als Mijn expansies zijn nedergedaald;
kom, na het doden van hen die van het duister zijn en een
overlast vormen voor de aarde, snel terug naar hier in Mijn
aanwezigheid [zie 2:2:
24-27 en
2.6:
26].
[Lord
Mahâ-Vishnu said:] I brought the brâhmana's
sons here because I wanted to see the two of you, My
expansions, who have descended to the earth to save the
principles of religion. As soon as you finish killing the
demons who burden the earth, quickly come back here to
Me.
Tekst
59
Ofschoon van
jullie twee alle verlangens in vervulling zijn gegaan, o beste
van alle personen, moeten jullie, zoals de wijzen
Nara
en Nârâyana
dat deden, voor het heil van de gewone mensen te werk gaan ter
wille van het handhaven van het dharma.'
Although
all your desires are completely fulfilled, O best of exalted
personalities, for the benefit of the people in general you
should continue to exemplify religious behavior as the sages
Nara and Nârâyana.
Tekst
60-61
De twee
Krishna's [zie ook B.G. 10:
37] aldus
geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf,
verbogen zich 'om' reciterend voor de Almachtige en namen
opgetogen de twee zoons van de tweemaal geborene mee,
terugkerend naar hun eigen verblijfplaats op dezelfde manier
als ze gekomen waren. De geschoolde overhandigden ze zijn zoons
die de zelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als
toen ze verloren waren gegaan].
Thus
instructed by the Supreme Lord of the topmost planet,
Krishna and Arjuna assented by chanting om, and then they
bowed down to almighty Lord Mahâ- Vishnu. Taking the
brâhmana's sons with them, they returned with great
delight to Dvârakâ by the same path along which
they had come. There they presented the brâhmana with
his sons, who were in the same infant bodies in which they
had been lost.
Tekst
62
Met het gezien
hebben van de verblijfplaats van Vishnu was Arjuna diep
bewogen. Hij concludeerde dat welke speciale vermogens levende
wezens ook mochten hebben [zoals zijn vriend die hem Zijn
eigen superioriteit als Mahâ-vishnu toonde], ze allen
de genade waren betoond door Krishna.
Having
seen the domain of Lord Vishnu, Arjuna was totally amazed.
He concluded that whatever extraordinary power a person
exhibits can only be a manifestation of S'rî Krishna's
mercy.
Tekst
63
Hij spreidde in
deze wereld vele heldendaden als deze ten toon, genoot van de
zinnelijkheid [zie ook 1.11:
35-39] en
was van aanbidding met de meest opwekkende offerplechtigheden
[e.g. in 10:24
en 10:
74-75].
Lord
Krishna exhibited many other, similar heroic pastimes in
this world. He apparently enjoyed the pleasures of ordinary
human life, and He performed greatly potent fire
sacrifices.
Tekst
64
Te beginnen bij
Zijn brahmanen, regende de Allerhoogste Heer vanuit Zijn
Heerschappij, precies zoals Indra dat doet, op het juiste
moment alles neer wat Zijn toegehorigen zich maar
wensten.
The
Lord having demonstrated His supremacy, at suitable times He
showered down all desirable things upon the brâhmanas
and His other subjects, just as Indra pours down his
rain.
Tekst
65
Met het gedood
hebben van al de koningen die zich tegen het dharma opstelden
en het door Arjuna en anderen laten doden van hen, maakte Hij
het de zoon van Dharma [Yudhishthhira] makkelijk om de
principes van de religie ten uitvoer te brengen [zie ook
1.14
& 15].
Now
that He had killed many wicked kings and engaged devotees
such as Arjuna in killing others, the Lord could easily
assure the execution of religious principles through the
agency of such pious rulers as Yudhishthhira.
