regelbalk


 

Canto 8

Dâmodarâshthaka

 

 

Hoofdstuk 19: Heer Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij aldus de zeer bevredigende woorden van trouw aan het dharma hoorde van de zoon van Virocana, prees de Allerhoogste Heer hem, tevreden als Hij was, met de volgende woorden. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat waar u het over heeft, o Heer der Mensen, is zeer waar, past de dynastie, is in overeenstemming met het dharma en doet uw naam eer aan; het bewijst het gezag van de Bhrigu-brahmanen en vormt de standaard van uw grootvader, de oudste en meest vreedzame [Prahlâda]. (3) In deze dynastie is inderdaad niemand een armzalige schraper geweest; jegens de brahmanen heeft niemand ontkend wat beloofd was of de liefdadigheid opgegeven. (4) Door de onberispelijke reputatie van Prahlâda, die als een heldere maan in de hemel is, o heerser, worden er in uw dynastie niet van dergelijke minne koningen gevonden, koningen die weigerachtig zijn hun betrokkenheid te tonen door in heilige plaatsen of op het slagveld niet in te gaan op de verzoeken van de betreffende dienaren. (5) In die dynastie werd Hiranyâksha geboren die, in zijn eentje rondtrekkend over deze aarde met het doel alle richtingen te veroveren, er met zijn knots niet in slaagde een held te vinden die zich met hem kon meten. (6) Vishnu die [als een zwijn] met veel moeite hem wist te verslaan toen Hij hem op Zijn weg vond met het verlossen van de wereld, bracht, nadat hij had gezegevierd, Zichzelf constant in herinnering hoe machtig en capabel Hiranyâksha wel niet geweest was [zie 3.17-19]! (7) Nadat zijn broer Hiranyakas'ipu erover vernam hoe hij ter dood was gebracht, begaf hij zich zeer woest naar waar de Heer zich ophield om een einde te maken aan Hem die zijn broer ter dood had gebracht [zie 7.3]. (8) Nauwlettend erop toeziend hoe hij als de dood in eigen persoon achter Hem aanzat met de drietand in zijn hand dacht Hij, de Kenner der Tijd, Heer Vishnu, de Belangrijkste der Mystici: (9) 'Waarheen Ik Mij ook begeef zal deze hier, als was hij een ieder zijn dood, zich ook begeven; derhalve zal Ik zijn hart binnengaan daar hij enkel acht slaat op de buitenwereld' (10) Aldus besloot Hij hoogst bezorgd ertoe om, niet waarneembaar in Zijn subtiele lichaam, via zijn ademhaling, door zijn neusgat, het lichaam van die zo kwaadaardig Hem nazittende vijand binnen te gaan, o Koning der Asura's. (11) Hij, Zijn verblijfplaats doorzoekend, trof hem leeg aan Hem nergens ziend en in woede brulde hij hard in alle richtingen over het oppervlak van de aarde en in de buitenruimte, in de ether, de grotten en de oceanen; ondanks al zijn macht kon hij, zoekend naar Vishnu, Hem niet in de gaten krijgen. (12) Hem nergens aantreffend zei hij: 'Ik heb het hele universum naar Hem afgezocht die mijn broer vermoorde, Hij moet vertrokken zijn naar die plaats vanwaar niemand terugkeert.' (13) Normaal gesproken houdt de op ego gebaseerde vijandigheid, een woede die zijn bestaan ontleent aan onwetendheid, met fysiek georiënteerde mensen niet aan tot voorbij het punt van de dood [van een tegenstander]. (14) Uw vader [Virocana], de zoon van Prahlâda, gaf op verzoek van de goden, ondanks het feit dat hij er weet van had dat ze zich hadden verkleed als brahmanen, zijn leven aan hen op basis van zijn eigen affiniteit met de tweemaal geborenen. (15) Uw goede zelf ging ook te werk terwille van het dharma dat werd gevestigd door de huishouders, de brahmanen, uw voorvaderen, de grote helden en anderen hoogst verheven en beroemd. (16) Van een dergelijke persoon, van Uwe Majesteit, vraag ik een beetje land; van hem die zo gul van liefdadigheid kan zijn vraag Ik drie passen, o Koning van de Daitya's, naar de maat van Mijn voetstap. (17) Er is verder niets dat Ik van u verlang, o Koning zo vrijgevig, o heerser van het universum, moge hij die van de geleerdheid is geen gebrek lijden en zoveel aan donaties in ontvangst nemen als hij nodig heeft.'

(18) S'rî Bali zei: 'Helaas o kind der brahmanen, Uw woorden worden weliswaar verwelkomt door de geleerden en de ouderen, maar als een jongen niet gebrand op het beslagleggen terwille van Uw eigenbelang bent U zich niet geheel bewust van wat er allemaal nodig is. (19) Het is voor hem die met mooie woorden zich inzet voor het gunstig stemmen van mij, de enige ware meester van de hele wereld, niet bijster intelligent om drie passen te vragen, als ik een heel continent te bieden heb! (20) Niemand die mij ooit benaderde verdient het om nogmaals te moeten bedelen en neem derhalve, o kleine brahmacârî, van mij naar wat U zich wenst wat U ook maar nodig denkt te hebben.'

(21) De Allerhoogste Heer zei: 'Alle mogelijke zinsobjecten die iemand het in deze drie werelden naar de zin kunnen maken tezamen genomen, zijn niet in staat de man te bevredigen die zijn zinnen niet in bedwang heeft, o Koning [zie ook 5.5: 4]. (22) Hij die niet genoeg heeft aan drie passen zal ook niet met een heel continent van negen landen tevreden zijn, noch met het verlangen alle zeven continenten in zijn greep te krijgen. (23) Ons kwam ter ore hoe Prithu, Gaya en dergelijke nobele heersers over de zeven continenten, met het volgen van deze koers niet het einde van de vervulling van hun wensen en ambities konden vinden. (24) Over die verworvenheden die God je toebedeelt naar lotsbeschikking, behoort men tevreden te zijn; voor een ontevreden iemand die zichzelf niet in de hand heeft is er geen geluk, zelfs niet als hij de drie werelden veroverde [zie ook 7.6: 3-5, 5.5: 1 en B.G. 6: 20-23]. (25) Het geen vrede hebben met het geld en de zinsgenoegens is er de oorzaak van dat er aan iemands materieel bepaalde leven [van doodgaan en telkens weer opnieuw moeten beginnen] geen einde komt, maar hij die tevreden is met wat de voorzienigheid hem in de schoot wierp, komt in aanmerking voor de bevrijding. (26) De geestkracht en glorie van een brahmaan neemt toe als hij tevreden is over wat bij lotsbeschikking werd verkregen, maar neemt af met het ontevreden zijn zoals een vuur geblust wordt door water. (27) Om die reden vraag Ik u, die als weldoener zo goedgevig bent, om drie stappen land daar Ik precies daar ben waar Ik wil wezen met enkel het bereiken van het noodzakelijke.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken zei Bali met een glimlach: 'Neem nu van mij naar Uw wens', en om Hem het land te geven pakte hij zijn waterpot [om met het water in zijn hand zijn gelofte ritueel te bekrachtigen]. (29) S'ukrâcârya, de meest ter zake kundige, die door had wat Vishnu's plan was, richtte zich toen tot zijn discipel, de asura heer die op het punt stond het land aan Vishnu weg te geven.

(30) S'rî S'ukrâcârya zei: 'Hij hier is rechtstreeks de Allerhoogste Heer Vishnu, o zoon van Virocana, in Zijn volle glorie geboren uit Kas'yapa en Aditi om op te treden in het belang van de goddelijken. (31) Wat u beloofde is, naar mijn idee, in strijd met uw belangen, u hebt er geen idee van, het zal u niets goeds brengen; wat u hebt afgesproken vormt een grote bedreiging voor de Daitya's! (32) Hij, zich voordoend als een mensenkind, is de Heer die u een lesje leert; hij zal u alle materiële schoonheid en rijkdommen, macht en reputatie afhandig maken om het uw vijand [Indra, zie ook 7.10] te vergunnen. (33) Met drie stappen zal Hij, geleidelijk uitgroeiend tot de universele gedaante, al de werelden in bezit nemen - hoe wilt u als u alles aan Vishnu weg hebt geschonken zichzelf nu in leven houden, o dwaas! (34) Achtereenvolgens zal Hij met één stap de aarde in bezit nemen, met een tweede stap de buitenruimte in beslag nemen en in de ether zich tot Zijn grootst uitbreiden en waar moet Hij dan Zijn derde stap zetten? (35) Ik denk dat u voor eeuwig in de hel zult branden, want dat is inderdaad wat een persoon overkomt die zich niet houdt aan wat hij beloofd heeft; u bent er immers zo een die het nooit voor elkaar krijgt om te beantwoorden aan de verwachtingen die hij schiep. (36) De heiligheid voelt niets voor die liefdadigheid die het eigen levensonderhoud in gevaar brengt, want het is juist dankzij dat vermogen om zichzelf in stand te houden dat in deze wereld de liefdadigheid, de offers, de verzaking en de productieve arbeid er zijn. (37) Als men zijn verdiensten verdeelt over de vijf doelen van de religie, het behalen van succes, het handhaven van zijn materiële positie, zijn zinsgenoegens en zijn gezin, kan men gelukkig zijn in deze wereld en de wereld hierna. (38) Luister, in dit opzicht [wat betreft uw belofte] wordt de waarheid met de vele [Rig-]veda [Bahvrica-s'ruti] gebeden voor de goden en de schepping die ik heb opgezegd, o beste der Asura's, voorafgegaan door het woord om [AUM, 'ja', 'zo zij het'] en over dat wat men zei waar dat niet aan vooraf ging spreekt men als het niet-eeuwige [het relatieve, illusoire, of onware, zie ook B.G 17: 24, 9: 17 en 8: 13]. (39) Men moet inzien dat de feitelijke waarheid, zoals de Veda's het stellen, eruit bestaat dat bloemen en vruchten er zijn van de boom die het lichaam is, maar dat er van de onware wortel van het lichaam van een dode boom geen kans op hen bestaat [vergelijk B.G. 8: 6]. (40) Het lijdt geen twijfel dat op dezelfde manier als met een boom die ontworteld omvalt en uitdroogt, het tijdelijke lichaam meteen is verloren en verdroogd [als men geen zorg draagt voor die tijdelijke wortel*]. (41) Die lettergreep om aldus uitgedrukt is wat iemand afscheidt van, wat iemand vrijmaakt en de tegenhanger vormt [van uw weelde], een persoon raakt dus bevrijdt van dat wat er bij haar expressie in wordt gebracht [wordt geofferd]; wat men ook geeft in liefdadigheid aan de behoeftigen met het uiten van om zal dan niet de bevrediging van de zinnen of de eigen zelfverwerkelijking ten goede komen. (42) Geef daarom niet geheel toe aan dat verzoeken om uw mededogen maar druk u ook niet uit in onware woorden [suggererende dat u niets zou kunnen missen]; aldus kan niemand beweren dat u van de illusie bent, dat u een verwerpelijk iemand zou zijn die dood bij het leven is.(43) Het is geen valsheid [ziet u] noch een aberratie om een dame te paaien, de draak te steken of in het huwelijk te treden, de kost te verdienen of in tijden van gevaar de koeien en het brahmaanse te beschermen tegen geweld.'

 

next                         

 

 

 
Tweede editie, geladen 25 oktober 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

Heer Vâmanadeva vraagt Bali Mahârâja om een aalmoes

 

Text 1 :

S'rî S'uka zei: 'Toen Hij aldus de zeer bevredigende woorden van trouw aan het dharma hoorde van de zoon van Virocana, prees de Allerhoogste Heer hem, tevreden als Hij was, met de volgende woorden.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Toen Vâmanadeva, de Allerhoogste Godspersoon, Bali Mahârâja zo innemend hoorde spreken, was Hij heel tevreden, want Bali had zich uitgedrukt in termen van de religieuze principes. Daarom begon de Heer hem te prijzen. (Vedabase)

 

Text 2 :

De Allerhoogste Heer zei: 'Dat waar u het over heeft, o Heer der Mensen, is zeer waar, past de dynastie, is in overeenstemming met het dharma en doet uw naam eer aan; het bewijst het gezag van de Bhrigu-brahmanen en vormt de standaard van uw grootvader, de oudste en meest vreedzame [Prahlâda].

De Allerhoogste Godspersoon zei: O Koning, u bent inderdaad verheven, want uw huidige raadgevers zijn de brâhmana's die van de Bhrigu-dynastie afstammen en uw leermeester voor uw volgende leven is uw grootvader, de vredige en eerbiedwaardige Prahlâda Mahârâja. Alles wat u gezegd hebt is volkomen waar en totaal in overeenstemming met de religieuze etiquette. Het is uw familie waardig en het vergroot uw reputatie. (Vedabase)

 

Text 3:

In deze dynastie is inderdaad niemand een armzalige schraper geweest; jegens de brahmanen heeft niemand ontkend wat beloofd was of de liefdadigheid opgegeven.

Ik weet dat er tot op dit moment nog nooit iemand in uw familie geboren is die bekrompen van geest was of een gierigaard. Niemand heeft ooit geweigerd om giften aan de brâhmana's te schenken, noch is er ooit iemand geweest die eerst bepaalde gaven in het vooruitzicht stelde en later zijn belofte niet kon nakomen. (Vedabase)

 

Text 4:

Door de onberispelijke reputatie van Prahlâda, die als een heldere maan in de hemel is, o heerser, worden er in uw dynastie niet van dergelijke minne koningen gevonden, koningen die weigerachtig zijn hun betrokkenheid te tonen door in heilige plaatsen of op het slagveld niet in te gaan op de verzoeken van de betreffende dienaren.

O Koning Bali, nog nooit is er in uw dynastie een koning geboren die zo laaghartig was dat hij, na daarom verzocht te zijn, weigerde om brâhmana's in heilige plaatsen giften te schenken, of om op het slagveld de strijd aan te binden met andere kshatriya's. En uw dynastie is nog glorieuzer door de aanwezigheid van Prahlâda Mahârâja, die straalt als de maan aan de hemel. (Vedabase)

 

Text 5:

In die dynastie werd Hiranyâksha geboren die, in zijn eentje rondtrekkend over deze aarde met het doel alle richtingen te veroveren, er met zijn knots niet in slaagde een held te vinden die zich met hem kon meten.

Het was in uw dynastie dat Hiranyâksha werd geboren. Met alleen zijn knots in de hand zwierf hij eenzaam en zonder enige hulp over de aarde omdat hij alle richtingen wilde veroveren, en niet een van de helden die hij ontmoette was in staat om hem tegenstand te bieden. (Vedabase)

 

Text 6:

Vishnu die [als een zwijn] met veel moeite hem wist te verslaan toen Hij hem op Zijn weg vond met het verlossen van de wereld, bracht, nadat hij had gezegevierd, Zichzelf constant in herinnering hoe machtig en capabel Hiranyâksha wel niet geweest was [zie 3.17-19]!

Terwijl Heer Vishnu in Zijn incarnatie als ever de aarde uit de Garbhodaka-oceaan redde, doodde Hij Hiranyâksha, die plotseling voor Hem stond. Het was een zware strijd en het kostte de Heer de grootste moeite om Hiranyâksha te doden. Later, toen de Heer terugdacht aan de buitengewone moed van Hiranyâksha, had Hij het gevoel dat Hij werkelijk een grote overwinning had behaald. (Vedabase)

 

Text 7:

Nadat zijn broer Hiranyakas'ipu erover vernam hoe hij ter dood was gebracht, begaf hij zich zeer woest naar waar de Heer zich ophield om een einde te maken aan Hem die zijn broer ter dood had gebracht [zie 7.3].

Toen Hiranyakas'ipu het nieuws van de dood van zijn broer hoorde, toog hij razend van woede naar de woonplaats van Heer Vishnu, die zijn broer had omgebracht, om Hem te doden. (Vedabase)

 

Text 8:

Nauwlettend erop toeziend hoe hij als de dood in eigen persoon achter Hem aanzat met de drietand in zijn hand dacht Hij, de Kenner der Tijd, Heer Vishnu, de Belangrijkste der Mystici:

Toen Hij Hiranyakas'ipu op Zich af zag komen met een drietand in de hand, als de dood in eigen persoon, dacht Heer Vishnu, de beste van alle mystici en de kenner van het verloop der tijd, het volgende. (Vedabase)

 

Text 9:

'Waarheen Ik Mij ook begeef zal deze hier, als was hij een ieder zijn dood, zich ook begeven; derhalve zal Ik zijn hart binnengaan daar hij enkel acht slaat op de buitenwereld'

Waarheen Ik ook ga, Hiranyakas'ipu zal Me volgen, net zoals de dood alle levende wezens achtervolgt. Daarom kan Ik beter diep zijn hart binnengaan, want dan kan hij Me niet zien aangezien hij alleen maar uiterlijke zaken kan waarnemen. (Vedabase)

  

Text 10:

Aldus besloot Hij hoogst bezorgd ertoe om, niet waarneembaar in Zijn subtiele lichaam, via zijn ademhaling, door zijn neusgat, het lichaam van die zo kwaadaardig Hem nazittende vijand binnen te gaan, o Koning der Asura's.

Heer Vâmanadeva vervolgde: O Koning van de demonen, na deze beslissing genomen te hebben ging Heer Vishnu het lichaam van Zijn vijand Hiranyakas'ipu binnen, die uit alle macht achter Hem aanrende. In een subtiel lichaam, dat niet waarneembaar was voor Hiranyakas'ipu, ging Heer Vishnu, die Zich werkelijk grote zorgen maakte, Hiranyakas'ipu's neus binnen terwijl deze inademde. (Vedabase)

 

Text 11:

Hij, Zijn verblijfplaats doorzoekend, trof hem leeg aan Hem nergens ziend en in woede brulde hij hard in alle richtingen over het oppervlak van de aarde en in de buitenruimte, in de ether, de grotten en de oceanen; ondanks al zijn macht kon hij, zoekend naar Vishnu, Hem niet in de gaten krijgen.

Toen Hiranyakas'ipu ontdekte dat de residentie van Heer Vishnu verlaten was, begon hij overal naar Hem te zoeken. Woedend omdat hij Hem nergens zag, schreeuwde hij luid en speurde het hele universum af, inclusief de aarde, de hogere planeten, alle richtingen en alle grotten en oceanen. Maar Hiranyakas'ipu, de grootste van alle helden, kon Vishnu nergens vinden. (Vedabase)

 

Text 12:

Hem nergens aantreffend zei hij: 'Ik heb het hele universum naar Hem afgezocht die mijn broer vermoorde, Hij moet vertrokken zijn naar die plaats vanwaar niemand terugkeert.'

Niet bij machte om Hem te vinden, zei Hiranyakas'ipu: "Ik heb het hele universum afgezocht, maar ik heb Vishnu, die mijn broer heeft gedood, nergens kunnen vinden. Daarom is het wel zeker dat Hij naar de wereld is gegaan waarvandaan niemand ooit terugkeert. [Met andere woorden: Hij is vast dood.]" (Vedabase)

 

Text 13:

Normaal gesproken houdt de op ego gebaseerde vijandigheid, een woede die zijn bestaan ontleent aan onwetendheid, met fysiek georiënteerde mensen niet aan tot voorbij het punt van de dood [van een tegenstander].

Hiranyakas'ipu's woede tegenover Heer Vishnu bleef tot zijn dood toe bestaan. Als andere mensen met een lichamelijke levensbeschouwing woedend zijn, komt dat alleen maar door hun vals ego en de sterke invloed van onwetendheid. (Vedabase)

 

Text 14 :

Uw vader [Virocana], de zoon van Prahlâda, gaf op verzoek van de goden, ondanks het feit dat hij er weet van had dat ze zich hadden verkleed als brahmanen, zijn leven aan hen op basis van zijn eigen affiniteit met de tweemaal geborenen.

Uw vader Virocana, de zoon van Mahârâja Prahlâda, bezat grote liefde voor de brâhmana's. Ofschoon hij heel goed wist dat het de halfgoden waren die verkleed als brâhmana's naar hem toe waren gekomen, schonk hij ze toch op hun verzoek zijn eigen levensduur. (Vedabase)

 

Text 15:

Uw goede zelf ging ook te werk terwille van het dharma dat werd gevestigd door de huishouders, de brahmanen, uw voorvaderen, de grote helden en anderen hoogst verheven en beroemd.

Bovendien hebt u dezelfde principes in acht genomen die gevolgd worden door grote persoonlijkheden als de getrouwde brâhmana's, uw voorvaders en de grote helden die vanwege hun nobele activiteiten buitengewone bekendheid genieten. (Vedabase)

  

Text 16:

Van een dergelijke persoon, van Uwe Majesteit, vraag ik een beetje land; van hem die zo gul van liefdadigheid kan zijn vraag Ik drie passen, o Koning van de Daitya's, naar de maat van Mijn voetstap.

O Koning van de Daitya's, van Uwe Majesteit, die uit zo'n nobele familie komt en met gulle hand giften kan uitdelen, vraag Ik slechts drie passen land, gemeten in Mijn voetstappen. (Vedabase)

 

Text 17:

Er is verder niets dat Ik van u verlang, o Koning zo vrijgevig, o heerser van het universum, moge hij die van de geleerdheid is geen gebrek lijden en zoveel aan donaties in ontvangst nemen als hij nodig heeft.'

O Koning, vorst van het hele universum, hoewel u heel vrijgevig bent en Me zoveel land kunt schenken als Ik maar wil, wil Ik niet meer van u hebben dan nodig. Als een geleerde brâhmana alleen de allernoodzakelijkste giften van anderen aanvaardt, raakt hij niet verstrikt in zondige activiteiten. (Vedabase)

  

Text 18:

S'rî Bali zei: 'Helaas o kind der brahmanen, Uw woorden worden weliswaar verwelkomt door de geleerden en de ouderen, maar als een jongen niet gebrand op het beslagleggen terwille van Uw eigenbelang bent U zich niet geheel bewust van wat er allemaal nodig is.

Bali Mahârâja zei: O brahmanen-zoon, Je instructies zijn even goed als die van geleerde en oudere mensen. Toch ben Je nog maar een jongen en Je intelligentie is nog niet zo ontwikkeld. Als het om Je eigenbelang gaat, ben Je niet erg verstandig. (Vedabase)

 

Text 19:

Het is voor hem die met mooie woorden zich inzet voor het gunstig stemmen van mij, de enige ware meester van de hele wereld, niet bijster intelligent om drie passen te vragen, als ik een heel continent te bieden heb!

Ik ben in staat om Je een heel eiland te geven, want alledrie de delen van het universum zijn in mijn bezit. Je bent naar me toegekomen om iets van me te krijgen en Je hebt me met Je zoete woorden veel plezier gedaan, maar nu vraag Je maar om drie passen land. Daarom ben Je niet erg intelligent. (Vedabase)

 

Text 20:

Niemand die mij ooit benaderde verdient het om nogmaals te moeten bedelen en neem derhalve, o kleine brahmacârî, van mij naar wat U zich wenst wat U ook maar nodig denkt te hebben.'

O mijn jongen, iemand die naar mij toekomt om iets van me te bedelen zou eigenlijk nooit en nergens meer om iets hoeven te vragen. Als Je wilt mag Je daarom net zoveel land van me vragen als Je nodig hebt om in Je levensbehoeften te voorzien. (Vedabase)

 

Text 21:

De Allerhoogste Heer zei: 'Alle mogelijke zinsobjecten die iemand het in deze drie werelden naar de zin kunnen maken tezamen genomen, zijn niet in staat de man te bevredigen die zijn zinnen niet in bedwang heeft, o Koning [zie ook 5.5: 4].

De Godspersoon zei: Mijn beste koning, alles wat er in de drie werelden aan zinsbevrediging te beleven valt, is nog niet genoeg om iemand met onbeheerste zinnen tevreden te stellen. (Vedabase)

 

Text 22:

Hij die niet genoeg heeft aan drie passen zal ook niet met een heel continent van negen landen tevreden zijn, noch met het verlangen alle zeven continenten in zijn greep te krijgen.

Als drie passen land niet genoeg voor Me waren, dan zou Ik zeker ook niet tevreden zijn met een van de zeven eilanden, die uit negen varsha's bestaan. Zelfs als Ik een heel eiland bezat, zou Ik gaan hopen om er meer te krijgen. (Vedabase)

 

Text 23:

Ons kwam ter ore hoe Prithu, Gaya en dergelijke nobele heersers over de zeven continenten, met het volgen van deze koers niet het einde van de vervulling van hun wensen en ambities konden vinden.

We hebben gehoord dat machtige koningen als Mahârâja Prithu en Mahârâja Gaya, zelfs nadat ze alle zeven dvîpa's in bezit hadden gekregen, toch nog niet tevreden waren of al hun ambities hadden verwezenlijkt. (Vedabase)

 

Text 24:

Over die verworvenheden die God je toebedeelt naar lotsbeschikking, behoort men tevreden te zijn; voor een ontevreden iemand die zichzelf niet in de hand heeft is er geen geluk, zelfs niet als hij de drie werelden veroverde [zie ook 7.6: 3-5, 5.5: 1 en B.G. 6: 20-23].

Men moet tevreden zijn met hetgeen hem door zijn vroeger begane daden toevalt, want ontevredenheid brengt nooit geluk. Iemand zonder zelfbeheersing zal nooit gelukkig zijn, al bezit hij alledrie de werelden. (Vedabase)

 

Text 25:

Het geen vrede hebben met het geld en de zinsgenoegens is er de oorzaak van dat er aan iemands materieel bepaalde leven [van doodgaan en telkens weer opnieuw moeten beginnen] geen einde komt, maar hij die tevreden is met wat de voorzienigheid hem in de schoot wierp, komt in aanmerking voor de bevrijding.

Wie zijn wellust wil bevredigen en probeert om steeds maar meer geld te krijgen, zal altijd ontevreden zijn in het materiële bestaan, en dit is de reden waarom het materiële leven, dat een aaneenschakeling van geboorte en dood is, blijft doorgaan. Maar wie tevreden is met wat het lot hem biedt, is een geschikte kandidaat voor bevrijding uit het materiële bestaan. (Vedabase)

  

Text 26:

De geestkracht en glorie van een brahmaan neemt toe als hij tevreden is over wat bij lotsbeschikking werd verkregen, maar neemt af met het ontevreden zijn zoals een vuur geblust wordt door water.

Een brâhmana die tevreden is met hetgeen de voorzienigheid hem schenkt, raakt steeds meer verlicht en vervuld van geestelijke kracht, maar de transcendentale vermogens van een ontevreden brâhmana nemen af, zoals een vuur in kracht afneemt wanneer men er water op sprenkelt. (Vedabase)

 

Text 27:

Om die reden vraag Ik u, die als weldoener zo goedgevig bent, om drie stappen land daar Ik precies daar ben waar Ik wil wezen met enkel het bereiken van het noodzakelijke.'

Daarom, o koning, beste van alle milde gevers, vraag Ik slechts drie passen land van u. Zo'n gift zou Me een groot plezier doent, want de sleutel tot geluk is om volkomen tevreden te zijn met het absoluut noodzakelijke. (Vedabase)

  

Text 28:

S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken zei Bali met een glimlach: 'Neem nu van mij naar Uw wens', en om Hem het land te geven pakte hij zijn waterpot [om met het water in zijn hand zijn gelofte ritueel te bekrachtigen].

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na deze woorden van de Allerhoogste Godspersoon glimlachte Bali Mahârâja en zei: "Goed, neem maar wat Je wilt." Daarop tilde hij ter bevestiging van zijn belofte om Vâmanadeva het verlangde land te schenken zijn waterkruik op. (Vedabase)

 

Text 29:

S'ukrâcârya, de meest ter zake kundige, die door had wat Vishnu's plan was, richtte zich toen tot zijn discipel, de asura heer die op het punt stond het land aan Vishnu weg te geven.

S'ukrâcârya, de beste van alle geleerden, begreep de bedoeling van Heer Vishnu echter heel goed en sprak onmiddellijk zijn leerling aan, die op het punt stond om alles aan Heer Vâmanadeva te schenken. (Vedabase)

 

Text 30:

S'rî S'ukrâcârya zei: 'Hij hier is rechtstreeks de Allerhoogste Heer Vishnu, o zoon van Virocana, in Zijn volle glorie geboren uit Kas'yapa en Aditi om op te treden in het belang van de goddelijken.

S'ukrâcârya zei: O zoon van Virocana, deze brahmacârî in de gedaante van een dwerg is rechtstreeks de onvergankelijke Allerhoogste Godspersoon, Vishnu. Hij heeft Kas'yapa Muni tot vader en Aditi tot moeder gekozen en is hier verschenen om de belangen van de halfgoden te dienen. (Vedabase)

 

Text 31:

Wat u beloofde is, naar mijn idee, in strijd met uw belangen, u hebt er geen idee van, het zal u niets goeds brengen; wat u hebt afgesproken vormt een grote bedreiging voor de Daitya's!

U weet niet in wat voor gevaarlijke positie u zich gemanoeuvreerd hebt met uw belofte om Hem land te schenken. Ik heb het gevoel dat deze belofte u geen goed zal doen. Integendeel: de demonen zullen er veel nadeel van ondervinden. (Vedabase)

 

Text 32:

Hij, zich voordoend als een mensenkind, is de Heer die u een lesje leert; hij zal u alle materiële schoonheid en rijkdommen, macht en reputatie afhandig maken om het uw vijand [Indra, zie ook 7.10] te vergunnen.

Deze persoon die Zich voordoet als een brahmacârî is in werkelijkheid de Allerhoogste Godspersoon, Hari, die u in deze gedaante al uw land, rijkdom, schoonheid, macht, roem en kennis komt afnemen. Nadat Hij u van alles heeft beroofd, zal Hij het aan uw vijand Indra geven. (Vedabase)

 

Text 33:

Met drie stappen zal Hij, geleidelijk uitgroeiend tot de universele gedaante, al de werelden in bezit nemen - hoe wilt u als u alles aan Vishnu weg hebt geschonken zichzelf nu in leven houden, o dwaas!

U hebt beloofd om Hem drie passen land te schenken, maar als u dat werkelijk doet, zal Hij alledrie de werelden innemen. Schurk die u bent! U weet niet wat voor grove fout u gemaakt hebt. Als u alles aan Heer Vishnu geeft, houdt u geen middelen van bestaan meer over. Hoe wilt u dan in leven blijven? (Vedabase)

 

Text 34:

Achtereenvolgens zal Hij met één stap de aarde in bezit nemen, met een tweede stap de buitenruimte in beslag nemen en in de ether zich tot Zijn grootst uitbreiden en waar moet Hij dan Zijn derde stap zetten?

Eerst zal Vâmanadeva in één stap de drie werelden bezetten, dan zal Hij met Zijn tweede stap de hele ruimte innemen en tenslotte zal Hij Zijn universele lichaam expanderen en beslagleggen op al de rest. Waar wilt u Hem de derde stap laten zetten? (Vedabase)

 

Text 35:

Ik denk dat u voor eeuwig in de hel zult branden, want dat is inderdaad wat een persoon overkomt die zich niet houdt aan wat hij beloofd heeft; u bent er immers zo een die het nooit voor elkaar krijgt om te beantwoorden aan de verwachtingen die hij schiep.

Het is wel zeker dat u uw belofte niet zult kunnen waarmaken, en ik vrees dat u daarvoor eeuwig in de hel zult moeten verblijven. (Vedabase)

 

Text 36:

De heiligheid voelt niets voor die liefdadigheid die het eigen levensonderhoud in gevaar brengt, want het is juist dankzij dat vermogen om zichzelf in stand te houden dat in deze wereld de liefdadigheid, de offers, de verzaking en de productieve arbeid er zijn.

Grote geleerden hebben geen woord van lof voor liefdadigheid die iemands eigen bestaan in gevaar brengt. Alleen iemand die op een behoorlijke manier in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, mag zich aan liefdadigheid, vedische offers, ascese en baatzuchtige activiteiten wijden. [Voor iemand die zichzelf niet kan onderhouden is dat onmogelijk.] (Vedabase)

 

Text 37:

Als men zijn verdiensten verdeelt over de vijf doelen van de religie, het behalen van succes, het handhaven van zijn materiële positie, zijn zinsgenoegens en zijn gezin, kan men gelukkig zijn in deze wereld en de wereld hierna.

Daarom deelt iemand met volmaakte kennis zijn vergaarde kapitaal in vijven - voor religieuze zaken, voor zijn goede naam, voor comfort, voor zinsbevrediging en om zijn gezin te kunnen onderhouden. Zo iemand is zowel in deze wereld als in de volgende gelukkig. (Vedabase)

 

Text 38:

Luister, in dit opzicht [wat betreft uw belofte] wordt de waarheid met de vele [Rig-]veda [Bahvrica-s'ruti] gebeden voor de goden en de schepping die ik heb opgezegd, o beste der Asura's, voorafgegaan door het woord om [AUM, 'ja', 'zo zij het'] en over dat wat men zei waar dat niet aan vooraf ging spreekt men als het niet-eeuwige [het relatieve, illusoire, of onware, zie ook B.G 17: 24, 9: 17 en 8: 13].

U wilt misschien tegenwerpen dat u uw belofte al gedaan hebt en nu niet meer kunt weigeren. O beste van alle demonen, laat me u herinneren aan de uitspraak van de Bahvrica-s'ruti, waarin gesteld wordt dat een belofte pas geldig is als ze voorafgegaan wordt door het woord om, en ongeldig wordt als dat niet het geval is. (Vedabase)

 

Text 39:

Men moet inzien dat de feitelijke waarheid, zoals de Veda's het stellen, eruit bestaat dat bloemen en vruchten er zijn van de boom die het lichaam is, maar dat er van de onware wortel van het lichaam van een dode boom geen kans op hen bestaat [vergelijk B.G. 8: 6].

De Veda's vertellen ons dat de werkelijke opbrengst van de boom van het lichaam zijn rijke oogst aan fruit en bloemen is. Maar als de boom van het lichaam helemaal niet bestaat, kan men er ook met geen mogelijkheid vruchten en bloemen van plukken. Zelfs als het lichaam op illusie berust, kunnen er zonder hulp van deze boom van het lichaam geen tastbare vruchten en bloemen zijn. (Vedabase)

 

Text 40:

Het lijdt geen twijfel dat op dezelfde manier als met een boom die ontworteld omvalt en uitdroogt, het tijdelijke lichaam meteen is verloren en verdroogd [als men geen zorg draagt voor die tijdelijke wortel*].

Wanneer men een boom ontwortelt, valt hij meteen om en begint te verdorren. Hetzelfde geldt voor het lichaam, want ook al wordt dat als illusie beschouwd, als men niet goed voor zijn lichaam zorgt - dat wil zeggen, als de illusie wordt ontworteld - droogt het lichaam zondermeer op. (Vedabase)

 

Text 41:

Die lettergreep om aldus uitgedrukt is wat iemand afscheidt van, wat iemand vrijmaakt en de tegenhanger vormt [van uw weelde], een persoon raakt dus bevrijdt van dat wat er bij haar expressie in wordt gebracht [wordt geofferd]; wat men ook geeft in liefdadigheid aan de behoeftigen met het uiten van om zal dan niet de bevrediging van de zinnen of de eigen zelfverwerkelijking ten goede komen.

Het woord "om" zeggen betekent scheiden van zijn financiële middelen. Met andere woorden, als men dit woord uitspreekt, raakt men vrij van zijn gehechtheid aan geld omdat zijn geld hem gewoon wordt afgenomen. Geen geld hebben is niet erg aangenaam want in die situatie kan men zijn verlangens niet bevredigen. Mat andere woorden, als men het woord "om" gebruikt, wordt men straatarm. En vooral als men iets aan een arme of een bedelaar geeft, blijft men zowel in zijn zelfrealisatie als in zijn zinsbevrediging onvoldaan. (Vedabase)

 

Text 42:

Geef daarom niet geheel toe aan dat verzoeken om uw mededogen maar druk u ook niet uit in onware woorden [suggererende dat u niets zou kunnen missen]; aldus kan niemand beweren dat u van de illusie bent, dat u een verwerpelijk iemand zou zijn die dood bij het leven is.

Nee zeggen is daarom de veiligste weg. Het is wel een leugen, maar het biedt volledige bescherming, het richt de gevoelens van medeleven van anderen op zichzelf, en het geeft iemand alle gelegenheid om zelf het geld van anderen binnen te halen. Maar toch, als men altijd maar beweert dat men niets heeft is men verdoemd, want zo iemand is tijdens zijn leven al een lijk, en als hij nog ademhaalt verdient hij het gedood te worden. (Vedabase)

 

Text 43:

Het is geen valsheid [ziet u] noch een aberratie om een dame te paaien, de draak te steken of in het huwelijk te treden, de kost te verdienen of in tijden van gevaar de koeien en het brahmaanse te beschermen tegen geweld.'

Als men een vrouw vleit om haar in zijn macht te krijgen, bij het maken van een grapje, bij een huwelijksplechtigheid, bij het verdienen van zijn brood, als zijn leven in gevaar is, bij het beschermen van de koeien en de brahmaanse cultuur of als men iemand uit de handen van een vijand wil redden, is onwaarachtigheid nooit te veroordelen. (Vedabase)

 

*: Het tijdelijke lichaam is er voor eeuwige zaken. S'rîla Rupa Gosvâmî zegt: "Hij die dingen afwijst zonder kennis van hun relatie met Krishna is onvolkomen in zijn verzaking." (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.66)  

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties