regelbalk

 

Mahâmantra 11

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 71

 

De Heer Reist naar het Woord van Uddhava naar Indraprastha

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus vernam van de woorden uitgesproken door de deva-rishi, sprak de begaafde Uddhava met begrip voor het standpunt ingenomen door de koninklijke vergadering en Krishna. (2) S'rî Uddhava zei: 'O Heer, U moet doen wat de rishi zegt, en hem, de zoon van Uw vader, bijstaan die van zins is een offerplechtigheid te houden, als ook van bescherming zijn voor hen [de koningen] die hun toevlucht zoeken. (3) Aangezien het Râjasûya offer behoort te worden gebracht door degene die het geheel en al in alle windstreken heeft gewonnen, o Almachtige, zal U, naar mijn mening, met het overwinnen van de zoon van Jarâ beide doeleinden dienen. (4) Hieruit zal een groot voordeel voor ons en voor U ressorteren, o Govinda die de gevangen koningen zal bevrijden; dat zal zo gedaan de glorie zijn. (5) Hij [Jarâsandha] een koning qua kracht zo sterk als een duizend olifanten, is inderdaad niet te overwinnen door andere mannen aan de macht, behalve dan door Bhîma die net zo sterk is. (6) Alleen in een wagen-tot-wagen gevecht kan hij worden verslagen, niet met een honderd akshauhinî's bij elkaar; ook zal hij, het brahmaanse toegewijd, nimmer weigeren wat de geschoolden van hem vragen. (7) Aangekleed als een brahmaan op hem afgaand moet Bhîma bedelen om liefdadigheid en zonder aarzeling hem in een man-tot-man gevecht doden in Uw aanwezigheid. (8) Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn van de Beheerser van het Universum, Uw vormeloosheid van de Tijd, enkel het instrument in de schepping en vernietiging. (9) In hun huizen zingen de godsbewuste vrouwen van de [gevangen genomen] koningen over Uw onberispelijke daden erop rekenend dat U hun vijand zal doden en U ze zal bevrijden; net als de gopî's [toen ze U misten, zie 10.31] en de heer der olifanten [Gajendra vast gegrepen, zie 8.3], net als de dochter van Janaka [Râmacandra's Sîtâ, zie 9.10] en Uw ouders [in Kamsa's gevangenis, zie 10.3], net als de wijzen met het verworven hebben van Uw beschutting [zie b.v. 9.5] en wij eveneens dat doen. (10) Het doden van Jarâsandha, o Krishna, zal ons zeker een immens voordeel opleveren: de bijkomstige uitnemendheid [der koningen] èn het offer waar Uw voorkeur naar uitgaat.'

(11) S'rî S'uka zei: 'De woorden van Uddhava aldus geuit, in ieder opzicht goedgunstig en feilloos o Koning, werden in reactie door de deva-rishi, de yadu-ouderen en door Krishna eveneens geprezen. (12) De Almachtige Allerhoogste, de zoon van Devakî, van Zijn bovengeschikten [in navolging der menselijke manieren] de toestemming krijgend, droeg toen Zijn dienaren Dâruka, Jaitra en anderen op om voorbereidingen te treffen om te vertrekken. (13) Zijn vrouwen en zoons wegsturend voor de bagage en afscheid nemend van Sankarshana [Balarâma] en de yadu-koning [Ugrasena], o doder van de vijanden, klom Hij in Zijn wagen gebracht door Zijn menner, waarop de vlag van Garuda wapperde. (14) Toen, omringd door Zijn aanvoerders en stoere wacht, wagens, olifanten, infanterie, en cavalerie - Zijn persoonlijke leger - trok Hij eropuit met van alle kanten het weerklinken van de geluiden van mridanga's, bherî hoorns, gomukha hoorns, pauken en schelphoorns. (15) In gouden draagstoelen gedragen door mannen kwamen daarop volgend in mooie kleren, met sieraden, met geparfumeerde olie en met bloemenslingers, Acyuta's vrouwen samen met hun kinderen goed bewaakt door soldaten met schilden en zwaarden in hun handen. (16) De fraai opgesmukte dames van de huishouding en de courtisanes kwamen mee samen met menselijke dragers, kamelen, stieren, buffels, ezels, muildieren, ossenwagens, en wijfjesolifanten beladen met grashutten, dekens, kleding en meer van dat soort zaken. (17) Het enorme leger met een keur aan vlaggenstokken, banieren, parasols, yak-staartenwaaiers, wapens, juwelen, helmen en wapenuitrustingen voor de dag in de stralen van de zon schitterend en glanzend, was met het tumult van zijn geluiden als een oceaan rusteloos met timingila's en golven. (18) Nadat hij van Zijn plan had vernomen en het had goedgekeurd, boog de muni [Nârada], geëerd door de Heer van de Yadu's en gelukkig met de ontmoeting die hij had met Mukunda, zich voor Hem en ging hij, Hem in zijn hart plaatsend, weg door de lucht. (19) De boodschapper van de koningen werd door de Allerhoogste Heer, om hem te behagen met Zijn woord, aangesproken met: 'Vreest niet, o gezant, alle geluk aan u [en de uwen]. Ik zal zorg dragen voor het ter dood brengen van de koning van Mâgadha.'

(20) Aldus toegesproken vertrok de boodschapper en stelde hij de koningen tot in detail op de hoogte, waarop zij, uitziend naar hun bevrijding er toen op wachtten S'auri te ontmoeten. (21) Reizend door Ânarta [het gebied van Dvârakâ], Sauvîra [oostelijk Gujarat], Marudes'a [de woestijn van Rajasthan] en Vinas'ana [het Kurukshetra district], kwam de Heer door heuvels, rivieren, steden, dorpen, graslanden en delfplaatsen. (22) Mukunda eerst de rivier de Drishadvatî overstekend stak toen de Sarasvatî over, trok toen door de provincies Pañcâla en Matsya en bereikte ten slotte Indraprastha. (23) Horend dat Hij, die zich zo zelden laat zien bij de mensen, was aangekomen, kwam hij wiens vijand nog niet ter wereld was gekomen [koning Yudhishthhira] naar buiten, omringd door zijn priesters en verwanten. (24) Met een stortvloed aan geluiden van gezangen en instrumentale muziek en met het weerklinken van hymnen stapte hij op Hrishîkes'a af zo eerbiedig als de zinnen ingesteld op het leven. (25) Toen hij Heer Krishna na zo een lange tijd weer zag smolt het hart van de Pândava van genegenheid waarop hij Hem, zijn innigste vriend, keer op keer omhelsde. (26) De heerser der mensen die het lichaam van Mukunda in zijn armen sloot, het foutloze verblijf van Ramâ, zag al zijn ongeluk vernietigd en bereikte de hoogste verrukking, uitgelaten met tranen in zijn ogen de illusoire aangelegenheid vergetend van het belichaamd zijn in de materiële wereld. (27) Bhîma vervuld van vreugde Hem, zijn neef van moeders zijde, omhelzend lachte het uit van de liefde met ogen overlopend van de tranen en ook van de tweeling [Nakula en Sahadeva], en van Kirîtî ['hij met de helm' ofwel Arjuna] vloeiden rijkelijk de tranen toen ze met vreugde Acyuta, hun innigste vriend, omhelsden. (28) Omarmd door Arjuna, en van de tweeling hun eerbetuigingen hebben ontvangen boog Hij, zoals de etiquette het voorschreef, voor de brahmanen, de ouderen en de achtenswaardige Kuru's, Sriñjaya's en Kaikaya's. (29) De barden, de geschiedschrijvers, de hemelse zangers, de lofsprekers en de grappenmakers, gebruik makend van mridanga's, schelpen, pauken, vînâ's, trommeltjes en gomukha hoorns, zongen, dansten en verheerlijkten met lofzangen allen Hem met de Lotusogen zoals ook de brahmanen dat deden. (30) De Allerhoogste Heer, het Kroonjuweel van de Vermaarden der Vroomheid, ging aldus verheerlijkt door Zijn weldoeners om Hem heen, de versierde stad binnen. (31-32) In de stad van de koning der Kuru's zag Hij de straten besprenkeld met water geurig van de mada [het bronstvocht] van olifanten, kleurige vlaggen, doorgangen versierd met gouden potten vol met water en jonge mannen en vrouwen allen in nieuwe kleren met sieraden, bloemenslingers en sandelhout op hun lichamen. In ieder huis waren lampen aangestoken en offergaven als eerbetoon uitgestald waarbij de rook van wierook door het lattenwerk voor de ramen kringelde en wimpels wapperden vanaf de daken die waren opgesierd met gouden koepels met een brede zilveren onderbouw. (33) Horend van de aankomst van het Reservoir voor de Ogen van de Mens om uit te Drinken, gingen de jonge vrouwen, om toe te kijken, de hoofdstraat van de koning op, onverwijld hun huishoudingen of echtgenoten in bed achterlatend, waarbij in hun gretigheid de knopen in hun haar en kleding losschoten. (34) Daar, zeer druk met olifanten, paarden, wagens en soldaten te voet, kregen ze Krishna in het oog met Zijn vrouwen, en strooiden, terwijl ze Hem in hun harten omhelsden, de vrouwen die op de daken geklommen waren, bloemen met het Hem, breed glimlachend bij hun blikken, bereiden van een hartelijk welkom. (35) Toen ze Mukunda's vrouwen op staat zagen als sterren rondom de maan, riepen de dames uit: 'Wat hebben zij gedaan dat het Diadeem der Mannen hun ogen, met het kleine aandeel van Zijn speelse glimlachen en blikken, de eer van het [hele] feest vergunt? (36) Her en der naderden burgers met zegenrijke gaven in hun handen en waren de meesters der gilden, die hun zonden hadden uitgebannen, van aanbidding voor Krishna. (37) Met het betreden van het paleis van de koning naderden hals over kop de leden van de koninklijke huishouding om vol van liefde met stralende ogen Mukunda te begroeten. (38) Prithâ [koningin Kuntî], toen ze de Zoon van haar broer zag, Krishna, de Beheerser van de drie Werelden, rees samen met haar schoondochter [Draupadî] op van haar bank met een hart vol van liefde om Hem te omhelzen. (39) De koning die Govinda, de Allerhoogste God der Goden, naar Zijn vertrekken bracht kon, overweldigd door zijn grote vreugde, zich niet meer herinneren wat hij allemaal ook weer moest doen voor het eerbiedig vertoon van de aanbidding. (40) Krishna gaf een vertoning van eerbetuigingen ten beste voor de zuster van Zijn vader en de oudere vrouwen, o Koning, en zo ook verbogen zich voor Hem Zijn zuster [Subhadrâ] en Krishnâ [Draupadî]. (41-42) Ertoe aangezet door haar schoonmoeder [Kuntî] bewees Krishnâ met kleding, bloemenslingers, juwelen en zo voorts, al Krishna's vrouwen de eer: Rukminî, Satyabhâmâ, Bhadrâ, Jâmbavatî, Kâlindî, Mitravindâ de nakomelinge van S'ibi, de kuise Nâgnajitî als ook de anderen die waren gekomen. (43) De koning van het dharma [Yudhishthhira] die het Janârdana met Zijn leger, Zijn dienaren en ministers en Zijn vrouwen naar de zin maakte, zag er op toe dat het hen op ieder moment aan niets zou mankeren. (44-45) Verschillende maanden verblijvend naar Zijn wens de koning te behagen, ging Hij, sportief met Arjuna en omringd door lijfwachten, uit rijden met Zijn wagen en stelde Hij, vergezeld van Arjuna, de vuurgod tevreden met het Khândava woud waartoe Maya [een demon] die Hij toen redde, een hemelse raadszaal bouwde [in Hastinâpura].'  

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

The Lord Travels to Indraprastha

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Toen hij aldus vernam van de woorden uitgesproken door de deva-rishi, sprak de begaafde Uddhava met begrip voor het standpunt ingenomen door de koninklijke vergadering en Krishna.

S'ukadeva Gosvâmî said: Having thus heard the statements of Devarshi Nârada, and understanding the opinions of both the assembly and Lord Krishna, the great-minded Uddhava began to speak.

 

Tekst 2

S'rî Uddhava zei: 'O Heer, U moet doen wat de rishi zegt, en hem, de zoon van Uw vader, bijstaan die van zins is een offerplechtigheid te houden, als ook van bescherming zijn voor hen [de koningen] die hun toevlucht zoeken.

S'rî Uddhava said: O Lord, as the sage advised, You should help Your cousin fulfill his plan for performing the Râjasûya sacrifice, and You should also protect the kings who are begging for Your shelter.

 

Tekst 3

Aangezien het Râjasûya offer behoort te worden gebracht door degene die het geheel en al in alle windstreken heeft gewonnen, o Almachtige, zal U, naar mijn mening, met het overwinnen van de zoon van Jarâ beide doeleinden dienen.

Only one who has conquered all opponents in every direction can perform the Râjasûya sacrifice, O almighty one. Thus, in my opinion, conquering Jarâsandha will serve both purposes.

 

Tekst 4

Hieruit zal een groot voordeel voor ons en voor U ressorteren, o Govinda die de gevangen koningen zal bevrijden; dat zal zo gedaan de glorie zijn.

By this decision there will be great gain for us, and You will save the kings. Thus, Govinda, You will be glorified.

 

Tekst 5:

Hij [Jarâsandha] een koning qua kracht zo sterk als een duizend olifanten, is inderdaad niet te overwinnen door andere mannen aan de macht, behalve dan door Bhîma die net zo sterk is.

The invincible King Jarâsandha is as strong as ten thousand elephants. Indeed, other powerful warriors cannot defeat him. Only Bhîma is equal to him in strength.

 

Tekst 6:

Alleen in een wagen-tot-wagen gevecht kan hij worden verslagen, niet met een honderd akshauhinî's bij elkaar; ook zal hij, het brahmaanse toegewijd, nimmer weigeren wat de geschoolden van hem vragen.

He will be defeated in a match of single chariots, not when he is with his hundred military divisions. Now, Jarâsandha is so devoted to brahminical culture that he never refuses requests from brâhmanas.

 

Tekst 7:

Aangekleed als een brahmaan op hem afgaand moet Bhîma bedelen om liefdadigheid en zonder aarzeling hem in een man-tot-man gevecht doden in Uw aanwezigheid.

Bhîma should go to him disguised as a brâhmana and beg charity. Thus he will obtain single combat with Jarâsandha, and in Your presence Bhîma will no doubt kill him.

 

Tekst 8:

Hiranyagarbha ['hij van het gouden licht' ofwel Brahmâ] en S'arva ['hij die met de pijl doodt', te weten S'iva, zie 7.10: 67], zijn van de Beheerser van het Universum, Uw vormeloosheid van de Tijd, enkel het instrument in de schepping en vernietiging.

Even Lord Brahmâ and Lord S'iva act only as Your instruments in cosmic creation and annihilation, which are ultimately done by You, the Supreme Lord, in Your invisible aspect of time.

   

Tekst 9:

In hun huizen zingen de godsbewuste vrouwen van de [gevangen genomen] koningen over Uw onberispelijke daden erop rekenend dat U hun vijand zal doden en U ze zal bevrijden; net als de gopî's [toen ze U misten, zie 10.31] en de heer der olifanten [Gajendra vast gegrepen, zie 8.3], net als de dochter van Janaka [Râmacandra's Sîtâ, zie 9.10] en Uw ouders [in Kamsa's gevangenis, zie 10.3], net als de wijzen met het verworven hebben van Uw beschutting [zie b.v. 9.5] en wij eveneens dat doen.

In their homes, the godly wives of the imprisoned kings sing of Your noble deeds - about how You will kill their husbands' enemy and deliver them. The gopîs also sing Your glories - how You killed the enemy of the elephant king, Gajendra; the enemy of Sîtâ, daughter of Janaka; and the enemies of Your own parents as well. So also do the sages who have obtained Your shelter glorify You, as do we ourselves.

     

Tekst 10:

Het doden van Jarâsandha, o Krishna, zal ons zeker een immens voordeel opleveren: de bijkomstige uitnemendheid [der koningen] èn het offer waar Uw voorkeur naar uitgaat.'

O Krishna, the killing of Jarâsandha, which is certainly a reaction of his past sins, will bring immense benefit. Indeed, it will make possible the sacrificial ceremony You desire.

   

Tekst 11:

S'rî S'uka zei: 'De woorden van Uddhava aldus geuit, in ieder opzicht goedgunstig en feilloos o Koning, werden in reactie door de deva-rishi, de yadu-ouderen en door Krishna eveneens geprezen.

S'ukadeva Gosvâmî said: O King, Devarshi Nârada, the Yadu elders and Lord Krishna all welcomed Uddhava's proposal, which was entirely auspicious and infallible.

  

Tekst 12:

De Almachtige Allerhoogste, de zoon van Devakî, van Zijn bovengeschikten [in navolging der menselijke manieren] de toestemming krijgend, droeg toen Zijn dienaren Dâruka, Jaitra en anderen op om voorbereidingen te treffen om te vertrekken.

The almighty Personality of Godhead, the son of Devakî, begged His superiors for permission to leave. Then He ordered His servants, headed by Dâruka and Jaitra, to prepare for departure.

 

Tekst 13:

Zijn vrouwen en zoons wegsturend voor de bagage en afscheid nemend van Sankarshana [Balarâma] en de yadu-koning [Ugrasena], o doder van de vijanden, klom Hij in Zijn wagen gebracht door Zijn menner, waarop de vlag van Garuda wapperde.

O slayer of enemies, after He had arranged for the d eparture of His wives, children and baggage and taken leave of Lord Sankarshana and King Ugrasena, Lord Krishna mounted His chariot, which had been brought by His driver. It flew a flag marked with the emblem of Garuda.

 

Tekst 14:

Toen, omringd door Zijn aanvoerders en stoere wacht, wagens, olifanten, infanterie, en cavalerie - Zijn persoonlijke leger - trok Hij eropuit met van alle kanten het weerklinken van de geluiden van mridanga's, bherî hoorns, gomukha hoorns, pauken en schelphoorns.

As the vibrations resounding from mridangas, bherîs, kettledrums, conchshells and gomukhas filled the sky in all directions, Lord Krishna set out on His journey. He was accompanied by the chief officers of His corps of chariots, elephants, infantry and cavalry and surrounded on all sides by His fierce personal guard.

 

Tekst 15:

In gouden draagstoelen gedragen door mannen kwamen daarop volgend in mooie kleren, met sieraden, met geparfumeerde olie en met bloemenslingers, Acyuta's vrouwen samen met hun kinderen goed bewaakt door soldaten met schilden en zwaarden in hun handen.

Lord Acyuta's faithful wives, along with their children, followed the Lord on golden palanquins carried by powerful men. The queens were adorned with fine clothing, ornaments, fragrant oils and flower garlands, and they were surrounded on all sides by soldiers carrying swords and shields in their hands.

     

Tekst 16

De fraai opgesmukte dames van de huishouding en de courtisanes kwamen mee samen met menselijke dragers, kamelen, stieren, buffels, ezels, muildieren, ossenwagens, en wijfjesolifanten beladen met grashutten, dekens, kleding en meer van dat soort zaken.

On all sides proceeded finely adorned women - attendants of the royal household, as well as courtesans. They rode on palanquins and camels, bulls and buffalo, donkeys, mules, bullock carts and elephants. Their conveyances were fully loaded with grass tents, blankets, clothes and other items for the trip.

 

Tekst 17

Het enorme leger met een keur aan vlaggenstokken, banieren, parasols, yak-staartenwaaiers, wapens, juwelen, helmen en wapenuitrustingen voor de dag in de stralen van de zon schitterend en glanzend, was met het tumult van zijn geluiden als een oceaan rusteloos met timingila's en golven.

The Lord's army boasted royal umbrellas, câmara fans and huge flagpoles with waving banners. During the day the sun's rays reflected brightly from the soldiers' fine weapons, jewelry, helmets and armor. Thus Lord Krishna's army, noisy with shouts and clatter, appeared like an ocean stirring with agitated waves and timingila fish.

 

Tekst 18

Nadat hij van Zijn plan had vernomen en het had goedgekeurd, boog de muni [Nârada], geëerd door de Heer van de Yadu's en gelukkig met de ontmoeting die hij had met Mukunda, zich voor Hem en ging hij, Hem in zijn hart plaatsend, weg door de lucht.

Honored by S'rî Krishna, the chief of the Yadus, Nârada Muni bowed down to the Lord. All of Nârada's senses were satisfied by his meeting with Lord Krishna. Thus, having heard the decision of the Lord and having been worshiped by Him, Nârada placed Him firmly within his heart and departed through the sky.

  

Tekst 19

De boodschapper van de koningen werd door de Allerhoogste Heer, om hem te behagen met Zijn woord, aangesproken met: 'Vreest niet, o gezant, alle geluk aan u [en de uwen]. Ik zal zorg dragen voor het ter dood brengen van de koning van Mâgadha.'

With pleasing words the Lord addressed the messenger sent by the kings: "My dear messenger, I wish all good fortune to you. I shall arrange for the killing of King Magadha. Do not fear."

 

Tekst 20

Aldus toegesproken vertrok de boodschapper en stelde hij de koningen tot in detail op de hoogte, waarop zij, uitziend naar hun bevrijding er toen op wachtten S'auri te ontmoeten.

Thus addressed, the messenger departed and accurately relayed the Lord's message to the kings. Eager for freedom, they then waited expectantly for their meeting with Lord Krishna.

 

Tekst 21

Reizend door Ânarta [het gebied van Dvârakâ], Sauvîra [oostelijk Gujarat], Marudes'a [de woestijn van Rajasthan] en Vinas'ana [het Kurukshetra district], kwam de Heer door heuvels, rivieren, steden, dorpen, graslanden en delfplaatsen.

As He traveled through the provinces of Ânarta, Sauvîra, Marudes'a and Vinas'ana, Lord Hari crossed rivers and passed mountains, cities, villages, cow pastures and quarries.

  

 Tekst 22

Mukunda eerst de rivier de Drishadvatî overstekend stak toen de Sarasvatî over, trok toen door de provincies Pañcâla en Matsya en bereikte ten slotte Indraprastha.

After crossing the rivers Drishadvatî and Sarasvatî, He passed through Pañcâla and Matsya and finally came to Indraprastha.

 

 Tekst 23

Horend dat Hij, die zich zo zelden laat zien bij de mensen, was aangekomen, kwam hij wiens vijand nog niet ter wereld was gekomen [koning Yudhishthhira] naar buiten, omringd door zijn priesters en verwanten.

King Yudhishthhira was delighted to hear that the Lord, whom human beings rarely see, had now arrived. Accompanied by his priests and dear associates, the King came out to meet Lord Krishna.

   

Tekst 24

Met een stortvloed aan geluiden van gezangen en instrumentale muziek en met het weerklinken van hymnen stapte hij op Hrishîkes'a af zo eerbiedig als de zinnen ingesteld op het leven.

As songs and musical instruments resounded along with the loud vibration of Vedic hymns, the King went forth with great reverence to meet Lord Hrishîkes'a, just as the senses go forth to meet the consciousness of life.

 

 Tekst 25

Toen hij Heer Krishna na zo een lange tijd weer zag smolt het hart van de Pândava van genegenheid waarop hij Hem, zijn innigste vriend, keer op keer omhelsde.

The heart of King Yudhishthhira melted with affection when he saw his dearmost friend, Lord Krishna, after such a long separation, and he embraced the Lord again and again.

 

 Tekst 26

De heerser der mensen die het lichaam van Mukunda in zijn armen sloot, het foutloze verblijf van Ramâ, zag al zijn ongeluk vernietigd en bereikte de hoogste verrukking, uitgelaten met tranen in zijn ogen de illusoire aangelegenheid vergetend van het belichaamd zijn in de materiële wereld.

The eternal form of Lord Krishna is the everlasting residence of the goddess of fortune. As soon as King Yudhishthhira embraced Him, the King became free of all the contamination of material existence. He immediately felt transcendental bliss and merged in an ocean of happiness. There were tears in his eyes, and his body shook due to ecstasy. He completely forgot that he was living in this material world.

 

 Tekst 27

Bhîma vervuld van vreugde Hem, zijn neef van moeders zijde, omhelzend lachte het uit van de liefde met ogen overlopend van de tranen en ook van de tweeling [Nakula en Sahadeva], en van Kirîtî ['hij met de helm' ofwel Arjuna] vloeiden rijkelijk de tranen toen ze met vreugde Acyuta, hun innigste vriend, omhelsden.

Then Bhîma, his eyes brimming with tears, laughed with joy as he embraced his maternal cousin, Krishna. Arjuna and the twins - Nakula and Sahadeva - also joyfully embraced their dearmost friend, the infallible Lord, and they cried profusely.

 

 Tekst 28

Omarmd door Arjuna, en van de tweeling hun eerbetuigingen hebben ontvangen boog Hij, zoals de etiquette het voorschreef, voor de brahmanen, de ouderen en de achtenswaardige Kuru's, Sriñjaya's en Kaikaya's.

After Arjuna had embraced Him once more and Nakula and Sahadeva had offered Him their obeisances, Lord Krishna bowed down to the brâhmanas and elders present, thus properly honoring the respectable members of the Kuru, Sriñjaya and Kaikaya clans.

 

 Tekst 29

De barden, de geschiedschrijvers, de hemelse zangers, de lofsprekers en de grappenmakers, gebruik makend van mridanga's, schelpen, pauken, vînâ's, trommeltjes en gomukha hoorns, zongen, dansten en verheerlijkten met lofzangen allen Hem met de Lotusogen zoals ook de brahmanen dat deden.

Sûtas, Mâgadhas, Gandharvas, Vandîs, jesters and brâhmanas all glorified the lotus-eyed Lord - some reciting prayers, some dancing and singing - as mridangas, conchshells, kettledrums, vînâs, panavas and gomukhas resounded.

 

 Tekst 30

De Allerhoogste Heer, het Kroonjuweel van de Vermaarden der Vroomheid, ging aldus verheerlijkt door Zijn weldoeners om Hem heen, de versierde stad binnen.

Thus surrounded by His well-wishing relatives and praised on all sides, Lord Krishna, the crest jewel of the justly renowned, entered the decorated city.

 

 Tekst 31-32

In de stad van de koning der Kuru's zag Hij de straten besprenkeld met water geurig van de mada [het bronstvocht] van olifanten, kleurige vlaggen, doorgangen versierd met gouden potten vol met water en jonge mannen en vrouwen allen in nieuwe kleren met sieraden, bloemenslingers en sandelhout op hun lichamen. In ieder huis waren lampen aangestoken en offergaven als eerbetoon uitgestald waarbij de rook van wierook door het lattenwerk voor de ramen kringelde en wimpels wapperden vanaf de daken die waren opgesierd met gouden koepels met een brede zilveren onderbouw.

The roads of Indraprastha were sprinkled with water perfumed by the liquid from elephants' foreheads, and colorful flags, golden gateways and full waterpots enhanced the city's splendor. Men and young girls were beautifully arrayed in fine, new garments, adorned with flower garlands and ornaments, and anointed with aromatic sandalwood paste. Every home displayed glowing lamps and respectful offerings, and from the holes of the latticed windows drifted incense, further beautifying the city. Banners waved, and the roofs were decorated with golden domes on broad silver bases. Thus Lord Krishna saw the royal city of the King of the Kurus.

 

 Tekst 33

Horend van de aankomst van het Reservoir voor de Ogen van de Mens om uit te Drinken, gingen de jonge vrouwen, om toe te kijken, de hoofdstraat van de koning op, onverwijld hun huishoudingen of echtgenoten in bed achterlatend, waarbij in hun gretigheid de knopen in hun haar en kleding losschoten.

When the young women of the city heard that Lord Krishna, the reservoir of pleasure for human eyes, had arrived, they hurriedly went onto the royal road to see Him. They abandoned their household duties and even left their husbands in bed, and in their eagerness the knots of their hair and garments came loose.

 

Tekst 34

Daar, zeer druk met olifanten, paarden, wagens en soldaten te voet, kregen ze Krishna in het oog met Zijn vrouwen, en strooiden, terwijl ze Hem in hun harten omhelsden, de vrouwen die op de daken geklommen waren, bloemen met het Hem, breed glimlachend bij hun blikken, bereiden van een hartelijk welkom.

The royal road being quite crowded with elephants, horses, chariots and foot soldiers, the women climbed to the top of their houses, where they caught sight of Lord Krishna and His queens. The city ladies scattered flowers upon the Lord, embraced Him in their minds and expressed their heartfelt welcome with broadly smiling glances.

 

Tekst 35

Toen ze Mukunda's vrouwen op staat zagen als sterren rondom de maan, riepen de dames uit: 'Wat hebben zij gedaan dat het Diadeem der Mannen hun ogen, met het kleine aandeel van Zijn speelse glimlachen en blikken, de eer van het [hele] feest vergunt?

Observing Lord Mukunda's wives passing on the road like stars accompanying the moon, the women exclaimed, "What have these ladies done so that the best of men bestows upon their eyes the joy of His generous smiles and playful sidelong glances?"

 

Tekst 36

Her en der naderden burgers met zegenrijke gaven in hun handen en waren de meesters der gilden, die hun zonden hadden uitgebannen, van aanbidding voor Krishna.

In various places citizens of the city came forward holding auspicious offerings for Lord Krishna, and sinless leaders of occupational guilds came forward to worship the Lord.

 

Tekst 37

Met het betreden van het paleis van de koning naderden hals over kop de leden van de koninklijke huishouding om vol van liefde met stralende ogen Mukunda te begroeten.

With wide-open eyes, the members of the royal household came forward in a flurry to lovingly greet Lord Mukunda, and thus the Lord entered the royal palace.

 

Tekst 38

Prithâ [koningin Kuntî], toen ze de Zoon van haar broer zag, Krishna, de Beheerser van de drie Werelden, rees samen met haar schoondochter [Draupadî] op van haar bank met een hart vol van liefde om Hem te omhelzen.

When Queen Prithâ saw her nephew Krishna, the master of the three worlds, her heart became filled with love. Rising from her couch with her daughter-in- law, she embraced the Lord.

 

Tekst 39

De koning die Govinda, de Allerhoogste God der Goden, naar Zijn vertrekken bracht kon, overweldigd door zijn grote vreugde, zich niet meer herinneren wat hij allemaal ook weer moest doen voor het eerbiedig vertoon van de aanbidding.

King Yudhishthhira respectfully brought Lord Govinda, the Supreme God of gods, to his personal quarters. The King was so overcome with joy that he could not remember all the rituals of worship.

 

Tekst 40

Krishna gaf een vertoning van eerbetuigingen ten beste voor de zuster van Zijn vader en de oudere vrouwen, o Koning, en zo ook verbogen zich voor Hem Zijn zuster [Subhadrâ] en Krishnâ [Draupadî].

Lord Krishna bowed down to His aunt and the wives of His elders, O King, and then Draupadî and the Lord's sister bowed down to Him.

 

Tekst 41-42

Ertoe aangezet door haar schoonmoeder [Kuntî] bewees Krishnâ met kleding, bloemenslingers, juwelen en zo voorts, al Krishna's vrouwen de eer: Rukminî, Satyabhâmâ, Bhadrâ, Jâmbavatî, Kâlindî, Mitravindâ de nakomelinge van S'ibi, de kuise Nâgnajitî als ook de anderen die waren gekomen.

Encouraged by her mother-in-law, Draupadî worshiped all of Lord Krishna's wives, including Rukminî; Satyabhâmâ; Bhadrâ; Jâmbavatî; Kâlindî; Mitravindâ, the descendant of S'ibi; the chaste Nâgnajitî; and the other queens of the Lord who were present. Draupadî honored them all with such gifts as clothing, flower garlands and jewelry.

 

Tekst 43

De koning van het dharma [Yudhishthhira] die het Janârdana met Zijn leger, Zijn dienaren en ministers en Zijn vrouwen naar de zin maakte, zag er op toe dat het hen op ieder moment aan niets zou mankeren.

King Yudhishthhira arranged for Krishna's rest and saw to it that all who came along with Him - namely His queens, soldiers, ministers and secretaries - were comfortably situated. He arranged that they would experience a new feature of reception every day while staying as guests of the Pândavas.

 

Tekst 44-45

Verschillende maanden verblijvend naar Zijn wens de koning te behagen, ging Hij, sportief met Arjuna en omringd door lijfwachten, uit rijden met Zijn wagen en stelde Hij, vergezeld van Arjuna, de vuurgod tevreden met het Khândava woud waartoe Maya [een demon] die Hij toen redde, een hemelse raadszaal bouwde [in Hastinâpura].  

Desiring to please King Yudhishthhira, the Lord resided at Indraprastha for several months. During His stay, He and Arjuna satisfied the fire-god by offering him the Khândava forest, and they saved Maya Dânava, who then built King Yudhishthhira a celestial assembly hall. The Lord also took the opportunity to go riding in His chariot in the company of Arjuna, surrounded by a retinue of soldiers.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties