regelbalk


 

 

Canto 8

Manah S'ikshâ

 

 

Hoofdstuk 12: Heer S'iva Bidt ervoor Mohinî Mûrti te Mogen Zien, Raakt Verbijsterd en Herstelt Zich Weer

(1-2) De zoon van Vyâsa zei: 'Toen hij die de stier berijdt [S'iva] vernam dat Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] met het doel de Dânava's te bekoren en ervoor had gezorgd dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg hij zijn stier en begaf hij zich, tezamen met zijn godin [Umâ] en omringd door zijn metgezellen, naar Madhusûdana's [Vishnu's] verblijf om Hem te zien. (3) De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem van harte welkom met al het verschuldigde respect en toen Heer Bhava en Umâ beiden comfortabel gezeten waren, bracht S'iva Heer Hari zijn eerbetuigingen en zei hij met een glimlach het volgende.

(4) S'rî Mahâdeva zei: 'O God der Goden, o Allesdoordringende Heer en Meester van het Universum die het Universum zelf bent, voor alle vormen van bestaan bent U het Ware Zelf, de Ziel, en daarom bent U de Allerhoogste Heer. (5) Van wat er bestaat in het begin, halverwege en aan het eind van deze schepping, van het 'ik' en van de rest [van de wereld van het 'mijn'] daarbuiten, bent U, mijn Heer, de onuitputtelijke Waarheid van Brahman, de Absolute Geest die vrij is van deze verschillen. (6) Zij die wijs zijn en vrij van persoonlijke motieven het opperste welzijn verlangen, aanbidden Uw lotusvoeten en verzaken hun gehechtheden in beide opzichten [wat betreft dit leven en een leven hierna]. (7) U als het Kosmisch Geheel van het eeuwige leven voorbij [de invloed van] de basiskwaliteiten van de natuur, U als de Ene die vrij van verdriet in eeuwige gelukzaligheid verkeert, bent onveranderlijk en bestaat los van al het bestaande, terwijl U al het bestaande bent. U als de oorzaak van het ontstaan en de handhaving van dit universum, bent het Zelf en de Meester van alle zelfbeheersing, de Onafhankelijke Ziel waarvan al de anderen afhankelijk zijn [zie tevens B.G. 9: 15]. (8) U, de Ene die er bent als zowel een tijdelijke als een eeuwige manifestatie, bent zelf vrij van die tweevoud omdat U in deze wereld niet verschilt in Uw substantie, net zomin als goud niet verschilt van het goud in de verschillende vormen die het aanneemt. Uit onwetendheid houden mensen er verschillende noties van U op na, verschillen die door de basiskwaliteiten teweeggebracht zijn, terwijl U niet afhankelijk bent van die fysieke bijkomstigheden [zie ook B.G. 7: 4-5]. (9) Sommigen denken over U als de Allerhoogste Geest, sommigen beschouwen U als het dharma, sommigen zeggen dat U de Oorspronkelijke Persoon bent, de Hoogste Heerser voorbij oorzaak en gevolg, terwijl anderen U beschouwen als de Transcendentie uitgerust met negen hoedanigheden [of s'akti's *]. Nog weer anderen denken over U als de onafhankelijke en onvergankelijke Hoogste Persoonlijkheid. (10) Noch ik, noch degene die eindeloos in het voorbije leeft [Brahmâ] en ook niet de wijzen met Marîci aan het hoofd kennen werkelijk Hem [U] die dit universum heeft geschapen, ook al [weten we wel dat we] zijn ontstaan uit goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld door mâyâ, worden bewogen door het lagere [van de hartstocht en de onwetendheid, zie B.G. 2: 45]? (11) Net als de lucht die ons binnengaat en ook buiten ons aanwezig is in de atmosfeer, bent U betrokken en tegelijkertijd vrij en hebt U, met Uw aanwezigheid als Hij die alles doordringt, weet van alles wat deel uitmaakt van de schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, hebt U weet van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich rondbeweegt en niet rondbeweegt. (12) Ik was er getuige van hoe allerlei avatâra's van U in Uw verschillende avonturen Uw kwaliteiten tentoonspreidden. Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aanneemt. (13) We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de aandacht van de Daitya's wist te vangen en de Sura's de nectar te drinken gaf.'

(14) S'rî S'uka zei: 'Vishnu, de Allerhoogste Heer, aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte en gaf Giris'a ['de man van de berg'] een diepzinnig antwoord. (15) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik achtte het noodzakelijk om, in het belang van de Sura's, de Daitya's te begoochelen die het vat vol nectar hadden afgepakt en nam daartoe de gedaante aan van een prachtige vrouw. (16) Ik zal aan jou, o beste van de verlichten, die het zo graag wil zien, nu dit voorwerp van aanbidding tonen dat zo enorm gewaardeerd wordt door hen die zich door de lust laten leiden.'

(17) S'rî S'uka ging verder: 'Nadat Hij dit gezegd had verdween Heer Vishnu meteen uit het zicht van Zijn gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend die overal om zich heenkeken. (18) Toen zagen ze, op een mooie plek in het bos, een aantrekkelijke vrouw die, gekleed in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen vol roze blaadjes en allerlei bloemen, bezig was met een bal te spelen. (19) Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen, die door hun gewicht meedeinden boven Haar slanke taille, met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten. (20) Haar ogen volgden angstvallig de bal die zich rusteloos in alle richtingen bewoog. Ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs de wangen van Haar stralende gezicht naar beneden viel. (21) Terwijl Ze met Haar rechterhand tegen de bal sloeg gleed Haar haar los en probeerde ze Haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linkerhand. Aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14]. (22) Toen hij haar aldus met de bal zag spelen waarbij ze een nauwelijks merkbare verlegen glimlach liet zien, raakte de god betoverd door de blikken van de stralende schoonheid. Met zijn geest in beslag genomen niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, kon hij niet meer aan zichzelf, aan Umâ aan zijn zijde of aan zijn metgezellen denken [vergelijk 5.5: 8]. (23) Op een gegeven moment sprong de bal ver van Haar hand weg en ging Ze de bal achterna. Daarbij waaide recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva, de fijne stof met de gordel weg die de vrouw bedekte. (24) Heel Haar welgevormde glorie zo aangenaam voor het oog zag hij voor zich. Toen Ze hem daarbij aankeek, dacht S'iva dat Ze wel zin in hem had. (25) Van slag door Haar glimlachen en bezigheid was hij beroofd van zijn gezonde verstand en ging hij schaamteloos achter Haar aan, ondanks dat Bhavânî er getuige van was. (26) De volkomen naakte vrouw die hem op zich af zag komen, rende in grote verlegenheid met een glimlach heen en weer om zich te verbergen achter de bomen. (27) Heer S'iva, Bhava, door zijn zinnen afgeleid, viel ten prooi aan de lust als was hij een mannetjesolifant die uit is op een wijfjesolifant. (28) Haar najagend kreeg hij Haar haarvlecht te pakken en trok hij Haar, tegen Haar wil, naar zich toe om Haar te omhelzen. (29-30) Zij, de wijfjesolifant, met Haar losgeraakte haren gevangen door de mannetjesolifant die de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning. Ontsnapt aan de hechte greep van de Heer van de halfgoden, holde Ze snel weg met Haar zware heupen die zo uitdrukkingsvol het begoochelend vermogen van de Heer tentoonspreidden. (31) Als zat de duivel hem op zijn hielen zette Rudra in de greep van de lust de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden. (32) Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, werd van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, het zaad geloosd. (33) Al de plaatsen waar zijn zaad op aarde viel, o grote heerser, werden mijnen voor goud en zilver. (34) Aan de oevers van rivieren en meren, in de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was Heer S'iva aanwezig. (35) Met zijn zaad geloosd zag hij in dat het begoochelend vermogen van de Heer hem persoonlijk voor de gek had gehouden, o beste van de koningen, en daarom zag hij ervan af nog langer de illusie na te jagen. (36) Aldus overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum, die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij wat zich had voorgedaan als niet erg verrassend. (37) Toen Hij zag dat hij er niet verstoord of beschaamd over was, nam Madhusûdana, daar heel  tevreden over, Zijn mannelijke gedaante weer aan en sprak Hij.

(38) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens je alle geluk, o beste van de halfgoden. Hoewel je met Mijn verschijning als een vrouw spontaan bekoord was door Mijn uitwendig vermogen, blijf je hecht verankerd in jezelf. (39) Wie anders dan jij zou er toe in staat zijn om, eenmaal aangetrokken door de zinnen, Mijn mâyâ te overwinnen? Zij die hun zinnen niet de baas zijn hebben er grote moeite mee om de materiële terugslagen die hen overweldigen te boven te komen. (40) Zo gauw men zich, [levend] met de tijd met al zijn verschillende elementen, met Mij in de vorm van de Eeuwige Tijd [of de zuivere Tijdgeest] verbonden heeft, zal die begoochelende energie van de geaardheden van de natuur [de godin Durgâ als hun optelsom **] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'

(41) S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God met het S'rîvatsateken op Zijn borst, o Koning, nam S'iva, Hem omlopend, afscheid van Hem en keerde hij samen met zijn metgezellen terug naar zijn verblijfplaats. (42) O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de grote wijzen wordt aanvaard als een integraal deel van het begoochelend vermogen van de Heer: (43) 'O, heb je gezien hoe ikzelf, tegen mijn wil, ondanks dat ik de beste van al Zijn delen ben, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren, Allerhoogste Persoon van de Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volkomen afhankelijk zijn van de materiële illusie? (44) Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij me en vroeg je naar Hem [waarop ik mediteerde]. Hij is inderdaad degene die hier nu persoonlijk aanwezig is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'

(45) S'rî S'uka besloot: 'Aldus besprak ik met u, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn boog] die [als Kûrma] de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan. (46) Wie dit [verhaal] reciteert of ernaar luistert, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan. (47) Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten die bekend zijn bij de toegewijden die zich overgeven, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die werd voortgebracht uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34].'

 

next                         

 

 

 
Derde herziene editie, geladen 5  juli, 2019.
 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1-2

De zoon van Vyâsa zei: 'Toen hij die de stier berijdt [S'iva] vernam dat Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] met het doel de Dânava's te bekoren en ervoor had gezorgd dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg hij zijn stier en begaf hij zich, tezamen met zijn godin [Umâ] en omringd door zijn metgezellen, naar Madhusûdana's [Vishnu's] verblijf om Hem te zien.
De zoon van Vyâsa zei: 'Hij die de stier berijdt [S'iva] vernemende hoe Heer Hari de gedaante van een vrouw had aangenomen [8.9] om de Dânava's te bekoren en er voor zorgde dat de Sura's de nectar te drinken kregen, besteeg zijn stier en ging omringd door zijn dienaren, tezamen met zijn godin [Umâ] erop uit om Madhusûdana [Vishnu] in Zijn verblijfplaats te treffen. (Vedabase)

  

Tekst 3

De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem van harte welkom met al het verschuldigde respect en toen Heer Bhava en Umâ beiden comfortabel gezeten waren, bracht S'iva Heer Hari zijn eerbetuigingen en zei hij met een glimlach het volgende.

De Allerhoogste Persoonlijkheid heette hem met alle verschuldigde respect van harte welkom en toen Bhava, de Heer der Continuïteit, en Umâ comfortabel gezeten waren zei hij, met een glimlach Heer Hari zijn eerbetuigingen brengend, het volgende.  (Vedabase)

 

Tekst 4

S'rî Mahâdeva zei: 'O God der Goden, o Allesdoordringende Heer en Meester van het Universum die het Universum zelf bent, voor alle vormen van bestaan bent U het Ware Zelf, de Ziel, en daarom bent U de Allerhoogste Heer.

S'rî Mahâdeva [S'iva] zei: 'O God der Goden, o Alles-doorvarende Heer en Meester van het Universum, voor alle vormen van bestaan bent U, als de volheid der schepping, de bestierende kracht en om deze reden bent U de Hoogste Beheerser. (Vedabase)

  

Tekst 5

Van wat er bestaat in het begin, halverwege en aan het eind van deze schepping, van het 'ik' en van de rest [van de wereld van het 'mijn'] daarbuiten, bent U, mijn Heer, de onuitputtelijke Waarheid van Brahman, de Absolute Geest die vrij is van deze verschillen.

U bent het begin, het einde van deze werkelijkheid en dat wat er zich tussenin bevindt en als men ook maar iets beschouwt als los van U bestaand is dat zelfzucht; maar omdat U onvergankelijk bent is Uwe Heerlijkheid, als zijnde die Absolute Waarheid, dat Allerhoogste en dat weten, niet van al deze verschillen. (Vedabase)


Tekst 6

Zij die wijs zijn en vrij van persoonlijke motieven het opperste welzijn verlangen, aanbidden Uw lotusvoeten en verzaken hun gehechtheden in beide opzichten [wat betreft dit leven en een leven hierna].

Het zijn inderdaad Uw voeten die worden aanbeden door de wijzen die, verlangend naar het uiteindelijke heil, er geen materiële verlangens op na houden en de gehechtheid hebben opgegeven aan dit leven en een leven hierna. (Vedabase)


Tekst 7

U als het Kosmisch Geheel van het eeuwige leven voorbij [de invloed van] de basiskwaliteiten van de natuur, U als de Ene die vrij van verdriet in eeuwige gelukzaligheid verkeert, bent onveranderlijk en bestaat los van al het bestaande, terwijl U al het bestaande bent. U als de oorzaak van het ontstaan en de handhaving van dit universum, bent het Zelf en de Meester van alle zelfbeheersing, de Onafhankelijke Ziel waarvan al de anderen afhankelijk zijn [zie tevens B.G. 9: 15].

U als het Volledige van de kosmos, onsterfelijk voorbij de geaardheden, vrij van verdriet in eeuwige verrukking, bent onveranderlijk, los van alles bestaand bent U niettemin alles. Als de oorzaak van het begin, de manifestatie van het universum en Haar handhaving, bent U van allen die op het innerlijk gericht zijn de Superziel van beheersing en zijn allen van U afhankelijk die de onafhankelijkheid zelve bent [zie tevens B.G. 9: 15]. (Vedabase)


Tekst 8

U, de Ene die er bent als zowel een tijdelijke als een eeuwige manifestatie, bent zelf vrij van die tweevoud omdat U in deze wereld niet verschilt in Uw substantie, net zomin als goud niet verschilt van het goud in de verschillende vormen die het aanneemt. Uit onwetendheid houden mensen er verschillende noties van U op na, verschillen die door de basiskwaliteiten teweeggebracht zijn, terwijl U niet afhankelijk bent van die fysieke bijkomstigheden [zie ook B.G. 7: 4-5].

U daadwerkelijk als de Ene, bestaande als zowel het tijdelijke als het eeuwige, kent zelf geen tweevoudigheid omdat U in deze wereld, precies zoals goud in haar verschillende vormen is in relatie tot haar wezen, niet het verschil bent van de substantie, het verschil dat de mensen uit onwetendheid in relatie tot U in het algemeen waarnemen. Omdat U vrij bent van de verschillen gecreëerd door de geaardheden moet men, onderscheid makend, niet van materiële omschrijvingen zijn [het begrip van het verschil van een valse wereld en een waar Brahman bestaat alleen in naam, zie ook B.G. 7: 4-5]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Sommigen denken over U als de Allerhoogste Geest, sommigen beschouwen U als het dharma, sommigen zeggen dat U de Oorspronkelijke Persoon bent, de Hoogste Heerser voorbij oorzaak en gevolg, terwijl anderen U beschouwen als de Transcendentie uitgerust met negen hoedanigheden [of s'akti's *]. Nog weer anderen denken over U als de onafhankelijke en onvergankelijke Hoogste Persoonlijkheid.

U wordt door sommigen [de onpersoonlijke vedantisten] gezien als de absolute Waarheid van het Brahman en door een aantal anderen [de Mîmâmsaka's] als het zekere van de religie [het dharma]. Sommigen [de Sânkya-filosofen] beschouwen U als de Oorspronkelijke Persoon, de Hoogste Beheerser wat betreft oorzaak en gevolg en anderen [de pañcarâtra-toegewijden] beschrijven de bovenzinnelijkheid jegens U als uitgerust met negen hoedanigheden [zie 7.5: 23-24]. Voor nog weer anderen [volgelingen van Patañjali b.v.] bent U de Hoogste Persoonlijkheid, de onafhankelijke, onvergankelijke Superziel. (Vedabase)


Tekst 10

Noch ik, noch degene die eindeloos in het voorbije leeft [Brahmâ] en ook niet de wijzen met Marîci aan het hoofd kennen werkelijk Hem [U] die dit universum heeft geschapen, ook al [weten we wel dat we] zijn ontstaan uit goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld door mâyâ, worden bewogen door het lagere [van de hartstocht en de onwetendheid, zie B.G. 2: 45]?

Noch ik noch de man in het voorbije [Brahmâ], noch de wijzen met Marîci aan het hoofd, weten werkelijk door wie dit universum werd geschapen, ookal namen we geboorte uit de goedheid. En wat te zeggen van de Daitya's en de andere sterfelijke wezens, o Heer, wiens harten, voortdurend begoocheld onder de invloed van mâyâ, in de lagere geaardheden verkeren [der hartstocht en onwetendheid, zie B.G. 2: 45]. (Vedabase)

 

Tekst 11

Net als de lucht die ons binnengaat en ook buiten ons aanwezig is in de atmosfeer, bent U betrokken en tegelijkertijd vrij en hebt U, met Uw aanwezigheid als Hij die alles doordringt, weet van alles wat deel uitmaakt van de schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, hebt U weet van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich rondbeweegt en niet rondbeweegt.

U, die als de lucht in de uitgestrekte ruimte, zowel erbij betrokken als er vrij van bent, hebt, met Uw aanwezigheid als de Allesdoordringende, weet van alles van deze schepping, handhaving en voleinding van de wereld in zijn geheel, van de levende wezens en hun ondernemingen en van alles wat zich beweegt en niet beweegt.  (Vedabase)


Tekst 12

Ik was er getuige van hoe allerlei avatâra's van U in Uw verschillende avonturen Uw kwaliteiten tentoonspreidden. Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aanneemt.

Ik was getuige van allerlei avatâra's van U die de kwaliteiten in verschillende avonturen tentoonspreidden; Ik, S'iva, zou graag die incarnatie van U willen zien waarin U het lichaam van een vrouw aannam. (Vedabase)

 

Tekst 13

We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de aandacht van de Daitya's wist te vangen en de Sura's de nectar te drinken gaf.'

We zijn hier naartoe gekomen om met eigen ogen de gedaante van de belichaming te zien die de Daitya's hun aandacht in beslag nam en de Sura's de nectar te drinken gaf.' (Vedabase)

  

Tekst 14

S'rî S'uka zei: 'Vishnu, de Allerhoogste Heer, aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte en gaf Giris'a ['de man van de berg'] een diepzinnig antwoord.

S'rî S'uka zei: 'Vishnu de Allerhoogste Heer aldus verzocht door hem met de drietand in zijn hand, lachte ernstig en gaf Giris'a ['hij van de berg'] een antwoord. (Vedabase)

 

Tekst 15

De Allerhoogste Heer zei: 'Ik achtte het noodzakelijk om, in het belang van de Sura's, de Daitya's te begoochelen die het vat vol nectar hadden afgepakt en nam daartoe de gedaante aan van een prachtige vrouw.

De Allerhoogste Heer zei: 'Om de Daitya's te begoochelen nam Ik de gedaante van een prachtige vrouw aan, en achtte Ik het in het belang van de Sura's noodzakelijk om het vat vol met nectar weg te nemen. (Vedabase)

 

Tekst 16

Ik zal aan jou, o beste van de verlichten, die het zo graag wil zien, nu dit voorwerp van aanbidding tonen dat zo enorm gewaardeerd wordt door hen die zich door de lust laten leiden.'

Ik zal nu jullie, die er zo naar verlangen het te aanschouwen, o beste der verlichten, het voorwerp van aanbidding tonen dat de verlangens oproept van degenen die van een ongebreidelde lust zijn.' (Vedabase)

 

Tekst 17

S'rî S'uka ging verder: 'Nadat Hij dit gezegd had verdween Heer Vishnu meteen uit het zicht van Zijn gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend die overal om zich heenkeken.

S'rî S'uka ging verder: 'Na zich aldus te hebben uitgesproken verdween Heer Vishnu terstond vandaar uit het zicht van het gezelschap, S'iva en Umâ achterlatend met overal spiedende ogen. (Vedabase)

 

Tekst 18

Toen zagen ze, op een mooie plek in het bos, een aantrekkelijke vrouw die, gekleed in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen vol roze blaadjes en allerlei bloemen, bezig was met een bal te spelen.

Daarop ontwaarden ze op een prachtige plek in het bos een heerlijke vrouw die, in een glanzende sari met een gordel om Haar heupen, temidden van de bomen met roze blaadjes en alle soorten van bloemen, druk in de weer was spelend met een bal.  (Vedabase)

 

Tekst 19

Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen, die door hun gewicht meedeinden boven Haar slanke taille, met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten.

Met het stuiteren van de bal trilden haar prachtige borsten en haar bloemenkransen die door hun gewicht bij Haar fragiele middel meedeinden met iedere stap die Ze links en rechts zette met Haar koraalrood gekleurde voeten. (Vedabase)


Tekst 20

Haar ogen volgden angstvallig de bal die zich rusteloos in alle richtingen bewoog. Ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs de wangen van Haar stralende gezicht naar beneden viel.

Haar gezicht werd opgesierd door rusteloze, bij tijden bezorgde, wijd open ogen die de bal in alle richtingen volgden en ze had glinsterende oorbellen in Haar oren en blauwglanzend haar dat langs Haar wangen naar beneden viel. (Vedabase)


Tekst 21

Terwijl Ze met Haar rechterhand tegen de bal sloeg gleed Haar haar los en probeerde ze Haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linkerhand. Aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14].

Terwijl Haar haar losgleed probeerde ze haar losrakende sari op zeer charmante wijze bij elkaar te houden met Haar linker hand, onderwijl met Haar rechter hand tegen de bal slaand; aldus betoverde het spiritueel vermogen [van de Heer] iedereen in het universum [vergelijk B.G. 7: 14]. (Vedabase)

 

Tekst 22

Toen hij haar aldus met de bal zag spelen waarbij ze een nauwelijks merkbare verlegen glimlach liet zien, raakte de god betoverd door de blikken van de stralende schoonheid. Met zijn geest in beslag genomen niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, kon hij niet meer aan zichzelf, aan Umâ aan zijn zijde of aan zijn metgezellen denken [vergelijk 5.5: 8].

De god die Haar op deze manier met de bal zag spelen en een nauwelijks op te merken verlegen glimlach zag uitzenden, was betoverd door de blikken van de stralende schoonheid en met zijn geest in beslag niet in staat zijn ogen van Haar af te houden, was hij niet langer meer in staat aan zichzelf, aan Umâ naast hem of aan zijn metgezellen te denken [vergelijk 5.5: 8]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Op een gegeven moment sprong de bal ver van Haar hand weg en ging Ze de bal achterna. Daarbij waaide recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva, de fijne stof met de gordel weg die de vrouw bedekte.

Toen de bal opeens ver wegsprong van Haar hand, waaide, terwijl Ze de bal nazat, de jurk met de gordel die de vrouw bedekte, recht voor ogen van de gretig toekijkende S'iva weg. (Vedabase)

 

Tekst 24

Heel Haar welgevormde glorie zo aangenaam voor het oog zag hij voor zich. Toen Ze hem daarbij aankeek, dacht S'iva dat Ze wel zin in hem had.

Aldus Haar welgevormde glorie ziend zo aangenaam voor het oog, dacht S'iva dat Zij werkelijk wel zin in hem had. (Vedabase)

  

Tekst 25

Van slag door Haar glimlachen en bezigheid was hij beroofd van zijn gezonde verstand en ging hij schaamteloos achter Haar aan, ondanks dat Bhavânî er getuige van was.

Hij, gek op Haar glimlachen, ging, door Haar manier van doen beroofd van zijn gezonde verstand, zonder acht te slaan op Bhavânî die getuige was van wat zich voordeed, schaamteloos achter Haar aan. (Vedabase)

 

Tekst 26

De volkomen naakte vrouw die hem op zich af zag komen, rende in grote verlegenheid met een glimlach heen en weer om zich te verbergen achter de bomen.

De vrouw volkomen naakt, die hem op zich af zag komen, verborg zich in grote verlegenheid met een glimlach tussen de bomen, zonder op één plaats te blijven.  (Vedabase)

 

Tekst 27

Heer S'iva, Bhava, door zijn zinnen afgeleid, viel ten prooi aan de lust als was hij een mannetjesolifant die uit is op een wijfjesolifant.

Heer S'iva, Bhava, wiens zinnen van streek waren, was het slachtoffer van de lust precies zoals een mannetjes-olifant uit op een vrouwtjes-olifant. (Vedabase)

 

Tekst 28

Haar najagend kreeg hij Haar haarvlecht te pakken en trok hij Haar, tegen Haar wil, naar zich toe om Haar te omhelzen.

Haar najagend kreeg hij Haar bij de vlecht van Haar haar te pakken en trok hij Haar naar zich toe om Haar tegen Haar wil te omhelzen. (Vedabase)

 

Tekst 29-30

Zij, de wijfjesolifant, met Haar losgeraakte haren gevangen door de mannetjesolifant die de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning. Ontsnapt aan de hechte greep van de Heer van de halfgoden, holde Ze snel weg met Haar zware heupen die zo uitdrukkingsvol het begoochelend vermogen van de Heer tentoonspreidden.

Zij met Haar losgeraakte haren, de vrouwtjes-olifant gevangen door het mannetje dat de Heer Zijn toegewijde was, kronkelde als een slang en slaagde erin zich te bevrijden, o Koning, uit de hechte greep van de Heer der Halfgoden en holde snel weg met de zware heupen die zozeer het begoochelend vermogen van de Heer tentoonspreidden.  (Vedabase)

  

Tekst 31

Als zat de duivel hem op zijn hielen zette Rudra in de greep van de lust de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden.

Als had hij de duivel op zijn hielen zette Rudra de achtervolging in van Hem wiens handelingen zich zo wonderbaarlijk voor hem afspeelden. (Vedabase)

 

Tekst 32

Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, werd van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, het zaad geloosd.

Van hem die nimmer zijn zaad tevergeefs uitstort, werd, Haar nazittend als een dolle stier jagend op een wijfje, het zaad geloosd. (Vedabase)

 

Tekst 33

Al de plaatsen waar zijn zaad op aarde viel, o grote heerser, werden mijnen voor goud en zilver.

Overal waar zijn zaad op de aarde viel werden die plaatsen mijnen voor goud en zilver, o grote heerser. (Vedabase)

 

Tekst 34

Aan de oevers van rivieren en meren, in de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was Heer S'iva aanwezig.

Nabij de oevers der rivieren en meren, bij de bergen en in de wouden, in de tuinen en waar zich ook maar de wijzen ophielden, was S'iva aanwezig. (Vedabase)

 

Tekst 35

Met zijn zaad geloosd zag hij in dat het begoochelend vermogen van de Heer hem persoonlijk voor de gek had gehouden, o beste van de koningen, en daarom zag hij ervan af nog langer de illusie na te jagen.

Met zijn zaad geloosd zag hij in dat hij zelf voor de gek gehouden was door het begoochelend vermogen van God, o beste der koningen, en aldus weerhield hij zich van nog meer van de illusie. (Vedabase)

 

Tekst 36

Aldus overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum, die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij wat zich had voorgedaan als niet erg verrassend.

Zo overtuigd van zijn eigen grootheid en de grootheid van de Ziel van het Universum die van een onbegrensd vermogen is, beschouwde hij dat wat zich had voorgedaan niet als iets verrassends. (Vedabase)

 

Tekst 37

Toen Hij zag dat hij er niet verstoord of beschaamd over was, nam Madhusûdana, daar heel  tevreden over, Zijn mannelijke gedaante weer aan en sprak Hij.

Toen Hij zag dat hij zo onverstoord en zonder schaamte was nam Madhusûdana zeer tevreden erover Zijn Oorspronkelijke gedaante aan en sprak Hij. (Vedabase)

 

Tekst 38

De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens je alle geluk, o beste van de halfgoden. Hoewel je met Mijn verschijning als een vrouw spontaan bekoord was door Mijn uitwendig vermogen, blijf je hecht verankerd in jezelf.

De Allerhoogste Heer zei: 'Ik wens u alle geluk o beste der halfgoden, ondanks het door jou, met Mij verschijnend als een vrouw, zo rijkelijk bekoord zijn door Mijn uitwendig vermogen, gedraag je je consequent overeenkomstig je gevestigde positie. (Vedabase)

 

Tekst 39

Wie anders dan jij zou er toe in staat zijn om, eenmaal aangetrokken door de zinnen, Mijn mâyâ te overwinnen? Zij die hun zinnen niet de baas zijn hebben er grote moeite mee om de materiële terugslagen die hen overweldigen te boven te komen.

Welke persoon anders dan jij kan nu, eenmaal door de zinnen aangetrokken, Mijn mâyâ overwinnen? Voor hen die in het algemeen niet in staat zijn hun zinnen te beheersen zijn de materiële terugslagen die hen overweldigen hoogst lastig te boven te komen. (Vedabase)

 

Tekst 40

Zo gauw men zich, [levend] met de tijd met al zijn verschillende elementen, met Mij in de vorm van de Eeuwige Tijd [of de zuivere Tijdgeest] verbonden heeft, zal die begoochelende energie van de geaardheden van de natuur [de godin Durgâ als hun optelsom **] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.'

Als men zich eenmaal verbonden heeft met Mij in de vorm van de eeuwige tijd zal die begoochelende energie bestaande uit de geaardheden der natuur, met al haar verschillende elementen [als de optelsom waarvan er de godin Durgâ*] niet langer in staat zijn je van je verstand te beroven.' (Vedabase)

 

Tekst 41

S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God met het S'rîvatsateken op Zijn borst, o Koning, nam Si'va, Hem omlopend, afscheid van Hem en keerde hij samen met zijn metgezellen terug naar zijn verblijfplaats.

S'rî S'uka zei: 'Aldus geprezen door de Hoogste Persoonlijkheid van God die altijd het S'rîvatsa-teken op Zijn borst heeft, o Koning, ging hij, Hem omlopend, met Zijn permissie terug naar zijn eigen verblijfplaats. (Vedabase)

 

Tekst 42

O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de  grote wijzen wordt aanvaard als een integraal deel van het begoochelend vermogen van de Heer:

O afstammeling van Bharata, de machtige Heer Bhava richtte zich toen opgetogen tot zijn vrouw Bhavânî die door de wijzen wordt aanvaard als zijnde een werking van de begoochelende energie van de Heer: (Vedabase)

 

Tekst 43

'O, heb je gezien hoe ikzelf, tegen mijn wil, ondanks dat ik de beste van al Zijn delen ben, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren, Allerhoogste Persoon van de Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volkomen afhankelijk zijn van de materiële illusie?

'Oh, heb je gezien hoe ikzelf zonder het in de gaten te hebben, ondanks de beste te zijn van al Zijn machten, verbijsterd raakte door Haar, de begoochelende energie van de Ongeboren Allerhoogste Persoon der Halfgoden? Moet ik het dan nog hebben over anderen die volledig afhankelijk zijn van de materiële illusie? (Vedabase)

 

Tekst 44

Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij me en vroeg je naar Hem [waarop ik mediteerde]. Hij is inderdaad degene die hier nu persoonlijk aanwezig is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'

Toen ik een einde maakte aan een duizendjarige yogapraktijk kwam je bij mij om hoogte te krijgen van Hem die er inderdaad nu rechtstreeks is als de Oorspronkelijke Persoon die het begrip van de Veda's te boven gaat en waar de tijd geen vat op heeft.'  (Vedabase)

 

Tekst 45

S'rî S'uka besloot: 'Aldus besprak ik met u, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn boog] die [als Kûrma] de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan.

S'rî S'uka besloot: 'Aldus zette ik voor u uiteen, mijn beste, de almacht van S'ârnga-dhanvâ [Vishnu met Zijn Boog] die de grote berg op Zijn rug hield voor het karnen van de oceaan. (Vedabase)

 

Tekst 46

Wie dit [verhaal] reciteert of ernaar luistert, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan.

Hij die er de tijd voor neemt dit te reciteren of naar dit verhaal te luisteren, zal nooit teleurgesteld raken in wat hij onderneemt omdat de beschrijving van de kwaliteiten van Uttamas'loka, de Ene Geprezen in de Geschriften, een einde maakt aan de misère van het materieel bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 47

Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten die bekend zijn bij de toegewijden die zich overgeven, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die werd voortgebracht uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34].'

Voor Hem die niet door de goddelozen wordt begrepen, voor de voeten bekend bij de toegewijden van overgave, voor Hem die enkel de onsterfelijken de nectar te drinken gaf die voortkwam uit de oceaan, voor Hem die vermomd als een jong meisje verscheen en de vijanden van de goden voor zich innam, voor Hem die de wensen van de toegewijden in vervulling doet gaan, buig ik mij diep [vergelijk B.G. 9: 29-34]. (Vedabase)

*: De negen s'akti's of vermogens van de Heer: vimalâ, zuiverheid; utkarshinî, verheven staat; jñâna, kennis; kriyâ, activiteit; yogâ, yogavermogens; prahvî, bescheidenheid; satyâ, waarachtigheid; îs'ânâ, souvereiniteit en anugrahâ, genade (vermeld in 11.27: 25-26).

**: Svâmî Prabhupâda citeert:

'srishthi-sthiti-pralaya-sâdhana-s'aktir ekâ
châyeva yasya bhuvanâni bibharti durgâ'
[S'rî Brahma samhitâ Bs. 5.44]

De ganse kosmos is tot stand gebracht door Durgâ in samenwerking met Heer Vishnu in de gedaante van kâla, de tijd. Dit is de versie van de Veda's (Aitareya Upanishad 1.1.1-2).

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het schilderij is getiteld: 'Lady with ball' en is van
Raja Ravi Varma.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties