
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands
beschikbaar):
The
Disappearance of Lord S'rî Krishna
Tekst
1:
S'rî
S'uka zei: 'Toen kwamen daar Brahmâ met zijn gemalin
Bhavânî aan, samen met S'iva en de halfgoden onder
leiding van Indra en de wijzen samen met de heren der
mensen.
S'ukadeva
Gosvâmî said - Then Lord Brahmâ arrived at
Prabhâsa along with Lord S'iva and his consort, the
sages, the Prajâpatis and all the demigods, headed by
Indra.
Tekst
2-3
De voorvaderen,
de volmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en
de grote ego's, de eerbiedwaardigen, de schatbewaarders en de
wildemannen, zij van bijzondere vermogens en de dansmeisjes van
de hemel en allen horend bij Garuda [de
dvijâ's]
die graag getuige wilden zijn van het heengaan van de
Allerhoogste Heer, bezongen en prezen vol enthousiasme de
geboorte en handelingen van S'auri.
The
forefathers, Siddhas, Gandharvas, Vidyâdharas and
great serpents also came, along with the Câranas,
Yakshas, Râkshasas, Kinnaras, Apsarâs and
relatives of Garuda, greatly eager to witness the departure
of the Supreme Personality of Godhead. As they were coming,
all these personalities variously chanted and glorified the
birth and activities of Lord S'auri
[Krishna].
Tekst
4
Zij,
samendrommend in de hemel in een groot aantal
vimâna's,
o Koning, strooiden, verenigd in bovenzinnelijke toewijding,
bloemen uit.
O
King, crowding the sky with their many airplanes, they
showered down flowers with great devotion.
Tekst
5
De Opperheer
toen Hij de grote vader en zijn machtige expansies zag,
concentreerde Zich in Zichzelf, de Almachtige, en sloot Zijn
lotusogen.
Seeing
before Him Brahmâ, the grandfather of the universe,
along with the other demigods, who are all His personal and
powerful expansions, the Almighty Lord closed His lotus
eyes, fixing His mind within Himself, the Supreme
Personality of Godhead.
Tekst
6
Zonder in een
mystieke trance het voorwerp te verbranden dat gunstig is voor
alle vervoering en meditatie - Zijn eigen lichaam hoogst
aantrekkelijk voor al de werelden - ging Hij Zijn eigen
verblijf binnen [vergelijk 4.4].
Without
employing the mystic âgneyî meditation to burn
up His transcendental body, which is the all-attractive
resting place of all the worlds and the object of all
contemplation and meditation, Lord Krishna entered into His
own abode.
Tekst
7
Met het in de
hemel weerklinken van pauken en met de bloemen die uit de hemel
vielen volgden Hem, terwijl Hij de aarde verliet, de Waarheid,
Rechtgeaardheid, Bestendigheid, Roem en Schoonheid [zie ook
10.39:
53-55].
As
soon as Lord S'rî Krishna left the earth, Truth,
Religion, Faithfulness, Glory and Beauty immediately
followed Him. Kettledrums resounded in the heavens and
flowers showered from the sky.
Tekst
8
De halfgoden en
anderen met Brahmâ aan het hoofd zagen, [met de
meesten van hen] niet bekend met Krishna's bewegingen, Hem
niet Zijn verblijf binnengaan, maar zij die dat wel deden waren
hoogst verbaasd.
Most
of the demigods and other higher beings led by Brahmâ
could not see Lord Krishna as He was entering His own abode,
since He did not reveal His movements. But some of them did
catch sight of Him, and they were extremely amazed.
Tekst
9
Net als de
beweging van de bliksem, die zich van de wolken door de hemel
beweegt, door stervelingen niet kan worden vastgesteld, konden
zo ook de goden niet uitmaken welke weg Krishna
volgde.
Just
as ordinary men cannot ascertain the path of a lightning
bolt as it leaves a cloud, the demigods could not trace out
the movements of Lord Krishna as He returned to His
abode.
Tekst
10
Brahmâ,
S'iva en de anderen echter, ervan getuige, verheerlijkten
verwonderd het yogavermogen van de Heer, waarna een ieder zich
naar zijn eigen wereld begaf.
A
few of the demigods, however - notably Lord Brahmâ and
Lord S'iva - could ascertain how the Lord's mystic power was
working, and thus they became astonished. All the demigods
praised the Lord's mystic power and then returned to their
own planets.
Tekst
11
O Koning, u
moet begrijpen dat het verschijnen, de handelingen van Zijn
begoochelend vermogen, en het verdwijnen van de Allerhoogste,
overeenkomend met dat van belichaamde wezens, er is als een
vertoning [een schouwspel], waarmee Hij net als een
acteur middels Zichzelf dit universum in gang zet, erin
binnengaat, erin speelt en het op het eind weer terugtrekt, na
opgehouden te zijn [daarop] verwijlend in de grootheid
van het Allerhoogste Zelf.
My
dear King, you should understand that the Supreme Lord's
appearance and disappearance, which resemble those of
embodied conditioned souls, are actually a show enacted by
His illusory energy, just like the performance of an actor.
After creating this universe He enters into it, plays within
it for some time, and at last winds it up. Then the Lord
remains situated in His own transcendental glory, having
ceased from the functions of cosmic manifestation.
Tekst
12
Hij die de zoon
van Zijn goeroe in zijn eigen lichaam weer terugbracht van zijn
weggevoerd zijn naar de wereld van Yamarâja
[10.45]
en die ook bescherming bood tegen het oppermachtige wapen dat
jou verbrandde [1.12];
Hij die zelfs S'iva, de dood voor de agenten van de dood
[10.63]
overwon, hoe zou Hij, die de hertenjager compleet met zijn
lichaam naar de geestelijke wereld overbracht, er niet toe in
staat zijn Zichzelf te behouden?
Lord
Krishna brought the son of His guru back from the planet of
the lord of death in the boy's selfsame body, and as the
ultimate giver of protection He saved you also when you were
burned by the brahmâstra of As'vatthâmâ.
He conquered in battle even Lord S'iva, who deals death to
the agents of death, and He sent the hunter Jarâ
directly to Vaikunthha in his human body. How could such a
personality be unable to protect His own Self?
Tekst
13
Ondanks het
feit dat Hij, in het bezit van onbegrensde vermogens, de enige
oorzaak is in de handhaving, schepping en vernietiging van alle
geschapen wezens, verlangde Hij het niet Zijn raamwerk hier in
de sterfelijke wereld te behouden; waarom [zou Hij]
vasthouden aan de vertoning terwille van hen [die zijn]
gefixeerd op Hem, de bestemming [voorbij het lichaam, zie
ook 3.2:
10-11]?
Although
Lord Krishna, being the possessor of infinite powers, is the
only cause of the creation, maintenance and destruction of
innumerable living beings, He simply did not desire to keep
His body in this world any longer. Thus He revealed the
destination of those fixed in the self and demonstrated that
this mortal world is of no intrinsic value.
Tekst
14
Een ieder die
's morgens vroeg opstaand met zorg deze allerhoogste bestemming
van Krishna verheerlijkt, zal, met de toewijding, voorzeker die
onovertroffen bestemming bereiken [zie ook B.G.
8:
6].
Anyone
who regularly rises early in the morning and carefully
chants with devotion the glories of Lord S'rî
Krishna's transcendental disappearance and His return to His
own abode will certainly achieve that same supreme
destination.
Tekst
15
Dâruka
verstoken van Krishna in Dvârakâ arriverend,
bevochtigde met zijn tranen de voeten van Vasudeva en Ugrasena
voor wie hij neerviel.
As
soon as Dâruka reached Dvârakâ, he threw
himself at the feet of Vasudeva and Ugrasena and drenched
their feet with his tears, lamenting the loss of Lord
Krishna.
Tekst
16-17
Hij verhaalde
van de vernietiging van het geheel van de Vrishni's, o heerser
der mensen, en dat vernemend waren de mensen, met hun harten
van slag verzet in verdriet, buiten zinnen. Zij, overweldigd
door de scheiding van Krishna zich op hun gezicht slaand,
haastten zich op weg naar waar hun verwanten levenloos
lagen.
Dâruka
delivered the account of the total destruction of the
Vrishnis, and upon hearing this, O Parîkshit, the
people became deeply distraught in their hearts and stunned
with sorrow. Feeling the overwhelming pain of separation
from Krishna, they struck their own faces while hurrying to
the place where their relatives lay dead.
Tekst
18
Toen
Devakî, Rohinî en Vasudeva zo hun zoons niet konden
vinden, verloren ze, gepijnigd in tranen, hun
bewustzijn.
When
Devakî, Rohinî and Vasudeva could not find their
sons, Krishna and Râma, they lost consciousness out of
anguish.
Tekst
19
Gekweld door
het van de Allerhoogste Heer gescheiden zijn gaven ze toen hun
levens op aldaar en klommen de echtgenotes met het omhelzen van
hun [dode] echtgenoten, mijn beste, op de
brandstapel.
Tormented
by separation from the Lord, His parents gave up their lives
at that very spot. My dear Parîkshit, the wives of the
Yâdavas then climbed onto the funeral pyres, embracing
their dead husbands.
Tekst
20
En zo gingen
ook de vrouwen van Balarâma, Zijn lichaam omhelzend, het
vuur binnen, en traden eveneens de echtgenotes van Vasudeva
tezamen met zijn lichaam, de Heer Zijn schoondochters voor
Pradyumna en de anderen, en de vrouwen van Krishna met
Rukminî, de eerste koningin voorop, volkomen in Hem
verzonken het vuur binnen.
The
wives of Lord Balarâma also entered the fire and
embraced His body, and Vasudeva's wives entered his fire and
embraced his body. The daughters-in-law of Lord Hari entered
the funeral fires of their respective husbands, headed by
Pradyumna. And Rukminî and the other wives of Lord
Krishna - whose hearts were completely absorbed in Him -
entered His fire.
Tekst
21
Arjuna van
streek vanwege de scheiding van Krishna, zijn geliefde vriend,
troostte zich met de bovenzinnelijke woorden van Krishna's lied
[zoals 2:
11-12 ,
2:
20-21 ,
2:
27,
4:
7,
4:
6,
7:
25 en
14:
27 van de
Bhagavad
Gîtâ].
Arjuna
felt great distress over separation from Lord Krishna, his
dearmost friend. But he consoled himself by remembering the
transcendental words the Lord had sung to him.
Tekst
22
Voor de
verwanten, waarvan er geen familieleden meer over waren, liet
Arjuna als voorgeschreven, voor hen die de dood hadden
gevonden, naar de orde van de leeftijd van de overledenen, de
begrafenisrituelen voltrekken.
Arjuna
then saw to it that the funeral rites were properly carried
out for the dead, who had no remaining male family members.
He executed the required ceremonies for each of the Yadus,
one after another.
Tekst
23
Dvârakâ
verlaten door de Heer, raakte direct daarop overstroomd door de
oceaan met uitzondering van, o Koning, de residentie van de
Hoogste Persoonlijkheid van God [zie archeologische
afbeeldingen 1,
2
& 3
van de
plaats].
As
soon as Dvârakâ was abandoned by the Supreme
Personality of Godhead, the ocean flooded it on all sides, O
King, sparing only His palace.
Tekst
24
Precies daar is
Madhusûdana,
de Allerhoogste Heer, eeuwig aanwezig; de enkele herinnering
eraan, als het goedgunstigste van alles wat goedgunstig is,
neemt al het ongunstige weg.
Lord
Madhusûdana, the Supreme Personality of Godhead, is
eternally present in Dvârakâ. It is the most
auspicious of all auspicious places, and merely remembering
it destroys all contamination.
Tekst
25
Arjuna,
die de overlevenden - de vrouwen, de kinderen en de bejaarden
van degenen die de dood vonden - herhuisvestte in Indraprastha,
plaatste daar Vajra [Aniruddha's zoon] op de
troon.
Arjuna
took the survivors of the Yadu dynasty - the women, children
and old men - to Indraprastha, where he installed Vajra as
ruler of the Yadus.
Tekst
26
Van Arjuna
vernemend over de dood van hun vriend, o Koning, vertrokken al
uw grootvaders, met het uitroepen van u tot de handhaver van de
dynastie, voor de grote reis [noordwaarts, zie ook
1.15:
34-51].
Hearing
from Arjuna of the death of their friend, my dear King, your
grandfathers established you as the maintainer of the
dynasty and left to prepare for their departure from this
world.
Tekst
27
De sterveling
die met geloof zingt over de geboorte en handelingen van
Vishnu, de God der Goden, zal volledig verlost raken van al
zijn zonden [zie das'âvatâra
stotra].
A
person who with faith engages in chanting the glories of
these various pastimes and incarnations of Vishnu, the Lord
of lords, will gain liberation from all sins.
Tekst
28
Aldus werden de
aantrekkelijke en allergunstigste heldendaden en
kindertijd-wederwaardigheden van de incarnatie [met al Zijn
expansies, zie 10.1:
62-63] van
de Allerhoogste Heer Hari hier beschreven als ook elders; een
persoon zingend [over hen] zal het brengen tot de
bovenzinnelijke toegewijde dienst van de volmaakte wijzen
[de paramahamsa's] voor de bestemming.
The
all-auspicious exploits of the all-attractive incarnations
of Lord S'rî Krishna, the Supreme Personality of
Godhead, and also the pastimes He performed as a child, are
described in this S'rîmad-Bhâgavatam and in
other scriptures. Anyone who clearly chants these
descriptions of His pastimes will attain transcendental
loving service unto Lord Krishna, who is the goal of all
perfect sages.
