regelbalk

  
S'rî Krishna Caitanya

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 80

 

Een Oude Brahmaanse Vriend Bezoekt Krishna

(1) De achtenswaardige koning zei: 'Mijn heer, ik zou graag vernemen, o meester, welke heldendaden er nog meer zijn van Heer Krishna, de Opperziel van Onbegrensde Macht. (2) Wie ook werkelijk, die moe materiële verlangens na te jagen weet heeft van de essentie, o brahmaan, kan daar van afzien, herhaaldelijk kennis genomen hebbend van de bovenzinnelijke onderwerpen van de Heer Geprezen in de Geschriften? (3) De eigenlijke macht van het woord is de macht die Zijn kwaliteiten beschrijft, de handen zijn degene die Zijn werk doen, de geest is de geest die zich [Hem] herinnert verblijvend bij hen die zich rondbewegen en die niet-bewegen en wat luistert is het oor naar Zijn heiligende onderwerpen [vergelijk 2.3: 20-24]. (4) Het is het hoofd dat buigt voor de manifestaties [bewegend/nietbewegend] van Hem, het is het oog inderdaad dat enkel Hem ziet en het zijn de ledematen welke regelmatig het water eren dat de voeten wast van Vishnu of Zijn toegewijden'."

(5) Sûta [1.2: 1] zei: "Naar behoren ondervraagd door Vishnurâta [Parîkchit als zijnde door Vishnu gezonden] sprak de machtige wijze, de zoon van Vyâsa volledig opgegaan in Vâsudeva, naar zijn hart. (6) S'rî S'uka zei: 'Er was een zekere vriend van Krishna [genaamd Sudâmâ, 'goedgeefs', niet dezelfde als vermeld in 10.41: 43], een brahmaan goed thuis in de Veda's, die vreedzaam van geest en met zijn zinnen in bedwang onthecht van de zinsobjecten leefde. (7) Levend als een huishouder van wat zonder moeite voor handen was, was zijn vrouw, net als hij, armzalig gekleed en uitgemergeld van de honger. (8) Met haar gezicht ingevallen, gebukt onder de armoe trillend op haar benen, benaderde ze, haar echtgenoot trouw, hem en zei: (9) 'Is het niet zo, o brahmaan, dat je vriend, o meester der toewijding, de Echtgenoot van S'rî Vol Mededogen voor de Brahmanen isen als de beste der Sâtvata's bereid is bescherming te bieden? (10) Benader Hem, o genadige van mij, en Hij, de Uiteindelijke Toevlucht der Geheiligden, zal weelde in overvloed brengen voor jou die het zo zwaar heeft met het onderhouden van zijn gezin. (11) Als de Heer van de Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's nu aanwezig in Dvârakâ, zelfs Zichzelf wegschenkt aan hij die zich de lotusvoeten herinnert van Hem, de Meester van het Universum; wat zou dat dan, voor hen die van aanbidding zijn, niet inhouden wat betreft het niet zo begeerlijke van economisch succes en zinnelijke bevrediging?'

(12-13) De geschoolde ziel op deze manier telkens weer door zijn vrouw er uitvoerig toe verzocht dacht aldus: 'De aanblik van Uttamas'loka is waarlijk het hoogste dat men kan bereiken', en met het besluit genomen om te gaan vroeg hij haar: 'Is er iets in huis dat als een gift kan dienen mijn beste vrouw, geef het me dan alsjeblieft!' (14) Vier handen vol gepelde en geroosterde rijst bij elkaar bedelend van de geschoolden, wikkelde ze die in een stuk stof en gaf ze dat als gift aan haar man mee.

(15) Hij, de beste onder de geschoolden, het meenemend, ging naar Dvârakâ al denkend: 'Hoe moet nou ooit die ontmoeting van mij met Krishna plaats vinden?' (16-17) Samen met [een paar andere] tweemaal geborenen drie poorten en drie wachtposten passerend, liep hij tussen de huizen van Acyuta's trouwe volgelingen, de Andaka's en de Vrishni's, waar men zich normaal niet kon begeven en voelde hij, met het betreden van een van de weelderige achttienduizend woningen van de koninginnen van de Heer [*], zich alsof hij de gelukzaligheid van de Zuivere Geest had bereikt. (18) Acyuta die op het bed van Zijn gemalin zat en hem van een afstand aan zag komen, kwam onmiddellijk overeind en trad naar voren om hem verheugd in Zijn armen te sluiten. (19) De Lotusogige, in aanraking met het geheiligde en wijze lijf van Zijn beminde vriend, liet bovenmate in vervoering een paar tranen de vrije loop. (20-22) Nadat Hij hem vervolgens op het bed liet plaats nemen kwam Hij voor de dag met wat zaken om Zijn vriend de eer te bewijzen en zijn voeten te wassen. Het water nam de Opperheer Aller Werelden op Zijn hoofd, o Koning, waarna de Zuiveraar hem insmeerde met goddelijk geurende sandel- en aloe-hout [lignaloes of aguru]pasta en kunkuma. Blij Zijn vriend de eer bewijzend met geurige wierook en reeksen lampen, heette Hij hem welkom, onder het aanbieden van betelnoot en een koe. (23) Zorgvuldig de vuile en schamel geklede, uitgehongerde tweemaal geborene, wiens aderen konden worden gezien, koelte toewuivend met een yakstaart was de godin [Rukminî] persoonlijk van dienst. (24) De mensen in het paleis die Krishna smetteloos in Zijn glorie zagen, raakten hogelijkst verbaasd over de intense liefde waarmee de verschoppeling [de avadûta] werd geëerd: (25-26) 'Welke vrome daden heeft deze onreine, verstoten en lage bedelaar, verstoken van alle weelde in de wereld, wel niet verricht om met eerbied te worden bediend door de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden, het Verblijf van S'rî? Zittend op haar bed omhelsde Hij zonder nog acht te slaan op de godin hem als een oudere broer!'

(27) Elkaars handen vast grijpend, o Koning, bespraken ze de onderwerpen uit het verleden toen ze samen op school zaten bij hun geestelijk leraar [zie 10.45: 31-32]. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, nadat de goeroe zijn vergoeding van jou ontving, o kenner van het dharma, en je weer terugkwam, ben je toen met een geschikte vrouw getrouwd of niet? (29) Met je geest in beslag genomen door huishoudelijke zaken liet je je niet door begeerten voortdrijven, noch, zo weet Ik is waar, schep je er veel behagen in, o wijze, materieel geluk na te jagen. (30) Sommige mensen kwijten zich van hun wereldse verplichtingen, zonder in hun geesten verstoord te zijn door begeerten; net zoals Ik dat doe om een voorbeeld te stellen, schudden zij de materiële geneigdheden die zich van nature opwerpen van zich af. (31) Kan jij, o brahmaan, je nog herinneren dat we leefden in de gurukula, vanwaar een tweemaal geboren persoon, van kennis met wat moet worden geweten, dat wat ontstegen is aan de onwetendheid ervaart? (32) De eerste geboorte van iemand die tweemaal geboren is, mijn vriend, is dit materiële leven dat inderdaad onder het directe toezicht van een geestelijk leraar, de verlener van de geestelijke kennis die is als Ikzelf, wordt geheiligd [in een 'tweede geboorte'] door de plichten die hij onderricht voor alle afdelingen van het geestelijk leven [zie as'râma's en 7.12]. (33) Voorzeker zijn van hen betrokken bij het varnâs'rama systeem [zie ook B.G. 4.13] in deze wereld zij, o brahmaan, de experts van kennis in de ware welvaart die de oceaan van het materieel bestaan oversteken met behulp van de woorden van Mij als de geestelijk leraar. (34) Ik, de Ziel van Alle Levenden, ben niet zo tevreden met de rituele aanbidding, de brahmaanse inwijding, de verzaking of de zelfbeheersing als Ik ben met trouwe dienstverlening [vergelijk 7.14: 17]. (35-36) O brahmaan, herinner je je wat we, levend bij onze geestelijk leraar, deden toen we eens door de vrouw van onze goeroe eropuit werden gestuurd voor sprokkelhout? Na een groot bos te zijn ingelopen stak er, o tweemaal geborene, geheel tegen het seizoen in, een felle, zwaar bulderende wind met regen op. (37) Met de zon reeds onder overvallen door de duisternis kon met al het water om ons heen geen richting, hoog of laag gebied worden uitgemaakt. (38) Wij, onophoudelijk zwaar belaagd door de hevige wind en het water aldaar, waren in de overstroming niet in staat te bepalen in welke richting we ons moesten begeven en hielden toen, in nood door het bos dolend, elkaar bij de handen vast. (39) Dit wetende trof onze goeroe Sândipâni, als de âcârya bij zonsopkomst op zoek naar ons discipelen, ons aan in hoge nood: (40) 'Oh jullie kinderen, hoe zwaar hebben jullie moeten lijden terwille van ons; met minachting voor het lichaam dat inderdaad voor alle levende wezens het meest dierbare is, waren jullie mij toegewijd! (41) Voorzeker is enkel dit de waarheid weggelegd voor discipelen: om, volkomen zuiver in je liefde, de schuld in te lossen aan de goeroe met het aan de geestelijk leraar aanbieden van jezelf en je bezittingen. (42) Tevreden ben ik mijn besten, o besten der brahmanen, mogen jullie verlangens in vervulling gaan en moge in deze wereld zowel als de wereld hierna dat wat voortvloeit uit jullie aantrekking [jullie woorden, jullie mantra's] nimmer vergaan [vergelijk 10.45: 48]. (43) Er deden zich vele dingen als deze voor toen we leefden ten huize van de goeroe; het is enkel door de genade van de geestelijk leraar dat een persoon vervuld raakt in zijn zoektocht naar de vrede.'

(44) De brahmaan zei: 'Wat hebben we niet bereikt, o God der Goden, o Goeroe van het Universum, toen ik leefde bij onze goeroe thuis met Jou van wie alle verlangens in vervulling gaan. (45) O Almachtige in wiens lichaam, dat de vruchtbare akker vormt voor alle welstand, de lof [van de Veda's] wordt gevonden met betrekking tot de Absolute Waarheid; Jouw verblijven bij geestelijk leraren is geheel en al een imitatie [zie ook e.g. 10.69: 44 en 10.77: 30]!' 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Brâhmana Sudâmâ Visits Lord Krishna in Dvârakâ

 

Tekst 1

De achtenswaardige koning zei: 'Mijn heer, ik zou graag vernemen, o meester, welke heldendaden er nog meer zijn van Heer Krishna, de Opperziel van Onbegrensde Macht.

King Parîkchit said: My lord, O master, I wish to hear about other valorous deeds performed by the Supreme Personality of Godhead, Mukunda, whose valor is unlimited.

 

Tekst 2

Wie ook werkelijk, die moe materiële verlangens na te jagen weet heeft van de essentie, o brahmaan, kan daar van afzien, herhaaldelijk kennis genomen hebbend van de bovenzinnelijke onderwerpen van de Heer Geprezen in de Geschriften?

O brâhmana, how could anyone who knows the essence of life and is disgusted with endeavoring for sense gratification give up the transcendental topics of Lord Uttamahs'loka after hearing them repeatedly?

 

Tekst 3

De eigenlijke macht van het woord is de macht die Zijn kwaliteiten beschrijft, de handen zijn degene die Zijn werk doen, de geest is de geest die zich [Hem] herinnert verblijvend bij hen die zich rondbewegen en die niet-bewegen en wat luistert is het oor naar Zijn heiligende onderwerpen [vergelijk 2.3: 20-24].

Actual speech is that which describes the qualities of the Lord, real hands are those that work for Him, a true mind is that which always remembers Him dwelling within everything moving and nonmoving, and actual ears are those that listen to sanctifying topics about Him.

 

Tekst 4

Het is het hoofd dat buigt voor de manifestaties [bewegend/nietbewegend] van Hem, het is het oog inderdaad dat enkel Hem ziet en het zijn de ledematen welke regelmatig het water eren dat de voeten wast van Vishnu of Zijn toegewijden'."

An actual head is one that bows down to the Lord in His manifestations among the moving and nonmoving creatures, real eyes are those that see only the Lord, and actual limbs are those which regularly honor the water that has bathed the Lord's feet or those of His devotees.

 

Tekst 5:

Sûta [1.2: 1] zei: "Naar behoren ondervraagd door Vishnurâta [Parîkchit als zijnde door Vishnu gezonden] sprak de machtige wijze, de zoon van Vyâsa volledig opgegaan in Vâsudeva, naar zijn hart.

Suta Gosvâmî said: Thus questioned by King Vishnurâta, the powerful sage Bâdarâyani replied, his heart fully absorbed in meditation on the Supreme Personality of Godhead, Vâsudeva.

 

Tekst 6:

S'rî S'uka zei: 'Er was een zekere vriend van Krishna [genaamd Sudâmâ, 'goedgeefs', niet dezelfde als vermeld in 10.41: 43], een brahmaan goed thuis in de Veda's, die vreedzaam van geest en met zijn zinnen in bedwang onthecht van de zinsobjecten leefde.

S'ukadeva Gosvâmî said: Lord Krishna had a certain brâhmana friend [named Sudâmâ] who was most learned in Vedic knowledge and detached from all sense enjoyment. Furthermore, his mind was peaceful and his senses subdued.

     

Tekst 7:

Levend als een huishouder van wat zonder moeite voor handen was, was zijn vrouw, net als hij, armzalig gekleed en uitgemergeld van de honger.

Living as a householder, he maintained himself with whatever came of its own accord. The wife of that poorly dressed brâhmana suffered along with him and was emaciated from hunger.

 

 Tekst 8:

Met haar gezicht ingevallen, gebukt onder de armoe trillend op haar benen, benaderde ze, haar echtgenoot trouw, hem en zei:

The chaste wife of the poverty-stricken brâhmana once approached him, her face dried up because of her distress. Trembling with fear, she spoke as follows.

 

Tekst 9:

'Is het niet zo, o brahmaan, dat je vriend, o meester der toewijding, de Echtgenoot van S'rî Vol Mededogen voor de Brahmanen isen als de beste der Sâtvata's bereid is bescherming te bieden?

[Sudâmâ's wife said:] O brâhmana, isn't it true that the husband of the goddess of fortune is the personal friend of your exalted self? That greatest of Yâdavas, the Supreme Lord Krishna, is compassionate to brâhmanas and very willing to grant them His shelter.

  

Tekst 10

Benader Hem, o genadige van mij, en Hij, de Uiteindelijke Toevlucht der Geheiligden, zal weelde in overvloed brengen voor jou die het zo zwaar heeft met het onderhouden van zijn gezin.

O fortunate one, please approach Him, the real shelter of all saints. He will certainly give abundant wealth to such a suffering householder as you.

 

Tekst 11

Als de Heer van de Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's nu aanwezig in Dvârakâ, zelfs Zichzelf wegschenkt aan hij die zich de lotusvoeten herinnert van Hem, de Meester van het Universum; wat zou dat dan, voor hen die van aanbidding zijn, niet inhouden wat betreft het niet zo begeerlijke van economisch succes en zinnelijke bevrediging?'

Lord Krishna is now the ruler of the Bhoja's, Vrishnis and Andhakas and is staying at Dvârakâ. Since He gives even His own self to anyone who simply remembers His lotus feet, what doubt is there that He, the spiritual master of the universe, will bestow upon His sincere worshiper prosperity and material enjoyment, which are not even very desirable?

 

Tekst 12-13

De geschoolde ziel op deze manier telkens weer door zijn vrouw er uitvoerig toe verzocht dacht aldus: 'De aanblik van Uttamas'loka is waarlijk het hoogste dat men kan bereiken', en met het besluit genomen om te gaan vroeg hij haar: 'Is er iets in huis dat als een gift kan dienen mijn beste vrouw, geef het me dan alsjeblieft!'

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] When his wife thus repeatedly implored him in various ways, the brâhmana thought to himself, "To see Lord Krishna is indeed the greatest achievement in life." Thus he decided to go, but first he told her, "My good wife, if there is anything in the house I can bring as a gift, please give it to me."

 

Tekst 14

Vier handen vol gepelde en geroosterde rijst bij elkaar bedelend van de geschoolden, wikkelde ze die in een stuk stof en gaf ze dat als gift aan haar man mee.

Sudâmâ's wife begged four handfuls of flat rice from neighboring brâhmanas, tied up the rice in a torn piece of cloth and gave it to her husband as a present for Lord Krishna.

 

Tekst 15

Hij, de beste onder de geschoolden, het meenemend, ging naar Dvârakâ al denkend: 'Hoe moet nou ooit die ontmoeting van mij met Krishna plaats vinden?'

Taking the flat rice, the saintly brâhmana set off for Dvârakâ, all the while wondering "How will I be able to have Krishna's audience?"

    

 Tekst 16-17

Samen met [een paar andere] tweemaal geborenen drie poorten en drie wachtposten passerend, liep hij tussen de huizen van Acyuta's trouwe volgelingen, de Andaka's en de Vrishni's, waar men zich normaal niet kon begeven en voelde hij, met het betreden van een van de weelderige achttienduizend woningen van de koninginnen van de Heer [*], zich alsof hij de gelukzaligheid van de Zuivere Geest had bereikt.

The learned brâhmana, joined by some local brâhmanas, passed three guard stations and went through three gateways, and then he walked by the homes of Lord Krishna's faithful devotees, the Andhakas and Vrishnis, which ordinarily no one could do. He then entered one of the opulent palaces belonging to Lord Hari's sixteen thousand queens, and when he did so he felt as if he were attaining the bliss of liberation.

 

Tekst 18

Acyuta die op het bed van Zijn gemalin zat en hem van een afstand aan zag komen, kwam onmiddellijk overeind en trad naar voren om hem verheugd in Zijn armen te sluiten.

At that time Lord Acyuta was seated on His consort's bed. Spotting the brâhmana at some distance, the Lord immediately stood up, went forward to meet him and with great pleasure embraced him.

 

Tekst 19

De Lotusogige, in aanraking met het geheiligde en wijze lijf van Zijn beminde vriend, liet bovenmate in vervoering een paar tranen de vrije loop.

The lotus-eyed Supreme Lord felt intense ecstasy upon touching the body of His dear friend, the wise brâhmana, and thus He shed tears of love.

 

Tekst 20-22

Nadat Hij hem vervolgens op het bed liet plaats nemen kwam Hij voor de dag met wat zaken om Zijn vriend de eer te bewijzen en zijn voeten te wassen. Het water nam de Opperheer Aller Werelden op Zijn hoofd, o Koning, waarna de Zuiveraar hem insmeerde met goddelijk geurende sandelhoutpasta en aloe-hout [lignaloes or aguru]pasta en kunkuma. Blij Zijn vriend de eer bewijzend met geurige wierook en reeksen lampen, heette Hij hem welkom, onder het aanbieden van betelnoot en een koe.

Lord Krishna seated His friend Sudâmâ upon the bed. Then the Lord, who purifies the whole world, personally offered him various tokens of respect and washed his feet, O King, after which He sprinkled the water on His own head. He anointed him with divinely fragrant sandalwood, aguru and kunkuma pastes and happily worshiped him with aromatic incense and arrays of lamps. After finally offering him betel nut and the gift of a cow, He welcomed him with pleasing words.

 

Tekst 23

Zorgvuldig de vuile en schamel geklede, uitgehongerde tweemaal geborene, wiens aderen konden worden gezien, koelte toewuivend met een yakstaart was de godin [Rukminî] persoonlijk van dienst.

By fanning him with her câmara, the divine goddess of fortune personally served that poor brâhmana, whose clothing was torn and dirty and who was so thin that veins were visible all over his body.

   

Tekst 24

De mensen in het paleis die Krishna smetteloos in Zijn glorie zagen, raakten hogelijkst verbaasd over de intense liefde waarmee de verschoppeling [de avadûta] werd geëerd:

The people in the royal palace were astonished to see Krishna, the Lord of spotless glory, so lovingly honor this shabbily dressed brâhmana.

 

 Tekst 25-26

'Welke vrome daden heeft deze onreine, verstoten en lage bedelaar, verstoken van alle weelde in de wereld, wel niet verricht om met eerbied te worden bediend door de Geestelijk Leraar van de Drie Werelden, het Verblijf van S'rî? Zittend op haar bed omhelsde Hij zonder nog acht te slaan op de godin hem als een oudere broer!'

[The residents of the palace said:] What pious acts has this unkempt, impoverished brâhmana performed? People regard him as lowly and contemptible, yet the spiritual master of the three worlds, the abode of Goddess S'rî, is serving him reverently. Leaving the goddess of fortune sitting on her bed, the Lord has embraced this brâhmana as if he were an older brother.

 

 Tekst 27

Elkaars handen vast grijpend, o Koning, bespraken ze de onderwerpen uit het verleden toen ze samen op school zaten bij hun geestelijk leraar [zie 10.45: 31-32].

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Taking each other's hands, O King, Krishna and Sudâmâ talked pleasantly about how they once lived together in the school of their guru.

 

 Tekst 28

De Allerhoogste Heer zei: 'O brahmaan, nadat de goeroe zijn vergoeding van jou ontving, o kenner van het dharma, en je weer terugkwam, ben je toen met een geschikte vrouw getrouwd of niet?

The Supreme Lord said: My dear brâhmana, you know well the ways of dharma. After you offered the gift of remuneration to our guru and returned home from his school, did you marry a compatible wife or not?

 

 Tekst 29

Met je geest in beslag genomen door huishoudelijke zaken liet je je niet door begeerten voortdrijven, noch, zo weet Ik is waar, schep je er veel behagen in, o wijze, materieel geluk na te jagen.

Even though you are mostly involved in household affairs, your mind is not affected by material desires. Nor, O learned one, do you take much pleasure in the pursuit of material wealth. This I am well aware of.

 

 Tekst 30

Sommige mensen kwijten zich van hun wereldse verplichtingen, zonder in hun geesten verstoord te zijn door begeerten; net zoals Ik dat doe om een voorbeeld te stellen, schudden zij de materiële geneigdheden die zich van nature opwerpen van zich af.

Having renounced all material propensities, which spring from the Lord's illusory energy, some people execute worldly duties with their minds undisturbed by mundane desires. They act as I do, to instruct the general populace.

 

 Tekst 31

Kan jij, o brahmaan, je nog herinneren dat we leefden in de gurukula, vanwaar een tweemaal geboren persoon, van kennis met wat moet worden geweten, dat wat ontstegen is aan de onwetendheid ervaart?

My dear brâhmana, do you remember how we lived together in our spiritual master's school? When a twice-born student has learned from his guru all that is to be learned, he can enjoy spiritual life, which lies beyond all ignorance.

  

 Tekst 32

De eerste geboorte van iemand die tweemaal geboren is, mijn vriend, is dit materiële leven dat inderdaad onder het directe toezicht van een geestelijk leraar, de verlener van de geestelijke kennis die is als Ikzelf, wordt geheiligd [in een 'tweede geboorte'] door de plichten die hij onderricht voor alle afdelingen van het geestelijk leven [zie as'râma's en 7.12 ].

My dear friend, he who gives a person his physical birth is his first spiritual master, and he who initiates him as a twice-born brâhmana and engages him in religious duties is indeed more directly his spiritual master. But the person who bestows transcendental knowledge upon the members of all the spiritual orders of society is one's ultimate spiritual master. Indeed, he is as good as My own self.

  

 Tekst 33

Voorzeker zijn van hen betrokken bij het varnâs'rama systeem [zie ook B.G. 4.13] in deze wereld zij, o brahmaan, de experts van kennis in de ware welvaart die de oceaan van het materieel bestaan oversteken met behulp van de woorden van Mij als de geestelijk leraar.

Certainly, O brâhmana, of all the followers of the varnâs'rama system, those who take advantage of the words I speak in My form as the spiritual master and thus easily cross over the ocean of material existence best understand their own true welfare.

 

 Tekst 34

Ik, de Ziel van Alle Levenden, ben niet zo tevreden met de rituele aanbidding, de brahmaanse inwijding, de verzaking of de zelfbeheersing als Ik ben met trouwe dienstverlening [vergelijk 7.14: 17].

I, the Soul of all beings, am not as satisfied by ritual worship, brahminical initiation, penances or self-discipline as I am by faithful service rendered to one's spiritual master.

 

 Tekst 35-36

O brahmaan, herinner je je wat we, levend bij onze geestelijk leraar, deden toen we eens door de vrouw van onze goeroe eropuit werden gestuurd voor sprokkelhout? Na een groot bos te zijn ingelopen stak er, o tweemaal geborene, geheel tegen het seizoen in, een felle, zwaar bulderende wind met regen op.

O brâhmana, do you remember what happened to us while we were living with our spiritual master? Once our guru's wife sent us to fetch firewood, and after we entered the vast forest, O twice-born one, an unseasonal storm arose, with fierce wind and rain and harsh thunder.

 

 Tekst 37

Met de zon reeds onder overvallen door de duisternis kon met al het water om ons heen geen richting, hoog of laag gebied worden uitgemaakt.

Then, as the sun set, the forest was covered by darkness in every direction, and with all the flooding we could not distinguish high land from low.

 

 Tekst 38

Wij, onophoudelijk zwaar belaagd door de hevige wind en het water aldaar, waren in de overstroming niet in staat te bepalen in welke richting we ons moesten begeven en hielden toen, in nood door het bos dolend, elkaar bij de handen vast.

Constantly besieged by the powerful wind and rain, we lost our way amidst the flooding waters. We simply held each other's hands and, in great distress, wandered aimlessly about the forest.

 

 Tekst 39

Dit wetende trof onze goeroe Sândipâni, als de âcârya bij zonsopkomst op zoek naar ons discipelen, ons aan in hoge nood:

Our guru, Sândîpani, understanding our predicament, set out after sunrise to search for us, his disciples, and found us in distress.

 

 Tekst 40

'Oh jullie kinderen, hoe zwaar hebben jullie moeten lijden terwille van ons; met minachting voor het lichaam dat inderdaad voor alle levende wezens het meest dierbare is, waren jullie mij toegewijd!

[Sândîpani said:] O my children, you have suffered so much for my sake! The body is most dear to every living creature, but you are so dedicated to me that you completely disregarded your own comfort.

 

 Tekst 41

Voorzeker is enkel dit de waarheid weggelegd voor discipelen: om, volkomen zuiver in je liefde, de schuld in te lossen aan de goeroe met het aan de geestelijk leraar aanbieden van jezelf en je bezittingen.

This indeed is the duty of all true disciples: to repay the debt to their spiritual master by offering him, with pure hearts, their wealth and even their very lives.

 

 Tekst 42

Tevreden ben ik mijn besten, o besten der brahmanen, mogen jullie verlangens in vervulling gaan en moge in deze wereld zowel als de wereld hierna dat wat voortvloeit uit jullie aantrekking [jullie woorden, jullie mantra's] nimmer vergaan [vergelijk 10.45: 48].

You boys are first-class brâhmanas, and I am satisfied with you. May all your desires be fulfilled, and may the Vedic mantras you have learned never lose their meaning for you, in this world or the next.

 

 Tekst 43

Er deden zich vele dingen als deze voor toen we leefden ten huize van de goeroe; het is enkel door de genade van de geestelijk leraar dat een persoon vervuld raakt in zijn zoektocht naar de vrede.'

[Lord Krishna continued:] We had many similar experiences while living in our spiritual master's home. Simply by the grace of the spiritual master a person can fulfill life's purpose and attain eternal peace.

 

 Tekst 44

De brahmaan zei: 'Wat hebben we niet bereikt, o God der Goden, o Goeroe van het Universum, toen ik leefde bij onze goeroe thuis met Jou van wie alle verlangens in vervulling gaan.

The brâhmana said: What could I possibly have failed to achieve, O Lord of lords, O universal teacher, since I was able to personally live with You, whose every desire is fulfilled, at the home of our spiritual master?

 

 Tekst 45

O Almachtige in wiens lichaam, dat de vruchtbare akker vormt voor alle welstand, de lof [van de Veda's] wordt gevonden met betrekking tot de Absolute Waarheid; Jouw verblijven bij geestelijk leraren is geheel en al een imitatie [zie ook e.g. 10.69: 44 en 10.77: 30]!' 

O almighty Lord, Your body comprises the Absolute Truth in the form of the Vedas and is thus the source of all auspicious goals of life. That You took up residence at the school of a spiritual master is simply one of Your pastimes in which You play the role of a human being.

 

* S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî citeert uit de Padma Purâna, Uttara-khanda, die zegt dat de brahmaan in feite het paleis van Rukminî betrad: 'sa tu rukminy-antah-pura- dvâri kshanam tûshnîm sthitah'; 'Voor een ogenblik stond hij in stilte bij de ingang van koningin Rukminî's paleis'.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties