
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
The
Brâhmana Sudâmâ Visits Lord Krishna in
Dvârakâ
Tekst
1
De
achtenswaardige koning zei: 'Mijn heer, ik zou graag vernemen,
o meester, welke heldendaden er nog meer zijn van Heer Krishna,
de Opperziel van Onbegrensde Macht.
King
Parîkchit said: My lord, O master, I wish to hear
about other valorous deeds performed by the Supreme
Personality of Godhead, Mukunda, whose valor is
unlimited.
Tekst
2
Wie ook
werkelijk, die moe materiële verlangens na te jagen weet
heeft van de essentie, o brahmaan, kan daar van afzien,
herhaaldelijk kennis genomen hebbend van de bovenzinnelijke
onderwerpen van de Heer Geprezen in de
Geschriften?
O
brâhmana, how could anyone who knows the essence of
life and is disgusted with endeavoring for sense
gratification give up the transcendental topics of Lord
Uttamahs'loka after hearing them repeatedly?
Tekst
3
De eigenlijke
macht van het woord is de macht die Zijn kwaliteiten
beschrijft, de handen zijn degene die Zijn werk doen, de geest
is de geest die zich [Hem] herinnert verblijvend bij
hen die zich rondbewegen en die niet-bewegen en wat luistert is
het oor naar Zijn heiligende onderwerpen [vergelijk
2.3:
20-24].
Actual
speech is that which describes the qualities of the Lord,
real hands are those that work for Him, a true mind is that
which always remembers Him dwelling within everything moving
and nonmoving, and actual ears are those that listen to
sanctifying topics about Him.
Tekst
4
Het is het
hoofd dat buigt voor de manifestaties
[bewegend/nietbewegend] van Hem, het is het oog
inderdaad dat enkel Hem ziet en het zijn de ledematen welke
regelmatig het water eren dat de voeten wast van Vishnu of Zijn
toegewijden'."
An
actual head is one that bows down to the Lord in His
manifestations among the moving and nonmoving creatures,
real eyes are those that see only the Lord, and actual limbs
are those which regularly honor the water that has bathed
the Lord's feet or those of His devotees.
Tekst
5:
Sûta
[1.2:
1] zei:
"Naar behoren ondervraagd door Vishnurâta
[Parîkchit als zijnde door Vishnu gezonden] sprak
de machtige wijze, de zoon van Vyâsa volledig opgegaan in
Vâsudeva, naar zijn hart.
Suta
Gosvâmî said: Thus questioned by King
Vishnurâta, the powerful sage Bâdarâyani
replied, his heart fully absorbed in meditation on the
Supreme Personality of Godhead, Vâsudeva.
Tekst
6:
S'rî
S'uka zei: 'Er was een zekere vriend van Krishna [genaamd
Sudâmâ, 'goedgeefs', niet dezelfde als vermeld in
10.41:
43], een
brahmaan goed thuis in de Veda's, die vreedzaam van geest en
met zijn zinnen in bedwang onthecht van de zinsobjecten
leefde.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Lord Krishna had a certain
brâhmana friend [named Sudâmâ] who
was most learned in Vedic knowledge and detached from all
sense enjoyment. Furthermore, his mind was peaceful and his
senses subdued.
Tekst
7:
Levend als een
huishouder van wat zonder moeite voor handen was, was zijn
vrouw, net als hij, armzalig gekleed en uitgemergeld van de
honger.
Living
as a householder, he maintained himself with whatever came
of its own accord. The wife of that poorly dressed
brâhmana suffered along with him and was emaciated
from hunger.
Tekst
8:
Met haar
gezicht ingevallen, gebukt onder de armoe trillend op haar
benen, benaderde ze, haar echtgenoot trouw, hem en
zei:
The
chaste wife of the poverty-stricken brâhmana once
approached him, her face dried up because of her distress.
Trembling with fear, she spoke as follows.
Tekst
9:
'Is het niet
zo, o brahmaan, dat je vriend, o meester der toewijding, de
Echtgenoot van S'rî Vol Mededogen voor de Brahmanen isen
als de beste der Sâtvata's bereid is bescherming te
bieden?
[Sudâmâ's
wife said:] O brâhmana, isn't it true that the
husband of the goddess of fortune is the personal friend of
your exalted self? That greatest of Yâdavas, the
Supreme Lord Krishna, is compassionate to brâhmanas
and very willing to grant them His shelter.
Tekst
10
Benader Hem, o
genadige van mij, en Hij, de Uiteindelijke Toevlucht der
Geheiligden, zal weelde in overvloed brengen voor jou die het
zo zwaar heeft met het onderhouden van zijn
gezin.
O
fortunate one, please approach Him, the real shelter of all
saints. He will certainly give abundant wealth to such a
suffering householder as you.
Tekst
11
Als de Heer van
de Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's nu aanwezig in
Dvârakâ, zelfs Zichzelf wegschenkt aan hij die zich
de lotusvoeten herinnert van Hem, de Meester van het Universum;
wat zou dat dan, voor hen die van aanbidding zijn, niet
inhouden wat betreft het niet zo begeerlijke van economisch
succes en zinnelijke bevrediging?'
Lord
Krishna is now the ruler of the Bhoja's, Vrishnis and
Andhakas and is staying at Dvârakâ. Since He
gives even His own self to anyone who simply remembers His
lotus feet, what doubt is there that He, the spiritual
master of the universe, will bestow upon His sincere
worshiper prosperity and material enjoyment, which are not
even very desirable?
Tekst
12-13
De geschoolde
ziel op deze manier telkens weer door zijn vrouw er uitvoerig
toe verzocht dacht aldus: 'De aanblik van Uttamas'loka is
waarlijk het hoogste dat men kan bereiken', en met het besluit
genomen om te gaan vroeg hij haar: 'Is er iets in huis dat als
een gift kan dienen mijn beste vrouw, geef het me dan
alsjeblieft!'
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] When his wife thus
repeatedly implored him in various ways, the brâhmana
thought to himself, "To see Lord Krishna is indeed the
greatest achievement in life." Thus he decided to go, but
first he told her, "My good wife, if there is anything in
the house I can bring as a gift, please give it to
me."
Tekst
14
Vier handen vol
gepelde en geroosterde rijst bij elkaar bedelend van de
geschoolden, wikkelde ze die in een stuk stof en gaf ze dat als
gift aan haar man mee.
Sudâmâ's
wife begged four handfuls of flat rice from neighboring
brâhmanas, tied up the rice in a torn piece of cloth
and gave it to her husband as a present for Lord
Krishna.
Tekst
15
Hij, de beste
onder de geschoolden, het meenemend, ging naar
Dvârakâ al denkend: 'Hoe moet nou ooit die
ontmoeting van mij met Krishna plaats vinden?'
Taking
the flat rice, the saintly brâhmana set off for
Dvârakâ, all the while wondering "How will I be
able to have Krishna's audience?"
Tekst
16-17
Samen met
[een paar andere] tweemaal geborenen drie poorten en
drie wachtposten passerend, liep hij tussen de huizen van
Acyuta's trouwe volgelingen, de Andaka's en de Vrishni's, waar
men zich normaal niet kon begeven en voelde hij, met het
betreden van een van de weelderige achttienduizend woningen van
de koninginnen van de Heer [*],
zich alsof hij de gelukzaligheid van de Zuivere Geest had
bereikt.
The
learned brâhmana, joined by some local
brâhmanas, passed three guard stations and went
through three gateways, and then he walked by the homes of
Lord Krishna's faithful devotees, the Andhakas and Vrishnis,
which ordinarily no one could do. He then entered one of the
opulent palaces belonging to Lord Hari's sixteen thousand
queens, and when he did so he felt as if he were attaining
the bliss of liberation.
Tekst
18
Acyuta die op
het bed van Zijn gemalin zat en hem van een afstand aan zag
komen, kwam onmiddellijk overeind en trad naar voren om hem
verheugd in Zijn armen te sluiten.
At
that time Lord Acyuta was seated on His consort's bed.
Spotting the brâhmana at some distance, the Lord
immediately stood up, went forward to meet him and with
great pleasure embraced him.
Tekst
19
De Lotusogige,
in aanraking met het geheiligde en wijze lijf van Zijn beminde
vriend, liet bovenmate in vervoering een paar tranen de vrije
loop.
The
lotus-eyed Supreme Lord felt intense ecstasy upon touching
the body of His dear friend, the wise brâhmana, and
thus He shed tears of love.
Tekst
20-22
Nadat Hij hem
vervolgens op het bed liet plaats nemen kwam Hij voor de dag
met wat zaken om Zijn vriend de eer te bewijzen en zijn voeten
te wassen. Het water nam de Opperheer Aller Werelden op Zijn
hoofd, o Koning, waarna de Zuiveraar hem insmeerde met
goddelijk geurende sandelhoutpasta en aloe-hout [lignaloes
or aguru]pasta en kunkuma. Blij Zijn vriend de eer
bewijzend met geurige wierook en reeksen lampen, heette Hij hem
welkom, onder het aanbieden van betelnoot en een
koe.
Lord
Krishna seated His friend Sudâmâ upon the bed.
Then the Lord, who purifies the whole world, personally
offered him various tokens of respect and washed his feet, O
King, after which He sprinkled the water on His own head. He
anointed him with divinely fragrant sandalwood, aguru and
kunkuma pastes and happily worshiped him with aromatic
incense and arrays of lamps. After finally offering him
betel nut and the gift of a cow, He welcomed him with
pleasing words.
Tekst
23
Zorgvuldig de
vuile en schamel geklede, uitgehongerde tweemaal geborene,
wiens aderen konden worden gezien, koelte toewuivend met een
yakstaart was de godin [Rukminî] persoonlijk van
dienst.
By
fanning him with her câmara, the divine goddess of
fortune personally served that poor brâhmana, whose
clothing was torn and dirty and who was so thin that veins
were visible all over his body.
Tekst
24
De mensen in
het paleis die Krishna smetteloos in Zijn glorie zagen, raakten
hogelijkst verbaasd over de intense liefde waarmee de
verschoppeling [de avadûta] werd geëerd:
The
people in the royal palace were astonished to see Krishna,
the Lord of spotless glory, so lovingly honor this shabbily
dressed brâhmana.
Tekst
25-26
'Welke vrome
daden heeft deze onreine, verstoten en lage bedelaar, verstoken
van alle weelde in de wereld, wel niet verricht om met eerbied
te worden bediend door de Geestelijk Leraar van de Drie
Werelden, het Verblijf van S'rî? Zittend op haar bed
omhelsde Hij zonder nog acht te slaan op de godin hem als een
oudere broer!'
[The
residents of the palace said:] What pious acts has this
unkempt, impoverished brâhmana performed? People
regard him as lowly and contemptible, yet the spiritual
master of the three worlds, the abode of Goddess S'rî,
is serving him reverently. Leaving the goddess of fortune
sitting on her bed, the Lord has embraced this
brâhmana as if he were an older brother.
Tekst
27
Elkaars handen
vast grijpend, o Koning, bespraken ze de onderwerpen uit het
verleden toen ze samen op school zaten bij hun geestelijk
leraar [zie 10.45:
31-32].
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Taking each other's
hands, O King, Krishna and Sudâmâ talked
pleasantly about how they once lived together in the school
of their guru.
Tekst
28
De Allerhoogste
Heer zei: 'O brahmaan, nadat de goeroe zijn vergoeding van jou
ontving, o kenner van het dharma, en je weer terugkwam, ben je
toen met een geschikte vrouw getrouwd of niet?
The
Supreme Lord said: My dear brâhmana, you know well the
ways of dharma. After you offered the gift of remuneration
to our guru and returned home from his school, did you marry
a compatible wife or not?
Tekst
29
Met je geest in
beslag genomen door huishoudelijke zaken liet je je niet door
begeerten voortdrijven, noch, zo weet Ik is waar, schep je er
veel behagen in, o wijze, materieel geluk na te jagen.
Even
though you are mostly involved in household affairs, your
mind is not affected by material desires. Nor, O learned
one, do you take much pleasure in the pursuit of material
wealth. This I am well aware of.
Tekst
30
Sommige mensen
kwijten zich van hun wereldse verplichtingen, zonder in hun
geesten verstoord te zijn door begeerten; net zoals Ik dat doe
om een voorbeeld te stellen, schudden zij de materiële
geneigdheden die zich van nature opwerpen van zich af.
Having
renounced all material propensities, which spring from the
Lord's illusory energy, some people execute worldly duties
with their minds undisturbed by mundane desires. They act as
I do, to instruct the general populace.
Tekst
31
Kan jij, o
brahmaan, je nog herinneren dat we leefden in de
gurukula,
vanwaar een tweemaal geboren persoon, van kennis met wat moet
worden geweten, dat wat ontstegen is aan de onwetendheid
ervaart?
My
dear brâhmana, do you remember how we lived together
in our spiritual master's school? When a twice-born student
has learned from his guru all that is to be learned, he can
enjoy spiritual life, which lies beyond all
ignorance.
Tekst
32
De eerste
geboorte van iemand die tweemaal geboren is, mijn vriend, is
dit materiële leven dat inderdaad onder het directe
toezicht van een geestelijk leraar, de verlener van de
geestelijke kennis die is als Ikzelf, wordt geheiligd [in
een 'tweede geboorte'] door de plichten die hij onderricht
voor alle afdelingen van het geestelijk leven [zie
as'râma's
en 7.12
].
My
dear friend, he who gives a person his physical birth is his
first spiritual master, and he who initiates him as a
twice-born brâhmana and engages him in religious
duties is indeed more directly his spiritual master. But the
person who bestows transcendental knowledge upon the members
of all the spiritual orders of society is one's ultimate
spiritual master. Indeed, he is as good as My own
self.
Tekst
33
Voorzeker zijn
van hen betrokken bij het varnâs'rama
systeem [zie ook B.G.
4.13] in
deze wereld zij, o brahmaan, de experts van kennis in de ware
welvaart die de oceaan van het materieel bestaan oversteken met
behulp van de woorden van Mij als de geestelijk
leraar.
Certainly,
O brâhmana, of all the followers of the
varnâs'rama system, those who take advantage of the
words I speak in My form as the spiritual master and thus
easily cross over the ocean of material existence best
understand their own true welfare.
Tekst
34
Ik, de Ziel van
Alle Levenden, ben niet zo tevreden met de rituele aanbidding,
de brahmaanse inwijding, de verzaking of de zelfbeheersing als
Ik ben met trouwe dienstverlening [vergelijk
7.14:
17].
I,
the Soul of all beings, am not as satisfied by ritual
worship, brahminical initiation, penances or self-discipline
as I am by faithful service rendered to one's spiritual
master.
Tekst
35-36
O brahmaan,
herinner je je wat we, levend bij onze geestelijk leraar, deden
toen we eens door de vrouw van onze goeroe eropuit werden
gestuurd voor sprokkelhout? Na een groot bos te zijn ingelopen
stak er, o tweemaal geborene, geheel tegen het seizoen in, een
felle, zwaar bulderende wind met regen op.
O
brâhmana, do you remember what happened to us while we
were living with our spiritual master? Once our guru's wife
sent us to fetch firewood, and after we entered the vast
forest, O twice-born one, an unseasonal storm arose, with
fierce wind and rain and harsh thunder.
Tekst
37
Met de zon
reeds onder overvallen door de duisternis kon met al het water
om ons heen geen richting, hoog of laag gebied worden
uitgemaakt.
Then,
as the sun set, the forest was covered by darkness in every
direction, and with all the flooding we could not
distinguish high land from low.
Tekst
38
Wij,
onophoudelijk zwaar belaagd door de hevige wind en het water
aldaar, waren in de overstroming niet in staat te bepalen in
welke richting we ons moesten begeven en hielden toen, in nood
door het bos dolend, elkaar bij de handen vast.
Constantly
besieged by the powerful wind and rain, we lost our way
amidst the flooding waters. We simply held each other's
hands and, in great distress, wandered aimlessly about the
forest.
Tekst
39
Dit wetende
trof onze goeroe Sândipâni, als de
âcârya bij zonsopkomst op zoek naar ons discipelen,
ons aan in hoge nood:
Our
guru, Sândîpani, understanding our predicament,
set out after sunrise to search for us, his disciples, and
found us in distress.
Tekst
40
'Oh jullie
kinderen, hoe zwaar hebben jullie moeten lijden terwille van
ons; met minachting voor het lichaam dat inderdaad voor alle
levende wezens het meest dierbare is, waren jullie mij
toegewijd!
[Sândîpani
said:] O my children, you have suffered so much for my
sake! The body is most dear to every living creature, but
you are so dedicated to me that you completely disregarded
your own comfort.
Tekst
41
Voorzeker is
enkel dit de waarheid weggelegd voor discipelen: om, volkomen
zuiver in je liefde, de schuld in te lossen aan de goeroe met
het aan de geestelijk leraar aanbieden van jezelf en je
bezittingen.
This
indeed is the duty of all true disciples: to repay the debt
to their spiritual master by offering him, with pure hearts,
their wealth and even their very lives.
Tekst
42
Tevreden ben ik
mijn besten, o besten der brahmanen, mogen jullie verlangens in
vervulling gaan en moge in deze wereld zowel als de wereld
hierna dat wat voortvloeit uit jullie aantrekking [jullie
woorden, jullie mantra's] nimmer vergaan [vergelijk
10.45:
48].
You
boys are first-class brâhmanas, and I am satisfied
with you. May all your desires be fulfilled, and may the
Vedic mantras you have learned never lose their meaning for
you, in this world or the next.
Tekst
43
Er deden zich
vele dingen als deze voor toen we leefden ten huize van de
goeroe; het is enkel door de genade van de geestelijk leraar
dat een persoon vervuld raakt in zijn zoektocht naar de vrede.'
[Lord
Krishna continued:] We had many similar experiences
while living in our spiritual master's home. Simply by the
grace of the spiritual master a person can fulfill life's
purpose and attain eternal peace.
Tekst
44
De brahmaan
zei: 'Wat hebben we niet bereikt, o God der Goden, o Goeroe van
het Universum, toen ik leefde bij onze goeroe thuis met Jou van
wie alle verlangens in vervulling gaan.
The
brâhmana said: What could I possibly have failed to
achieve, O Lord of lords, O universal teacher, since I was
able to personally live with You, whose every desire is
fulfilled, at the home of our spiritual master?
Tekst
45
O Almachtige in
wiens lichaam, dat de vruchtbare akker vormt voor alle
welstand, de lof [van de Veda's] wordt gevonden met
betrekking tot de Absolute Waarheid; Jouw verblijven bij
geestelijk leraren is geheel en al een imitatie [zie ook
e.g. 10.69:
44 en
10.77:
30]!'
O
almighty Lord, Your body comprises the Absolute Truth in the
form of the Vedas and is thus the source of all auspicious
goals of life. That You took up residence at the school of a
spiritual master is simply one of Your pastimes in which You
play the role of a human being.
*
S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî citeert uit de
Padma Purâna, Uttara-khanda, die zegt dat de brahmaan in
feite het paleis van Rukminî betrad: 'sa tu
rukminy-antah-pura- dvâri kshanam tûshnîm
sthitah'; 'Voor een ogenblik stond hij in stilte bij de ingang
van koningin Rukminî's paleis'.
