Hoofdstuk 55: De
Geschiedenis van Pradyumna
(1)
S'rî
S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van
Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd
verbrand, was, teneinde een nieuw lichaam te verkrijgen, naar
Hem teruggekeerd [zie ook 3.1:
28 en
8.10:
32-34 en
B.G.
10.28].
(2)
Hij, uit het zaad van Krishna verwekt in de dochter van de
koning van Vidarbha [Rukminî], stond aldus bekend
als Pradyumna ['de
machtige boven alle anderen',
zie ook vyûha]
en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader.
(3)
S'ambara ['de goochelaar' zie 7.2:
4-5, 10.36:
36], die naar
believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het kind
dat nog geen tien dagen oud was. In de wetenschap dat Hij zijn
vijand was, gooide hij Hem in zee en keerde toen naar huis
terug. (4)
Pradyumna werd opgeslokt door een grote vis die tezamen met
anderen gevangen in een groot net werd meegenomen door vissers.
(5)
De vissers boden die wonderlijke vis aan S'ambara aan die het
geschenk naar de koks stuurde die het in de keuken opengesneden
met een mes.
(6)
Het kind in de buik aangetroffen werd aan
Mâyâvatî gegeven aan wie, verbijsterd als ze
was, Nârada uitleg verschafte over de geboorte van het
kind en hoe het was beland in de buik van de vis.
(7-8)
Zij, die door S'ambara was aangesteld om rijst en groenten
klaar te maken, was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd
Rati die [na bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar
S'ambara was gestuurd en daar] wachtte tot haar verbrande
echtgenoo een nieuw lichaam had verworven. Inziend dat het kind
Kâmadeva was ontwikkelde ze genegenheid voor het kind.
(9)
Niet zo lang daarna vormde Hij, de zoon van Krishna, tot een
jongeling uitgegroeid, een grote bekoring voor de vrouwen die
hem zagen. (10)
Mijn beste, vol van liefde benaderde zij met een bedeesde
glimlach, geheven wenkbrauwen en blikken en gebaren van sexuele
aantrekking Hem, haar echtgenoot, de mooiste die er in de
samenleving te vinden was met Zijn lange armen en ogen die de
vorm hadden van een lotusblaadje. (11)
Tot haar zei de Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder
in uw houding u afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u
de gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te
buiten.'
(12)
Rati
gaf ten antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana
die van thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je
wettige echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester!
(13)
Jij nog geen tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara,
in de oceaan geworpen alwaar een vis Je verslond uit de buik
waarvan we Jou toen hier zagen verschijnen o meester!
(14)
AlsJeblieft, maak een eind aan die moeilijk te benaderen en
lastig te verslane vijand van Je die honderden van
toverformules kent; dat kan Je lukken met behulp van de
begoocheling der magie en zo! (15)
Je arme moeder met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als
een koe zonder haar kalf, is overweldigd als ze is door liefde
voor haar kind aan het huilen als een visarend.'
(16)
Zich
aldus uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel
Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ
['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt
aan alle begoochelende bezweringen. (17)
Toen Hij daarop S'ambara benaderde om te vechten, beschimpte
Hij hem met ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te
lokken. (18)
Hij beledigd door de krasse termen kwam woest met ogen rood als
koper, als was hij een slang geraakt door een voet, op Hem af
met een knots in zijn hand. (19)
Hard ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar
Pradyumna de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo
hard als dat van een blikseminslag. (20)
Die werd in zijn vlucht door de Opperheer met Zijn knots
weggeslagen, o Koning, waarop Hij vertoornd Zijn eigen knots
naar Zijn vijand slingerde. (21)
Hij, de demon, zijn toevlucht nemend tot de daitya magie
die hij had opgestoken van Maya Dânava, liet van boven
uit de hemel een stortvloed van wapens neerdalen over de zoon
van Krishna [vergelijk: 3.19:
20].
(22)
Geplaagd door de regen van wapentuig wendde de machtige
strijder, de zoon van Rukminî, de grote bezweringsformule
aan die wortelend in goedheid alle magie te boven gaat.
(23)
De demon zette toen honderden van wapens in die behoorden tot
Kuvera's schatbewaarders [Guhyaka's], de zangers van de
hemel [Gandharva's], de reuzen
[Pis'âca's], de hemelslangen [Uraga's] en
de menseneters [Râkshasa's], maar de zoon van
Krishna haalde ze allen naar beneden. (24)
Zijn scherpgeslepen zwaard trekkend scheidde Hij met een
gewelddadige slag S'ambara's hoofd, compleet met zijn helm,
oorringen en rode snor, van zijn romp. (25)
Door de goden vol lof van boven bestrooid met een regen aan
bloemen, werd Hij door Zijn vrouw reizend door de lucht naar de
stad [Dvârakâ] gebracht. (26)
De binnenruimten van het paleis zo zeer verfijnd, o Koning, en
bevolkt met vele honderden vrouwen betrad Hij met Zijn vrouw
vanuit de lucht aankomend als een wolk samen met de bliksem.
(27-28)
Hem ziend, donker als een regenwolk, gekleed in gele zijde, met
lange armen, roze oogwit, een aangename glimlach, Zijn
charmante voorkomen; Zijn fraai opgesierde lotusgelijke gezicht
en de blauwzwarte krullende lokken, raakten de vrouwen, Hem
voor Krishna houdend, bedeesd en gingen ze er vandoor om zich
her en der te verbergen. (29)
Geleidelijk aan bemerkten de dames kleine verschillen in Zijn
uiterlijk en kwamen ze verrukt en verrast af op Hem en
[Rati,] dat juweel onder de vrouwen. (30)
De borsten van de zoetgevooisde en donkerogige Rukminî,
zich haar verloren zoon herinnerend, vloeiden toen ter plekke
van de genegenheid.
(31)
[Zij
dacht:] 'Wie zou dit sieraad onder de mannen wel niet zijn,
wiens zoon is Hij en welke lotusogige vrouw heeft Hem in haar
schoot gedragen, en daarenboven, wie is deze vrouw die Hij voor
Zich won? (32)
Als mijn zoon verdwenen uit de kinderkamer nog ergens in leven
zou zijn, zou Hij van dezelfde leeftijd en verschijning zijn!
(33)
Hoe kan Hij van hetzelfde voorkomen zijn, van dezelfde gang,
leden, stem, glimlach en blik als die van Hem die S'ârnga
hanteert [Krishna's boog]? (34)
Gezien mijn grote genegenheid voor Hem en gelet op het trillen
in mijn linker arm, is Hij zonder twijfel - Hij moet het zijn -
het kind dat ik in mijn schoot gedragen heb!'
(35)
Terwijl
de dochter van de koning van Vidarbha zich dit zo afvroeg
arriveerde de Heer Geprezen in de Geschriften aldaar tezamen
met Devakî en Ânakadundhubi.
(36)
Alhoewel de Allerhoogste Heer van de zaak op de hoogte was
hield Hij, Janârdana, zich stil; het was Nârada die
verslag deed van alles, beginnende met de ontvoering door
S'ambara. (37)
De vrouwen van Krishna's paleis die over dat grote wonder
vernamen juichten toen in extase om Hem te verwelkomen die zo
vele jaren verloren was gewaand als betrof het iemand die uit
de dood was opgestaan. (38)
Devakî, Vasudeva, Krishna, Balarâma alsook de
vrouwen en Rukminî omhelsden het paar en vierden feest.
(39)
De inwoners van Dvârakâ verklaarden toen ze
vernamen dat Pradyumna die verloren was gegaan teruggekomen: 'O
Voorzienigheid, het kind dat we dood waanden is werkelijk
teruggekeerd!'
(40)
Het
was helemaal niet zo verwonderlijk dat zij, die constant
moesten denken aan de gelijkenis met Zijn Vader hun meester,
als Zijn moeders in het volle van hun aantrekking terugdeinsden
uit respect voor Hem. Als Hij hen al voor ogen stond als het
evenbeeld van de Toevlucht van de Godin van het Fortuin Zijn
Gedaante, als Cupido de God van de Liefde in eigen persoon, wat
zou men dan kunnen verwachten van andere vrouwen?'

Tweede editie,
geladen 11 september 2008

Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschukbaar):
The
History of Pradyumna
Tekst
1
S'rî
S'uka zei: 'Cupido [Kâmadeva], een expansie van
Vâsudeva die voorheen door de woede van Rudra werd
verbrand, was, teneinde een nieuw lichaam te verkrijgen, naar
Hem teruggekeerd [zie ook 3.1:
28 en
8.10:
32-34 en
B.G.
10.28].
S'ukadeva
Gosvâmî said: Kâmadeva [Cupid], an
expansion of Vâsudeva, had previously been burned to
ashes by Rudra's anger. Now, to obtain a new body, he merged
back into the body of Lord Vâsudeva. (Vedabase)
Tekst
2
Hij, uit het
zaad van Krishna verwekt in de dochter van de koning van
Vidarbha [Rukminî], stond aldus bekend als
Pradyumna ['de
machtige boven alle anderen',
zie ook vyûha]
en deed in geen enkel opzicht onder voor Zijn Vader.
He
took birth in the womb of Vaidarbhî from the seed of
Lord Krishna and received the name Pradyumna. In no respect
was He inferior to His father. (Vedabase)
Tekst
3
S'ambara
['de goochelaar' zie 7.2:
4-5,
10.36:
36], die
naar believen gedaanten kon aannemen, ging er vandoor met het
kind dat nog geen tien dagen oud was. In de wetenschap dat Hij
zijn vijand was, gooide hij Hem in zee en keerde toen naar huis
terug.
The
demon S'ambara, who could assume any form he desired,
kidnapped the infant before He was even ten days old.
Understanding Pradyumna to be his enemy, S'ambara threw Him
into the sea and then returned home. (Vedabase)
Tekst
4
Pradyumna werd
opgeslokt door een grote vis die tezamen met anderen gevangen
in een groot net werd meegenomen door vissers.
A
powerful fish swallowed Pradyumna, and this fish, along with
others, was caught in a huge net and seized by fishermen.
(Vedabase)
Tekst
5
De vissers
boden die wonderlijke vis aan S'ambara aan die het geschenk
naar de koks stuurde die het in de keuken opengesneden met een
mes.
The
fishermen presented that extraordinary fish to S'ambara, who
had his cooks bring it to the kitchen, where they began
cutting it up with a butcher knife. (Vedabase)
Tekst
6
Het kind in de
buik aangetroffen werd aan Mâyâvatî gegeven
aan wie, verbijsterd als ze was, Nârada uitleg verschafte
over de geboorte van het kind en hoe het was beland in de buik
van de vis.
Seeing
a male child in the belly of the fish, the cooks gave the
infant to Mâyâvatî, who was astonished.
Nârada Muni then appeared and explained to her
everything about the child's birth and His entering the
fish's abdomen. (Vedabase)
Tekst
7-8
Zij, die door
S'ambara was aangesteld om rijst en groenten klaar te maken,
was in feite Cupido's beroemde vrouw genaamd Rati die [na
bij Heer S'iva te hebben gesmeekt naar S'ambara was gestuurd en
daar] wachtte tot haar verbrande echtgenoo een nieuw
lichaam had verworven. Inziend dat het kind Kâmadeva was
ontwikkelde ze genegenheid voor het kind.
Mâyâvatî
was in fact Cupid's renowned wife, Rati. While waiting for
her husband to obtain a new body - his previous one having
been burnt up - she had been assigned by S'ambara to prepare
vegetables and rice. Mâyâvatî understood
that this infant was actually Kâmadeva, and thus she
began to feel love for Him. (Vedabase)
Tekst
9
Niet zo lang
daarna vormde Hij, de zoon van Krishna, tot een jongeling
uitgegroeid, een grote bekoring voor de vrouwen die hem
zagen.
After
a short time, this son of Krishna - Pradyumna - attained His
full youth. He enchanted all women who gazed upon Him.
(Vedabase)
Tekst
10
Mijn beste, vol
van liefde benaderde zij met een bedeesde glimlach, geheven
wenkbrauwen en blikken en gebaren van sexuele aantrekking Hem,
haar echtgenoot, de mooiste die er in de samenleving te vinden
was met Zijn lange armen en ogen die de vorm hadden van een
lotusblaadje.
My
dear King, with a bashful smile and raised eyebrows,
Mâyâvatî exhibited various gestures of
conjugal attraction as she lovingly approached her husband,
whose eyes were broad like the petals of a lotus, whose arms
were very long and who was the most beautiful of men.
(Vedabase)
Tekst
11
Tot haar zei de
Opperheer als Krishna's eigen zoon: 'O moeder in uw houding u
afwijkend opstellend als een vriendin, gaat u de
gemoedsgesteldheid van de moederlijke genegenheid te buiten.'
Lord
Pradyumna told her, "O mother, your attitude has changed.
You are overstepping the proper feelings of a mother and
behaving like a lover." (Vedabase)
Tekst
12
Rati gaf ten
antwoord: 'Jij bent de zoon van Nârâyana die van
thuis werd weggestolen door S'ambara en ik ben Je wettige
echtgenote Rati, o Cupido mijn Meester!
Rati
said: You are the son of Lord Nârâyana and were
kidnapped from Your parents' home by S'ambara. I, Rati, am
Your legitimate wife, O master, because You are Cupid.
(Vedabase)
Tekst
13
Jij nog geen
tien dagen oud werd door hem, die demon S'ambara, in de oceaan
geworpen alwaar een vis Je verslond uit de buik waarvan we Jou
toen hier zagen verschijnen o meester!
That
demon, S'ambara, threw You into the sea when You were not
even ten days old, and a fish swallowed You. Then in this
very place we recovered You from the fish's abdomen, O
master. (Vedabase)
Tekst
14
AlsJeblieft,
maak een eind aan die moeilijk te benaderen en lastig te
verslane vijand van Je die honderden van toverformules kent;
dat kan Je lukken met behulp van de begoocheling der magie en
zo!
Now
kill this dreadful S'ambara, Your formidable enemy. Although
he knows hundreds of magic spells, You can defeat him with
bewildering magic and other techniques. (Vedabase)
Tekst
15
Je arme moeder
met haar zoon verdwenen, zielig in tranen als een koe zonder
haar kalf, is overweldigd als ze is door liefde voor haar kind
aan het huilen als een visarend.'
Your
poor mother, having lost her son, cries for You like a
kurarî bird. She is overwhelmed with love for her
child, just like a cow that has lost its calf.
(Vedabase)
Tekst
16
Zich aldus
uitlatend gaf Mâyâvatî die grote ziel
Pradyumna de mystieke kennis van Mahâmâyâ
['de grote verbijsterende macht'] die een einde maakt
aan alle begoochelende bezweringen.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Speaking thus,
Mâyâvatî gave to the great soul Pradyumna
the mystic knowledge called Mahâmâyâ,
which vanquishes all other deluding spells.
(Vedabase)
Tekst
17
Toen Hij daarop
S'ambara benaderde om te vechten, beschimpte Hij hem met
ondraaglijke beledigingen om een gevecht uit te
lokken.
Pradyumna
approached S'ambara and called him to battle, hurling
intolerable insults at him to foment a conflict.
(Vedabase)
Tekst
18
Hij beledigd
door de krasse termen kwam woest met ogen rood als koper, als
was hij een slang geraakt door een voet, op Hem af met een
knots in zijn hand.
Offended
by these harsh words, S'ambara became as agitated as a
kicked snake. He came out, club in hand, his eyes red with
rage. (Vedabase)
Tekst
19
Hard
ronddraaiend met zijn strijdknots wierp hij die naar Pradyumna
de Grote Ziel, daarmee een geluid voortbrengend zo hard als dat
van een blikseminslag.
S'ambara
whirled his club swiftly about and then hurled it at the
wise Pradyumna, producing a sound as sharp as a thunder
crack. (Vedabase)
Tekst
20
Die werd in
zijn vlucht door de Opperheer met Zijn knots weggeslagen, o
Koning, waarop Hij vertoornd Zijn eigen knots naar Zijn vijand
slingerde.
As
S'ambara's club came flying toward Him, Lord Pradyumna
knocked it away with His own. Then, O King, Pradyumna
angrily threw His club at the enemy. (Vedabase)
Tekst
21
Hij, de demon,
zijn toevlucht nemend tot de daitya magie die hij had
opgestoken van Maya Dânava, liet van boven uit de hemel
een stortvloed van wapens neerdalen over de zoon van Krishna
[vergelijk: 3.19:
20].
Resorting
to the black magic of the Daityas taught to him by Maya
Dânava, S'ambara suddenly appeared in the sky and
released a downpour of weapons upon Krishna's son.
(Vedabase)
Tekst
22
Geplaagd door
de regen van wapentuig wendde de machtige strijder, de zoon van
Rukminî, de grote bezweringsformule aan die wortelend in
goedheid alle magie te boven gaat.
Harassed
by this rain of weapons, Lord Raukmineya, the greatly
powerful warrior, made use of the mystic science called
Mahâ-mâyâ, which was created from the mode
of goodness and which could defeat all other mystic power.
(Vedabase)
Tekst
23
De demon zette
toen honderden van wapens in die behoorden tot Kuvera's
schatbewaarders [Guhyaka's], de zangers van de hemel
[Gandharva's], de reuzen [Pis'âca's], de
hemelslangen [Uraga's] en de menseneters
[Râkshasa's], maar de zoon van Krishna haalde ze
allen naar beneden.
The
demon then unleashed hundreds of mystic weapons belonging to
the Guhyakas, Gandharvas, Pis'âcas, Uragas and
Râkshasas, but Lord Kârshni, Pradyumna, struck
them all down. (Vedabase)
Tekst
24
Zijn
scherpgeslepen zwaard trekkend scheidde Hij met een
gewelddadige slag S'ambara's hoofd, compleet met zijn helm,
oorringen en rode snor, van zijn romp.
Drawing
His sharp-edged sword, Pradyumna forcefully cut off
S'ambara's head, complete with red mustache, helmet and
earrings. (Vedabase)
Tekst
25
Door de goden
vol lof van boven bestrooid met een regen aan bloemen, werd Hij
door Zijn vrouw reizend door de lucht naar de stad
[Dvârakâ] gebracht.
As
the residents of the higher planets showered Pradyumna with
flowers and chanted His praises, His wife appeared in the
sky and transported Him through the heavens, back to the
city of Dvârakâ. (Vedabase)
Tekst
26
De
binnenruimten van het paleis zo zeer verfijnd, o Koning, en
bevolkt met vele honderden vrouwen betrad Hij met Zijn vrouw
vanuit de lucht aankomend als een wolk samen met de
bliksem.
O
King, Lord Pradyumna and His wife resembled a cloud
accompanied by lightning as they descended from the sky into
the inner quarters of Krishna's most excellent palace, which
were crowded with lovely women. (Vedabase)
Tekst
27-28
Hem ziend,
donker als een regenwolk, gekleed in gele zijde, met lange
armen, roze oogwit, een aangename glimlach, Zijn charmante
voorkomen; Zijn fraai opgesierde lotusgelijke gezicht en de
blauwzwarte krullende lokken, raakten de vrouwen, Hem voor
Krishna houdend, bedeesd en gingen ze er vandoor om zich her en
der te verbergen.
The
women of the palace thought He was Lord Krishna when they
saw His dark-blue complexion the color of a rain cloud, His
yellow silk garments, His long arms and red-tinged eyes, His
charming lotus face adorned with a pleasing smile, His fine
ornaments and His thick, curly blue hair. Thus the women
became bashful and hid themselves here and there.
(Vedabase)
Tekst
29
Geleidelijk aan
bemerkten de dames kleine verschillen in Zijn uiterlijk en
kwamen ze verrukt en verrast af op Hem en [Rati,] dat
juweel onder de vrouwen.
Gradually,
from the slight differences between His appearance and
Krishna's, the ladies realized He was not the Lord.
Delighted and astonished, they approached Pradyumna and His
consort, who was a jewel among women.
(Vedabase)
Tekst
30
De borsten van
de zoetgevooisde en donkerogige Rukminî, zich haar
verloren zoon herinnerend, vloeiden toen ter plekke van de
genegenheid.
Seeing
Pradyumna, sweet-voiced, dark-eyed Rukminî remembered
her lost son, and her breasts became moist out of affection.
(Vedabase)
Tekst
31
[Zij
dacht:] 'Wie zou dit sieraad onder de mannen wel niet zijn,
wiens zoon is Hij en welke lotusogige vrouw heeft Hem in haar
schoot gedragen, en daarenboven, wie is deze vrouw die Hij voor
Zich won?
[S'rîmatî
Rukminî-devî said:] Who is this lotus-eyed
jewel among men? What man's son is He, and what woman
carried Him in her womb? And who is this woman He has taken
as His wife? (Vedabase)
Tekst
32
Als mijn zoon
verdwenen uit de kinderkamer nog ergens in leven zou zijn, zou
Hij van dezelfde leeftijd en verschijning zijn!
If
my lost son, who was kidnapped from the maternity room, were
still alive somewhere, He would be of the same age and
appearance as this young man. (Vedabase)
Tekst
33
Hoe kan Hij van
hetzelfde voorkomen zijn, van dezelfde gang, leden, stem,
glimlach en blik als die van Hem die S'ârnga hanteert
[Krishna's boog]?
But
how is it that this young man so much resembles my own Lord,
Krishna, the wielder of S'ârnga, in His bodily form
and His limbs, in His gait and the tone of His voice, and in
His smiling glance? (Vedabase)
Tekst
34
Gezien mijn
grote genegenheid voor Hem en gelet op het trillen in mijn
linker arm, is Hij zonder twijfel - Hij moet het zijn - het
kind dat ik in mijn schoot gedragen heb!'
Yes,
He must be the same child I bore in my womb, since I feel
great affection for Him and my left arm is quivering.
(Vedabase)
Tekst
35
Terwijl de
dochter van de koning van Vidarbha zich dit zo afvroeg
arriveerde de Heer Geprezen in de Geschriften aldaar tezamen
met Devakî en Ânakadundhubi.
As
Queen Rukminî conjectured in this way, Lord Krishna,
the son of Devakî, arrived on the scene with Vasudeva
and Devakî. (Vedabase)
Tekst
36
Alhoewel de
Allerhoogste Heer van de zaak op de hoogte was hield Hij,
Janârdana, zich stil; het was Nârada die verslag
deed van alles, beginnende met de ontvoering door
S'ambara.
Although
Lord Janârdana knew perfectly well what had
transpired, He remained silent. The sage Nârada,
however, explained everything, beginning with S'ambara's
kidnapping of the child. (Vedabase)
Tekst
37
De vrouwen van
Krishna's paleis die over dat grote wonder vernamen juichten
toen in extase om Hem te verwelkomen die zo vele jaren verloren
was gewaand als betrof het iemand die uit de dood was
opgestaan.
When
the women of Lord Krishna's palace heard this most amazing
account, they joyfully greeted Pradyumna, who had been lost
for many years but who had now returned as if from the dead.
(Vedabase)
Tekst
38
Devakî,
Vasudeva, Krishna, Balarâma alsook de vrouwen en
Rukminî omhelsden het paar en vierden
feest.
Devakî,
Vasudeva, Krishna, Balarâma and all the women of the
palace, especially Queen Rukminî, embraced the young
couple and rejoiced. (Vedabase)
Tekst
39
De inwoners van
Dvârakâ verklaarden toen ze vernamen dat Pradyumna
die verloren was gegaan teruggekomen: 'O Voorzienigheid, het
kind dat we dood waanden is werkelijk
teruggekeerd!'
Hearing
that lost Pradyumna had come home, the residents of
Dvârakâ declared, "Ah, providence has allowed
this child to return as if from death!" (Vedabase)
Tekst
40
Het was
helemaal niet zo verwonderlijk dat zij, die constant moesten
denken aan de gelijkenis met Zijn Vader hun meester, als Zijn
moeders in het volle van hun aantrekking terugdeinsden uit
respect voor Hem. Als Hij hen al voor ogen stond als het
evenbeeld van de Toevlucht van de Godin van het Fortuin Zijn
Gedaante, als Cupido de God van de Liefde in eigen persoon, wat
zou men dan kunnen verwachten van andere vrouwen?'
It
is not astonishing that the palace women, who should have
felt maternal affection for Pradyumna, privately felt
ecstatic attraction for Him as if He were their own Lord.
After all, the son exactly resembled His father. Indeed,
Pradyumna was a perfect reflection of the beauty of Lord
Krishna, the shelter of the goddess of fortune, and appeared
before their eyes as Cupid Himself. Since even those on the
level of His mother felt conjugal attraction for Him, then
what to speak of how other women felt when they saw Him?
(Vedabase)