Een Lied van Geluk

- Een klassieke Gîtâ -

Geschreven door: Vyâsadeva
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu


"Het woord is het wapen van de wijze."
Aadhar
 

Jñâna is de spirituele kennis die niet alleen alle Hindoes verbindt, maar ook alle anderen die geloof hechten aan de geest van het Absolute. Om die reden werd, wat betreft dit ware mysterie, in deze klassieke versie van de Bhagavad Gîtâ de kennis van het vinden van bevrijding in de geest âtmatattva genoemd, het principe en de werkelijkheid van het ware zelf, of dat wat staat voor de kennis van de verbondenheid in spirituele aangelegenheden. Het is eenvoudigweg zo dat we zonder deze âtmatattva niet menselijk zijn, omdat we in essentie homo sapiens zijn, ofwel mens bij de genade van de spirituele wijsheid. Hoewel in dit boek enkele woorden staan die te vinden zijn in het woordenboek voor het Sanskriet, zal dit voor die lezers die geïnteresseerd zijn in de klassieke sfeer en cultuur van de Veda's geen hindernis vormen. In de notities worden de essentiële begrippen de een na de ander uitgelegd en in verband gebracht, en is aldus deze vertaling niet alleen getrouw de oorspronkelijke tekst, maar ook nog eens goed te begrijpen voor de leek. De nogal vrije verwoording daarbij is van een moderne stijl en ook hierdoor makkelijk te volgen. Het resultaat is Een Lied van Geluk dat toegankelijk is voor iedere klassiek georiënteerde mens die te kampen heeft met de moderne last aan illusie en de eenzaamheid van het filosofisch impersonalisme.

Anand Aadhar Prabhu is de Vedische naam van René P.B.A. Meijer, een klinisch psycholoog geboren in 1954, die, na zich te hebben gewend tot de yogafilosofie, na zijn verzelfstandiging in 1982, in 1989 in India zijn naam kreeg.



Inhoud:

Inleiding


Hoofdstuk 1

Wanhoop over de strijd

Hoofdstuk 2a

De zaken op een rijtje zetten

Hoofdstuk 2b

De zaak in de hand hebben

Hoofdstuk 3

Te handelen - een meester van de intelligentie

Hoofdstuk 4

Het bewustzijn verenigen in het brengen van offers en in de âtmatattva

Hoofdstuk 5

Zich verenigen in arbeid en onthechting

Hoofdstuk 6

Aanwezig zijn en er eerder geweest zijn

Hoofdstuk 7

Verenigd in de âtmatattva jezelf kennen en het maken

Hoofdstuk 8

Verenigd in de geest der eeuwigheid verlossing vinden

Hoofdstuk 9

Zich verenigen in vertrouwelijke kennis

Hoofdstuk 10

Één zijn in het respecteren van het geluk

Hoofdstuk 11

Het volledige van Zijn werkelijkheid onder ogen zien

Hoofdstuk 12

Zich concentreren op het volmaakte

Hoofdstuk 13

De kenner, het gekende en de kennis van de âtmatattva

Hoofdstuk 14

De drie basiskwaliteiten van de natuur

Hoofdstuk 15

De aard van de verheven persoon

Hoofdstuk 16

Over de verlichte en de onverlichte ziel

Hoofdstuk 17

De drie kwaliteiten met betrekking tot iemands verzaking, offers en voedsel

Hoofdstuk 18a

Verzaking overeenkomstig de kwaliteiten en de oorzaken van het karma

Hoofdstuk 18b

Individuele plicht en de ene weg der bevrijding

Epiloog


Notities & Links


 

 

Inleiding

 

   Eens, in een grote unie van staten, zo'n vijfduizend jaar geleden, was er een familie genaamd Kaurava die de nazaten waren van een grote dynastie van edelen die over de wereld heersten: de Kuru's. Ze hadden hard gewerkt voor hun bestuur en hun welvaart, en hadden de ganse wereld in hun greep gekregen. De wereld was het speelveld waar zij de regels van het spel bepaalden waarin ze de scepter zwaaiden over allen. Maar er was een juridische strijd ontbrand tussen de arme en de rijke tak van de familie.
   De Kauravafamilie van de Kurudynastie was in deze twee tegen elkaar stelling nemende groeperingen in de samenleving uiteengevallen. De bezitloze Kaurava's, bevriend met de Yadufamilie, raakten berooid toen ze, door hun neven in een gokspel bedrogen, hun aanzien, posities en al hun bezittingen hadden verkwanseld. De Yadu's vormden een andere tak van de Maandynastie waartoe de Kurudynastie behoorde, maar ze waren eeuwen daarvoor in ongenade gevallen bij een stamvader van de Maandynastie genaamd Yayâti. Die had zijn zoons gevraagd de last van zijn oude dag op zich te nemen, zodat hij van een eeuwige jeugd kon genieten. De Kaurava's waren de afstammelingen van de zoon die op de eis van de stamvader was ingegaan. De Yadu's waren de nazaten van de oudste zoon en oorspronkelijke troonopvolger die had geweigerd de last op zich te nemen. Tot hun schade en schande, met wat hen bekokstoofd was door de Kaurava's aan de macht, werd het de bezitloze Kaurava's die zonder werk zaten, niet toegestaan enig gezag uit te oefenen, een aanzienlijke positie te bekleden of erfrechten te claimen op welk gebied dan ook. Hen werd eenvoudigweg een gelijkwaardige positie in de samenleving ontzegd. Ze werden steeds afgewezen met wat ze ook maar probeerden, zodat ze als aan lager wal geraakte, tweederangs burgers moesten leven met niet meer rechten dan slaven.
   Maar de Yadutak van de familie, welke nog steeds zijn welstand had weten te behouden door eerlijk dienst te doen als soort van een politiemacht die de kwade elementen in de samenleving bestreed, schoot de bezitlozen te hulp die ook wel de Pândava's genoemd werden vanwege hun vader Pându die, voortijdig gestorven, hen had achtergelaten bij hun moeder Prithâ, ook wel Kuntî genaamd, die een dochter was van de Yadufamilie. Een jongere neef van haar, de heer en meester van de Yadutak, droeg de naam Krishna
1, vanwege zijn donkere huid. Hij was een goddelijke persoon, een fervent voorstander van de yogafilosofie, die zeer knap was om te zien en zich goed kleedde met veel smaak. Hij was hoogbegaafd en van een goede roep vanwege zijn heldhaftige, deugdzame en zegenrijke handelingen, en was een weldoener die in zijn vroomheid naar voren trad met grote wijsheid, een wijsheid waarmee hij de orde van de achtenswaardige cultuur van de Maandynastie verdedigde.
   Krishna, die er een viertal prachtige vrouwen op nahield naast de 16104 die hij zo goed als allemaal had bevrijd uit de handen van schurken, was bevriend met Arjuna
2, een van de vijf Pândubroeders die zich hadden verenigd in een grote associatie die alle verdrukten van die tijd bijeenbracht, zodat ze de heerschappij van de Kaurava's tegenspel konden bieden. Aldus kwam het zover dat de Pândava's in het strijdperk traden tegen hun eigen familieleden, de Kaurava's, met wie ze waren opgegroeid onder de vleugels van hun blinde vader Dhritarâshthra, hun oom, die, als de broer van hun vroeg overleden vader Pându, de zorg voor hen op zich had genomen naast die van zijn eigen zoons. Dat waren een honderdtal halfbroers geboren uit verschillende moeders, die onder leiding stonden van de lastige, verwaande en bedrieglijke, oudste zoon die de naam Duryodhana droeg. Maar oom Dhritarâshthra was te zeer gehecht aan zijn eigen zoons om zijn Pânduneven te kunnen verdedigen en bijstaan die hun rijkdom waren kwijtgeraakt nadat ze met hun zwak voor het gokken hun rechten hadden verspeeld op de nalatenschap.
   De Pânduneven waren vijf broers met Arjuna als de tweede die excelleerde in het boogschieten en intellectueel goed ontwikkeld was. Bhîma was corpulent, at graag en was beresterk. Yudhishthhira was de oudste en meest dominante die altijd de leiding nam. Tenslotte waren er de tweelingbroers genaamd Sahadeva en Nakula. Aldus vormden ze een uniek gezelschap van vrijwilligerswerkers, want vrijwilligerswerk was het enige soort van werk dat voor hen openstond. Moe van alle beledigingen en verdringing, onrecht en ontkenning van de kant van hun Kauravaneven, besloten ze om een gezelschap op te bouwen van liefhebbers van een alomvattende spirituele jñâna, de âtmatattva kennis zoals uitgedragen door Krishna. Ze waren er vast toe besloten zich weer terug te knokken in de samenleving en een gelijkwaardige status en verantwoordelijkheid terug te winnen. Maar dat zou, vanzelf, resulteren in een ernstige confrontatie en machtsverschuiving in de familie. Gedwarsboomd in dat verlangen door de heersende Kaurava's, hadden ze aldus te lijden onder vele repressieve maatregelen die moesten voorkomen dat het zover zou komen. Dat tegengas bestrijdend planden ze een veldslag die hen de overwinning zou brengen alsmede de steun van het volk, maar met dat doel voor ogen stonden ze voor de taak stelling te nemen tegen de kwaliteit en het karakter van hun eigen neven, ofwel in te druisen tegen de eer van hun eigen tak van de Kurudynastie, die het politieke toneel in de wereld voor vele eeuwen had beheerst.
   Voor Arjuna, de meest gezeglijke en vriendelijke van de broers, was dat iets waar hij maar moeilijk mee overweg kon. En zo kwam het ervan dat hij zijn oor te luisteren legde bij Krishna, zijn beste vriend, toen hij, klaar voor de grote veldslag, zich geplaatst zag voor de enorme troepenmacht van de repressieve en afwijzende Kauravaneven. Krishna zong hem toen een lied van wijsheid voor dat hij nooit meer zou vergeten, daar het hem bewustmaakte van Krishna's bovenzinnelijke aard als Bhagavân, de Hoogste Persoonlijkheid van God en nederdaling, of avatâra, van Vishnu, en hem zijn zelfvertrouwen teruggaf dat hem de eindzege bracht in de strijd tegen het onrecht hen aangedaan door de Kauravaneven. Ons verhaal neemt zijn aanvang met de blinde oom Dhritarâshthra die van zijn secretaris Sañjaya verneemt wat zich afspeelde gedurende de campagne van de Pândava's en de Kaurava's.

 

 

HOOFDSTUK 1

Wanhoop over de strijd

 

(1) De blinde oom en het hoofd van de familie Dhritarâshthra zei: "Te Kurukshetra, het pelgrimsoord waar we bidden voor ons welzijn en onze greep op de wereld, verzamelden zich mijn familieleden en mijn neven de Pândava's terwille van de gerechtigheid, wat precies heeft zich daar afgespeeld, mijn beste Sañjaya?"

(2) Sañjaya zei: "Duryodhana, die nobele en gedistingeerde zoon van u, raadpleegde, geplaatst voor de strijdkrachten van het verzamelde leger van uw neven de Pândava's, op dat moment zijn voormalige leraar in de krijgskunst Drona en zei tot hem: (3) 'Beste meester Drona, kijk nu eens wat voor een machtig leger er aan de zijde van de zoons van Pându werd opgesteld door uw zo heel intelligente leerling, de zoon van Drupada (Dhrishthadyumna)! (4) Ze slaagden erin een aantal mensen van aanzien achter zich te krijgen, zoals daar zijn Arjuna's schoonvader Drupada, zowel als enkele andere grote krijgsheren Yuyudhâna en Virâtha, die minstens zo bedreven in de krijgskunst zijn als Bhîma en Arjuna zelf. (5) En we mogen ook beducht zijn voor hun steungroep aan vechters die bestaat uit Dhrishthaketu, Cekitâna, Kâs'îrâja, de o zo machtige Purujit, Kuntibhoja en de uitmuntende kerel S'aibya. (6) Yudhâmanyu, de machtige Uttamaujâ, de zeer machtige zoon van de zus van Krishna, Subhadrâ, en de mannen van Draupadî: allen zijn ze waarlijk grootse strijdwagenvechters. (7) Maar wees gerust, wij van onze kant zijn niet minder rechtstreeks en trouw ondersteund door de kwaliteiten van de strijders aan onze zijde. (8) Ter ondersteuning van uwe goedheid zijn er grootvader Bhîshma alsmede Karna, Kripa en As'vatthâmâ, Vikarna en de zoon van Somadatta, die allen, wis en zeker, altijd zegerijk uit de strijd zijn verschenen. (9) En er zijn nog veel meer helden met krijgservaring die, uitgerust met allerhande wapens, bereid zijn hun levens terwille van mij op het spel te zetten. (10) Onder de vleugels van onze roemruchte grijze eminentie, grootvader Bhîshma, hebben we, onbegrensd als we zijn in onze middelen en invloed, niets te vrezen van de maar geringe macht en invloed van Bhîma en zijn Pândubroeders in de liefdadigheid. (11) Niemand van onze getrouwen zal ooit, vanuit de onbetwiste zeggenschap van onze positie, u in de steek laten, durf ik te beweren.'

(12) Duryodhana was blij toen hij van de kant van grootvader Bhîshma de leeuwenbrul van het geluid van zijn schelphoorn te horen kreeg ter aankondiging van de veldslag. (13) Meteen daarop was er plotseling van alle kanten van de Kauravastellingen het geluid te horen van hun hoornschelpen, trompetten en trommels, hetgeen tezamen aanzwol tot een enorm tumult. (14) In reactie daarop lieten de echtgenoot van de godin van het geluk en de zoon van Pându, op hun beurt hun goddelijke schelphoorns klinken. (15-18) Krishna, de heer der zinnen, blies op de Pâñcajanya, Arjuna op de Devadatta en de oppermachtige Bhîma, de gretige eter, blies op de grote hoorn genaamd de Paundra. Koning Yudhishthhira, de oudste Pândava, blies op de Ananta-vijaya terwijl Nakula en Sahadeva op de Sughosha en Manipushpaka bliezen. Zo was er ook het hoorngeschal van de koning van Kâs'î, de grootse boogschutter S'ikhandî en de grote krijgsheren Dhrishthadyumna, Virâta, Sâtyaki die nog nimmer was verslagen en, o Koning, Drupada samen met al de mannen van Drupadî en de behendige Abhimanyu. (19) De reactie van hun tegenstanders, die evenzo tumultueus door de lucht schalde en de aarde deed schudden als bij hen het geval was, bracht de Kaurava's aan het schrikken en verscheurde hen innerlijk. (20) Toen de zoon van Pându, Arjuna, die voor de strijd klaarstond met zijn boog en pijlen, zag hoe de tegenpartij van de Kaurava's zich opmaakte om hen in de strijd te verslaan, richtte hij, in zijn strijdwagen staand met Krishna aan de teugels, zich tot de meester der zinnen, zijn goddelijke vriend.

(21-22) Arjuna zei: 'Alsjeblieft trefzekere, zoals hij Krishna ook wel noemde, rij de wagen naar het midden van het slagveld zodat ik zicht heb op de troepen, aldaar ter ondersteuning van zowel mij als mijn tegenstanders voor de eindstrijd verzameld. (23) Laat me op dit slagveld mijn Kauravategenstanders tegemoet treden die zo zeker zijn van hun verworven privileges in het behagen van die doortrapte Dhritarâshthra die voor onze oom moet doorgaan.' "

(24) Sañjaya zei: "O nakomeling van Bharata, er aldus toe verzocht reed Krishna Yadu de strijdwagen naar het midden van Kurukshetra, om precies temidden van de daar tegenover elkaar opgestelde legers te stoppen. (25) Met voor ogen Bhîshma, Drona en al de leiders van de wereld die zich aldaar voor de eindstrijd nog meer verzameld hadden, zei de fortuinlijke: 'O zoon van tante Kuntî, kijk hoe al de leden van de Kauravafamilie hier bijeengekomen zijn.' (26) En daar, te Kurukshetra, zag hij daadwerkelijk de partijen opgesteld staan van zijn vaders, grootvaders, ooms, neven, vrienden, weldoeners en dergelijke. (27) Precies daar midden tussen hen in geplaatst voor de massale bijeenkomst van zijn familie, raakte de zoon van tante Prithâ overweldigd door een stortvloed van strijdige gevoelens en stond hij als aan de grond genageld, er niet toe in staat om nog maar één stap te verzetten.

(28) Arjuna zei: 'Van de aanblik van al deze verwanten, Krishna, mijn beste vriend, er klaar voor om elkaar op leven en dood te bestrijden, wordt ik bloednerveus, het jaagt me verschrikkelijke angst aan. (29) Het zweet loopt me koud langs de rug en mijn lichaam weigert dienst, mijn woorden ben ik kwijt en ik voel me branden alsof ik koorts heb. (30) De wereld draait me voor de ogen, ik moet er echt even bij gaan zitten. Ik ben het allemaal kwijt opeens en zie het helemaal niet meer zitten met dit gebeuren, o toonbeeld van schoonheid! (31) Wat voor nut heeft het om al deze tegendraadse familieleden ter dood te brengen! Ik ben helemaal niet uit op een overwinning Krishna, in wat voor een wereld komen we anders terecht? (32-35) O vriend van de vrouwen, wat houdt de heerschappij over de wereld nu in voor ons? Wat voor geluk is er te vinden in het begeren van een bestuur naar eigen snit om de scepter te zwaaien over vrienden en verwanten, over hen die zich nu tegenover elkaar hebben opgesteld om elkaar te overtreffen tot de dood erop volgt? God nog aan toe, het zijn onze vaders, leraren, zoons, ooms en grootvaders! Ik wens het niet om wie van hen ook te doden noch dat ze ook maar iemand van ons doden, o wanhoop van de duivel! Voor geen goud van de wereld wens ik me zoiets, nog niet in mijn stoutste dromen! Ik ben niet geïnteresseerd in een veldslag om de zoons van oom Dhritarâshthra te verslaan, o behoeder van de wereld! (36) Zoiets als het ten strijde trekken tegen je eigen soort, staat toch gelijk aan waanzin! Hoe kan je er nu gelukkig van worden anderen om het leven te brengen, o liefste van allemaal? Is dat geen pure zelfmoord? Bezorgt je dat geen slecht karma?

(37-38) En zelfs al zijn ze zo blind als oom Dhritarâshthra in het in hun begeerte ontkennen en weerstreven, in het vechten en ruziën met vrienden ongeacht de gevolgen ervan; waarom zouden wij, die dit alles helder voor ogen hebben, ons niet van een dergelijk grotesk zelfverraad afwenden, o veroveraar van de weelde? (39) Met het op deze manier schenden van de familie-eer, zullen al haar gebruiken en moeizaam verworven respect verdwijnen en zal de ganse familie haar plichtsbesef verliezen, zo zal een ieder beamen. (40) Met een dergelijke onverantwoordelijke houding, beste Krishna, zullen de vrouwen van de familie hun respect voor ons verliezen en zal, aldus uit de gratie geraakt, geen mens meer weten wie hij is. (41) Ook zal aldus de kans op een goed leven van ons nageslacht bedorven zijn, omdat zij, als wij in wederzijdse minachting zijn vervallen, er ook niet langer meer in zullen slagen om te weten hoe ze achting moeten hebben voor of vertrouwen moeten stellen in welke vorm van wederkerige, gezonde en beschaafde humaniteit ook. (42) Door deze fouten gemaakt door allen die de familie naar de ondergang leidden en waardoor er verwarring bestaat in de samenleving, zal aldus de rechtschapenheid van de maatschappelijke klassen en leeftijdsgroepen verloren gaan en zal ook iedere goede gewoonte die de gemeenschap erop nahield met de ether verloren zijn. (43) Zoals men het altijd zegt: zij die de tradities bedierven, o aansporing van de mens, blijken altijd in de hel te belanden. (44) Begerig het opperste gezag uit te oefenen en de privileges te genieten, hebben we er merkwaardig genoeg toe besloten om tegen beter weten in te handelen. (45) Ik kan maar beter nu meteen mijn verzet opgeven en hen de overwinning in de strijd gunnen.' "

(46) Sañjaya zei: "En zo, aldaar, precies tussen de klaarstaande legers, ging Arjuna bij de pakken neerzitten in zijn strijdwagen en zette hij, met een geest vol van vertwijfeling en droefenis, het gevecht uit zijn hoofd."

 

 

HOOFDSTUK 2a

De zaken op een rijtje zetten

 

(1) Sañjaya zei: "Toen hij zijn vriend zo bezwaard zag en tot vertwijfeling gedreven, sprak de wanhoop van de duivel de volgende woorden:

(2) De grote ziel zei: 'Het is nu echt niet het goede moment om het op te geven Arjuna. Dit past je in het geheel niet. Zo gaan verliezers tewerk die nimmer een betere wereld in het leven roepen, het is echt een schande! Arjuna, verman jezelf! (3) Geef niet toe aan een dergelijke sentimentele zwakheid, het leidt tot niets dan waanzin, sta je mannetje en ga over tot de strijd, overwin je angst voor de dood!'

(4) Arjuna bracht ertegenin: 'Hoe kan ik nu in de aanval gaan tegen Bhîshma en meester Drona, het zijn achtenswaardige heren van groot aanzien! Wat ben ik dan wel niet, o wanhoop van de duivel? (5) Zou ik er niet beter aan doen voor de rest van mijn leven van de liefdadigheid te leven dan die hoogstaande en achtenswaardige heren naar beneden te halen, ook al begeren ze, als leiders en leraren, het koninkrijk der hemelen op aarde? Ik maak mijn handen niet vuil aan dit soort zaken, dat is mijn eer veel te na! (6) En wat dan nog - als zij ons verslaan is dat net zoveel waard als dat wij als overwinnaars uit de bus zouden komen. Ik zou niet kunnen leven met de overwinning van wie van ons beiden ook, geen denken aan, in welke positie in relatie tot oom Dhritarâshthra we er ook mee zouden belanden. (7) Met mijn angst en vrees, vraag ik je, innerlijk verward over wat me te doen staat, wat ik nu moet beginnen. Wat zou nu het ideale compromis zijn voor ons allen? Vertrouw me dat toe, instrueer me hierover en aanvaard me als je leerling zogezegd. (8) Het staat me niet meer helder voor ogen wat ik moet aanvangen, hoe het nu vanaf dit punt verder moet; hoe kan ik nu niet wanhopig en onthand zijn, met het mezelf toewensen van een onbetwiste positie op aarde of zelfs het mezelf aanmeten van een stel engelenvleugels?' "

(9) Sañjaya de secretaris zei: "Nadat hij zich aldus tot de meester der zinnen had gericht, zei hij die zichzelf had bewezen als iemand die de slaap de baas was en altijd de schrik van zijn tegenstanders was geweest, 'Ik geef het op, ik begin er niet aan', waarop hij toen stil viel. (10) O nakomeling van Bharata, toen, precies daar tussen de legers van de familie in oppositie verzameld voor de veldslag, sprak de zinsbeheerser met een glimlach de volgende woorden.

(11) De meester van het geluk zei: 'Laat je niet op de kop zitten door iets wat een dergelijke emotionele betrokkenheid niet waard is; met al je geleerde woorden behoor je, of je het nu wint of niet in de komende veldslag, als een wijs man, niet op enigerwijze zo bewogen te zijn. (12) Luister, gisteren bestond ik, en zo ook zal ik er morgen nog zijn, en zo ook is het met jou zo en met al deze belangrijke mensen hier. (13) Tijdens je leven verander je van een kind in een jongere en van een jongere in een volgroeide man; maar, wees nu eerlijk, maakte dat nou iemand anders van je? (14) Wat de zintuigen je te melden hebben, o zoon van tante Kuntî, in de zin van pijn en geluk, komt en gaat als de zomer en de winter. Dergelijke zaken beklijven niet, draag het als een kerel, o man van de Kuru's. (15) Hij die in dezen niet van streek is, o beste van allen, hij die gelijkmoedig en stabiel is in lief en leed, is de man geschikt voor de taak.

(16) Verwacht dus niets blijvends als het om uiterlijke verschijningsvormen gaat, en denk ook niet dat de persoon die je vanbinnen blijft ooit ten einde zal komen; en dit is wat de grootste geleerden bevestigen in hun studies aangaande dit onderwerp. (17) Onthou slechts dat wat er als een stabiele factor is in alle staten van je fysieke bestaan, dat dat zelf niet kan vergaan of door enig iemand kan worden verslagen. (18) Al deze materiële lichamen zijn vergankelijk, terwijl de onvergankelijke en onmetelijke die wordt belichaamd eeuwig bestaat; en daarom, o zoon in de lijn van Bharata, werp je in de strijd. (19) Een ieder die stelt dat dat zelf van jou welk essentieel zelf van iemand anders ook zou kunnen doden of zelf gedood zou kunnen worden, is met ieder van deze standpunten niet goed bij zijn verstand; je kan niemand echt doden, noch kan jij werkelijk ter dood worden gebracht. (20) Derhalve, om het maar eens duidelijk te stellen: feitelijk begon je nooit met leven noch zal je er ooit mee ophouden te leven; je werd nimmer geboren, noch zal je ooit echt sterven. Evenzo reïncarneer je ook niet in dat opzicht; de ziel zoals die is, wordt nooit geboren, is eeuwig en constant. Hij is er vanaf de eerste dag van de schepping en hij houdt nooit op te bestaan als het lichaam zijn einde vindt. (21) Als je er eenmaal achter bent dat die ziel waar we het over hebben niet te vernietigen is en eeuwig voortbestaat, zonder enige verandering of geboorte, hoe kan jij dan, o zoon van Prithâ, er de oorzaak van zijn dat er iemand wordt gedood of kan je zelf worden gedood? (22) Als je het lichaam en het ego dat erbij hoort met je meedraagt als een kledingstuk, kan je dat omhulsel net zo makkelijk wisselen en kan je aldus een leven beëindigen en weer met een nieuw leven beginnen zoals je dat uitkomt. (23) Dat wat je in werkelijkheid bent kan niet uiteenvallen, verschroeien, verdrinken of wegkwijnen. (24) Je bent onbreekbaar, je brandt niet af of lost niet op; je bent onvergankelijk, je reikt tot waar je maar wilt, je zult altijd hetzelfde zelf blijven, niemand kan je als zodanig iets aandoen en je bent altijd zo geweest, en dat is dat.

(25) Met voor ogen dit ware zelf van jou dat niet echt kan worden waargenomen, waarvan men zich zelfs niet een voorstelling kan maken, en dat niet werkelijk aan verandering onderhevig is, behoor je te weten dat het als zodanig voor jou niets is om bezorgd of wanhopig over te zijn. (26) En zelfs al zou je reïncarneren en weer sterven, o machtige man, zit er nooit over in. (27) Hij die komt te sterven zal zeker weer geboorte nemen, precies zoals degene die geboren wordt weer zal sterven natuurlijk; dergelijke onherroepelijke feiten zijn het niet waard om je zorgen over te maken, dat is waar je van doordrongen moet zijn. (28) Jan en alleman, o zoon van de Kurudynastie, is om te beginnen een niemand, dan staat hij of zij bekend en dan wordt hij of zij weer vergeten, dus waar maak je je druk over als het allemaal is zoals dit? (29) Deze ziel wordt door sommigen als iets verbazingwekkends gezien, sommigen spreken erover als iets verbazingwekkends, en sommigen kennen hem als zijnde verbazingwekkend, terwijl nog weer anderen er nooit een idee van krijgen wat dit ware zelf allemaal inhoudt. (30) Deze ziel, deze eigenaar van een ieder zijn lichaam, vergaat nimmer, o zoon van de dynastie, en daarom zou je niet zo moeten inzitten over wie dan ook.

(31) En, wat betreft het doen van je plicht in de veldslag, moet ik je zeggen dat je altijd voor je zaak moet instaan terwille van God, je eigenlijke kwaliteit, deugd en rechtschapenheid, op de eerste plaats, dat is het allerbeste wat een bestuurder kan doen. (32) O zoon van tante Prithâ, prijs jezelf als bestuurder gelukkig als je in de strijd tegenstanders tegenover je hebt, aangezien dat je de kans biedt om te excelleren en te laten zien wie je bent. (33) Verdedig daarom je belang als betrof het God zelf, want als je erin mislukt je eigenlijke aard met Hem van dienst te zijn, zal je niets meer zijn dan een profiteur zonder enig zelfrespect. (34) Als je je niet doet gelden zal je je goede naam verspelen, en dat is voor een achtenswaardig man iets dat nog veel erger is dan de dood. (35) Je kameraden op het slagveld die allen het grootste respect voor je hebben, zullen je als een verliezer afschrijven als je het nu uit angst laat afweten. (36) Ze zullen achter je rug over je kletsen en je kunnen in twijfel trekken, en je weet wel hoe pijnlijk dat is. (37) Bekijk het op deze manier; of je bent een eervolle verliezer, of je doet je goede naam eer aan door de slag te winnen en dus, ga ervoor en wees zeker van jezelf met deze keuze, o zoon van Kuntî! (38) Of je uiteindelijk nu gelukkig of ongelukkig zult zijn, erop vooruitgaat of er bij inschiet, of je nu zegeviert of het verliest, je zit nooit fout als je gelijkmoedig in het strijdperk treedt met dit in gedachten!'

 

 

HOOFDSTUK 2b

De zaak in de hand hebben

 

(39) 'Tot zover over het intelligent zijn in het analyseren van zaken, luister nu hoe je in samenhang met deze intelligentie, o zoon van Prithâ, bevrijd kunt raken van het gebonden zijn aan je karma. (40) In deze geest zal je dan niet corrumperen, noch verloren gaan, en als je hem maar een beetje van dienst bent bezweer je er al het grootste gevaar mee. (41) Nadenkend met de ziel is men immers verenigd in zijn intelligentie, o kind van de Kuru's, maar als je daarentegen niet zo gewetensvol bent heb je een geest die voortdurend is afgeleid. (42) Religieuze mensen zeggen ook dit soort dingen o zoon van Prithâ, maar ze hebben het niet helemaal door als ze er van uitgaan dat er verder niets bij zou komen kijken. (43) Met hun fraaie erediensten hopen ze naar de hemel te gaan en een beter leven te hebben, maar hun harten zijn vol van het verlangen om hun zinnen te behagen en rijk te zijn. (44) Op die manier al te gehecht aan materiële genoegens en luxe zaken, zijn hun geesten wazig van een armzalige logica en krijgen ze de zaak nooit echt in de hand. (45) De vedische literatuur, die handelt over de materiële kwestie en de manier waarop we onder de invloed verkeren van de drievoudige aard in de zin van 1 - het hebben van hartstochten, 2 - het niet helder van geest zijn en 3 - het zich verlustigen in het goede, zeggen ons deze natuurlijke geaardheden te overstijgen, omdat daarbuiten, buiten de tegenstellingen die ze vormen, verzonken zijnd in dat wat werkelijk goed en zuiver is, de ziel wordt aangetroffen die onbezorgd is over bezitten en bezit verwerven. (46) In een slok water treft men hetzelfde aan als in een heel meer, evenzo treft men in de ziel van een enkel mens van spirituele deugd het geheel van de klassieke wijsheid aan.

(47) Je hebt het volste recht de zaak te dienen, maar eis voor jezelf nooit de resultaten op van die dienstbaarheid. Beschouw jezelf niet als de oorzaak; ontwikkel daarom nooit enige gehechtheid in heilige aangelegenheden als deze. (48) Hou contact, blijf verbonden in het opgeven van een dergelijke ijdelheid en hunkering o winnaar van de weelde en wees gelijkmoedig in geval van slagen en falen, daar die lijdzaamheid het geheim is van het verenigd blijven in het bewustzijn. (49) Geef, aldus verenigd in volle overgave aan de intelligentie, niet toe aan de domheid; weet dat het de ellendelingen zijn die het willen winnen en willen vergaren. (50) Gelijkgeschakeld met deze intelligentie kan je, nog in dit leven, ontkomen aan die gevolgen waarvan je onterecht dacht dat ze gunstig waren, zowel als aan hen waar je onder te lijden had; ga dus, terwille van deze wetenschap, onverschrokken tewerk in je verbondenheid met de ziel die steeds voortbestaat en gelukkig is in de wijsheid; dat is de kunst met alles wat je doet! (51) Het opgegaan zijn in het dienen van dit doel, het op één lijn verkeren met de intelligentie van het niet begeren van enig voordeel, is wat zowel de wijzen als de aanbidders bevrijdde van de ellende van herhaalde mislukking en de noodzaak telkens weer opnieuw te beginnen. (52) Als je eenmaal, vrij van ieder verlangen, het respecteert zoals het is met de ziel, zal je, op dat moment, je niet langer zorgen maken over alles wat je nu net hoorde, noch over dat wat je nog zult vernemen. (53) Met een geest helder wat betreft het voordeel van je handelingen op de manier zoals ik je dat uiteengezet heb, zal je, onbewogen boven de zaken uitstijgend met een intelligentie die zijn anker heeft gevonden, in staat zijn het gelukkige leven te vinden dat je jezelf en anderen toewenste.'

(54) Arjuna zei: 'Wat kenmerkt nu degene die erboven staat, die innerlijk verankerd is in een bewustzijn van verbondenheid? En wat zegt zo iemand allemaal, hoe houdt hij afstand en hoe gaat hij tewerk?'

(55) Krishna, als de meester, zei: 'Op het moment dat men de verlangens laat varen met inbegrip van de zorgen die erbij horen o zoon van Prithâ, zal men, naar het goede van die bedachtzaamheid, stabiliteit in het bewustzijn vinden, zo bevestigen ook andere autoriteiten. (56) Zij die zonder zich zorgen te maken de ellende tegemoet treden en zonder verlangens te koesteren het geluk onder ogen zien en, zonder enige gehechtheid, vrij zijn van angst en woede, beschouwt men als wijzen die stabiel zijn in hun meditatie. (57) Hij die, of de zaken nu ten goede of ten slechte keren in dezen, onaangedaan blijft in welke situatie ook en noch haat koestert, noch de loftrompet steekt, is erin verankerd het perfect te weten. (58) Zoals een schildpad die zijn poten en kop intrekt trekt hij, die zich in het bewustzijn verankert, zijn zinnen terug van de zinsobjecten. (59) Een ieder die niet van deze nadenkendheid is, kan evenzogoed afzien van, maar zo iemand houdt dan de materiële bijsmaak, de smaak waaraan alleen maar een einde komt met de sterkere ervaring van de hogere smaak die men heeft als men erboven staat. (60) Hoe slim men ook is, o zoon van Kuntî, zo gauw men iets doet leiden de zinnen de aandacht af en is de geest in beroering gebracht. (61) Het in bedwang houden van de drukke zinnen is iets dat wordt bereikt door zich positief te verhouden tot de positie van het mediteren die men heeft in het voorbije, en met het ze aldus onder controle gebracht hebben is men dan gevestigd in de wijsheid. (62) Op de verkeerde manier werkt het als volgt: eerst raak je gehecht aan wat de zintuigen waarnemen, van daaruit ontwikkelt zich de lust het te genieten wanneer je maar wilt en wat volgt is de woede op de onvermijdelijke frustratie van het zich realiseren dat dat niet mogelijk is. (63) Vanuit die woede van de persoonlijke voorkeur ziet men de zaken niet langer in de juiste verhouding en is men aldus, met het daarmee begoocheld zijn, niet nadenkend met wat in gedachten moet worden gehouden. Als gevolg daarvan faalt de intelligentie en verliest men, omdat men de zaken niet langer begrijpt, zijn zelfbeheersing: men komt ten val. (64) Maar, als men niet van enige afkeer of gehechtheid is, is men, met het onder controle hebben van de drukke zinnen, aldus gereguleerd zijnd, van een heldere geest. (65) In die vrede verkerend komt aan alle ellende een einde, en raakt, met zo een tevreden, open geest, spoedig de intuïtie afdoende gevestigd. (66) Als men zich niet op deze manier gelijkricht krijgt de intelligentie geen kans en is er, de verbondenheid in de ziel missend, geen stabiliteit in de achting die men heeft; hoe kan men, als men in zijn ongenoegen de vrede niet kan vinden, nu gelukkig zijn? (67) Een geest die de zinnen najaagt is van een intelligentie zo stuurloos als een boot die wegdrijft op de wind. (68) En zo is dan, zoals je zult begrijpen, de intelligentie stabiel als de zinnen zijn teruggetrokken van hun voorwerpen. (69) Waar de gewone man acht op slaat is als nacht voor een wijs man en op dat wat de gewone man de duisternis van de nacht lijkt slaan de wijzen juist acht. (70) In tegenstelling tot een man van verlangens, is een man van vrede net zo stabiel met datgene wat zijn zintuigen bereikt als de oceaan die nimmer gevuld raakt met al het water van de rivieren die erin uitmonden. (71) Een persoon bereikt de vrede als hij - vrij van verlangen - zijn begeerten heeft verzaakt, als hij niet streeft naar bezittingen en, in plaats van zich te identificeren met zijn lichaam, zich identificeert met de ziel. (72) Wees er om die reden niet beducht voor, dat deze positie in het voorbije je zal verbijsteren o zoon van Prithâ, je bereikt er juist de hemel mee, zelfs als je deze nadenkendheid hebt uitgesteld tot je stervensuur.' 

 

 

HOOFDSTUK 3

Te handelen - een meester
van de intelligentie

 

(1) Arjuna zei: 'Je zegt dat het beter is af te gaan op de intelligentie dan om het resultaat van een overwinning te verlangen, o aansporing van de mens. Als dat zo is, waarom moedig je me dan aan deze verschrikkelijke confrontatie aan te gaan, o toonbeeld van schoonheid? (2) Sticht je geen verwarring in dezen als je je dermate dubbelzinnig uitlaat? Zeg me voor welke benadering ik zou moeten kiezen, zodat ik werkelijk mijn voordeel kan doen met wat je zegt!'

(3) Krishna zei: 'Inderdaad, in deze wereld kan je tussen twee benaderingen kiezen, zoals ik je voorheen al zei o man zonder overtredingen. Enerzijds, kan je je spiritueel verbinden in de analytische geest, en anderzijds kan je je verbinden in de toewijding van een of andere vorm van handelen. (4) Een mens zal de perfectie niet bereiken als hij, als een toegewijd persoon, simpelweg onder zijn overige materiële verplichtingen probeert uit te komen, noch zal hij vrij zijn van handelingen en terugslagen als hij, zich afkerend van de wereld, zich verbindt terwille van enkel het inzicht. (5) Er is niemand die maar voor een moment kan bestaan zonder iets te doen. Of men het nu leuk vindt of niet, men is, naar gelang de hartstocht, de traagheid van geest of de goedheid waar men zich in bevindt, altijd, vanwege zijn karma, genoodzaakt te handelen. (6) Vaststaat dat je maar doet alsof als je, met het inperken van de zinnen, er een geest op nahoudt die gericht is op het zintuiglijke. (7) Maar Arjuna, als je, met het aandachtig reguleren van het zintuiglijke, een begin maakt met het, in onthechting van de resultaten van je arbeid, tot toewijding bewegen van de voor arbeid gemotiveerde zinnen, ben je veel beter bezig. (8) Samengevat: ook al is het enkel maar terwille van je lichaam, er is altijd werk te doen; hou je daarom bezig met het doen van je plicht, aangezien het beter is tot handelen over te gaan dan niets te doen. (9) Maar denk eraan het te doen als een offer, anders dans je naar de pijpen van de wereld; en aldus zal je, als je zo tewerk gaat o zoon van Kuntî, al je gehechtheid te boven komen.

(10) Toen hij met het universum een begin maakte met de generaties en de offers die ze moeten brengen, zei de Schepper, Heer Brahmâ, tot de mensheid: 'Moge het u meer en meer goed gaan, moge dit offer u alles brengen wat u maar verlangt'. (11) Als je de mensen van God behaagt met je offers, zullen zij op hun beurt jou een genoegen doen, en aldus het elkaar naar de zin makend zal de hoogste genade je deel zijn. (12) Als je met offers de vertegenwoordigers van God een genoegen doet, zal je dat alles brengen wat je maar nodig hebt, maar hij die van het leven geniet zonder offers te brengen, is zonder meer een dief. (13) Zij die toegewijd zijn eten van de offers die ze brengen, maar die onzuivere profiteurs die enkel maar eten om hun zinnen te bevredigen, belanden in allerlei moeilijkheden. (14) Onze lichamen gedijen op granen, graan is er vanwege de regen, en regen treft men aan in gebieden waar men gewetensvol offers brengt om de gewassen voort te brengen. (15) Die plicht wordt gerealiseerd in de cultuur van de kennis, en de kennis vindt zijn regulatie en orde met religieuze ontzeggingen; en aldus, om die reden, zal je in het offeren altijd de geest vinden die alles en iedereen verbindt.

(16) Daarom is het zo dat hij die er in zijn leven niet in slaagt de cyclische orde van het offeren, zoals men die in de natuur aantreft, in zijn leven in te bouwen, met het dienen van zijn zintuigen, een leven vol van problemen heeft dat tamelijk zinloos is. (17) Anderzijds is degene die behagen schept in het ware en natuurlijke zelf, iemand die verlichting zal vinden in zelfrealisatie; en zo iemand, die de volmaakte tevredenheid enkel in zichzelf zoekt, kent geen verdere verplichtingen. (18) Wat hij uit plichtsbesef doet of laat in de wereld, zal hij nooit doen in horigheid aan de wereld, noch zal hij het nut ervan inzien in dezen achter de rug van andere levende wezens weg te kruipen. (19) En aldus rijst een mens boven de materie uit als hij onthecht, maar constant, gemotiveerd is om zijn werk te doen vanuit het oogpunt van de plicht.

(20) In onze familie zijn er grote voorbeelden van bestuurders die zich volmaakt wisten te redden met het zich strikt aan hun plicht houden, en zo ook behoor jij het als de juiste handelwijze te zien om voor anderen het goede voorbeeld te geven. (21) Wat een achtenswaardig mens doet, zal door andere mensen net zo worden gedaan; dat wat hij doet zal door de hele wereld worden aanvaard als een voorbeeld dat navolging verdient. (22) Ikzelf, zonder verplichtingen met betrekking tot het hemelse, het aardse of de onderwereld, ben evenzogoed bezig, ook al levert het mij verder niets op. (23) Zie je, de ganse wereld zou op een chaos uitdraaien als mensen zoals ik het zouden nalaten hun werk te doen o zoon van Prithâ, het zou tot grote verwarring leiden en dan zou er van alle mensen op deze planeet niets terecht komen. (24) Vanzelf zou de weg die ik zou volgen met het mislukken aandachtig tewerk te gaan, door een ieder in ieder opzicht worden bewandeld. (25) Aangezien de onwetende zijn werk doet in gehechtheid, o nakomeling van Bharata, moet de ontwikkelde mens dat zonder doen met de wens voor de gewone man het voorbeeld te geven. (26) Tegelijkertijd moet hij ook de gewone, onwetende mens die gehecht is aan zijn karma, niet van streek brengen; een geschoold mens moet, met het doen van zijn plicht, allen bij zijn werk proberen te betrekken.

(27) De individuele ziel verbijsterd door het valse ego - zijn identificatie met het lichaam -, houdt zich, onder de invloed van de drievoudige aard van de materiële natuur, bezig met allerlei soorten van handelingen, en aldus beschouwt hij zichzelf als de doener. (28) Maar als een kenner van de allerhoogste waarheid o man van zelfbeheersing, als iemand bedacht op het verschil tussen de twee soorten van zich bezighouden met het werk van de zintuigen en met het werk voor de zintuigen, is hij nimmer zo gefixeerd. (29) Zij die, verbijsterd door de geaardheden der natuur, er op uit zijn die kwaliteiten te dienen, hebben, nalatig als ze zijn in de zelfverwerkelijking, er geen idee van; ze moeten niet van streek worden gebracht door degenen die het wel weten. (30) In plaats daarvan, is het beter het met het verzaken van de wereld allemaal met mij in gedachten te doen, in de volle kennis van de ziel die gevoed wordt door een bewustzijn dat vrij is van verlangens en hebzucht; en waag je dan, met het aldus vrij zijn van de materiële koorts, in de strijd. (31) Allen die indachtig deze instructies, steeds van een praktijk zijn zo regelmatig als die van de natuur, zijn mensen van geloof en samen delen die zonder afgunst de vrijheid vinden, zelfs het vrij zijn van de band van de baatzuchtige arbeid. (32) Zij echter die begerig naar wat anderen hebben, vol van afgunst, niet van een dergelijke, naar mijn instructie geregelde, praktijk zijn, zijn in de war met iedere vorm van logica die men maar kan aanhangen; ken hen als zijnde verloren zonder het natuurlijke bewustzijn. (33) Ook al gaat een mens die in kennis verkeert op eigen houtje tewerk, is hij desalniettemin onderworpen aan de natuurlijke geaardheden; wat voor zin heeft het dan om er zich van af te keren? (34) De zintuigen, gefixeerd in hun gerichtheid op hun voorwerpen, zijn van voorkeur en afkeer; en dit zijn emoties waardoor men zich nooit moet laten beheersen omdat ze zonder twijfel iemands struikelblokken vormen. (35) In geval van dit soort zaken verdient het verre de voorkeur de eigen weg te volgen en zich erbij te vergissen dan om perfect te zijn in het op een vervreemde manier tewerk gaan; het is zonder twijfel beter om problemen te hebben in het volgen van de eigen aard dan om gevaar te lopen met het volgen van een vreemde manier.'

(36) Arjuna zei: 'Wat is het dan dat een mens ertoe drijft om het kwade te doen, ook al wil hij het niet, o stierenkracht, alsof hij ertoe gedwongen wordt?'

(37) De fortuinlijke zei: 'De lust en de woede die je hebt van je hartstocht is het eeuwige kwaad dat de wereld naar de ondergang leidt; ken die emotionaliteit als je grootste vijand hier vandaag. (38) Men is er door overdekt zoals een vuur door rook overdekt is, een spiegel door stof en een embryo door een baarmoeder. (39) Net als vuur is het kennen van de kenner, die overdekt wordt door deze eeuwige vijand in de vorm van ongeregelde verlangens, nimmer bevredigd, o zoon van Kuntî. (40) Deze lust beheerst de zinnen, de geest en de intelligentie, en zo is dan de ware kennis verhuld en is de belichaamde verbijsterd. (41) Perk daarom, om te beginnen, de zinnen in met behulp van een juiste regulatie, o beste van de Kurudynastie, en wendt aldus deze aandrift van het kwaad af welke de vernietiger is van alle kennis en wijsheid. (42) Men zegt dat de zinnen hoger geplaatst zijn dan hun voorwerpen, dat de geest boven hen staat, en dat de intelligentie de geest weer beheerst, maar jij, jij bent de meester van de intelligentie. (43) Superieur aan de intelligentie, het allemaal wetend door het vooropgezet stabiliteit verlenen aan de geest, o man van zelfbeheersing, heers over en overwin aldus die o zo moeilijk te verslane vijand gevonden in de vorm van de lust.'

 

 

HOOFDSTUK 4

Het bewustzijn verenigen in het brengen van offers en in de âtmatattva

 

(1) De fortuinlijke zei: 'Deze antieke wetenschap van het zich innerlijk verenigen is wat ik oorspronkelijk de goddelijkheid van de zon instrueerde, een instructie die de eigenlijke leiding van de schepping, genaamd de Schepper, tot inspiratie heeft gediend, die op zijn beurt de eersten onder de leiders van de orde van de zon inspireerde. (2) De deugdzame leiders in het verleden, die het allen in opeenvolging begrepen, leerden het zich te redden, maar op de lange duur raakte deze grootse manier om zichzelf te verbinden verdeeld in zo vele takken van kennis, o overwinner van een ieder. (3) Deze zeer oude wetenschap van het verenigen van het bewustzijn die ook wel de yoga wordt genoemd, leg ik nu vandaag aan jou uit omdat je de zaak toegewijd bent en mijn vriend, en zo kan je dan kennis nemen van het mysterie van de doorslaggevende toppositie, de positie in het voorbije, de transcendentie.'

(4) Arjuna zei 'Als ik je goed begrijp was jouw instructie er voordat jij er was, je werd geboren na die oude heerschappij en instructie, hoe verklaar je dat?'

(5) De fortuinlijke zei: 'Er bestonden in het verleden vele geboorten van mijn karakter, net zoals van jou, mijn beste Arjuna; ik ken ze allemaal en identificeer mezelf ermee, maar jij doet dat kennelijk niet, o winnaar van de veldslag! (6) Ik mag dan bovenzinnelijk zijn, ongeboren van aard, een onvergankelijke ziel die de Heer over allen is, maar niettemin verschijn ik, vanuit mijn toppositie, in den vleze als een verhulling van mezelf. (7) Waar en wanneer er ook maar een afname is van de rechtschapenheid en het onrecht overweegt, o nakomeling van Bharata, manifesteer ik mezelf op dat moment. (8) Opdat zij die dorsten naar de waarheid een leven mogen hebben en de onverlaten een halt wordt toegeroepen, verschijn ik generatie na generatie ten tonele met de bedoeling de weg van de menselijke principes van de waarheid, de zuiverheid, de boete en het geweldloze mededogen opnieuw te vestigen.3 (9) Een ieder die weet heeft van dit geboorte nemen van mij en waar ik voor sta, zal, zich afkerend van het lichaam als zijnde het ware zelf, niet opnieuw verstrikt raken maar zich verheugen in mijn liefde, beste Arjuna.

(10) Zich volledig bewust van wat ik ben, hebben velen die, bevrijd van gehechtheid en woede, zuivering vonden in de kennis der boete, mijn liefdevolle natuur bereikt. (11) Allen die van overgave aan mij zijn, beloon ik met het fundament, de grondslag waarop een ieder zijn leven op iedere denkbare manier baseert, o zoon van Prithâ. (12) Verlangend naar het volmaakte profijt is men in deze wereld van opoffering voor de verschillende typen van goddelijkheid, en dat is een karmisch verlangen dat in de wereld snel zijn vruchten afwerpt. (13) De vier klassen of maatschappelijke taakverdelingen, tezamen met de vier leeftijdsgroepen waar ik me op instel in relatie tot de drie materiële kwaliteiten, vormen de manier waarop het er met mij in de wereld aan toegaat; maar zie mij, de onvergankelijke ziel, niet voor degene aan die verantwoordelijk is voor deze gang van zaken. (14) Op mij als zijnde de ziel heeft al dit karma geen invloed, noch maak ik deel uit van de ambities ervan, en zo zal er, wat mij betreft, ook geen bewuste persoon zijn die ooit verstrikt zal raken vanwege zijn karma. (15) Tredend in de voetsporen van je voorouders moet je, met het door jou, op dezelfde manier als zij dat deden, vasthouden aan je plicht, de bevrijding vinden.

(16) Velen vragen zich af wat dit karma en het tegendeel ervan nou allemaal inhoudt. Laat me het je uitleggen, zodat je bevrijd zult raken van alle ongeluk. (17) Het goed afwegend moet ik zeggen dat er werk is, misdaad en vrijwilligerswerk, en dat het lastig is te doorgronden hoe het allemaal samenhangt. (18) Als je het werken voor een resultaat beziet als werkeloosheid en het vrijwilligerswerk als het ten dienste staan, mag je jezelf intelligent noemen in menselijke aangelegenheden; het is dan dat je, met al de soorten van handelingen waar je je mee bezighoudt, verbonden bent. (19) De geschoolden die hier weet van hebben verklaren dat hij die vrij is van iedere opzet om op een niet-gereguleerde, lustgemotiveerde manier tewerk te gaan, iemand is wiens baatzuchtige arbeid, zijn karma, is opgebrand in het vuur van de geestelijke kennis. (20) Met het opgegeven hebben van de gehechtheid aan de vruchten van de arbeid, zowel als aan het comfort en de beheersing van een vaste verblijfplaats - het eigen privédomein - is er een duurzame voldoening; ook al gaat iemand die zo bezig is volledig op in allerlei activiteiten, toch doet hij dan niet werkelijk iets. (21) Vrij van nevenmotieven met zijn geest en intelligentie onder controle, doet hij zijn werk waarbij er zich dan geen schuld ontwikkelt; want al wat hij feitelijk doet is het handhaven van het lichaam in het nalaten van al het vergaren. (22) Tevreden met wat hij op zijn weg vindt is hij, vrij van afgunst, de materiële dualiteit ontstegen en is hij, dan stabiel in geval van falen en slagen, nimmer verstoord met wat hij ook doet. (23) Met zijn geest stevig verankerd in de spirituele wijsheid, en met de gehechtheid verdwenen handelend terwille van het brengen van offers, blijft er niets over van zijn motivatie om resultaten te behalen, van zijn karma dus.

(24) Offers brengend terwille van de geest wordt de geest het offer en is de offeraar van het geestelijk vuur; zeer zeker zal hij de geest van het absolute bereiken die zich volledig wijdt aan het dienen van die geest. (25) Sommigen wijden zich aan de vertegenwoordigers van dit of dat goddelijk belang, terwijl anderen, met de wens zich te verenigen in het bewustzijn, van opoffering zijn voor het volmaakt verbonden zijn in het vuur van de geest van het Absolute. (26) Sommigen verhouden zich tot dit vuur met behulp van mantra's waarmee ze hun oren en dergelijke zinnen dan opdragen, terwijl anderen datgene waar hun zinnen op uit zijn offeren in het vuur. (27) Weer anderen, die verlicht in de geestelijke kennis hun geesten concentreren in de yoga, offeren in het vuur het ademen dat ze hebben met al de drukte van hun zinnen. (28) Sommigen geven, van verzaking zijnd, aldus hun bezittingen op in het zich verenigen, terwijl weer anderen, die zich ascetisch houden aan geloften, al hun talenten van begrip wijden aan de studie van de geschriften. (29) Anderen verder, die het proberen vanbinnen stil te worden met hun essentie, doen dat door hun in- en uitgaande adem te volgen, waarin ze de inwaarts en uitwaarts bewegende adem met elkaar verbinden, terwijl nog weer anderen de hele onderneming van het alles uitademen eraan geven door hun voedselinname te beperken. (30) Wat de praktijk ook moge inhouden, allen die weten van offeren, vinden op die wijze verlichting van de innerlijke beroering van het aangedaan zijn door de materiële kwestie, en bereiken, met het verworven hebben van de smaak van die nectar van het offeren, de geest van het eeuwige. (31) Hoe kunnen we nu ooit een betere wereld krijgen, als we niet van opoffering zijn in deze wereld, o beste van de Kuruheerschappij? (32) Dit is hoe de verschillende manieren van offers brengen worden verdedigd in de boeken der wijsheid. Ze zijn alle het resultaat van plichtmatig bezig zijn, en met de liefde voor de kennis hiervan, met de âtmatattva4 in dezen, zal je de bevrijding vinden.

(33) Als jij, o zoon van Prithâ, vastbesloten bent je kennis te wijden aan deze âtmatattva, is dat een groter offer dan het opofferen van je bezittingen, o ondergang van je tegenstanders, omdat je plicht er volmaakt door gediend en volledig door behartigd zal zijn. (34) Onthou dat als je van respect bent voor hen die hier weet van hebben, en jij hen, met de wens ze van dienst te zijn, vragen stelt, dat deze âtmatattva-mensen der zelfverwerkelijking je zullen inwijden in de waarheid der zieners. (35) Als je van de âtmatattva bent zal je nimmer weer de illusie ten prooi vallen, o zoon van tante Prithâ, omdat je, met deze liefde voor de kennis, achting zult hebben voor alle levende wezens als deel uitmakend van de ziel - of anders gezegd, dat allen zich in mij bevinden. (36) Zelfs al ben je de meest ellendige en laagste van allen, zal je, met dit schip van de kennis der spiritualiteit, de oceaan van al de materiële misère kunnen oversteken. (37) Net zoals een laaiend vuur brandhout in as verandert, zal, beste Arjuna, het vuur van dit hogere weten al jouw karma in de as leggen. (38) Niets waar jij weet van hebt in deze wereld is te vergelijken met deze zuivering, en hij die waarlijk ervaren is in dit zich verenigen, zal dat ook zelf concluderen. (39) Hij die hier geloof aan hecht zal, als hij aan deze âtmatattva vasthoudt, erin slagen zijn zinnen te onderwerpen, omdat men in deze trouw aan de principes zeer snel het transcendentale bereikend, de vrede zal vinden. (40) Iemand zonder benul, vol van twijfels en zonder enig geloof voelt er niet veel voor; nimmer zal er in deze wereld, noch in het hiernamaals, geluk te vinden zijn voor een dergelijke ziel vol van twijfels. (41) De man die, verenigd in het bewustzijn, de baatzuchtige vorm van arbeid eraan gaf, en, met de âtmatattva van het gewetensvol kennen van het absolute, brak met de twijfels, heeft zijn leven gevonden in de ziel en zal, wat hij ook doet, zich nimmer gebonden weten, o veroveraar van de weelde. (42) En wees zo, o nakomeling van Bharata, door het met behulp van het wapen van de kennis van de ziel kappen met de twijfel die zich uit onwetendheid in je hart opwierp, van de innerlijke vereniging en sta op!'

 

 

HOOFDSTUK 5

Zich verenigen in arbeid en onthechting

 

(1) Arjuna zei: 'Krishna, je laat je zowel lovend uit over de keer ten goede van het zich verenigen in het bewustzijn als over de keer om zich van productieve arbeid te onthouden; maar welke van de twee is nu beter, geef me hier uitsluitsel over.'

(2) De man van het geluk zei: 'Zowel het werk verricht terwille van het zich verenigen als het geheel en al verzaken van de baatzuchtige arbeid leidt tot bevrijding, maar, zoals jij het stelt, zou ik zo zeggen dat vergeleken met het verzaken van baatzuchtige arbeid, het handelen ten dienste van de vereniging de voorkeur verdient. (3) Beschouw altijd hem die noch haat, noch verlangt als een verzaker; vrij van de dualiteit is hij, o man van beheersing, er gelukkig mee volledig vrij te zijn van de materiële gebondenheid. (4) Onwetend zegt men dat het intellectuele beschouwen van de wereld verschilt van het zich verenigen in het bewustzijn, maar de geschoolden zien dat niet zo. Ongeacht waar men voor kiest komt men logisch gesproken uit op het volledige van hen beiden. (5) Dat wat wordt bereikt door intellectuele inspanning bereik je ook met het dienen van de vereniging, en aldus ziet hij, die studeren en onzelfzuchtig handelen als één en hetzelfde beschouwt, de dingen zoals ze zijn.

(6) Maar het is zo dat de verzaking, o man van beheersing, zal resulteren in leed als dat zonder het zich verenigen in het bewustzijn plaatsvindt, terwijl een denker, die verbonden is in het zich verenigen, onverwijld de allerhoogste geest bereikt. (7) Verbonden in het zich verenigen zal een zuivere ziel, die zelfbeheerst de zinnen heeft onderworpen, vol van mededogen zijn voor alle levende wezens en nimmer zijn aangedaan, ongeacht het werk dat hij doet. (8-9) Wat betreft het ruiken, horen, zien, aanraken, lopen, dromen en ademen van het lichaam, zegt een man van de waarheid: 'Zeer zeker doe ik, in mijn verbonden zijn, in het geheel niets'; hij beziet al het praten, verzaken, aanvaarden, openen en sluiten van zijn ogen, als enkel een bezigheid van de zinnen. (10) Als een lotusblad in het water is hij, die in het verzaken van zijn gehechtheden al zijn activiteiten inperkt tot het spirituele, aldus tewerk gaand, nimmer aangedaan door enige tegenslag of moeilijkheid. (11) In het opgeven van de gehechtheid van het zelf zijn zij die innerlijk verenigd zijn, met hun lichaam, geest en intelligentie, en zelfs met hun zintuigen, in dat wat ze doen bezig terwille van de zuivering. (12) In verbondenheid van het profijt afziend in hun arbeid bereiken zij onverschrokken de vrede, terwijl zij die niet verbonden zijn verstrikt raken in hun gehechtheid de vruchten van de arbeid te willen genieten.

(13) In deze geest van het verzaken van alle handelingen leeft de belichaamde die van beheersing is, gelukkig in de stad met de negen poorten, het lichaam; nimmer is hij degene die ook maar iets doet, noch geeft hij aanleiding tot enig iets. (14) Hij is nimmer de eigenaar, noch de doener, noch zet hij anderen aan tot handelen, noch veroorzaakt hij de resultaten; het wordt allemaal bestierd door de natuur zelf. (15) Nimmer gaat de Almachtige in Zijn heersen ervan uit dat wie dan ook van een goede of een kwade inborst zou zijn; nee, Hij is meer begaan met de verbijstering van de levende wezens wier kennis wordt overdekt door de onwetendheid.

(16) Voor die ziel echter wiens onwetendheid werd vernietigd door de âtmatattva, wordt de hoogste werkelijkheid van de geestelijke kennis onthuld als was het de rijzende zon. (17) En om die reden grijp je dan ook niet terug op het lichamelijk begrip van het leven als je eenmaal je intelligentie daarop hebt toegelegd, als je eenmaal je leven daarop hebt ingesteld, als je daar trouw aan bent en daarin je toevlucht zoekt; en als dat zo is zal je, bij de genade van die âtmatattva, al je twijfels van je af weten te schudden. (18) Of het nu een brahmaan van deugd en succes betreft, een koe, een olifant, een hond of een zwerver, door hem die van de wijsheid is worden ze allen gelijkgezind bekeken. (19) Zij die met een geest die stabiel is in een dergelijke gelijkheid foutloos zijn in spirituele gelijkmoedigheid, bevinden zich in het voorbije; zij hebben geboorte en dood verslagen. (20) Niet juichend in geval van succes, nog werkelijk geraakt door het onaangename, bevindt hij die zonder verbijsterd te zijn het spirituele kent, die vertrouwt op zijn eigen intelligentie, zich in het bovenzinnelijke. (21) Hij die niet gehecht aan oppervlakkige pleziertjes, erin slaagt om zich te concentreren op het spirituele van het verbonden zijn in de ziel, zal in zichzelf een onbegrensd geluk genieten. (22) Zij die intelligent zijn scheppen nimmer behagen in dat wat in relatie tot de zintuigen de ellende veroorzaakt, daar dergelijke zaken die een begin en een eind hebben altijd tijdelijk zijn, o zoon van tante Kuntî. (23) Hij die levend met het lichaam, voordat hij zijn lichamelijk omhulsel afwerpt, in staat is om de lust en de woede die ontstaan uit de aandriften ervan te beheersen, is een persoon van integriteit en geluk. (24) Een ieder die, vanbinnenuit gelukkig zijnde, berust in het innerlijk licht, is een verenigde âtmatattva-persoon die, bevrijd in de geest, in staat is om zijn eigen weg met God te volgen. (25) Zij die zonder een hoge dunk van zichzelf te hebben, met het leiden van een innerlijk leven, die geestelijke bevrijding bereiken, zijn, voorbij de dualiteit zich bevindend in zelfverwerkelijking, in feite er druk mee bezig het welzijn van alle levende wezens te dienen. (26) Zij die in hun verzaking bevrijd raakten van de lust en de woede, hebben hun geest weten te onderwerpen, zodat ze, met dat wat ze leerden van de ziel, spoedig kunnen rekenen op de opperste zaligheid. (27-28) Niet de noodzaak voorbijstrevend in de buitenwereld is de persoon innerlijk uitgestegen boven de wereldse zaken en is hij, in zijn praktijk van het zich concentreren tussen de wenkbrauwen, het stopzetten van de in- en uitgaande adem, het vasthouden van de adem in de neus, en met de zintuigen, de geest en de intelligentie aldus ingesteld op de bevrijding, iemand die, met het afgezien hebben van alle verlangens, angsten en woede, zeer zeker altijd van die bevrijding is. (29) Met mij en waar ik voor sta helder voor ogen als zijnde het doel van alle offers, boetedoeningen en verzakingen, met mij als de fortuinlijke in al de werelden die de zegen is van alle levende wezens, zal men aldus de vrede vinden.'

 

 

HOOFDSTUK 6

Aanwezig zijn en er eerder geweest zijn

 

(1) De fortuinlijke zei: 'Niets verwachtend van het werken voor de opbrengst, behoort hij, die zijn werk plichtmatig verricht, tot de afdeling der onthechte zielen en is hij een persoon die innerlijk verenigd en verbonden is, maar dat geldt niet voor degene die geen offers brengt en niet plichtmatig bezig is. (2) Het is in deze afdeling der onthechte zielen dat men verbonden raakt o zoon van Pându; met het niet afzien van het zelfzuchtig motief is er geen sprake van dat men zich in het bewustzijn verenigt, is er geen sprake van dat men een âtmatattva-persoon is. (3) Men zegt van de beginner in deze praktijk van wijsheid dat het het verrichten van arbeid is waardoor men verbonden en verenigd raakt, maar van hen die het bereikten zegt men dat het te danken is aan de gelijkgezindheid. (4) Zo gauw de persoon niet langer het zintuiglijke ten dienst staat en hij het werken voor een resultaat heeft opgegeven, is hij op dat moment een verzaker van alle materiële verlangens die verheven is geraakt in deze wetenschap van de yoga van het verenigen van het bewustzijn. (5) Men moet erop letten nadenkend en aandachtig te zijn en niet door te draaien in negativiteiten, en daarbij in gedachten houden dat die nadenkendheid evenzo goed je vriend is als je vijand. (6) Voor degene die zichzelf de baas is, is de geest de beste kameraad, maar voor hen die de ziel uit het oog verloren blijft de geest een vijand. (7) Als men als een kampioen in de nadenkendheid de vrede gevonden heeft, is men geheel en al van de grotere Ziel die de individuele zielen beheerst en die hetzelfde is in kou en hitte, in lief en leed, en in eer en oneer. (8) Tevreden met de âtmatattva en de wijsheid die erbij hoort kan een persoon van zichzelf op aan als hij het zinnelijke onder controle heeft, en het is om die reden dat hij die verenigd is er bekend om staat dat het hem om 't even is of het nu een kluit aarde, een steen of een klomp goud betreft. (9) Het verst gevorderd is hij die gelijkgezind is jegens zowel vrienden en weldoeners als jegens vijanden, zowel in relatie tot haatdragende verwanten als in relatie tot verwanten die goedgezind zijn, alsook met degenen die het met de regels niet zo nauw nemen als met hen die toegewijd en trouw zijn.

(10) Teneinde verenigd te zijn in de yoga moet een persoon altijd zichzelf herinneren vanuit een afgezonderde positie waarin hij alleen kan zijn, waarin hij volledig aandachtig kan zijn, hij niet afgeleid wordt en hij zich geen zorgen hoeft te maken over bezittingen. (11-12) Op een beschutte plek moet hij zorgen voor een comfortabele zitplaats die niet te hoog of te laag is met een zitkussen met een zachte overtrek, zodat hij, eenpuntig van aandacht, in staat is zijn hart vrij te maken met het beheersen van zijn geest, zijn zinnen en zijn spieren. (13-14) Zijn lichaam niet bewegend en met zijn nek en zijn hoofd recht, moet de yogabeoefenaar naar het puntje van zijn neus staren en nergens anders naar kijken. Met een kalm zelf, vrij van angst en zwerend bij het celibaat, moet hij zich dan geheel zelfbeheerst concentreren op het uiteindelijke doel van mij, op dat waar ik voor sta. (15) Bevrijdt in het voorbije zal hij, die met de praktijk zoals nu uiteengezet zo de geest inperkt en het bewustzijn verenigt, aldus bezield bezig zijnd, de vrede bereiken van het spirituele bereik. (16) Maar, Arjuna, de vereniging vindt niet echt plaats als men te veel eet, of als men te veel vast, en hetzelfde geldt voor te veel slapen en te lang wakker blijven. (17) Echter, als men met het doen van zijn yoga erin slaagt het slapen en waken te reguleren, zowel als het eten en het zich vermaken als de tijd voor persoonlijke zaken en de uren dat men werkt, zal er aan alle problemen een einde komen. (18) Als men, zonder te verlangen met allerhande lustmotieven, met de geest op deze manier gedisciplineerd, gevestigd raakt in de bovenzinnelijkheid, geldt dat men in dat geval in verbinding staat. (19) Je kan de verenigde persoon, wiens geest wordt beheerst door de regelmatige en constante meditatie van de ziel, vergelijken met een olielamp die niet flakkert als hij uit de wind is geplaatst. (20) In de staat waarin de geest, afgekeerd van materiële zorgen, zijn rust vindt in het beoefenen van de vereniging, vindt men zijn bevrediging als men, in de zuiverheid van een dergelijke geest, zich bewust is van zijn plaats in de ziel. (21) Het opperste geluk, waarvan men weet dat het met behulp van de intelligentie kan worden bereikt in de bovenzinnelijke positie, zal degene die het bereikt nooit van de waarheid vervreemden. (22) En wat je ook nog meer moge inzien in die positie kan je nimmer waardevoller achten dan dat, omdat je vanuit die gelukzaligheid nooit overschaduwd raakt, hoe ernstig de problemen ook zijn. (23) Weet dat in de vervoering van de yoga aan al de ellende van het in contact staan met de materiële wereld een einde komt. (24) Verzeker je er dus van dat je die vereniging volijverig beoefent en jezelf niet verliest in gissingen die ontsproten aan je hang naar ongeregeld bezig zijn; je kan er zeker van zijn dat je geest geheel de aftocht zal blazen als het je gelukt is om dit voor je hele zintuiglijkheid te regelen.

(25) Er niet over peinzend het op een andere manier klaar te spelen, moet men, met een intelligentie gedragen door overtuiging, stap voor stap de geest erin oefenen zich terug te trekken in de stabiliteit van de ziel. (26) Van waarheen ook de geest, die zo makkelijk in beroering raakt, wisselvallig en onstandvastig afdwaalt, moet men hem weer onder het gezag plaatsen van deze zelfregulatie. (27) Hij die in verbinding staat bereikt de hoogste deugd als hij, bevrijd in de geest van het absolute, met zijn denken in vrede en zijn hartstocht geluwd, vrij is van onzuiverheden. (28) Met het altijd van de ziel zijn wordt aldus een onuitputtelijk geluk gevonden door de verenigde persoon die, op vrome wijze in contact staande met de geest der transcendentie, vrij is van alle materiële duisternis. (29) Hij die verbonden is in het verenigde zelf beziet allen met een neutrale blik: hij ziet de ziel in alle levende wezens en alle levende wezens in de ziel. (30) Voor hem die, als zodanig, mij herkent in alles en alles beziet als zich ophoudend in mij, ga ik nimmer verloren, noch zal hij ooit voor mij teloor gaan. (31) Als men mij toegewijd is als me bevindend in ieders hart, bevindt men zich in eenheid, en van zulk een inzicht zijnde, zal zo iemand, verenigd in het bewustzijn, met mij altijd een leven hebben, ongeacht de omstandigheid. (32) Die transcendentalist die, op zijn gemak of ermee in moeilijkheden, erin slaagt zijn eigen zelf gelijk te richten met het zelf dat overal gelijkelijk aanwezig is, beschouwt men als zijnde volmaakt.'

(33) Arjuna zei: 'Geëmotioneerd als ik op het ogenblik ben, heb ik er geen idee van hoe dit systeem van het zich verenigen, zoals je dat in het algemeen voor mij beschreven hebt o duivelbestrijder, mij enig houvast zou bieden. (34) De geest, Krishna, is ontembaar, sterk en opstandig, en brengt je zo makkelijk van streek dat ik denk dat te doen wat jij zegt zo moeilijk is als het temmen van de wind.'

(35) Hij van het geluk zei: 'Het lijdt geen twijfel dat, o man van beheersing, het moeilijk is de koppige geest onder controle te krijgen, maar, o zoon van Kuntî, met vasthoudendheid en onthechting kan het je lukken. (36) Met een wispelturige geest kan je het moeilijk hebben je eigen weg te vinden; zoals ik het zie bestaat de juiste methode om het te bereiken eruit de geest met iets zinnigs, iets praktisch, aan het werk te zetten: ga iets doen!'

(37) Arjuna zei: 'Maar welk lot treft dan hem, beste Krishna, die van zijn geloof gevallen, met een geest die de volmaaktheid mist, afdwaalt van het pad der vereniging? (38) Is het niet zo, o machtige bestierder, dat als iemand zowel de weg kwijt is als zijn geloof, hij ten onder gaat als hij, als een wolk die verwaait in de wind, geen houvast meer vindt? (39) Deze twijfel knaagt aan me Krishna, ik smeek het je, bevrijdt me daar geheel van, want er is hier niemand anders die dat kan.'

(40) De fortuinlijke zei: 'Beste zoon van Prithâ, noch in deze wereld, noch in het hiernamaals is het zo dat hij die van een gedegen handelwijze is zichzelf ooit de mist in zal zien gaan; hoe kan het met zo iemand nu verkeerd aflopen? (41) Met het voor vele jaren geleefd hebben van een leven van succes en goede daden, zal degene die het spoor van de innerlijke vereniging bijster raakte, weer tot leven komen in het huis van degene die vol van begrip en eerlijk is. (42) Of anders kan hij een leven vinden in een gezelschap van transcendentalisten van grote wijsheid; maar natuurlijk is men maar hoogst zelden op die manier van een nieuw leven in deze wereld. (43) Met de intelligentie de draad weer oppakkend waar hij gebleven was in zijn voorgaande bestaan, o zoon van Pându, zal hij daarop weer opnieuw ijveren voor de volmaaktheid. (44) Van binnenuit gedreven tot zijn voorgaande praktijk zal hij belangstelling hebben voor de bewustzijnsvereniging en zal hij erin slagen de routines zoals die zijn vastgelegd in de boeken te ontstijgen. (45) Systematisch in zijn benadering zal zo een spirituele persoon, leven na leven geleidelijk de perfectie bereikend, al de onzuiverheden uit zijn ziel weggewassen zien en zo de positie bereiken waarin hij de dualiteit de baas is. (46) Zij die verenigd zijn in het bewustzijn staan boven degenen die er enkel maar een filosofie op nahouden, en ook staan ze boven degenen die zich enkel maar inspannen voor de vrucht der arbeid; wees daarom, Arjuna, van het eerstgenoemde. (47) En van al degenen die innerlijk verenigd zijn beschouw ik hen die zich mij, als zijnde de integriteit van dat alles, trouw weten te herinneren en te dienen, als de grootsten.'

 

 

HOOFDSTUK 7

Verenigd in de âtmatattva jezelf kennen en het maken

 

(1) De fortuinlijke zei: 'Luister nu hoe, o zoon van Prithâ, je met je geest op mij geconcentreerd in de vereniging waar het mij om te doen is, je de twijfel te boven kan komen met betrekking tot deze volledigheid van mij. (2) Laat me je tot in detail uitleggen hoe, met deze kennis onder de knie er wijs mee rakend, dat voor jou alles zou zijn wat er in deze wereld te weten valt. (3) Onder vele duizenden is er slechts een enkeling die geeft om de volmaaktheid en onder hen is er slechts een enkeling die zich werkelijk bewust is van deze integriteit van mij.

(4) Dat waar ik in materiële zin uit besta zijn de energieën van de aarde, het water, de lucht, de ether, de geest, de intelligentie en het ego. (5) Begrijp goed, o man van beheersing, dat benevens deze lagere energie van mij er een hogere is die, als de ondersteuning voor de hele wereld, het Zelf van mij vormt waarin ieder levend wezen zich bevindt. (6) Al het geschapene wortelt in deze twee energieën en in die zin moet je mij zowel zien als de eeuwige bron van het geschapene als de fragmentatie die je in de wereld aantreft.

(7) Voorbij deze hogere energie van mij, die er is als de draad die de parels van een ketting verbindt, valt er verder niets meer te bekennen o veroveraar van de weelde. (8) In dezen ben ik de smaak van het water, o zoon van Kuntî, het licht van de zon en de maan, de oermantra AUM in alle heilige boeken, het geluid dat je aantreft in de ether en het kunnen van de mens. (9) Ik ben de oorspronkelijke geur van de aarde, de hitte van het vuur, het leven in alle levende wezens en ik ben de boete der boetvaardigen. (10) Weet, o zoon van Prithâ, dat ik het zaadbeginsel ben van alle levende wezens, de oorspronkelijke intelligentie van de intelligenten en de gebieder van hen die aan de macht zijn. (11) Ik ben van de sterken de sterkte die vrij is van verlangen en gehechtheid, en o meester van de dynastie, van het seksleven van het levende wezen ben ik de consequente samenhang met de natuur.

(12) En onthou dat van al de staten van goedheid, hartstocht en duisternis waar men zich in kan bevinden, ze meer een deel van mij vormen, dan dat ik deel van hen uitmaak. (13) De ganse wereld staat onder de invloed van deze staten en is als gevolg van hen begoocheld, in onwetendheid verkerend over mij, degene die zich boven hen bevindt als het onuitputtelijke allerhoogste. (14) De goddelijkheid van deze opzet van mij in de zin van de natuurlijke geaardheden, vormt een bijzonder lastig iets, maar zij die mij aanvaard hebben als de integriteit ervan, zijn er zeer wel toe in staat deze begoochelende energie te boven te komen. (15) Zij die corrupt zijn en de dwazen5 wier âtmatattva overschaduwd wordt door het verstandsverbijsterende effect van de geaardheden, koesteren, vanuit hun onverlichte staat, geen respect voor mij.

(16) Arjuna, van de vromen die mij respecteren zijn er vier typen: zij die in moeilijkheden verkeren, zij die nieuwsgierig zijn, zij die mijn weelde verlangen, en zij die van de âtmatattva zijn. (17) Van dezen staat degene die in toewijding altijd in de âtmatattva is verbonden mij het meest nabij, omdat hij die de kennis liefheeft en mij hooghoudt, door mij wordt hooggehouden. (18) Alle âtmatattva-personen zijn zeer zeker grootmoedige zielen, en ik durf te stellen dat ze, in hun verbonden zijn in de ziel, aan mij gelijk zijn, omdat men in mij die hoogste bestemming vindt. (19) Na het zo vele levens geprobeerd te hebben aanvaardt hij die van de âtmatattva is, hij die ervan houdt gelijkgezind te zijn, mij als de oorspronkelijke goddelijkheid van alle succes, en zo iemand komt men, zoals je weet, maar zelden tegen.

(20) In hun verlangens houden zij die de âtmatattva uit het oog verloren het, naar gelang hun aard, op mindere goden en mindere regelingen. (21) Zij die overeenkomstig hun eigen verlangen trouw vasthouden aan welke vorm van goddelijkheid ook, worden echter door mij in hun geloof bevestigd. (22) Geïnspireerd door een dergelijke vorm van verbondenheid bereiken ze waar ze op uitzijn, want dat is hoe ik, en niemand anders, voor hen in die verbondenheid heb voorzien. (23) Maar, omdat het een mindere intelligentie betreft6, zijn dergelijke uitkomsten maar tijdelijk van aard; zij die de goden wensen zoeken hun heil bij hen en zij die mij willen bereiken komen bij mij terecht. (24) Niet bekend met de allerhoogste integriteit van de dualiteit van mijn onoverwinnelijke lagere en onvergankelijke hogere bestaan, veronderstellen de minder intelligenten dat ik vanuit het ongeziene een gedaante heb aangenomen. (25) Ik, in de zin van die ongeboren en onuitputtelijke werkelijkheid, ben niet zonder meer voor een ieder duidelijk omdat de dwazen, die overschaduwd worden door illusoire begrippen van eenheid, geen notie hebben van mijn integriteit. (26) Het verleden, het heden en de toekomst van alle levende wezens is mij duidelijk, Arjuna, maar voor hen ben ik niet zo duidelijk. (27) O nazaat van Bharata, al de levende wezens die hun geboorte namen hebben te lijden onder de illusie die zijn oorsprong vindt in de begoochelende dualiteit van voorkeur en afkeer. (28) Deze illusoire dualiteit lost op bij personen die, vroom in hun handelingen, het einde van hun nevenmotieven bereikten; zij zijn degenen die, vrij van misvatting en ervan overtuigd mij van dienst te zijn, met toewijding tewerk gaan. (29) Allen die mij als hun toevlucht kiezen om van de last van de oude dag verlost te raken, zijn feitelijk godsbewuste mensen; ze weten alles van wat men moet doen ten gunste van de transcendentie. (30) Verbonden in de geest kennen ze zelfs als ze op het punt staan te sterven, mij als de ene soevereine heerser over de gehele materiële manifestatie, alle goddelijkheid en alle offers.'

 

 

HOOFDSTUK 8

Verenigd in de geest der eeuwigheid verlossing vinden

 

(1) Arjuna zei: 'Wat over God, de ziel die men voor zichzelf heeft en vruchtdragende bezigheden; wat o grootste persoonlijkheid, over de materiële manifestatie en wat te zeggen over, zoals men dat noemt, de mindere goden in dezen? (2) Wie is die heer van het offer, hoe leeft hij binnenin het lichaam, en, duivelbestrijder, hoe kunnen zij die van de zelfbeheersing zijn jou kennen op het moment dat ze heengaan?'

(3) Hij die van al de weelde is7 zei: 'God is de onvergankelijke Ene in het voorbije die de ziel of het ware zelf wordt genoemd die eeuwig is, en waarvan de levende wezens zich vertonen in een creatieve bezigheid die men karma noemt, de werklast of het werken voor een resultaat. (4) De mindere goden zijn de universele integriteiten, of de goddelijke persoonlijkheden, van de verschillende manifestaties van de natuur die constant in beweging zijn - zoals de zon en de maan -, en de heer der offers ben ik, hij die binnenin de belichaamde wezens aanwezig is, mijn beste. (5) Hij die zich mij herinnert als hij op het punt van sterven zijn materiële lichaam achterlaat, zal zonder enige twijfel mijn eigenlijke aard bereiken. (6) De aard van wat men zich allemaal herinnert als men dit lichaam ten leste opgeeft, zal, o zoon van Prithâ, altijd leiden tot een staat die overeenkomt met degene die men in gedachten hield. (7) Hou derhalve te allen tijde, en zelfs in het heetst van de strijd, vast aan het je herinneren van mij, zodat je, vrij van twijfel, met je geest en intelligentie mij aanvaardend, er zeker van bent dat je mij zult bereiken. (8) Als men, vasthoudend in het zich verenigen, verbonden is met een geest en intelligentie die niet afdwaalt, bereikt men de opperste en goddelijke, persoonlijke integriteit die men in gedachten hield, o zoon van Prithâ.

(9) Hij, de Allerhoogste, is de Ene die alles weet en die de oudste en de beheerser is; Hij is kleiner dan een atoom, de Ene die altijd overal aan denkt en de Ondoorgrondelijke Handhaver die verheven is boven alle duisternis met een gedaante zo helder als de zon. (10) Die persoon zal het goddelijke bereiken die, als zijn tijd is gekomen, zijn levensadem tussen zijn wenkbrauwen vestigt, en, verbonden door de kracht van zijn yoga, in het volle van zijn toewijding een geest heeft die niet afdwaalt maar vasthoudt aan de integriteit van het universum, de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije.

(11) Laat me je nu in het kort uitleggen wat het betekent om een celibatair te zijn. Het is een praktijk die nagestreefd wordt door hen, behorend tot de wereldverzakende orde, die als grote geleerden goed thuis in de kenniscultuur de mantra AUM beoefenen. (12) Men bevindt zich in de positie van de bewustzijnsvereniging als men, zelfbeheerst in relatie tot wat de zintuigen waarnemen en met de levenskracht in het hoofd geconcentreerd, de geest in het hart sluit. (13) Een ieder kan die allerhoogste staat bereiken als hij, met het laten van het lichaam voor wat het is, met mij in gedachten AUM laat weerklinken, de ene lettergreep van de geest.

(14) Voor iedere yogabeoefenaar, die op een regelmatige basis aanhoudend, met een geest die nergens anders doolt, zich mij herinnert, o zoon van Prithâ, ben ik, vanwege die constante aandacht, makkelijk te bereiken. (15) De grote zielen die mij bereikten beginnen nooit met een nieuw leven in de tijdelijke wereld die zo vol van misère is, omdat zij het helemaal tot het uiteindelijke van de perfectie hebben weten te brengen. (16) Arjuna, men keert zelfs weer terug van de hoogste geestelijke werelden, maar als men mij bereikt heeft, o zoon van Kuntî, zal men nooit meer een nieuw leven aanvangen. (17) Zoals het is met de gewone man die denkt in termen van dagen en nachten, bestaat een dag van God uit een duizendtal cycli van schepping8, terwijl Zijn nacht, zo wordt het begrepen, evenzo een duizendtal cycli beslaat. (18) Al de levende wezens manifesteren zich bij het begin van de dag en bij het vallen van de nacht vinden ze allen hun vernietiging, of worden ze, zoals men dat zegt, weer opgenomen in het ongeziene. (19) O zoon van Prithâ, het geheel van alle levende wezens dat zich manifesteert bij het aanbreken van iedere dag en hun automatisch weer vernietigd worden als het weer nacht wordt, houdt in dat ze herhaaldelijk hun geboorte nemen. (20) Maar transcendentaal aan die natuur, welke ongezien kan zijn, is er een andere natuur, eeuwig en niet te zien, welke nimmer zijn vernietiging vindt als aan al het gemanifesteerde een einde komt. (21) Die ongeziene natuur wordt gezegd onfeilbaar te zijn en wordt beschreven als de uiteindelijke bestemming vanwaar men, als men die bereikt heeft, nooit weer terugkeert: dat is mijn allerhoogste verblijf. (22) Hij, de Allerhoogste en Oorspronkelijke Persoon, o zoon van Prithâ, in wie de gehele manifestatie zijn bestaan heeft en door wie al het zichtbare wordt doortrokken, kan enkel worden bereikt door een dienstverlening die op niets anders is gericht dan op toewijding.

(23) O beste der Pândava's, laat me je nu een beschrijving geven van de tijden van vertrek uit deze wereld waarop zij die geslaagd zijn in de bewustzijnsvereniging terugkeren of anders niet terugkeren. (24) Die personen die vertrekken naargelang het licht van het vuur, het daglicht, het licht van de heldere maandhelft van een wassende maan of het licht van de zes maanden dat de zon hoog aan de hemel staat, gaan allemaal naar God. (25) Hij die verenigd in het bewustzijn echter vertrekt naargelang de duisternis van de nacht, de duisternis van rook, de duistere helft van de maand of het duister van de zes maanden dat de zon laag aan de hemel staat, zal weer naar deze wereld terugkeren omdat hij niet voorbij de orde van het maanlicht wist te reiken. (26) Dit zijn volgens de geschriften de twee manieren om uit deze wereld te vertrekken; als men overeenkomstig het licht vertrekt keert men niet terug, terwijl men wel terugkeert als men overeenkomstig het duister vertrekt. (27) Hij, verenigd in het bewustzijn, die weet heeft van deze verschillende wegen, verkeert niet in staat van begoocheling over welke van de twee ook; wees derhalve, Arjuna, altijd verbonden in de âtmatattva van het verenigen van het bewustzijn. (28) Alle yogabeoefenaars die zich hiervan bewust zijn reiken voorbij de resultaten van godvruchtige arbeid zoals ontleend aan de studie van de geschriften, offerplechtigheden, verzakingen en liefdadigheid, en bereiken het oorspronkelijke, allerhoogste verblijf.'

 

 

HOOFDSTUK 9

Zich verenigen in vertrouwelijke kennis

 

(1) Hij van het fortuin zei: 'Wat ik je nu ga vertellen is de meest vertrouwelijke soort van wijsheid en kennis, en is bedoeld voor hen die vrij zijn van afgunst; dit weten zal je bevrijden van alle wereldse misère. (2) Het is de absolute heerser van alle kennis en vertrouwen, het is de zuiverste, ultieme intelligentie van de praktische ervaring, is maatgevend voor de religiositeit, is onvergankelijk en brengt geluk als het in praktijk wordt gebracht.

(3) Personen die geen geloof hechten aan deze manier zichzelf te verbinden, o overwinnaar van je vijand, zullen, als ze mij op de weg van hun materiële bestaan niet hebben kunnen vinden, weer terugkeren na hun sterven. (4) Van mijn ongeziene gedaante is deze ganse kosmische manifestatie doortrokken; zo bevinden zich alle levende wezens in mij terwijl het volledige van mij anderzijds niet in hen kan worden aangetroffen. (5) Noch zal ook maar iets van wat afzonderlijk bestaat in mij standhouden; doorgrond mijn grootse eenheid: ik die als het oorspronkelijke zelf de bron van al het geschapene ben, bevindt me, als de handhaver van al het geschapene, nimmer volledig in dat wat er geschapen werd. (6) Bekijk het op deze manier: net zoals het is met de machtige wind die overal waait in de atmosfeer, is het gesteld met al de levende wezens die overal in mij leven. (7) O zoon van tante Kuntî, aan het einde van een dag van schepping gaan al de levende wezens op in de totaliteit van mijn materiële natuur en bij het aanbreken van een dergelijke dag worden ze allemaal weer opnieuw geschapen of geconditioneerd. (8) Met het binnengaan in deze materiële natuur van mij schep ik, keer op keer, de hele kosmische manifestatie, het volkomen geheel dat is overgeleverd aan mijn dwingende, etherische kracht. (9) En aan die handelingen ben ik nimmer gebonden, o veroveraar van de weelde, omdat ik, niet aangetrokken tot de vruchtdragende handeling, van een neutrale positie ben. (10) Onder mijn toezicht manifesteert de materiële natuur zowel de bewegende als de niet-bewegende levensvormen, en dit toezicht vormt voor het levende wezen, o zoon van Kuntî, de zin, het motief, van het bestaan.

(11) Dwazen, niet bekend met mijn bovenzinnelijke aard, mijn opperheerschappij over alles, drijven de spot met me omdat ik een menselijke gedaante heb aangenomen. (12) Teleurgesteld in hun verwachtingen, winstmotieven en hun kennis zoeken de verbijsterden hun heil in atheïstische en demonische, begoochelde zienswijzen van een materialistische aard. (13) Maar, o zoon van Prithâ, de grote zielen die hun heil zoeken in mijn goddelijke natuur, weten van de onuitputtelijke bron van de schepping en zijn van toewijding met een geest die niet afdwaalt. (14) Vol van toewijding overtuigd ondernemend, zingen ze altijd over me en betuigen ze me de eer, steeds druk bezig zijnd in hun aanbidding. (15) Anderen brengen offers in de vorm van de kennis die ze opdragen in het aanbidden van mij als de eenheid in de rijke verscheidenheid van de universele gedaante. (16) Ik ben het ritueel, het offer en de smaak; ik ben het geneeskrachtige kruid en ik ben de mantra; ik ben de uitgieting, het vuur en de offergave. (17) Ik ben van het levende wezen de vader, de moeder, de steunverlener en de voorouder; ik ben dat wat er gekend wordt, dat wat zuivert, de lettergreep AUM en de Rig-, de Yayur- en de Sâmaveda. (18) Ik ben het doel, de onderhouder en de meester; de getuige, het verblijf en de toevlucht; ik ben de beste vriend, de schepping en de vernietiging; ik ben de grondvesting, het zaad dat niet teloor gaat en de rustplaats. (19) Ik geef warmte, zorg dat het regent en ook dat het niet regent; ik ben de onsterfelijkheid, de dood en zowel het zijn als het niet-zijn, o Arjuna.

(20) Zij die bekend zijn met de drie Veda's, zij die bevrijd van hun zwakheden drinken van de soma en, van aanbidding met offerandes, bidden voor een plaatsje in de hemel, bereiken de wereld van Indra en genieten aldaar de hemelse genoegens van de goden. (21) Nadat ze, met het genoten hebben van die oneindige hemel, de verdienste van hun goede daden hebben uitgeput, keren ze weer terug naar de wereld der sterfelijke zielen, en komen zij, die zo gewetensvol zijn met de leer van de drie Veda's, tot het leven en sterven van een verlangen in de lust. (22) Maar zij die zich concentreren met niemand anders dan mij als hun voorwerp van aanbidding, die personen, die altijd verankerd in hun toewijding van het juiste aanbidden zijn, bescherm ik en breng ik wat ze nodig hebben. (23) Ondanks het feit dat zij die de mindere goden zijn toegedaan eveneens van een exclusief geloof en van aanbidding zijn in relatie tot mij, zijn ze niet van een aanbidding overeenkomstig de regulerende beginselen3, o zoon van Kuntî. (24) Aangezien ik de meester en genieter ben van alle offers, vallen zij, die mij niet volgens het principe kennen, weg van het goddelijke. (25) Zij die achting hebben voor de mindere goden, vinden de mindere goden op hun weg; zij die de voorouders vereren, reiken tot hen; zij die de spoken en de geesten vereren bereiken dat soort wezens, maar mijn toegewijden komen tot mij. (26) Eenieder trouw aan de principes die, mij toegewijd, een blad, een bloem een vrucht en water offert9, brengt een offer dat voor mij aanvaardbaar is. (27) Doe wat je eet, wegschenkt in liefdadigheid of opoffert in je verzaking, als een offer gebracht aan mij, o zoon van tante Prithâ. (28) Met het aldus verlost zijn van zowel de zon- als de schaduwzijde van het gebonden zijn aan de baatzuchtige arbeid zal je, bevrijd, met je geest verbonden in de verzaking van de yoga, mij bereiken.

(29) Ik ben gelijkgezind in mijn respect voor alle levende wezens, ik haat noch koester wie dan ook, maar zij die in hun toewijding mij van dienst zijn, bevinden zich evenzogoed in mij als ik in hen. (30) Men moet degene die zonder aflaten mij toegewijd is, zelfs al heeft hij zich allerkwalijkst gedragen, als een heilige beschouwen vanwege het gewicht van zijn overtuiging. (31) Zo iemand, o zoon van Kuntî, komt snel op het rechte pad en bereikt een duurzame vrede; hou staande dat mijn toegewijde nimmer teloor gaat! (32) O zoon van Prithâ, ook al zijn degenen die tot mij hun toevlucht nemen uit zonde geboren vrouwen, handelaren en arbeiders, zullen ze toch de hoogste bestemming bereiken. (33) En hoeveel te meer zou dit dan niet gelden voor rechtschapen brahmanen, toegewijden en vrome overheidsdienaren. Daarom moet jij die het gebracht hebt tot deze tijdelijke wereld vol van ellende, je bezighouden met mijn liefdevolle dienstverlening! (34) Denk altijd aan me, wordt mijn toegewijde, een aanbidder en een offeraar van mij, zodat je, mij toegewijd, een ziel zal zijn die volkomen gelijkgericht is.'

 

 

HOOFDSTUK 10

Één zijn in het respecteren van het geluk11

 

(1) De man van het geluk zei: 'Luister nogmaals, o man van beheersing, naar de bovenzinnelijke instructie die ik je geef in jouw voordeel omdat je mij zeer dierbaar bent. (2) Mijn oorsprong is zelfs niet bekend bij de grootste wijzen of goden der verlichting; in ieder opzicht ben ik de bron van de grote wijzen en de godsbewusten. (3) Hij die me kent als de ongeborene voor wie er geen aanwijsbaar begin bestaat, en als de grote heerser over de wereld, ziet de dingen zoals ze zijn; zo iemand, die niet begoocheld is temidden van de sterfelijken, raakt bevrijd van al de terugslagen van zijn overtredingen. (4-5) De verschillende aspecten waar ik zorg voor draag met het levende wezen zijn de intelligentie, de kennis, de integriteit, de vergevingsgezindheid, de waarachtigheid, de beheersing van de zinnen en de geest; het geluk, de treurnis, de geboorte, de dood, de angst en ook de onbevreesdheid, alsmede de geweldloosheid, de evenwichtigheid, de tevredenheid, de ascese, de liefdadigheid, de roem en de schande. (6) Ieder menselijk wezen dat ter wereld komt heeft zijn oorsprong in de zeven klassieke, grote wijzen en de vier oervaders die eveneens uit mijn geest zijn voortgekomen.10 (7) Zij die inzien dat de volheid en bewustzijnsvereniging van dit alles van mij afkomstig zijn, zullen onverdeeld van dienst zijn in hun yoga, dat lijdt geen twijfel. (8) Ik ben de bron van waaruit al het bestaande ontstond, uit mij is alles voortgekomen; en derhalve zullen de intelligenten die hiervan op de hoogte zijn, verbonden door hun liefde, mij toegewijd zijn. (9) Met hun geesten op mij ingesteld en hun levens aan mij gewijd, inspireren ze elkaar door het steeds over mij te hebben, en vinden ze hun bevrediging en tevredenheid. (10) Zij die voortdurend zijn verbonden in de vreugde die zo essentieel is voor de toegewijde dienst, verleen ik de intelligentie van een verenigd bewustzijn door middel waarvan ze mij bereiken. (11) Met de weelde van mijn mededogen verdrijf ik, die zich in hun harten bevind, met het heldere licht van de kennis, alle duisternis der onwetendheid.'

(12-13) Arjuna zei: 'Dit van jou, wat je nu met me bespreekt, heeft betrekking op de Ene over wie al de grote wijzen onder de goddelijken zoals Nârada, Asita, Devala en Vyâsa het hebben: het betreft jou in de vorm van de allerhoogste geest, de hoogste verblijfplaats, de zuiverheid van de transcendentie, de oorspronkelijke persoonlijkheid, de beheerser in het voorbije, de ongeborene en de grootste. (14) Dit alles wat je me nu toevertrouwt neem ik voor waar aan, o toonbeeld van de schoonheid, en ik ben er zeker van dat er geen mens van God of zelfs maar een onwetende ziel is, die weet heeft van deze openbaring van jou als de Oorspronkelijke Persoon van de Volheid! (15) Jij, die jezelf persoonlijk kent als de Ziel aller zielen, bent aldus de grootste aller personen, de bron van alle levende wezens, de Heer van alle schepselen, de God der goden en de meester van het universum. (16) Als zodanig is het aan jou om tot in detail uitleg te verschaffen over alles wat betrekking heeft op je goddelijke volheid, alles wat betreft die kennismiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende menselijke zienswijzen, door middel waarvan jij voor je zaak opkomt en standhoudt in al de werelden.11 (17) Hoe kan ik, o man van de eenheid, jou nu kennen; hoe kan ik jou nu in gedachten houden; in welke gedaante, of in welke hoedanigheid, moet ik me je herinneren, o man van het geluk? (18) O opwinding van de mens, ik smeek je nogmaals, om me alles te vertellen over je vermogens om het bewustzijn te verenigen, want ik krijg er nooit genoeg van te luisteren naar de nectar van die beschrijvingen!'

(19) De fortuinlijke zei: 'Oké, ik zal met jou het belangrijkste bespreken van mijn goddelijke, persoonlijke krachten, o beste der Kuru's, daar er aan mijn uitgebreidheid waarlijk geen grenzen gesteld zijn. (20) O overwinnaar van de slaap, ik als die ziel vanbinnen, vorm het begin, het leven in de tussentijd alsook het eindpunt van alle levende wezens. (21) Onder al de zonen die hun geboorte namen uit de wijzen ben ik Vishnu; van al de hemellichten ben ik de stralende zon, onder de helderste geesten ben ik Marîci en wat betreft de orde van de tijd in relatie tot de sterren ben ik de maan.12 (22) Van de religieuze geschriften ben ik het boek waaruit men reciteert, de Sâmaveda; onder de goden ben ik de Indra, koning van de hemel13; van de zintuigen ben ik het zesde zintuig, de geest, en van al de levende wezens ben ik de levenskracht. (23) Van hen die een bedreiging vormen ben ik S'iva en onder hen die bezeten en slecht zijn ben ik Kuvera, de schatbewaarder; van natuurgoden ben ik het vuur en van al de bergen ben ik de berg Meru in het midden van het universum.14 (24) Van al de priesters ben ik de priester van de hemel, Brihaspati, o zoon van Prithâ, van de militaire bevelhebbers ben ik Skanda, de god van de oorlog, en van al de waterbekkens ben ik de oceaan. (25) Onder de wijzen ben ik Bhrigu, de raadgever van de eerste man die leefde; van alle gesproken woorden ben ik het woord AUM dat weerklinkt met de adem; van al de offers ben ik japa, het herhaalde gebed dat met een bidsnoer wordt gedaan; en van al het onbeweeglijke ben ik de Himalaya's. (26) Onder de bomen ben ik de levensboom, de as'vattha, onder de zieners van het goddelijke ben ik de wijze Nârada, onder de hemelwezens ben ik Cittaratha, de zanger van het goddelijke lied, en onder hen die van een volmaakt succes zijn ben ik de analyticus Kapila die tussen geest en stof onderscheid. (27) Onder de paarden ben ik Uccaihs'ravâ, het paard dat de last van de orde van de zon torst en dat voortkwam uit de politieke strijd tussen de verlichte en de onverlichte zielen, en onder de olifanten ben ik Airâvata die Indra draagt. (28) Van alle wapens ben ik de bliksemschicht, van de koeien ben ik de koe van overvloed, de surabhi; van de oorzaken van het verwekken van kinderen ben ik Cupido, de god van de liefde, en van alle slangen ben ik Vâsuki, het ego dat de strijd tussen hen die van de kracht en hen die van de moraal zijn in gang zet. (29) Onder hen die in zichzelf tevreden zijn ben ik Ananta, degene waar Vishnu op rust; onder de waterwezens van het onbewuste ben ik Varuna, degene van het inzicht die de overtreding de baas is; onder de voorvaderen ben ik Aryâma, hij in het voorbije die men zich herinnert vanwege zijn wellevendheid, en van alles wat controle uitoefent ben ik Yama, de heer van de dood. (30) Onder de atheïsten ben ik Prahlâda, degene die de genade vond; onder de onderwerpers ben ik de tijd; van alle dieren ben ik de leeuw en van alles wat gevleugeld is ben ik Garuda, de integriteit van de mantra's. (31) Van alles wat zuivert ben ik de wind; van allen die een wapen dragen ben ik Heer Râma, die tevreden in zichzelf is; van alle schepselen van de zee ben ik de haai en van al de rivieren die op aarde stromen ben ik de Ganges die afkomstig is van de hoogste bergtop. (32) Van al het geschapene ben ik, zoals ik al zei, het begin, het einde en het leven er tussenin; ik ben, o Arjuna, van alle opvoeding de opvoeding wat betreft de âtmatattva en van alle argumentatie ben ik de dialoog. (33) Van al de letters van het alfabet ben ik de A, van de samengestelde woorden ben ik het tweeledige woord, van alles wat eeuwig is ben ik de tijd15 en van degenen die creatief zijn ben ik Heer Brahmâ, de godheid met het gezicht dat alle kanten opkijkt. (34) Van iemands lot en toekomst ben ik het levenseinde zowel als het levensbegin en onder de vrouwen ben ik de roem, de schoonheid, de intelligentie, de spraak, het geheugen, de standvastigheid en het geduld. (35) Van de hymnen in de Sâmaveda ben ik de metrische Brihat-sâma, van alle verzen ben ik de drievoetige Gâyatrî, van de maanden ben ik degene die in het sterrenteken Boogschutter staat en van de seizoenen ben ik de lente. (36) Van alle trucs ben ik het spel, van alles wat uitnemend is ben ik de schittering, van alle victorie ben ik de onderneming en van de sterken ben ik de kracht. (37) Onder de Yadu's ben ik Krishna, onder de Pândava's ben ik Arjuna; onder de wijzen ben ik Vyâsadeva16 en onder de denkers ben ik Us'anâ, de leraar der atheïsten. (38) Van de methoden der onderdrukking ben ik de knoet van de wettelijke maatregel17, van hen die de overwinning zoeken ben ik de moraal en van alle geheimen ben ik de stilte. (39) Ik ben de oorsprong van welk levend wezen dat je je ook maar voor kan stellen Arjuna; er is geen levend wezen, rondbewegend of niet rondbewegend, dat buiten mij om bestaat. (40) Aan mijn goddelijke weelde zijn geen grenzen gesteld, o winnaar van de veldslag, en dit alles wat ik je vertelde is nog maar een voorbeeld van de uitgebreidheid van mijn grootheid. (41) O overwinnaar van je tegenstanders, wat ook van de macht dat gekenmerkt wordt door glorie en schoonheid moge bestaan, vond zijn bestaan als een deel van mijn heerlijkheid. (42) Je mag je ook afvragen wat voor nut het voor jou zou hebben weet te hebben van al deze verscheidenheid Arjuna, als ik al met een enkel deel van mezelf het gehele levende wezen doordring dat het universum is.'

 

 

HOOFDSTUK 11

Het volledige van Zijn werkelijkheid onder ogen zien

 

(1) Arjuna zei: 'Door de woorden die je gebruikte om mij een gunst te bewijzen wat betreft de vertrouwelijkheid van de opperste spiritualiteit, is mijn begoocheling nu geweken. (2) Ik vernam tot in detail van jou over het verschijnen en verdwijnen van de levende wezens, o man met de lotusogen, en je had het ook over je onuitputtelijke heerlijkheden. (3) Na al de woorden met betrekking tot jezelf, o beste van alle personen, koester ik de wens je goddelijke gedaante te zien zoals die is, o heerser in het voorbije. (4) Dus als je het voor mogelijk houdt dat ik dat voor me zou kunnen zien, o meester en beheerser van de innerlijke vereniging, laat me dan je onvergankelijke gedaante zien!'

(5) De fortuinlijke zei: 'Bezie dan nu, o zoon van Prithâ, de honderden en duizenden van mijn verschillende, goddelijke gedaanten in alle vormen, maten en kleuren. (6) Zie de persoonlijkheden der wijsheid, de persoonlijkheden van de rijkdom, de vernietigers die in dienst van God staan, zij die de gezondheid ten dienst staan, de goden en nog vele wonderen meer die je nog nooit eerder hebt gezien, o beste van de Kurudynastie. (7) Bezie hier en nu het geheel van het universum, met het leven dat zich erin beweegt en niet rondbeweegt, alles in één bij elkaar binnenin dit lichaam van mij, o overwinnaar van de slaap, alsmede wat je nog meer wenst te zien. (8) Maar natuurlijk zal je me als zodanig niet kunnen bekijken met je eigen ogen. Ik verleen je daarom het goddelijk gezicht. Wees dan nu getuige van de hoogste eenheid door mij bestierd!' "

(9) Sañjaya zei: "O Koning, na aldus gesproken te hebben, toonde de grote heer in de vereniging van het bewustzijn Prithâ's zoon het voorbije van de gedaante van zijn macht. (10-11) Vele monden, ogen en vele uiteenlopende, wonderbaarlijke vergezichten, vele hemelse sierselen en een keur aan wapens klaar voor de strijd; een hemelse bloemenpracht, allerlei soorten van kostuums en aankledingen, en zelfs goddelijke, geurige smeersels, allen wonderbaarlijk en schitterend, waren er te zien zich uitbreidend naar alle kanten. (12) Zijn gloed, het grootse van de ziel, was van een licht gelijk aan dat van duizenden zonnen allemaal tegelijk aanwezig in de hemel. (13) Vanwaar hij stond kon Arjuna, in de universele gedaante van de God der goden, de hele verscheidenheid van het volledige universum als één geheel zien. (14) Daarop begon hij, de veroveraar van de weelde, overweldigd door verwondering, met zijn haren te berge gerezen te bidden, terwijl hij met gevouwen handen de godheid zijn respect betoonde.

(15) Arjuna zei: 'Ik zie, o God, al de goden verzameld in Uw lichaam, zowel als al de andere levende wezens; ik zie Heer Brahmâ met zijn vele gezichten en Heer S'iva die in de lotushouding zit, alsmede de zieners en de slangenego's van de goddelijkheid. (16) In Uw universele gedaante, o Heer van de schepping, zie ik een veelvoud aan gezichten, lichamen, monden en ogen aan alle kanten, als deel van een onbegrensde gedaante waaraan, inderdaad, geen begin, einde of midden valt te bekennen. (17) Ik zie hoofddeksels, wapens en sierraden, en heb er moeite mee dat alles voor ogen te houden wat van alle kanten gloeit met een gloed zo onmetelijk als het laaiende vuur van de stralende zon. (18) Men moet U begrijpen als de onfeilbare allerhoogste van dit universum, het bovenzinnelijk fundament, U bent de onuitputtelijke handhaver van het pad van de rechtschapenheid, van het dharma; U bent de eeuwige, oorspronkelijke persoonlijkheid, dat is wat U mijns inziens bent! (19) Met U als zijnde van een onmetelijke heerlijkheid, zonder een oorsprong, zonder een einde en zonder een midden, en behept met talloze armen en met de zon en de maan als Uw ogen, zie ik, dat uit Uw mond een laaiend vuur komt dat het universum verzengt. (20) Zonder twijfel is alles tussen hemel en aarde van U doordrongen, alleen maar U; en al de drie werelden18 zijn ontsteld bij de aanblik van deze wonderbaarlijke en schrikwekkende gedaante! (21) Reeksen van gelovigen gaan in U binnen, waarbij sommigen van hen met gevouwen handen om de angst te bezweren gebeden opdragen. De grote wijzen roepen er 'Alle heil' bij uit en zij die de perfectie bereikten bidden en zingen menige lofzang te Uwer ere. (22) De Rudra's die angst inboezemen, de godsbewuste Âditya's, de Vasu's die over het materiële heersen, zij allen alsook de verfijnde Sâdhya's, de geheel goddelijke Vis'vadeva's en de helende As'vins; de roemrijke Maruts, de voorvaderen en de Gandharva engelen; de Yaksha geesten, de goddeloze Asura's, en de hele Siddha-verzameling van geslaagde toegewijden, hebben allen hun gezicht naar U gekeerd in ontzag en bewondering. (23) Met de aanblik van deze onvoorstelbaar grote gedaante van U met al zijn gezichten en ogen, o man van de machtigste beheersing, met voor me de vele armen, benen en voeten, de vele buiken en de vele verschrikkelijke tanden, ben ik net zo van mijn stuk als al de werelden. (24) Als ik zie hoe U op deze manier tot de hemel reikt met al Uw kleuren, open monden, en wijd opengesperde, stralende ogen, ben ik, geschokt, niet in staat mezelf te beheersen en m'n kalmte te bewaren o God en handhaver. (25) Met voor ogen deze schrikwekkende tanden en gezichten van U, die eruitzien als het vuur aan het einde der tijden, ben ik, aan de grond genageld, mijn richtinggevoel kwijt; wees me genadig, o Heer der heerscharen en toevlucht der werelden!

(26-27) Temidden hiervan zie ik oom Dhritarâshthra met al zijn zoons en de rijen van krijgers die klaar staan voor de strijd, zowel als Bhîshma, Drona en onze halfbroer Karna, die zich samen met ook onze aanvoerders in Uw mond haasten, waar ik zie hoe sommigen met hun hoofd gevangen zitten tussen de schrikwekkende, vreselijke tanden. (28) Zoals de stromen van water die in golven, onafwendbaar, in de oceaan vloeien, gaan op dezelfde manier deze menselijke autoriteiten vol van vuur Uw monden binnen. (29) Als motten die in volle vaart hun ondergang tegemoet vliegen in een laaiend vuur, vinden op dezelfde manier al de mensen die Uw monden binnengaan daar hun vernietiging. (30) Het ganse universum bedekkend met Uw vlammende monden, bent U, aan alle kanten likkend, de mensen aan het verslinden met Uw verschrikkelijke straling o allesdoordringende Heer. (31) Zeg me alstUblieft wie U in deze angstwekkende gedaante bent o Godheid, ik biedt U mijn eerbetuigingen; alstUblieft wees goed voor me, ik zou graag Uw oorspronkelijke natuur willen leren kennen omdat ik in het duister tast over waar U nu precies voor staat.'

(32) De Fortuinlijke zei: 'Ik ben de tijd, de grote vernietiger van de wereld, die een einde maakt aan de levens van alle mensen hier; met uitzondering van jou en je broers, zal iedereen die hier tegenover elkaar staat opgesteld, het onderspit delven. (33) Sta daarom op en verwerf de glorie door je tegenstanders te verslaan, zodat, gedijend op mijn genade, het koninkrijk het jouwe zal zijn; het feit dat al dezen hier ten onder zouden gaan stond in de sterren geschreven, wees slechts het werktuig van die voorzienigheid, o linkshandige. (34) Je kan erop rekenen dat Drona, Bhîshma, Jayadratha, Karna en de andere grote krijgsheren, reeds door mij zijn vernietigd, breng ze dus zonder blikken of blozen ter dood, vecht gewoon en je zal op het slagveld zegevieren over je tegenstanders.' "

(35) Sañjaya zei: "Hij die de komende man was en, met gevouwen handen en trillend op zijn benen, de man van schoonheid aldus hoorde spreken, droeg opnieuw gebeden op en richtte zich met een haperende stem vol van ontzag tot Krishna.

(36) Arjuna zei: 'Zo is het, o meester van de zinnen, de hele wereld verheugt zich in en is gehecht aan Uw heerlijkheden; terwijl zij die van de volmaaktheid zijn bijeenkomen om hun respect te betuigen, vluchten de kwaadwilligen weg in alle richtingen. (37) En waarom zouden ze ook niet, o grootste ziel beter dan Brahmâ, is het niet zo dat U als de oorspronkelijke doener, o oneindige, o God der goden en toevlucht van het universum, niet teloor kùnt gaan in Uw positie ver verheven boven het ware en onware? (38) U bent de oorspronkelijke godheid, de oudste persoon, U bent het bovenzinnelijke toevluchtsoord van dit universum, U bent de kenner en het gekende, het voorbije en de verblijfplaats; U die in Uw onbegrensde gedaante de ganse kosmos doordringt. (39) U, de teugel, bent de lucht, het vuur en het water; de maan de stamvader en de overgrootvader. Keer op keer breng ik U mijn eerbetuigingen, een duizendtal keren bewijs ik U telkens weer de eer. (40) Van voren en van achteren, daadwerkelijk van alle kanten doe ik dat omdat U alles bent, de oneindige macht en het onbegrensde vermogen; door U wordt alles gedekt en daarom bent U ook alles. (41-42) U voor mijn vriend houdend, zei ik gekscherend dingen als 'Ha die Krishna', 'Hé Yaduneef', 'Beste vriend'. Maar ik had, met alles wat ik in mijn dwaasheid of uit liefde deed, geen idee van Uw heerlijkheden. Voor wat ik ook gezegd moge hebben toen ik de draak met U stak of U voor aap zette, toen we ontspannen samen waren, ons te ruste legden of als we de maaltijd gebruikten; of voor wat ik ook gezegd moge hebben toen ik alleen was of in het gezelschap van anderen, o onfeilbare, vraag ik Uw onmetelijke vergeving! (43) De vader bent U van alles wat beweegt en niet rondbeweegt, de vader van al de werelden; U bent de achtenswaardige en de leraar hiervan, en zó glorieus dat iedereen bij U in het niet valt. Hoe, o onbegrensde macht, is er ook maar iemand toe in staat U te overtreffen in de drie werelden? (44) Ik daarom, met het U betonen van mijn onderworpen respect, werp mij voor U ter aarde o Heer, om Uw genade af te smeken, o aanbiddelijke; om te bidden dat U, o God, me mag tolereren zoals een vader zijn zoon tolereert, zoals een vriend goed is voor zijn vriend en een minnaar is voor zijn geliefde. (45) Ik ben er blij over te hebben gezien wat nog nooit eerder iemand gezien heeft, maar, bang voor wat ik zag, ben ik ook van streek; daarom, alstUblieft o God, toon me Uw persoonlijke gedaante, o Heer der heerscharen en toevlucht van het levende wezen. (46) Hij met de helm, die de strijdknots vasthoudt van Zijn heerschappij, de schelphoorn van Zijn missie, de werpschijf van Zijn vitale orde, en de lotus van Zijn volheid, dat is de gedaante die ik graag voor me zie; o duizendhandige universele gedaante, toon me Uw gedaante waarin U die vier handen hebt!'

(47) De fortuinlijke zei: 'Vanuit de genade die ik voor je had Arjuna, toonde ik deze bovenzinnelijke gedaante van de eenheid van mijn zelf; behalve jij is er niemand die deze onbegrensde, oorspronkelijke gedaante in zijn volle, stralende glorie in het universum heeft aanschouwd. (48) O beste van de Kurustrijders, noch door offers te brengen in de kenniscultuur, noch door studie, noch door liefdadigheid, noch door vrome werken en ook niet door boetedoeningen is er ook maar iemand in de wereld in geslaagd deze aanblik te verwerven. Alleen jij slaagde erin. (49) Maar zit er niet over in, laat je geest niet in beslag nemen door de aanblik van deze schrikwekkende gedaante van mij zoals die is, bezie enkel, vrij van angst en met een gelukkige geest, deze persoonlijke gedaante van mij weer.' "

(50) Sañjaya zei: "De god van alle fortuin en welzijn die op deze manier tot Arjuna sprak, toonde hem opnieuw zijn eigen vierhandige gedaante en nam toen, om de angstige Arjuna gerust te stellen, weer zijn prachtige, normale lichamelijke vorm aan als de grote ziel die hij was.

(51) Arjuna zei: 'Met het voor me zien van deze prachtige, menselijke gedaante van jou, o gesel van de vijand, is mijn geest weer tot rust gekomen en ben ik mezelf weer.'

(52) De man van de volheid zei: 'De aanblik van deze gedaante van mij zoals je die zag en welke zelfs door de goden constant wordt geambieerd, is hoogst moeilijk te verwerven. (53) Noch met de boeken met de gebeden, noch door boetedoeningen of door liefdadigheid is het mogelijk me te zien zoals jij me zag. (54) Enkel door toegewijde dienst vrij van nevenmotieven is het mogelijk Arjuna, om me zo te kennen en te zien; alleen zo is het mogelijk om toegang te krijgen tot de werkelijkheid vanbinnenuit, o man van beheersing. (55) Hij die met mijn toewijding en met mij als de bovenzinnelijkheid, mijn soort van arbeid verricht, en vrij van vijandigheid met alle levende wezens zijn gehechtheid heeft opgegeven, is degene, o zoon van Pându, die mij zal bereiken.'

 

 

HOOFDSTUK 12

Zich concentreren op het volmaakte

 

(1) Arjuna zei: 'Die toegewijden die altijd met jou in verbinding staan in gepaste aanbidding, vergeleken met hen die voorbij de zinnen gaan voor het ongeziene, wie van hen kent de vereniging van het bewustzijn, de yoga, het beste?'

(2) De fortuinlijke zei: 'Zij die, met het vestigen van hun geest op mij, altijd bovenzinnelijk door mij zijn toegerust met geloof en zich bezighouden met toegewijd handelen, zijn degenen die het meest volmaakt zijn in de kennis van de yoga. (3-4) Maar zij die zich opofferend voor het welzijn van allen, geheel opgaan in het oneindige en ongeziene, met hun aandacht gevestigd op het onvoorstelbare, onveranderlijke en onbeweeglijke, en die met alle zintuigen onder controle op ieder gebied van een gelijkgezinde intelligentie zijn, zijn degenen die me feitelijk bereiken. (5) De moeilijkheden voor hen die vrij van gehechtheden van het ongeziene zijn, zijn zeer groot; voor die belichaamde zielen, die hun geesten op het niet-waarneembare richten, is vooruitgang boeken iets heel lastigs. (6-7) Maar, voor hen die al hun handelingen aan mij wijden en die, gehecht aan mij, de wereld verzaken en, onverdeeld in de vereniging van hun bewustzijn, van meditatie en eerbetoon zijn met mij, voor hen die hun geesten aldus op mij richtten, wordt ik spoedig degene die hen bevrijdt van het sterven in de oceaan van het materieel bestaan, o zoon van Prithâ. (8) Wees er daarom zeker van je geest op mij te vestigen, zodat je, met je intelligentie aldus ingezet, in mij je leven hebt en als gevolg daarvan nimmer gebukt zult gaan onder de twijfel. (9) Als het je niet lukt je op mij te concentreren, wees dan, consequent in je yogapraktijk, standvastig in je verlangen tot mij te komen, o veroveraar van de weelde. (10) En als je zelfs niet in staat bent die vasthoudendheid op te brengen, probeer dan toewijding te ontwikkelen in het je inzetten te mijnentwille, omdat je zelfs de volmaaktheid zult bereiken als je arbeid verricht. (11) En als zelfs dat niet voor je opgaat, ga dan over tot het verzaken van het winstmotief met het werk dat je doet en blijf bij jezelf. (12) Het werkelijk de baatzucht eraan geven is beter dan er enkel maar op te mediteren, omdat de vrede volgt op de verzaking. Meditatie beschouwt men als zijnde beter dan het enkel weet hebben van het spirituele, en het is beter om van de kennis der spiritualiteit te zijn dan zonder die kennis tewerk te gaan.

(13-14) Hij die, mij toegedaan, vriendelijk is en aardig blijft, zich tegen niemand keert, niet bezitterig is en zich niet identificeert met het lichamelijke; die gelijk is in lief en leed, vergevingsgezind is, vreedzaam en immer toegewijd is; die zelfbeheerst is en geestelijk vastberaden, en een intelligentie heeft die altijd op mij gericht is, van zo iemand hou ik nog het meest. (15) Hij door wie de mensen nimmer zijn verstoord en hij die zich niet stoort aan de mensen; hij die vrij is van ups en downs, en degene die vrij is van angst en vrees, is mijn favoriet. (16) Hij die in zijn toewijding tot mij onpartijdig is en zuiver, capabel en onbezorgd, die onbewogen is en vrij is van wereldse strevingen, zie ik liever. (17) Mij toegewijd is hij die noch jubelt, noch hekelt, treurt noch smacht en onthecht blijft in voor- en tegenspoed, degene waar ik de voorkeur aan geef. (18-19) Een toegewijde van mij die vriend en vijand gelijk behandelt, gelijk is in eer en oneer, gelijk is in geval van vreugde en verdriet en tezamen hetzelfde is als waneer hij op zichzelf is; een toegewijde van mij die niet anders is als men hem looft of als men kwaad over hem spreekt, die rustig en tevreden is met wat dan ook, en vrij is van zijn thuis en vasthoudt aan zijn overtuiging, is een menselijk wezen dat mij lief is. (20) Zij mij toegewijd die enkel maar de nectar van deze aard koesteren en, zoals ik zei, met geloof in het sublieme van mij zich met niets anders bezighouden, zijn degenen die mijn voorkeur genieten.'

 

 

HOOFDSTUK 13

De kenner, het gekende
en de kennis van de âtmatattva

 

(1) Arjuna zei: 'Ik zou graag alles willen weten over het voorwerp van de kennis en de kennis zelf, over de materiële wereld en de persoon, over het veld van de kennis en de kenner van het veld, o man van harmonie.'

(2) De gelukkige zei: 'O zoon van Kuntî, door hen die bekend zijn met de werkelijkheid, wordt het fysieke lichaam dat we hebben het veld genoemd, en wordt de getuige binnenin dit lichaam de kenner van het veld genoemd. (3) O nakomeling van Bharata, je hebt het bij het rechte eind als je mij beschouwt als de kenner van het veld in al de velden; zoals ik het zie is spirituele kennis die kennis die betrekking heeft op zowel het veld als de kenner van het veld. (4) Laat me je nu in het kort uitleggen wat dat veld van handelen nu eigenlijk is, welke vormen het heeft aangenomen en waar die toe behoren, alsook over de kenner vanbinnen en wat zijn waardigheid is.

(5) Het wordt op vele manieren door de zieners in de geschriften beschreven in verschillende lofzangen en in de vorm van commentaren die gegoten zijn in verzen die uitleg verschaffen over de kwestie van oorzaak en gevolg. (6-7) Je hebt de externe velden van 1 - je materiële zaken, 2 - je privébelang van de intelligentie, 3 - je clubbelang van het zich verenigen in relatie tot het zogeheten ongeziene, en 4 - je sociale belang van het geïdentificeerde ego of ik-besef19. Verder zijn er ook nog de interne velden, welke de afdelingen betreffen van de hersenen, van 1 - de actieve en ontvankelijke functies van de zintuigen, 2 - de cognitie van de hersenschors die staat tegenover de emoties van voorkeur en afkeer, en geluk en ongeluk, die men heeft met wat zich aan de zintuigen voordoet, en 3 - de combinatie van de laterale functies van a - het bewustzijn van de ruimte en de werkzame kracht ervan, en b - de lineaire functie van het plannen van zaken in de tijd met de overtuiging en de taal20. Zo heeft men dan een opsomming van de staten, of de vormen, die de oorspronkelijke natuur heeft aangenomen. (8-12) De waardigheid van de mens in relatie tot deze velden in de zin van het nederig, bescheiden en geweldloos zijn; het vreedzaam, eenvoudig en trouw zijn aan de leraar die het voorbeeld geeft; het rein, standvastig en zelfbeheerst zijn; het onthecht en niet geïdentificeerd zijn met het zintuiglijke indachtig de gebreken en de ellende van het geboren worden, doodgaan, oud zijn en ziek zijn; het niet koesteren van vooroordelen en het niet verstrikt zijn in de omgang met een kind, een vrouw en een thuis, alsook iemands consequent en gelijkgezind zijn in het besef van wat en wanneer iets gewenst of ongewenst is; het van een eenduidige, constante toewijding zijn ten aanzien van mij, de integriteit van alle velden; zowel als het teruggetrokken leven op afgezonderde plekken zonder gehecht te zijn aan mensen in het algemeen; het met de waarheid helder voor ogen van zelfkennis en stabiliteit zijn terwille van het omgang vinden met betrekking tot het goddelijke - rekent men allemaal tot de âtmatattva4, tot ware kennis, of als behorende tot zowel de interne als de externe velden; en dat wat hiervan afwijkt is onwetendheid.

(13)
Laat me je op de hoogte stellen van het kenbare waar ik de scepter over zwaai: het is het opperste Brahman van de Absolute Waarheid21 dat zijn begin niet kent en smaakt als nectar, en niet iets is dat gebeurt, noch iets is dat niet bestaat. (14) Zijn bestaan hebbend met handen, benen, ogen, hoofden, gezichten en oren die zich uitstrekken in alle richtingen, bestrijkt het alles in de wereld. (15) Zoals het zich afspiegelt met alle zintuigen en hun kwaliteiten is het niettemin zonder al die zinnen de handhaver die losstaat van alles; zelf onafhankelijk van de kwaliteiten is het ook de heerser over de kwaliteiten. (16) Het bestaat zowel binnen als buiten de levende wezens die zich wel of niet rondbewegen; het is de vertrouwde werkelijkheid die men niet kent omdat die zo subtiel is; het staat ver van je af maar staat je niettemin zo na als wat. (17) Onverdeeld binnenin de levende wezens schijnt het verdeeld te zijn en in de positie van de handhaver van alles wordt het Absolute van God ook wel begrepen als alles ontwikkelend en alles verslindend. (18) Als het licht in alle lichtende voorwerpen is het eveneens de lichtbron, en als de kennis voorbij aan het duister is het evenzogoed de âtmatattva, de liefde voor de kennis, in het hart van iedereen. (19) En zo is dan het veld, de âtmatattva, alsook dat wat men kent door mij beschreven; het is mijn toegewijde die, mijn natuur bereikend, dit alles begrijpt. (20) De combinatie van de persoon en de materiële natuur22 moet je zien als zijnde zonder een oorsprong, en ook moet je de drie geaardheden23, tezamen met hun afgeleiden, zien als een tijdgebonden effect teweeggebracht door die materiële natuur. (21) De materiële natuur, zo zegt men, is de reden van oorzaak en gevolg in de zin dat er sprake is van een doener of bewerkstelliger - in de vorm van de tijd, de natuurkracht of de geaardheden24 -, terwijl men van de persoon zegt dat die ten grondslag ligt aan het hebben van ervaringen van geluk en ongeluk. (22) De persoon zich bevindend in een materiële situatie geniet de drie kwaliteiten die voortkomen uit de materiële natuur en bijgevolg is de persoon, die op die manier gehecht is, van ofwel een goed of een slecht kanaal van wedergeboorte.

(23) In dit lichaam spreekt men van nog een andere, tweede transcendentale persoon die de zaak overziet en bepaalt wat wel en niet toegestaan is, die de meester is en de Superziel, de allerhoogste Heer en Genieter25. (24) Hij die, in deze tweeledige zin, begrijpt hoe de materiële natuur, de materiële kwaliteiten en de persoon met elkaar verband houden, zal, ongeacht de omstandigheid, nimmer meer met een nieuw leven hoeven te beginnen. (25) Sommigen zien die Superziel in zichzelf met behulp van meditatie, anderen zien hem door zaken af te wegen in de yoga-analyse, en weer anderen komen tot het inzicht met behulp van bewustzijnsvereniging in onbaatzuchtige dienstbaarheid. (26) Andere mensen die niet zo goed onderlegd zijn in de spiritualiteit, proberen van aanbidding te zijn door simpelweg te luisteren naar wat anderen zeggen. Ook zij, die het proces van het luisteren zijn toegewijd, overstijgen de idee van de dood. (27) O leider van de Kurudynastie, wat ook zijn bestaan vindt moet je, of het er nu organisch of anorganisch is, beschouwen als het resultaat van het huwelijk tussen het veld en de kenner van het veld. (28) Hij die werkelijk ziet, is degene die de onvergankelijke Heer in het voorbije ziet van al de vergankelijke levende wezens. (29) Hij, die er zeker van is dat hij de Heer overal gelijkelijk gevestigd ziet, zal, met de ziel, nimmer zijn zelfrespect verliezen en zal bijgevolg het doel der transcendentie bereiken. (30) Een ieder die inziet dat alles wat gedaan wordt, in ieder opzicht het resultaat is van het geconditioneerd zijn door de materiële natuur en dat men, als de ziel, in het geheel niet de doener is, ziet het perfect. (31) Als men vervolgens inziet dat het leven, zoals zich dat overal uitbreidde in verschillende identiteiten, op eenheid berust, bereikt men op dat moment het Absolute van de Geest. (32) Dit onuitputtelijke zelf doet, hoewel het zich ophoudt in het lichaam, nimmer iets, o zoon van Kuntî, noch raakt het ooit verstrikt, omdat het eeuwig is en zich in een bovenzinnelijke positie bevindt boven de geaardheden van de natuur. (33) Zoals de alles doordringende ether26 zich in zijn subtiliteit nimmer met iets vermengt, vermengt ook deze belichaamde ziel zich nimmer. (34) Zoals de ene zon de hele wereld verlicht, verlicht deze ziel binnenin het lichaam alles en iedereen, o nakomeling van Bharata. (35) Zij die, begiftigd met de âtmatattva zienswijze, aldus weet hebben van het verschil tussen het veld en de kenner van het veld en op de hoogte zijn van de mogelijkheid voor het levende wezen om bevrijd te raken uit de materiële wereld, zijn degenen die het allerhoogste bereiken.'

 

 

HOOFDSTUK 14

De drie basiskwaliteiten van de natuur 

 

(1) De hoogste persoonlijkheid van de volheid zei: 'Laat me je nog meer vertellen over die âtmatattva die over alle kennis heerst, voor alles komt en het beste is, en waarvan op de hoogte zijnde de wijzen al de bovenzinnelijke volmaaktheid bereikten die er maar te verwerven is. (2) Als men, met het bereikt hebben van het gelijke waar ik allemaal voor sta, zijn heil zoekt in deze kennis, begint men zelfs niet aan een nieuw leven als de schepping zijn aanvang neemt en zal men ook niet wankelen als de vernietiging plaatsvindt.

(3) Mijn kanaal van geboorte wordt gevormd door het grote van de natuur en vanuit de hoogste geest erin, creëer ik overal de voorwaarden waaronder de levende wezens kunnen bestaan o nakomeling van Bharata. (4) O zoon van Kuntî, van al de soorten van leven, van al de vormen die zich manifesteerden, ben ik de grote oerbron, de absolute geest, de vader van wie het zaad afkomstig is. (5) Goedheid, hartstocht en onwetendheid zijn de kwaliteiten die resulteren uit deze materiële natuur die, o man van beheersing, het lichaam van degene die belichaamd is conditioneert. (6) De goedheid is de zuiverste van deze kwaliteiten, ze inspireert ertoe te bloeien zonder terugslagen te geven, en koppelt de âtmatattva, de liefde voor de kennis van het geheel, aan de toestand van geluk o man zonder overtredingen. (7) Je moet weten dat de kwaliteit van de hartstocht gekenmerkt wordt door verlangens die voortkomen uit gehechtheid en het koesteren van verwachtingen; het is door hen dat de belichaamde verstrikt raakt in de gevolgen van wat in het verleden werd gedaan o zoon van Kuntî. (8) De kwaliteit der onwetendheid die alle levende wezens begoochelt is dat wat volgt op een gebrek aan kennis: de verwaarlozing, de indolentie en slaperigheid die je belemmeren o zoon van de Kurudynastie.

(9) Goedheid bindt je aan kennis, hartstocht bindt aan baatzuchtige arbeid, maar door de onwetendheid die de kennis overdekt raakt men gebonden aan fouten, o nakomeling van Bharata. (10) Met de geaardheden van de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid is het zo dat, o nakomeling van Bharata, de ene keer de goedheid overweegt en de hartstocht en de onwetendheid worden verslagen, dat dan weer de hartstocht de goedheid en de onwetendheid verdringt, en dan de onwetendheid weer eens vooropstaat in relatie tot de goedheid en de hartstocht. (11) De goedheid is het sterkst als in relatie tot al de zogenaamde poorten van het lichaam - of al de zintuigen en hun organen - het licht van de kennis zich ontwikkelt.27 (12) O beste uit de rij der Kuru's, als de hartstocht overheerst, ontwikkelen zich allerlei symptomen als hebzucht, overspanning, eigenmachtig handelen en een onbeheersbaar verlangen. (13) Als de kwaliteit der onwetendheid op de voorgrond staat is het neerslachtigheid, passiviteit, achteloosheid en zelfs waanzin wat zich manifesteert, o zoon van de Kauravafamilie.

(14) Als hij de vernietiging vindt bereikt de belichaamde die aan kracht won met de geaardheid goedheid, de wereld van hen die groot zijn in wijsheid en zuiverheid. (15) Als men in de hartstocht vernietiging vind, pakt men het leven weer op onder hen die voor het profijt gemotiveerd zijn; en zo ook is hij die eindigde in onwetendheid van een nieuw leven onder de onwetenden. (16) Van deugdzame handelingen in de geaardheid goedheid krijgt men het resultaat van zuivering, zoals men dat stelt, maar het gevolg van de hartstocht is ellende, terwijl het gevolg van de onwetendheid bestaat uit illusie. (17) Van het goede constateert men de ontwikkeling van kennis, uit de hartstocht ontwikkelt zich de begeerte en uit de onwetendheid komt een hoop onzin voort. (18) Zich bevindend in de goedheid klimt men op, met de hartstocht blijft men halverwege steken en in staat van onwetendheid van een belabberde kwaliteit zijnde, zakt men verder af. (19) Een ziener die weet heeft van het allerhoogste in relatie tot de kwaliteiten en eveneens helder voor ogen heeft dat de doener niemand anders is dan deze drie kwaliteiten in relatie tot de natuurlijke geaardheden, wordt verheven tot mijn geestelijke natuur. (20) Deze kwaliteiten overstijgend zal de belichaamde de nectar genieten van het bevrijd zijn van de nare lichamelijke gevolgen van het moeten beginnen met een nieuw leven, van het oud zijn en van het komen te overlijden.'

(21) Arjuna zei: 'O meester der wijsheid, waaraan herkent men degene die deze drie kwaliteiten ontstijgt, hoe gedraagt hij zich en hoe gaat dat overstijgen van de drie geaardheden in zijn werk?'

(22-25) De man van het geluk zei: 'Hij die geen hekel heeft aan het zich ontwikkelen of niet ontwikkelen van de verlichting, van de materiële vooruitgang of van de verwarring die er is in relatie tot de geaardheden, o zoon van Pându; hij die vanuit het neutrale nimmer verlangens koestert, noch van slag is als de geaardheden zich doen gelden; hij die onwankelbaar in zijn zelfherinnering aldus zijn positie weet te behouden van gelijkmoedigheid in geluk en ongeluk en er onverschillig over is of het nu een kluit aarde, een steen of een klomp goud betreft; hem die het niets uitmaakt of iets populair of impopulair is en stabiel en gelijk is onder lof en kritiek; hij die hetzelfde is in eer en oneer en onpartijdig is jegens de beide zijden van vriend en vijand, en hij die erin slaagt om af te zien van alles waar hij mee bezig is, van zo iemand zegt men dat hij de geaardheden ontstegen is. (26) En hem die het, in relatie tot mij, altijd lukt om verenigd te zijn in toewijding en vrijwillige arbeid; hij, al de geaardheden overstijgend, zal reiken tot de geest van het absolute. (27) Want ik ben de geestelijke basis van de onvergankelijke, onsterfelijke, eeuwige en oorspronkelijke natuur, alsook het uiteindelijke geluk.'

 

 

HOOFDSTUK 15

De aard van de verheven persoon

 

(1) De fortuinlijke zei: 'Hij die weet dat de levensboom een eeuwige boom is met zijn wortels naar boven, zijn takken naar beneden en waarvan de bladeren worden gevormd door de âtmatattva gezangen28, is iemand die op de hoogte is van de kenniscultuur der Veda's. (2) Deze boom zoals hij zich naar beneden en boven uitstrekt, ontwikkelde naar zijn twijgen toe neerwaarts het bereik van de zintuigen en in de richting van zijn wortels het karma dat iemand bindt aan de menselijke wereld. (3-4) De vorm van deze boom kent noch een begin noch een einde, noch een fundament dat men alhier kan waarnemen; het volhoudend met het wapen der onthechting moet men van ophouden weten met deze diepgewortelde boom. Nadat men van verzaking is met die levensboom, moet men uitplussen waar die plaats zich bevindt waar men naar op weg is en vanwaar men nimmer terugkeert, en zich dan aan Hem overgeven, de oorspronkelijke persoonlijke integriteit en het levensbeginsel29, van wie, en van waaruit, alles zich uitbreidde sedert de eerste dagen van het universum. (5) Dat onvergankelijke toevluchtsoord wordt bereikt als men, niet verbijsterd zijnde, vrij is van eigenwaan en illusie, slecht gezelschap te boven is gekomen, begrip heeft voor wat eeuwig is, en als men zich heeft losgemaakt van de lust en zich bevrijd heeft van de dualiteiten in de categorie van geluk en verdriet. (6) Afgaand op die verheven plaats van mij, welke niet verlicht wordt door de zon, door de maan of door lampen, keert men nimmer terug. (7) Een geconditioneerd leven leidend, met de geest als het zesde zintuig, vormt het individuele levende wezen, dat hevig worstelt in zijn materiële positie, een eeuwig onderdeel van mij. (8) Het wordt als de heerser over het lichaam dat het verwierf en ook weer moet opgeven, in dat alles meegevoerd zoals een geur door de wind vanaf zijn bron wordt meegevoerd. (9) Met het horen, zien, betasten, proeven, ruiken en ook denken is het verslingerd aan de voorwerpen van de zintuigen. (10) Het idee van een lichaam bezitten, het zich in een lichaam ophouden en het, onder de invloed van de geaardheden, genieten van een lichaam, is iets dat de dwazen niet begrijpen, maar zij die de âtmatattva visie delen begrijpen het wel. (11) Zij die iets in hun mars hebben en zich verenigen in het bewustzijn, beseffen het vanuit hun eigen ziel, maar zij die actief zijn maar niet handelen ten gunste van de ziel, delen niet in deze visie, hoe ontwikkeld hun denken ook is.

(12) De pracht die je ziet in het licht van de zon die de ganse wereld verlicht, alsook in het licht van de maan en het vuur, moet je begrijpen als zijnde van mij afkomstig. (13) Met mijn etherische energie doordring ik deze aarde en onderhoudt ik deze levende wezens, en als hun levenssap voedt ik, met mijn verschijning in de vorm van de maan, al de planten. (14) Als het vuur van de spijsvertering in de lichamen van al de levende wezens, handhaaf ik het evenwicht tussen de in- en uitgaande adem, terwijl ik de vier soorten van voedsel verteer.30 (15) Me ophoudend in het hart van alle wezens hebben ze van mij een geheugen, kennis en een rede. Het is te danken aan de heilige geschriften dat ik bekend sta; ik vorm hun leer en de kennis van hun betekenis.

(16) In deze wereld is er sprake van deze integriteiten van dienstverlening: de vergankelijke en de onvergankelijke; de dienst verleend door al de levende wezens is vergankelijk maar de dienst die verleend wordt door de integriteit van de veelvoud van de natuurlijke orde die vaststaat en steeds aanwezig is, staat bekend als zijnde onvergankelijk. (17) De hoogste integriteit van dienstverlenen wordt gevormd door een andere dienst, namelijk de dienst van het opperste zelf van de Heer van wie men zegt dat Hij, met het doordringen van de drie afdelingen van de wereld18, de onuitputtelijke handhaver is. (18) Omdat ik, met betrekking tot het vergankelijke bovenzinnelijk ben, en met betrekking tot het onvergankelijke de beste ben, wordt ik in de wereld en de heilige boeken gevierd als de Hoogste Persoonlijkheid. (19) Een ieder die, vrij van twijfel, van mij op de hoogte is als zijnde die Hoogste Persoonlijkheid, weet alles wat er maar te weten valt en zal me op iedere mogelijke manier van dienst zijn o nakomeling van Bharata. (20) Als men, o zondeloze, dit meest vertrouwelijke deel van de geopenbaarde schrift dat ik je nu uiteenzette begrijpt, wordt men intelligent en zal men de perfectie bereiken in de eigen soort van arbeid, o nakomeling van Bharata.'

 

 

HOOFDSTUK 16

Over de verlichte en de onverlichte ziel

 

(1-3) De man van het geluk zei: 'Als men onbevreesd is, van een goede inborst, volhardend in de kennis van het zich verenigen in het bewustzijn, mededogend, van ophouden weet, liefdadig, studieus, matig en eenvoudig; als men geweldloos is, waarheidlievend, vrij van woede, verzaakt, vreedzaam, goedgunstig, allen genadig, niet bezitterig, zachtaardig, bescheiden en vastberaden; als men ijverig is, vergevingsgezind, standvastig, rein, zonder afgunst en niet belust op de eer, heeft men de kwaliteiten die eigen zijn aan iemand die zijn leven in het goddelijke heeft gevonden. (4) Misleiding, arrogantie, verraderlijkheid, woede en zeker ook geweld en onwetendheid, zijn de kwaliteiten van degene die zijn leven vond in de onverlichte staat, o zoon van Prithâ. (5) De goddelijke kenmerken zijn er om te bevrijden uit de gebondenheid, terwijl de kwaliteiten van het onverlichte daarentegen het resultaat zijn van de gebondenheid. Maar maak je geen zorgen, o zoon van Pându, jij hebt immers een leven in het goddelijke gevonden.

(6) Er zijn twee soorten geconditioneerde wezens in deze wereld: zij die verlicht zijn en zij die onverlicht zijn. Ik had het al uitvoerig over de zielen van God; verneem nu enkel van mij over de degenen die bezeten zijn van de materie, o zoon van Prithâ. (7) Zij die van de duisternis zijn weten niet hoe ze vooruit moeten komen in het leven, noch weten ze van ophouden; ze missen de integriteit en zuiverheid, weten niet hoe ze zich moeten gedragen en zitten vol met leugens. (8) Het bij het verkeerde eind hebbend zeggen ze dat het zichtbare universum geen heerser kent of een fundament heeft, dat het zonder een voorafgaande oorzaak uit zichzelf tevoorschijn kwam en dat er buiten de lust geen andere oorzaak te vinden is. (9) Met het aanhangen van deze levensvisie zichzelf verloren hebbend, tieren met de onverstandigen de minder gunstige activiteiten welig die tot de vernietiging van de wereld leiden. (10) Vertrouwend op lusten die niet te bevredigen zijn en zichzelf voor de gek houdend met snoeverij en aanzien, geven ze, aan de leiband der illusie, de voorkeur aan het tijdelijke van materiële zaken en gedijen ze in toewijding tot het onzuivere. (11-12) Aan hun angsten en zorgen komt geen einde, en tot de dood erop volgt stellen ze hun vertrouwen in het behagen van hun zintuigen als het hoogste levensdoel. Verstrikt in een netwerk van talloze verwachtingen zijn ze, wellustig en kwaad terwille van hun zinnen en seksuele voorkeuren, van zins om met die mentaliteit weelde te vergaren op een oneerlijke manier. (13-15) 'Vandaag behaalde ik deze overwinning en dat en dat zal ik ook nog wel voor elkaar krijgen; dit is zoals ik het wil, dat is mijn bezit en morgen zal ik er nog meer van hebben. Die tegenstander heb ik de pas afgesneden en de anderen krijg ik er ook nog wel onder. Ik ben degene die het hier voor het zeggen heeft. Ik ben degene die het mag genieten, er mankeert niets aan wat ik doe, ik ben de geluksvogel aan de macht. Mij gaat het voor de wind en ik ben degene die in goed gezelschap verkeert, ik heb het allemaal aan mezelf te danken, en de anderen hebben het nakijken allemaal. Ik ben degene die hier de offers brengt en aan liefdadigheid doet, mij is het fortuin allemaal vergund'; dit is hoe ze het in hun onbenul verkeerd voor ogen hebben. (16) Aldus geplaagd door talloze zorgen met hun hoofd niet meer helder, zijn ze gevangen in een poel van illusies en belanden ze, verslaafd aan hun zinsbevrediging, in een hel van mistroostigheid. (17) Ingebeeld en star wat betreft hun weelde en status, gaan ze, diep in de waan verkerend, over tot zogenaamde offers waar ze prat op gaan, zonder acht te slaan op regels en voorschriften. (18) Materieel zich vereenzelvigend, ijdel, manipulatief, verwoed en wellustig, vervallen ze er vol afgunst in mij belachelijk te maken, ik die zich zowel in hun harten ophoudt als in de harten van anderen. (19) De laagsten der mensheid, die dermate jaloers en bedrieglijk zijn, worden door mij keer op keer teruggeworpen in de oceaan der materie om ten ongunste een nieuw leven te vinden in de schoten van twijfelachtige moeders. (20) Zij die zo dom zijn, en telkens weer een nieuw leven krijgen vol duisternis, stevenen, op die manier mij nooit bereikend o zoon van Kuntî, af op de verschrikkelijkste bestemmingen. (21) Lust, woede en hebzucht vormen in deze zelfvernietiging de drie poorten naar de hel, en om die reden moet men zich van hen losmaken. (22) Vrijgekomen van deze hellepoorten heeft een persoon achting voor de ziel o zoon van Kuntî en, daarmee gezegend, de hoogste bestemming voor ogen.

(23) Een ieder die afziet van de regulerende beginselen3 zoals die zijn vastgelegd in de geschriften zal, naar eigen goeddunken handelend, nimmer de volmaaktheid, het geluk of het doel van de transcendentie bereiken. (24) Aldus bezien zijn het de geschriften die voor jou de standaard vormen om uit te maken wat wel en wat niet je plicht zou zijn; met de regelingen zoals die zijn uitgeduid in de geschriften behoor je te weten wat het werk is dat je in deze wereld te verrichten hebt.'

 

 

HOOFDSTUK 17

De drie kwaliteiten met betrekking tot iemands
verzaking, offers en voedsel

 

(1) Arjuna zei: 'Hij die van zich afzet wat er in de geschriften staat voorgeschreven maar, wel van geloof zijnde, van eerbetoon is, bevindt hij zich, Krishna, nu in goedheid of is hij anders van de hartstocht of de onwetendheid?'

(2) De man van het geluk zei: 'Het geloof dat de belichaamde erop nahoudt doet zich, afhankelijk van ieder zijn geboorte, voor in de drie vormen van de goedheid, de hartstocht en het niet-weten; verneem van mij ook over hen. (3) De ontwikkeling van iemands geloof is een kwestie van bewustzijn31, o nakomeling van Bharata; de persoon is geheel en al dat geloof en is, met een dergelijk geloof behept, aldus zeker van zichzelf. (4) Zij die van de goedheid zijn houden het goddelijke in gedachten, in de hartstocht is men geneigd voor het demonische te zwichten en mensen die van niks weten wijden zich aan de geesten der overledenen en aan spoken en dergelijke. (5-6) Die personen die, daartoe aangezet door de dwingende macht van de lust, op het ego gericht vol van eigendunk bezig zijn met boetedoeningen die met geweld worden doorgedreven en die niet in de geschriften staan voorgeschreven, zijn zonder twijfel van een duistere overtuiging; zij die het lichaam aantasten in zijn materiële integriteit hebben het helemaal bij het verkeerde eind wat betreft mijn persoon die benevens henzelf zich ook in dit lichaam ophoudt.

(7) Zoals ook het voedsel dat men nuttigt er in drie soorten is, zijn er eveneens drie soorten van liefdadigheid, offeren en boetedoening; verneem nu van mij over deze verschillen.

(8) Voedsel dat bevorderlijk is voor de levensduur en iemands wezen zuivert, kracht, gezondheid en bevrediging schenkt, en dat sappig, rijk, voedzaam en het hart een genoegen is, is het voedsel waar degenen van de goedheid de voorkeur aan geven. (9) Bitter, zuur, zout, te heet, met een luchtje, uitgedroogd en verbrand is het voedsel van degenen die in de geaardheid hartstocht verkeren; het maakt ongelukkig, ellendig en ziek. (10) Dat wat te lang gekookt heeft, nergens naar smaakt, slecht ruikt, uit elkaar valt, een kliekje is overgebleven van een voorgaande maaltijd en waar onzuiverheden in zitten, is het soort voedsel dat de onwetenden lief is.

(11) Een offer dat volgens de voorschriften van de heilige boeken wordt gebracht door zielen die, vrij van baatzucht, daarin tewerk zijn gegaan met een verzonken geest, is van de goedheid. (12) Maar dat offer dat verricht werd uit ijdelheid en met het verlangen naar een bepaald voordeel o leider van de lijn der Kuru's, ken dat offer als zijnde van de hartstocht. (13) Welk offeren ook gedaan in weerwil van de regulerende beginselen, zonder dat er voedsel werd uitgedeeld, zonder dat er lof gezongen werd, zonder dat er schenkingen gedaan zijn en zonder geloof uitgevoerd, moet beschouwd worden als offeren in de geaardheid onwetendheid.

(14) Als men in reinheid, oprechtheid, celibaat en geweldloosheid van respect is voor hen die van God zijn, voor hen die tweemaal geboren zijn, voor de leraren van het principe en voor de wijzen, spreekt men van verzaking in de zin van fysieke handelingen. (15) Wat betreft de stem bestaat de verzaking, zo zegt men, uit waarachtige, aangename en goedgunstige woorden die niet aanvallend zijn en die in een standvastige praktijk ontleend zijn aan het bestuderen van de boeken der spirituele wijsheid. (16) Verzaking van de geest heeft betrekking op een geest die getraind is in sereniteit, goed is van vertrouwen, en ernstig zelfbeheerst en van zelfcorrectie is.32 (17) Deze drievoudige verzaking33 die vrij is van het verlangen naar een zeker voordeel, wordt opgebracht door mensen met geloof in het transcendentale en is van de goedheid zo zegt men. (18) Verzaking die in deze wereld wordt opgebracht om te worden gerespecteerd, geëerd en aanbeden, en die aldus ijdel is, is, onstabiel en tijdelijk als ze is, van de geaardheid hartstocht zo stelt men. (19) Verzaking die dwaas uitgevoerd wordt met de bedoeling zichzelf te kwellen of anderen kwaad te doen, is, zo zegt men, van de geaardheid onwetendheid.

(20) Dat wat in liefdadigheid wordt geschonken als een gift zonder er iets voor terug te verwachten, op de juiste plaats en tijd en aan de juiste persoon, is een vorm van liefdadigheid die men acht als zijnde van de goedheid. (21) Maar dat wat gegeven werd met een of andere tegenprestatie in gedachten en met een bepaald resultaat op het oog of met een zekere wrok, is een vorm van liefdadigheid die men beschouwt als zijnde van de hartstocht. (22) Liefdadigheid zonder respect en de juiste aandacht, gegeven op de verkeerde plaats, de verkeerde tijd en aan personen die het niet verdienen, beschouwt men als zijnde van de onwetendheid. (23) Met om tat sat34, wordt het drievoudige van het allerhoogste aangeduid; deze woorden worden sinds mensenheugenis gebruikt door tweemaal geborenen bij zowel hun offers als bij de heilige boeken van de gebeden en de lofzangen. (24) Om die reden duidt de lettergreep om altijd het begin aan van het uitvoeren van de offers, de liefdadigheid en de boetedoening van de transcendentalisten die overeenkomstig de voorschriften tewerk gaan. (25) Het woord tat wordt, door hen die naar bevrijding verlangen, in dit verband gebruikt ter aanduiding van het niet op enig resultaat uit zijn met de verschillende handelingen van het offeren, boeten en liefdadig zijn. (26-27) Het woord sat wordt gebruikt om uitdrukking te geven aan de aard van het allerhoogste zowel als aan de toewijding voor het allerhoogste in de onderling overeengekomen handelingen, o zoon van Prithâ. Zo wordt dan in het geval van offers brengen, boete doen en liefdadig zijn het woord sat gebezigd om zowel de handelingen in kwestie als het absolute van de waarheid aan te duiden. (28) Als men een of ander offer brengt, op deze of gene wijze doneert, of als men van een bepaalde vorm van boete is, is men helemaal verkeerd bezig als men tewerk gaat zonder er enig geloof aan te hechten, o zoon van Prithâ; om op deze wijze te handelen in ongeloof heeft noch hier, noch in het hiernamaals enig nut.'

 

 

HOOFDSTUK 18a

Verzaking overeenkomstig de kwaliteiten en
de oorzaken van het karma

 

(1) Arjuna zei: 'O man van beheersing en meester over de zintuigen, ik zou graag de waarheid willen weten over de wereldverzakende orde en ook wat ik voor mezelf, los van die orde, zou moeten weten over die verzaking o duivelbestrijder.'

(2) De fortuinlijke zei: 'Wat de geleerden kennen als de wereldverzakende orde, houdt in dat men het opgeeft zich te verlustigen in het karma; wijze mannen spreken van verzaking als in alles wat men onderneemt het baatzuchtig motief is opgegeven. (3) De ene groep denkers zegt dat karma een kwaad is en dat het derhalve moet worden opgegeven, terwijl anderen benadrukken dat, in deze kwestie, de werken van opoffering, liefdadigheid en boete nimmer mogen worden opgegeven. (4) Om helder te zijn in deze aangelegenheid van de verzaking, o beste van de Kurudynastie, spreekt men in feite van drie soorten o tijger onder de mensen. (5) Inderdaad moeten handelingen van offeren, liefdadigheid en boete nimmer eraan gegeven worden, daar zelfs de grootste zielen nog zuivering vinden in dat offeren, liefdadig zijn en boete doen. (6) Maar zonder twijfel moet met al deze handelingen die men uit plichtsbesef verricht, de koppeling aan het behalen van resultaten worden opgegeven; dat, o zoon van Prithâ, is het laatste en het beste wat ik hierover te zeggen heb.

(7) Van verzaking zijn in karmische aangelegenheden houdt dan nimmer in dat men voorgeschreven plichten opgeeft; een dergelijke verzaking geleid door illusie, wordt verklaard van de onwetendheid te zijn. (8) Hij die het uit angst opgeeft, of omdat een bepaalde werklast misschien te zwaar zou zijn of ongemak zou inhouden voor het lichaam, is wis en zeker een verzaker in de greep van de hartstocht, iemand die nimmer de essentie van de verzaking doorheeft. (9) Als men een bepaalde periode werkt terwille van een resultaat en dat combineert met een verzaken van het resultaatgericht handelen op andere tijden, is een dergelijke verzaking Arjuna, naar mijn idee van de goedheid. (10) Hij die, intelligent genoeg, kapt met de twijfels, van de verzaking is, maar er nimmer een hekel aan heeft om wat stress te moeten verdragen in het werken voor een bepaald resultaat, noch eraan hecht genoegen te beleven aan het beoefenen van zijn vaardigheden daarin, is verzonken in de goedheid. (11) Zeker is het voor de belichaamde onmogelijk om volledig verzaakt te zijn in al zijn bezigheden, maar men wordt een verzaker genoemd als men een verzaker is van de vruchten van de arbeid. (12) Als men zich van de wereld afkeert zijn er, voor hen die niet van de verzaking waren, de drie soorten van karmische gevolgen van het onder ogen moeten zien dat alles op de hel uitdraait, dat men tot de hemel reikt of dat men een mengvorm van dezen krijgt, maar dit is nimmer het geval voor hen die tot de wereldverzakende orde behoren.35

(13) Neem tot besluit van de analyse van mij aan dat er de volgende vijf oorzaken zijn, o man van beheersing, waarvan men zegt dat ze ten dienste staan van de volkomenheid van alle handelingen: (14) De plaats, de persoon, de materiële middelen, de wegen die worden bewandeld en dat wat bij lotsbeschikking is geregeld.36 (15) Wat voor soort arbeid een persoon ook verricht in lichamelijk opzicht, in wat hij zegt of in geestelijk opzicht, is steeds van deze vijf oorzaken, ongeacht of hij nu het juiste of het onjuiste doet. (16) Dus, een ieder die denkt dat de individuele ziel die aan het werk is de enige factor in het spel zou zijn, ziet, al te dwaas zijn verstand niet gebruikend, de dingen niet zoals ze zijn. (17) Iemand die zich niet laat leiden door het ego en het ook niet zoekt bij een ander, raakt nimmer verstrikt en is, zelfs al heeft hij anderen omgebracht, nooit aan te merken als degene die de oorzaak is.

(18) Wat aanzet tot handelen zijn de drie factoren van de kenner, de kennis en het gekende, terwijl de werker, het werken en de werkende zintuigen, de drie onderdelen vormen waar het met het karma allemaal op aankomt. (19) Men zegt dat wat betreft de kennis, de arbeid en degene die bezig is er evenzo drie verschillende kwaliteiten zijn in de zin van de drie geaardheden; verneem ook wat die allemaal zijn.

(20) Die kennis waarmee men van de levende wezens, ondanks dat ze verdeeld zijn in talloze aantallen, hun onvergankelijke bestaansgrond herkent als zijnde één en dezelfde, moet je achten als zijnde van de goedheid. (21) Maar die kennis waarmee men het levende wezen, vanwege zijn verdeeld zijn over verschillende omstandigheden, waarneemt als zijnde verschillend in al deze levensvormen, moet worden beschouwd als zijnde van de hartstocht. (22) En als men gefixeerd is op één ding alsof dat alles zou zijn, wordt dat soort van weten, dat te gemakzuchtig is, ongefundeerd en onrealistisch, gezien als zijnde van de duisternis.

(23) Die arbeid die zich aan werkschema's houdt en welke, vrij van gehechtheid, voorkeur of afkeer, wordt uitgevoerd zonder uit te zijn op een of ander resultaat, ziet men als zijnde van de goedheid. (24) Maar als men tewerk gaat met ego en veel moeite doet om resultaten te behalen, zegt men dat het werk dat men doet van de geaardheid hartstocht is. (25) Men zegt dat het werk dat men verricht van de geaardheid onwetendheid is als men, gemotiveerd voor gehechtheden, eigenwillig, zonder acht te slaan op mogelijke gevolgen, destructief en anderen verdriet bezorgend, met een foute voorstelling van zaken tewerk gaat.

(26) Een werker, vrij van gehechtheid en egowaan, die gekwalificeerd, vastbesloten en onwankelbaar in succes en mislukking zijn uiterste best doet, wordt gezegd van de geaardheid goedheid te zijn. (27) Een werker die, staand op resultaten, zich laat leiden door vreugde en verdriet en die, onzuiver in zijn motieven, hebzuchtig is en van een gewelddadige aard, wordt verklaard van de hartstocht te zijn. (28) Van de werker in de geaardheid onwetendheid zegt men dat hij, materialistisch, obstinaat en bedrieglijk, niet verbonden is en dat hij, in zijn antisociale houding, lui is, neerslachtig en alles op de lange baan schuift.

(29) O veroveraar der weelde, luister nu naar mijn gedetailleerde beschrijving van hoe, naar gelang de verschillende geaardheden, de afzonderlijke soorten van intelligentie en overtuigd zijn eveneens in drieërlei opzicht van elkaar verschillen.

(30) O zoon van Prithâ, dat verstaan is van de goedheid dat zowel weet heeft van de vooruitgang als van stilstand, weet wat er wel en wat er niet moet worden gedaan, weet waar men bang voor moet zijn en waar men niet bang voor moet zijn, en weet wat van de gebondenheid is en wat van de bevrijding. (31) Die intelligentie die, o zoon van tante Prithâ, niet precies weet wat tot de oorspronkelijke aard behoort en wat tegen die aard ingaat, noch goed en kwaad uit elkaar weet te houden, is een intelligentie in de geaardheid der hartstocht die de dingen niet helder ziet. (32) O zoon van Prithâ, die intelligentie waarmee, versluierd door illusie, alles de verkeerde kant op gaat en men dat wat onrecht is houdt voor rechtschapenheid, is van de onwetendheid.

(33) O zoon van Prithâ, die overtuiging die, met een constante yogapraktijk, de activiteit van de geest, de ademhaling en de zinnen onder controle heeft, is een vastbeslotenheid die van de goedheid is. (34) Maar die overtuiging Arjuna, waarmee men, aan zijn religiositeit, sensualiteit en materiële zaken vasthoudend37, staat op het eigen voordeel, is een vastbeslotenheid o zoon van Prithâ, in de geaardheid hartstocht. (35) Die overtuiging waarin men onintelligent niet van ophouden weet met het slapen, vrezen, zich beklagen, en druilen alsook met het zich baseren op veronderstelde waarheden, is van de geaardheid onwetendheid o zoon van Prithâ.

(36) Maar verneem nu van mij over de drie soorten van geluk die men in standvastigheid geniet o beste van de Veelen-nazaten, en waarvan men in standvastigheid een einde aan zijn verdriet ziet komen. (37) Dat geluk dat in het begin als gif is, maar op het laatst is te vergelijken met nectar, is, ontsprongen aan de ziel bij de genade van de intelligentie, van de geaardheid goedheid zoals men dat zegt. (38) Dat geluk dat het resultaat is van het contact dat men met de zintuigen heeft met de voorwerpen van de zinnen en dat aanvankelijk als nectar is maar op den duur als vergif werkt, is een vorm van geluk waarvan men weet dat die hoort bij de geaardheid hartstocht. (39) Dat geluk dat van het begin tot het einde gebaseerd is op zelfmisleiding, verwaarlozing, luiheid en wanbegrip, beschouwt men als zijnde van de onwetendheid.

(40) Noch op aarde, noch onder de goden in de hogere sferen, is er ook maar iemand die vrij is van de invloed van deze drie geaardheden van de materiële natuur.' 

 

 

HOOFDSTUK 18b

Individuele plicht en de ene weg der bevrijding

 

(41) 'O overwinnaar van je tegenstanders, ontwikkeld uit de kwaliteiten van de materiële natuur zijn er de beroepsmatige bezigheden verdeeld naar de individuele aard van de vier maatschappelijke klassen van de intellectuelen en priesters; de overheidsdienaren en de militairen, de handelaren en de boeren en de bedienden en arbeiders38. (42) De intellectuele inspanningen terwille van de kennis, de wijsheid en het geloof in God zijn van de aard der vrede, van zelfbeheersing en van verzaking, zowel als van zuiverheid, tolerantie en eerlijkheid. (43) De manier waarop overheidsdienaren tewerk gaan wordt gekenmerkt door heldenmoed, krachtdadigheid, vindingrijkheid in geval van probleemsituaties, standvastigheid, generositeit en leiderschap. (44) Naar de aard van de koopman treft men het ploegen, de veehouderij en het handeldrijven als de plicht aan, terwijl de taak van de arbeiders eruit bestaat dienst te leveren.

(45) Als ieder mens aan zijn plicht beantwoordt zal volmaaktheid het resultaat zijn. Luister nu naar hoe die volmaaktheid kan worden bereikt. (46) Als men zijn plicht doet met datgene39 waar al de levende wezens hun bestaan aan te danken hebben en waarvan dit alles is doortrokken, bereikt een mens de volmaaktheid. (47) Het is beter gebrekkig te zijn in het doen van de eigen plicht40, dan het er volmaakt vanaf te brengen op een vervreemde manier, omdat men met het tewerk gaan volgens de eigen aard nooit met zichzelf in conflict zal verkeren. (48) Hoewel het maken van fouten onvermijdelijk is als men werkt voor een resultaat o zoon van Kuntî, behoort men nimmer zijn plicht te verzaken, omdat alles wat men onderneemt zonder twijfel gepaard gaat met vergissingen, zoals een vuur zich hult in een rookgordijn. (49) Als men van een intelligentie is die vrij is van gehechtheden en als men, zonder nog verlangens te koesteren, in ieder opzicht zichzelf in de hand heeft, bereikt men, met de wereldverzakende orde, de volmaaktheid van het vrij zijn van karmische terugslagen.

(50) Leer van mij hoe, samenvattend, o zoon van Prithâ, zonder mankeren de spirituele volmaaktheid wordt bereikt, het stadium van de opperste kennis van de âtmatattva. (51-53) Als men met zijn intelligentie volkomen in het reine is, verbonden is in zijn overtuiging en van regulatie is met zaken als geluiden; als men het opgegeven heeft met de voorwerpen van de zintuigen, afgezien heeft van de hartstocht en een negatieve houding; als men afgezonderd leeft, weinig eet en dat wat men zegt, denkt en doet onder controle heeft; als men zijn toevlucht gezocht heeft in de onthechting, de ganse dag in het voorbije van de meditatie verkeert en als men zich niet vereenzelvigt met zijn lichamelijkheid of van fysiek overwicht, verbeelding, lust, woede en materieel vergaren is, komt men, als men bevrijd van bezitsdrang dan de vrede leeft, ervoor in aanmerking in het spirituele zijn zelfverwerkelijking te vinden. (54) Men bereikt mijn bovenzinnelijke dienst als men, met het leiden van een spiritueel bestaan, voor het genoegen van de ziel weet te leven en men, met het zich nimmer beklagen of verlangens koesteren, van een gelijkgezinde geest is jegens alle levende wezens. (55) Men kent mij als men toegewijd van dienst is, want dat is wat ik in werkelijkheid ben; zo gauw men mij op die manier kent, heeft men toegang tot mij gekregen. (56) Naar de genade van mijn bescherming bereikt men, ongeacht waar men zich mee bezighoudt, de onvergankelijke eeuwige verblijfplaats. (57) Zorg ervoor dat je je de hele dag van mij bewust bent door doelgericht alle mogelijke overwegingen van baatzuchtige aard op te geven - dat wil zeggen, onder mijn leiding je toevlucht te zoeken in een in de yoga verenigde intelligentie. (58) Bewust van mij zul je door mijn genade alle belemmeringen te boven komen, maar als je, anderzijds, op een egotrip, erin mislukt hieraan te beantwoorden zal je je verloren weten. (59) Als je, als een escapist, probeert je te verschuilen in egoïsme en weigert het gevecht aan te gaan, heb je het bij het verkeerde eind; met de positie die je in de materiële wereld inneemt, heb je feitelijk geen keuze. (60) Gebonden aan je eigen handelen overeenkomstig de geboorte die je nam, geef je er, in staat van begoocheling, de voorkeur aan je niet bezig te houden met dat, o zoon van Prithâ, wat je zelfs onwillekeurig zult doen. (61) Arjuna, God houdt zich op in het hart van alle levende wezens, waar Hij aan ieder schepsel dat onderworpen is aan het mechanische van de uiterlijke illusie sturing geeft. (62) Geef je in ieder opzicht aan Hem over, o nakomeling van Bharata, bij Zijn genade zal je het hoogste verblijf van de eeuwige vrede bereiken. (63) Tot zover mijn verklaringen over het grotere geheim van de vertrouwelijke kennis; denk er hier en nu goed over na en doe dan dat wat je wenselijk acht.

(64) Het is omdat je mij zo dierbaar bent dat ik, voor je eigen bestwil, nogmaals dit meest vertrouwelijke gedeelte van heel mijn verheven instructie onder woorden breng: (65) Denk aan me, wordt mijn toegewijde, aanbid me en bewijs me de eer, en ik beloof je, aangezien je mij lief bent, dat je mij zonder mankeren zult bereiken. (66) Als je op mij uit bent als de enige waar je je aan moet overgeven en alle andere manieren van rechtschapen tewerk gaan laat varen, zal ik je verlossen van alle moeilijkheden die je ten deel vallen, maak je geen zorgen! (67) Maar onthul dit nooit aan iemand die niet boetvaardig is, die niet toegewijd is, noch aan iemand die niet bereid is te luisteren of aan iemand die zich tegen mij heeft gekeerd. (68) Hij die aan toegewijde mensen uitleg verschaft over dit meest vertrouwelijke geheim van mij, houdt zich in relatie tot mij bezig met bovenzinnelijke, toegewijde dienst en zal mij zonder twijfel bereiken. (69) Er is onder de mensen niemand die mij liever is, noch zal er op aarde ook maar iemand zijn die mij liever zal worden dan zo iemand. (70) Door het offer terwille van de kennis dat gebracht wordt door een persoon die dit heilige gesprek van ons bestudeert, zal ik aanbeden zijn. Dat is hoe ik het zie. (71) Dat menselijk wezen dat met geloof, vrij van afgunst, ernaar luistert, zal, behalve bevrijd te raken, ook de gunstige werelden der godvruchtigen bereiken. (72) O zoon van tante Prithâ, kon je volgen wat ik allemaal aan het uitleggen was? Is de begoocheling die teweeggebracht werd door een gebrek aan kennis nu verdreven, o winnaar van de weelde?'

(73) Arjuna zei: 'De illusie is verdreven en mijn geheugen is weer terug. Jouw genade nam mijn twijfels weg o onfeilbare, ik sta nu weer met mijn benen op de grond. Ik zal doen wat je me gezegd hebt te doen.' "

(74) Sañjaya zei: "Dit is wat ik vernam van het wonderbaarlijke en verbluffende gesprek tussen de grote zielen Krishna en Arjuna. (75) Dankzij Vyâsadeva16, kon ik uit de eerste hand uit de mond van Krishna, de meester van het zich verenigen in het bewustzijn in eigen persoon, horen hoe dit geheim betreffende het opperste van de yoga ter sprake kwam. (76) O meester van de politiek, het herhaaldelijk terugdenken aan dit prachtige en vrome gesprek tussen de man van de schoonheid en Arjuna, doet mijn hart telkens weer overlopen van vreugde. (77) En ook ben ik, iedere keer als ik mij die ontzaglijk verbazingwekkende gedaante van Krishna weer voor de geest haal o bestuurder der mensen, tot mijn grote vreugde keer op keer getroffen door verwondering. (78) Ik ben ervan overtuigd dat overal waar de meester in de yoga Krishna en de zoon van Prithâ met zijn speeches en oneliners te vinden zijn, men daar verzekerd is van de volheid, de victorie, een grote macht en een hoogstaande moraal."

Aldus eindigt Een Lied van Geluk - Een klassieke Gîtâ, die gedurende de maand mei 2760 AUC12 met achting voor de algemene toestand van de wereld werd vertaald naar de geest van zijn tijd, door Anand Aadhar Prabhu41, de meester in de âtmatattva die in die hoedanigheid de grondvesting van het geluk wordt genoemd, ten dienste van het goddelijk gezelschap van de grote zielen van zijn tijd en de velen die hem voorgingen in deze taak.

 

 

Epiloog

    Nadat Krishna en Arjuna hun gesprek hadden beëindigd, gingen ze geïnspireerd en energiek de strijd aan met hun neven. Arjuna nam, samen met zijn vier broers, daarbij de wapens op tegen ook het Yaduleger van Krishna zelf dat meevocht met de Kaurava's. Voor de strijd begon had Krishna in het diplomatiek vooroverleg namelijk de Pândava's en de Kaurava's de faire keus geboden met de woorden: 'Je vecht tegen mij of je vecht tegen mijn leger'.

   De strijd tussen de familieleden duurde achttien dagen. In die tijd werden, de een na de ander, hun tegenstanders verslagen. Terwijl vrijwel iedere Kaurava op het laatst het onderspit moest delven in de strijd vanwege het karma, ermee aan de kaak gesteld, dat had geleid tot een corruptie van de vaardigheden en de concrete ondersteuning, tot twijfelachtige voorstellingen van zaken, slecht gezelschap, afgunst, woede en een slechte geestelijkheid, was dit niet het geval met de goed getrainde Arjuna en zijn leger van opstandelingen, die tot op het perfecte af voortdurend werden geadviseerd en ondersteund door Krishna's geesteskracht, beheersing, en persoonlijke aanwezigheid op het slagveld als wagenmenner. Samen met hem bleef geen vijand gespaard, en zelfs ging, een tijd na de veldslag, de heersende Yadu-clan van Krishna zelf in een massaal gevecht tegen zichzelf ten onder, precies zoals Krishna het gepland had voor alle heersende machten van die tijd.

 
  Duryodhana, Arjuna's aartsrivaal, was getroffen door de knots van Bhîma op het slagveld gevallen met een gebroken ruggengraat en moest zo voor al zijn gemene trucs en streken boeten die hij met zijn broers in het verleden had uitgehaald in zijn repressieve campagnes. De blinde oom Dhritarâshthra verloor zijn geloofwaardigheid en gezag als een man en stamvader van wijsheid en vertrok naar de Himalaya's om daar letterlijk in de vlammen der boetedoening op te gaan. Zo kwam ook aan zijn leven en destructieve, familiale gehechtheid een einde.

   Yudhishthhira, de oudste Pândava werd, met de steun van Krishna, de nieuwe koning. Maar nimmer weer herstelde zich definitief de eer van de familie. Het gesloten front dat ze altijd hadden gevormd, was ingestort en zo verging het ook de publieke moraal die ermee samenhing. Kali Yuga, het tijdperk van de redetwist had zijn aanvang genomen. Terwijl er in de goede oude tijd van de tijdperken ervoor sprake was geweest van een onbetwiste heerschappij van grote koningen en keizers representatief voor de poten van de stier van dharma, de waarden van de waarachtigheid, de zuiverheid, de boetvaardigheid en het sociale medeleven, trof men deze waarden sedertdien in verval aan.

   
De breuk die was opgetreden in het traditionele familiebestuur was dermate ernstig, dat de nauwe relatie van de dynastieke religiositeit van offers brengen, welzijnsactiviteiten, liefdadigheid en openbare plechtigheden aan de ene kant en het seculiere bestuur van de staat aan de andere kant, definitief was vervreemd in twee van elkaar gescheiden, aparte sociale werelden. Het rechtschapen bestuur en het brahmaanse intellect waren gescheiden geraakt. Arjuna's kleinzoon Parîkchit, die, vanaf zijn geboorte begiftigd met een goed verstand en dito karakter, een scherp oog had voor alles en iedereen, en persoonlijk geen gelegenheid onbenut liet om het dharma uit te dragen, was in de voetsporen van zijn oudoom Yudhishthhira getreden met aanvaarden van het reeds als kind door de oudooms aan hem overgedragen koningschap, dat tevens voor het laatste koningschap van de oude tijd stond. Vanwege een conflict dat was ontstaan tussen zijn persoon en een vertegenwoordiger van de klasse der wijzen, viel ook hij, de laatste grote bestuurder van de familie, in ongenade. Hij trad terug na vervloekt te zijn door de zoon van een mediterende wijze die door Parîkchit was beledigd toen die hem niet naar zijn zin in zijn hermitage wist te ontvangen.

   
Parîkchit had in zijn belediging uitgedragen dat de wereldvreemde wijzen en de geestelijkheid allemaal nalatige en te weinig betrokken escapisten waren, opgesloten in hun eigengereide ivoren torens. Maar later kon hij die offensieve houding niet langer volhouden. Tenslotte bleek hij zelf, nadat hij zijn bestuur onder invloed van de vloek had opgegeven, een toegewijde brahmaan te zijn. Hij zette zich neer aan de voeten van S'ukadeva, de zoon van Vyâsadeva, die hem in de week tijds die hij volgens de vloek vastend moest doorbrengen tot de dood erop volgde, de gehele Vedische voorgeschiedenis met inbegrip van het verhaal van Krishna, de Fortuinlijke, vertelde, die later werd overgedragen in erfopvolging als de Bhâgavata Purâna, de belangrijkste verhalenbundel of bijbel van de Hindoes (er zijn er achttien grote en kleine). De integriteit van de dynastie was met hem definitief ten onder gegaan en bestond slechts nog in zijn volle glorie voort binnen de besloten levenssferen van de religieuze leefgemeenschappen van de priesters, wijzen en geleerden die vandaag de dag de leraren, de goeroes, van het voorbeeld worden genoemd, ofwel de âcârya's, die traditioneel opgedeeld zijn in verschillende leerscholen of sampradâya's. Het feit dat het klassieke bestuur van de dynastie van Bhâratavarsha, ofwel India, zich nimmer meer in zijn oude glorie herstelde, en in die zin ook de wereldorde waar ze voor stond voorgoed uiteen was gevallen, leidde ertoe dat de gewone man wereldwijd, zonder veel eer en waardigheid, maar door bleef ruziën in het politieke tijdperk van Kali Yuga, totdat die egostrijd, met het bereiken van het einde van zijn synergie, weer zou overgaan in een nieuw tijdperk van waarheid en bezieling, een nieuwe Satya-yuga voor de planeet.

 
 

Voetnoten

1) In deze klassieke tekst werden de oorspronkelijke Sanskriet namen weergegeven zoals men die aantreft in de oertekst van de Bhagavad Gîtâ. De klassieke situatie van de krijgers die klaarstaan voor de strijd te Kurukshetra kan men in een moderne parallel vergelijken met die van een politiek debat tussen conservatief en progressief gemotiveerde politici. Deze parallel werd uitgewerkt in de moderne versie van dit boek. Krishna zou dan naar hedendaagse begrippen zelf tot het progressieve kamp behoren, ook al is hij in wezen een neutrale getuige, terwijl de macht van zijn bestuur, zijn cultuur zelf, een conservatieve kracht is. Krishna betekent letterlijk vertaald duister. Deze naam heeft oorspronkelijk betrekking op zijn grijs-zwarte huid. In het Nederlands vertaald zou hij Adri heten (van adriatisch, zuidelijk of donker van kleur). Andere eretitels in dit boek gebruikt werden echter wel allemaal in het Nederlands vertaald zodat de sfeertekening van die namen beter te begrijpen is.

2) Arjuna, letterlijk vertaald 'de heldere' of 'de blanke', zou in het Nederlands de naam Aily krijgen, 'hij die dapper is met het zwaard'. In het Engels heet hij dan Aylen, een mapuche indianennaam die in Noord-Amerika staat voor helderheid en geluk.

3) De oorspronkelijke term die hier wordt gebruikt is dharma. Traditioneel spreekt men in deze context van de zogenaamde vidhi als referentie voor de principes van het dharma. Dezen zijn satya, s'auca, tapas en dayâ - waarheid, zuiverheid, boete en mededogen; of ook wel âtmatattva-gewijs (zie volgende notitie) uitgedrukt als het waarachtig, trouw, liefdadig en vreedzaam zijn in overeenstemming met het modern afgeleide âtmatattva gebed betreffende deze regulerende beginselen: 'Moge vrede met de natuurlijke orde, over de wereld heersen in respect voor de waarheid, alles met een ieder delend in matiging, trouw aan de zaak der eenheid'. Deze waarden worden in de vedische literatuur ook wel de poten van de stier van het dharma genoemd. In onze moderne tijd zijn deze poten geweld aangedaan door Kali ('Redetwist') en in verval geraakt, zodat men spreekt van de vier zondige activiteiten van het gokken, drinken, prostitueren en het slachten van dieren (dyûtam, pânam, striyah, sûnâ), die kenmerkend zijn voor de goddeloze personen van het Kalitijdperk. Die persoon van Kali, van het klassiek zondigen en de menselijke zwakheid, werd getolereerd, maar teruggedrongen tot de plaatsen die kenmerkend zijn voor deze zonden door de eerste keizer die heerste nadat Krishna ongeveer vijfduizend jaar geleden de planeet had verlaten: Parîkchit (de 'Onderzoeker', zie eveneens de Bhâgavata Purâna 1.16 & 17).

4) De term âtmatattva staat voor het principe of de werkelijkheid van de ziel, en heeft betrekking op de liefde voor de kennis, en wordt hier gepresenteerd als de ware kennis. Ze kent een equivalent in het Sanskriet: jñâna, spirituele, geestelijke kennis. Naar de westerse, griekse traditie kan de term het best worden omschreven met filognosie. De term vertegenwoordigt de alomvattende logica van het spiritueel bestrijken van al de zes basisvisies (darshana's) van het menselijke, culturele respect wat betreft het feitelijke (de filosofie en de wetenschap), het principiële (de analyse en de spiritualiteit) en het persoonlijke (in religieuze en politieke zin). Eenheid en harmonie van bewustzijn is het oogmerk van deze naturalistisch/idealistische liefde waarin men, teneinde de problemen van het niet-weten tegen te gaan, van lichamelijke oefening is, van meditatie, van studie, bezinning, vertoog, gezang en dienst aan God en de medemens, overeenkomstig de natuurlijke orde van de tijd in samenhang met de ether. Het is een syncretische benadering die naar behoren iedere vorm van materialisme, politieke associatie of wetenschappelijke denkwijze zijn eigen afgebakende plaats en missie in de samenleving toewijst. Een âtmatattva-persoon of filognost ontleent, in het trouw en gelovig zijn met de basisbeginselen van het geweldloze mededogen, de boetvaardigheid, de reinheid en de waarachtigheid, zijn bestaan deels aan religieuze benaderingen zo verschillend als het Hindoeïsme, het gnosticisme in al haar culturele verscheidenheid, het Boeddhisme, het Taoïsme/Confucianisme, het Universele Soefisme en het Vaishnavisme (zie verder theorderoftime.org/ned).

5) Zij die dwaas en gecorrumpeerd zijn vormen in de âtmatattva een categorie die betrekking heeft op het dilemma van de materialist: gericht op een zienswijze is hij een zot (mudha), gericht op de middelen is hij corrupt (papa). Hij is op allebei de manieren verkeerd bezig omdat er met hem geen juiste koppeling is van een specifieke volheid (bhaga) met het logische gevolg van een bepaalde zienswijze (darshana) die bij die volheid hoort (zie ook de notities 6 & 11). Zo is b.v. de bhaga van de boetvaardigheid het middel om in de yoga tot transcendentie te komen, maar met een politiek oogmerk is dat een vorm van materiële dwaasheid die we als een staatsgewijze negativiteit isolationisme noemen; men isoleert zich met dat soort maatregelen van de rest van de wereld. De âtmatattva-persoon vindt echter wel de juiste koppeling en aldus ook het vrome evenwicht van dit of dat religieuze respect tussen het kennismiddel dat wordt aangewend en de zienswijze die het oogmerk is, en richt zich dan gelijk naar de âtmatattva integriteit van de verschillende soorten van evenwicht tussen de middelen en doelen. Op zichzelf bestaand vormt ieder van deze verschillende soorten van evenwicht een superego, maar als die ieder afzonderlijk hun plaats weten te vinden in de wereldcultuur zijn ze waarlijk van de superziel.

6) De mindere intelligentie van deze of gene idealistische religiositeit wordt bepaald door de eenzijdigheid van haar logica. Voor iedere juiste koppeling van een volheid met een zekere zienswijze is er een vorm van religiositeit welke, hoewel volmaakt geldig, op zichzelf een mindere intelligentie vormt dan de alomvattende intelligentie van de âtmatattva die ieder van deze vormen van logica zijn plaats wijst in haar epistemologie. Aldus hebben we b.v. het Hindoeïsme dat, als een vorm van veelvormige halfgodendienst, zich doet gelden als een juiste koppeling tussen de volheid van het intelligent zijn met de kennis en de zienswijze van het methodisch zijn in de filosofie. Maar op zichzelf is het enkel maar een religie van filosoferen als het mislukt in het wetenschappelijke denkmodel, de artistieke analyse, de gnostische orde, de syncretische persoonlijkheid en de maatschappelijke, politieke betrokkenheid van respectievelijk het Boeddhisme, Taoïsme, gnosticisme, Universele Soefisme en het Vaishnavisme. Het Hindoeïsme is, net zoals de laatstgenoemden dat kunnen zijn, in het voor zichzelf bestaand weerstaan van de multiculturele wereldorde van de âtmatattva, meer van het superego dan van de superziel (zie ook notitie 4 en 11).

7) Zijn volheid, Zijn weelde wordt gekend in zes vormen van fortuin of zes kennismiddelen: intelligentie (of kennis), macht, schoonheid, verzaking, roem en rijkdom (gnostisch pleroma genaamd). Ze vormen de manifeste en niet-manifeste aspecten van de ruimte, de materie en de tijd, de Basiselementen van het universum. Het sanskriet woord voor de volheid is bhaga, en de titel die in het Sanskriet hier gebruikt wordt van Bhagavân betekent aldus de Fortuinlijke of Volkomene, ofwel Hij van de volheden, of meer specifiek Nederlands, Hij van het Geluk. In de klassieke vaishnava retoriek, wordt de naam vaak vertaald met de Allerhoogste Persoonlijkheid van God of simpelweg de Heer (zie ook notitie 11 en de twee voorgaande).

8) Een dag van God, bestaande uit duizend cycli van schepping of mahâyuga's, wordt een kalpa genoemd in het Sanskriet. In een dergelijk jaar zijn er 360 dagen, en honderd van die jaren vormen het leven van de Schepper die Brahmâ wordt genoemd in de vedische cultuur waarvan Krishna als een meester in de yoga, ofwel Krishna als Yogîs'vara, spreekt.

9) Terwijl dit vers hier zegt: 'een blad, een bloem, een vrucht en water', gaat het in de bhakti-praktijk van de toewijding om een wat ruimer opgezet vegetarisch dieet dat bestaat uit geofferd voedsel dat is samengesteld uit bonen, granen, vruchten en groenten, en kaas en melk.

10) De namen van de zeven grote wijzen, ook wel de zonen van de schepper Brahmâ genaamd, waaraan het originele Sanskriet hier refereert zijn: Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu en Vasishthha, en de vier Manu's zijn de oerverwekkers Svâyambhuva, Svârocisha, Raivata en Uttama.

11) De zes kenmerken van de volheid of het geluk waar we het in de âtmatattva over hebben worden, zoals reeds gesteld in notitie 7, afgeleid van de drie basiselementen van de schepping: tijd (kâla), ruimte (âkâs'a) en materie (prakriti). Met het manifeste en niet-manifeste van deze basiselementen komen we uit op het volledige van Zijn volheid: intelligentie en kennis als de manifestatie van de ruimte, de afspiegeling van het ruimtebesef, terwijl de macht van de ether de ongeziene beweger is in het voorbije. Waar schoonheid en harmonie het manifeste van God vormen in de materiële wereld, is boete de niet-manifeste leidraad van de getuige der bovenzinnelijkheid die niet wordt gezien. Naar het manifeste van de tijd hebben we de roem van de Heer die zich in ieder tijdvak vertoont en aanbeden wordt in alle religies als de avatâra, de profeet, de zoon van de meester der meditatie en dergelijke, terwijl het niet-manifeste van de tijd de rijkdom is van het tijd hebben, dan wel het geld waar de tijd in is veranderd. Met de volheden van de intelligentie, de macht, de schoonheid, de verzaking en de rijkdom, als de middelen van God, zijn de zes âtmatattva zienswijzen (de darshana's) het doel. De perfectie van de intelligentie vindt men in het filosofisch gezichtspunt (nyâya), de perfectie van de macht vindt men in het paradigma van de wetenschap (vais'eshika), de perfectie van de harmonie vindt men in de analyse (sânkhya), de perfectie van de verzaking vindt men in de gnosis van het zich verenigen in het bewustzijn (yoga), de perfectie van de roem vindt men in de religieuze eredienst (karma- of pûrva-mîmâmsâ), terwijl de perfectie van de rijkdom wordt gevonden in de politiek van het elkaar tegemoet treden met commentaren (vedanta of uttara-mîmâmsâ). Een verkeerde koppeling van de twee kenmerkt de onevenwichtigheid van de materialist die ofwel corrupt is in het afgaan op de middelen van de bhaga in plaats van op de zienswijze, of anders dwaas is met de verkeerde darshana als oogmerk. Een juiste koppeling van de twee leidt, consequent beoefend, tot een van de zes ermee overeenstemmende basisreligies of geestelijke disciplines in de âtmatattva: Hindoeïsme, Boeddhisme, Taoïsme-Confucianisme, gnosticisme, Universeel Soefisme en Vaishnavisme. Âtmatattva is de integriteit die zelfs de superego's van deze -ismen overkoepelt, incorporeert, omvat en integreert, die voor zichzelf weliswaar in evenwicht verkeren, maar niet cross-cultureel alomvattend zijn in de spiritualiteit waar ze voor gemotiveerd zijn. De âtmatattva stelt simpelweg in zijn epistemologie dat ieder van deze religies of disciplines een bepaalde soort van geldige logica voorstelt (zie ook de notities 4, 5 & 6).

12) De orde van de tijd in relatie tot de maan wordt ook wel de cakra-orde genoemd in de âtmatattva. Dat houdt in dat naast een tijdschaal die in twaalf of vierentwintig uur verdeeld is, er ook een verdeling van het zonnejaar in vierentwintig is die, ongeveer op de manier van de romeinse kalender van Julius Caesar, 15-daagse tweewekelijkse perioden of geschrikkelde weken biedt (pañca-das'a) die hun aanvang nemen op de kortste dag van de 21e/22e december. Aldus zijn er dan 48 weken in een cakrajaar. De zogenaamde legale dagen van werken (romeins genaamd dies fasti) en rusten (dies nefasti) zijn in dit kalendersysteem vastgelegd op de fasen van de maan. En zo heeft men dan een soort van zaterdag of sabbat, bestemd voor religieuze erediensten en dergelijke, die dwars door de cakraweek heen wandelt met het tempo van de maan. Op deze manier is men van een natuurlijk bewustzijn in dit zich gelijkrichten met de verschillende tempo's van de zon en de maan. Er is ook een regelmatig schrikkelen van de maanden, dat leidt tot zes tweemaandelijkse seizoenen van 61 dagen (met de mindering van een 60 dagen tellend seizoen midzomer). Dit in tegenstelling tot de lunisolaire hindoekalender die uit 12 of dertien maanden bestaat die geschrikkeld worden naar de uurhoek, waardoor die onregelmatig is in zijn maandelijkse orde. Met de cakra-orde schrikkelt men zelfs de dag, hetgeen in de praktijk neerkomt op het bijstellen van de klok iedere week met een paar minuten overeenkomstig de tijdsvereffening, zowel als een voortschrijdende (20 minuten per jaar later) galactische nieuwjaarsdag (beginnend vanaf het jaar 2000 middernacht van 6-7 juli) op de dag dat de planeet aarde het dichtst bij het centrum van de melkweg in Sagittarius A staat, overeenkomstig de precessie van de equinox. In principe wordt het jaar dynamisch geschrikkeld met een dag wanneer dat nodig is en niet op een vastgestelde dag eind februari, zodat de kalender altijd binnen de grens van een afwijking van één dag blijft. Maar in de praktijk mag men het schrikkelen overlaten aan de gregoriaanse kalender welke tot nu toe (2008) geleidelijk aan met ongeveer één dag in de 33000 jaar afwijkt. Aldus is in de âtmatattva de cakra-orde volledig in zijn astronomische achting voor de natuurlijke dynamiek van de cyclische tijd (zie verder theorderoftime.org/ned) en vormt hij zo de perfectie van het overeenstemmen met de oorspronkelijke vedische waarheid van dit Lied van Geluk (zie tevens de Bhâgavata Purâna 3.11: 10). De cakrakalender biedt een historische jaartelling in AUC, ab urbe condita, vanaf de grondvesting van de stad Rome, om vrij te zijn van religieuze voorkeuren in wettelijke aangelegenheden. Het jaar 2000 n.Chr. komt overeen met het jaar 2753 AUC, dat het precieze aantal jaren voorstelt van de leeftijd van onze, oorspronkelijk romeinse maar nu vedisch hervormde, âtmatattva cakrakalender.

13) De koning van de hemel: dit wordt hier gebruikelijk geïnterpreteerd als zijnde Indra, maar naar het oorspronkelijke woord vâsava dat hier wordt gebruikt, mag het ook worden herkend als de sterrenhemel, welke vedisch wordt gezien als de representatie van Vâsudeva, Heer Krishna, zoals die in de hemel als een feitelijk iets kan worden waargenomen (zie Bhâgavata Purâna 5.23: 4 & 8). Aldus heerst Hij over de halfgoden van de zon en de maan als zijnde hun integratie, op de manier waarop een klok met zijn wijzerplaat heerst over de grote en de kleine wijzer. Naar de traditie mediteert men hierop met de mantra namah jyotih-lokâya kâlâyanâya animishâm pataye mahâ-purushâya abhidhîmahi, dat betekent: 'Onze eerbetuigingen voor dit rustpunt van al de stralende werelden, voor de meester der halfgoden, de grote persoonlijkheid in de gedaante van de tijd, op wie wij mediteren'. Maar in de âtmatattva zetten we eenvoudig iedere cakraweek de klok gelijk met de zon met behulp van de zogenaamde tempometer, een solaire, astrariumklok.

14) De berg waar Krishna zich mee identificeert en die in het Sanskriet Meru genoemd wordt is zichtbaar door de telescoop als de berg van sterren in het midden van het sterrenstelsel. In metaforische zin is het een berg van transcendentie in de kern van je bewustzijn die door de toegewijde wordt beklommen in bhâgavata dharma, of emancipatie in toewijding, teneinde te reiken tot de schepper Brahmâ, de verpersoonlijking van de Absolute Waarheid die er bovenop zit.

15) In Zijn gedaante van de tijd is de Heer ook drievoudig (trikâla): niet enkel in de zin van het verleden, het heden en de toekomst of het 's morgens 's middags en 's avonds mediteren, maar ook in de zin van de drie Vishnu's van de relatieve ether (zie notitie 26): de tijd van de tijdruimte is van de tijd van de expansie van de kosmos die lineair is, de tijd van de samentrekking of aantrekking in het universum die cyclisch van aard is, en de lokale, ervaren tijd die psychologisch of relatief is. Als zijnde het drievoudige van de tijd kan de Heer ook herkend worden in de tijd van de zon, de maan en de sterrenhemel, welke samengenomen dat vertegenwoordigen wat je de klok van God zou kunnen noemen.

16) Vyâsadeva laat zich naar westerse begrippen het best vertalen met de hebreeuwse naam Asaph. Het betreft dezelfde persoon als degene die vermeld wordt als de auteur van dit Lied van God, dit Lied van Geluk, deze Bhagavad Gîtâ, die âtmatattva-gewijs ook wel Godbijeen wordt genoemd, of beter omschreven: 'hij die de verzen van God bijeenbracht'. Sommigen twijfelen over deze naam omdat iedere wijze die de wijsheid bijeenbrengt Vyâsa kan worden genoemd. Maar in het Vaishnavisme is men overtuigd van zijn identiteit als zijnde Krishna Dvaipâyana Vyâsadeva, of ook wel Bâdarâyana - hij die verblijft te Badarikâ, een meditatieoord in de Himalaya's vernoemd naar de jujubebomen die daar groeien. Hij was de wijze die een grootvader was van de Kurudynastie, de familie die vijfduizend jaar geleden zich opstelde op het slagveld van Kurukshetra waar dit gesprek oorspronkelijk plaatsvond tussen Krishna en Arjuna. Dit gebeurde vlak voor de grote veldslag zoals die in de Mahâbhârata wordt beschreven, het grootste epische dichtwerk ter wereld dat eveneens door Vyâsadeva werd geschreven. Hij was de zoon van de wijze Parâs'ara en Satyavatî, en een halfbroer van Vicitravîrya en grootvader Bhîshma.

17) Wat de 'wettelijke maatregel' wordt genoemd, heet in het Sanskriet de roede: de zogenaamde danda.

18) De drie werelden: hemel, het aardse vagevuur en de hel. Vedische term voor wereld: loka.

19) De formulering van dit deel van het vers was oorspronkelijk een eenvoudiger opsomming van deze velden: 'de basiselementen, het valse ego, de intelligentie en het ongemanifesteerde, als zeker ook de elf van de zinnen'. Terwille van de duidelijkheid kregen ze een meer uitgebreide vertaling hier. De externe velden van de materiële elementen, de intelligentie, het ongemanifesteerde en het valse ego houden rechtstreeks verband met de basisverdelingen van de dimensies van de kwaliteit en de kwantiteit, zowel als met de verschillende burgerdeugden welke de purushârtha's worden genoemd. De traditie stelt dat we kwalitatief gelijk zijn aan God, maar dat we kwantitatief verschillen. De kwaliteit geeft de dimensie van het concrete versus het abstracte belang en de kwantiteit geeft de dimensie van het individuele tegenover het sociale belang. Zo krijgt men de vier velden van de materiële elementen (individueel/concreet), de intelligentie (individueel/abstract), het ongemanifesteerde (abstract/sociaal) en het ego (concreet/sociaal). De deugd van het reguleren van de lust (kâma) is geregeld in het veld van het ego. De deugd van het reguleren van het geld (artha) vindt plaats in het zakelijke veld van de materiële elementen, de deugd van het regelen van de religie (dharma) vindt plaats in het veld van de intelligentie, en de deugd van het vinden van bevrijding (moksha) word geregeld in het veld van het verenigingsleven van omgang hebben met de ongemanifesteerde God, of godheid, die heerst over de sportieve en religieuze samenkomst.

20) De vertaling van dit deel van het vers bood oorspronkelijk een eenvoudiger opsomming: 'de elf van de zinnen, de vijf zinsobjecten, voorkeur en afkeer, geluk en ongeluk, de combinaties ervan, het bewustzijn en de overtuiging, vormen het veld van handelen met zijn transformaties'. Opnieuw terwille van de duidelijkheid werd hier gekozen voor een ruimere omschrijving in deze vertaling indachtig de moderne bevindingen wat betreft de functies van de hersenen. De verschillende hersengedeelten, de interne velden, zijn de frontale en occipitale delen van het brein die respectievelijk staan voor de uitgaande persoonlijkheid en de vermogens tot waarnemen, het bovenste corticale gedeelte van de mentale denkinhouden en de lagere emotionele gedeelten van de basisfuncties van het lichaam, en de laterale gedeelten van de linker hemisfeer die overwegend lineair werkt en tijdgeoriënteerd is en de rechter hemisfeer die meer parallel functionerend gespecialiseerd is in ruimtelijke taken of functies.

21) Dit wordt in het Sanskriet ook wel het Brahman genoemd. Het staat voor God, geest en de Absolute Waarheid, bestaat zowel vanbinnen als vanbuiten en vormt het geheel van de kenner, het gekende en de kennis (zie ook volgende notitie).

22) Het persoonlijke alsook het onpersoonlijke van de materiële natuur is zo echt en eeuwig als de categorie waar ze toe behoren. Je kan het vergelijken met de natuurwetten die men presenteert in wiskundige termen en de werkelijkheid waar ze betrekking op hebben: beide zijn ze even echt als de categorie van de natuurkunde waar ze toe behoren. Het onpersoonlijke van de materiële natuur, prakriti, en het persoonlijke van het mannelijk principe, de persoon, de purusha, kan men niet los van elkaar zien, net zoals men licht en duister niet los van elkaar kan bezien . Beiden tezamen vormen ze de fundamentele dualiteit van de werkelijkheid die men de grotere ziel noemt of het universele zelf van Brahman, God of het Absolute, dat alle elementen van de materie en de geest bevat die het zichtbare en kenbare uitmaken van alles wat er bestaat.

23) De drie geaardheden van de onwetendheid, de goedheid en de hartstocht, tamas, sattva en rajas, waarover al eerder gesproken werd in het Lied, worden ondersteund door de drie disciplines van de goddelijkheid van respectievelijk de vernietiging (persoon: S'iva, werkelijkheid: Paramâtmâ - de Superziel), de handhaving (persoon: Vishnu, werkelijkheid: Bhagavân - de Fortuinlijke) en schepping (persoon: Brahmâ, werkelijkheid: Brahman - de Absolute Waarheid), welke ieder respectievelijk de kenmerken dragen van de traagheid, de kennis en beweging.

24) Deze voorbeelden van de tijd als de conditionerende orde (10.30 & 11.32), de natuurkracht van de ether als een causaal krachtveld dat de draaiing van de planeten bepaalt (9.8), en de geaardheden van de materiële natuur als een beweger van de natuurlijke actie (14.19), worden afgeleid van verzen in het Lied die spreken over een doener die niet de individuele persoon is; ze behoren niet tot het oorspronkelijke Sanskriet van dit vers. De Heer identificeert zich met hen als behorend tot het onpersoonlijke aspect van Zijn natuur. Hijzelf is de integriteit die ze samenbindt als de ether gecondenseerd in een materiële vorm en als de tijd die alles tot leven beweegt met een specifieke kalender van lokale voorkeuren.

25) Het verhaal van de twee personen heeft betrekking op de individuele ziel en de Superziel die zich ophouden in een en hetzelfde lichaam als twee vogels die samen in een boom zitten: de ene vogel geniet van de vruchten terwijl de andere toekijkt.

26) De term ether (âkâs'a) moet men zich op dit punt herinneren in de meest moderne zin van het woord, nl. als relativistisch: als het causale krachtveld dat in zijn werking verschilt naar gelang de ruimte die ermee beschreven wordt, d.w.z. een lokale, elementaire of planetaire ruimte, een universele galactische ruimte en de kosmische of tijdruimtelijk bepaalde oerexpansie van onze materiële werkelijkheid. Het is zowel de doener als de degene die niet handelt in de zin van een niet-betrokken gelijkheid. Dit herinnert men zich vedisch als de drie soorten van Vishnu: Mahâ-vishnu of Kâranodakas'âyî-vishnu, Garbodakas'âyî-vishnu en Ksîrodakas'âyî-vishnu. Vishnu moet worden beschouwd als de representatie van het element van de ether, net zoals de ether moet worden gezien als een manifestatie van Zijn werkelijkheid als de oorspronkelijke integriteit van God uit wie al het andere zijn bestaan vond zo bevestigt de Bhâgavata Purâna (2.5: 25 en 11.5: 19).

27) In de Bhâgavata Purâna (4.25 - 4.28) staat een verhaal van een man genaamd Purañjana die leeft in een stad met negen poorten. Deze stad staat model voor het fysieke lichaam met zijn negen lichaamsopeningen. Het verhaal is een metafoor voor het leven dat zich oriënteert op het zintuiglijke, een materialistisch leven van een ziel die als een hond zijn impulsen volgt alsmede zijn vrouw die zijn zinnen beheerst. De gosvâmî, de geestelijk leraar in het Vaishnavisme wordt beschreven als een meester van de zinnen. Een andere naam voor Krishna is dan ook Meester der Zinnen: Hrishîkes'a.

28) Atmatattva liederen zijn de in de eigen taal gezongen en naar de eigen muzikale cultuur gearrangeerde, devotionele liederen van de oorspronkelijk in het Sanskriet en Bengaals geschreven mantra's, bhajans, gebeden en andere lofzangen van de erfopvolging van vaishnava leraren van het voorbeeld, de leraren van instructie, die de kennis vanuit het verleden doorgaven. Deze liederen zijn bedoeld om samen te worden gezongen in erediensten als men bijeenkomt om dit boek en/of andere heilige boeken van de vedische cultuur te lezen, zoals Het Verhaal van de Fortuinlijke (de Bhâgavata Purâna), maar mogen ook dienen als mantra's om zich in afzondering gelijk te richten.

29) In dit verband is het van belang in te zien dat, als in 22, het persoonlijke en het onpersoonlijke van God samengebracht in het woord purusha, zoals hier gebruikt, zich niet laat scheiden aangezien de term God het volledige van alle dualiteiten dekt als de verenigende categorie. Aldus is God zowel een persoon of integriteit van materieel leven, een Heer (Îs'vara), alsook onpersoonlijk het samenstel van het materiële universum begrepen als Zijn gigantische gedaante genaamd de virâth rûpa in Sanskriet, die tot leven kwam door het - mannelijke - principe van de tijd (kâla) en het causale krachtveld van de relatieve ether (âkâs'a).

30) De vier soorten van voedsel hebben in de oorspronkelijke vedische cultuur betrekking op de manier waarop men het voedsel nuttigt: carvya, dat wat gekauwd wordt; lehya, dat wat men oplikt; cûshya, dat wat men opzuigt; en peya, dat wat men drinkt. Maar âtmatattva-gewijs mag men het ook beschouwen als betrekking hebbend op de vier basistypen van voedsel die van essentieel belang zijn voor de vegetariër: groenten en fruit, bonen, granen en melkproducten.

31) In deze tekst wordt de term bewustzijn âtmatattva-gewijs gedefinieerd als een staat van zijn, een vorm of integriteit van het gewaar zijn van een zeker verschil in de tijd. Men is, modern gesproken, op een bepaalde golflengte, in een zekere tijdmodus, of in een bepaald denkmodel bewust bezig met een manier van onderscheid maken die berust op de kennis van het zelf (identificaties), het lichaam (relaties) en de cultuur (het vertoog). Aldus spreekt men van een cultureel en een natuurlijk bewustzijn (asat en sat): cultureel een relatieve en instabiele, materialistische vorm van bewustzijn die, gebaseerd op materiële motieven, de tijd manipuleert; en, natuurlijk gesproken, een meer absoluut bewustzijn gebaseerd op het respect voor de orde van de zon, de maan en de sterren zoals men die waarneemt in de hemel. Krishna presenteert zichzelf in dit boek als de integriteit van een natuurlijk, absoluut bewustzijn dat de zoeker bevrijdt als hij zich onderwerpt aan de discipline van de yoga.

32) Een geest erin getraind zichzelf te corrigeren is zich bewust van de vier zwakheden inherent aan het feit dat men een menselijk wezen is. D.w.z. dat men fouten maakt, er illusies mee op nahoudt, dat men zichzelf en anderen zo misleidt, en dat men dan een verkeerd beeld van de werkelijkheid heeft: bhrâma, pramâda, vipralipsâ, karanâpâtava.

33) De wereldverzakende orde van de geestelijk leraren van het Vaishnavisme, de vishnu-monniken, de sannyâsî's, hebben een zogenaamde tridanda: een staf bestaande uit drie stokken die de drie vormen van verzaking vertegenwoordigen wat betreft de daden, de spraak, en de geest. De onpersoonlijke sannyâsî's hebben een staf van één stok: een ekadanda.

34) 'AUM dat eeuwig' heeft betrekking op het standaardgebed om tat sat dat door brahmanen wordt uitgesproken bij de uitvoering van hindoe-offers. Naast de betekenis in de tekst gegeven, betekent het: 'O Aum, die gezegende, ware en oorspronkelijke naam van God, o Pranava!' Het woord sat betekent waar en werkelijk, en het woord tat betekent letterlijk 'dat' en heeft betrekking op zowel de oorspronkelijke werkelijkheid als het principe zoals in de context van het woord tattva, dat letterlijk 'die staat van zijn' betekent. Ook vindt men het terug in de uitdrukking tat tvam asi, hetgeen 'dat zijt gij' betekent, een mantra die verwijst naar de getuige en het zich vergewissen als men in meditatie de werkelijkheid onder ogen ziet zoals die is. In westerse termen zeggen we dingen als 'dat is het 'm' en 'dat is dat', hetgeen ongeveer hetzelfde inhoudt: wees tevreden met de dingen zoals ze zijn. Het latijnse woord amen, 'zo zij het', in het Christendom gebruikt, laat zich in het Sanskriet het best vertalen als astu, het woord voor 'laat het voor wat het is'.

35) De wereldverzakende orde heeft hier strikt genomen betrekking op de orde van de monniken en de nonnen, kloosters en spirituele leefgemeenschappen, alwaar men met een strikt tijdregime de hele dag bezig is, ofwel bevrijd is, in toegewijde dienst zonder enige winst of egosucces te willen boeken. Ruimer bezien, is dit in het egoloze bevrijd zijn, in mindere mate, ook van toepassing op de andere helft van de mensheid die, niet werkzaam voor een salaris, de naaste van dienst is met niets dan liefde, dankbaarheid en vrijwillige arbeid.

36) De vijf oorzaken worden in de âtmatattva van de westerse filosofie bij Aristoteles ook wel de substantieve oorzaak genoemd in relatie tot de persoon (purusha), de normatieve oorzaak van het lokale belang dat men in het spirituele behartigt (dharma) en de formatieve oorzaak wat betreft het onpersoonlijke van de materiële elementen en een geschapen manifest universum samen met een cultuur van wijsheid, wijzen en incarnaties (avatâra). De vierde oorzaak in de aristotelische logica is de constructieve of evolutionaire oorzaak (kâla) welke hier door de wijze Vyâsa (Godbijeen) wordt gescheiden in een begaan zijn met het effect van het verleden, de wegen die men heeft bewandeld, en de toekomst die men voor zich heeft liggen als de lotsbestemming (zie ook Aadhar, 2006). Deze vijf kan men ook wel beschouwen als de vijf basisvormen of voorwerpen van meditatie, waarbij iedere oorzaak, op zichzelf gericht, leidt tot een meditatie op ofwel de persoon, de feiten der schepping, de principes, het verleden of de toekomst.

37) Zie, wat betreft deze drie belangen van iemands sensualiteit, religiositeit en materiële zaken, ook wat werd gezegd over de purushârtha's in notitie 19.

38) De vier klassen in de samenleving, de varna's (letterlijk: de kleuren), zijn in vedische termen de brâhmana's of de intellectuelen, de kshatriya's of de bestuurders en militairen, de vais'ya's, de handelaren en boeren, en de s'ûdra's, de werknemers en arbeiders. Het zijn de boekenwurmen, de regelneven, de aansmeerders en de meelopers in de samenleving. Naar de geaardheden worden de intellectuelen verondersteld van de goedheid te zijn, wordt van de bestuurders verwacht dat ze van een combinatie van de hartstocht en de goedheid zijn, beziet men de handelslieden als zijnde van de hartstocht en de arbeiders als zijnde van de onwetendheid. Samen met de vier âs'rama's, of statusvormen die nauw verband houden met de leeftijd - de brahmacârî's, de celibataire studenten; de grihastha's, de jong-volwassenen die getrouwd zijn; de vânaprastha's, de middelbaren die de teruggetrokken types zijn en de ouderen van de wereldverzakende orde of de sannyâsî's - vormen zij de varnâs'rama-identiteit of de kaste, die de statusoriëntatie genoemd wordt âtmatattva-gewijs. Die identiteit heeft voortdurend de hervorming nodig van de gelijkheid met de ziel die in de transcendentie wordt gevonden van de verlichting met de emancipatie in de yoga - kaivalya - om niet in welke valsheid dan ook te belanden met het ego.

39) De auteur is op dit punt dubbelzinnig. 'Dat' waar hij aan refereert kan zowel de persoonlijke aanwezigheid zijn van God, de Heer in het voorbije, als het onpersoonlijke van dat waar Hij voor staat: het krachtveld van de ether en de orde van de tijd.

40) Dharma is het centrale begrip dat hier gebruikt wordt in deze verhandeling over de yoga. De term heeft betrekking op zowel de plicht, de deugd, de religie, als op de aard en de natuur van het karakter van iets. Het houdt vroomheid in, rechtschapenheid, natuurlijkheid en toegewijd handelen in dienstbaarheid. Men onderscheidt twee soorten: pravritti en nivritti dharma, respectievelijk de conservatieve, gehechte, en de progressieve, onthechte, soort. De conservatieve soort van pravritti dharma is meer de traditionele religie, die als instituut de vooruitgang weerstaat door in heldere bewoordingen de grenzen te stellen van wat tot de bevrijding zou horen in dienst aan het instituut dat moet worden behouden, terwijl de progressieve soort van nivritti dharma meer spiritueel is van de verlichting, en staat voor de weg van de verzaking van werelds handelen, de contemplatie en de zelfverwerkelijking. Vyâsa (Godbijeen) bedient zich van de twee termen in vers 30 van hoofdstuk 18a. Varnâs'rama dharma heeft betrekking op de klassieke sociale verplichtingen overeenkomstig iemands beroep en status. Sanâtana dharma heeft betrekking op iemands trouw aan de regulerende beginselen, waarbij men spreekt van de stier van het dharma met zijn vier poten (zie ook notitie 3). Bhâgavata dharma is de plicht met betrekking tot de Heer, en de omgang met toegewijden: de negen stadia van de emancipatie in de devotionele yoga of bhakti yoga. Er zijn ook vijf vormen van adharma of goddeloosheid: tegenwerken, vidharma; afwijken, paradharma; verketteren, upadharma; verdraaien, chaladharma; bedriegen of sofisterij, âbhâsa (zie Bhâgavata Purâna 7.5: 23-24; 7.15: 12-13).

41) De vertaler Anand Aadhar Prabhu, of in filognostische termen Meester basisgeluk, was vóór zijn verzelfstandiging in 1982 een klinisch psycholoog genaamd René P.B.A. Meijer, die studeerde aan de Universiteit van Groningen. Hij oefende, na zijn afstuderen een aantal jaren zijn beroep uit in een klinische setting en ook privé, maar gaf toen zijn praktijk als psychotherapeut op om zich te wijden aan de wetenschap van de yoga en de liefde voor de kennis, de âtmatattva of de filognosie, die resulteerde uit de vereniging van zijn bewustzijn.

 

Internetlinks & eerdere publicaties:

- Om het Sanskriet na te gaan:

  * http://vedabase.net/

  * http://www.sanskrit-sanscrito.com.ar/english/scriptures_patanjali/scriptures2.html

  * http://webapps.uni-koeln.de/tamil/

- Voor meer âtmatattva, vedische literatuur, de ware tijd en dit boek online:

  * http://theorderoftime.org/ned/

- Zie ook de voorgaande publicaties van Aadhar:

- Een Kleine Filosofie van de Vereniging, Aadhar, Enschede okt 2005 - ISBN 90-809832-1-7

- De Ether Bestaat - Inleiding tot de Filognosie, Aadhar, Enschede nov 2006 - ISBN10 90-809832-2-5





   

 
     Bestel het boek: 'Een Lied van Geluk - Een klassieke Gîtâ' 



 

 

2007 © Anand Aadhar Prabhu 
Dit boek mag uitsluitend voor devotionele doeleinden
worden gecopiëerd, gedrukt, gedigitaliseerd en verspreid worden, of op welke manier ook.
Alle commerciëel gebruik echter vereist toestemming van de uitgever:
http://bhagavata.org/email.nedhtml.




 

 

website tracking