regelbalk


 

 

Canto 10

Govindam Âdi Purusham

  
 

Hoofdstuk 7: Krishna Schopt de Kar Omver, Verslaat Trinâvarta en Toont Yas'odâ het Universum

(1-2) De vereerde koning zei: 'De verschillende lotgevallen van de avatâra's van de Allerhoogste Heer die ons het beeld geven van de Heer, onze Beheerser, zijn hoogst aangenaam voor onze oren en inspirerend voor onze geesten, o meester. Wie ook maar die ze verneemt zal in de grond van zijn wezen zeer spoedig zuivering vinden van de ongepaste, opdringerige verlangens en als een persoon toegewijd met de Heer eveneens vriendschap vinden met de mensen die Hem als de enige ware koesteren. Als het u zint, spreek dan alstublieft voor ons over alles met betrekking tot Hem. (3) Vertel ons meer over Krishna; het spel en vermaak waarin Hij hier in onze menselijke samenleving optrad zich voordoend als een menselijk kind zijn zo wonderbaarlijk!' [*]

(4) S'ri S'uka zei: 'In de tijd dat de maan in het sterrenteken Rohinî stond [na drie maanden] kon Hij Zichzelf naar boven keren in Zijn wiegje en werd er een feest met een baad-ritueel georganiseerd door de moeders die bijeen kwamen met muziek, gezang en hymnen die werden gezongen door de brahmanen terwijl moeder Yas'odâ de baadceremonie deed. (5) Nadat Nanda's vrouw en de andere leden van de huishouding ermee klaar waren, werden de brahmanen die hun plicht hadden gedaan bedacht met voedsel, kleding, bloemenslingers en koeien en werd het kind, met slaperige oogjes, zolang apart gelegd. (6) Voor de utthâna [of 'omkeer']-ceremonie bezig het de gasten uit heel Vraja naar de zin te maken, hoorde ze werkelijk niets van het schreeuwen van het kind dat huilend om te worden gevoed boos met Zijn beentjes in het rond trappelde. (7) Getroffen door Zijn kleine voetjes zo teer als een bloemblaadje kieperde de kar waaronder Hij was gelegd om zodat al de kommen en schalen en het zoete dat ze bevatten naar beneden kwam, de wielen en as uit hun verband raakten en de dissel brak [**]. (8) Alle dames en heren van Vraja met Yas'odâ en Nanda voorop die, bijeengekomen voor de utthâna-ceremonie, getuige waren van die wonderbaarlijke gebeurtenis, verwonderden zich erover hoe de kar zo maar uit zichzelf dermate in het ongerede was geraakt. (9) De kinderen vertelden de met stomheid geslagen gopa's en gopî's dat er geen twijfel over bestond dat, zo gauw het kind was begonnen te huilen, het met één beentje de hele kar uit elkaar had geschopt. (10) Zich niet bewust van de ongekende macht van die kleine baby konden ze het niet geloven; de gopa's hielden het allemaal voor kinderpraat wat ze zeiden. (11) Moeder Yas'odâ, die haar huilende zoon oppakte, ervan uitgaande dat het een verkeerde planeet betrof, riep de geschoolden op een plechtigheid uit te voeren met vedische lofzangen en bood het kind haar borst. (12) Nadat enkele stoere gopa's de kar weer in elkaar hadden gezet en de potten en alles er weer op hadden geplaatst, voerden de priesters met yoghurt, rijst, kus'agras en water de rituelen voor het vuuroffer uit. (13-15) Van hen die begiftigd zijn met de volmaakte waarheid en vrij zijn van ongenoegen, onwaarheid, valse trots, afgunst, geweld en zelfmisleiding zijn de zegeningen nooit tevergeefs [zie ook B.G. 18: 42]. Met dit in gedachten zorgdragend voor het kind getrouw de Sâma, Rig en Yajur Veda en het reinigend met behulp van water vermengd met kruiden, vroeg Nanda de aanvoerder der koeherders zo vrijgezind en goed, nadat het kind was gebaad, die bovenstebeste tweemaal geborenen om goedgunstige hymnen te zingen en werden die zielen van wedergeboorte na de offerandes door hem vergast op een zeer uitgelezen maaltijd. (16) Om zijn zoon van al het beste te verzekeren schonk hij hen - bij het welkom dat ze ook hem bereidden - de beste kwaliteit melkkoeien fraai opgesierd met bloemen en gouden kettinkjes. (17) De wijzen die verenigd zijn met welke woorden ze ook maar uitspreken brengen je, als deskundigen in de mantra's, alle zegeningen daar de geldige woorden waar ze zich van bedienen voor zeker nooit en te nimmer hun effect zullen missen.

(18) Op een dag [met Hem ongeveer een jaar oud] toen Yas'odâ met Hem zittend op haar schoot Hem aan het liefkozen was, kon ze omdat Hij zo zwaar als een bergtop werd het gewicht van het kind niet langer dragen. (19) Met Zijn tot haar verbazing zo zwaar zijn als het universum [zie garimâ] zette de gopî Hem met tegenzin op de grond, wendde ze zich tot Nârâyana en ging over tot het verrichten van huishoudelijke taken. (20) Terwijl het kind daar zat werd het meegevoerd door een Daitya in de gedaante van een wervelwind genaamd Trinâvarta die een huurling was gestuurd door Kamsa. (21) Met een groot rumoer bedekte hij zwaar bulderend heel Gokula met stof dat in alle hoeken en gaten doordrong zodat alles aan het zicht was onttrokken. (22) Bijna een uur lang was heel het weidegebied door de dichte stofwolk gehuld in duisternis en kon Yas'odâ haar zoon niet weervinden waar ze Hem op de grond had neergezet. (23) Noch zichzelf noch elkaar nog langer ziend waren de mensen door het opgewaaide zand verstoord en in de war. (24) De hulpeloze vrouw die aldus door de stofwolken van de sterke wervelwind niets meer zag, begon bezorgd om haar zoon jammerlijk te huilen en viel op de grond neer als een koe die haar kalfje verloren heeft. (25) Toen ze haar hoorden huilen huilden al de overige gopî's met gezichten vol tranen vol medeleven met haar mee over het niet kunnen vinden van Nanda's zoon toen de heftige stofstorm van de wervelwind was opgehouden. (26) De kracht van Trinâvarta die de gedaante van een wervelwind had aangenomen nam af toen, Krishna met zich meegevoerd hebbend, hij de bovenste regionen van de hemel bereikte en niet hoger kon komen met Hem die alsmaar zwaarder en machtiger werd. (27) Toen hij ondervond hoe Hij, zwaar als een steen, zijn furie de baas was, moest hij het met Krishna die zijn keel dichtkneep opgeven, machteloos als hij was tegenover de wonderbaarlijke baby. (28) Met Hem in een wurggreep puilden de ogen van de demon uit toen hij stikte en levenloos samen met het kind ter aarde viel. (29) De verzamelde treurende gopî's zagen die verschrikking met al zijn ledematen gebroken, uit de lucht neergestort op een rotsige bodem gelijk Tripura geveld door de pijlen van S'iva [zie 7.10]. (30) Totaal verrast Krishna in goede gezondheid aan te treffen op de borst van de Râkshasa die Hem in de lucht had meegevoerd, pakten ze Hem die aan de dood was ontrukt op en leverden ze, als Nanda's gopî's en gopa's dolblij zich verheugend in het opperste geluk over de terugkomst, Hem af bij Zijn moeder. (31) [Ze zeiden:] 'Hoe enorm wonderbaarlijk inderdaad deze baby die meegevoerd door de wildeman ons achterliet maar nu zonder een schrammetje is teruggekeerd; nu dat die akelige duivel vanwege zijn eigen zonden is gedood in de krachtmeting kan iedere toegewijde ziel opgelucht ademhalen in gelijkheid en onbevreesdheid. (32) Van welk een lang volgehouden verzaking zijn wij wel niet geweest, wat was ons eerbetoon voor Hem in het Voorbije en welke dienstverlening brachten wij publiekelijk op [pûrta], welke vrome diensten leverden wij wel niet [ishta] of van welke liefdadigheid [datta] of andere liefde voor onze naaste zijn wij geweest als gevolg waarvan het kind dat zo goed als verloren was gegaan, wederom tot onze vroomheid hier aanwezig is voor het geluk en het genoegen van al de zijnen?' (33) Als getuige van de verschillende verbazingwekkende gebeurtenissen in het grote woud herhaalde de leider der koeherders Nanda geheel verbaasd telkens maar weer hoe waar de woorden van Vasudeva wel niet waren geweest [zie ook 10.6: 32]. 

(34) Op een dag trok de moeder het kleintje op haar schoot om Hem de borst te geven, waaruit door haar grote genegenheid de melk druppelde. (35-36) O Koning, toen het bijna klaar was en moeder Yas'odâ het tevreden en lachende kind in het gelaat keek terwijl ze het zachte klopjes gaf, zag ze toen het gaapte het volgende: de hemel, de planeten en de aarde, de hemellichten in alle richtingen, de zon en de maan, vuur, de lucht en de zeeën met de continenten, de bergen, hun dochters de rivieren, de wouden en alle schepselen bewegend en niet bewegend [zie ook B.G. 11]. (37) Toen ze zo maar opeens het hele universum te zien kreeg, o Koning, begon ze, verstijfd met ogen als die van een ree, over haar hele lijf te rillen van de verbazing die zich van haar meester maakte.'

 

next          

 
 

Tweede editie, geladen 15 maart 2008.  

 

 

 

 

 

Bronteksten:

Krishna doodt de demon Trinâvarta

 

Tekst 1-2:

De vereerde koning zei: 'De verschillende lotgevallen van de avatâra's van de Allerhoogste Heer die ons het beeld geven van de Heer, onze Beheerser, zijn hoogst aangenaam voor onze oren en inspirerend voor onze geesten, o meester. Wie ook maar die ze verneemt zal in de grond van zijn wezen zeer spoedig zuivering vinden van de ongepaste, opdringerige verlangens en als een persoon toegewijd met de Heer eveneens vriendschap vinden met de mensen die Hem als de enige ware koesteren. Als het u zint, spreek dan alstublieft voor ons over alles met betrekking tot Hem.

Koning Parîkshit zei: O S'ukadeva Gosvâmî, al de verschillende activiteiten die door de incarnaties van de Allerhoogste Godspersoon tentoongespreid worden, zijn beslist een genoegen voor het oor en de geest. Door gewoon naar deze activiteiten te luisteren, verdwijnt het vuil in onze geest onmiddellijk. Over het algemeen luisteren we niet graag naar verhalen over de activiteiten van de Heer, maar de activiteiten die Krishna als kind ontplooide zijn zo aantrekkelijk, dat ze vanzelf een plezier voor de geest en het oor zijn. Onze gehechtheid aan het luisteren naar verhalen over materiële zaken, wat de basisoorzaak van het materiële bestaan is, verdwijnt daardoor en zo ontwikkelen we geleidelijk aan toegewijde dienst aan de Allerhoogste Heer, gehechtheid aan Hem en vriendschap met toegewijden die ons helpen Krishna-bewust te worden. Als het u schikt, spreek dan alstublieft over die activiteiten van de Heer. (Vedabase)

   

Tekst 3:

Vertel ons meer over Krishna; het spel en vermaak waarin Hij hier in onze menselijke samenleving optrad zich voordoend als een menselijk kind zijn zo wonderbaarlijk!' [*]

Beschrijf alstublieft ook het andere spel en vermaak van Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, die op deze planeet aarde verscheen, Zich gedroeg alsof Hij een mensenkind was en wonderbaarlijke activiteiten, zoals het doden van Pûtanâ. (Vedabase)

 

Tekst 4:

S'ri S'uka zei: 'In de tijd dat de maan in het sterrenteken Rohinî stond [na drie maanden] kon Hij Zichzelf naar boven keren in Zijn wiegje en werd er een feest met een baad-ritueel georganiseerd door de moeders die bijeen kwamen met muziek, gezang en hymnen die werden gezongen door de brahmanen terwijl moeder Yas'odâ de baadceremonie deed.

S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen het kind van moeder Yas'odâ omhoog probeerde te komen om Zich om te draaien, werd deze poging gevierd met een vedische ceremonie. Bij zo'n ceremonie, utthâna, die gehouden wordt als een kind voor de eerste keer het huis gaat verlaten, wordt het kind uitgebreid gebaad. Toen Krishna net drie maanden oud was, vierde moeder Yas'odâ deze ceremonie met de andere vrouwen uit de buurt. Op die dag was er een conjunctie van de maan en het sterrenbeeld Rohinî. Terwijl de brâhmana's zich aansloten door de vedische lofzangen te zingen en beroepsmusici muziek maakten, volbracht moeder Yas'odâ deze grootse ceremonie. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Nadat Nanda's vrouw en de andere leden van de huishouding ermee klaar waren, werden de brahmanen die hun plicht hadden gedaan bedacht met voedsel, kleding, bloemenslingers en koeien en werd het kind, met slaperige oogjes, zolang apart gelegd.

Na de baadceremonie van het kind volbracht te hebben, ontving moeder Yas'odâ de brâhmana's door ze met passende eerbied te vereren en ze een grote hoeveelheid graan en andere etenswaren, kleding, begerenswaardige koeien en bloemenslingers te schenken. De brâhmana's zongen de vedische lofzangen op de juiste wijze om de zegenrijke plechtigheid te vieren, en toen ze klaar waren en moeder Yas'odâ zag dat het kind slaap had, ging ze met Hem op bed liggen tot Hij vredig sliep. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Voor de utthâna [of 'omkeer']-ceremonie bezig het de gasten uit heel Vraja naar de zin te maken, hoorde ze werkelijk niets van het schreeuwen van het kind dat huilend om te worden gevoed boos met Zijn beentjes in het rond trappelde.

De vrijgevige moeder Yas'odâ, die volledig opging in de viering van de utthâna-ceremonie, was druk bezig gasten te ontvangen door ze alle eer te bewijzen en ze kleding, koeien, bloemenslingers en graan te schenken. Daardoor hoorde ze niet dat het kind om Zijn moeder huilde. Op dat moment schopte de kleine Krishna, die Zijn moeders borstmelk verlangde te drinken, boos Zijn beentjes omhoog. (Vedabase)

  

Tekst 7

Getroffen door Zijn kleine voetjes zo teer als een bloemblaadje kieperde de kar waaronder Hij was gelegd om zodat al de kommen en schalen en het zoete dat ze bevatten naar beneden kwam, de wielen en as uit hun verband raakten en de dissel brak [**].

Heer S'rî Krishna lag onder de handkar die in een hoek van de binnenplaats stond, en al waren Zijn kleine beentjes zo zacht als bladeren, toen Hij ermee tegen de kar schopte, viel deze omver en zakte in elkaar. De wielen kwamen los van de as, de naven en spaken vielen uit elkaar en de stang van de handkar brak doormidden. De vele kleine gebruiksvoorwerpen van diverse metalen die op de kar stonden werden her en der verspreid. (Vedabase)

 

Tekst 8

Alle dames en heren van Vraja met Yas'odâ en Nanda voorop die, bijeengekomen voor de utthâna-ceremonie, getuige waren van die wonderbaarlijke gebeurtenis, verwonderden zich erover hoe de kar zo maar uit zichzelf dermate in het ongerede was geraakt.

Toen moeder Yas'odâ en de andere vrouwen die voor het utthâna-festival bijeen gekomen waren, en de mannen, onder leiding van Nanda Mahârâja, de wonderlijke situatie zagen, vroegen ze zich af hoe de handkar zomaar uit elkaar had kunnen vallen. Ze liepen overal rond om te proberen de oorzaak te vinden, maar waren daar niet toe in staat. (Vedabase)

    

Tekst 9

De kinderen vertelden de met stomheid geslagen gopa's en gopî's dat er geen twijfel over bestond dat, zo gauw het kind was begonnen te huilen, het met één beentje de hele kar uit elkaar had geschopt.

De koeherders en de vrouwen die daar aanwezig waren, dachten na over hoe zoiets gebeurd kon zijn. "Is het soms het werk van een of andere demon of onheilsplaneet?"vroegen ze zich af. Op dat moment beweerden de kleine kinderen die daar waren echter dat de kar door de kleine Krishna uit elkaar geschopt was. Zodra het huilende kind tegen het wiel van de kar geschopt had, was de kar ineengestort. Dit viel niet te betwijfelen. (Vedabase)

 

Tekst 10

Zich niet bewust van de ongekende macht van die kleine baby konden ze het niet geloven; de gopa's hielden het allemaal voor kinderpraat wat ze zeiden.

De aanwezige gopî's en gopa's, die niet beseften dat Krishna nimmer begrensd is, konden zich niet voorstellen dat de kleine Krishna zo'n onvoorstelbare kracht had. Ze konden het verhaal van de kinderen niet geloven en verwierpen het daarom als zijnde kinderpraat. (Vedabase)

 

Tekst 11

Moeder Yas'odâ, die haar huilende zoon oppakte, ervan uitgaande dat het een verkeerde planeet betrof, riep de geschoolden op een plechtigheid uit te voeren met vedische lofzangen en bood het kind haar borst. 

Moeder Yas'odâ dacht dat Krishna aangevallen was door een of andere onheilsplaneet. Daarom pakte ze het huilende kind op en liet Hem bij zich drinken. Vervolgens ontbood ze ervaren brâhmana's om vedische lofzangen te zingen en een zegenrijke rituele ceremonie te volbrengen. (Vedabase)

 

Tekst 12

Nadat enkele stoere gopa's de kar weer in elkaar hadden gezet en de potten en alles er weer op hadden geplaatst, voerden de priesters met yoghurt, rijst, kus'agras en water de rituelen voor het vuuroffer uit.

Nadat de sterke, stoere koeherders de handkar weer in elkaar gezet hadden, met alle potten en andere spullen erop zoals tevoren, volbrachten de brâhmana's een rituele ceremonie met een vuuroffer om de onheilsplaneet tot bedaren te brengen en vereerden vervolgens de Allerhoogste Heer met rijst, kus'a, water en yoghurt. (Vedabase)

 

Tekst 13-15

Van hen die begiftigd zijn met de volmaakte waarheid en vrij zijn van ongenoegen, onwaarheid, valse trots, afgunst, geweld en zelfmisleiding zijn de zegeningen nooit tevergeefs [zie ook B.G. 18: 42]. Met dit in gedachten zorgdragend voor het kind getrouw de Sâma, Rig en Yajur Veda en het reinigend met behulp van water vermengd met kruiden, vroeg Nanda de aanvoerder der koeherders zo vrijgezind en goed, nadat het kind was gebaad, die bovenstebeste tweemaal geborenen om goedgunstige hymnen te zingen en werden die zielen van wedergeboorte na de offerandes door hem vergast op een zeer uitgelezen maaltijd.

Als brâhmana's vrij zijn van afgunst, onoprechtheid, onnodige trots, wrok, irritatie over de rijkdom van anderen en vals prestige, gaan hun zegeningen nooit verloren. Dit alles in aanmerking nemend, zette Nanda Mahârâja Krishna in grote ernst bij zich op schoot en nodigde zulke oprechte brâhmana's uit om een rituele ceremonie te volbrengen volgens de heilige lofzangen uit de Sâma Veda, Rig Veda en Yajur Veda. Terwijl de lofzangen gezongen werden, baadde hij het kind met water vermengd met zuivere kruiden en hield een vuurceremonie, waarna hij de brâhmana's een overvloedig maal voorzette van de beste granen en ander voedsel. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Om zijn zoon van al het beste te verzekeren schonk hij hen - bij het welkom dat ze ook hem bereidden - de beste kwaliteit melkkoeien fraai opgesierd met bloemen en gouden kettinkjes.

Om zijn zoon Krishna van alle welvaart te verzekeren gaf Nanda Mahârâja de brâhmana's koeien die helemaal versierd waren met doeken, bloemenslingers en gouden halskettingen. Deze koeien, die beslist in staat waren een overvloed aan melk te geven, werden de brâhmana's ten geschenke gegeven, en de brâhmana's aanvaardden ze en schonken de hele familie, en vooral Krishna, hun zegeningen. (Vedabase)

 

Tekst 17:

De wijzen die verenigd zijn met welke woorden ze ook maar uitspreken brengen je, als deskundigen in de mantra's, alle zegeningen daar de geldige woorden waar ze zich van bedienen voor zeker nooit en te nimmer hun effect zullen missen.

De brâhmana's, die uiterst bedreven waren in het zingen van de vedische lofzangen, waren allemaal yogî's en beschikten over alle mystieke vermogens. De zegeningen die zij uitspraken waren beslist nooit zonder resultaat. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Op een dag [met Hem ongeveer een jaar oud] toen Yas'odâ met Hem zittend op haar schoot Hem aan het liefkozen was, kon ze omdat Hij zo zwaar als een bergtop werd het gewicht van het kind niet langer dragen.

Op een dag, een jaar na het verschijnen van Krishna, had moeder Yas'odâ haar zoon op schoot en streelde Hem. Maar plotseling leek het alsof het kind nog zwaarder was dan een bergtop en kon ze Zijn gewicht niet meer dragen. (Vedabase)

  

Tekst 19

Met Zijn tot haar verbazing zo zwaar zijn als het universum [zie garimâ] zette de gopî Hem met tegenzin op de grond, wendde ze zich tot Nârâyana en ging over tot het verrichten van huishoudelijke taken. 

Omdat het kind tot de verbazing van moeder Yas'odâ zo zwaar aanvoelde als het hele universum werd ze ongerust, denkende dat het kind misschien door een of andere geest of demon aangevallen werd. Daarom zette ze het kind op de grond en dacht aan Nârâyana. Daar ze problemen voorzag, liet ze de brâhmana's komen om dit abnormale gewicht tegen te gaan, en wijdde zich vervolgens aan andere huishoudelijke taken. Daar ze niet kon begrijpen dat Krishna de oorspronkelijke bron van alles is, had ze geen ander alternatief dan aan de lotusvoeten van Nârâyana te denken. (Vedabase)

 

Tekst 20

Terwijl het kind daar zat werd het meegevoerd door een Daitya in de gedaante van een wervelwind genaamd Trinâvarta die een huurling was gestuurd door Kamsa.

Terwijl het kind op de grond zat verscheen er een demon met de naam Trinâvarta, een dienaar van Kamsa. Op aansporen van zijn meester had hij de gedaante aangenomen van een wervelwind en droeg het kind met groot gemak mee de lucht in. (Vedabase)

 

Tekst 21

Met een groot rumoer bedekte hij zwaar bulderend heel Gokula met stof dat in alle hoeken en gaten doordrong zodat alles aan het zicht was onttrokken.

Deze demon, die optrad als een krachtige wervelwind, ontnam iedereen het zicht door heel Gokula met stofdeeltjes te bedekken. Hij maakte een angstaanjagend geluid en deed de hele omgeving beven. (Vedabase)

 

Tekst 22

Bijna een uur lang was heel het weidegebied door de dichte stofwolk gehuld in duisternis en kon Yas'odâ haar zoon niet weervinden waar ze Hem op de grond had neergezet.

Voor een moment werd de hele weide door een stofwolk in diepe duisternis gehuld, en moeder Yas'odâ kon haar zoon niet vinden op de plek waar ze Hem neergezet had. (Vedabase)

 

Tekst 23

Noch zichzelf noch elkaar nog langer ziend waren de mensen door het opgewaaide zand verstoord en in de war. 

Door de zandkorrels die Trinâvarta in het rond strooide konden de mensen noch zichzelf, noch anderen zien en waren daardoor begoocheld en volkomen uit hun doen. (Vedabase)

 

Tekst 24

De hulpeloze vrouw die aldus door de stofwolken van de sterke wervelwind niets meer zag, begon bezorgd om haar zoon jammerlijk te huilen en viel op de grond neer als een koe die haar kalfje verloren heeft.

Door de storm van stof, veroorzaakt door de krachtige wervelwind, kon moeder Yas'odâ geen spoor van haar zoon vinden, en begreep niet hoe dit kwam. Daarom viel ze op de grond neer als een koe die haar kalf verloren heeft en begon erg meelijwekkend te huilen. (Vedabase)

 

Tekst 25

Toen ze haar hoorden huilen huilden al de overige gopî's met gezichten vol tranen vol medeleven met haar mee over het niet kunnen vinden van Nanda's zoon toen de heftige stofstorm van de wervelwind was opgehouden.

Toen de storm van stof en windvlagen afnam, liepen de andere gopî's, de vriendinnen van Yas'odâ, bij het horen van haar meelijwekkende gehuil naar haar toe. Toen ze zagen dat Krishna weg was, voelden ook zij zich vreselijk bedroefd en begonnen, met hun ogen vol tranen, met moeder Yas'odâ mee te huilen. (Vedabase)

 

Tekst 26

De kracht van Trinâvarta die de gedaante van een wervelwind had aangenomen nam af toen, Krishna met zich meegevoerd hebbend, hij de bovenste regionen van de hemel bereikte en niet hoger kon komen met Hem die alsmaar zwaarder en machtiger werd.

De demon Trinâvarta, die de gedaante van een krachtige wervelwind aangenomen had, droeg Krishna heel hoog de lucht in, maar toen Krishna zich zwaarder maakte dan de demon, moest deze het gebruik van zijn vermogen staken en kon niet verdergaan. (Vedabase)

 

Tekst 27

Toen hij ondervond hoe Hij, zwaar als een steen, zijn furie de baas was, moest hij het met Krishna die zijn keel dichtkneep opgeven, machteloos als hij was tegenover de wonderbaarlijke baby.

Gezien Krishna's enorme gewicht was Hij voor Trinâvarta als een grote berg of een enorme klomp ijzer. Maar omdat Krishna de nek van de demon beetgepakt had, kon deze Hem niet van zich afgooien. Daarom besefte hij dat het kind iets wonderbaarlijks was, aangezien hij het niet kon dragen, noch van zich af kon gooien. (Vedabase)

 

Tekst 28

Met Hem in een wurggreep puilden de ogen van de demon uit toen hij stikte en levenloos samen met het kind ter aarde viel.

Omdat Krishna Trinâvarta bij de keel vasthad, stikte hij zonder dat hij zelfs maar een geluid kon maken of met zijn armen en benen kon bewegen. Met uitpuilende ogen verloor de demon zijn leven en viel samen met het kleine kind op de grond van Vraja. (Vedabase)

 

Tekst 29

De verzamelde treurende gopî's zagen die verschrikking met al zijn ledematen gebroken, uit de lucht neergestort op een rotsige bodem gelijk Tripura geveld door de pijlen van S'iva [zie 7.10].

Terwijl de gopî's die bij elkaar gekomen waren om Krishna huilden, viel de demon uit de lucht op een grote platte steen, zijn ledematen ontwricht, alsof hij net als Tripurâsura getroffen was door de pijl van Heer S'iva. (Vedabase)

 

Tekst 30

Totaal verrast Krishna in goede gezondheid aan te treffen op de borst van de Râkshasa die Hem in de lucht had meegevoerd, pakten ze Hem die aan de dood was ontrukt op en leverden ze, als Nanda's gopî's en gopa's dolblij zich verheugend in het opperste geluk over de terugkomst, Hem af bij Zijn moeder. 

De gopî's tilden Krishna onmiddellijk van de borst van de demon en gaven Hem, vrij van alle ongunstige invloeden, aan moeder Yas'odâ terug. Hoewel het kind door de demon mee de lucht in genomen was, was het ongedeerd en vrij van alle kwaad en gevaar, en daarom waren de koeherders, onder leiding van Nanda Mahârâja, bijzonder gelukkig. (Vedabase)

 

 Tekst 31

[Ze zeiden:] 'Hoe enorm wonderbaarlijk inderdaad deze baby die meegevoerd door de wildeman ons achterliet maar nu zonder een schrammetje is teruggekeerd; nu dat die akelige duivel vanwege zijn eigen zonden is gedood in de krachtmeting kan iedere toegewijde ziel opgelucht ademhalen in gelijkheid en onbevreesdheid.

Het is zeer verbazingwekkend dat dit onschuldige kind, hoewel het door de Râkshasa meegenomen was om opgegeten te worden, teruggekeerd is zonder gedood of zelfs maar gekwetst te zijn. Omdat deze demon afgunstig, wreed en zondig was, heeft hij door zijn eigen zondige activiteiten de dood gevonden. Dat is de wet van de natuur. Een onschuldige toegewijde wordt altijd beschermd door de Allerhoogste Godspersoon, en een zondaar wordt altijd gestraft voor zijn zondige leven. (Vedabase)

 

Tekst 32

Van welk een lang volgehouden verzaking zijn wij wel niet geweest, wat was ons eerbetoon voor Hem in het Voorbije en welke dienstverlening brachten wij publiekelijk op [pûrta], welke vrome diensten leverden wij wel niet [ishta] of van welke liefdadigheid [datta] of andere liefde voor onze naaste zijn wij geweest als gevolg waarvan het kind dat zo goed als verloren was gegaan, wederom tot onze vroomheid hier aanwezig is voor het geluk en het genoegen van al de zijnen?' 

Nanda Mahârâja en de anderen zeiden: We moeten vroeger een zeer lange tijd ascese beoefend hebben, de Allerhoogste Godspersoon vereerd hebben, vrome activiteiten voor de samenleving verricht hebben, openbare wegen en waterputten aangelegd hebben en veel weggeschonken hebben, dat deze jongen, hoewel Hij oog in oog met de dood stond, is teruggekeerd om Zijn verwanten gelukkig te maken. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Als getuige van de verschillende verbazingwekkende gebeurtenissen in het grote woud herhaalde de leider der koeherders Nanda geheel verbaasd telkens maar weer hoe waar de woorden van Vasudeva wel niet waren geweest [zie ook 10.6: 32]. 

Na het zien van al deze gebeurtenissen in Brihadvana verbaasde Nanda Mahârâja zich steeds meer, en herinnerde hij zich de woorden die Vasudeva in Mathurâ tot hem gesproken had. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Op een dag trok de moeder het kleintje op haar schoot om Hem de borst te geven, waaruit door haar grote genegenheid de melk druppelde.

Op een dag had moeder Yas'odâ Krishna op schoot en gaf Hem met moederlijke genegenheid de borst. De melk vloeide uit haar borst en het kind dronk ervan. (Vedabase)

 

 Tekst 35-36

O Koning, toen het bijna klaar was en moeder Yas'odâ het tevreden en lachende kind in het gelaat keek terwijl ze het zachte klopjes gaf, zag ze toen het gaapte het volgende: de hemel, de planeten en de aarde, de hemellichten in alle richtingen, de zon en de maan, vuur, de lucht en de zeeën met de continenten, de bergen, hun dochters de rivieren, de wouden en alle schepselen bewegend en niet bewegend [zie ook B.G. 11].

O koning Parîkshit, toen de kleine Krishna bijna genoeg melk van Zijn moeder gedronken had en moeder Yas'odâ Hem streelde en naar Zijn prachtige, stralend lachende gezicht keek, gaapte Hij en zag moeder Yas'odâ in Zijn mond de hele ruimte, het hogere planetenstelsel en de aarde, de lichtgevende hemellichamen in al de richtingen, de zon, de maan, vuur, lucht, de zeeën, eilanden, bergen, rivieren, wouden en allerlei soorten levende wezens, bewegende en niet bewegende. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Toen ze zo maar opeens het hele universum te zien kreeg, o Koning, begon ze, verstijfd met ogen als die van een ree, over haar hele lijf te rillen van de verbazing die zich van haar meester maakte.'

Toen moeder Yas'odâ in de mond van haar kind het hele universum zag, begon haar hart te bonzen, en uit verbazing wilde ze haar rusteloze ogen sluiten. (Vedabase)

 

* Aan het begin van dit hoofdstuk, doen zich soms twee extra verzen voor:

evam bahûni karmâni
gopânâm s'am sa-yoshitâm
nandasya gehe vavridhe
kurvan vishnu-janârdanah

"Op deze manier, om de demonen te straffen en te doden, legde het kind Krishna vele activiteiten aan de dag bij Nanda Mahârâja thuis, en de inwoners van Vraja vermaakten zich met deze gebeurtenissen."

evam sa vavridhe vishnur
nanda-gehe janârdanah
kurvann anis'am ânandam
gopâlânâm sa-yoshitâm

"Om het bovenzinnelijk genoegen van de gopa's en de gopî's te verhogen, werd Krishna, de doder van alle demonen, aldus opgevoed door Zijn vader en moeder, Nanda en Yas'odâ."

S'rîpâda Vijayadhvaja Tîrtha voegt ook nog een ander vers toe aan dit hoofdstuk:

vistareneha kârunyât
sarva-pâpa-pranâs'anam
vaktum arhasi dharma-jña
dayâlus tvam iti prabho

"Parîkchit Mahârâja verzocht toen S'ukadeva Gosvâmî om door te gaan met het vertellen van dergelijke verhalen over de wederwaardigheden van Krishna, zodat de koning door hen bovenzinnelijke gelukzaligheid kon genieten."

** Svâmî Prabhupâda geeft als commentaar: 'Krishna was onder een huishoudkar neergelegd, maar deze handkar was in werkelijkheid een andere gedaante van S'akathâsura, een demon die daar was gekomen om het kind te doden. Toen nam, met de wens dat Hij wilde zogen van Zijn Moeders borst, Krishna de kans waar de duivel om te brengen. Zo gebeurde het dat Hij S'akathâsura schopte alleen maar om hem te ontmaskeren. Hoewel Krishna's moeder bezig was met het ontvangen van gasten, wilde Heer Krishna haar aandacht trekken door de S'akathâsura te doden, en daarom schopte Hij die demon in de vorm van een kar.'

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste en derde schilderij op deze pagina zijn van
Syamarani dâsî en het tweede schilderij is van Râmadâsa Abhirâma dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties