regelbalk


 

 

Canto 9

Govindam Âdi Purusham

 

    
Hoofdstuk 7: De Nazaten van Koning Mândhâtâ

(1)  S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 4.13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va geadopteerd als zijn zoon en hij op zijn beurt had een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige van alle leden van de Mândhâtâ dynastie. (2) Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmâda meegevoerd naar de lagere regionen, zij was in dienst van de koning der serpenten [Vâsuki] aan hem uitgehuwelijkt door haar slangenbroeders. (3) Aldaar vernietigde hij, in feite daartoe in staat gesteld door Heer Vishnu, hen die, het goddelijke lied levend, het verdienden te worden bestraft [vanwege hun Gandharva-zonde van het gokken]. Van de slangachtigen ontving hij de zegen dat zij die zich dit voorval herinneren niets te vrezen hebben van het slangenras [de reptielachtige humanoïden].

(4) De zoon van Purukutsa Trasaddasyu [vernoemd naar de andere: 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya wiens zoon de naam Haryas'va droeg [naar: 9.6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (5-6) Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [voor het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de kwaliteit van een uitgestotene [een cândâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Onder de invloed van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij naar de hemel alwaar hij, er ten val gekomen, [halverwege in zijn val] gefixeerd door de goddelijke almacht van de wijze, tot op de dag van vandaag inderdaad kan worden waargenomen met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend. (7) Tris'anku's zoon was Haris'candra; vanwege hem was er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren als vogels waren [*]. (8) Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, laat er een zoon van mij ter wereld komen.'

(9) O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.

(10) 'Aangezien er een zoon is geboren, mijn beste, bereid me dan een offer met hem', zei Varuna tot Haris'candra die toen antwoordde: 'Tien dagen nadien [na de geboorte] moet men een dier geschikt achten om te worden geofferd.'

(11) Tien dagen later daar weer verschijnend zei hij: 'En nu, breng het offer!' Daarom gaf Haris'candra het antwoord: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, is het ervoor geschikt te worden geofferd!'

(12) Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'

(13) Toen de tanden waren uitgevallen zei hij: 'Offer nu dan!', waarop het antwoord luidde: 'Als het 'offerdier' zijn tanden weer zijn teruggegroeid, is het pas zuiver!'

(14) Toen ze waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert U nou', waarna Haris'candra zei: 'Als hij zich als een krijger kan verdedigen met een schild, o Koning, dan zal het 'offerdier' zuiver zijn.'

(15) Op deze manier met zijn geest beheerst door de genegenheid voor zijn zoon leidde hij de god om de tuin over de tijd die het zou kosten en liet hij hem zo wachten tot het moment daar zou zijn. (16) Rohita zich bewust van wat zijn vader van zins was, nam, in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen op en ging het woud in. (17) Toen hij vernam dat zijn vader vanwege Varuna geplaagd werd door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar naartoe te gaan. (18) Indra zei hem dat hij de wereld moest bereizen terwille van de heilige plaatsen en bedevaartsoorden en dat hij voor de duur van een jaar in het woud moest verblijven. (19) En zo gebeurde het dat voor een tweede, een derde, een vierde en nog eens een vijfde jaar Indra in de gedaante van een oude brahmaan voor hem verscheen om hem dat telkens weer opnieuw te vertellen. (20) Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarta's tweede zoon S'unahs'epha kocht om te dienen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (21) Met het daarop offeren van [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] werd Haris'candra evenzo vermaard en geroemd als halfgoden als Varuna zijn in het bereiden van offers en raakte hij bevrijd van de waterzucht. (22) Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yayur-veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya [of Âgastya] deed de [Sâma-veda] hymnen [als de udgâtâ]. (23) Indra, zeer behaagd, bezorgde hem een gouden wagen. Van de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen met de beschrijving van de zoons van Vis'vâmitra.

(24) Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien bij de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en dus schonk hij hen de onvergankelijke kennis om hun bestemming te bereiken. (25-26) Met het laten opgaan van het denken in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether alsook met het doen opgaan daarvan in het geïdentificeerd zijn met de materie, dat valse ego in het geheel van de materie en die volledigheid in de geestelijke kennis in al zijn geledingen, werd door dat specifieke meditatieproces de onwetendheid bedwongen en de materiële ambitie verzaakt. Door liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende bovenzinnelijke gelukzaligheid konden ze bij de Ondoorgrondelijke blijven, volledig bevrijd van materiële gebondenheid.'
 

 

next                     

 

 

Tweede editie, geladen 15 december 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

Het nageslacht van koning Mândhâtâ

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 4.13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va geadopteerd als zijn zoon en hij op zijn beurt had een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige van alle leden van de Mândhâtâ dynastie.

S'ukadeva Gosvâmî zei: De belangrijkste van de zonen van Mândhâtâ is beroemd onder de naam Ambarîsha. Deze Ambarîsha werd door zijn grootvader Yuvanâs'va als zoon aangenomen. De zoon van Ambarîsha was Yauvanâs'va en Yauvanâs'va's zoon heette Hârîta. In de dynastie van Mândhâtâ namen Ambarîsha, Hârîta en Yauvanâs'va een zeer vooraanstaande plaats in. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmâda meegevoerd naar de lagere regionen, zij was in dienst van de koning der serpenten [Vâsuki] aan hem uitgehuwelijkt door haar slangenbroeders.

Narmadâ werd door haar slangenbroers ten huwelijk geschonken aan Purukutsa. Aangezien ze gezonden was door Vâsuki, nam ze Purukutsa mee naar de lagere regionen van het universum. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Aldaar vernietigde hij, in feite daartoe in staat gesteld door Heer Vishnu, hen die, het goddelijke lied levend, het verdienden te worden bestraft [vanwege hun Gandharva-zonde van het gokken]. Van de slangachtigen ontving hij de zegen dat zij die zich dit voorval herinneren niets te vrezen hebben van het slangenras [de reptielachtige humanoïden].

Daar in Rasâtala, de lagere regionen van het universum, was Purukutsa, die door Heer Visnu met speciale kracht begiftigd was, in staat om alle Gandharva's te doden die dit verdienden. Purukutsa kreeg van de slangen de zegen dat iedereen die zich dit verhaal herinnert - hoe hij door Narmadâ naar de lagere regionen van het universum werd gebracht - voorzeker gevrijwaard zal blijven van de aanval van slangen. (Vedabase)

 

Tekst 4:

De zoon van Purukutsa Trasaddasyu [vernoemd naar de andere: 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya wiens zoon de naam Haryas'va droeg [naar: 9.6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana.

De zoon van Purukutsa was Trasaddasyu, die de vader van Anaranya was. Anaranya's zoon was Haryas'va, de vader van Prâruna. Prâruna was de vader van Tribandhana. (Vedabase)

 

Tekst 5-6:

Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [voor het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de kwaliteit van een uitgestotene [een cândâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Onder de invloed van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij naar de hemel alwaar hij, er ten val gekomen, [halverwege in zijn val] gefixeerd door de goddelijke almacht van de wijze, tot op de dag van vandaag inderdaad kan worden waargenomen met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend.

De zoon van Tribandhana was Satyavrata, die bekendstaat onder de naam Tris'anku. Omdat hij de dochter van een brâhmana tijdens haar bruiloft ontvoerd had, vervloekte zijn vader hem om een cândâla, iemand die nog lager is dan een s'ûdra, te worden. Daarna reisde hij dankzij de invloed van Vis'vâmitra in zijn materiële lichaam naar de hogere planetenstelsels, de hemelse planeten, maar viel hij weer terug door de macht van de halfgoden. Niettemin viel hij tussenkomst van Vis'vâmitra niet helemaal terug; daardoor kan men hem tot op de dag van vandaag nog in de lucht zien hangen, met zijn hoofd naar beneden. (Vedabase)

   

Tekst 7:

Tris'anku's zoon was Haris'candra; vanwege hem was er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren als vogels waren [*].

De zoon van Tris'anku heette Haris'candra. Vanwege Haris'candra ontstond er een ruzie tussen Vis'vâmitra en Vasishthha die, nadat ze in vogels veranderd waren, vele jaren met elkaar streden. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, laat er een zoon van mij ter wereld komen.'

Haris'candra had geen zoon en was daar bijzonder verdrietig om. Daarom nam hij eens op aanraden van Nârada, zijn toevlucht tot Varuna en zei tot hem: "O heer, ik heb geen zoon. Wees zo goed om me er een te geven." (Vedabase)

 

Tekst 9

O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.

O koning Parîkshit, Haris'candra smeekte Varuna in de volgende bewoordingen: "O heer, als ik een zoon krijg, zal ik met die zoon een offer verrichten voor uw genoegen." Toen Haris'candra dit gezegd had, antwoordde Varuna: "Het zij zo." Door deze zegen van Varuna kreeg Haris'candra een zoon met de naam Rohita. (Vedabase)

 

Tekst 10

'Aangezien er een zoon is geboren, mijn beste, bereid me dan een offer met hem', zei Varuna tot Haris'candra die toen antwoordde: 'Tien dagen nadien [na de geboorte] moet men een dier geschikt achten om te worden geofferd.'

Toen het kind geboren was, benaderde Varuna Haris'candra en zei: "Nu heb je een zoon. Met deze zoon kun je een offer aan mij brengen." Hierop antwoordde Haris'candra: "Pas tien dagen nadat een dier geboren is, is het geschikt om geofferd te worden." (Vedabase)

 

Tekst 11

Tien dagen later daar weer verschijnend zei hij: 'En nu, breng het offer!' Daarom gaf Haris'candra het antwoord: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, is het ervoor geschikt te worden geofferd!'

Na tien dagen kwam Varuna opnieuw en zei tegen Haris'candra: "Nu kun je het offer verrichten." Haris'candra antwoordde: "Pas wanneer een dier tanden heeft gekregen, is het rein genoeg om geofferd te worden." (Vedabase)

 

Tekst 12

Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'

Toen de tanden van het kind doorgekomen waren, kwam Varuna weer terug en zei tegen Haris'candra: "Nu heeft het dier tanden en kun je het offer uitvoeren." Hierop antwoordde Haris'candra: "Pas wanneer al zijn tanden uitgevallen zijn, zal het geschikt zijn om geofferd te worden." (Vedabase)

 

Tekst 13

Toen de tanden waren uitgevallen zei hij: 'Offer nu dan!', waarop het antwoord luidde: 'Als het 'offerdier' zijn tanden weer zijn teruggegroeid, is het pas zuiver!'

Toen de tanden uitgevallen waren, keerde Varuna terug en zei tegen Haris'candra: "Nu zijn de tanden van het dier uitgevallen en kun je het offer verrichten." Maar Haris'candra's antwoord luidde: "Pas wanneer het dier weer nieuwe tanden heeft gekregen, zal het rein genoeg zijn om te worden geofferd." (Vedabase)

 

Tekst 14:

Toen ze waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert U nou', waarna Haris'candra zei: 'Als hij zich als een krijger kan verdedigen met een schild, o Koning, dan zal het 'offerdier' zuiver zijn.'

Toen er nieuwe tanden verschenen waren, kwam Varuna terug en zei tegen Haris'candra: "Nu kun je het offer verrichten." Daarop zei Haris'candra echter: "O koning, pas wanneer het offerdier een kshatriya geworden is en in staat is om zich te verdedigen zodat hij met de vijand kan vechten, zal hij zuiver zijn." (Vedabase)

  

Tekst 15:

Op deze manier met zijn geest beheerst door de genegenheid voor zijn zoon leidde hij de god om de tuin over de tijd die het zou kosten en liet hij hem zo wachten tot het moment daar zou zijn.

Haris'candra was zonder twijfel erg aan zijn zoon gehecht, en daarom vroeg hij de halfgod Varuna steeds maar om te wachten. Zodoende bleef Varuna wachten op het moment dat de koning zijn belofte zou vervullen. (Vedabase)

  

Tekst 16:

Rohita zich bewust van wat zijn vader van zins was, nam, in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen op en ging het woud in.

Rohita begreep dat het zijn vaders bedoeling was om hem als offerdier te gebruiken. Om aan de dood te ontsnappen, wapende hij zich daarom met pijl en boog en ging naar het woud. (Vedabase)
 
Tekst 17:

Toen hij vernam dat zijn vader vanwege Varuna geplaagd werd door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar naartoe te gaan.

Toen Rohita hoorde dat zijn vader door toedoen van Varuna waterzucht had gekregen en dat zijn buik erg opgezwollen was, wilde hij naar de hoofdstad terugkeren, maar koning Indra verbood hem dit. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Indra zei hem dat hij de wereld moest bereizen terwille van de heilige plaatsen en bedevaartsoorden en dat hij voor de duur van een jaar in het woud moest verblijven.

Koning Indra adviseerde Rohita om verschillende bedevaartsoorden en heilige plaatsen te bezoeken, want dit zijn zondermeer vrome activiteiten. Deze aanwijzing opvolgend, leefde Rohita een jaar lang in het woud. (Vedabase)

 

Tekst 19:

En zo gebeurde het dat voor een tweede, een derde, een vierde en nog eens een vijfde jaar Indra in de gedaante van een oude brahmaan voor hem verscheen om hem dat telkens weer opnieuw te vertellen.

Telkens wanneer Rohita naar de hoofdstad wilde terugkeren aan het eind van het tweede, derde, vierde en vijfde jaar, verscheen de hemelkoning Indra voor hem als een oude brâhmana en verbood hem terug te keren in dezelfde bewoordingen als het voorgaande jaar. (Vedabase)

 

 Tekst 20:

Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarta's tweede zoon S'unahs'epha kocht om te dienen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen.

In het zesde jaar van zijn verblijf in het woud keerde Rohita tenslotte terug naar zijn vaders hoofdstad en kocht daar de tweede zoon van Ajîgarta, S'unahs'epha geheten. Daarna schonk hij S'unahs'epha aan zijn vader Haris'candra om hem als offerdier te gebruiken en bracht hij Haris'candra zijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Met het daarop offeren van [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] werd Haris'candra evenzo vermaard en geroemd als halfgoden als Varuna zijn in het bereiden van offers en raakte hij bevrijd van de waterzucht.

Daarna verrichtte de vermaarde koning Haris'candra, een van de grote persoonlijkheden in de geschiedenis, schitterende offers door een mens te offeren, waarmee hij alle halfgoden tevredenstelde. Op deze manier werd hij van de waterzucht die Varuna veroorzaakt had genezen. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yayur-veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya [of Âgastya] deed de [Sâma-veda] hymnen [als de udgâtâ].

Bij dat grote mensenoffer was Vis'vâmitra de belangrijkste priester voor het opdragen van offerandes. De volmaakt zelfgerealiseerde Jamadagni had de verantwoordelijkheid voor het chanten van de mantra's uit de Yajur-Veda, Vasishthha was de brahmaanse opperpriester, en de wijze Ayâsya reciteerde de mantra's uit de Sâma-Veda. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Indra, zeer behaagd, bezorgde hem een gouden wagen. Van de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen met de beschrijving van de zoons van Vis'vâmitra.

Aangezien koning Indra zeer tevreden was over Haris'candra, schonk hij hem een gouden strijdwagen. S'unahs'epha's glorieuze activiteiten zullen tegelijk met de beschrijving van de zonen van Vis'vâmitra aan de orde komen. (Vedabase)

   

Tekst 24:

Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien bij de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en dus schonk hij hen de onvergankelijke kennis om hun bestemming te bereiken.

De grote wijze Vis'vâmitra zag dat Mahârâja Haris'candra en zijn vrouw waarheidlievend, verdraagzaam en geïnteresseerd in het wezen der dingen waren. Daarom schonk hij ze onvergankelijke kennis waarmee ze de opdracht van het menselijk bestaan konden vervullen. (Vedabase)

 

Tekst 25-26:

Met het laten opgaan van het denken in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether alsook met het doen opgaan daarvan in het geïdentificeerd zijn met de materie, dat valse ego in het geheel van de materie en die volledigheid in de geestelijke kennis in al zijn geledingen, werd door dat specifieke meditatieproces de onwetendheid bedwongen en de materiële ambitie verzaakt. Door liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende bovenzinnelijke gelukzaligheid konden ze bij de Ondoorgrondelijke blijven, volledig bevrijd van materiële gebondenheid.'

Mahârâja Haris'candra louterde eerst zijn geest, die vervuld was van materieel genot, door hem met de aarde te versmelten. Toen liet hij de aarde met water versmelten, het water met vuur, het vuur met de lucht en de lucht met de ether. Vervolgens versmolt hij de ether met het totaal der materiële energie en het totaal der materiële energie met geestelijke kennis. Deze geestelijke kennis betekent dat men realiseert dat men een deeltje van de Allerhoogste Heer is. Wanneer de zelfgerealiseerde ziel zich aan de dienst van de Heer wijdt, is hij voor eeuwig onwaarneembaar en onvoorstelbaar. Eenmaal op dat niveau van geestelijke kennis is hij volkomen verlost van alle materiële gebondenheid.' (Vedabase)

 

*: Prabhupâda geeft als commentaar: 'Vis'vâmitra en Vasishthha waren elkaar altijd vijandig gezind. Voorheen was Vis'vâmitra een kshatriya en door het ondergaan van strenge boetedoeningen en verzakingen wilde hij een brâhmana worden, maar Vasishthha wilde er niet mee instemmen hem op die manier te aanvaarden. En zo was er voortdurend onenigheid tussen de twee. Later echter, aanvaardde Vasishthha hem vanwege Vis'vâmitra's kwaliteit van vergevingsgezindheid. Eens voerde Haris'candra een yajña uit waarvoor Vis'vâmitra de priester was, maar Vis'vâmitra, die boos was op Haris'candra, nam al zijn bezittingen in beslag, ze claimend als een dakshinâ bijdrage. Vasishthha echter stond dit niet aan en zodoende ontstond er een vete tussen Vasishthha en Vis'vâmitra. Het vechten werd zo erg dat ieder van hen de ander vervloekte. Een van hen zei, "Dat je een vogel moge worden," en de ander zei, "Dat je een eend wordt!" Op die manier werden ze beiden vogels en gingen ze voor vele jaren door met hun strijd vanwege Haris'candra.'

**: Het offeren van een menselijk wezen moet hier worden beschouwd als iets geweldloos aangezien de vidhi mededogen voorschrijft met alle levende wezens (dayâ of ahimsâ ) en het Bhâgavatam voorzeker het offeren van mensenlevens veroordeelt in de geschiedenis van Jada Bharata [zie 5.9: 17]. De context doet vermoeden, en uit 9.16: 31-32 blijkt, dat, omdat Haris'candra er de oorzaak van was geweest dat de wijzen Vis'vâmitra en Vasishthha in onenigheid verkeerden, het offeren van een menselijk wezen betekende dat iemand zijn wereldse leven op moest geven om de wijzen te dienen in hun verzoening. De troonopvolger, de meest waarschijnlijke kandidaat voor de opdracht, kon zijn wereldse verantwoordelijkheid niet opgeven, en zo werd er toen een andere man opgetrommeld om die plicht op zich te nemen.

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De collage op deze pagina is van
Anand Aadhar.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties