regelbalk


 

Canto 7

Govinda jaya jaya

 

 

Hoofdstuk 4: Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

(1) S'rî Nârada zei: 'Heer Brahmâ die zijn ogen overal heeft, aldus verzocht, verleende verheugd over Hiranyakas'ipu's boetedoeningen, hem de gunsten die zo zelden worden verworven. (2) Heer Brahmâ zei: 'Mijn zoon, al de gunsten waar je om vroeg worden door mensen zelden van mij verkregen, maar niettegenstaande het feit dat deze zegeningen normaal niet beschikbaar zijn, zal ik ze jou toekennen, mijn beste.'

(3) Aanbeden door de meest verheven asura als de Almachtige, geprezen door alle heersers over de mensheid, vertrok daarop de machtige Heer, wiens genade geen fouten kent,  (4) De Daitya die aldus zijn felbegeerde wens toegekend zag en een lichaam had gekregen dat straalde als goud, hield er een niet aflatende geest van haat op na tegen de Heer die zijn broer had gedood. (5-7) Hij, de grootste asura, die alle plaatsen hoog, laag en ertussen in alle windrichtingen veroverde, bracht de meesters over alle werelden onder zijn controle: god, demon en mens, de koningen, de hemelbewoners, de reciteerders der verzen en de slangachtigen, die van de volmaaktheid, van cultuur en van de kennis, de heiligen, de leidende voorvaderen, de stamvaders, de boze geesten, de wildemannen en de gekken, de doden en de geesten en hun leiders; als de veroveraar van de wereld eigende hij zich de macht toe van alle autoriteiten waar dan ook. (8) In het paradijs der goden verkerend in de rijkdom van alle weelde, leefde hij in de hoogste wereld, in het paleis van de koning der hemelen zoals voorzien door Vis'vakarmâ de grote asura architect zelve, in de hemel van Lakshmî, macht uitoefenend over alle welvaart van de wereld. (9-12) Aldaar waren de traptreden van koraal, de vloeren van smaragd, de muren van kristal en de rijen pilaren vervaardigd uit vaidûrya. Er waren daar ook de mooiste banken en zitplaatsen overdekt met robijnen en het beddengoed was zo wit als melkschuim met parels op hun kanten. In de vertrekken, links en rechts, behangen met juwelen en edelstenen, maakten de hemelse dames lieve geluidjes met het getinkel van hun enkelbelletjes en lieten ze hun fraaie gebitten zien met hun prachtige gezichten. In dat koninklijk verblijf met de grootste macht en geest heersend met een verschikkelijke repressie, genoot de alleenheerser die iedereen in zijn greep had, van de aanbidding van de godvrezende hofhouding aan zijn voeten. (13) Hij, o mijn beste, die alle verzaking, yoga, kracht en zin in zich besloten had, en die, behalve dan van de drie belangrijkste godheden, eerbewijzen ontving uit handen van alle belangrijke persoonlijkheden, was in werkelijkheid bedwelmd door sterk geurende wijnen, waarbij zijn ogen rood als koper in hun kassen rolden.(14) Op de zetel van Indra verheerlijkt door Vis'vâvasu, Tumburu [de grootste Gandharva's] en ook door mij, werden keer op keer gebeden opgedragen door al de zangers en de meisjes van de hemel, de volmaakten, de heiligen en zij die van de kennis zijn, o zoon van Pându. (15) En hij, feitelijk met giften in overvloed vereerd door alle klassen en leeftijdsgroepen, reserveerde in zijn machtsuitoefening ieder deel van de gebrachte offers voor zichzelf. (16) Alsof ze de koe van overvloed zelve was, bracht onder zijn bewind moeder aarde in alle werelddelen spontaan overvloedige oogsten op, terwijl in de hemel alle wonderen van het universum konden worden waargenomen. (17) De zeeën en oceanen van zout en zoet water, wijn, ghee, suikerrietsap, yoghurt en melk, en hun echtgenotes de rivieren eveneens, voerden allerlei soorten van kostbare gesteenten mee in hun golven. (18) De valleien tussen de bergen en heuvels waren zijn lustoorden die gedurende alle seizoenen al het goede van plant en boom te bieden hadden; hij in zijn eentje stond voor al de verschillende kwaliteiten van al de verschillende goden. (19) Aldus in alle windstreken alles en iedereen aan zich onderworpen hebbend en als de enige echte heerser genietend van alle denkbare geneugten, was hij met het verlies over de beheersing zijner zinnen echter niet ingenomen. (20) Bedwelmd in grote trots over zijn verworvenheden verstreek aldus een lange periode van leven in overtreding met de geschriften en kon de vloek der brahmanen tegemoet worden gezien [zie ook B.G. 16: 23-24].

(21) Door zijn pijnlijke reprimandes verstoord was er voor al de werelden en hun leiders geen plaats waar ze nog veilig waren en aldus benaderden ze de Onfeilbare om bij Hem hun toevlucht te zoeken [vergelijk B.G. 5.: 29]. (22-23) Daartoe baden ze: 'Mogen er onze eerbetuigingen zijn in die richting waarin de Superziel van Hari, de Hoogste Beheerser wordt gevonden en vanwaar, Hem benaderend, de vreedzamen, de verzakers en de zuiveren nimmer terugkeren.' Met hun geesten op die manier beheerst bestendigden en zuiverden ze hun intelligentie, waarbij ze, slechts van de lucht levend in hun eerbetoon voor de Meester der Zinnen, zich geen slaap gunden.

(24) Voor hen allen verscheen toen een luid weerklinkende stem zonder een gedaante die, hun angst verdrijvend, de deugdzamen beroerde tot in hun diepste wezen: (25-26) 'Vreest niet, o besten der wijsheid, u zij alle goede geluk toegewenst. Ik ben er inderdaad opdat alle levende wezens het goede mogen bereiken. De kwalijke handelingen van deze grote duivel zijn Me bekend en Ik zal ze een halt toeroepen, daar kan u op rekenen. (27) Als men zich keert tegen de goden, de Veda's, de koeien, de brahmanen, de heiligen, de regulerende beginselen en tegen Mij, zal men zeer spoedig het onderspit delven. (28) Zo gauw hij gewelddadig optreedt jegens zijn vredelievende zoon die geen vijanden heeft, die grote ziel, Prahlâda, zal Ik hem ter dood brengen, welke zegeningen hij ook ontvangen moge hebben [zie ook 3.25: 21].'

(29) S'rî Nârada zei: 'Aldus toegesproken door de geestelijk leraar van allen, gingen de goddelijken, Hem hun eerbetuigingen brengend, bevrijd van al hun angsten terug en beschouwden ze de asura zo goed als gedood [2.3: 10]. (30) Van hem, de Daityakoning waren er vier hoogst gekwalificeerde zoons van wie degene die de naam Prahlâda droeg de grootste was met al de kwaliteiten van een grote toegewijde [zie 5.18: 12]. (31-32) Als een goede brahmaan met zijn zinnen en geest in bedwang had hij al het talent het Absolute van de Waarheid te doorgronden. Net als de Superziel was hij de meest geliefde, beste vriend van alle levende wezens, als een onbeduidend dienaar was hij altijd horig aan de voeten van de groten, gelijk een vader was hij de armen toegenegen, gelijk een broeder was hij voor zijns gelijken, vol van liefde was hij voor de geestelijk leraren die hij zo hooghield als de Allerhoogste Beheerser Zelve; hij was van scholing, zingeving, schoonheid, edelmoedigheid en volledig vrij van hoogmoed en aanmatiging [vergelijk B.G. 12: 13-19 en B.G. 18: 42]. (33) Hoewel geboren uit een asura had hij in gevaarlijke situaties steeds een onverstoord bewustzijn en was hij verstoken van enig verlangen met wat gehoord en gezien wordt [met de Vedische kennis]; zaken behorende tot de geaardheden der materiële natuur beschouwde hij als niet-essentieel en de zinnen en de levenskracht beheersend, had hij de lusten van zijn lichaam en geest steeds onder controle; hij was volledig vrij van de demonische aard. (34) De eigenschappen die hij heeft worden, net zoals die men aantreft in de Allerhoogste Heer onze Beheerser, door de gevorderden altijd verheerlijkt als zijnde de grootste, o Koning, en niet zozeer de kwaliteiten waar men heden ten dage zo over in de war is [in Kali-yuga]. (35) In bijeenkomsten ter ere van de heiligheid zouden zelfs de goddelijken van vijandschap [jegens het asurische], o heerser der mensen, hem tot voorbeeld nemen; waarom dan niet u of anderen? (36) Het grootse van de talloze kwaliteiten van hem die bekend staat om zijn natuurlijke gehechtheid aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, gaat alle beschrijving te boven. (37) Als kleine jongen alle kinderspel opgegeven hebbend leek het of hij lusteloos was, zoals hij met zijn geest volledig verzonken was in de wereld van Krishna; geheel van die aantrekking zijnd had hij geen belangstelling voor wereldse zaken. (38) Zoals hij neerzat en rondliep, at en rustte, dronk en sprak, drong, gekoesterd door Govinda, alles wat zich daarbuiten afspeelde niet tot hem door. (39) Soms huilde hij denkend aan Vaikunthha, soms lachte hij over de gekkigheid van het denken en bij tijden was hij blij met Hem in gedachten zeer luid aan het zingen. (40) Soms riep hij het vol van bezorgdheid uit, dan weer danste hij zonder schaamte en soms, verloren in gedachten over Hem, deed hij Hem na in het idee Hem te zijn. (41) Bij tijden met zijn haren overeind en met zijn half gesloten ogen gevuld met tranen, viel hij volledig stil, overmand door vreugde gevangen in Zijn liefdevolle associatie van bovenzinnelijke verrukking. (42) Hij, door zijn voortdurende dienst aan de lotusvoeten zoals verheerlijkt in de hymnen, verkreeg door het uitbouwen van zijn associatie in de bevrijde staat de hoogste extase, waarbij hij zonder ophouden vanuit de geestelijke ziel vrede schonk aan hen die het ontbrak aan geest en omgang. (43) Jegens hem, die verheven en meest fortuinlijke ruimhartige toegewijde, o Koning, die zijn eigen zoon was, beging Hiranyakas'ipu de grootste zonde.'

(44) S'rî Yudhishthhira zei: 'O heilige van God die bij het beste zweert, we zouden graag het volgende van u willen weten: hoe kon de vader zijn eigen zoon, zo een heilige van zuiverheid en goedheid, het zo moeilijk maken? (45) Zoons die tegen de wil van hun vaders ingaan worden uit liefde terecht gewezen. Terwille van hun onderricht, kunnen ze toch niet als een vijand worden afgestraft, is het wel? (46) Alstublieft o brahmaan, verdrijf de twijfels die we hebben wat betreft deze vader die zo ongemeen op de dood af hatelijk was jegens zijn eigen zo gehoorzame zoon, een grote toegewijde van het soort dat zijn vader eert als zijn goeroe, o meester.'

 

  

next                      

 
Tweede editie, geladen 19 juni 2007.

 

 

 

Bronteksten:

Hiranyakas'ipu terroriseert het universum

 

Tekst 1:

S'rî Nârada zei: 'Heer Brahmâ die zijn ogen overal heeft, aldus verzocht, verleende verheugd over Hiranyakas'ipu's boetedoeningen, hem de gunsten die zo zelden worden verworven.

Nârada Muni vervolgde: Heer Brahmâ was heel erg tevreden over Hiranyakas'ipu's ascese, die zondermeer erg moeilijk uitvoerbaar was. Toen Hiranyakas'ipu hem daarom om zegeningen vroeg, gaf hij die dan ook, hoewel het beloningen waren die maar zelden door iemand worden verkregen. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Heer Brahmâ zei: 'Mijn zoon, al de gunsten waar je om vroeg worden door mensen zelden van mij verkregen, maar niettegenstaande het feit dat deze zegeningen normaal niet beschikbaar zijn, zal ik ze jou toekennen, mijn beste.'

Heer Brahmâ zei: O Hiranyakas'ipu, de zegeningen waar je om gevraagd hebt, zijn voor de meeste mensen moeilijk verkrijgbaar. Desalniettemin, o zoon, zal ik ze je verlenen, ook al zijn ze over het algemeen niet beschikbaar. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Aanbeden door de meest verheven asura als de Almachtige, geprezen door alle heersers over de mensheid, vertrok daarop de machtige Heer, wiens genade geen fouten kent,

Toen vertrok Heer Brahmâ, die onfeilbare zegeningen schenkt, nadat hij vereerd was door de beste der demonen, Hiranyakas'ipu, en geloofd door grote wijzen en heiligen. (Vedabase)

 

Tekst 4:

De Daitya die aldus zijn felbegeerde wens toegekend zag en een lichaam had gekregen dat straalde als goud, hield er een niet aflatende geest van haat op na tegen de Heer die zijn broer had gedood. 

Nadat de demon Hiranyakas'ipu op deze wijze door Heer Brahmâ gezegend was en een schitterend gouden lichaam had gekregen, bleef hij nog steeds aan de dood van zijn broer denken en gaf zijn afgunst op Heer Vishnu niet op. (Vedabase)

 

Tekst 5-7:

Hij, de grootste asura, die alle plaatsen hoog, laag en ertussen in alle windrichtingen veroverde, bracht de meesters over alle werelden onder zijn controle: god, demon en mens, de koningen, de hemelbewoners, de reciteerders der verzen en de slangachtigen, die van de volmaaktheid, van cultuur en van de kennis, de heiligen, de leidende voorvaderen, de stamvaders, de boze geesten, de wildemannen en de gekken, de doden en de geesten en hun leiders; als de veroveraar van de wereld eigende hij zich de macht toe van alle autoriteiten waar dan ook.

Hiranyakas'ipu veroverde het hele universum. Ja, de grote demon veroverde alle planeten in de drie werelden - de hogere, lagere en midden-planeten - met inbegrip van de planeten van de mensen, de Gandharva's, de Garuda's, de grote slangen, de Siddha's, de Cârana's en de Vidyâdhara's, de grote heiligen, Yamarâja, de Manu's, de Yaksha's, de Râkshasa's, de Pis'âca's en hun meesters, en de meesters van de geesten en Bhûta's. Hij versloeg de heersers van alle andere planeten waar levende wezens wonen en bracht ze onder zijn gezag. En door de planeten van al deze heersers te veroveren, kwam hij in het bezit van al hun macht en invloed. (Vedabase)

 

Tekst 8:

In het paradijs der goden verkerend in de rijkdom van alle weelde, leefde hij in de hoogste wereld, in het paleis van de koning der hemelen zoals voorzien door Vis'vakarmâ de grote asura architect zelve, in de hemel van Lakshmî, macht uitoefenend over alle welvaart van de wereld. 

Hiranyakas'ipu, die alle mogelijke rijkdom bezat, installeerde zich in de hemel met zijn beroemde Nandana-tuin waar de halfgoden van het leven genieten. Ja, hij ging zelfs in het zeer weelderige paleis van Indra, de hemelkoning, wonen. Dit paleis was gebouwd door Vis'vakarmâ, de architect van de halfgoden, en het was zo prachtig dat het leek alsof de geluksgodin van het hele universum erin verbleef. (Vedabase)

   

Tekst 9-12:

Aldaar waren de traptreden van koraal, de vloeren van smaragd, de muren van kristal en de rijen pilaren vervaardigd uit vaidûrya. Er waren daar ook de mooiste banken en zitplaatsen overdekt met robijnen en het beddengoed was zo wit als melkschuim met parels op hun kanten. In de vertrekken, links en rechts, behangen met juwelen en edelstenen, maakten de hemelse dames lieve geluidjes met het getinkel van hun enkelbelletjes en lieten ze hun fraaie gebitten zien met hun prachtige gezichten. In dat koninklijk verblijf met de grootste macht en geest heersend met een verschikkelijke repressie, genoot de alleenheerser die iedereen in zijn greep had, van de aanbidding van de godvrezende hofhouding aan zijn voeten.

De trappen van koning Indra's paleis waren van koraal, de vloer was ingezet met de kostbaarste smaragden, de muren waren van kristal en de pilaren van vaidûrya-steen. De schitterende baldakijnen waren prachtig versierd, de zetels waren ingezet met robijnen, en het zijden beddegoed was zo wit als schuim en geborduurd met parels. De dames van het paleis, die gezegend waren met prachtige tanden en buitengewoon aantrekkelijke gezichten, liepen her en der in het paleis rond, waarbij hun enkelbelletjes melodieus rinkelden en ze hun eigen prachtige spiegelbeeld in de edelstenen gereflecteerd zagen. De halfgoden werden echter zodanig onderdrukt dat ze neer moesten buigen aan de voeten van Hiranyakas'ipu en hem hun eerbetuigingen moesten brengen, terwijl hij hen zonder enige reden zeer streng strafte. Zo woonde Hiranyakas'ipu in het paleis en regeerde met ijzeren hand. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Hij, o mijn beste, die alle verzaking, yoga, kracht en zin in zich besloten had, en die, behalve dan van de drie belangrijkste godheden, eerbewijzen ontving uit handen van alle belangrijke persoonlijkheden, was in werkelijkheid bedwelmd door sterk geurende wijnen, waarbij zijn ogen rood als koper in hun kassen rolden.

O beste koning, Hiranyakas'ipu was constant dronken van sterk-riekende wijn en sterke drank, en daardoor rolden zijn koperkleurige ogen altijd in hun kassen. Maar door de geweldige ascese waaraan hij zich had onderworpen bij zijn beoefening van mystieke yoga werd hij, hoewel hij weerzinwekkend was, door alle halfgoden behalve de drie voornaamste - Heer Brahmâ, Heer S'iva en Heer Vishnu - vereerd en kwamen ze hem persoonlijk allerlei geschenken brengen om hem tevreden te stellen. (Vedabase)

  

Tekst 14:

Op de zetel van Indra verheerlijkt door Vis'vâvasu, Tumburu [de grootste Gandharva's] en ook door mij, werden keer op keer gebeden opgedragen door al de zangers en de meisjes van de hemel, de volmaakten, de heiligen en zij die van de kennis zijn, o zoon van Pându.

O Mahârâja Yudhishthhira, nazaat van Pându, door zijn persoonlijke macht oefende Hiranyakas'ipu, gezeten op de troon van koning Indra, zijn gezag uit over de bewoners van alle planeten. De twee Gandharva's, Vis'vâvasu en Tumburu, ikzelf en de Vidyâdhara's, Apsarâ's en de wijzen richtten keer op keer gebeden tot hem om hem te verheerlijken. (Vedabase)

 

Tekst 15:

En hij, feitelijk met giften in overvloed vereerd door alle klassen en leeftijdsgroepen, reserveerde in zijn machtsuitoefening ieder deel van de gebrachte offers voor zichzelf.

Hiranyakas'ipu werd door degenen die strikt de principes van varna en âs'rama naleefden vereerd met offers waarbij grote offergaven geschonken werden, maar in plaats van een gedeelte van die offers aan de halfgoden af te staan, hield hij ze zelf. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Alsof ze de koe van overvloed zelve was, bracht onder zijn bewind moeder aarde in alle werelddelen spontaan overvloedige oogsten op, terwijl in de hemel alle wonderen van het universum konden worden waargenomen.

De planeet aarde, die uit zeven eilanden bestaat, begon graan te produceren zonder omgeploegd te zijn, alsof ze bang was voor Hiranyakas'ipu. In dat opzicht was ze net als de surabhi-koeien van de geestelijke wereld of de kâma-dughâ van de hemel. De aarde produceerde voldoende graan, de koeien gaven melk in overvloed en in de ruimte waren allerlei wonderbaarlijke verschijnselen waar te nemen. (Vedabase)
 
Tekst 17:

De zeeën en oceanen van zout en zoet water, wijn, ghee, suikerrietsap, yoghurt en melk, en hun echtgenotes de rivieren eveneens, voerden allerlei soorten van kostbare gesteenten mee in hun golven.

De verschillende oceanen van het universum samen met de rivieren die erin uitmonden, die met hun vrouwen vergeleken worden, droegen op hun golven allerlei edelstenen en juwelen aan voor Hiranyakas'ipu. Deze oceanen waren de oceaan van zout water, van suikerrietsap, wijn, geklaarde boter, melk, yoghurt en zoet water. (Vedabase)

 

Tekst 18:

De valleien tussen de bergen en heuvels waren zijn lustoorden die gedurende alle seizoenen al het goede van plant en boom te bieden hadden; hij in zijn eentje stond voor al de verschillende kwaliteiten van al de verschillende goden.

De valleien tussen de bergen werden de lusthoven van Hiranyakas'ipu, onder wiens invloed alle bomen en planten een overvloed aan fruit en bloemen voortbrachten in alle seizoenen. Het laten neerkomen van water, het opdrogen en het verbranden, wat normaal gesproken allemaal onder toezicht van de drie afdelingshoofden van het universum staat - namelijk Indra, Vâyu en Agni - werd nu alleen door Hiranyakas'ipu geregeld, zonder enige hulp van de halfgoden. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Aldus in alle windstreken alles en iedereen aan zich onderworpen hebbend en als de enige echte heerser genietend van alle denkbare geneugten, was hij met het verlies over de beheersing zijner zinnen echter niet ingenomen.

Hoewel hij de macht had gekregen om over alle richtingen te heersen en onbeperkt van de meest begeerde soorten van zinsbevrediging te genieten, was Hiranyakas'ipu toch ontevreden omdat hij in plaats van zijn zinnen te beheersen juist hun dienaar bleef. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Bedwelmd in grote trots over zijn verworvenheden verstreek aldus een lange periode van leven in overtreding met de geschriften en kon de vloek der brahmanen tegemoet worden gezien [zie ook B.G. 16: 23-24].

Op deze manier ging Hiranyakas'ipu lange tijd door, enorm trots op zijn rijkdom en op allerlei manieren de wetten en regels van de gezaghebbende s'âstra's overtredend. Daarom werd hij getroffen door een vloek van de vier Kumâra's, die grote brâhmana's waren. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Door zijn pijnlijke reprimandes verstoord was er voor al de werelden en hun leiders geen plaats waar ze nog veilig waren en aldus benaderden ze de Onfeilbare om bij Hem hun toevlucht te zoeken [vergelijk B.G. 5.: 29].

Iedereen, met inbegrip van de heersers van de verschillende planeten, verkeerde in grote nood door de zware straffen die Hiranyakas'ipu hun oplegde. Angstig en in de war, niet in staat om ergens anders toevlucht te vinden, gaven ze zich tenslotte over aan de Allerhoogste Godspersoon, Vishnu. (Vedabase)

 

Tekst 22-23:

Daartoe baden ze: 'Mogen er onze eerbetuigingen zijn in die richting waarin de Superziel van Hari, de Hoogste Beheerser wordt gevonden en vanwaar, Hem benaderend, de vreedzamen, de verzakers en de zuiveren nimmer terugkeren.' Met hun geesten op die manier beheerst bestendigden en zuiverden ze hun intelligentie, waarbij ze, slechts van de lucht levend in hun eerbetoon voor de Meester der Zinnen, zich geen slaap gunden.

 "Laten we onze nederige eerbetuigingen brengen in de richting van de Allerhoogste Godspersoon Zich bevindt, waar de grote heiligen, de gezuiverde zielen in de wereldverzakende orde, heengaan en waarvandaan ze nooit meer terugkeren als ze er eenmaal zijn." Zonder te slapen, met volkomen beheerste geest en alleen nog maar op hun eigen adem levend, begonnen de voornaamste godheden van de verschillende planeten Hrshîkes'a te vereren met deze meditatie. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Voor hen allen verscheen toen een luid weerklinkende stem zonder een gedaante die, hun angst verdrijvend, de deugdzamen beroerde tot in hun diepste wezen:

Toen weerklonk er vlak voor hen een transcendentale geluidstrilling voortgebracht door een persoonlijkheid die met materiële ogen niet te zien was. Deze stem, die zo diep was als het donderen van een wolk, was zeer hoopgevend en verdreef alle angst. (Vedabase)

 

Tekst 25-26:

'Vreest niet, o besten der wijsheid, u zij alle goede geluk toegewenst. Ik ben er inderdaad opdat alle levende wezens het goede mogen bereiken. De kwalijke handelingen van deze grote duivel zijn Me bekend en Ik zal ze een halt toeroepen, daar kan u op rekenen.

De stem van de Heer zei het volgende: O besten der geleerden, vrees niet! Ik wens u alle voorspoed. Word Mijn toegewijden door over Mij te horen en te chanten en gebeden tot Mij te richten, want al deze activiteiten zijn zondermeer bedoeld om alle levende wezens te zegenen. Ik ben volkomen op de hoogte van de activiteiten van Hiranyakas'ipu en zal daar beslist spoedig een eind aan maken. Wacht tot die tijd alstublieft geduldig. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Als men zich keert tegen de goden, de Veda's, de koeien, de brahmanen, de heiligen, de regulerende beginselen en tegen Mij, zal men zeer spoedig het onderspit delven.

Wanneer iemand afgunstig is op de halfgoden, die de Allerhoogste Godspersoon vertegenwoordigen; op de Veda's, die alle kennis schenken; op de koeien, brâhmana's, vaishnava's en de religieuze principes; en uiteindelijk op Mij, de Allerhoogste Godspersoon, dan zal hij zonder verder uitstel vernietigd worden, tezamen met de beschaving die hij vertegenwoordigt. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Zo gauw hij gewelddadig optreedt jegens zijn vredelievende zoon die geen vijanden heeft, die grote ziel, Prahlâda, zal Ik hem ter dood brengen, welke zegeningen hij ook ontvangen moge hebben [zie ook 3.25: 21].'

Wanneer Hiranyakas'ipu zijn eigen zoon, de grote toegewijde Prahlâda, die vredig en serieus is en geen enkele vijand heeft, begint te kwellen, zal Ik hem onmiddellijk doden, ondanks de zegeningen van Brahmâ. (Vedabase)

 

Tekst 29:

S'rî Nârada zei: 'Aldus toegesproken door de geestelijk leraar van allen, gingen de goddelijken, Hem hun eerbetuigingen brengend, bevrijd van al hun angsten terug en beschouwden ze de asura zo goed als gedood [2.3: 10].

De grote wijze Nârada Muni vervolgde: Toen de Allerhoogste Godspersoon, de geestelijk leraar van iedereen, de halfgoden van de hemelse planeten op deze wijze gerustgesteld had, brachten ze Hem nederig hun eerbetuigingen en keerden weer naar huis terug in het volste vertrouwen dat de demon Hiranyakas'ipu nu zo goed als dood was. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Van hem, de Daityakoning waren er vier hoogst gekwalificeerde zoons van wie degene die de naam Prahlâda droeg de grootste was met al de kwaliteiten van een grote toegewijde [zie 5.18: 12].

Hiranyakas'ipu had vier buitengewone, hoogst begaafde zoons, van wie degene met de naam Prahlâda de beste was. Ja, Prahlâda was een oceaan van transcendentale eigenschappen omdat hij een zuivere toegewijde van de Allerhoogste Godspersoon was. (Vedabase)

 

Tekst 31-32:

Als een goede brahmaan met zijn zinnen en geest in bedwang had hij al het talent het Absolute van de Waarheid te doorgronden. Net als de Superziel was hij de meest geliefde, beste vriend van alle levende wezens, als een onbeduidend dienaar was hij altijd horig aan de voeten van de groten, gelijk een vader was hij de armen toegenegen, gelijk een broeder was hij voor zijns gelijken, vol van liefde was hij voor de geestelijk leraren die hij zo hooghield als de Allerhoogste Beheerser Zelve; hij was van scholing, zingeving, schoonheid, edelmoedigheid en volledig vrij van hoogmoed en aanmatiging [vergelijk B.G. 12: 13-19 en B.G. 18: 42].

[Nu volgt een beschrijving van de eigenschappen van Mahârâja Prahlâda, de zoon van Hiranyakas'ipu.] Met zijn buitengewoon goede karakter en zijn vastberadenheid om de Absolute Waarheid te leren kennen, bezat hij alle kwaliteiten van een bevoegde brâhmana. Hij was volkomen meester over zijn zinnen en geest. Net als de Superziel gedroeg hij zich vriendelijk tegenover elk levend wezen en was hij ieders beste vriend. Tegenover hoogstaande personen stelde hij zich op als een nederige dienaar, voor de armen was hij als een vader, aan zijn gelijken was hij gehecht als een medelevende broer en hij beschouwde zijn onderwijzers, geestelijke leraren en oudere godsbroeders als evenwaardig aan de Allerhoogste Godspersoon. Hij was volkomen vrij van de onnatuurlijke trots die het gevolg had kunnen zijn van zijn goede opvoeding, rijkdom, schoonheid, hoge afkomst enzovoort. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Hoewel geboren uit een asura had hij in gevaarlijke situaties steeds een onverstoord bewustzijn en was hij verstoken van enig verlangen met wat gehoord en gezien wordt [met de Vedische kennis]; zaken behorende tot de geaardheden der materiële natuur beschouwde hij als niet-essentieel en de zinnen en de levenskracht beheersend, had hij de lusten van zijn lichaam en geest steeds onder controle; hij was volledig vrij van de demonische aard.

Hoewel Prahlâda Mahârâja geboren was in een familie van asura's, was hijzelf geen asura maar een groot toegewijde van Heer Vishnu. In tegenstelling tot de Asura's was hij nooit jaloers op vaishnava's. Hij raakte nooit opgewonden als hij in gevaar kwam en was noch direct noch indirect geïnteresseerd in de baatzuchtige activiteiten die beschreven staan in de Veda's. Integendeel, hij beschouwde alle materiële zaken als zinloos en daardoor was hij volkomen vrij van materiële verlangens. Hij was altijd meester over zijn zinnen en levenslucht, en met zijn onwankelbare intelligentie en vastberadenheid overwon hij alle wellustige verlangens. (Vedabase)

 

Tekst 34:

De eigenschappen die hij heeft worden, net zoals die men aantreft in de Allerhoogste Heer onze Beheerser, door de gevorderden altijd verheerlijkt als zijnde de grootste, o Koning, en niet zozeer de kwaliteiten waar men heden ten dage zo over in de war is [in Kali-yuga].

O koning, Prahlâda Mahârâja's goede eigenschappen worden door geleerde heiligen en vaishnava's nog steeds geloofd. Zoals men altijd alle goede eigenschappen in de Allerhoogste Godspersoon kan ontdekken, zo bestaan ze ook eeuwig in Zijn toegewijde Prahlâda Mahârâja. (Vedabase)

 

Tekst 35:

In bijeenkomsten ter ere van de heiligheid zouden zelfs de goddelijken van vijandschap [jegens het asurische], o heerser der mensen, hem tot voorbeeld nemen; waarom dan niet u of anderen?

O koning Yudhishthhira, op elke bijeenkomst waar over heiligen en toegewijden gesproken wordt, zelfs bij de vijanden van de demonen, de halfgoden, om van u dus maar te zwijgen, wordt Prahlâda Mahârâja aangehaald als een voorbeeld van een groot toegewijde. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Het grootse van de talloze kwaliteiten van hem die bekend staat om zijn natuurlijke gehechtheid aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, gaat alle beschrijving te boven.

Wie zou de ontelbare transcendentale eigenschappen van Prahlâda Mahârâja allemaal kunnen opnoemen? Hij had een onwankelbaar geloof in Vâsudeva, Heer Krishna [de zoon van Vasudeva], en was Hem zuiver toegewijd. Zijn gehechtheid aan Heer Krishna was natuurlijk, want hij had vroeger toegewijde dienst gedaan. Hoewel zijn goede eigenschappen onmogelijk opgesomd kunnen worden, zijn ze het bewijs dat hij een grote ziel was [mahâtmâ]. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Als kleine jongen alle kinderspel opgegeven hebbend leek het of hij lusteloos was, zoals hij met zijn geest volledig verzonken was in de wereld van Krishna; geheel van die aantrekking zijnd had hij geen belangstelling voor wereldse zaken.

Al vanaf het vroegste begin van zijn jeugd toonde Prahlâda Mahârâja geen enkele belangstelling voor kinderspelletjes. Hij gaf ze zelfs allemaal op en was zwijgzaam en teruggetrokken omdat hij volledig opging in Krishna-bewustzijn. Omdat zijn geest altijd vervuld was van Krishna-bewustzijn, kon hij niet begrijpen hoe het komt dat de wereld maar blijft doordraaien, volledig opgaand in activiteiten voor zinsbevrediging. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Zoals hij neerzat en rondliep, at en rustte, dronk en sprak, drong, gekoesterd door Govinda, alles wat zich daarbuiten afspeelde niet tot hem door.

Prahlâda Mahârâja was voortdurend verzonken in gedachten aan Krishna. Omdat hij altijd omhelsd werd door de Heer, wist hij niet hoe zijn lichamelijke behoeften vervuld werden; zitten, lopen, eten, liggen, drinken en praten gingen voor hem allemaal automatisch. (Vedabase)

 

Tekst 39:

Soms huilde hij denkend aan Vaikunthha, soms lachte hij over de gekkigheid van het denken en bij tijden was hij blij met Hem in gedachten zeer luid aan het zingen.

Door zijn gevorderde staat in Krishna-bewustzijn moest hij soms huilen en dan weer lachen, en soms gaf hij uiting aan grote vreugde of begon hij luid te zingen. (Vedabase)

 

Tekst 40:

Soms riep hij het vol van bezorgdheid uit, dan weer danste hij zonder schaamte en soms, verloren in gedachten over Hem, deed hij Hem na in het idee Hem te zijn.

Soms, bij het zien van de Allerhoogste Godspersoon, begon Prahlâda Mahârâja luid te roepen, zo sterk was zijn verlangen. Soms was hij zo blij dat hij al zijn verlegenheid verloor en in extase begon te dansen, en dan weer, volledig opgaand in gedachten aan Krishna, voelde hij zich één met Hem en imiteerde het spel en vermaak van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Bij tijden met zijn haren overeind en met zijn half gesloten ogen gevuld met tranen, viel hij volledig stil, overmand door vreugde gevangen in Zijn liefdevolle associatie van bovenzinnelijke verrukking.

Soms, als hij de aanraking van de Heer Zijn lotushanden voelde, raakte hij in transcendentale verrukking en bleef doodstil zitten, terwijl zijn lichaamshaar uit liefde voor de Heer rechtovereind stond en de tranen uit zijn halfgesloten ogen stroomden. (Vedabase)

 

Tekst 42:

Hij, door zijn voortdurende dienst aan de lotusvoeten zoals verheerlijkt in de hymnen, verkreeg door het uitbouwen van zijn associatie in de bevrijde staat de hoogste extase, waarbij hij zonder ophouden vanuit de geestelijke ziel vrede schonk aan hen die het ontbrak aan geest en omgang.

Door zijn omgang met volmaakte, zuivere toegewijden die niets met materiële aangelegenheden te maken hadden, diende Prahlâda Mahârâja voortdurend de lotusvoeten van de Heer. Wanneer mensen met maar zeer weinig geestelijke kennis hem zagen als hij in volmaakte extase was, werden zij gezuiverd. Met andere woorden, de aanblik van Prahlâda Mahârâja vervulde ze van transcendentale gelukzaligheid. (Vedabase)

 

Tekst 43:

Jegens hem, die verheven en meest fortuinlijke ruimhartige toegewijde, o Koning, die zijn eigen zoon was, beging Hiranyakas'ipu de grootste zonde.'

Beste koning Yudhishthhira, de demon Hiranyakas'ipu martelde deze verheven, fortuinlijke toegewijde, hoewel Prahlâda zijn eigen zoon was. (Vedabase)

 

Tekst 44:

S'rî Yudhishthhira zei: 'O heilige van God die bij het beste zweert, we zouden graag het volgende van u willen weten: hoe kon de vader zijn eigen zoon, zo een heilige van zuiverheid en goedheid, het zo moeilijk maken?

Mahârâja Yudhishthhira zei: O beste der heiligen onder de halfgoden, o beste der geestelijke leiders, hoe kwam het toch dat Hiranyakas'ipu zoveel moeilijkheden veroorzaakte door de zuivere en verheven wijze Prahlâda Mahârâja, die toch zijn eigen zoon was? Ik wil u graag over dit onderwerp horen vertellen. (Vedabase)

 

Tekst 45:

Zoons die tegen de wil van hun vaders ingaan worden uit liefde terecht gewezen. Terwille van hun onderricht, kunnen ze toch niet als een vijand worden afgestraft, is het wel?

Een vader en moeder zijn hun kinderen altijd toegenegen. Als de kinderen ongehoorzaam zijn, straffen hun ouders hen, niet uit vijandschap maar alleen voor het kind zijn bestwil en om hem iets te leren. Hoe kwam het dat Hiranyakas'ipu, de vader van Prahlâda Mahârâja, zo'n edele zoon strafte? Dat zou ik graag willen weten. (Vedabase)

 

Tekst 46:

Alstublieft o brahmaan, verdrijf de twijfels die we hebben wat betreft deze vader die zo ongemeen op de dood af hatelijk was jegens zijn eigen zo gehoorzame zoon, een grote toegewijde van het soort dat zijn vader eert als zijn goeroe, o meester.'

Mahârâja Yudhishthhira vroeg verder nog: Hoe kon een vader zo gewelddadig optreden tegen een verheven zoon die zich gehoorzaam, welopgevoed en respectvol tegenover zijn vader gedroeg? O brâhmana, o meester, ik heb nog nooit zoiets tegenstrijdigs gehoord als een liefhebbende vader die zijn edele zoon straft met de bedoeling om hem te doden. Verdrijf alstublieft al mijn twijfels op dit punt. (Vedabase)

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties