Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 


S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2012

 


 

CANTO 4b

De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer


Inleiding

Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Prithu Mahârâja

Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâras

Hoofdstuk 23 Prithu Mahârâja Keert Terug naar Huis

Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva

Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana

Hoofdstuk 26 Koning Purañjana Gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

Hoofdstuk 27 Candavega Valt de Stad van Koning Purañjana Aan; het Karakter van Kâlakanyâ

Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven

Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

Hoofdstuk 30 De activiteiten van de Pracetâ's

Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis, de geschiedenis van de oorspronkelijke kenniscultuur van India. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Heer Krishna vormt een keerpunt in de geschiedenis tussen de oude Vedische cultuur en de 'moderne' politieke cultuur waarin het bestuur niet langer vanzelfsprekend onder leiding staat van de geestelijkheid.  Het boek vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârata oorlog te Kurukshetra toe. Daarin kwam de Vedische cultuur ten val om plaats te maken voor de verbokkelde godsdienstigheid die we nu Hindoeïsme noemen. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya, ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd (1486-1534), de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor de persoon van God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de
Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de vertaler dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis, welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed en becommentarieerd tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie van de verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting van de gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishavanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie
file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g.
Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (onze linkspagina).

Met liefde en toewijding,

Anand Aadhar Prabhu, Enschede,

Nederland, 17 april 2012.

 

Hoofdstuk 20: Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Prithu Mahârâja

(1) Maitreya zei: 'De Hoogste Persoonlijkheid, de Heer van Vaikunthha, tevreden over de offers gebracht voor Hem, de Heer Aller Offers, verscheen tezamen met de machtige Indra en sprak als de genieter van het offer tot koning Prithu. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze persoon [Heer Indra] die het honderdste paardoffer dat u bracht verstoorde, biedt u zijn excuses aan, u zou het hem moeten vergeven. (3) Welwillende zielen die bereid zijn zich in te zetten voor anderen in deze wereld, o god van de mensen, behoren tot de beste mensen. Ze zullen [vanuit de ziel handelend] andere levende wezens nooit kwaadgezind zijn. De ziel is immers niet het voertuig van de tijd, het lichaam. (4) Als mensen zoals u, die standvastig zijn in hun dienstverlening aan de ouderen [de traditie, de wijzen], verbijsterd raken door de uitwendige energie van God, is vermoeidheid het enige resultaat dat men boekt. (5) Daarom wordt hij die goed op de hoogte is en weet dat men dit lichaam te danken heeft aan zijn onwetendheid, verlangens en karma, er nimmer de slaaf van. (6) Met andere woorden, welke persoon met levenservaring zou nu onthecht zich de eigenaar noemen van de weelde, het huis en de kinderen die ontspruiten aan een dergelijk lichamelijk begrip? (7) Het ene, zuivere zelf dat verlicht is en vrij van materiële kenmerken, vormt het reservoir van alle goede eigenschappen, het is de  onverdeelde getuige die alles doordringt en ontstegen aan het lichaam en de geest losstaat van de materie. (8) Een ieder die aldus op de hoogte is van de ziel die zich in dit lichaam ophoudt is, ondanks dat hij zich bevindt in de materiële natuur, als persoon nimmer aangedaan door de basiskwaliteiten van de natuur. Zo iemand bevindt zich in Mij. (9) Hij die vrij van nevenmotieven, zijn plicht steeds nakomend, Mij aanbidt met geloof en toewijding zal, o Koning, ontdekken dat zijn geest stap voor stap de hoogste voldoening vindt. (10) Vrij van de geaardheden, de basiskwaliteiten, van de natuur en met een gelijke blik voor alles, zal hij die, innerlijk vrij van smetten is, in vrede verkeert, de evenwichtigheid van Mijn geest van emancipatie bereiken. (11) Welke persoon ook die deze onveranderlijke ziel kent als zijnde eenvoudigweg de onbekommerde toezichthouder over de fysieke elementen, de kennende en werkende zintuigen en het denken, zal al het geluk vinden. (12) Zij die met Mij zijn verbonden in vriendschap en verlichting zullen nimmer verstoord raken door het geluk of ongeluk dat ze zien in samenhang met de verschillende basiskwaliteiten en de voortdurende verandering van het materiële lichaam dat bestaat uit de fysieke elementen, de actieve zinnen, de motieven die hen beheersen en het denken. (13) Gelijkmoedig in geluk en ongeluk, gelijk naar allen die meer verheven zijn, lager zijn of zich daartussen bevinden en met de zinnen en het denken onder controle, wees zo, o held, samen met de door Mij geregelde anderen [de andere bestuurders] de beschermer van alle burgers. (14) In goedheid de bevolking besturend staat het voor een koning vast dat hij in zijn volgende leven een zesde van de resultaten van al de vrome daden tegemoet kan zien. Pakt hij het anders aan, enkel maar belastingen innend, dan zal hij het zonder dat zesde deel moeten stellen en te maken krijgen met de zonden van de burgers die hij niet beschermde. (15) Aldus de beschermer van de aarde zijnd als iemand wiens hoofddoel het is onthecht te zijn in navolging van de principes zoals bevestigd en doorgegeven door de meest vooraanstaande tweemaal geboren zielen, zal u zich in korte tijd geliefd zien bij de bevolking en zullen de zielen van perfectie u persoonlijk thuis komen opzoeken. (16) Omdat u Mij geheel voor zich gewonnen heeft door uw uitzonderlijke kwaliteiten*, kan u mij gerust om welke zegen vragen die u maar wenst, o belangrijkste onder de mensen. Men kan Mij zeker niet eenvoudig voor zich winnen door enkel maar offers te brengen, van verzaking te zijn of yoga te doen. Ik ben aanwezig in degene die evenwichtig van geest is.'

(17) Maitreya zei: 'De veroveraar van de wereld aldus geleid door de hoogste meester van allen, de Persoonlijkheid van Vishnu, boog zijn hoofd voor de instructies van de Heer. (18) Koning Indra beschaamd over zijn daden beroerde toen vol liefde de voeten van hem [Prithu] die vanzelfsprekend met een omhelzing zijn woede opgaf. (19) De Allerhoogste Heer, de Superziel, ontving vervolgens het eerbetoon met alles wat erbij hoort van Prithu wiens toewijding geleidelijk aan toenam nu hij zich tot de lotusvoeten had gewend. (20) Hoewel Hij klaar was om te vertrekken kon de Heer met de lotusogen, de begunstiger van alle toegewijden, vanwege zijn genegenheid opgehouden, er niet toe komen hem te verlaten. (21) Hij, de eerste van de koningen, kon met zijn ogen vol tranen voor de Heer staand met samengevouwen handen, Hem niet aankijken of ook maar iets uitbrengen. Zijn stem stokte in zijn keel en in zijn hart Hem omhelzend bleef hij daar in die positie. (22) Naar Hem kijkend met hongerige ogen, sprak hij tot de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God die, met Zijn hand rustend op de hoge schouder van Garuda, de vijand van de slangen, met Zijn lotusvoeten amper de grond beroerde.

(23) Prithu zei: 'O Almachtige, hoe kan een onderlegd man U, de meester van alle genade, nu om zegeningen vragen die er ook zijn voor al de belichaamde levende wezens die verbijsterd zijn door de geaardheden van de natuur, zelfs als ze in de hel verkeren? Ook vraag ik niet om Uw verlichting [om eenwording met U], o Allerhoogste. (24) Zelfs daar zie ik niet naar uit, o Meester, omdat ik het dan zonder de nectar zou moeten stellen die voortkomt uit de monden van de grote toegewijden aan Uw lotusvoeten. Gun me enkel een miljoen oren voor dat wat opwelt [aan verhalen over U die voortkomen] uit het diepst van hun hart. Laat dat mijn zegening zijn. (25) Die verzachtende bries van de nectargelijke [saffraan-]deeltjes van Uw Lotusvoeten, o Heer, U die wordt verheerlijkt in de geschriften zoals in mondelinge overlevering doorgegeven door de groten, herstelt van hen die van het pad van de toegewijde dienst afdwaalden, de herinnering aan de vergeten waarheid en maakt andere zegeningen overbodig. (26) Als iemand op de een of andere manier, al is het maar één enkele keer, in het gezelschap van hen die gevorderd zijn luistert naar de alleszins gunstige verheerlijking van U, o Vereerde, hoe kan iemand die Uw eigenschappen op prijs stelt, tenzij hij een beest is, dan ooit afzien van dat wat de Godin van het Geluk, in haar verlangen over U te vernemen, heeft aanvaard als zijnde Uw kwaliteit? (27) Daarom zal ik me bezighouden met de dienst aan U die de allesomvattende Allerhoogste, Oorspronkelijke Persoonlijkheid [Pûrushottama] en het reservoir van alle goede eigenschappen bent. Laat er met mij, die zo bezorgd als de godin met de lotus in haar hand, wedijvert in relatie tot de Meester, er tussen haar en mij geen strijd bestaan in de vastberaden gerichtheid van tewerk gaan in achting voor Uw voeten. (28) De moeder van het universum, o Heerser van de Kosmische Werkelijkheid, kan [jaloers] mijn verlangen om van haar bezigheid te zijn dwarsbomen. Maar wat kan zij nu uitrichten met U, die altijd een arme ziel gunstig gezind zijnd, als gevolg van Uw welwillendheid zelfs de meest onbetekenende dienstverlening als heel bijzonder beschouwt? (29) Heilige personen aanbidden daarom liever U die de misvattingen uitbant die worden teweeggebracht door de geaardheden van de natuur.  O Allerhoogste Heer, ik kan me geen ander doel [in het leven] van toegewijden voorstellen dan het zich herinneren van Uw lotusvoeten.  (30) Ik beschouw dat wat U tegen [mij] Uw toegewijde zei met de woorden 'maak je keuze', als een zinsbegoochelende, op de materiële wereld betrokken gunst. Hoe kan dat [goed uitpakken] als gewone mensen [als ik], die niet aan de leiband lopen van wat U zegt in de Vedische literatuur, zich er telkens weer toe voelen aangetrokken om over te gaan tot karmische handelingen? (31) O Heer, de mensen zijn verdeeld over Uw begoochelende energie, waardoor ze, zonder werkelijk te weten, verlangen naar alles behalve de ware zaak van de Ziel. Verleen ons alstUblieft dat wat naar Uw idee wenselijk is, zoals een vader dat voor het welzijn van zijn kind zou doen.'

(32) Maitreya zei: 'Aldus aanbeden door de oorspronkelijke koning zei Hij, de ziener van het ganse universum, tot hem: 'Mijn beste Koning, laat er uw toewijding voor Mij zijn. Door het geluk van het intelligent hebben gehandeld ter wille van Mij, zal u zeker Mijn begoochelende energie te boven komen die zo moeilijk los te laten is. (33) Doe daarom zonder nalatigheid wat Ik u heb gezegd te doen, o beschermer van de burgers, wie het ook is die handelt overeenkomstig wat Ik heb opgedragen, zal alle voorspoed ten deel vallen, ongeacht waar hij is.'

(34) Maitreya zei: 'Aldus blijk gevend van Zijn waardering voor de woorden van de wijze koning, besloot de zoon van Vena, de Onfeilbare, na hem afdoende gezegend te hebben en door hem aanbeden te zijn, te vertrekken. (35-36) Nadat ze [door de koning] met een op de Heer gerichte intelligentie, met gevouwen handen, beleefde woorden en kostbaarheden naar behoren waren gerespecteerd in de geest van de toegewijde dienst, verlieten al de volgelingen van de Heer van Vaikunthha die plek: de goddelijken, de wijzen, de voorvaderen, de kunstenaars, de vervolmaakte zielen, de hemelse zangers, de slangachtigen, de bovenmenselijke wezens, de nimfen, de aardse mensen, de vogels en al de andere levende wezens [vergelijk 3.10: 28-29]. (37) Met het in beslag hebben genomen van de geesten van de heilige koning en al zijn priesters keerde ook de beschermer van de levende schepping, de onfeilbare Allerhoogste Heer, terug naar Zijn verblijf. (38) De koning die de Allerhoogste Ziel zijn eerbetuigingen had geboden ontving [aldus] de openbaring van de Ongemanifesteerde, de God van de Goden, en ging toen terug naar huis.'

*: De zesentwintig kwaliteiten van de toegewijde zijn: (1) Aardig voor iedereen, (2) ruziet met niemand, (3) gefixeerd in de Absolute Waarheid, (4) gelijk naar iedereen, (5) foutloos, (6) liefdadig, (7) mild, (8) rein, (9) eenvoudig, (10) goedgunstig, (11) vreedzaam, (12) volledig gehecht aan Krishna, (13) kent geen materiële hunkering, (14) deemoedig, (15) standvastig, (16) zelfbeheerst, (17) eet niet meer dan nodig, (18) bij zinnen, (19) vol van respect, (20) bescheiden, (21) ernstig, (22) mededogend, (23) vriendelijk, (24) poëtisch, (25) deskundig, (26) stil.

 



Hoofdstuk 21: Het Onderricht van Prithu Mahârâja

(1) Maitreya zei [over koning Prithu die terugkeerde naar zijn hoofdstad]: 'Bij de gouden poorten en overal elders [in de stad] waren er versieringen van parels, bloemenkransen en stoffen en was er sterk geurende wierook. (2) De straten, de parken en de lanen, die waren besprenkeld met reukwater geparfumeerd met sandelhout en aguru [een geurig kruid], waren versierd met ongebroken rijst, bloemen, vruchten nog in hun schil, kostbare gesteenten, geroosterde granen en lampen. (3) Met alles schoongemaakt en volgehangen met slingers van verschillende boombladeren zoals verse mangobladeren en de bloemen en vruchten die neerhingen van staken van bananenbomen en betelnootbomen, zag het er allemaal heel fraai uit. (4) De burgers en vele stralende maagden versierd met rinkelende oorbellen kwamen hem ter verwelkoming tegemoet, uitgerust met lampen en talloze artikelen van aanbidding. (5) Hoewel de koning toen die zijn paleis binnenging werd vereerd met het geluid van paukengeroffel, schelphoorns en de Vedische gezangen van de priesters, vervulde hem dat niet met trots. (6) Met de grote eer om aldus van alle kanten te worden verheerlijkt en geprezen door de edelen en de gewone man, wenste hij ook hen al het beste. (7) Hij was van het begin af aan zo geweest: grootmoedig in al zijn handelingen en regelmatig grootse daden verrichtend. Hij was uitgegroeid tot de grootste van de groten en aldus heersend met het succes van een vermaardheid die zich had verspreid over de ganse aarde, was hij [uiteindelijk] opgeklommen tot het Allerhoogste van de lotusvoeten.' "

(8)
Sûta zei: "O grootste van de toegewijden, o leider van de wijzen [S'aunaka], nadat Maitreya zo treffend had uitgeweid over de hoge roem van die ideale koning die zo geschikt was vanwege zijn talrijke kwaliteiten, betoonde Vidura zijn grote respect en richtte hij zich tot hem. (9) Vidura zei: 'Toen hij, Prithu, op de troon was gezet door de groten van de geleerdheid, verwierf hij de ondersteuning van de verlichte gemeenschap en kon hij zijn heerschappij uitbouwen bij de genade van Vishnu tot de kracht van een wet waarmee hij erin slaagde de aarde open te breken [en te exploiteren]. (10) Wie zou nu niet graag vernemen over zijn heerlijkheden, over zijn intelligentie en zijn ridderlijkheid, naar het voorbeeld waarvan zo vele koningen en hun lokale autoriteiten tot op de dag van vandaag tewerk gaan met het vergaren van wat ze maar wensen voor hun levensonderhoud. Alstublieft, vertel me [meer] over die goede daden.'

(11)
Maitreya vervolgde: 'Wonend in de landstreek tussen de Ganges en de Yamunâ, putte hij die ertoe was voorbestemd te genieten van het geluk van zijn goede daden zijn verdienste uit. (12) Met uitzondering van de brahmaanse cultuur en de zielen die in opeenvolging de Onfeilbare waren toegewijd [de Vaishnava's], was een ieder in de zeven continenten onderworpen aan het onherroepelijk gezag van hem als de ene leider die de scepter zwaaide. (13) En zo legde hij op een dag een eed af om met een grote offerplechtigheid te beginnen en daartoe vond er een grote bijeenkomst plaats van de gezagsdragers van God: de brahmaanse wijzen, de wijze koningen en de grootsten onder de toegewijden. (14) Bij die gelegenheid bood hij al de respectabele lieden zijn eerbetuigingen die het verdienden overeenkomstig de posities die ze bekleedden, in hun midden staand als de maan temidden van de sterren. (15-16) Hij was een rijzige man, goed gebouwd met sterke armen en een lotusgelijke blanke huid, ogen helder als een zonsopkomst, een rechte neus en een prachtig gezicht met een ernstige uitdrukking, hoekige schouders en tanden die blonken bij zijn glimlach. Hij had een brede borst, een stevig middel met prachtige huidplooien in zijn buik gelijk het blad van een bananenboom, een diepe navel, dijen met een gouden glans en een hoge wreef. (17) Met fijn, krullend, glanzend zwart haar op zijn hoofd en een nek als een schelphoorn, was hij gekleed in een zeer kostbare dhotî met over zijn bovenlichaam een omslagdoek die hij droeg als een heilige draad. (18) Met al de schoonheid van zijn voorkomen was hij de aangewezen persoon om, overeenkomstig de reglementen, zijn kleding op te geven. Fraai gestoken in een zwart hertenvel en met een ring van kus'agras om zijn vinger, ging hij toen tewerk zoals dat vereist was. (19) Met glinsterende ogen vochtig als de dauw, overzag hij allen om zich heen en begon toen, met het doel de vergadering te behagen, de volgende verheffende toespraak. (20) Dat wat hij hen toen in herinnering bracht was van een groot gewicht, een enorme schoonheid en werd bloemrijk, kristalhelder en zonder de geringste twijfel uitgesproken voor het welzijn van allen.

(21)
De koning zei: 'Luister goed, o grote zielen hier aanwezig, naar hoe een man van onderzoek als ik zich verplicht voelt de conclusies aan u, o edelen, voor te leggen wat betreft de beginselen van het dharma. (22) Ik, die als de koning van alle burgers de scepter draag, ben bij deze wereld betrokken als de beschermer en werkgever van een ieder zoals die werd geboren in de context van zijn eigen [Vedisch] vastgelegde, afzonderlijke maatschappelijke groepering. (23) Door van Hem, de Ziener van ieders lotsbestemming, dat ten uitvoer te brengen waar de deskundigen in de Vedische kennis van spreken, verwacht ik tegemoet te kunnen komen aan al de doelen zoals die door een ieder, waar dan ook, worden nagestreefd. (24) Wie het ook is die als een koning belastingen van zijn burgers int zonder hen te herinneren aan hun afzonderlijke [varnâs'rama] verplichtingen van leeftijd en beroep, zal overeenkomstig de ondeugd van zijn burgers, zelf ook moeten afzien van het genot van zijn fortuin. (25) Daarom, mijn beste onderdanen, lijdt het geen twijfel dat alles wat u zonder te morren doet vanuit uw ware eigenbelang [volgens het varnâs'rama-systeem] met Hem in gedachten die Zich bevindt voorbij de zinnen, een grote gunst jegens mij vormt. Dient u Zijn belang, dan bent u mij, uw beschermer, van dienst. (26) U allen hier aanwezig als mensen trouw aan de voorvaderen, de goden, de wijzen en de zondelozen, neemt u dit alstublieft ter harte: in het hiernamaals wordt het resultaat van handelen gedeeld door degene die handelde, degene die er opdracht toe gaf en hij die ondersteuning verleende. (27) O respectabele zielen, in deze materiële wereld moet er wel iemand als Hij bestaan die men [in de geschriften] soms de Heer van de Offers noemt. Waarom anders ziet men in deze wereld en in de wereld hierna belichamingen van [grote] macht en schoonheid? (28-29) Manu, Uttânapâda [Dhruva's vader], Dhruva, en zonder twijfel de grote koning Priyavrata en mijn grootvader Anga, deze grote en heilige persoonlijkheden, alsook anderen die van de Ongeboren Ziel zijn zoals Prahlâda en Bali Mahârâja, vormen bewijs voor het bestaan van Hem met de Strijdknots in Zijn Handen. (30) Behalve dan bij afstammelingen als mijn vader die, zich abominabel gedragend als de dood in eigen persoon, het spoor bijster was op het pad van de religie, schrijft men zo goed als altijd het opstijgen naar hogere werelden en een hogere klasse toe aan het [in dharmisch handelen] bevrijd zijn van materiële motieven ter wille van de Ene Allerhoogste Ziel. (31) Met de zin dienst te verlenen aan de lotusvoeten vernietigen boetvaardige personen terstond het vuil van de geest dat werd vergaard in talloze geboorten. Net zoals het [Ganges]water dat ontspringt aan Zijn tenen alle vuil wegwast, zien zij dag na dag hun zuiverheid toenemen. (32) Door het met name telkens weer opnieuw verzamelen van kracht in het op, systematische wetenschappelijke wijze, toevlucht zoeken bij Zijn lotusvoeten, zal een persoon, die genoeg heeft van het eindeloze gepieker, zich zuiveren en niet nogmaals zich overgeven aan een materieel gemotiveerd bestaan vol van hindernissen.  (33) Wees, o burgers, om tevreden te zijn, er zeker van toegewijd te zijn aan Zijn lotusvoeten overeenkomstig uw eigen plichtsopvatting. Wees Hem dienstbaar in uw gedachten, uw woorden en in lichamelijk opzicht, naar gelang de bijzondere kwaliteiten van uw eigen soort van arbeid en beantwoordt met een open geest en in het volle van uw overtuiging aan al wat wenselijk is, voorzover dat in uw vermogen ligt. (34) Hij die in deze wereld aanwezig is met Zijn verschillende kwaliteiten en bovenzinnelijkheid wordt aanbeden met verschillende soorten van offers. In die offers, gebracht met materiële hulpmiddelen en het praktiseren van mantra's, staan dan Zijn gedaanten en namen, als een condensatie van Zijn aard, ten doel van de wetenschap van het vrij zijn van smetten. (35) Net zoals vuur zich vertoont naar gelang de vorm en kwaliteit van het hout, manifesteert de Almachtige zich ook door handelingen en in een bewustzijn die het resultaat zijn van een zekere combinatie van de primaire ongemanifesteerde natuur [zie ook 3.26: 10], de tijd, de geestelijke instelling en het plichtsbesef. (36) O u allen, door met een vaste overtuiging onophoudelijk op deze aardbol de Allerhoogste Heer, de genieter van het offer en de geestelijk leraar, te aanbidden middels uw beroepsmatige verplichtingen, deelt u met mij uw genade. (37) Zij die vermogend zijn [de bestuurders] behoren nimmer macht uit te oefenen over de gezegende zielen die de Onoverwinnelijke [Vishnu] toegewijd zijn, noch over hen die tolerantie beoefenen, die boete doen en [spiritueel] ontwikkeld zijn, want zij vormen persoonlijk de heersende klasse van de tweemaal geboren zielen [de brahmanen] in de samenleving. (38) De Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de oudste en eeuwige Heer en godheid van de brahmaanse cultuur, verwierf de weelde van Zijn eeuwige, het ganse universum zuiverende, roem als de grote verheven leider, door respect te oefenen voor hun lotusvoeten. (39) Door hen te dienen stelt men de onbegrensde, onafhankelijke Heer van alle verlangens die Zich ophoudt in ieders hart, tevreden. Daarom zijn zij die bescheiden volgen in Zijn voetstappen altijd de klasse van de brahmanen in ieder opzicht van dienst. (40) Iemand bereikt automatisch direct de grootste vrede en de tevredenheid van zijn ziel als hij zich regelmatig met hen in verbinding stelt door dienst te leveren, want wie vormt er nu een betere mond en hand voor de ghee die wordt geofferd? (41) Ananta, de Heer van het Slangenbed, is nimmer zo tevreden om te eten van offers in het vuur, dat [op zich] verstoken is van bewustzijn, als Hij is met die offers die met geloof en het vereren van namen temidden van toegewijden worden gebracht in de monden van de kenners van het Absolute. (42) Alles wat met geloof, verzaking, goedgunstige handelingen, stilte, een verzonken geest en zinsbeheersing wordt uitgedragen door de constante, zuivere en oorspronkelijke brahmaanse cultuur, is er om de ware betekenis en bedoeling te laten zien van de Vedische visie, waarin deze wereld zo helder wordt weergegeven als in een spiegel. (43) O mensen van cultuur, ik zal het stof van de lotusvoeten van hen allen op mijn helm houden tot aan het eind van mijn leven. Een ieder die steeds op die manier tewerk gaat zal zeer spoedig al zijn zonde overwinnen en gezegend worden met alle kwaliteiten. (44) Hij wiens weelde bestaat uit goed gedrag en dankbaarheid, hij die zijn toevlucht zoekt bij de geleerden en al de goede kwaliteiten verwierf, zal het geluk van God verwerven. Moge de Handhaver van de drie werelden alsook Zijn toegewijden tevreden zijn over de klasse van de brahmanen, over de koeien en over mij.'

(45)
Maitreya zei: 'De koning zich aldus uitlatend werd gefeliciteerd door al de deugdzame zielen aanwezig: de ouderen, de goddelijken en tweemaal geborenen die geestelijk voldaan en verheugd 'sâdhu, sâdhu!' uitriepen ['goed gesproken, goed gedaan!' Ze zeiden]: (46) 'De Vedische lering die stelt dat men de overwinning in al de werelden behaalt via zijn zoon wordt bewaarheid nu dat hij [Prithu] zijn hoogst zondige vader Vena op grootse wijze heeft gered uit de duisternis [waarin hij belandde], nadat hij, vervloekt door de brahmanen, zijn leven verloor. (47) Ook Hiranyakas'ipu die, vanwege het herhaaldelijk beledigen van de Allerhoogste Heer, in het diepste duister belandde, raakte bevrijd door wat zijn zoon Prahlâda deed. (48) Beste van de strijders, beste vader van de aarde wiens overgave aan de Onfeilbare, de ene handhaver van al de werelden, zo voorbeeldig is, moge u eeuwig leven. (49) Vandaag, o Hoogste van de Zuiverheid, verkeren we dankzij u onder het gezag van de Heer van de Bevrijding, Mukunda, van Hem, Vishnu, die optredend in de verhalen van de geschriften wordt verheerlijkt als de aanbiddelijke Heer van de brahmanen. (50) Het is niets bijzonders, o heer, om de kost te verdienen met het heersen over burgers. Wat zo groots is, is de aard van uw genegenheid en genade voor alle levende wezens. (51) Vandaag hebben wij, die vanwege onze daden in het verleden hun levensdoel uit het oog verloren en door het lot bepaald ronddolen, dankzij u kennis gemaakt met de andere kant van het duistere materiële bestaan. (52) Alle eer aan u die we vereren als een persoonlijkheid bewogen door de kwaliteit van de goedheid, als iemand die op eigen kracht de brahmaanse cultuur inspireert en de [eer van de] bestuurlijke klasse handhaaft.'

 



Hoofdstuk 22: Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâra's

(1) Maitreya zei: 'Toen de burgerij aldus tot de hoge en machtige koning Prithu aan het bidden was, arriveerden er vier wijzen zo helder als de zon. (2) De koning en zijn gezelschap konden de meesters van de volmaaktheid in de yoga, die nederdaalden uit het etherische bereik, herkennen aan hun heldere uitstraling die van een alomvattende zondeloosheid was[: ze waren de vier Kumâra's]. (3) Toen ze het zo hevig verlangde leven van een vreedzame gedragswijze voor zich zagen, sprongen koning Prithu en zijn volgelingen overeind alsof ze mensen waren wiens zinnen worden beheerst door de geaardheden van de natuur. (4) Nadat ze [dat eerbetoon] in ontvangst hadden genomen en waren gaan zitten, boog de koning, nederig tegenover de hoge beschaving van hun volle glorie, zich voorover en bewees hij hun de eer met alles wat erbij hoort, zoals dat is voorgeschreven. (5) Het water van het voeten wassen sprenkelde hij op zijn haardos en aldus gedroeg hij zich zoals men dat van een respectvol man mag verwachten. (6) Gezeten op de gouden troon leken de gebroeders die ouder waren dan S'iva [zie 3.12: 4-7] op het vuur op een altaar. Blij met hen,  richtte hij zich ingetogen en vol respect tot hen. (7) Prithu zei: 'Waaraan hebben we de genade te danken van uw aandacht, van het geluk in eigen persoon? Het is een ontmoeting die zelfs voor de grootste yogi's moeilijk te bereiken is. (8) Degene met wie de geleerden [de brahmanen en de Vaishnava's] ingenomen zijn kan alles bereiken wat moeilijk te bereiken is in deze wereld of in de wereld hierna, met inbegrip van de [de gunst van de] in ieder opzicht genadevolle Heer S'iva en Heer Vishnu die hen bijstaan. (9) Hoewel u rondreist door al de werelden, kunnen de mensen u niet waarnemen, net zo min als zij die aan de schepping ten grondslag liggen [S'iva en Brahmâ, vergelijk 1.1: 1] de Alwetende getuige kunnen zien die zich in een ieder ophoudt. (10) Ondanks dat ze niet zo rijk zijn, kunnen die huishouders de glorie van hoogst achtenswaardige heiligen [als u] genieten, die, met hun huis, water, een plek om te zitten, dienaren, land en de heer des huizes zelf te bieden hebben. (11) Maar, die woningen, die met een overdaad aan weelde, niet [gezegend] zijn met het water dat wegspoelde van de voeten van de grote heiligen, zijn niet meer dan een boom vol giftige slangen. (12) Ik heet u welkom, o besten van de tweemaal geboren zielen, u die zich rondbewegend als kinderen en, door geloften beheerst, met een groot geloof gemotiveerd bent voor de bevrijding. (13) O meesters, kunnen personen die, beland in dit materiële bestaan, zijn getroffen door de ziekte te leven naar het dictaat van hun zinnen, op eigen gelegenheid ook maar iets van ons [soort] geluk vinden? (14) Het is niet nodig om u te vragen naar uw welzijn, aangezien uw geesten, o verheven zielen, niet in beslag worden genomen door zaken van voor- of tegenspoed. (15) Daarom ben ik ervan overtuigd dat u voor ons, die lijden onder de smarten van een materieel bestaan, de vriend bent om te vragen hoe we in deze wereld snel verlossing kunnen vinden. (16) Zich manifesterend als het hoogste levensdoel van de transcendentalisten, beweegt de Opperheer, de Ongeborene, zich in de gedaante van vervolmaakte zielen als jullie rond over deze aarde om Zijn toegewijden Zijn genade te tonen.'

(17)
Maitreya zei: 'Na die zo hoogst betekenisvolle, toepasselijke, bondige en innemende slotsom van Prithu te hebben aangehoord, gaf de Kumâra voldaan met een glimlach als volgt antwoord. (18) Sanat-kumâra zei: 'Wat een goede vraag is dat van u, mijn beste Koning, o u die alle levende wezens het beste wenst. Goed onderlegd als u bent stelt u niettemin de vraag. [Dat pleit voor u] als iemand wiens intelligentie wortelt in de geest van de heiligen. (19) Een gezelschap van toegewijden waarin gediscussieerd wordt, vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven, wordt op prijs gesteld door de beide partijen [van sprekers en luisteraars] en waar geluk voor allen is wat er uit voort zal vloeien. (20) O Koning, kennelijk bent u gehecht aan de georganiseerde waardering voor de kwaliteiten van de Heer Zijn lotusvoeten. Zo moeilijk als dat is, bevrijdt het, gegeven een standvastige praktijk, de inwonende ziel van het vuil van de lustgevoelens. (21) In de geschriften geldt dat alleen de afwezigheid van gehechtheid aan andere zaken dan de ziel, in combinatie met een intense gehechtheid aan het Ware Zelf dat verheven is boven de geaardheden, de volmaakte overtuiging voor de bevrijding van de mens vormt. (22) Dat [realiseert men] door als een plichtsgetrouwe toegewijde met geloof en toewijding middels besprekingen en navraag doen, spiritueel verenigd te zijn in zijn overtuiging en met respect voor de Heer van de Yoga regelmatig bijeen te komen en te luisteren naar de verhalen van de godvruchtigen. (23) Terughoudend wat betreft het gezelschap van hen wiens hart uitgaat naar geld, zinsbevrediging en het vergaren van goederen, bevrijdt men zich van de bijsmaak van het geluk van het zelf dat het moet stellen zonder het drinken van de nectar van de kwaliteiten van de Heer. (24) Met geweldloosheid [als een vegetariër] volgend in de voetsporen van de leraren van het voorbeeld, door zich de Heer van de Bevrijding te herinneren, door te getuigen van Zijn handelingen, door de nectar van het volgen van de yogaprincipes zonder een materieel motief [yama] en door het praktisch uitvoeren van de voorschriften [van niyama] zal men, als men zo zonder overtredingen is, een eenvoudig leven leiden en de materiële tegenstellingen kunnen verdragen. (25) Met steeds een oor naar de besprekingen met betrekking tot de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer kan het zo zijn dat men, groeiend in zijn toewijding en bewustzijn, zonder smetten aanwezig is in de wereld die haaks staat op een spirituele vorm van begrip, want als men dat soort van luisteren heeft gerealiseerd is het makkelijk om zich te hechten aan de Geest van de Transcendentie. (26) Als de persoon met achting voor de leraar van het voorbeeld is gefixeerd in zijn gehechtheid aan het Allerhoogste Spirituele, zal door de kracht van de onthechting en de spirituele kennis de krachteloosheid van het hart [gekenmerkt door de vijf kles'a's of hindernissen: onwetendheid, egoïsme, gehechtheid, afkeer, angst voor de dood] dat zich bevindt in het omhulsel van de individuele ziel dat bestaat uit de vijf elementen, worden verbrand zoals brandstof door vuur wordt verteerd. (27) Nadat men met dat opbranden van de innerlijke zwakheid bevrijd is van [de dominantie van] al de ermee samenhangende materiële kwaliteiten, bestaat er niet langer een verschil, zoals dat voorheen het geval was, tussen het vanbinnen bezig zijn met de Superziel en het vanbuiten bezig zijn met het zelf. Voor zo iemand is aan dat verschil een einde gekomen zoals een droom ophoudt als men wakker wordt. (28) De persoon ziet, van zichzelf, zowel de voorwerpen van zijn zintuigen als zijn transcendentie [als getuige]. In die positie kent hij verlangens en benamingen, maar zonder die twee [innerlijk niet verdeeld] is dat niet het geval. (29) De enige reden dat men verschillen waarneemt tussen zichzelf en andere zaken [of personen], is dat er overal verschillende oorzaken werkzaam zijn [voor iedere positie], net zoals dat is als men een weerspiegeling in water heeft die verschilt van die in een ander medium [als een spiegel]. (30) Omdat de piekerende geest vanwege de zinneprikkelingen door de zinsobjecten in beroering is, gaat het [zuivere] bewustzijn [van de intelligentie] makkelijk verloren, zoals een meertje overwoekert kan raken door waterplanten. (31) Kenners van de ziel stellen dat, in de destructieve verstikking [of overwoekering] van je geheugen, de constante aandacht van je bewustzijn teniet wordt gedaan en dat de ziel, verstoken van ware kennis, aldus ontaardt [zie B.G. 2: 62-63]. (32) Er bestaat in deze wereld niets ergers dan de obstructie van het belang van de Universele Ziel, een proces waarin andere zaken zoveel interessanter lijken dan de verwerkelijking van het eigen ware zelf dat men ermee hindert. (33) Als men voortdurend denkt in het belang van rijkdom en zinsgenoegens, vernietigt men al de [vier] deugden van de menselijke samenleving [de purushârtha's]. Om die reden verstoken van kennis en toegewijde dienst, verzandt men dan in de traagheid [de onwetendheid] van de materie. (34) Zij die snel die oceaan [van onwetendheid] willen oversteken, moeten nimmer vasthouden aan de traagheid van de materie, want dat vormt het grote struikelblok voor de deugden van de religiositeit, de economische ontwikkeling, de regulatie van de zinsgenoegens en de bevrijding [dharma, artha, kâma, moksha]. (35) In dit verband is het de bevrijding die naar voren treedt als de belangrijkste deugd, aangezien men, bezig in het belang van de andere drie wegen, zich regelmatig gevangen ziet in de eindigheid van dingen en in angst. (36) Met het volgen van deze [drie] noties van een hoger en lager leven, kan je nooit enige zekerheid krijgen, aangezien ze, afhankelijk van de wisselwerking van de materiële geaardheden, allen bij de beschikking van de Heer [van de Tijd] hun vernietiging vinden. (37) O beste van de koningen, wees daarom, net zoals ik, doordrongen van Hem, de Allerhoogste Heer die overal Zichzelf manifesteert door zich binnenin het hart op te werpen als de Heer van het Veld. Daarin stralend tot in ieder haarzakje, is Hij er om de zelfrealisatie te overwegen, voor al de bewegende en niet bewegende levende wezens die overdekt zijn door een lichaam begiftigd met zintuigen en een levensadem. (38) Geef u over aan Hem, de grondoorzaak die zich binnenin het onware manifesteert als de waarheid. Met die welbewuste overweging raakt men bevrijd van de illusies van een intelligentie die zich afvraagt of men te maken heeft met een slang of met een stuk touw. Zo bevindt men zich dan in de eeuwige bevrijding van de onbezoedelde, zuivere waarheid, de waarheid van de oorspronkelijke natuur die verheven is boven al de onzuiverheden van uw karmisch [vruchtdragend] handelen. (39) Wees jegens Hem, Vâsudeva, van toewijding. Net als de toegewijden die Hem, degene wiens lotustenen vreugde verschaffen, geschikt achten om hun toevlucht te zoeken. Door toegewijde dienst vernietigt men de harde knoop van het karmisch verlangen, maar dat geldt niet voor hen die dat respect niet opbrengen, hoe hard ze ook proberen de golven van zingenot te stuiten. (40) Groot is de last die niet-toegewijden in deze materiële oceaan moeten dragen met de haaien van de zes zintuigen. Ongelukkig is het heel moeilijk die oceaan vol tegenslagen, dat gevaar van een afgescheiden bestaan, over te steken en daarom zou u de aanbiddelijke lotusvoeten van de Allerhoogste Heer tot uw boot moeten maken.'

(41)
Maitreya zei: 'Aldus volledig op de hoogte gesteld van wat geestelijke vooruitgang allemaal inhoudt door de zoon van Brahmâ, de Kumâra die zo goed thuis was in de geestelijke kennis, prees de koning hem en richtte hij zich tot hem. (42) De koning zei: 'U allen, o brahmanen, o machtigen, bent naar hier gekomen ter bevestiging van wat beloofd werd door Hem [in 4.20: 15], de Heer die uit Zijn grondeloze genade zo mededogend is voor hen die in nood verkeren. (43) Met jullie die, zo compleet genadig als de Heer zelf, doen wat men kan verwachten van Zijn vertegenwoordigers, is alles wat ik te bieden heb, de resten van het voedsel geofferd aan de heiligen! Wat moet ik u van mijn kant geven? (44) Mijn leven, echtgenote en kinderen, o brahmanen, mijn woning met alles wat erbij hoort, mijn koninkrijk, macht, land en schatten, biedt ik u daarom allemaal aan. (45) De post als opperbevelhebber en heerser over het koninkrijk, de scepter van gezag en de volledige heerschappij over de planeet is zonder twijfel enkel weggelegd voor hen die bekend zijn met de strekking van de Veda's. (46) Een brahmaan geniet zijn eigen [soort] eten, draagt zijn eigen [soort] kleding en geeft wat hij heeft [ - zijn kennis - ] in liefdadigheid. Het is bij zijn genade dat de kshatriya's [de heersers] en de andere afdelingen van de samenleving hun voedsel eten. (47) U hebt, vanuit uw soort van spiritueel begrip van vooruitgang met de Fortuinlijke, de kennis overgedragen van de Vedische kenners van een volkomen inzicht. Moge u immer tevreden zijn met wat u doet in uw genade! Wat kan men daar nu anders voor terugdoen dan u met samengevouwen handen water aan te bieden?'

(48)
Maitreya zei: 'Nadat de meesters van de zelfverwerkelijking waren aanbeden door de oorspronkelijke koning, prezen ze zijn karakter en verdwenen ze in de hemel, voor ogen van al de mensen. (49) De zoon van Vena, de eerste onder de grote persoonlijkheden die, overeenkomstig de leringen verzonken, tot  zelfverwerkelijking was gekomen, beschouwde zichzelf als iemand die had bereikt wat hij wilde. (50) In zijn handelingen ter wille van de Absolute Waarheid ging hij zo goed als mogelijk was tewerk en voor zover zijn middelen het toestonden, overeenkomstig de tijd, de omstandigheid en zijn capaciteiten. (51) Zich geheel wijdend aan de Allerhoogste Geest dacht hij, vrij van gehechtheden in zijn verzaking, steeds aan de opzichter van alle handelingen, de Superziel transcendentaal aan de materiële natuur. (52) Hoewel hij thuis leefde, voelde hij zich nooit aangetrokken tot al de weelde van zijn grote koninkrijk, noch raakte hij in de ban van zinnelijk genot, net als de zon [die ook niet reageert op wat hij belicht]. (53) Steeds spiritueel handelend vanwege zijn yoga, verwekte hij vijf zonen bij zijn echtgenote Arci die geheel aan zijn verwachtingen beantwoordden. (54) Ze heetten Vijitâs'va, Dhûmrakes'a, Haryaksha, Dravina en Vrika. Met hen slaagde Prithu erin om al de kwaliteiten te omvatten van alle lokale autoriteiten. (55) In zijn persoonlijke overgave aan de Onfeilbare behaagde hij in zijn tijd, voor het behoud van de geschapen wereld, de burgerij met de kwaliteiten van zijn vriendelijke woorden en welgezinde handelingen. (56) De koning raakte aldus bekend onder de naam Koning van de Maan, terwijl hij anderzijds er was als de God van de Zon in zijn verdelen en innen van, en heersen over, de rijkdommen van de wereld. (57) In zijn machtsuitoefening was hij zo onoverwinnelijk als het vuur, hij was zo onovertroffen als de Koning van de Hemel, zo tolerant als de aarde zelf en gelijk de hemel in het vervullen van alle wensen in de menselijke samenleving. (58) Hij was het gewoon te behagen met een overvloed gelijk aan de regen die er is zoveel men maar wenst, hij was zo ondoorgrondelijk als de zee en hij nam zijn positie in gelijk de Koning van de Heuvels [de berg Meru]. (59) In zijn onderricht was hij als de Koning van de Gerechtigheid [Yamarâja], hij was als de Himalaya's in zijn weelde [vanwege de mineralen en edelstenen], hij was gelijk Kuvera in het behouden van de welvaart en gelijk Varuna [de heerser van de wateren] in zijn geheimhouding. (60) Hij was zo allesdoordringend als de lucht [de wind] wat betreft zijn kracht, moed en macht, en hij was zo onverbiddelijk als de allermachtigste halfgod Rudra [de Heer van de Geesten, S'iva]. (61) Hij was van een schoonheid als die van Cupido, zijn oplettendheid was als die van een leeuw, de koning van de dieren, qua zorgzaamheid was hij gelijk Svâyambhuva Manu en wat betreft het heersen over het volk evenaarde hij de Ongeboren Heer, Brahmâ. (62) Hij had een begrip voor spirituele zaken als Brihaspati, in zijn persoonlijke zelfbeheersing was hij gelijk de Hoogste Persoonlijkheid, in zijn toewijding voor de koeien, de geestelijk leraar en de brahmanen was hij als de Vaishnava's, de volgelingen van Vishnu, in zijn verlegenheid was hij de vriendelijkste en in filantropische aangelegenheden was hij zo [goed] als hij voor zichzelf was. (63) In al de drie werelden verkondigde het volk luidkeels - en zeker kwam dat alle waarheidlievenden alsook de vrouwen van overal ter ore - dat zijn naam en faam zo groot was als de glorie van Râmacandra [de Vishnu-avatâra].'



Hoofdstuk 23: Prithu Mahârâja Keert Terug naar Huis

(1-3) Maitreya zei: 'Koning Prithu, die bekend was met alles van de ziel, had als de beschermer van de mensen eindeloos alles bevorderd wat hij tot stand had gebracht, maar op een dag zag hij dat hij in fysiek opzicht oud werd. Geheel in overeenstemming met de instructies van de Allerhoogste Heer had hij in deze wereld, zich houdend aan het dharma van toegewijden, voorzien in het levensonderhoud van al de bewegende en niet-bewegende levende wezens. Hij liet de aarde aan zijn zoons over en met spijt jegens zijn bedroefde burgers, ging hij, alleen samen met zijn vrouw, het bos in ter wille van zijn verzaking. (4) Zo goed van begrip als hij voorheen was geweest toen hij de aarde veroverde, zag hij daar [in die teruggetrokken positie] volmaakt in dat hij, overeenkomstig de regels en voorschriften van een teruggetrokken bestaan, ernst moest maken met een leven van gestrenge verzaking. (5) In het begin at hij zo nu en dan knollen, wortels, vruchten en dorre bladeren, daarna dronk hij een aantal [halve] maanden lang water en tenslotte ademde hij enkel nog lucht. (6) Zoals de grote wijzen dat doen verdroeg de held 's zomers de vijfvoudige hitte [van de zon aan de hemel en van vier vuren in iedere windrichting], in de herfst de stortvloed van regens, in de winter het tot zijn nek ondergedompeld zijn en sliep hij [het hele jaar door] op de kale grond. (7) Eenvoudig naar Heer Krishna verlangend verdroeg hij het om zonder woorden en zinnelijkheid te leven, niet zijn zaad te lozen en niet vrijuit te ademen, en daarmee hield hij van alle mogelijke praktijken er de beste verzaking op na. (8) Zonder onderbreking vasthoudend aan de Perfectie [van Krishna], ontdeed hij zich aldus geleidelijk van al het vuil en de verlangens van zijn werklast, zijn karma, en brak hij, terwijl hij met zijn adembeheersing volledig zijn denken en zinnen stillegde, met alles wat hem bond. (9) [Aldus was hij,] de beste van alle levende wezens, van aanbidding voor de Hoogste Persoonlijkheid met de yoga waarover de fortuinlijke Sanat-kumâra had gesproken met betrekking tot het uiteindelijke doel van het zich verhouden tot de ziel. (10) Met hem als een toegewijde ondernemend op het pad van toegewijde dienst aan de Fortuinlijke, werd de Heer die [de oorsprong van] de Geest van het Absolute is, zijn exclusieve voorwerp van aanbidding. (11)  Hij, die volmaakt oplettend was in de voortdurende heugenis van een zuiver transcendentale geest, bereikte middels deze devotionele activiteiten gewijd aan de Allerhoogste Heer, de perfectie van de wijsheid. Niet gehecht aan wat men ook zijn bezit zou kunnen noemen, raakte hij aldus bevrijd van twijfel en de materiële levensopvatting die de ziel verhult. (12) Zonder verlangens en vast overtuigd van het uiteindelijke doel van de ziel, had hij gebroken met alle overige levensopvattingen en bovenzinnelijke kennis, [want] zolang  een beoefenaar van het yogasysteem zich in zijn verzaking niet wijdt aan de verhalen over de oudere broer van Gada, Krishna [Gada was een andere zoon van Vasudeva jonger dan Krishna], zou hij niet vrij zijn van illusies. (13) Hij, de beste van de helden, die zijn geest fixeerde op de Superziel, gaf aldus na de nodige tijd grondig spiritueel gezuiverd, zijn voertuig van de tijd op. (14) Zijn anus blokkerend met zijn enkel stuwde hij zijn levensadem geleidelijk omhoog van de navel naar het hart en vandaar naar de keel om zich tussen zijn wenkbrauwen te fixeren. (15) Op deze manier geleidelijk aan zijn levensadem in zijn hoofd vestigend verenigde hij, bevrijd van alle materiële verlangens, zijn levensadem met het geheel van de [kosmische] adem, zijn lichaam met het geheel van de aarde en zijn innerlijk vuur met het vuur van de totaliteit [van het universum]. (16) Na de verschillende lichaamsopeningen [van zijn zinnen] verenigd te hebben met de ether en zijn sappen met het water, verenigde hij de aarde met het water, het water met het vuur, het vuur met de lucht en de lucht met de hemel, en bracht hij zo alles wat verdeeld was terug tot zijn eigen bron [vergelijk 2.5: 25-29]. (17) Hij verenigde de geest met de zinnen en de zintuigen met hun voorwerpen en liet vervolgens de voorwerpen van de zinnen opgaan in de vijf elementen waaruit ze waren voortgekomen. Daarna gaf hij het materiële ego terug aan het mahat-tattva, het geheel van de materiële energie. (18) Op weg naar Hem, het reservoir van alle goede eigenschappen, bracht hij zijn individualiteit en de levens die erbij hoorden terug in het Reservoir van Alle Vermogens. Zo keerde hij, het levend wezen en de genieter, als de meester van de zinnen terug naar huis, terug naar zijn oorspronkelijke positie, op basis van zijn inzicht in de spirituele kennis van de zelfverwerkelijking en verzaking.

(19) De koningin genaamd Arci, zijn echtgenote, volgde hem te voet het bos in, ook al had ze, met haar tere gestel, het niet verdiend dat haar voeten zo met de aarde in aanraking kwamen. (20) Hoewel haar lichaam mager zou worden had ze, uiterst vastbesloten in haar gelofte haar echtgenoot te dienen, er geen moeite mee te leven onder omstandigheden gelijk die van de grote heiligen en deed ze graag met hem mee, blij om met hem in contact te staan. (21) Toen ze zag dat het lichaam van haar man, die zo vol van genade was voor de wereld en voor haar, geen levensteken meer gaf, cremeerde de deugdzame vrouw, na een tijdje gehuild te hebben, hem boven op de top van een heuvel. (22) Na de begrafenisplechtigheden te hebben afgehandeld nam ze een bad in de rivier en goot ze, in aanbidding van de dertig miljoen halfgoden in de hemel, water uit voor haar zo vrijzinnige echtgenoot. Vervolgens liep ze drie keer om het vuur heen en ging ze, denkend aan de voeten van haar echtgenoot, zelf het vuur in.

(23) De genadige goden en hun echtgenotes die zagen hoe ze haar echtgenoot tot in de dood volgde, brachten bij duizenden tegelijk hun gebeden voor de kuise vrouw van de grote krijgsheer koning Prithu. (24) Bovenop de Mandaraheuvel spraken ze, bloemen uitstrooiend en bij die gelegenheid hun muziekinstrumenten bespelend, als volgt met elkaar. (25) De vrouwen zeiden: 'O hoe glorieus is deze echtgenote die net als de Godin voor de Heer van het Offer [Vishnu] met hart en ziel van aanbidding was voor haar echtgenoot, de koning van alle koningen van de wereld. (26) Zie toch hoe ze haar deugdzame echtgenoot, de zoon van Vena, volgt in zijn gang naar de hemel en hoe zij, Arci genaamd, ons aldus voorbijstreeft in haar moeilijk te volgen handelen. (27) Onder al degenen die slechts een kort moment te leven hebben in de menselijke wereld, is er, voor hen die op het pad van de bevrijding hun best doen voor het Koninkrijk Gods, niets te moeilijk om te bereiken. (28) Hij die, bij het bereiken van de menselijke levensvorm, op het pad van de bevrijding verwikkeld raakt in de grote moeilijkheden van alles wat men voor zijn zinsbevrediging doet in deze wereld, komt, ingaand tegen zijn eigen ware zelf, zonder twijfel [vanwege zijn illusies] bedrogen uit.'

(29) Maitreya zei: 'Terwijl zij [Arci] aldus door de echtgenotes van de bewoners van de hemel werd verheerlijkt, bereikte de vrouw de plaats waarnaar haar echtgenoot was vertrokken. De positie die de zoon van Vena onder de hoede van de Onfeilbare had verworven was de allerhoogste van de zelfgerealiseerden. (30) Aldus heb ik u het karakter van Prithu, de eerste van de heren die zo hoog en almachtig was, beschreven als zijnde het beste vanwege de grootsheid van zijn daden. (31) Een ieder die met geloof en grote aandacht leest en uitleg verschaft of verneemt over die zo grote en godvruchtige persoon koning Prithu, zal dezelfde positie bereiken als hij. (32) De brahmaan die het leest zal spiritueel schitteren, de edelman zal de koning van de wereld zijn, de handelaar zal de specialist op zijn gebied worden en de arbeider zal voor Hem het beste bereiken. (33) Als iemand met groot respect hier drie keer naar luistert zal die persoon, of hij nu een man of een vrouw is, als hij kinderloos is worden gezegend met de beste kinderen en als hij berooid is de rijkste worden. (34) Niet erkend zal hij roem verwerven en ongeletterd zal hij geleerd worden. Dit zo zegenrijke verhaal zal al het ongeluk van de mens verdrijven. (35) Zij die welvaart verlangen, een goede naam, een langer leven, een betere wereld [de hemel], het tenietdoen van de invloed van het Tijdperk van de Redetwist en die uit zijn op de hogere zaak van de perfectie van de vier [burgerdeugden] van de religiositeit, de economie, het zinsgenoegen en de bevrijding, moeten met het grootste respect naar deze vertelling luisteren. (36) Hiernaar luisterend zal de koning, die op zijn strijdwagen campagne voert om de overwinning te behalen, van andere koningen belastingen ontvangen zoals koning Prithu dat deed. (37) Met het verrichten van zuivere toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer, behoort men, vrij van alle overige betrokkenheid, te vernemen over het vrome karakter van de zoon van Vena, er anderen naar te laten luisteren en er ook steeds over te blijven lezen. (38) O zoon van Vicitravîrya [Vidura], ik legde u uit hoe men zijn bestemming moet bereiken en ontwaken tot de grootheid van Zijn Kosmische Intelligentie, door aldus betrokken te zijn in relatie tot deze uitzonderlijke tekst. (39) Hij die, bevrijd in de omgang met de Allerhoogste Heer, bij herhaling met de grootste eerbied verneemt over deze vertelling over Prithu en er ook verslag van doet, zal ten volle de gehechtheid realiseren aan Zijn voeten die de boot vormen voor [het oversteken van] de oceaan van onwetendheid.'



Hoofdstuk 24: Het Lied Gezongen door Heer S'iva

(1) Maitreya zei: 'De zoon van Prithu, die vanwege zijn grote daden bekend raakte onder de naam Vijitâs'va [zie 4.19: 18), werd de keizer en gaf zijn jongere broers, waar hij veel om gaf, het bestuur over de verschillende windstreken van de wereld. (2) De meester bood Haryaksha het oostelijk deel, het zuiden gaf hij Dhûmrakes'a, het westelijk deel kende hij zijn broer genaamd Vrika toe en de noordelijke richting was voor Dravina. (3) Hij die vanwege [zijn handelingen in relatie tot] Indra [eveneens] vereerd was met de naam Antardhâna ['onzichtbaar aanwezig'], verwekte bij zijn vrouw S'ikhandinî drie kinderen die ieders goedkeuring konden wegdragen. (4) Ze werden Pâvaka, Pavamâna en S'uci genoemd. Ze waren in het verleden de goden van het vuur geweest, maar nu hadden ze, vanwege een vloek van de wijze Vasishthha, opnieuw hun geboorte genomen om met het vorderen in de yoga hun status te herwinnen. (5) Antardhâna die Indra niet doodde ondanks het feit dat hij wist dat hij het paard [van zijn vader] had gestolen, verwekte in een [andere] echtgenote genaamd Nabhasvatî een zoon genaamd Havirdhâna ['de gewonnen offergave']. (6) Het instellen van belastingen, straffen en boetes en dergelijke, waarmee de koningen in hun levensonderhoud voorzien, hield hij steeds voor iets zeer gestrengs en daarom schafte hij ze af ten gunste van offerplechtigheden die in het verleden waren opgegeven. (7) Ondanks het feit dat hij zich gewijd had aan de taak een einde te maken aan het leed [van anderen], bereikte hij die als een zelfverwerkelijkte ziel steeds aan zijn verzonkenheid vasthield, middels de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid met gemak Zijn verblijfplaats, het Allerhoogste van de Ziel. (8) Havirdhânî de vrouw van Havirdhâna, o Vidura, bracht zes zonen ter wereld genaamd Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata. (9) Hij die van Havirdhâna de naam Barhishat kreeg was dermate fortuinlijk in zijn offerhandelingen en yogarealisatie dat men hem als de Prajâpati [de stamvader] beschouwde, o beste van de Kuru's. (10) Met deze praktijk voortdurend de goden met offerplechtigheden behagend, hield hij over de gehele wereld het kus'a gras [van de zitplaatsen bij het offeren] op het oosten gericht. (11) Op het advies van de god van de goden [Brahmâ] huwde hij de dochter van de oceaan genaamd S'atadruti. Tot haar jeugdige verschijning, bekoorlijk in al haar leden, voelde de vuurgod Agni, op het moment dat hij haar rijkelijk behangen met juwelen rond [zijn vuur] zag lopen gedurende de huwelijksplechtigheid, zich zo sterk aangetrokken als [hij in het verleden was] tot S'ukî. (12) De geleerden, zij die van het verlangen waren, zij die de hemel bevolken, de wijzen en de vervolmaakte zielen, zij die van de aarde waren en van de slangen, waren allen gefascineerd door enkel het tinkelen van de enkelbelletjes van de nieuwe bruid dat men overal kon horen. (13) Van [Prâcîna]Barhi [of Barhishat] verschenen er tien zonen in de baarmoeder van S'atadruti die, allen gezworen volgelingen van het dharma, samen de Pracetâ's werden genoemd [van prâcîna: het op het oosten gericht zijn]. (14) Door hun vader ertoe opgedragen kinderen te verwekken ontvluchtten ze ter wille van hun boetedoening voor de tijd van tienduizend jaar hun woonplaats en aanbaden gevestigd bij een groot meer in hun tapas de Meester van de Boetedoening [S'rî Hari]. (15) Dat pad volgend hadden ze een ontmoeting met Heer S'iva die, zeer tevreden over de grote beheersing van hun meditatie, mantrapraktijk en aanbidding, toen tot hen  sprak.'

(16) Vidura vroeg: 'O brahmaan, maak ons alstublieft duidelijk wat er gebeurde toen de Pracetâ's Heer S'iva op hun pad tegenkwamen, alsook wat de Godheid die zo tevreden over hen was heeft gezegd. (17) O beste onder de geleerden, in deze wereld gevangen in een lichaam gebeurt maar zelden dat men Heer S'iva tegenkomt. Zelfs de wijzen die, met hem als het voorwerp van hun verlangen, volledig onthecht bezig zijn [slagen er niet in]. (18) Hoewel hij in zichzelf tevreden is, gaat de grote Heer S'iva, als hij zich in deze wereld manifesteert om aan haar wensen tegemoet te komen, tewerk met de verschrikking van de haar beheersende krachten [als die van Kâlî, Durgâ en Vîrabhadra, zie 4: 5].'

(19) Maitreya zei: 'De zonen van vader Prâcînabarhi die allen [in volle overgave] de woorden van hun vader gehoorzaam op hun hoofd aanvaardden waren, in hun hart ernstig besloten tot boetedoeningen, vertrokken in westelijke richting. (20) Ze kwamen aan bij een zeer grote watervlakte zo uitgestrekt als de nabij gelegen oceaan met water dat, helder als de geest van een grote ziel, een genoegen vormde voor haar bewoners. (21) In dat water groeide een veelvoud aan rode en blauwe, kahlâra en indîvara [overdag  en 's avonds bloeiende] lotussen, en zwanen, kraanvogels, eenden [cakravâka's] en andere vogels [zoals kârandava's] lieten er hun geluiden klinken. (22) Doldwaze hommels zoemden er vreugdevol luid met hun harige kleine lichaampjes. Het was een feest van klimplanten, bomen en lotussen waarvan het stuifmeel door de wind in alle richtingen werd verspreid. (23) Al de prinsen stonden versteld over de prachtige hemelse muziek begeleid door trommels en pauken die men daar onophoudelijk kon horen.

(24-25) Op dat moment waren ze er getuige van hoe de belangrijkste van alle halfgoden [Heer S'iva] in het gezelschap van een schare grote zielen die hem verheerlijkten uit het water kwam. Met voor ogen zijn gouden glans, zijn trekken, zijn blauwe keel, drie ogen en genadige, prachtige gelaat, brachten ze allen opgewonden vol bewondering hun eerbetuigingen. (26) Hij die alle gevaar verdrijft, de Grote Heer en zorgdrager van de religie, sprak toen tot hen, tevreden als hij was over de principes die ze erop nahielden, hun vriendelijke gedrag en hun goede manieren. (27) Rudra zei: 'O zonen van koning Prâcînabarhi, bekend met jullie handelingen en verlangens, wens ik jullie allen het grootste geluk toe en als blijk van mijn genade gun ik jullie daarom mijn gezelschap. (28) Ieder levend wezen, iedere individuele ziel zogezegd, die zich rechtstreeks overgeeft aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, de bovenzinnelijke heerser over de drie geaardheden, is mij zeer dierbaar. (29) Als iemand voor de duur van een duizendtal levens vasthoudt aan zijn plicht, verwerft hij de positie van Brahmâ [Brahmaloka] en als hij het bovendien niet laat afweten met [het dienen van] de Allerhoogste Heer, kan hij erop rekenen daarna mij [S'ivaloka] te bereiken. Toegewijden van Heer Vishnu bereiken aan het einde van de tijden een positie [Vaikunthhaloka] gelijk aan die van mij en de andere halfgoden. (30) Jullie toegewijden zijn mij daarom net zo lief als de Allerhoogste Heer Zelf, net zoals er buiten Hem ook nooit iemand anders zo geliefd is bij de toegewijden als ik. (31) In het bijzonder is dat wat ik je nu ga vertellen, iets waar jullie steeds weer aandacht aan moeten besteden en voor jezelf moeten herhalen, omdat het zeer zuiver, goedgunstig, bovenzinnelijk en zegenend is.'

(32) Maitreya zei: 'Met een hart vol van mededogen sprak Heer S'iva, de grootste toegewijde van Nârâyana, tot de prinsen die met gevouwen handen voor hem stonden. (33) S'rî Rudra zei [in aanbidding van Vâsudeva]:  'Alle eer aan U, de beste van de zelfgerealiseerden, die voor het welzijn van allen het geluk verschaft. Moge er mijn eerbetoon zijn voor U, want U bent de geheel volmaakte en aanbiddelijke ziel van allen, de Superziel. (34) Al mijn respect voor U Vâsudeva, uit wiens navel de lotus ontsproot. U bent de oorsprong van de zinnen en de zinsobjecten en de onveranderlijke, zelfverlichte staat die van een eeuwige vrede is. (35) Ook breng ik mijn eerbetuigingen voor [U als] Sankarshana [de Heer van het ego en de integratie] die, als de oorsprong van de subtiele, niet-manifeste materie, de onoverkomelijke meester bent van de desintegratie [aan het einde van de tijden], en voor [U als] de meester van alle ontwikkeling, de bovenzinnelijke ziel Pradyumna [de meester van de intelligentie]. (36) U zij alle eer, mijn respect voor [U als] Aniruddha [de Heer van de geest, van wie de zonnegod een expansie is, zie ook 3.1: 34], de meester en bestuurder van de zinnen. Ik biedt de Allerhoogste van de volmaakte zuiverheid en volledigheid die buiten deze materiële schepping staat mijn eerbetuigingen*. (37) Ik biedt U als de hemelse verblijfplaats, het pad van de bevrijding, de toegangspoort van het eeuwige en de zuiverste van het zuivere mijn eerbetuigingen. Al mijn respect voor U, het gouden zaad, die de continuïteit bent van de Vedische offerplechtigheden [câtur-hotra]. (38) Alle lof voor U die kracht verleent aan de voorvaderen en de halfgoden, U de meester van de drie Veda's en de offers. U bent de leidende godheid van de maan die een ieder behaagt. Al mijn respect voor U, de Superziel aanwezig in alle levende wezens. (39) De kracht en macht van al het bestaande, het lichaam en het Bovenzinnelijke Zelf van de diversiteit van de materiële wereld [de virâth râpa] en de instandhouder van de drie werelden, biedt ik mijn eerbetuigingen. (40) Alle eer aan U die als de ether alle betekenis openbaart, U het zelf vanbinnen en vanbuiten, de allerhoogste gloed. Mijn eerbetuigingen voor U transcendentaal aan de dood die de reden bent van alle deugdzame handelingen. (41) U, de toegenegen alsook de zich afzijdig houdende god van de voorvaderen, het uiteindelijke resultaat van alle vruchtdragend handelen en de dood zelf, U, de oorzaak van alle soorten van ellende resulterend uit de goddeloosheid, biedt ik mijn respect. (42) Omdat U de allerhoogste gunstverlener bent, het meesterbrein [van alle mantra's] en het oorzakelijke zelf, biedt ik U mijn eerbetuigingen. U zij alle glorie, U de grootste van alle religiositeit, U, Krishna, die de volmaaktheid van de intelligentie bent, U bent het oudste van het oudste, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en de meester van de yoga-analyse [sânkya-yoga]. (43) Het reservoir van de drie energieën [van degene die handelt, de zinsactiviteiten en de resulterende werklast, zie B.G. 18a: 18],  de reden van de materiële vereenzelviging van de ziel [het egotisme] genaamd Rudra en de belichaming van de kennis, de intentie en de stem van alle machten, biedt ik mijn eerbetuigingen. (44) AlstUblieft toon ons, die verlangen naar Uw aanwezigheid, de gedaante die tot het genoegen van al de zintuigen van de toegewijden als de meest dierbare door hen wordt aanbeden. (45-46) Zo glinsterend als de regen uit het dichte wolkendek gedurende het regenseizoen, bent U het toppunt van alle schoonheid. Prachtig zijn de lichaamskenmerken van Uw vierhandige gedaante, allermooist is Uw aangename gelaat, Uw ogen zijn zo fraai als de bloemblaadjes in de werveling van de lotus en hoe mooi zijn Uw wenkbrauwen, rechte neus, schitterende tanden, hoge voorhoofd en de volledige omlijsting van Uw gezicht en de even zo fraaie oren. (47-48) De pracht van Uw genadevolle glimlach en zijdelingse blikken, Uw golvende haar en de kleding in de saffraankleur van de lotus, wordt ondersteund door de glanzende oorbellen en de blinkende helm, de armbanden, het halssnoer, de enkelbellen, de gordel, de schelphoorn, werpschijf, knots en de lotusbloem, de bloemenslinger en de besten van de parels, die U er zelfs nog mooier doen uitzien. (49) De schouders onder Uw haarlokken zijn als die van een leeuw en Uw nek, fortuinlijk van het dragen van het juweel [genaamd Kaustubha] dat schittert op Uw borst, verlenen U een nimmer aflatende schoonheid die [de schoonheid van] iedere [streep goud op een toetssteen of] norm overtreft. (50) Uw in- en uitademen brengt prachtig de plooien in Uw buik in beweging die eruitziet als het blad van een bananenboom, en het diep wervelen van Uw navel is als de spiraal van het sterrenstelsel. (51) De donkere kleur van de huid onder Uw middel is extra aantrekkelijk met zowel de pracht van Uw kleding en de gouden gordel als met de grote symmetrische schoonheid, lager, van Uw lotusvoeten, kuiten en dijen. (52) Door de zo aangename lotusvoeten, die zijn als de blaadjes van een lotusbloem in de herfst, door de glans van Uw nagels, verdrijft U alle problemen die ons van streek brengen. Toon ons het pad van Uw lotusvoeten [eveneens begrepen als de eerste twee Canto's van dit Bhâgavatam] die de angst van het materiële bestaan terugdringen, o leraar, o geestelijk leidsman van allen die lijden onder het duister. (53) Zij die, met het doen van hun [beroepsmatige] plicht, zich willen zuiveren en zonder vrees door het leven willen gaan, moeten mediteren op deze gedaante [van U] in een yogapraktijk van toewijding [bhakti-yoga]. (54) Zo toegankelijk als U bent voor toegewijden, zo heel moeilijk bent U te bereiken voor alle overige belichaamde zielen, zelfs voor hen die horen bij de koning van de hemel Indra of voor de zelfgerealiseerden voor wie het bereiken van eenwording met U het uiteindelijke doel vormt. (55) Wat zou men zich anders wensen dan Uw lotusvoeten, als men eenmaal door zuivere toegewijde dienst van de aanbidding is geweest die zelfs voor de meest deugdzamen moeilijk te bereiken is! (56) De onoverwinnelijke tijd, waarmee U in Uw vermogen en majesteit met enkel het optrekken van Uw wenkbrauwen het hele universum vernietigt, vormt geen bedreiging voor een ziel van volkomen overgave. (57) Zelfs maar een moment de omgang genieten van een gezelschap van toegewijden is niet te vergelijken met de hemel of met eenwording, om nog maar te zwijgen van wereldse zegeningen. (58) Laat er voor ons die, om het gepieker van de zonde weg te wassen, zich onderdompelen in de Ganges en er weer uitstappen, de genade en de deugd zijn van deze omgang. Deze omgang immers overwint met de verering van Uw voeten al het ongeluk en zegent de normale levende wezens met de grootste goedheid. (59) Hij wiens hart gezuiverd werd door de zegening ontleend aan die [omgang in] bhakti-yoga, zal er zeer gelukkig mee zijn daarin de wijsheid van Uw weg te vinden en zal nimmer eindigen in verbijstering in de duistere put van de wereldse invloeden. (60) U bent de Absolute Geest [brahma], het bovenzinnelijk licht dat zich uitspreidt als de ether, in wie zich dit universum van de kosmische manifestatie vertoont. (61) U bent het die middels Zijn energie deze veelvormige manifestatie heeft geschapen, onderhoudt en ook weer vernietigt. Die eeuwige, onveranderlijke intelligentie van een toenemende complexiteit zal, zo begrijp ik, de individuele ziel hoofdbrekens bezorgen in zijn relatie tot U als het essentiële [onafhankelijke] zelf, o Allerhoogste Heer. (62) Deskundig op het gebied van de Veda's en de erbij behorende literatuur zijn die transcendentalisten die, voor hun vervolmaking, met geloof en overtuiging middels een scala aan uiteenlopende handelingen van het verschuldigde eerbetoon zijn voor U die men kent aan de hand van het geschapene, de zintuigen en het hart. (63) U bent de Ene Oorspronkelijke Persoon uit wiens sluimerende energie de diversiteit is voortgekomen van het geheel van de materiële energie die wordt beheerst door [de drie geaardheden van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Het is een diversiteit die we kennen als het ego, de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, de deugdzamen, de wijzen en al de levende wezens. (64) Dat wat U schiep vanuit Uw eigen vermogen gaat U daarna binnen in de gedaante van de vier soorten van lichamen [zoals geboren uit embryo's, eieren, zweet en zaad, zie ook 2.10: 37-40]. Met die lichamen, Uw eigen delen en gehelen, kent u de persoon dan als een genieter van de zinnen, gelijk een bij die zich laaft aan de zoete honing. (65) Men mag raden naar [het gezag en de orde van] Uw werkelijkheid [van de Tijd]. Wat we [slechts] zien is hoe U, net als de wind die de wolken uiteendrijft, met Uw zo heel grote kracht [van de Tijd] op den duur al de planetenstelsels vernietigt en hoe op dezelfe manier alle levende wezens hun einde vinden door externe oorzaken. (66) De gekken [van deze wereld] die hoogst begeertig smachten naar materiële genoegens roepen luid wat er allemaal zou moeten worden gedaan, maar in een oogwenk worden ze door U, die waakt als de Vernietiger, verzwolgen zoals een muis gegrepen wordt door de onrustige tong van een hongerige slang. (67) Welke man van studie die weet dat men, zonder achting voor U, zijn lichaam [enkel maar nutteloos] teloor ziet gaan, zou nu Uw lotusvoeten afwijzen, de voeten die door onze geestelijk leraar [Brahmâ] en door de veertien Manu's [na hem, zie Canto 2: 3: 9, 6: 30, 10: 4] zonder te twijfelen of verder argumenteren werden aanbeden? (68) Daarom bent U voor ons, mannen van wijsheid, het Allerhoogste Brahman, de Ziel van de ziel, de Superziel, de bestemming alwaar men absoluut niet bang is voor de Vernietiger Rudra die wordt gevreesd door het ganse universum.'

(69) 'Als u zo bidt en u zich [gewetensvol] van uw taken kwijt, zal er voor u allen het geluk zijn, o gezuiverde zonen van de koning die uw geesten hebt gericht op de Allerhoogste Heer. (70) Wees van aanbidding en zing altijd voor en mediteer steeds vol van lof op de Heer, die zich als de Allerhoogste Ziel ophoudt in zowel uw harten als in de harten van alle andere levende wezens. (71) Leest u allen telkens weer deze [Yogâdes'a] instructie in de yoga en sluit hem in uw hart. Houdt u aan de gelofte van de wijzen van het altijd met intelligentie [in stilte] innerlijk verzonken zijn en ga hierin met het grootste respect tewerk. (72) Dit werd voor het eerst uitgesproken door de grote Heer [Brahmâ], de meester van de scheppers van het universum, van de grote wijzen aangevoerd door Bhrigu die, als zijn zonen belast met de verantwoordelijkheid voor de wereld, graag creatief wilden zijn [vergelijk 4.1: 12-15]. (73) Wij die, als de heersers over de mens, van hem de opdracht kregen ons voort te planten, raakten door deze [instructie] bevrijd van alle onwetendheid en slaagden er aldus in de verschillende soorten mensen in het leven te roepen. (74) De persoon die dit [gebed] aldus regelmatig met grote aandacht voor zichzelf herhaalt, zal, hierin verzonken, onverwijld het betere leven bereiken van toewijding tot Vâsudeva [Krishna als de Heer van het bewustzijn]. (75) Van alle zegeningen in deze wereld vormt spirituele kennis het allerhoogste, bovenzinnelijke voordeel van geluk voor iedere persoon, omdat je met de boot van hogere kennis de onoverwinnelijke oceaan van gevaar oversteekt. (76) Een ieder die met toewijding gehecht en met geloof regelmatig dit lied van mij bestudeert, dit gebed gericht op Hem, de Hoogste Persoonlijkheid, zal ertoe in staat zijn de Heer te behagen die zo moeilijk te loven is. (77) Degene die gefixeerd is op het lied zoals dat door mij wordt gezongen kan, door Hem die de dierbaarste is van alle zegeningen, door de Heer van Gene Zijde die erdoor wordt behaagd, alles bereiken wat hij maar wil. (78) De toegewijde die, vroeg in de ochtend, met zijn handen gevouwen in geloof en toewijding, verzonken is in dit gebed en er aldus zelf naar luistert en anderen ernaar doet luisteren, zal bevrijd raken van alle karmische gebondenheid. (79) O zoons van de koning ['de god van de mensen'], met de intelligentie van het volmaakt aandachtig bidden en zingen van dit door mij gezongen lied van de Allerhoogste Persoon die de Superziel van een ieder is, zullen jullie uiteindelijk de resultaten behalen die jullie verlangden, aangezien die praktijk gelijk staat aan de grootste verzakingen.'

*: Heer Krishna, door zijn viervoudige expansie van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha, is de Heer van de psychische actie -- namelijk denken, voelen, willen en handelen.




Hoofdstuk 25: Over het Karakter van Koning Purañjana

(1) Maitreya zei: 'Na aldus onderricht te hebben verschaft, verdween de Vernietiger, onder aanbidding van de zoons van Barhishat, vandaar recht voor ogen van de prinsen. (2) Terwijl ze bij dat water voor de duur van een eindeloos aantal jaren ascese beoefenden, reciteerden al de Pracetâ's het gebed zoals dat door Heer S'iva werd gezongen. (3) O Vidura, ondertussen instrueerde Nârada, als een kenner van de spirituele waarheid, vol van mededogen koning Prâcînabarhi die een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen had: (4) 'O Koning, [zei hij,] wat voor zieleheil verwacht u van het handelen ter wille van de opbrengst? Op die manier bezig zal u het leed niet zien verdwijnen en zal u de uiteindelijke zegen van het geluk niet bereiken.'

(5)
De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten. Breng me alstublieft op de hoogte van de zuivere spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (6) Iemand die de oppervlakkige verplichtingen van een gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde voor het uiteindelijke levensdoel houdt, komt niet tot bovenzinnelijkheid. Zo iemand dwaalt dwaas rond over alle wegen van het materieel bestaan.'

(7)
Nârada zei: 'O mijn beste heerser over de burgers, o Koning, mag ik u wijzen op al de duizenden dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (8) Zich het leed herinnerend dat u hen hebt aangedaan, staan ze allen, kokend van woede, u op te wachten om u na uw dood met ijzeren horens te doorboren. (9) Wat dit betreft, wil ik u graag het zeer oude verhaal vertellen over het karakter van [een koning genaamd] Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']. Begrijp goed wat ik u nu ga zeggen. (10) Er was er eens een koning van een grote vermaardheid die Purañjana heette, o Heerser. Hij had een vriend genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed. (11) Op zoek naar een residentie trok hij rond over de hele planeet om zijn gezag te doen gelden, maar toen hij geen plek kon vinden die hem beviel, raakte hij in de put. (12) Zich een hoofdstad wensend die aan al zijn verlangens beantwoordde vond hij, van al de plaatsen die hij op deze aarde aantrof, geen enkele goed genoeg. (13) Toen hij zich op een dag ten zuiden van de Himalaya's bevond, ontwaarde hij op de hellingen een stad met negen poorten die hem alle gemakken bood [vergelijk B.G. 5: 13]. (14) Volgepakt met huizen en omgeven door hoge muren, waren er torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud, zilver en ijzer. (15) De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen, die de stad een luister verleenden zo stralend als de hemelse stad Bhogavatî. (16) Er waren gemeenschapshuizen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (17) In de buitenwijken van die stad zag men de mooiste bomen en klimplanten en was er een meer waar de geluiden weerklonken van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (18) De schat aan bomen aan de oever van de vijver vol lotussen ontving, van de waterval van een bergstroom, een lentemist aan waterdruppeltjes op zijn takken. (19) De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er welkom voelde. (20) Daar gebeurde het dat hij een zeer mooie vrouw op zich af zag komen omgeven door een tiental bedienden die ieder op hun beurt leiding gaven aan een honderdtal andere. (21) Jong als ze was met een welgevormd, begeerlijk lichaam, werd zij, die op zoek was naar een echtgenoot, aan alle kanten bewaakt door een vijfkoppige slang. (22) Met een fraaie neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en prachtig, in harmonie met haar mooie gezicht, geplaatste oren met schitterende oorbellen. (23) Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille en een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep, als een hemelbewoonster. (24) Zo statig schrijdend als een olifant probeerde ze met het uiteinde van haar sârî verlegen de gelijkmatig ronde en volle jeugdige borsten te bedekken. (25) Getroffen door haar seksuele aantrekkingskracht, de pijlen van haar blikken, de opwindende invloed van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.

(26)
'
Wie ben jij met die mooie lotusblaadjes van ogen? Bij wie hoor je, waar kom je vandaan en wat doe je hier in de buurt van deze stad, o kuise dame? Zeg me alsjeblieft wat je van plan bent, o verlegen meisje. (27) Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen? O jij met je mooie ogen, wat is dat voor een slang die de weg voor je vrijmaakt? (28) In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ], of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter... de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]! Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, o jij hier zo alleen als een wijze in het bos en je voortbewegend op voeten waarvan men alles mag verwachten wat men zich maar wensen kan? (29) En als jij - aangezien je voeten de grond beroeren - geen van deze [godinnen] bent, o fortuinlijke, dan verdien jij het, als iemand die zoveel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de Genieter van Alle Offers, om voor de meerdere pracht van deze stad op te trekken met deze grote held, ik die van de grootste glorie ben in de wereld! (30) Met je verlegen blikken, sympathieke glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen, heb je me van streek gebracht. Door jou wordt ik geplaagd door de almachtige Cupido. Heb daarom genade met me, mijn liefste schoonheid. (31) O dame met je lieflijke glimlach, je gezicht met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je, in je verlegenheid, nog niet eens naar mij opgeheven om mij een blik te gunnen op je uiterlijk en je lieve woorden uit te spreken.'

(32)
Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken, glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige: (33) 'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch uit welk geslacht de anderen afkomstig zijn of wat hun namen zijn. (34) Ik weet alleen maar dat wij zielen hier allen vandaag aanwezig zijn. Ik weet niet, o held, wie deze stad gebouwd heeft waar alle zielen hun verblijf hebben. (35) Deze verschillende mannen en vrouwen met me, zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect, en als ik slaap blijft de slang wakker om de stad te beschermen. (36) Gelukkig bent u hier naartoe gekomen, moge u al het geluk vinden! Ik en mijn vrienden, o doder van de vijand, zullen al het zinsgenoegen verschaffen dat u zich wenst. (37) Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, om voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen van het leven te genieten die ik hier voor u geregeld heb. (38) Met wie anders zou ik moeten genieten dan met u? Onwetend over de kennis van de hartstocht [die u hebt] heb ik geen idee van waar ik op af steven, net als beesten, die niet zien wat ze te wachten staat. (39) Met religieuze ceremoniën, economische ontwikkeling en geregelde genoegens kan men hier genieten van een leven waar de transcendentalisten geen idee van hebben, een leven met het hebben van nakomelingen, de nectar van offers, een goede naam en [toegang tot hogere] werelden zonder treurnis en ziekte. (40) Al de voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, de levende wezens en iedere persoon voor zich, zullen steeds verdedigen dat een dergelijk bestaan als huishouder de [veilige en] gezegende toevlucht vormt [voor mensen] in de materiële wereld. (41) Wie, mijn grote held, zou er nu niet zo'n beminnelijke, grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen als u? (42) Welke vrouwengeest in deze wereld zou zich nu niet aangetrokken voelen tot uw gezonde lichaam met zijn sterke armen, o machtige man, o u die enkel maar rondreist om met de hoogste inzet en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'

(43)
Nârada vervolgde: 'O Koning, nadat ze het aldaar eens waren geworden over de voorwaarden van hun verbintenis, gingen ze als man en vrouw de stad in om er voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten. (44) Als het te heet was, begaf hij zich omringd door vrouwen in de rivier om zich met hen te vermaken en de zangers zongen er daar en elders mooie liedjes over. (45) De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die waren gebouwd om de bestuurder van dienst toegang te verschaffen tot verschillende plaatsen. (46) Vijf poorten lagen op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en twee bevonden zich aan de westelijke kant. Ik zal u hun namen beschrijven, o Koning. (47) Op één plek aan de oostkant waren er twee poorten gemaakt die Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] werden genoemd. De koning gebruikte die om samen met zijn vriend Dyumân ['van de zon'] naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] te gaan. (48) Op een andere plaats aan de oostkant waren de poorten gemaakt genaamd Nalinî en Nâlinî ['mystieke benamingen voor de neusgaten'] en die werden gebruikt als hij met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats ging genaamd Saurabha ['de geur']. (49) De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['van de mond'] werd door de koning van de stad samen met Rasajña ['de proever'] en Vipana ['het spraakorgaan'] gebruikt om twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt'] te bezoeken. (50) Gaand door de zuidelijke stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorvaderen aanroepen'], o Koning, bezocht Purañjana samen met zijn vriend S'rutadhara ['een goed geheugen hebben'] de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['de zuidelijke gebieden']. (51) De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (52) De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om samen met Durmada ['hij die er gek op is'] naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een klein plaatsje'] te gaan. (53) De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om begeleid door zijn vriend Lubdhaka ['de begeertige'] naar de plaats genaamd Vais'asa ['leed, slachting'] te gaan. (54) De koning, die hoorde bij hen die konden zien, ging door de [onderaardse poorten genaamd] Nirvâk ['sprakeloosheid'] en Pes'askrit ['de hand'] om dingen te doen samen met twee blinde burgers. (55) Als hij naar zijn privé vertrekken ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['je afzonderen'] en dan genoot hij, in een staat van illusie, tot zijn bevrediging en geluk van zijn vrouw en kinderen. (56) Aldus sterk gehecht aan handelen in lust en dwaasheid ter wille van een bepaald resultaat, kwam hij bedrogen uit in zijn horigheid aan alles wat zijn koningin ook maar wenste dat hij zou doen. (57-61) Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden moest huilen, huilde hij ook. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg, als zij stil stond, stond hij stil en wanneer zij zich te ruste legde, ging hij haar navolgend ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er meestal ook aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij klaagde volgde hij haar net zo ellendig. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin in ieder opzicht misleid [door mâyâ], was hij, zonder een eigen wil haar volgend, dwaas zo zwak als een huisdier.'

  


Hoofdstuk 26: Koning Purañjana Gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan

(1-3) Nârada zei: 'Op een dag ging hij [koning Purañjana] naar het woud genaamd Pañcha-prastha ['de vijf bestemmingen'] met zijn boog, gouden rusting en onuitputtelijke pijlenkoker. Hij bewoog zich op de twee wielen en de ene as van een snelle strijdwagen met gouden versieringen die getrokken werd door vijf paarden en één zitplaats had, drie vanen, vijf steunen, zeven pantserplaten en twee haken voor zijn wapenrustingen. Hij voerde vijf wapens en twee speciale pijlen met zich mee. Samen met zijn elfd bevelhebbers en zijn ene wagenmenner met één stel teugels in de hand, kende hij vijf oogmerken en vijf benaderingswijzen. (4) Met het ter hand nemen van zijn boog en pijlen was hij, geïnspireerd door de kwade gedachte van de jacht, er zeer trots op dat hij zijn vrouw achter zich kon laten, want dat was iets dat bijna onmogelijk voor hem was. (5) Met een gebrek aan verlichting in zijn hart was hij overgegaan tot de verschrikkelijke praktijk van het genadeloos met scherpgepunte pijlen doden van de dieren in de bossen. (6) Zoals het Vedisch staat voorgeschreven, mag een koning in zijn begeerte [naar vlees], zoveel als nodig is de dieren in het bos doden die geschikt zijn voor de offerplechtigheden op heilige plaatsen en niet meer dan dat. (7) O Koning, een ieder die tewerk gaat volgens de voorschriften zal, op basis van die geestelijke kennis, nimmer aangedaan raken door dergelijke activiteiten. (8) Of anders [niet gereguleerd] zal hij door zijn karmische handelingen verstrikt raken in een vals idee van prestige en zo, onder de invloed geraakt van de natuurlijke geaardheden, verstoken van intelligentie tenondergaan.

(9) Door de vernietiging van de dierenlijven die waren doorboord met de pijlen, die waren voorzien van verschillende soorten veren, was er een grote droefenis, het was een leed onverdraaglijk voor meedogende zielen. (10) Hij raakte zeer vermoeid van het doden van prooidieren als konijnen, buffels, bizons, zwarte herten, stekelvarkens en verschillende anderen. (11) Er klaar mee keerde hij dorstig en uitgeput terug naar huis om een bad te nemen, een goede maaltijd te genieten en uit te rusten zodat hij weer zijn vrede kon vinden. (12) Toen hij zich [op een dag], zoals het hoort, had geparfumeerd en zijn lichaam had ingesmeerd met sandelhoutpasta, wilde hij, fraai omhangen met bloemen en in ieder opzicht prachtig versierd, aandacht besteden aan zijn koningin. (13) Voldaan, verheugd en ook heel trots, was hij vol van Cupido en was hij niet gericht op een hoger bewustzijn met zijn echtgenote die hem met haar hofhouding onderhield. (14) Mijn beste Koning, ietwat bezorgd vroeg hij de dienstmaagden van de huishouding: 'O schoonheden, is alles in orde met jullie en jullie mevrouw? (15) Alles hier thuis lijkt momenteel niet zo aantrekkelijk te zijn als voorheen. Om geen moeder of echtgenote thuis te hebben die haar echtgenoot toegewijd verwelkomt, is als een strijdwagen hebben zonder wielen. Welke man van scholing wil nu in zoiets armzaligs gaan zitten? (16) Welnu, waar is ze dan, die intelligente vrouw die me redt als ik verdrink in een oceaan van zorgen en me inspireert bij iedere stap die ik zet?'

(17) D
e vrouwen antwoordden: 'O Koning, ga maar kijken hoe uw geliefde op de kale vloer ligt, o doder van de vijanden. We hebben er geen idee van waarom ze zich aan zo'n manier van doen heeft overgegeven!'

(18) N
ârada zei: 'Toen hij zijn vrouw verloren op de grond zag liggen, was Purañjana, die zijn hersens pijnigde over de scène, totaal verbijsterd. (19) Haar geruststellend met lieve woorden en een hart vol van spijt, kon hij geen enkele woede bespeuren als een bewijs van liefde van zijn lieveling. (20) Geleidelijk aan eerst haar beide voeten beroerend en toen haar omhelzend op zijn schoot, begon de held, bedreven in de vleierij, haar verzoenend toe te spreken. (21) Purañjana zei: 'Als een meester bij wijze van instructie niet een van hem afhankelijke dienaar terecht wijst die in overtreding is, mijn liefste schoonheid, dan wordt die dienaar geen recht gedaan. (22) De terechtwijzing van een meester voor zijn dienaren vormt de grootste gunst die hij kan verlenen. Het is een dwaas, o slanke dame, die niet beseft dat boos zijn de plicht van een vriend is! (23) Dat gezicht van je dat, met die mooie tanden en wenkbrauwen, me vervult van gehechtheid en je nu zo mistroostig laat hangen, zou je, samen met je lieve stem, als een bij naar me op moeten heffen, stralend, lachend en oogluikend van onder het blauw glanzende haar zo prachtig bij je rechte neus. Alsjeblieft, mijn zorgzame liefje, ik ben helemaal de jouwe. (24) Tenzij hij behoort tot de leerschool van verlichte zielen op deze aarde, zal ik hem de les lezen die jou kwaad heeft gedaan, o vrouw van deze held. Als hij niet een dienaar van Vishnu ['de vijand van Mura'] is, zal hij niet zonder angst en vrees kunnen leven in de drie werelden of waar dan ook! (25) Nimmer was je gelaat zonder sieraden en heb ik je zo vuil, neerslachtig, van streek en zonder je luister en genegenheid gezien. Noch zag ik ooit je fraaie borsten nat van de tranen of je lippen zonder het rood van de kunkum. (26) Mijn intiemste vriendin, wees aardig voor deze man die ziek van de hartstocht er verkeerd aan deed om op eigen gelegenheid te gaan jagen. Welke vrouw die met haar grote schoonheid greep heeft op de lustige verlangens van haar echtgenoot, zou nu niet plichtsgetrouw hem omhelzen die verloren in ongeduld getroffen is door de pijlen van Cupido?'

 

Hoofdstuk 27: Candavega Valt de Stad van Koning Purañjana Aan; het Karakter van Kâlakanyâ

(1) Nârada zei: 'De echtgenote van Purañjana kreeg met dat soort liefdesspelletjes haar man volledig in haar greep, o Koning, en genoot aldus van al de bevrediging die zij haar echtgenoot schonk. (2) O heerser, de koning was er volmaakt tevreden mee om de koningin met haar aantrekkelijke gezicht op zich af te zien komen, fijn gebaad en volledig uitgedost.  (3) Intiem grappenmakend, omhelsde zij hem terwijl hij haar in zijn armen hield. Aldus in beslag genomen door zijn vrouw verloor zijn geest zijn scherpte en was hij zich niet meer zo bewust van het, dag en nacht, verstrijken van de onoverkomelijke tijd. (4) Liggend op het kostbare bed van de koningin raakte de held, ook al was hij van nog zo'n hoog gehalte, met de armen van zijn vrouw als hoofdkussen, in toenemende mate in de greep van de illusie. Omdat hij overmand door onwetendheid die liefde voor zijn levensdoel hield, zag hij niet in wat zelfrealisatie en het Allerhoogste nu werkelijk inhouden. (5) O beste van de koningen, op deze wijze wellustig genietend met een onzuiver hart, verstreek zijn nieuw gewonnen leven in een oogwenk. (6) Purañjana die zijn halve leven op die manier doorbracht, beste Koning, verwekte bij zijn vrouw elf zoons en honderd [kleinzoons]. (7) Hij had eveneens meer dan tien dochters en een honderdtal [kleindochters], en al die dochters van Purañjana, o stamvader, waren net zo vermaard als hun ouders vanwege hun goede gedrag, grootmoedigheid en [andere] kwaliteiten. (8) Hij [Purañjana], de koning van Pañcâla, verbond, voor het voortzetten van zijn familielijn, zijn zoons in de echt met de beste echtgenotes die er waren en schonk zijn dochters weg aan evenzo geschikte echtgenoten. (9) Ook de honderden zonen van de [klein]zonen brachten allen weer honderden en honderden andere nakomelingen voort, waardoor in Pañcâla Purañjana's familie enorm in omvang toenam. (10) Vanwege zijn diepgewortelde gehechtheid aan materiële genoegens werd zijn leven geheel bepaald door zijn nazaten die zijn huis en schatkist leegplunderden. (11) Hij, zo vol van verlangens, hield net als u offerplechtigheden uit respect voor de voorvaderen, de goden en de groten van de samenleving. Maar die offers waren allen even weerzinwekkend geïnspireerd op het doden van arme dieren. (12) Aldus lichtzinnig in het leven staand met een hart aan banden gelegd door familie en verwanten, brak op een goede dag de tijd [van de oude dag] aan die niet erg op prijs wordt gesteld door hen die gek zijn op vrouwen.

(13) O Koning, er bestaat een koning behorend tot het hemelrijk [Gandharvaloka] die Candavega ['de onstuimig stromende tijd'] wordt genoemd. Hij heeft driehonderdzestig zeer machtige andere Gandharva's onder zich [de dagen in een jaar]. (14) Zo zijn er ook van Candavega een gelijk aantal zwarte en witte vrouwelijke hemelbewoners [de lichte en donkere perioden van de maand, zie 3.11: 10]. Allen omsingelden ze de stad  om  de voorzieningen voor het zingenot te plunderen. (15) Toen ze de stad van Purañjana begonnen te plunderen kwamen al de volgelingen van Candavega voor de grote slang te staan die er was om haar te verdedigen [de vijf koppen van de slang staan voor de vijf soorten levensadem: prâna, apâna, vyâna, udâna en samâna; zie 4.25: 35 en lijst]. (16) In zijn eentje leverde hij honderd jaar lang, als de bewaker van Purañjana's stad, heldhaftig strijd met de zevenhonderdtwintig Gandharva's. (17) Verzwakkend omdat hij helemaal alleen vocht tegen zo veel strijders raakten zijn intieme vriend[, de bestuurder] van de stadstaat samen met al zijn vrienden en verwanten, zeer bezorgd en bedroefd. (18) Hij die in de stad [van de vijf zinnen] Pañcâla van de zoete liefde genoot en met zijn metgezellen de middelen daartoe inzamelde, begreep echter als pantoffelheld niet met welke angst hij nu werkelijk te maken had [de angst voor de dood].

(19) [Dit alles speelde in de tijd dat] de dochter van de Almachtige Tijd [genaamd Kâlakanyâ] rondreisde door de drie werelden op zoek naar iemand die haar echtgenoot wilde zijn, o Koning Prâcînabarhi, maar er was niemand die op haar aanzoek inging. (20) Daarover ongelukkig stond ze in de wereld bekend als Durbhagâ ['slecht getroffen'], maar nadat ze door de wijze koning Pûru was aanvaard [een trouwe zoon van de voorader Jayâti, een koning die door S'ukrâcârya was vervloekt tot een vroegtijdige ouderdom], was ze tevreden en verleende ze hem een gunst [hij zou het koninkrijk erven. Zie ook 9.18]. (21) Op een dag, toen ik, uit Brahmaloka naar de aarde afgedaald, rondreisde deed ze, begoocheld door de lust, mij een aanzoek, wetende dat ik een gezworen celibatair was. (22) Nadat ik haar afwees vervloekte ze zeer kwaad geworden mij, in staat van illusie zeggend: 'Nu je mijn aanzoek hebt afgewezen, jij wijze, zal het je nooit lukken op één plek te blijven.' (23) Na die frustratie van haar plannen benaderde Kâlakanyâ, op mijn aanwijzing, de heerser van de Yavana's [de onaanraakbaren of ookwel de mleccha's of vleeseters genoemd] genaamd Bhaya ['vrees'], om hem als haar echtgenoot te aanvaarden. (24) Ze zei tegen hem: 'O grote held, jou, als de beste van de onaanraakbaren, aanvaardt ik als de man van mijn dromen. Niemand zal de plannen die hij met jou heeft gemaakt ooit gedwarsboomd zien. (25) De volgende twee soorten mensen gaan gebukt onder verdriet: de onwetenden die niet het pad volgen van de liefdadigheid en de dwazen die nooit willen aanvaarden wat overeenkomstig de gebruiken en de geschriften bij Gods genade tot stand werd gebracht. (26) Aanvaard mij daarom, o goede heer, ik wil graag van dienst zijn. Wees me genadig, het is voor iedere man een kwestie van principe om begaan te zijn met mensen in nood.'

(27) Toen de koning van de Yavana's de dochter van de Tijd zich in deze woorden hoorde uitdrukken, was hij, met de wens de Heer te dienen, bereid zijn plicht te doen in de privésfeer en zei hij haar met een glimlach: (28) 'Je bent bij weldenkende zielen nimmer welkom omdat je, door het ongeluk waar je voor staat, voor hen niet aanvaardbaar bent. Ik heb daarover nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat je een echtgenoot moet hebben. (29) O jij wiens bewegingen niet kunnen worden waargenomen, geniet van deze wereld die uit karma, uit vruchtdragende bezigheden is opgebouwd. Verzekerd van de hulp van mijn soldaten, zal je, ongehinderd, de mensen naar hun dood kunnen begeleiden. (30) Ik schenk je mijn broer Prajvâra ['de koorts van Vishnu'] en zo wordt je dan mijn zuster. Met jullie twee en met mijn vervaarlijke soldaten zal ik onopgemerkt in deze wereld rondwaren.'




Hoofdstuk 28: Purañjana wordt een Vrouw in zijn Volgende Leven 

(1) Nârada zei: 'O Koning Prâcînabarhi, al de strijdkrachten van Bhaya, de vertegenwoordigers van de dood [die zijn als de moeilijkheden van de ouderdom], trokken samen met Prajvâra en Kâlakanyâ rond over deze aarde. (2) Maar toen ze op een dag vol van woede de stad van Purañjana belegerden die zo vol van zinnelijk genot was, o Koning, ontdekten ze dat die beschermd werd door de oude slang. (3) De dochter van Kâla nam vervolgens ook deel aan het geweld om Purañjana's stad in bezit te nemen. Door haar overmeesterd, ontdekt iemand meteen hoe onbeduidend hij is. (4) Met haar aanval stroomden de Yavana's van alle kanten door de poorten naar binnen en plaatsten ze de hele stad voor grote problemen. (5) Purañjana, die als een al te ijverige huisvader bovenmatig gehecht was aan zijn gezin, werd daarop in de stad die in moeilijkheden verkeerde getroffen door allerlei soorten van ellende. (6) Omarmd door de Dochter van de Tijd verloor hij zijn schoonheid en omdat hij, in zijn verslaving aan zinsgenoegens, een ellendeling was geworden die tekort schoot in intelligentie, werd hij door de Gandharva's en Yavana's [de vleeseters] gewelddadig van zijn weelde beroofd. (7) Hij zag dat zijn stad uiteenviel in strijdende partijen, dat zijn zoons en kleinzoons, bedienden en ministers geen respect meer voor hem hadden en dat zijn vrouw onverschillig was. (8) Met Pañcâla vol van onoverkomelijke vijanden raakte hij zeer bevreesd, maar omdat hij zelf in de greep van Kâlakanyâ verkeerde kon hij geen tegenmaatregelen nemen. (9) In de emotionele voorkeur voor zijn zoons en vrouw was hij de ware zin van het leven kwijtgeraakt en vanwege Kâlakanyâ was alles verschraald wat voor de arme man zijn lust en leven was geweest. (10) Tegen zijn zin moest de koning de stad verlaten die onder de voet werd gelopen door de Gandharva's en Yavana's en geteisterd werd door de Dochter van de Tijd. (11) Enkel om zijn oudere broer Bhaya [genaamd 'de angst'] te behagen, stak Prajvâra [als 'de koorts'], ter plekke aanwezig, de stad in brand. (12) Toen de stad met al de burgers, bedienden en volgelingen in lichterlaaie stond, hadden Purañjana, het hoofd van de grote familie, en zijn vrouw en nakomelingen te lijden onder de hitte.

(13) Met de stad aangevallen door de Yavana's en ingenomen door Kâlakanyâ alsook met de problemen veroorzaakt door Prajvâra, raakte de bewaker van de stad [de slang] zeer bedroefd. (14) Hij kon de stad niet verdedigen [tegen het vuur] en had er grote moeite mee eraan te ontkomen. Het was alsof hij moest ontsnappen uit een holle boom die in de vlammen was geworpen. (15) Door de Gandharva's en de vijandige Yavana's verslagen in zijn lichaamskracht, o Koning, schreeuwde hij het, verzwakt in al zijn leden, gefrustreerd uit. (16) Welk lot was de dochters, zoons, kleinzoons, schoondochters, schoonzoons en metgezellen nu beschoren? Wat moest er terecht komen van het rijk en het paleis met al de rijkdom en goederen?

(17) Bij zijn afscheid richtte de huishouder zijn aandacht op het 'ik' en 'mijn' van zijn woning en zo gebeurde het dat hij, met een geest vol van strijdige gedachten, het er wat betreft zijn vrouw moeilijk mee had: (18) 'Als ik ben vertrokken voor een ander leven, hoe moet deze vrouw zich dan redden, verstoken van een echtgenoot en in tranen met al de kinderen van de familie om haar heen? (19) Ik at nooit als zij niet at, nimmer miste ik een bad als zij een bad nam. Zij was me altijd toegewijd en hield zich angstvallig stil als ik boos was, hoe bang ze ook was als ik haar terecht wees. (20) Ze gaf me goede raad als ik dwaas deed en ze was bedroefd en vermagerde als ik weg was. Zal ze, als moeder van zulke grote helden, vast kunnen houden aan het pad van haar huishoudelijke plichten? (21) Hoe moeten mijn arme zoons en dochters, die niemand anders hebben om op te vertrouwen, nu leven als ik uit deze wereld verdwenen ben? Het zal ze vergaan als een kapotte boot midden op zee!'

(22) Terwijl hij aldus met een tekortschietende intelligentie zich zinloos beklaagde, kwam de koning van de Yavana's genaamd Angst op hem af om hem in te rekenen. (23)  Purañjana werd door de Yavana's vastgebonden als een dier en naar hun wereld meegevoerd, gevolgd door zijn wenende getrouwen die zeer van streek waren. (24) Zo gauw de slang, die de stad had moeten prijsgeven, was ingerekend en direct achter hem aan vertrok, viel de stad uiteen en veranderde in stof. (25) Onder dwang meegevoerd door de machtige Yavana kon Purañjana, overdekt door de duisternis van zijn onwetendheid, zich niet zijn vriend en weldoener [de Superziel vanbinnen] herinneren die van het begin af aan bij hem was geweest. (26) Al de offerdieren die hij zo alleronvriendelijkst had gedood met bijlen en vervolgens aan stukken had gesneden, herinnerden zich vol woede die zondige handelingen van hem. (27) Voor een oneindig aantal jaren was hij in het voorbije verzonken in duisternis en moest hij, beroofd van alle intelligentie, vrijwel eindeloos de ellende ervaren van een onzuiver leven gericht op vrouwen. (28) Omdat hij [tot op het laatst] haar voor de geest had gehad, werd hij na zijn dood [herboren als] een welgestelde dame [een dochter] in het huis van de hoogst machtige koning Vidarbha [zie ook B.G. 8: 5]. (29) Als die dochter van Vidarbha werd zij [hij] als beloning voor getoonde moed uitgehuwelijkt aan Malayadhvaja ['zo stevig als de berg Malaya'] die als de beste van de geschoolden [een Pândya heerser] in het gevecht vele prinsen had verslagen en de veroveraar was van hun steden. (30) In haar verwekte hij een dochter met donkere ogen alsook zeven jongere machtige zoons* die de koningen werden van de zeven provincies in het zuiden van India [Dravida]. (31) Ieder van hen, o Koning, zorgde voor miljoenen en miljoenen nazaten die over de wereld heersten voor de duur van een manvantara en langer [zie 3.11: 24]. (32) Âgastya [de wijze; 'hij die uit een aarden pot werd geboren'] huwde de eerste dochter, die haar leven aan de Heer had gewijd, en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta ['de onneembare vesting'] die op zijn beurt de grote wijze Idhmavâha ['hij die het offerhout draagt'] als zoon kreeg.

(33) Nadat hij de hele wereld onder zijn zoons had verdeeld, ging de vrome koning genaamd Malayadhvaja naar Kulâcala in een verlangen Heer Krishna te aanbidden. (34) Haar thuis, kinderen en materiële geluk achterlatend volgde de dochter van Vidarbha met haar bekoorlijke ogen haar heer van wijsheid zoals de maneschijn de maan vergezelt. (35-36) Daar reinigde hij zich dagelijks zowel vanbinnen als vanbuiten met de heilige wateren van de rivieren genaamd de Candravasâ, de Tâmraparnî en de Vathodakâ. Hij voedde zich met bollen, zaden, wortels en vruchten, bloemen, bladeren, grassen en water, en zo vermagerde zijn lichaam geleidelijk aan met het beoefenen van zijn verzaking. (37) Gelijkmoedig overwon hij zo de dualiteiten van kou en hitte, wind en regen, honger en dorst, het aangename en het onaangename en geluk en leed. (38) Met de geloften [yama] en door regulatie [niyama] zich fixerend in zijn geestelijke [yoga]realisatie onderwierp hij zijn zinnen, leven en bewustzijn en verbrandden aldus al zijn onzuiverheden in de wetenschap van zijn verzaking [in het vuur van zijn toewijding, vergelijk 4.22: 24, 3.29: 17]. (39) Zo onbeweeglijk op één plaats zittend voor honderd godenjaren [zie 3.11: 12], wist hij, stabiel in zijn relatie tot Vâsudeva, de Opperheer, niets anders dan die aantrekking. (40) Als in een droom kon hij, met de alles doordringende Superziel, zichzelf volmaakt bewust onderscheiden: als de zelfbewuste getuige zich zeker voelend in zijn [goddelijke] onverschilligheid ['de verheugde held']. (41) Onder de rechtstreekse influistering van de Allerhoogste Heer, van de geestelijk leraar Hari [de zogenaamde caitya guru of de goeroe vanbinnen], o Koning, vond hij het zuivere licht van de spirituele kennis dat alle gezichtspunten verlicht [zie ook de zes darshana's]. (42) Hij die aldus in het bovenzinnelijk Absolute zichzelf zag en het Absolute Zelf in zichzelf, gaf, met dit voor ogen, zijn overwegingen op en trok zich [uit het leven] terug.

(43) Vaidarbhî, de dochter van Vidarbha, die haar man Malayadhvaja met liefde en toewijding diende, accepteerde haar echtgenoot als haar godheid, als de allerhoogste kenner van de beginselen, en gaf haar zinsgenoegens op. (44) In oude vodden, mager, dun vanwege haar geloften en met haar haar samengeklit, straalde ze, naast haar echtgenoot, zo vredig als de vlam van een vuur. (45) Terwijl hij daar gefixeerd in zijn meditatiehouding zat, hield de vrouw het vol hem te dienen zoals ze dat gewend was, totdat ze, na zijn heengaan, geen levensteken meer van haar geliefde echtgenoot kon bespeuren. (46) Toen ze hem dienend niet langer de warmte van zijn voeten voelde, sloeg het haar zo angstig om het hart als een hinde gescheiden van haar partner. (47) Haar lot betreurend hoe ellendig het is om het zonder een vriend te moeten stellen, begon ze in het bos hartverscheurend luid te huilen, waarbij ze haar borsten met haar tranen overgoot. (48) 'Sta op, alsjeblieft, sta op, o wijze Koning! Je zou deze wereld die, omringd door de zee, zo heel bang is vol van schurken en valse heersers, moeten beschermen!' (49) Aldus weeklagend viel de onschuldige trouwe vrouw op die eenzame plek neer aan de voeten van haar echtgenoot en liet ze haar tranen de vrije loop. (50) Ze bouwde een brandstapel van hout voor het lichaam van haar man en legde hem erop. Na het, vol treurnis, te hebben aangestoken, concentreerde ze zich om samen met hem [saha-marana] te sterven.

(51) Iemand die ze daar kende, een vriend van haar, een brahmaan, een zeer geleerd iemand, bracht haar zo vol tranen heel vriendelijk tot rust, met troostende woorden op haar inpratend over haar meester. (52) De brahmaan zei: 'Wie ben jij? Bij wie hoor je en wie is deze man die daar ligt en over wie je aan het huilen bent? Herken je Me niet als de vriend die je in het verleden hebt geraadpleegd? (53) O vriend, weet je nog hoe, niet bekend met de Superziel, je Mij als je vriend hebt opgegeven? Verlangend naar geborgenheid raakte je toen gehecht aan materieel plezier. (54) Jij en Ik,o grote ziel, zijn twee zwanen, twee vrienden die voor duizenden jaren aan één stuk dezelfde weg van de geest [van toewijding] bewandelden en toen gescheiden raakten van hun veilige haven [dat Mânasa meer van de zuivere geest]. (55) Jij die me als die zwaan verliet, o vriend, trok daarop rond over de aarde en kreeg een materialistische instelling. Je zag toen een stad die de liefde was van een bepaalde vrouw. (56) [In die verblijfplaats had je] vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie voorraadkamers, zes [handels]families, vijf marktplaatsen, vijf materiële elementen en één vrouw die er de baas was. (57) De tuinen zijn de vijf zinsobjecten, de poorten beste vriend, zijn de negen openingen van de zintuigen, de drie voorraadkamers zijn het vuur, het water en het voedsel en de families zijn de vijf zintuigen. (58) De vijf marktplaatsen vertegenwoordigen het vermogen tot handelen [de vijf zintuigen van handelen] en de vijf elementen vormen de basiselementen van de materiële natuur. De mens is een eeuwige beheerser van de krachten, maar als hij eenmaal die stad heeft betreden, staat hij niet meer in contact met de [oorspronkelijke] intelligentie. (59) In die situatie moest je onder de invloed van uiterlijke pracht, in haar gezelschap ervan genietend, het toen stellen zonder de herinnering aan de onuitputtelijke bron [van je geestelijk bestaan]. En zo heb je een staat vol van ellende en problemen bereikt, Mijn beste. (60) In feite ben je Vidarbha's dochter niet, noch is deze held van je [Malayadhvaja] je echtgenoot en weldoener. Ook was je niet de echtgenoot van Purañjanî door wie je opgesloten raakte in het lichaam met zijn negen poorten. (61) In feite is het zo dat je door deze begoochelende energie die Ik schiep, jezelf voor een man, een vrouw of een aseksueel wezen hield, en je daarbij ons tweeën vergat als zijnde [verenigd in de zuivere geest van] de zwanen. (62) Jij en Ik verschillen niet van elkaar [in kwaliteit]. Kijk eens naar jezelf, je bent net zoals Ik Mijn vriend. Het denkbeeldige verschil tussen ons tweeën wordt door geen enkele geleerde ook maar in de geringste mate onderkend. (63) Wij twee verschillen niet meer van elkaar dan het beeld, dat je van jezelf ziet in een spiegel of in de ogen van een ander, verschilt van je eigen lichaam [vergelijk 3.28: 40]. (64) Een individuele ziel die aldus als een zwaan samenleeft in het hart, verkeert, onderricht door de andere zwaan, in zelfverwerkelijking omdat hij dan de herinnering heeft hervonden die verloren was gegaan in de  gescheidenheid van Hem [in een materieel leven].'

(65)  'O Prâcînabarhi, ik droeg deze spirituele kennis aan u over in beeldspraak, omdat de Allerhoogste Persoonlijkheid, onze Heer, de Oorzaak Aller Oorzaken, ervan houdt om mysterieus te zijn.'

*: Deze zeven zoons zouden staan voor de in de aanvang zeven processen van de vidhi marga toegewijde dienst van horen, zingen, heugen, aanbidden, bidden, liefdevolle toegewijde dienst leveren en dienen van de voeten van de Heer. Later werd daaraan toegevoegd de raga marga processen van de evenwicht-vriendschap en het overgeven van alles.


Hoofdstuk 29: De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi

(1) Koning Prâcînabarhi zei: 'O grote wijze, we konden uw woorden niet echt goed begrijpen. De wijzen mogen doorhebben wat ze werkelijk inhouden, maar wij die gefascineerd zijn door vruchtdragende bezigheden kunnen dat niet.'

(2)
Nârada zei: 'De persoon van Purañjana ['hij die de stad geniet die het lichaam is'] moet men zien als de schepper van zijn eigen situatie waarin hij zich ophoudt in een één- [een geest], een twee-, een drie- [als met het hebben van een stok] of een vierbenig lichaam, dan wel een lichaam met vele benen of helemaal geen benen. (3) Hij die ik beschreef als zijnde onbekend [Avijñâta, 4.25: 10] is de vriend en Heer van de persoon, omdat Hij door de levende wezens nooit [geheel] wordt begrepen aan de hand van namen, handelingen en kwaliteiten [vergelijk Adhokshaja]. (4) Als het levende wezen volledig wil genieten van de basiskwaliteiten van de natuur, beschouwt hij [de menselijke gedaante van] het hebben van negen poorten, twee benen en twee handen, als iets goeds. (5) De jonge vrouw [pramadâ of Purañjanî] moet men dan zien als de intelligentie die verantwoordelijk is voor het 'ik' en 'mijn' van het toevlucht nemen tot het lichaam, waarmee dit levend wezen, sensibel met de geaardheden van de natuur, lijdt en geniet. (6) Haar vrienden vertegenwoordigen de zintuigen die tot waarnemen en handelen leiden, de vriendinnen staan voor de bezigheden van de zintuigen, terwijl de slang betrekking heeft op de levensadem in zijn vijf vormen [de opgaande (udana), de neergaande (apâna), de expanderende (vyâna), de balancerende (samâna) en de hooggehouden adem (prânavâyu)]. (7) De geest moet men zien als de o zo machtige [elfde] leider van de twee groepen van de zinnen en het koninkrijk Pañcâla als de vijf bereiken  [of voorwerpen] van de zinnen temidden waarvan de stad met de negen openingen wordt aangetroffen. (8) De twee ogen, twee neusgaten, twee oren en de geslachtsorganen en het rectum zijn dienovereenkomstig de paarsgewijze poorten samen met de mond [als de negende] waar men onder begeleiding van de zinnen doorheen gaat als men zich naar buiten beweegt. (9) De twee ogen, de neusgaten en de mond begrijpt men als de vijf poorten aan de voorkant [het oosten], met het rechter oor als de poort op het zuiden en het linker oor als de poort op het noorden, terwijl beneden in het westen zich de twee poorten bevinden die men het rectum en het geslachtsdeel noemt. (10) Zij die Khadyotâ en Âvirmukhî worden genoemd en op één plaats waren aangebracht, zijn de ogen waarmee de meester met zijn gezichtsvermogen de vorm genaamd Vibhrâjita kan waarnemen ['dat wat duidelijk wordt gezien', zie 4.25: 47]. (11) De poorten met de namen Nalinî en Nâlinî  vertegenwoordigen de twee neusgaten en de plaats genaamd Saurabha vertegenwoordigt de geur. De [metgezel genaamd] Avadhûta is de reukzin, Mukhyâ staat voor de mond met [als de vrienden] het spraakvermogen genaamd Vipana, en de smaakzin wordt Rasajña genoemd [zie 4.25: 48-49]. (12) Âpana heeft betrekking op het gebied van de tong en Bahûdana op het bereik van de verscheidenheid aan voedingsmiddelen, met [als de poorten] het rechter oor genaamd Pitrihû en het linker oor dat Devahû wordt genoemd [zie 4.25: 49-51]. (13) Als men samen met de metgezel van het horen genaamd S'rutadhara de weg volgt naar [het zuidelijk en noordelijk deel van] Pañcâla, kan men middels de processen van het genieten van de zinnen en de onthechting zoals beschreven in de geschriften [respectievelijk] Pitriloka en Devaloka bereiken.  (14) Naast de poort van het rectum genaamd Nirriti is er aan de onderkant het geslachtsdeel genaamd Âsurî, dat de poort vormt voor de seksualiteit van de gewone man [die in het gebied Grâmaka] zich aangetrokken voelt tot de geslachtsdaad die [de vriend] Durmada wordt genoemd [zie 4.25: 52-53]. (15) Vais'asa is [het gebied van] de hel en [de vriend] Lubdhaka is het uitscheidingsorgaan. De blinden waar je vervolgens van mij over vernam, zijn de benen en de handen waarmee de mensen aan hun werk beginnen [zie 4.25: 53-54]. (16) De privévertrekken worden gevormd door het hart en de dienaar genaamd Vishûcîna is het denken waarvan de materiële kwaliteit naar verluid in illusie, bevrediging of uitbundigheid resulteert. (17) Zo gauw het denken wordt geprikkeld en activeert in samenhang met de natuurlijke geaardheden, laat de individuele ziel, die [in feite] de waarnemer is, zich door die activiteiten meeslepen [zoals Purañjana door zijn koningin werd meegesleept, zie 4.25: 56].

(18-20) Het lichaam is de strijdwagen die, met de zintuigen als de paarden, in feite niet vooruit komt in de loop van de jaren. De twee wielen vormen de activiteiten van het baatzuchtig handelen en de vroomheid, de vanen zijn de drie basiskwaliteiten van de natuur en de vijf steunen zijn de vijf soorten adem. De teugel is de geest, de wagenmenner is de intelligentie, de zitplaats is het hart, de twee haken voor de harnassen vormen de dualiteit, de vijf wapens zijn de zinsobjecten en de zeven pantserplaten zijn de fysieke elementen [van nagels, huid, vet, vlees, bloed, been, en merg]. De [tien] commandanten van de vijf oogmerken en vijf benaderingswijzen vormen, met [de elfde commandant van de geest] het valse verlangen van de uiterlijkheid, de militaire macht van de elf processen van de vijf zinnen [de geest en de vijf zinnen van handelen en van waarnemen] waarmee men ter wille van het zinsgenoegen in afgunst bezig is [zie nogmaals 4.26: 1-3]. (21) Het jaar dat Candavega werd genoemd staat voor [het verstrijken van] de tijd in verband waarmee de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel moeten worden begrepen als zijnde de dagen en de nachten die met hun rondbewegen de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. (22) De dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning van de Yavana's ten gunste van dood en vernietiging werd aanvaard als zijn schoonzus, staat voor jarâ, de oude dag [zie 4.27: 19-30]. (23-25) Zijn volgelingen, de Yavana soldaten, vertegenwoordigen de verstoringen van de geest en het lichaam die, als de levende wezens in nood verkeren, snel aan de macht komen met Prajvâra in de vorm van de twee soorten van koorts [heet en koud, fysiek en mentaal conflict]. Aldus is hij die verblijft in het lichaam dat wordt bewogen door de materiële wereld, voor een honderdtal jaren onderworpen aan verschillende soorten van beproevingen teweeggebracht door de natuur, door andere levende wezens en door hemzelf. Daarin vasthoudend aan de fragmentarische aard van het zinsgenoegen, mediteert hij op het 'ik' en 'mijn' van zichzelf als degene die handelt en schrijft hij, ondanks zijn bovenzinnelijke natuur, aldus foutief de kenmerken van de levenskracht, de zinnen en de geest toe aan de ziel. (26-27) Als de persoon de Allerhoogste Ziel vergeet, de Almachtige Heer die de hoogste leraar is, geeft hij zich over aan de geaardheden van de natuur om daarin zijn geluk te vinden. Zich manifesterend met die basiskwaliteiten, begint hij aan levens passend bij zijn karma. Daarin wordt hij dan hulpeloos beheerst door het verrichten van vruchtdragende handelingen die van een witte [a-karma of dienst in goedheid], een zwarte [vi-karma of slechte daden in onwetendheid] of een rode aard zijn [regulier karma of werk met hartstocht voor het profijt; vergelijk B.G. 13: 22 en 4: 17]. (28) Afgaand op het licht van de goedheid bereikt men betere werelden, maar soms belandt men met zijn hartstocht voor het werk in de ellende en dan weer ziet men zich met een overmaat aan traagheid of duisternis in treurnis eindigen [zie B.G. 18a: 37-39]. (29) Soms is men een man en soms een vrouw en soms is men geen van beide. Dan weer is men zijn verstand kwijt en dan weer ben je een menselijk wezen, een dier of een god. Men neemt zijn geboorte overeenkomstig het karma dat men heeft met de geaardheden van de natuur. (30-31) Als een zielige hond die, geplaagd door de honger, van huis tot huis rondzwerft om dan weer beloond en dan weer gestraft te worden, reikt het levend wezen, met zijn najagen van verschillende soorten van hogere en lagere verlangens, tot het hoge en lage, of bewandelt hij een middenweg en bereikt hij zo, door zijn lot bepaald, dat wat aangenaam is of niet zo aangenaam [de 'hemel' of de 'hel']. (32) Hoewel het levende wezen, geconfronteerd met de verschillende vormen van ellende zoals veroorzaakt door de natuur, door anderen of door hemzelf, zijn tegenmaatregelen neemt, is het voor hem niet mogelijk de ellende een halt toe te roepen. (33-34) Hij doet in werkelijkheid niet meer dan wat een man doet die een zware last op zijn hoofd draagt en die last naar zijn schouder verplaatst. Alles wat hij, o zondeloze, in staat van illusie denkt te kunnen doen is een droom tegengaan met een andere droom. Het bestrijden van de ene [karmische] handeling met de andere vormt geen definitieve oplossing, alleen als je beiden tegenwicht biedt is dat het geval. (35) Net zoals er geen eind komt aan de subtiele manifestatie van de reflectie, waarin de geest ronddoolt als in een droom, komt er ook geen einde aan je ronddolen in de materiële wereld, ondanks dat de zinsobjecten geen gefixeerde werkelijkheid vormen. (36-37) Om een einde te maken aan de aaneenschakeling van ongewenste zaken [herhaalde geboorten] in het materiële bestaan, is het daarom voor de ziel van essentieel belang om van zuivere toewijding te zijn voor de geestelijk leraar. Hij staat voor het beoefenen van de bhakti yoga in relatie tot de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, Vâsudeva, waarmee het resultaat wordt verkregen van volkomen kennis en volledige onthechting. (38) Dat, o beste van de koningen, zal spoedig tot stand komen als men steeds trouw luistert naar en zich de verhalen herinnert over de Onfeilbare.

(39-40) 
Overal waar men de grote toegewijden aantreft, zuivere zielen breed van opvattingen wiens bewustzijn gericht is op het regelmatig reciteren van en vernemen over de kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, o Koning, vloeien uit de monden van de grote [voorbeelden, de leraren] de talrijke stromen van nectar over de handelingen van de doder van Madhu. Zij die zich daar gretig aan laven krijgen er nooit genoeg van. Honger, dorst, angst, weeklagen of illusie krijgen nimmer vat op hen die weten te luisteren [vergelijk 3.25: 25]. (41) De geconditioneerde individuele ziel echter die het steeds moeilijk heeft met wat de natuur hem biedt [aan angsten, pijnen, zorgen etc.], voelt zich niet aangetrokken tot de nectar-oceaan van verhalen over de Heer. (42-44) Brahmâ zelf, de vader van de stamvaders, Heer S'iva, Manu, de bestuurders van de mensheid onder leiding van Daksha, gestrenge celibatairen aangevoerd door Sanaka, Marîci, Atri en Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu, Vasishthha, en ikzelf tenslotte, zijn allen goed ingevoerde, gezaghebbende brahmaanse sprekers. Hoewel we inzicht hebben dankzij onze meditatie, kennis van zaken en verzakingen, kunnen we de Ziener Zelf, de Beheerser in het voorbije, niet doorgronden. (45) Bezig met het luisteren naar de onbegrensde geestelijke kennis en met het in mantra's bezingen van de heerlijkheden van de enorm uitgebreide deelvermogens [de halfgoden], kent men nog niet de Allerhoogste [zie voetnoot 1]. (46) Als Hij die zo vol van genade is, de Allerhoogste Heer, door een ziel wordt gerealiseerd, geeft zo iemand zowel zijn wereldse gezichtspunten als zijn gehechtheid aan Vedische rituelen op [zie ook B.G. 18: 66].

(47)
O mijn beste Prâcînabarhi, beschouw daarom nooit onwetend de schone schijn van het vruchtdragend handelen als je levensdoel. Ook al klinkt het [vergaren] nog zo mooi in je oren, het ware belang is er niet mee gediend [vergelijk B.G. 2: 42-43]. (48) Minder intelligente zielen spreken over de [vier] Veda's in het belang van rituelen en plechtigheden, maar zulke mensen weten niet [wat de ware strekking van de Veda's is], ze hebben er geen idee van waar ze de wereld van Heer Janârdana moeten zoeken [van Vishnu, Krishna als de overwinnaar van de weelde]. (49) U die [met uw zonen, de Pracetâ's] de ganse aarde bedekt hebt met het kus'a gras dat naar het oosten wijst [zie 4.24: 10], ontleent grote trots aan al het doden [van de offerdieren] en denkt van uzelf dat u zeer belangrijk bent. Maar u weet niet welk werk u te doen staat, met welke arbeid u de Allerhoogste Persoonlijkheid van God tevreden stelt, met welke kennis, welke scholing er het bewustzijn van Hem is. (50) De Allerhoogste Heer Zelf is de Superziel van allen die een materieel lichaam hebben aanvaard; Hij is de Beheerser van de materiële natuur. Zijn voeten vormen de toevlucht waarmee alle mensen in deze wereld hun geluk vinden. (51) Hij is inderdaad degene die het meest geliefd is, de Subtiele Persoon door wie er niet de geringste angst is. Alleen Hij verkeert volkomen in kennis. Enkel de persoon die dit geleerd heeft, is de geestelijk leraar die niet verschilt van de Heer.'

(52)
Nârada zei: 'Aldus heb ik uw vragen beantwoord, o man van wijsheid. Luister nu naar de gevestigde mening [van de wijsheid] omtrent een vertrouwelijk onderwerp die ik u ga toevertrouwen. (53) [Stelt u zich] een hert [voor] dat veilig met zijn hinde zijn gras staat te grazen in een veld vol bloemen. Ongestoord zijn gang gaand met in zijn oren de bekoring van het lied van de hommels, is hij zich er niet goed van bewust dat zich voor hem tijgers bevinden die snel willen toeslaan en dat er zich achter hem een jager ophoudt die op zoek is naar een kans om hem met zijn pijlen te doorboren. (54) De bloemen werken precies als een vrouw die met haar zoete bloemengeur de veiligheid van het huishoudelijk leven suggereert als resultaat van een onschuldig verlangen naar het zinsgenoegen van zoiets als bloemen plukken. Zo bevredigt men [zoals het hert], zijn verlangens in het altijd met de echtgenote verzonken zijn in gedachten aan seksuele bevrediging en in de geneugten van de tong. Het geluid van de verschillende hommels dat zo aangenaam in de oren klinkt kan je vergelijken met al de o zo aantrekkelijke praatjes waarmee je vrouw allereerst en waarmee ook je kinderen je geest volledig in beslag nemen. De tijgers voor hem staan samen voor al de momenten van de dagen en de nachten die, met het genieten van het huishoudelijk bestaan, onopgemerkt iemands levensduur bekorten. En achter hem, zich ervan verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager als de opzichter van de dood door wiens pijl iemands hart in deze wereld wordt doorboord. Stelt u zichzelf nu voor als degene wiens hart wordt doorboord, o Koning. (55) Verplaats u in het bewustzijn van dat grazende hert en geef de fixatie op met wat u in uw hart zo zeer koestert. Geef dat idee en die verhalen van het huishoudelijk bestaan op, dat zo abominabel vol is van seksuele beslommeringen, en wees, geleidelijk aan onthecht rakend, enkel uit op de toevlucht van de bevrijde zielen.'

(56)
De koning zei: 'O brahmaan, na dit machtige verhaal te hebben aangehoord en overwogen, moet ik zeggen dat de hoge heren [mijn leraren] dit niet wisten, want als dat zo was, waarom hebben ze me dit dan niet uitgelegd? (57) Maar mijn twijfels over hen, o brahmaan hebt u al pratend weggenomen. Zelfs de grootste wijzen die vrij zijn van sensuele handelingen, kan het mankeren aan bewustzijn. (58) Iemand die zijn lichaam opgeeft om een ander lichaam in een volgend leven te genieten, moet de gevolgen onder ogen zien van het karma dat hij in dit leven heeft opgebouwd. (59) Zo kent men de bewering van de Vedische geleerden die luidt: van alles wat men in het leven doet, ziet men niet direct de gevolgen in.'

(60) Nârada zei: 'Van het karma waar een persoon zich aan waagt, moet het gevolg in een leven erna onder ogen worden gezien, omdat [gestorven zijnd] er [in iemands onbelichaamde staat] niets verandert aan dat wat bij hem hoort: zijn bewijs van leven [het subtiele lichaam of de linga] en de geest daaromtrent. (61) Zoals een persoon in bed liggend en ademhalend, met het loslaten [van het grofstoffelijke] in zijn geest [dromend] de handelingen ondergaat waar hij zich [wakend] mee inliet, zo vergaat het hem ook in een gelijksoortig of ander [dierlijk] lichaam [of een andere wereld waarin hij reïncarneerde na zijn dood]. (62) Wat dit 'mijn' van de geest ook allemaal moge inhouden in de aanname van een 'ik', neemt het levend wezen met zich mee als de werklast die hij verwierf en met dat karma begint hij opnieuw aan een materieel bestaan. (63) Zoals iemands geestesstaat het gevolg is van wat hij zintuiglijk ervaart en wat hij in reactie doet, wordt men op dezelfde manier geestelijk gekenmerkt door geneigdheden die het resultaat zijn van fysieke handelingen verricht in een voorgaand leven. (64) Soms doemen willekeurige beelden op voor je geestesoog, zonder dat je die beelden ooit eerder hebt gehoord, gezien of ervaren. (65) O koning, neem van me aan als ik u zeg dat voor een levend wezen, dat geplaatst wordt voor een levenskenmerk dat zich zo opwerpt in het lichaam, zich geen enkel ding in de geest kan voordoen dat niet al eens eerder werd geprobeerd, ervaren of begrepen. (66) De geest die een mens heeft vormt een aanduiding van welke gedaanten hij heeft aanvaard in het verleden en - ik wens u al het beste toe - in een toekomstige geboorte zal aannemen, alsook of hij niet opnieuw geboorte zal nemen. (67) Wat iemand gedaan heeft in een andere tijd of op een andere plaats kan [dus] worden afgeleid van de beelden die men soms heeft in de geest van dingen die men in dit leven nog nooit eerder heeft gehoord of gezien. (68) Alles wat middels de zinnen wordt waargenomen kan zich op verschillende manieren in opeenvolging ordenend [of in diverse soorten van logica of individuele gezichtspunten] opwerpen in - en weer verdwijnen uit - het hart; ieder mens is begiftigd met een geest [vol van indrukken uit het verleden]. (69) Met de Fortuinlijke steeds aan je zijde verkerend in een geest van zuivere goedheid [vrij van hartstocht en onwetendheid], zal de wereld om je heen, [het z.g.  'hier en nu' die met al die indrukken kan zijn] als met de donkere verschijning van de [nieuwe] maan [ook wel Rahu genaamd met een eclips], aldus verbonden zich [glashelder] aan je openbaren. (70) Van dit bewustzijn, dat aldus vrij is van 'ik' en 'mijn', is een persoon gescheiden zolang de eeuwige inwoner [in de vorm van het subtiele lichaam van de levenskenmerken, geneigdheden of impressies, de linga] een afzonderlijke structuur van materiële kwaliteiten vormt bestaande uit intelligentie, geest, zinnen en zinsobjecten. (71) Diep in slaap, als men flauw valt of als men in een shocktoestand verkeert, valt de ademhaling stil en houdt de kennis van en het denken aan een 'ik' op, en dat is ook zo als men hoge koorts heeft of doodgaat. (72) Precies zoals de maan niet wordt gezien als die nieuw is, kan men ook niet de linga, het zelf van de levenskenmerken [het subtiele lichaam of ego], van een jong iemand in de baarmoeder en in de vroege jeugd waarnemen, omdat de elf [van de zinnen en de geest] nog onvolgroeid zijn. (73) Net zoals ongewenste zaken in een droom hun beloop moeten hebben [totdat men ontwaakt], komt er voor een ziel die zich steeds op zinsgenot richt - ondanks dat de zinsobjecten geen gefixeerde werkelijkheid vormen - ook geen einde aan zijn ronddolen in een materieel bestaan [***]. (74) De individuele ziel [de jîva] begrijpt men als een combinatie van de levenskracht met het, door de drie geaardheden bestuurde en in zestien geëxpandeerde, [subtiele] lichaam van de levenskenmerken, de linga [geëxpandeerd in de zestien van de vijf zinsobjecten, de vijf werkende en kennende zinnen en de geest]. (75) Hiermee [met deze linga] verwerft de persoon materiële lichamen die hij ook weer achter laat en komt hij aldus lichamelijk omhuld tot plezier, weeklagen, angst, misère en geluk [vergelijk B.G. 2: 13]. (76-77) Net zoals een rups niet verdwijnt als hij zijn lichaam moet opgeven [om een vlinder te worden], verdwijnt ook een mens niet, zolang hij zich identificeert met het lichaam dat hij had, als hij sterft na het beëindigen van zijn materiële activiteiten. Omdat de geest [meegevoerd door de linga] heerst over de mens, vormt die de oorzaak van het materiële [voort]bestaan van al de geschapen belichamingen. (78) Als men uit op resultaten steeds [tot de dood erop volgt] doorgaat met handelingen ter wille van het zinsgenoegen, raakt men door de begoocheling van die daden karmisch gebonden aan een [ander] fysiek lichaam [zie B.G. 3: 9]. (79) Hou u, om dat tegen te gaan, daarom met hart en ziel bezig met het toegewijd dienen van de Heer en beschouw daarbij de kosmische manifestatie als zijnde beheerst door Hem van wie er handhaving, schepping en vernietiging is [zie voetnoot **].'

(80)
Maitreya zei: 'Nadat Nârada, de machtigste, zuiverste en belangrijkste toegewijde, hem uitleg had verschaft over de positie van de twee zwanen [van de individuele ziel en de Opperziel die de Heer is], nam hij afscheid en vertrok hij naar de wereld van de vervolmaakte zielen [Siddhaloka]. (81) Met het achterlaten van instructies voor zijn zoons om de zorg voor de gewone man op zich te nemen, vertrok Prâcînabarhi, de wijze koning, toen ter wille van zijn verzakingen naar de geestelijke verblijfplaats van Kapila [te Gangâ-sâgara, daar waar de Ganges uitmondt in de baai van Bengalen, zie voor Kapila Canto 3.24-33]. (82) Aldaar met een eenpuntige geest sober levend aan de lotusvoeten van Govinda, slaagde hij, onophoudelijk Hem vererend, erin zich te bevrijden van zijn gehechtheden en middels zijn toewijding op te gaan in de Ene Werkelijkheid. (83) O zondeloze, een ieder die luistert naar of een beschrijving geeft van deze gezaghebbende, geestelijke lering zoals uiteengezet door Nârada, zal verlost raken van de lichamelijke levensopvatting [van de linga]. (84) Ontvangen uit de mond van de aanvoerder van de grote wijzen, zal deze vertelling, onder woorden gebracht, ieders hart zuiveren, omdat ze deze wereld heiligt met de roem van de Heer van de Bevrijding, Mukunda. Hij die het zingt zal terugkeren naar de geestelijke wereld en, vrij van alle gebondenheid, als een bevrijde ziel, niet langer rondwaren in deze materiële wereld. (85) Dit wonderbaarlijke spirituele mysterie [deze allegorie] waarover u van mij vernam betreffende een persoon [Purañjana] die bij zijn vrouw zijn toevlucht zocht, maakt een einde aan alle twijfels over [de kwestie van het hebben van een] leven na de dood.'

Zie ook: Reïncarnatie-artikel

*: Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, een beroemde commentator van het Bhâgavatam behorend tot de Madhvâcârya-sampradâya, behoren de twee volgende verzen te verschijnen na vers 45 van dit hoofdstuk. "Wat zou nu het verschil zijn tussen mensen en dieren als de intelligentie van allen berust op de dierlijke handhaving van het lichaam? Na zovele geboorten alhier een menselijk leven te hebben bereikt zal de individuele geestelijke ziel op de voorgrond staan als men, het pad van de spiritualiteit volgend, heeft gebroken met die lichamelijkheid, als men het onjuiste idee heeft opgegeven dat men een grofstoffelijk of subtiel lichaam zou zijn. (Vedabase)"

**: Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, verschijnen de twee volgende verzen na vers 79. "Als je van toewijding voor Krishna bent, van genade bent voor anderen, en van volmaakte kennis bent wat betreft het Ware Zelf, zal bevrijding uit de gebondenheid aan een materieel bestaan het gevolg zijn. Het grote geheim van dit alles is dat het materieel bestaan van wat we [zullen] zien en niet [meer] zien allemaal oplost, net als in je slaap; met andere woorden, alles wat er gebeurde in het verleden, gebeurt in het heden en gaat gebeuren in de toekomst, is niet meer dan een droom." (Vedabase)

***: De eerste twee regels van dit vers vormen in het Sanskriet een herhaling van de eerste twee regels van vers 35.



Hoofdstuk 30: De Activiteiten van de Pracetâ's

(1) Vidura zei: 'De zoons van Prâcînabarhi waar u voorheen over sprak, o brahmaan, stelden allen met succes de Heer tevreden met het lied van Heer S'iva [zie 4: 24]. Wat bereikten ze daarmee? (2) O discipel van Brihaspati, wat vonden de Pracetâ's op hun weg nadat ze de god van de berg Kailâsa [S'iva] hadden ontmoet die de Heer van de Emancipatie en Zaligheid zo dierbaar is? Ze zullen zeker de bovenzinnelijke positie wel bereikt hebben, maar wat voor een leven verwierven ze daar ongewild mee in deze wereld of in een volgend bestaan?'

(3) Maitreya zei: 'De Pracetâ's die bij het meer deden wat hun vader hen had opgedragen, stelden met het zingen van mantra's met hun verzaking Hem tevreden die zich in het hart ophoudt [de Allerhoogste Heer]. (4) Na de tienduizend jaar van hun gestrenge verzaking [zie ook 4.24: 14] verscheen toen de Oorspronkelijke Persoon van de Eeuwige Werkelijkheid voor hen, die ze geruststelde en beloonde met Zijn schoonheid. (5) Zittend op de rug van de vogel waarmee Hij rondreist [Garuda], zag Hij eruit als een wolk rond de top van de berg Meru en verdreef Hij, gehuld in een geel gewaad en met het juweel om Zijn nek, alle duisternis in de omtrek. (6) Glanzend van de gouden sieraden straalde Hij met Zijn helm op Zijn hoofd, Zijn verbijsterend mooie gelaat en Zijn acht wapens, terwijl een gevolg van wijzen en halfgoden Hem tot in de puntjes verzorgden en Garuda, als was hij een supermenselijk wezen [een Kinnara], Zijn Heerlijkheden bezong. (7) Met een bloemenslinger tussen Zijn acht stoere armen die bijna zo mooi was als de Godin van het Geluk, richtte de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God Zich met een stem zo diep als de donder tot de overgegeven zoons van Prâcînabarhi terwijl Hij ze genadevol aankeek. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer verheugd over jullie onderlinge vriendschap, over jullie bezigheid als vrienden in dezelfde plichtsopvatting, o zoons van de koning. Daarom mogen jullie Me, tot je grote geluk, om een gunst vragen. (9) Een ieder die zich iedere dag, iedere avond jullie herinnert, zal een zielsverwant zijn met zijn broeders en een vriend met alle levende wezens. (10) Zij die Mij 's ochtends en 's avonds aandachtig loven met het lied van Heer S'iva, zal Ik belonen met de vervulling van al hun verlangens en een zuiver intellect. (11) Jullie stralende heerlijkheid zal over de hele wereld bekend zijn omdat jullie zo van harte de opdracht van jullie vader hebben aanvaard. (12) Er zal een beroemde zoon zijn [van jullie] die, in kwaliteiten geenszins onderdoend voor Heer Brahmâ, de drie werelden zal bevolken met zijn nakomelingen. (13) De lotusogige dochter die de wijze Kandu kreeg van [het meisje uit de hemel genaamd] Pramlocâ, werd overgedragen aan de zorg van de [godheid van de] bomen, o zoons van Prâcînabarhi.  (14) Toen zij, geplaagd door honger, moest huilen, goot Soma, de Koning van de Maan, met behulp van zijn wijsvinger genadig de nectar in haar mond. (15) Verwek, gehoorzaam aan de opdracht van uw vader die Mij trouw volgt, nageslacht en trouw meteen met haar, die dochter van een grote schoonheid met zo vele kwaliteiten(16) Moge dit goedgemanierde, volslanke meisje met een karakter en plichtsbesef als dat van jullie, een volkomen toegewijde echtgenote voor jullie allen zijn. (17) Bij Mijn genade zal jullie macht miljoenen hemelse jaren [één jaar op aarde is één dag in de hemel, zie 3: 11] zonder onderbreking voortbestaan en zullen jullie alle aardse en hemelse geneugten genieten. (18) Wees daarom standvastig met Mij door toegewijde dienst; met jullie geest vrij van de smet van de geaardheden, zullen jullie, vrij van gehechtheid aan een materieel bestaan, Mijn hemel bereiken. (19) Zelfs voor personen die een huishoudelijk bestaan hebben opgebouwd, beschouwt men een dergelijk familieleven niet als een oorzaak van gebondenheid - niet als je ieder moment van je tijd besteed aan [het verrichten van] goede werken en [het luisteren naar en vertellen van] de verhalen over Mij. (20)  Als men deze altijd nieuwe Kenner heeft bereikt die aanwezig is in het hart als de Hoogste Geest van God, als degene waar de kenners van de Absolute Waarheid het over hebben, staat men niet te juichen of te jammeren en is men ook niet verbijsterd.'

(21) Maitreya zei: 'Toen ze Hem, de Heer, Hij die alle obstakels uit de weg ruimt, aldus hoorden spreken over het hoogste levensdoel, raakten de Pracetâ's in Zijn aanwezigheid verlost van de besmetting door onwetendheid en hartstocht en brachten ze, met haperende stemmen en gevouwen handen, gebeden voor de grootste van alle vrienden. (22) De Pracetâ's zeiden: 'Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen aan de vernietiger van alle leed die Zijn naam vestigde als de grootheid van de kwaliteiten die de snelste geest en rapste tong nog te boven gaat; alle eer aan Hem wiens wegen met behulp van onze zinnen niet te doorgronden zijn. (23) De Meest Vreedzame en Zuivere betuigen wij ons respect. Als men zijn geest heeft gevestigd op dat wat het Zijne is, verliest de wereld van dualiteiten zijn betekenis. Wij brengen Hem onze eerbetuigingen die, overeenkomstig de geaardheden van de natuur,  Zijn gedaanten aannam voor de handhaving, schepping en vernietiging van het universum. (24) Wij buigen voor U, de volmaakte zuiverheid van de goedheid, voor U, o Heer Hari, wiens intelligentie bevrijdt. U bent de alles doordringende Heer van het bewustzijn, Vâsudeva, Krishna, de bestaansreden van alle toegewijden. (25) Ons eerbetoon voor U, degene met de lotusnavel, de lotus-slinger, de lotusvoeten en de lotusogen. (26) We brengen Hem, de Allerhoogste Getuige, onze eerbetuigingen wiens gewaad, met de kleur van de gele saffraan van een lotusbloem, smetteloos is; onze eerbetuigingen voor Hem die de toevlucht van alle levende wezens is. (27) De gedaante die U ons die onder de materie te lijden hebben onthulde, o Heer, maakt aan talloze problemen een einde; wat voor genade kan men zich nog meer wensen? (28) U die in Uw mededogen door Uw expansies [en leraren] zichtbaar bent voor de bescheiden toegewijden, kan men zich middels zijn toegewijde dienst - met [de nodige achting voor de] tijd - steeds als zodanig herinneren [- als  zijnde zo fraai belichaamd en niet zo zeer in duizenden mantra's -],  o vernietiger van alle onheil. (29) Met die gedaante komen al de verlangens van de levende wezens tot rust, hoe diep ze ook gevallen mogen zijn in hun zwoegen - waarom zou U, verborgen in onze harten, onze verlangens ook niet kennen? (30) De zegen waar wij naar uitzien is dat u tevreden over ons bent, o Vader van het Universum, o Allerhoogste Heer en geestelijk leraar met wie men op het pad van de bevrijding het uiteindelijke doel bereikt. (31) Niettemin bidden we U om een gunst, o Heer van de transcendentie boven al het overige. Uw heerlijkheid is onbegrensd en zo bezingt men U als zijnde Ananta [de Onbegrensde]. (32) Een bij geheel tevreden met het bereiken van de Pârijâta-boom [de van honing druipende hemelse wensboom of kalpa-vriksha zoekt zijn heil niet bij een andere boom, dus waarom zouden we, met het bereiken van Uw lotusvoeten, met die grondslag van alles recht voor ogen, dan nog meer vragen? (33) Zolang we besmet zijn door Uw begoochelende energie [mâyâ], moeten we ronddolen in deze wereld al naar gelang onze werklast [ons karma]. Gun ons [daarom], zolang dat nog het geval is, het gezelschap van Uw liefdevolle toegewijden, wat voor een leven we ook mogen hebben. (34) Slechts een enkel ogenblik in het gezelschap te mogen verkeren van hen die gehecht zijn aan de Allerhoogste Heer, is niet te vergelijken met het bereiken van de hemel, noch met de liefde van het niet meer opnieuw geboren worden en al helemaal niet met de [zogenaamde] zegeningen van de sterfelijke zielen. (35) In dat gezelschap worden de zuivere verhalen besproken als gevolg waarvan alle materiële hunkering tot vrede komt en er onder de aanwezigen geen sprake is van ook maar de geringste afgunst of vrees. (36) Daar, waar Heer Nârâyana, het uiteindelijke doel van de verzakers, wordt aanbeden, is de Allerhoogste Heer persoonlijk aanwezig middels de steeds weer herhaalde gesprekken over de waarheid van hen die zich wisten te bevrijden van hun gehechtheden. (37) Hoe kan het ontmoeten van toegewijden, die zich te voet begeven naar de heilige plaatsen om er zuiverheid te brengen, nu niet een genoegen zijn voor degenen die in angst leven?  (38) Wij die een ogenblik persoonlijk in het gezelschap van Heer S'iva, Uw beminde vriend verkeerden, o Heer, hebben vandaag [daarmee] de bestemming bereikt die U bent, U, de bedreven arts om ons middels Uw omgang te genezen van de dood, de moeilijkst te genezen ziekte van het materieel bestaan. (39-40) We bestudeerden de geschriften, behaagden de leraren, de brahmanen en de ouderen, we waren goed voor spiritueel gevorderde zielen [de beschaafden, de âryans] en eerden, zonder enige afgunst, onze vrienden, broeders en alle levende wezens. We waren van zware boetedoening, o Heer, en onthielden ons bij het water  langdurig van voedsel. We deden dat alles enkel voor de zegen U, de meest verheven Persoonlijkheid van God, tevreden te zien. (41) Manu, Brahmâ, de machtige Heer S'iva alsook anderen, zuiverden hun bestaan met verzaking en kennis, maar konden niet de volle omvang van Uw heerlijkheden zien. Niettemin deden ze hun gebeden, net als wij, die dat doen zo goed we maar kunnen. (42) Wij brengen U onze eerbetuigingen, de Allerhoogste Bovenzinnelijke Persoon gelijk voor iedereen en altijd zuiver, de Allerhoogste alomtegenwoordige Heer van de eeuwige goedheid.'

(43) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de Pracetâ's zei de Heer, de beschermer van de overgegeven zielen, behaagd: 'Zo zij het [mogen uw gebeden in vervulling gaan'], en vertrok naar Zijn hemelverblijf. Maar ze wilden niet dat Hij vertrok, want ze hadden nog niet genoeg gezien van Hem wiens vermogen niet te overtreffen is. (44) De Pracetâ's verlieten daarop het water van het meer, maar toen ze zagen dat de wereld was overdekt door bomen die zeer hoog gegroeid waren, alsof ze de weg naar de hemel wilden versperren, werden ze kwaad. (45) Als met het vuur aan het Einde der Tijden stichtten ze toen in hun furie, o Koning [Vidura als een heerser over de zinnen], geholpen door de wind ['hun adem'] een brand om de aarde vrij te maken van bomen. (46) Toen Hij zag dat ze [vrijwel] alle bomen in de as hadden gelegd, kwam de Grote Vader [Brahmâ] om de zoons van Barhishmân tot vrede te bewegen met behulp van  de rede. (47) De resterende bomen, die zeer bevreesd waren, schonken toen, op advies van Brahmâ, hun dochter aan de Pracetâ's [zie vers 13]. (48) Ertoe opgedragen door Brahmâ, trouwden ze vervolgens allen met haar, genaamd Mârishâ, uit wie de zoon van de Aanstichter [de zoon van Brahmâ] wederom zijn geboorte nam omdat hij de Grootheid [S'iva zie 4: 2] niet had gerespecteerd(49) Hij was niemand anders dan Daksha, hij die, geïnspireerd door God gedurende de voorgaande manvantara [periode van Manu*] genaamd Câkshusha [de huidige wordt Vaivasvata* genoemd], zoveel mensen op de wereld had gezet als gewenst en na verloop van tijd ten onder was gegaan(50-51) Hij als iemand die direct na zijn geboorte met de schittering van zijn luister de schittering van ieder ander overtrof, werd vanwege zijn bedrevenheid in het vruchtdragend handelen [van het offers brengen] Daksha genoemd ['de bedrevene']. Aangesteld door het eerste levende wezen Brahmâ om al de mensen voort te brengen en in stand te houden, verzekerde hij er zich ook van al de andere stamvaders bij het proces te betrekken.'

*: De verschillende Manu's die bestaan gedurende één dag van Heer Brahmâ zijn de volgende: (1) Svâyambhuva, (2) Svârocisha, (3) Uttama, (4) Tâmasa, (5) Raivata, (6) Câkshusha, (7) Vaivasvata, (8) Sâvarni, (9) Daksha-sâvarni, (10) Brahma-sâvarni, ( 11) Dharma-sâvarni, (12) Rudra-sâvarni, (13) Deva-sâvarni en (14) Indra-sâvarni [zie ook 3: 11].


Hoofdstuk 31: Nârada Onderricht de Pracetâ's

(1) Maitreya zei: '[De Pracetâ's] ontwikkelden daarop [volgend op hun huwelijk met Mârishâ] een gerijpte visie. Met in gedachten wat de Heer in het Voorbije had gezegd [over de waarde van onthechting] droegen ze spoedig de zorg voor hun echtgenote over aan hun zoon [Daksha] en vertrokken ze van huis. (2) Zich in westelijke richting begevend naar de kust waar de wijze Jâjali verbleef, bereikten ze, als zijn leerlingen verenigd in de geest van het Absolute, de volmaaktheid van het inzicht in de ziel [die in een ieder aanwezig is]. (3) Zich de zithoudingen eigen makend, bereikten ze allen de volledige beheersing over hun ademhaling, geest, woorden en visie. Met het rechtop houden van hun lichamen hun geesten vrij houdend van onzuiverheden, zagen ze toen, tot vrede gekomen in hun betrokkenheid bij het bovenzinnelijke, Nârada verschijnen die [van oudsher] door zowel de verlichte als de onverlichte zielen wordt aanbeden. (4) Op het moment dat hij verscheen kwamen ze allen overeind, brachten ze ter verwelkoming hun eerbetuigingen en richtten ze zich met het voorgeschreven eerbetoon tot hem, nadat ze hem een comfortabele zitplaats hadden geboden. (5) De Pracetâ's zeiden: 'Welkom, o wijze onder de verlichte zielen! Welk een geluk u vandaag hier aanwezig te zien; uw komst is als de beweging van de zon, o grote brahmaan, ze verdrijft alle angst. (6) Met onze bovenmatige gehechtheid aan familiezaken, waren we bijna vergeten, o meester, wat Heer S'iva en de Heer in het Voorbije [Vishnu] ons voorhielden. (7) Maar wees, met u nu voor ons aanwezig, zo goed om in ons de bovenzinnelijke kennis van de Absolute Waarheid [weer] tot leven te wekken waarmee we met gemak de enorme oceaan van onwetendheid kunnen oversteken.'

(8) Maitreya zei: 'Aldus verzocht door de Pracetâ's kregen de koningen antwoord van de grote Nârada die, met zijn geest altijd verzonken in gedachten over de Heer Geprezen in de Verzen, van de grootste wijsheid was. (9)
Nârada zei: 'De Hoogste Persoonlijkheid is de Heerser over die geboorte, dat leven, die vruchtdragende arbeid, die geest en die woorden van de mensen, waarmee de Ziel van Alle Werelden gediend is. (10) Of men nu handelt in overeenstemming met wat menselijk is of met wat de Veda's zeggen of dat men nu zo lang leeft als een halfgod, wat voor nut hebben de drie geboorten in deze wereld van geboren worden uit zaad, door inwijding of door de arbeid van het offeren [van  s'aukra-sâvitra-yâjñikaih, zonder die dienstverlening]? (11) Wat heeft een Vedische opvoeding voor zin, wat heeft men aan verzakingen of welbespraaktheid, wat heeft men nu aan mentaal speculeren, een scherp intellect, fysieke kracht en zinsbeheersing? (12) Wat heeft men aan het beoefenen van yoga, de analytische studie, het aanvaarden van de wereldverzakende orde, het lezen van de geschriften of al de andere gunstige activiteiten, als er nimmer de [ware] tevredenheid is van het Allerhoogste Zelf van de Heer? (13) Het lijdt geen twijfel dat het Allerhoogste Zelf in feite het doel vormt van alle goedgunstige activiteiten en dat de Heer de geliefde Superziel is die aan de wieg staat van de oorspronkelijke identiteit [van de zelfverwerkelijking] van alle levende wezens. (14) Zoals met het bewateren van de wortels van een boom de stam, takken en twijgen gediend zijn en men ook met behulp van voedsel het [gehele] zinsapparaat in leven houdt, eert men evenzo een ieder [de medemensen, de halfgoden] als men van aanbidding is voor de Onfeilbare. (15) Zoals de zon het water dat neerregende geleidelijk aan weer doet verdampen en alle levende, bewegende en niet bewegende wezens weer opgaan in de aarde ['tot stof vergaan'], zo vergaat het onmiskenbaar ook de voortgebrachte materiële natuur [die uiteindelijk weer opgaat] in de Heer. (16) Zoals men zonlicht ziet van de zon, zoals de krachten van de zinnen zich tonen in de slaap en zoals de geestelijke kennis naar voren treedt als men zijn meningsverschillen - in de verwarring over materiële activiteiten - te boven is gekomen, hoort deze schepping waar wij ons in bevinden bij de bovenzinnelijke Ziel van het Universum waar ze ooit uit verscheen. (17) Net zoals er het opeenvolgend bestaan en afwezig zijn van de wolken is en er het afwisselend duister en licht van de hemel is, o leiders van de aarde, is er ook het voortdurend veranderen van het opeenvolgend verschijnen en verdwijnen van de energieën van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid [de guna's] in het Allerhoogste Absolute [van Brahman]. (18) Houdt u daarom, allen vereend in Zijn kwaliteit, bezig met het toegewijd dienen van rechtstreeks de Bovenzinnelijke Heer die de eigenlijke oorzaak [pradhâna] van de Tijd is, de oorspronkelijke Persoon en de Ene Allerhoogste Ziel is van het onbeperkte aantal individuele zielen*, Hij die, op basis van Zijn spirituele vermogen, losstaat van alles wat voortkomt uit het zelf. (19) Als men van genade is voor alle levende wezens, als men op deze of gene manier vrede heeft en als men al zijn zinnen in bedwang heeft, zal Janârdana, Hij die een ieder in beroering brengt, snel tevreden zijn. (20) In het hart geroepen van Zijn mensen die, met alle verlangens overwonnen en een ziel vrij van smetten, steeds groeien in hun toewijding, weet de Onvergankelijke [Vishnu], in Zijn ontvankelijkheid voor de waarheidlievenden, net zo min van wijken als de ruimte [van wijken weet wat betreft de werkelijkheid van de materie en de tijd]. (21) Hij aanvaardt nimmer wat personen met een onrein hart te bieden hebben, terwijl zij die, met vertrouwen in de ziel en met gevoelens voor de Heer, offers brengen zonder uit te zijn op bezittingen, Hem dierbaar zijn. Zij [die onzuivere zielen] die prat gaan op scholing, afkomst, rijkdom en vruchtdragende arbeid, maken zich [vaak] schuldig aan overtredingen jegens de toegewijden die vrij zijn van materiële motieven [voorbij de noodzaak]. (22) Hij die aan zichzelf genoeg heeft, maakt zich nooit zorgen over de godin van het geluk die Hem volgt, over de halfgoden die om haar gunst dingen of over hen die over de mensen heersen. Want hoe kan een dankbaar persoon zich nu afkeren van Hem die steeds aan de kant staat van de dienaren op Zijn pad?'

(23) Maitreya zei: 'O Koning [Vidura], nadat de wijze, de zoon van Brahmâ, aldus de Pracetâ's had geïnformeerd over de onderwerpen betreffende de Heer, keerde hij terug naar zijn geestelijke verblijfplaats [Brahmaloka]. (24)
Uit de mond van Nârada gehoord hebbend over de verheerlijking van de Heer die de zonden van de wereld wegneemt, mediteerden ze toen op de voeten van Hari en bereikten ook zij Zijn hemelverblijf. (25) In reactie op uw vragen, o Vidura, beschreef ik de heerlijkheid van de Allerhoogste Persoon. Dit is alles wat ik u te zeggen had over het gesprek van Nârada met de Pracetâ's.'

(26-27) S'
rî S'ukadeva zei: 'O beste van de koningen [Parîkchit], verneem nu, na deze getrouwe beschrijving van de dynastie van de zoon van Svâyambhuva Manu, Uttânapâda, van mij ook over de dynastie van Priyavrata [de andere zoon van Svâyambhuva, zie 3.12: 56, 4.1 en 4.8: 7]. Als iemand die van Nârada vernam over de kennis van de ziel, verdeelde hij, na keer op keer [zijn rechtschapen bestuur] te hebben genoten, de aarde onder zijn zoons en bereikte hij de bovenzinnelijke positie. (28) Toen dit alles werd beschreven door Maitreya en Vidura aldus de transcendentale boodschap vernam van de verhalen over de Onoverwinnelijke, nam zijn extase dermate toe dat hij er tranen van in zijn ogen kreeg. Overweldigd als hij was met de Heer in zijn hart, plaatste hij de voeten van de wijze op zijn hoofd.'

(29)
Vidura zei: 'Met wat u mij vandaag zo genadig liet zien over hoe je een einde aan je duisternis kan maken, o grote yogi, kunnen zij die vrij zijn van materiële motieven, de Heer bereiken.'

(30) S'
uka zei: 'Hem aldus de eer betuigend vroeg Vidura, die graag zijn familie wilde bezoeken, permissie om te vertrekken naar de stad Hastinâpura, waarop hij vertrok, met zijn geest in vrede. (31) O Koning, een ieder die luistert naar dit verhaal over koningen die hun ziel en zaligheid aan de Heer geven, zullen het goede geluk van een lang leven, weelde, materieel vermogen en een goede naam bereiken, alsook het uiteindelijke levensdoel.'

*: De Tijd, het ingrediënt en de Schepper worden samen tritayâtmaka genoemd, de drie oorzaken van deze materiële schepping.

**: Er zijn vier orden van de schepping: hemel, aarde, de levende wezens en hun maatschappelijke orde.

Aldus eindigt het vierde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Schepping van de Vierde Orde**, de Bescherming door de Heer.

  


Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/