Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http: //bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2012


 

Canto 4a

De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer


Inleiding

Hoofdstuk 1 Stamboom van de Dochters van Manu

Hoofdstuk 2 Daksha Vervloekt Heer S'iva

Hoofdstuk 3 Het Gesprek tussen Heer S'iva en Satî

Hoofdstuk 4 Satî Verlaat Haar Lichaam

Hoofdstuk 5 Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

Hoofdstuk 6 Brahmâ stelt Heer S'iva Tevreden

Hoofdstuk 7 Het Offer ten Uitvoer Gebracht door Daksha

Hoofdstuk 8 Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

Hoofdstuk 9 Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

Hoofdstuk 10 Het Gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

Hoofdstuk 11 Svâyambhuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

Hoofdstuk 12 Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

Hoofdstuk 13 Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

Hoofdstuk 14 Het Verhaal van Koning Vena

Hoofdstuk 15 Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

Hoofdstuk 16 Koning Prithu Geprezen

Hoofdstuk 17 Prithu Mahârâja Wordt Kwaad op de Aarde

Hoofdstuk 18 Prithu Mahârâja Melkt de Aarde

Hoofdstuk 19 Koning Prithu's Honderd Paardoffers

 

 

Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis, de geschiedenis van de oorspronkelijke kenniscultuur van India. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Heer Krishna vormt een keerpunt in de geschiedenis tussen de oude Vedische cultuur en de 'moderne' politieke cultuur waarin het bestuur niet langer vanzelfsprekend onder leiding staat van de geestelijkheid.  Het boek vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârata oorlog te Kurukshetra toe. Daarin kwam de Vedische cultuur ten val om plaats te maken voor de verbokkelde godsdienstigheid die we nu Hindoeïsme noemen. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya, ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd (1486-1534), de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor de persoon van God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de
Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de vertaler dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis, welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed en becommentarieerd tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie van de verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting van de gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishavanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie
file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g.
Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (onze linkspagina).

Met liefde en toewijding,

Anand Aadhar Prabhu, Enschede,

Nederland, 17 april 2012.


Hoofdstuk 1: Stamboom van de Dochters van Manu

(1) S'rî Maitreya zei: 'Svâyambhuva Manu verwekte bij zijn vrouw S'atarûpâ zowel [twee zoons als] drie dochters genaamd Âkûti, Devahûti en Prasûti, zoals u weet [zie 3.12: 56]. (2) Hoewel Âkûti broers had * werd ze aan de grote wijze Ruci uitgehuwelijkt op voorwaarde dat de koning de daaruit resulterende zoon zou krijgen. Dit kwam tot stand met de ondersteuning van religieuze riten en de instemming van zijn vrouw. (3) Ruci, de zeer machtige grote wijze die de voortplanting was toevertrouwd, verwekte een stel kinderen met haar die van de grootste spirituele en brahmaanse kracht waren. (4) Het mannelijk kind van de twee, Yajña ['Hij van het Offer'], was een directe verpersoonlijking van Vishnu terwijl het andere, vrouwelijke kind Dakshinâ Zijn onafscheidelijke volkomen deelaspect, de Godin van het Geluk [Lakshmî] was. (5) De zeer machtige zoon die door de dochter ter wereld werd gebracht werd naar het huis van de overgelukkige Svâyambhuva Manu gebracht, terwijl Ruci Dakshinâ voor zichzelf hield. (6) De Heer en meester van alle offers trouwde met haar, die altijd zeer naar Hem verlangde. Heel blij als ze was om Hem als haar echtgenoot te hebben, die zelf ook zeer met haar was ingenomen, bracht ze toen twaalf zoons ter wereld. (7) De twaalf waren: Tosha, Pratosha, Santosha, Bhadra, Sânti, Idaspati, Idhma, Kavi, Vibhu, Svahna, Sudeva en Rocana. (8) In het tijdperk van Svâyambhuva stonden ze bekend als de Tushita halfgoden. Marîci was toen de aanvoerder van de wijzen en Yajña was de koning van de halfgoden [Indra]. (9) De twee zoons van Manu, Priyavrata en Uttânapâda, waren in die periode de grootste van alle koningen en hun zonen, kleinzonen, achterkleinzonen en hun nageslacht volgden in hun voetsporen gedurende die periode van Manu. (10) Beste Vidura, over Svâyambhuva die zijn dochter aan Kardama overhandigde, heb je me uitgebreid horen spreken [zie 3.12: 57]. (11) De grote persoonlijkheid Svâyambhuva schonk Prasûti aan Daksha, de zoon van Brahmâ, wiens nageslacht zich enorm over de drie werelden verspreidde. (12) Ik vertelde u reeds over de negen dochters van Kardama die de echtgenotes werden van de negen grote wijzen [zie 3.24: 21-25]. Luister nu naar mijn beschrijving van de geslachten die uit hen voortkwamen. (13) De dochter van Kardama, de vrouw van Marîci ook wel Kalâ genaamd, bracht Kas'yapa en Pûrnimâ ter wereld wiens kinderen zich over heel de aarde verspreidden. (14) Pûrnimâ kreeg zoons met de namen Virajâ, Vis'vaga, o overwinnaar, en een dochter genaamd Devakulyâ, die het water werd dat van de Heer Zijn lotusvoeten spoelde en later de hemelse rivier, de Ganges vormde. (15) De vrouw van Atri Muni, genaamd Anasûyâ, baarde drie zeer beroemde zoons: Dattâtreya, Durvâsâ en Soma [de maangod], welke [gedeeltelijke] incarnaties zijn van respectievelijk de Superziel [Vishnu], Heer S'iva en Heer Brahmâ.'

(16) Vidura zei: 'O geestelijk leraar, kan u me vertellen hoe in het huis van Atri de belangrijkste halfgoden, verantwoordelijk voor de handhaving, schepping en vernietiging, konden verschijnen met het verlangen iets te doen?'

(17) Maitreya zei: 'Er toe aangezet door Heer Brahmâ om zich voort te planten ging Atri, de belangrijkste van de geleerden in de spirituele kennis, samen met zijn vrouw naar de grote berg genaamd Riksha om daar te verblijven voor boetedoeningen. (18) Daar in het woud bevonden zich vele as'oka- en palâs'abomen en bloemen, met overal het geluid van het stromende water van de rivier de Nirvindhyâ. (19) Zijn geest beheersend door het reguleren van zijn ademhaling, verbleef de wijze daar een honderdtal jaren levend van de lucht terwijl hij op het ene been van de non-dualiteit stond. (20) Hij dacht: 'Door mijn heil bij Hem te zoeken heb ik me aan Hem overgegeven, moge Hij die de meester van het universum is, mij een zoon schenken die net zo is als Hij.' (21) Uit het hoofd van de wijze kwam een vuur voort gevoed door zijn adembeheersing dat, met de beoefening van zijn boete, werd opgemerkt door de drie belangrijkste goden van de drie werelden. (22) [Samen met] de Apsara's, de muni's, de Gandharva's, de Siddha's, de Vidyâdhara's en de Nâga's kwamen [ze] naar de hermitage van hem die aldus bekend was geraakt. (23) Toen hij al deze halfgoden en grote persoonlijkheden tegelijkertijd zag verschijnen, klaarde de geest van de wijze op die op zijn ene been tot bewustzijn was gekomen. (24) Hij herkende de symbolen van hun persoonlijke attributen [trommel, kus'agras en werpschijf] alsook de stier, de zwaan en de vogel Garuda waarop ze zaten, en wierp zich toen met gevouwen handen recht voor hen neer om zijn eerbetuigingen te brengen. (25) Verblind door de stralende gloed van hun glimlachende gezichten en hun genadevolle tevreden blikken, sloot de wijze zijn ogen. (26-27) Met dat beeld voor ogen formuleerde hij met gevouwen handen extatisch zijn gebeden voor hen die in alle werelden hoogst gewaardeerd worden. Atri zei: 'Ik buig me neer voor U, Heer Brahmâ, Heer S'iva en Heer Vishnu, o U die, zoals u altijd doet in de verschillende tijdperken, Uw lichamen hebt aangenomen overeenkomstig de basiskwaliteiten van de natuur voor  de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Wie van U heb ik feitelijk aangeroepen? (28) Wees zo genadig, verklaar voor mij die zo hevig twijfelt, hoe het zo kan zijn dat U, hoewel ver verheven boven de geesten van de belichaamde zielen, hier allen bent verschenen terwijl ik mijn geest concentreerde op de Ene Grote Heer van Al het Geluk met het doel een kind te verwekken?'

(29) Maitreya zei: 'O machtige ziel, nadat ze de woorden hadden gehoord van de grote wijze, gaven alle drie de hoofdgoden hem glimlachend en in vriendelijke bewoordingen antwoord. (30) De halfgoden zeiden: 'Het zal gebeuren zoals u er toe besloot en niet anders. Voor u die steeds vastberaden volhield, o beste brahmaan, zijn wij allen één en de zelfde [persoon] waar u op mediteerde. (31) Daarom zullen onze volkomen deelaspecten - de zoons die uit u zullen worden geboren - zeer vermaard in de wereld zijn, beste wijze, en tot uw grote geluk uw glorie verspreiden.'

(32) De leidende halfgoden, die volmaakt aanbeden aldus hun zegeningen hadden uitgesproken, keerden voor ogen van de echtelieden vervolgens terug naar hun verblijfplaatsen. (33) Soma verscheen als een gedeeltelijke expansie van Heer Brahmâ, Dattâtreya als een oppermachtige yogi van Heer Vishnu en Durvâsâ als een partiële incarnatie van S'ankara [S'iva]. Verneem nu over de generaties die voortkwamen uit Angirâ. (34) S'raddhâ, de vrouw van Angirâ, bracht de dochters Sinîvâlî, Kuhû en Râkâ ter wereld met Anumati als de vierde. (35) Behalve hen verwekte hij twee zoons die zeer beroemd waren in het tijdperk van Svârocisha Manu [de tweede Manu na Svâyambhuva]: het waren de machtige Utathya en Brihaspati, de meest vooraanstaande kenner van de Absolute Waarheid. (36) Pulastya bracht via zijn vrouw Havirbhû, Âgastya ter wereld, die in zijn volgende leven Dahrâgni ['van het vuur van de spijsvertering'] zou zijn, en Vis'ravâ, die groot was in verzaking. (37) De halfgod Kuvera, de koning van de Yaksha's [zijn bovennatuurlijke bedienden], kwam door Vis'ravâ ter wereld. Hij nam zijn geboorte uit Idavidâ, terwijl de zoons Râvana, Kumbhakarna en Vibhîshana werden geboren uit een andere vrouw [genaamd Kes'inî]. (38) Gati, de echtgenote van Pulaha, o toegewijde, bracht drie kuise zonen ter wereld [Karmas'reshthha, Varîyân en Sahishnu] die alles van karma afwisten en zeer respectvol en tolerant waren. (39) Kriyâ, de vrouw van de wijze Kratu, bracht zestigduizend wijzen voort die leefden naar de Vâlakhilya [een aantal Rig-veda verzen over het teruggetrokken bestaan]. Zeer brilliant blonken ze uit in het brahmaanse perspectief. (40) Verwekt door de wijze Vasishthha kwam uit Ûrjâ [ook wel Arundhatî genoemd], o grote ziel, Citraketu ter wereld als de eerste van zeven zoons die allen grote en zuivere wijzen waren van Brahman, de Absolute Waarheid. (41) Dat waren Citraketu, Suroci, Virajâ, Mitra, Ulbana, Vasubhridyâna en Dyumân. Ook kwamen er S'akti en andere zoons ter wereld uit een andere vrouw van hem. (42) Ook Citti [ook wel bekend als Sânti], de vrouw van Atharvâ, kreeg in haar volkomen overgave aan de Dadhyañca gelofte [de gelofte van meditatie] een zoon genaamd As'vas'irâ. Verneem nu over het geslacht van Bhrigu. (43) Bhrigu, zeer fortuinlijk, verwekte bij zijn vrouw Khyâti, de zoons Dhâtâ en Vidhâtâ en een dochter genaamd S'rî, die van grote toewijding voor de Heer was. (44) Aan deze twee zoons werden Âyati en Niyati, twee dochters van de wijze Meru, uitgehuwelijkt en daaruit kwamen Mrikanda en Prâna voort. (45) Mârkandeya Muni werd geboren uit het zaad van Mrikanda en uit Prâna kwam de grote wijze Vedas'irâ voort wiens hoogst machtige zoon genaamd Kavi Bhârgava ook bekend stond als Us'anâ [ofwel S'ukrâcârya]. (46-47) O Vidura, ik heb voor u gesproken over hoe met het nageslacht van de wijze Kardama al de grote wijzen met hun afstammelingen de drie werelden bevolkten met de kleinzoons die uit hun lendenen geboren werden. Het met geloof hierover vernemen is de beste manier om terstond de zonde uit te bannen.

Prasûti, een dochter van Manu, trouwde met de zoon van Brahmâ die Daksha heet. (48) Met haar verwekte hij zestien lotusogige dochters. Dertien werden er uitgehuwelijkt aan Dharma en één werd er aan Agni geschonken. (49-52) Eén dochter schonk hij aan de gezamenlijke voorvaderen en één gaf hij aan Heer S'iva de verlosser van de zondaars. S'raddhâ, Maitrî, Dayâ, Sânti, Tushthi, Pushthi, Kriyâ, Unnati, Buddhi, Medhâ, Titikshâ, Hrî en Mûrti zijn de namen van Daksha's dochters die aan Dharma werden geschonken. S'raddhâ gaf geboorte aan S'ubha, Maitrî kreeg Prasâda, Dayâ kreeg Abhaya, Sânti kreeg Sukha, Tushthi kreeg Muda, Pushthi kreeg Smaya, Kriyâ kreeg Yoga, Unnati kreeg Darpa, Buddhi kreeg Artha, Medhâ kreeg Smriti, Titikshâ kreeg Kshema en Hrî kreeg Pras'raya. Mûrti, die alle goede kwaliteiten in zich had, bracht de wijzen Nara en Nârâyana ter wereld. (53) Het verschijnen van Hen beiden maakte het hele universum blij en bracht ieders geest tot vrede. In alle windrichtingen werden de rivieren, de bergen en de atmosfeer aangenaam.  (54-55) De halfgoden, Brahmâ en anderen droegen allen vol respect hun gebeden op. Uit de hemelen weerklonken muziekinstrumenten, er werden bloemen uit de hemel gestrooid, de wijzen hieven tevreden Vedische hymnen aan, de Gandharva's en Kinnara's begonnen te zingen, de hemelse maagden dansten, en zo zag men alle goede voortekenen. (56) De goden zeiden: 'Onze eerbetuigingen voor de Allerhoogste Oorspronkelijke Persoonlijkheid die middels Zijn uitwendige energie de verscheidenheid van al het bestaande schiep dat zich in Hem bevindt zoals men wolkenmassa's in de hemel aantreft, in Hem die vandaag verschenen is in het huis van Dharma in de gedaante van deze wijzen. (57) Moge Hij die we kennen aan de hand van de Veda's en die - om een einde te maken aan het ongeluk van de geschapen wereld - ons, de halfgoden, in het leven riep vanuit de geaardheid goedheid, ons Zijn genadevolle blik gunnen die de smetteloze lotus, waarin de Godin van het Geluk huist, nog overtreft.'

(58) O Vidura, na aldus te zijn geprezen door de verzamelde halfgoden die de genade van Zijn blik vonden, vertrok de Allerhoogste Heer naar de Gandhamâdanaheuvel. (59) Het zijn deze twee [Nara-Narâyana] partiële [ams'a-]incarnaties van de Allerhoogste Heer Hari die nu, om de last van de wereld te verlichten, hier verschenen zijn in de gedaante van de twee van Krishna [Krishna en Arjuna] die de beste zielen zijn van de Kuru- en Yadudynastie. (60) Svâhâ [de dochter van Daksha en] de vrouw van Agni, de vuurgod, bracht drie zonen ter wereld: Pâvaka, Pavamâna en S'uci die zich voeden met de offergaven. (61) Zij op hun beurt brachten vijfenveertig vuurgoden voort, zodat er, alles bij elkaar, negenenveertig van hen zijn, de vaders en grootvader meegerekend. (62) Zij vormen de namen van de [49] vuren waarin de kenners van het Brahman tijdens Vedische offerplechtigheden hun kleinschalige offers [ishthi's] voor Agni brengen. (63) De voorvaderen bestaan uit de Agnishvâtta's, Barhishada's, Saumya's en Âjyapa's; men benadert hen [met het brengen van plengoffers van water] met dan wel zonder vuur en Svadhâ, Daksha's dochter, is hun echtgenote. (64) Zij schonken haar twee dochters, Vayunâ en Dhârinî, die beiden expert waren in de kennis en de wijsheid [van de transcendentie] van de onpersoonlijke weg van Brahman. (65) De echtgenote van Bhava [een naam van S'iva] genaamd Satî, diende de halfgod trouw, maar kon geen kind op de wereld zetten met haar kwaliteiten en karakter. (66) De reden was dat haar vader [Daksha] zich ongunstig woedend had opgesteld tegenover de foutloze [S'iva] waardoor ze, verbonden in de yoga, haar lichaam moest opgeven, nog voordat ze de volwassenheid had bereikt.'

*: Normaal gesproken wordt als een vrouw broers heeft ze niet onder deze voorwaarden uitgehuwelijkt. De kleinzoon wordt geadopteerd om de erfenis over te nemen en zo via de mannelijke lijn de nalatenschap veilig te stellen. Dit heet putrikā-dharma: een zoon krijgen door een religieus ritueel.  S'rîla Vis'vanâtha Cakravartî Thhâkura geeft hier als commentaar de verklaring bij dat Manu wist dat de Hoogste Persoonlijkheid als de zoon van Âkûti zou verschijnen. Zo werd Hij dan zijn zoon.




Hoofdstuk 2: Daksha vervloekt Heer S'iva

(1) Vidura zei: 'Waarom toonde Daksha zich vijandig jegens Heer S'iva, de beste onder de zachtmoedigen, terwijl hij zijn dochter Satî, waar hij zoveel om gaf, verwaarloosde? (2) Hoe kon hij hem nu haten die de geestelijk leraar is van de hele wereld en die, van binnenuit tevreden met een vredelievende persoonlijkheid vrij van vijandschap, de grootste halfgod van het universum is? (3) Satî gaf  het leven op dat zo moeilijk op te geven is. Zeg me daarom, o brahmaan, om welke reden de schoonvader en schoonzoon ruzie hadden?'

(4) Maitreya zei: 'Eens in het verleden hadden op initiatief van de heerser over de schepping [de Prajâpati], al de onsterfelijken, de wijzen, samen met de filosofen, de halfgoden en de goden van het vuuroffer en al hun volgelingen, zich verzameld ter gelegenheid van een offerplechtigheid. (5) Toen hij [Daksha] bij die grote vergadering binnentrad, bood dat de wijzen een aanblik van hem als zijnde iemand die, vrij van de duisternis van onwetendheid, straalde met een luister gelijk die van de zon. (6) De leden van de vergadering samen met hen die voor het vuur zorgden, stonden toen, onder de indruk van zijn luister, allen op van hun zitplaatsen, met uitzondering van Heer Brahmâ en Heer S'iva. (7) Daksha, de grote heer, die gepast werd verwelkomd door de leiders van de bijeenkomst, bracht de ongeborene [Brahmâ], de meester van de wereld, zijn eerbetuigingen en ging op zijn aanwijzing toen zitten. (8) Voordat hij zijn plaats innam voelde hij zich echter door de zittende Heer S'iva beledigd, die geen blijk van respect gaf. Hij verloor zijn zelfbeheersing en zei met een kwade blik in zijn ogen het volgende. (9) 'Luister, o wijzen onder de brahmanen, o goddelijken en vuurgoden, naar mijn woorden over de manieren van de zachtmoedigen, en ik doe dit niet uit onwetendheid of uit jaloezie. (10) Hij [S'iva] heeft met een gebrek aan manieren schaamteloos de eer bezoedeld van de heersers van het universum en het pad bedorven van de juiste gedragswijze. (11) Zich voordoend als een eerlijk man, heeft hij [als een zoon van mij] een ondergeschikte positie aanvaard door de hand van mijn dochter te accepteren in de aanwezigheid van vuur en brahmanen. (12) Met het accepteren van de hand van haar die ogen heeft als die van een hertje en met zelf de ogen van een aap, heeft hij mij niet, zoals het hoort, geëerd met een welkomstwoord en door van zijn zitplaats op te staan. (13) Tegen mijn zin gaf ik mijn dochter weg aan iemand met minachting voor de regels en voorschriften, aan iemand die onzuiver en trots gebroken heeft met de gedragsregels, alsof ik de boodschap van de Veda's aan een s'ûdra doorgaf! (14-15) In het gezelschap van geesten en demonen dwaalt hij rond op begraafplaatsen waar lichamen worden gecremeerd en lacht en huilt hij als een waanzinnige waarbij hij, met zijn haar in de war, zich besmeurt met de as van de brandstapel. Hij draagt een slinger van schedels en is versierd met dodemansbeenderen; alleen in naam is hij S'iva of goedgunstig. In feite is hij ongunstig, waanzinnig en geliefd bij de waanzinnigen, hij is hun leider en Heer vergroofd in de geaardheid onwetendheid. (16) Aan hem, de Heer van de Spoken verstoken van alle reinheid met een hart vol van akelige zaken, heb ik helaas, op verzoek van de hoogste meester [Brahmâ], Satî weggeschonken.'

(17) Maitreya zei: 'Na aldus S'iva beledigd te hebben die zich zelf van vijandigheden weerhield, waste Daksha zijn handen en mond met water en begon hij hem kwaad te vervloeken: (18) 'Het aandeel van het offer aan God dat de halfgoden samen met Indra, Upendra [de jongere broer van Indra] en de anderen toekomt, is er niet voor de laagste onder de halfgoden.' (19) Hoewel de leden van de vergadering er op aandrongen dat niet te doen, keerde Daksha, nadat hij S'iva had vervloekt, terug naar huis, o Vidura, want hij was zeer kwaad geworden. (20) Begrijpend dat Heer S'iva was vervloekt, liep Nandis'vara, één van zijn volgelingen, rood aan. Blind van woede veroordeelde hij scherp Daksha en de brahmanen die het hadden toegestaan dat de vervloeking plaatsvond.

(21) 'Moge hij die in de fysieke aanwezigheid van hem, de niet-afgunstige Heer S'iva, afgunst koestert en aldus zijn verstand kwijt is met een dualistische visie, zijn greep op de werkelijkheid verliezen. (22) Hij die zich aangetrokken voelt tot een huishoudelijk bestaan vol van voorgewende religiositeit en in een verlangen naar materieel geluk zich overgeeft aan vruchtdragende bezigheden, zal zijn intelligentie aangaande het Vedisch woord verloren zien gaan. (23) Hij die, met een intelligentie waarmee men het lichaam aanziet voor het zelf, de kennis van Vishnu heeft vergeten en als een dier gehecht is aan het seksleven, laat die onmatige Daksha, gauw de kop van een geit krijgen! (24) Mogen zij die hem volgen in zijn beledigingen en in de onwetendheid van hun vruchtdragende handelingen versuft hun intelligentie en kennis zijn kwijtgeraakt, telkens weer hier in de oceaan van materieel lijden belanden. (25) Mogen zij die zo afgunstig zijn op Heer S'iva en wiens geesten zo traag zijn geworden door de bekoorlijke, bloemrijke taal van de Veda's die zo doortrokken is van de geur van honing, voor altijd versuft zijn. (26) Laten de brahmanen die het zochten in scholing, verzaking en geloften met de bedoeling er financieel op vooruit te gaan en hun fysieke zinnen te bevredigen, maar van deur tot deur als bedelaars rondzwerven, wat dan ook etend!'

(27) Toen Bhrigu de woorden hoorde van deze vloek tegen de klasse van de tweemaal geborenen, formuleerde hij in reactie daarop een onoverkomelijke vloek overeenkomstig de brahmaanse manier van afstraffen: (28) 'Moge een ieder die er een gelofte op aflegt Heer S'iva te behagen en dergelijke principes navolgt, een atheïst worden die afdwaalt van de schriftuurlijke bepalingen. (29) Mogen zij die zich lieten initiëren om S'iva te aanbidden en de reinheid hebben afgezworen en dwaas hun haren lang hebben, beenderen dragen en bedekt zijn met as, hun bestemming vinden in bedwelming. (30) Aangezien u [Nandîs'vara], de Veda's en de brahmanen die de gevestigde orde van de samenleving hooghouden hebt belasterd, hebt u uw heil gezocht in het atheïsme. (31) In de Veda's, die in het verleden altijd strikt werden nageleefd omdat ze het eeuwige pad goedgunstig voor alle mensen vormen, vindt men het bewijs van Janârdana [de Heer als degene die iedereen het beste wenst]. (32) Met het belasteren van die verheven en zuivere geest die de eeuwige weg is van de waarheidlievenden, bent u gedoemd in atheïsme te vervallen waarin u als uw godheid de Heer van de materie en de dood [S'iva als Bhûtapati] heeft!'

(33) Maitreya zei: 'Nadat S'iva aldus ter sprake was gekomen met de vloek van Bhrigu, vertrok de Allerhoogste, lichtelijk terneergeslagen, vandaar met zijn volgelingen. (34) En zo stelden de vaderen van de mensheid zich voor een duizendtal jaren in op de offerplechtigheid,, o grote meester, waarin Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, de belangrijkste van alle goden is. (35) Na hun harten te hebben gezuiverd door een ritueel, afsluitend bad te nemen op de plaats waar de Ganges en de Yamunâ samenvloeien, vertrokken ze allen van daar om terug te keren naar hun eigen verblijfplaatsen.'



 

Hoofdstuk 3: Het gesprek tussen Heer S'iva en Satî

(1) Maitreya zei: 'En zo bleef de hartgrondige vijandschap die bestond tussen de schoonvader en de schoonzoon, een lange tijd bestaan. (2) Toen Daksha door Brahmâ, de allerhoogste leraar, werd aangewezen als de belangrijkste van alle stamvaders van de mensheid, raakte hij zeer verwaand. (3) S'iva en zijn volgelingen negerend begon hij, na eerst een Vâjapeya-offer te hebben gebracht, [het offer van 'de beker van de kracht of de veldslag'] aan het beste van alle offers genaamd het Brihaspati-sava-offer [het aanvangsoffer ter ere van de belangrijkste offeraar van de gebeden en gaven]. (4) Daartoe verzamelden zich alle godsbewuste zielen en geleerden van de wijsheid, de voorvaderen en de halfgoden met inbegrip van de fraai opgesierde echtgenotes die hun mannen begeleidden. (5-7) Satî, de dochter van Daksha en vrouw van S'iva, hoorde de hemelbewoners van boven praten over het grote festival dat door haar vader werd gehouden. Toen ze vervolgens bij haar in de buurt van alle kanten de mooie vrouwen van de godsbewusten met glinsterende ogen, in mooie jurken met gouden oorbellen en ornamenten om hun halzen, zich in hun hemelse voertuigen rond zag bewegen om daar met hun echtgenoten naar toe te gaan, richtte ze zich hoogst verontrust tot haar echtgenoot, de Heer en meester van de Bhûta's [zij die van de materie en de doden zijn]. (8) Satî zei: 'Je schoonvader Daksha, is begonnen aan een grote offerplechtigheid waar alle godsbewuste zielen naar toe gaan en waar wij dus zeker ook naar toe kunnen gaan mijn liefste, als je dat wilt tenminste. (9) Ik ben er zeker van dat mijn zussen samen met hun echtgenoten er ook naar toe zullen gaan, vol van verlangen hun verwanten te treffen. Ik zou graag met jou en al de sieraden die me gegeven zijn die bijeenkomst bij willen wonen. Vind je dat goed? (10) Ik zal er mijn zussen en hun echtgenoten ontmoeten alsmede mijn lieve tantes en mijn moeder. Ik kijk er al een lange tijd naar uit hen te treffen en ook de offervanen te zien die zijn gehesen door de grote wijzen, o genadige. (11) Voor jou, o Ongeborene, is deze manifestatie van Zijn uitwendige energie, die werd geschapen als een interactie van de drie geaardheden, zo iets wonderbaarlijks. Maar ik ben slechts je arme vrouw die niet van de waarheid op de hoogte is en graag haar geboorteplaats weer eens wil zien, o Bhava [S'iva als de Heer van het bestaan]. (12) O nimmer geborene met je blauwe keel, alle vrouwen, opgesierd en met hun echtgenoten en vrienden, gaan er samendrommend in grote getale naar toe, zich prachtig aftekenend in de lucht met hun witte zwanen die hen hoog dragen. (13) Hoe kan ik als de dochter nu emotioneel onberoerd blijven, o beste van de halfgoden, als ik hoor over het festival dat plaatsvindt in het huis van mijn vader? Ook als je niet bent uitgenodigd kan je toch nog wel naar het huis van je vriend, je echtgenoot, je vader of je geestelijk leraar gaan, nietwaar? (14) Wees daarom zo goed voor me, o onsterfelijke, en geef gehoor aan mijn wens, o achtenswaardige meedogende Heer met je onbegrensde visie. Zie mij als je [volwaardige] fysieke wederhelft, wees alsjeblieft zo genadig in te stemmen met mijn verzoek.'

(15) De wijze zei: 'De bevrijder van de berg Kailâsa [Heer S'iva] aldus aangesproken door zijn liefste, gaf, beminnelijk als hij was voor zijn verwanten, glimlachend antwoord terwijl hij zich de hartverscheurende, boosaardige woorden herinnerde die Daksha had uitgesproken in de aanwezigheid van de meesters van de schepping. (16) De grote Heer zei: 'Wat je zei mijn liefste schoonheid, is helemaal waar; men kan zelfs zonder te zijn uitgenodigd naar vrienden gaan, mits ze er niet op uit zijn je fouten aan te wrijven en, wat nog belangrijker is, als ze vrij van woede zijn in hun trots over de materiële verworvenheden. (17) Zij die arrogant zijn, zijn verblind in hun trots over de zes kwaliteiten van de deugd van scholing, de verzaking, de weelde, de schoonheid, de jeugd en een goede afkomst. Zonder achting voor de grote zielen raken ze daarentegen verstrikt in onwaarheid en verliezen ze hun juiste zin voor de werkelijkheid. (18) Men moet niet naar het huis van verwanten en vrienden gaan die, in hun veronderstellingen, de dingen niet zien zoals ze zijn en aldus hun gasten koeltjes onthalen door ze tegemoet te treden met geheven wenkbrauwen en woede in hun ogen. (19) De pijlen van een vijand raken iemand niet zo diep in het hart als het verdriet dat men ondervindt door de misleidende, barse woorden van verwanten, want onder zulk verdriet gaat de getroffene dag en nacht gebukt. (20) Het is duidelijk dat jij met je knappe gezicht en je goede gedrag de lieveling bent van de dochters van de Prajâpati [Daksha], niettemin, zal je, door je verbondenheid met mij, pijn ondervinden omdat je vader mij niet eert. (21) Iemand die met een brandend hart van streek is, is niet zomaar in staat om zelfs maar te tippen aan de standaard van het voorbeeldig vroom gedrag van hen wiens geesten altijd uitgaan naar de Oorspronkelijke Persoon, net zomin als demonen in hun afgunst op de Heer zich vroom kunnen gedragen. (22) O liefste jonge vrouw van me, het opstaan en elkaar verwelkomen met eerbetoon is een deugd van de wijzen die, intelligent jegens het Allerhoogste, dat doen terwille van de Oorspronkelijke Persoon die zich in het lichaam ophoudt en zeker niet terwille van degene die zich vereenzelvigt met het lichaam. (23) Het zuivere bewustzijn dat bekend staat als Vasudeva [de 'goedheid van God'] openbaart zich daarin [in het hart] omdat de persoon in die positie in goedheid verkeert en niet overdekt is [door duisternis]. De Allerhoogste Heer respecteer ik als zodanig altijd met de naam Vâsudeva [de 'God van de ziel'], omdat Hij de transcendentie is. (24) We moeten daarom niet naar je vader Daksha gaan en zijn Vis'vasrik volgelingen aanwezig bij de offerplechtigheid. [Bedenk wel dat] hoewel hij je jouw lichaam schonk, o Satî, hij mij afgunstig met wrede bewoordingen heeft beledigd, ik die onschuldig was. (25)  Als jij mijn woorden in de wind slaat en besluit er [op eigen houtje] naartoe te gaan, zullen de zaken zich voor jou niet ten gunste keren. Met dat jij, die zo respectabel bent, door je verwant beledigd bent, zal die belediging gelijk staan aan ter plekke sterven.'
 

Hoofdstuk 4: Satî Verlaat Haar Lichaam

(1) S'rî Maitreya zei: 'Nadat hij dit allemaal gezegd had over het [mogelijke] einde van het fysieke bestaan van zijn vrouw, viel Heer S'iva stil. Omdat ze nu dankzij S'iva begreep dat ze kon kiezen tussen er naar verlangen haar verwanten te zien en er bang voor zijn om ze te bezoeken, stond ze in dubio of ze nu wel of niet moest gaan. (2) Gefrustreerd in haar verlangen haar familieleden te treffen had ze het er moeilijk mee en liet ze geëmotioneerd haar tranen de vrije loop. Trillend keek ze boos naar haar Bhava, de ongeëvenaarde, alsof ze hem wilde verbranden. (3) Zwaar ademend liep ze weg bij hem, de heilige haar zo dierbaar die zij de helft van haar lichaam had geschonken. Van slag door de treurnis en woede in haar hart, ging ze, met haar intelligentie versluierd door haar vrouwelijke aard, toen naar het huis van haar vader. (4) Snel in haar eentje vertrekkend werd Satî terstond gevolgd door de duizenden metgezellen en Yaksha's van de drieogige [Heer S'iva] die werden aangevoerd door Manimân en Mada. Niet bang [Heer S'iva alleen achter te laten] hadden ze de stier Nandî voorop geplaatst. (5) Met haar op de uitgedoste stier gezet namen ze haar lievelingsvogel, bal, spiegel, lotusbloem, witte parasol, muskietennet, bloemenslingers en andere zaken mee onder de begeleiding van de muziek van trommels, schelphoorns en fluiten. (6) Zo betrad ze de offerplaats waar, met de offerdieren, potten, klei, hout, ijzer, goud, het gras en de huiden om op te zitten en in de aanwezigheid van de grote wijzen en gezagsdragers, de offerplechtigheid werd gehouden opgeluisterd door de geluiden van Vedische hymnen overal eromheen.  (7) Maar toen ze daar aankwam werd ze, uit angst voor degene die het offer bracht [Daksha], door niemand met respect verwelkomd, behalve dan natuurlijk door haar eigen zussen en moeder die haar vol eerbied omhelsden met verheugde gezichten en kelen verstikt door tranen van genegenheid. (8) Satî echter, niet welkom geheten door haar vader, reageerde niet op het eerbetoon van de begroetingen van haar zusters, moeder en tantes die met gepast respect naar behoren haar op de hoogte stelden en haar geschenken en een zitplaats boden. (9) Inziend dat haar vader zonder offergaven voor S'iva, uit minachting voor de godheid, de machtige niet voor de bijeenkomst van het offer had uitgenodigd, werd Satî zeer kwaad met een vlammende blik als wilde ze de veertien werelden verzengen. (10) De godin begon toen goed hoorbaar in het bijzijn van allen met woorden vol van woede S'iva's tegenstanders te vervloeken die zo trots waren op hun moeizame offers, terwijl ze S'iva's Bhûta's die klaar stonden om tot de aanval over te gaan, gebood zich afzijdig te houden. (11) De godin zei: 'Niemand in de wereld is zijn [S'iva's] rivaal, zijn vijand of hem [bijzonder] dierbaar. Wie anders dan u [o vader] zou jaloers zijn op hem, hij, het meest geliefde wezen van het universum, die vrij is van vijandigheid? (12) In tegenstelling tot u, o tweemaal geborene, zoekt hij geen fouten in de kwaliteiten van hen die de waarheid zoeken. Bij anderen bevordert hij eerder, zoveel hij kan, ieder beetje goed dat hij aantreft. En nu zit u bij hem, de grootste van alle personen, fouten te vinden. (13) Het wekt geen verbazing, dit steeds maar denigreren van glorieuze personen door hen die het vergankelijke lichaam aanzien voor het ware zelf. Het is een lelijk kwaad jaloers te zijn op grote persoonlijkheden, voorbeelden bij het stof van wiens voeten men - tot zijn geluk - zijn vuur getemperd ziet. (14) Personen die slechts een enkele keer vanuit hun hart de twee lettergrepen van zijn naam uitspreken, zien hun zondige handelen onmiddellijk verslagen. Voor die S'iva, wiens gebod nooit wordt geminacht en die van een onberispelijke reputatie is, koestert u nu vreemd genoeg haat en nijd. (15) In dienst aan zijn lotusvoeten oefenen de hogere persoonlijkheden hun bij-gelijke geesten terwille van de nectar van de bovenzinnelijke verrukking, terwijl hij voor de gewone man degene is die men zoekt om alle wensen in vervulling te doen gaan. Dat uitgerekend u nu tegen hem moet zijn, hij de vriend van alle levende wezens in al de drie werelden! (16) Denkt u nu werkelijk dat anderen dan u, zoals Heer Brahmâ en zijn brahmanen, geen weet hebben van de ongunstige roep van hem die wordt geassocieerd met de demonen en die, met zijn loshangende samengeklitte haren, is omhangen met schedels en besmeurd is met as van de begraafplaats? Niettemin nemen zij wel de bloemen op hun hoofden die van de voeten vielen van hem die goedgunstig oftewel S'iva wordt genoemd! (17) Als je wordt geplaatst voor mensen die onverantwoordelijk de heerser van de religie belasteren, zou je je oren moeten dichtstoppen en weg moeten lopen, als het niet anders kan. En als je wel iets kan doen, zou je met geweld de tong van dergelijke kwaadsprekende godslasteraars moeten uitsnijden en vervolgens je leven moeten opgeven. Dat is de manier om dat soort zaken aan te pakken! (18) Daarom zal ik niet langer dit lichaam met me meezeulen dat ik van u, die S'iva ['met de donkere nek'] belasterde, heb ontvangen. Om je te zuiveren van het per ongeluk gegeten hebben van giftig voedsel kan je maar het beste gaan overgeven, zo zegt men. (19) Verheven transcendentalisten die behagen scheppen in hun leven, houden zich niet altijd aan de regels van de Veda's, de weg van de goden verschilt van die van de mensen. Je moet [daarom] niet iemand anders [zoals S'iva] de maat willen nemen vanuit je eigen unieke plichtsbetrachting [zie ook B.G. 18: 47]. (20) Naar waarheid wordt er in de Veda's onderscheid gemaakt tussen handelingen in gehechtheid en handelingen in onthechting [pravritti en nivritti dharma]. Op basis van die twee kenmerken van het dharma heb je aldus twee keuzen. Om van beide te zijn is strijdig en zo kan het dan zijn dat geen van deze bezigheden naar de zin is van de transcendentalist. (21) O vader, de wegen die wij volgen zijn niet de uwe, ze worden niet aangeprezen door hen die, bevredigd door het voedsel van de offers, het rituele pad volgen en zo aan hun trekken komen. Ze vormen het pad van de geheelonthouders die de niet-gemanifesteerde vorm van het offeren volgen. (22) Met uw overtredingen jegens S'iva en het ontkennen van dit lichaam dat werd voortgebracht door uw lichaam, zeg ik: genoeg is genoeg! Ik schaam me ervoor dat ik voor zo'n verwerpelijke geboorte heb gekozen. Wat een schande is het om door je geboorte verwant te zijn met zo'n slechte persoon, met iemand die grote persoonlijkheden beledigt. (23) Vanwege de familieband die ik met u heb wordt ik er triest van als ik mijn grote Heer S'iva mij 'dochter van Daksha' hoor noemen. Al mijn vreugde en glimlachen verdwijnen dan onmiddellijk. Daarom zal ik deze zak met beenderen die door uw lichaam werd voortgebracht opgeven!'

(24)
Maitreya zei: 'O vernietiger van de vijand, aldus in het offerperk tot Daksha sprekend, ging ze in stilte op de grond zitten met haar gezicht naar het noorden. Na water te hebben beroerd sloot ze, gehuld in saffraankleurige kleding, toen haar ogen om de verzonkenheid te vinden in het proces van de yoga. (25) In de beheersing van haar yogahouding bracht ze de inwaarts en uitwaarts gaande adem in evenwicht en stuurde zij die geen blaam treft haar levensadem naar boven. Met intelligentie hief ze hem geleidelijk op van de navelcakra naar het hart, van het hart naar de luchtpijp en van de keel naar de plek tussen haar wenkbrauwen. (26) In haar verlangen het op te geven vanwege haar woede jegens Daksha, concentreerde zij die keer op keer vol van respect op de schoot van de meest aanbiddelijke van alle heiligen had gezeten, zich door de oefening van haar wilskracht op de lucht en het vuur in haar lichaam. (27) Toen ze daar mediterend in haar geest niets anders voor zich zag dan de nectargelijke lotusvoeten van haar echtgenoot, de hoogste geestelijk leraar van het universum, en ze vrij was van alle smetten, stond spoedig het lichaam van Satî in lichterlaaie door het vuur dat voortkwam uit haar verzonkenheid.

(28)
Van de kant van hen die er daar getuige van waren ontstond er een in de hemel en op aarde luid weerklinkend, wonderbaarlijk tumult: 'Ohhh..., helaas heeft Satî, de geliefde godin van de meest respectabele halfgod, haar leven opgegeven uit woede over Daksha. (29) Och, zie toch hoe enorm zielloos hij is, de Prajâpati uit wie alle generaties zijn ontsproten. Met zijn gebrek aan respect heeft zij vrijwillig haar lichaam opgegeven, zij, zijn eigen dochter Satî die ons herhaalde respect volkomen waard is. (30) Hij zo hardvochtig en de brahmaanse status onwaardig, zal wijd en zijd een slechte roep verwerven in de wereld omdat hij met zijn overtredingen, als een vijand van Heer S'iva, niet wist te verhinderen dat zijn eigen dochter zich voorbereidde op de dood!' (31) Terwijl de mensen onderling zo met elkaar spraken na getuige te zijn geweest van de wonderbaarlijke dood van Satî, stonden de dienaren van S'iva met geheven wapens op met de bedoeling Daksha te doden. (32) Maar zo gauw hij ze zag aankomen offerde Bhrigu snel offergaven in het zuidelijke vuur terwijl hij hymnen uit de Yajur Veda reciteerde om de vernietigers van een offer af te weren. (33) Door de gaven die werden geofferd door Bhrigu manifesteerden zich bij duizenden de halfgoden genaamd de Ribhu's die, dankzij de maan [Soma] en door boetedoeningen, grote kracht hadden verworven. (34) Al de geesten en Guhyaka's [de wachters van S'iva] werden door hen aangevallen met stukken brandhout uit het vuur. Aldus door de gloed van enkel de brahmaanse macht [opgejaagd], vluchtten ze daarop weg in alle richtingen.'

 

Hoofdstuk 5: Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

(1) Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî veroorzaakt door de schaamteloosheid die de Prajâpati aan de dag legde en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgekomen uit Daksha's offervuur, werd hij ongekend kwaad. (2) Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide met een elektrisch vuur. Abrupt opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet de haar op de grond. (3) Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen en een duizendtal armen had die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur. (4) Toen hij [genaamd Vîrabhadra] met gevouwen handen de grote Heer vroeg: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer van de Geesten?', zei de Heer hem: 'Jij als de aanvoerder van mijn bondgenoten, o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!'

(5) Met die opdracht omliep hij, als de woede van de woede van de god van de goden, de machtige S'iva. Met de niet te keren kracht die de allergrootste hem geschonken had, beschouwde hij zich als oppermachtig, mijn beste Vidura, en aldus in staat om welke kracht dan ook te trotseren. (6) Met banden om zijn enkels die een hard geluid maakten en een schrikwekkende drietand in zijn handen die zelfs de dood kon doden, haastte hij zich toen met een luide brul weg, daarbij gevolgd door S'iva's soldaten die [mee]brulden met een enorm lawaai. (7) Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de yajña en al de personen verzameld, vanuit het noorden de duisternis van een zandstorm opdoemen. De brahmanen en hun vrouwen begonnen toen te speculeren over waar dat stof vandaan kon komen: (8) 'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn want de oude Koning Barhi is nog steeds in leven om hen te straffen en de koeien worden ook niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?'

(9) De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit gevaar is nu het gevolg van de zonde van Daksha die, als Satî's heer en schepper, zijn volmaakt onschuldige dochter heeft beledigd in de aanwezigheid van haar zusters. (10) Of zou hij het zijn die, als de eindtijd is aangebroken, danst met zijn wapens als vlaggen gehesen in zijn handen en met zijn bos haar loshangend, terwijl hij de heersers met zijn puntige drietand doorboort en zijn luide lach als een donderslag in alle windrichtingen laat weerklinken? (11) Hoe kan er nu geluk zijn als je, van Brahmâ zijnd, hem kwaad maakt, als je de woede opwekt van hem die nu met een ondraaglijke gloed vol van woede de hemel verduistert met de vreselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'

(12) Terwijl de mensen [verzameld bij de offerplechtigheid van] Daksha allen zo aan het praten waren, konden ze nerveus om zich heen kijkend overal en bij herhaling talloze beangstigende voortekenen waarnemen in de lucht en op de aarde [als gevolg] van de grote Heer [zijn woede]. (13) Spoedig, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra die met allerlei opgeheven wapens overal rondrenden met hun gedrongen, geel en zwart gekleurde, op haaien lijkende lichamen en gezichten.

(14) Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen. (15) Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die ter wille van de offerplechtigheid brandden, sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde en sommigen urineerden er. (16) Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en grepen de godsbewuste zielen die vlakbij zaten en vluchtten. (17) Manimân nam Bhrigu Muni vast, Vîrabhadra ['de grote'] ving Prajâpati Daksha, Candes'a pakte Pûshâ beet en Nandîs'vara greep de halfgod Bhaga. (18) Gebukt onder een regen van stenen, stonden al de priesters, goddelijke zielen en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren, doodsangsten uit en verspreidden ze zich in alle richtingen. (19) S'iva's machtige verschijning [Vîrabhadra] rukte, temidden van allen daar bijeen, de snor van Bhrigu Muni eraf, van hem die de offerlepel had vastgehouden waarmee de uitgietingen werden gedaan, want hij had het gewaagd om met zijn [trotse] snor S'iva uit te lachen. (20) Bhaga's ogen werden door de grote krijgsheer die hem zeer kwaad ter aarde had geworpen, uitgestoken in het bijzijn van de Vis'vasrik's, daar hij door de bewegingen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van Heer S'iva had aangemoedigd. (21) Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij [Vîrabhadra] Pûshâ de tanden uit de mond omdat die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva. (22) Maar toen hij, met zijn voet op de borst van Daksha, met een scherpe bijl zijn hoofd van zijn romp wilde scheiden, kon de drie-ogige reus dat niet voor elkaar krijgen. (23) Noch met wapens, noch met behulp van mantra's in staat om hem enkel maar een schrammetje toe te brengen, was Vîrabhadra met stomheid geslagen en moest hij diep nadenken. (24) Toen viel zijn oog op het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van de romp van Daksha, de heer die over het offer heerste maar nu zelf een offerdier was.

(25) Al de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva juichten van vreugde toen ze hem dat zagen doen, terwijl de volgelingen van Daksha het tegengestelde ondergingen. (26) In zijn grote woede jegens Daksha gooide Vîrabhadra het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijke offervuur en stak hij al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van de verblijfplaats van hun meester [Kailâsa, 'daar waar de Guhyaka's verblijven'].'


Hoofdstuk 6: Brahmâ stelt Heer S'iva tevreden

(1-2) Maitreya zei: 'Nadat al de halfgoden door de soldaten van Rudra waren verslagen met drietanden, speren, zwaarden, knuppels en hamers, brachten ze, over hun hele lichaam gewond, samen met al de priesters en de andere leden van de bijeenkomst in grote angst Heer Brahmâ hun eerbetuigingen en deden hem toen gedetailleerd verslag van de gebeurtenissen. (3) Op voorhand wetend van de onafwendbaarheid van deze gebeurtenissen hadden de Heer geboren uit de lotusbloem [Brahmâ] en Nârâyana, de Superziel van het ganse universum [Vishnu], de offerplechtigheid van Daksha niet bijgewoond. (4) Toen ze hoorden over wat zich had voorgedaan zei Heer Brahmâ: 'Een grote persoonlijkheid is geweld aangedaan en dat is, gegeven de wens om in vrede te leven, over het algemeen niet bevorderlijk voor het welzijn. (5) Ondanks het begaan hebben van deze overtredingen in het Heer S'iva ontzeggen van zijn aandeel van de offergaven, zal u allen snel zijn genade vinden als u, zonder enige terughoudendheid, hem tevreden stelt door uw toevlucht te zoeken bij zijn lotusvoeten. (6) Denk niet dat u door kan gaan met de offerplechtigheid als u niet terstond de god van alle werelden en hun heersers die u hebt kwaad gemaakt om vergeving vraagt; verstoken van zijn echtgenote was zijn hart zeer van streek door de onaardige woorden [die u bezigde]. (7) Noch ik, noch Indra, noch wie van u en de anderen ook die een materieel lichaam hebben, noch zelfs de wijzen die de werkelijke reikwijdte van zijn kracht en macht kennen, hebben er ook maar enig idee van wat het betekent om iets dergelijks te wagen met hem die zich enkel op de ziel verlaat.'

(8) Nadat hij aldus de godsbewusten had geïnstrueerd ging Heer Brahmâ weg, gevolgd door de voorvaderen en de leiders van het volk die hij vanaf zijn eigen plaats leidde naar de verblijfplaats van Heer S'iva, Kailâsa, de beste van alle bergen die zo geliefd is bij de meester. (9) Die plaats, genoten door de Kinnara's, Gandharva's en Apsara's [de bewoners en zangers van de hemel en hun vrouwen], wordt bevolkt door zij die van de perfectie zijn [de Siddha's] en verschillen van andere mensen [ofwel gaven ontwikkeld hebben] op basis van hun geboorte, hun verzaking, het gebruik van kruiden of door het beoefenen van mantra's in yoga. (10) De bergketen, bevolkt door verschillende soorten herten, zit vol met allerlei kostbare edelgesteenten en mineralen en is begroeid met bomen, klimplanten en een verscheidenheid aan andere planten. (11) De bergtoppen met hun kristalheldere watervallen hebben verscheidene grotten, aangenaam voor de vrouwen van de mystici die zich er vermaken met hun echtgenoten. (12) Met het weerklinken van de schreeuwen van pauwen en het gezoem van bijen dol van de nectar, is er de nimmer aflatende zang van de koekoeken en het tjilpen van andere vogels. (13) Door het er zich rondbewegen van de olifanten lijkt de berg zelf in beweging te zijn, door het geluid van de watervallen is het alsof de berg zelf van zich laat horen en door de bomen die aan ieders wensen beantwoorden is het alsof de berg zijn armen uitstrekt en roept om de vogels. (14-15) De berg is verder gesierd met mandâra, pârijâta, sarala (pijnbomen) en tamâla bomen, s'âla en tâla, kovidâra, âsana en arjuna bomen, cûta's (mango), kadamba's, dhûli-kadamba's, nâga's, punnâga's en campaka's en ook ziet men er bomen als pâthala's, as'oka's, bakula's, kunda's en kurabaka's. (16) Verder is er de pracht van goudkleurige lotussen, de kaneelboom, de mâlatî, de kubja, de mallikâ en de mâdhavî. (17) Samen met kata, broodvruchtbomen, julara en banyan bomen, plaksha's, nyagrodha's en bomen die asafoetida voortbrengen, vind je er ook betelnootbomen, pûga's, râjapûga's en jambu's [zwarte bessen en soortgelijk groen]. (18) Met de verscheidenheid aan bomen als kharjûra's, âmrâtaka's, âmra's en dergelijke en anderen als de priyâla's, madhuka's en inguda's, is hij tevens rijk aan venu-kîcakaih en kîcaka [verschillende soorten bamboe]. (19-20) Kumuda-, utpala-, kahlâra- en s'atapatra  lotussen bedekken de meren van de wouden die, vol van het zachte gefluister van groepen vogels, daarnaast herten, apen, zwijnen, katten, beren, s'alyaka's, bergkoeien en ezels, tijgers, kleinere herten en buffels en dergelijke herbergen. (21) De verschillende soorten herten zoals de karnântra's, ekapada's, as'vâsya's, vrika's en kastûrî's, genieten daar hun leven met de ook daar aanwezige groepjes bananenbomen en prachtigste lotusmeertjes met zanderige oevers. (22) De toegewijden zagen er de wateren van het Alakanandâmeer dat de geur nog droeg van Satî die daar had gebaad en ze waren met verwondering geslagen over die berg van de Heer van de Geesten. (23) Daar in Alakâ ['ongewoon mooi'] zagen ze het gebied met het woud genaamd Saugandhika ['vol van geuren'], dat zo werd genoemd vanwege de soort lotusbloemen die men daar aantreft. (24) De twee rivieren de Nandâ en de Alakanandâ die in de buurt van de verblijfplaats van de meester stroomden, waren hoogst gezegend vanwege het stof van de lotusvoeten. (25) Beste bestuurder, in die twee rivieren begaven zich de hemelse schoonheden vanuit hun woningen om er na hun liefdesspel te spelen met hun echtgenoten en elkaar nat te spetteren met het water. (26) De beide stromen geel van het kunkum poeder [dat van hun borsten afspoelde] deden de olifanten en hun wijfjes die daar een bad kwamen nemen van het water drinken, ookal waren ze niet dorstig. (27) De hemelse verblijven genoten door de vrouwen van de deugdzamen waren overdekt door talloze kostbare edelstenen, parels en goud, waardoor ze eruit zagen als wolken die in de hemel oplichten door bliksemflitsen.

(28) Door het Saugandhikawoud trekkend dat zo aantrekkelijk was met zijn verscheidenheid aan bomen en met zijn bloemen, vruchten en groen aan alle wensen tegemoet kwam, bereikten ze de verblijfplaats van de Heer van de Yaksha's. (29) Daar zagen ze de schoonheid van vele roodhalzige vogels waarvan de geluiden zich mengden met het gezoem van bijen, en zagen ze ook meertjes vol lotusbloemen aantrekkelijk voor groepen zwanen. (30) De bries van de sandelhoutbomen deed de wilde olifanten samendrommen en prikkelde voortdurend de geesten van de vrouwen van de deugdzame zielen. (31) De traptreden leidend naar de baadplaatsen vol met lotussen die werden gebruikt door de getrouwen van de goddelijke persoonlijkheid [de Kimpurusha's], waren gemaakt van vaidûrya gesteente. Nadat ze hen hadden gezien zagen ze niet ver daar vandaan een banyanboom. (32) Op een hoogte van duizenden meters spreidde die boom zijn takken uit over een kwart van de voet van de berg en wierp een fijne, verkoelende schaduw. Er nestelden geen vogels in. (33) Eronder zagen de goddelijken Heer S'iva, de toevlucht van vele grote wijzen verlangend naar bevrijding, die, met het hebben opgegeven van zijn gramschap, daar zat zo ernstig als de eeuwige tijd zelf. (34) Heilige, bevrijde zielen als de Kumâra's met Sanandana aan het hoofd en Kuvera, de meester van de Guhyaka's en Râkshasa's, zaten daar vol eerbied rondom de statige en serene Heer. (35) Ze zagen hem daar als de meester van de zinnen, de kennis van de verzaking en het pad van de yoga; als de vriend van de hele wereld die met zijn totale liefde de zegen voor een ieder is. (36) Men kon hem herkennen als degene die de asceten graag zien: met as, een staf, samengeklit haar, gezeten op een antilopenhuid, met een roze gekleurd lichaam en met de sikkel van de halve maan op zijn hoofd. (37) Met onder zich een kussen van darbha-stro was hij, voor een gehoor van alle wijzen, met Nârada in gesprek over de eeuwigheid en de Absolute Waarheid. (38) Zijn linkervoet had hij geplaatst op zijn rechterdij en, met zijn rechterhand rustend op zijn knie, zijn gebedssnoer vasthoudend, gebaarde hij om zijn argument kracht bij te zetten. (39) Aldus leunend met zijn knie gefixeerd en verzonken in de trance van spirituele gelukzaligheid, ontving hij, als de eerste denker onder de wijzen aldaar, het eerbetoon van de overige wijzen en heersers van de verschillende werelden die hun handen hadden samengevouwen. (40) Maar toen Heer S'iva zag dat de zelfgeborene, Heer Brahmâ, was aangekomen vergezeld door de besten onder de verlichten en niet-verlichten, stond hij wiens voeten worden aanbeden op en boog hij, vol respect zijn hoofd, precies zoals Vishnu dat deed toen Hij als Vâmanadeva Kas'yapa verwelkomde. (41) Dat deden ook de andere vervolmaakte zielen en grote rishi's die van alle zijden het voorbeeld van hun Heer volgden en hun eerbetuigingen brachten. Na dat eerbetoon voor Heer S'iva sprak Heer Brahmâ met een glimlach tot hem.

(42) Brahmâ zei: 'Ik ken u als de beheerser van de ganse manifestatie van de kosmische schepping, als het vermogen van zowel het zaad [van de vader] als de schoot [van de moeder] en als hij die goedgunstig en verheven is, onveranderlijk en immaterieel. (43) Zoals een spin dat doet met zijn web, o Fortuinlijke, schept, handhaaft en vernietigt u dit universum met de belichaming van uw goedgunstige energie. (44) Ter bescherming van het voordeel ontleend aan dharma en artha [de religie en de economie] machtigde u Daksha om [het systeem van] offeren tot stand te brengen en het respect te verzekeren voor dat wat de mensen samenbindt [het varnâs'rama-systeem] en waar de brahmanen bij zweren met de grootste achting. (45) O goedgunstige, de daden van hem die het goede nastreeft leiden tot een hogere wereld, de hemel en het bovenzinnelijke bereik, terwijl iemand die ten ongunste bezig is een gruwelijke hel wacht. Hoe kan het dat dit voor sommigen precies omgekeerd werkt [waarbij de goeden lijden en de kwaden floreren]? (46) Bij toegewijden, die in volle overgave aan uw voeten u perfect herkennen in allerlei soorten levende wezens en die vanuit de Allerhoogste positie geen verschil maken tussen de levende wezens, treft men vrijwel nooit de woede aan die men wel aantreft bij het dierlijke type mens. (47) Zij die het hart hebben opgegeven, zij die uit zijn op resultaten en verschil maken tussen mensen, kunnen het niet hebben als het anderen goed gaat en zijn zo steeds maar boos op anderen en kwetsend met barse woorden. Ze hoeven niet door u gedood te worden daar ze reeds door de voorzienigheid zijn gedood. (48) Als materialisten op sommige plaatsen [die aan Kalî werden toegewezen, zie 1.17: 36], begoocheld zijnde door de onoverkomelijke, illusoire energie van de Grote Blauwe Heer [de Heer als Pushkaranâbha], anders tegen zaken [van goed en kwaad] aankijken, zullen heilige personen vanuit hun mededogen nooit hun krachten [tegen hen] in het geweer brengen maar in plaats daarvan genade tonen, daar alles bij het lot is geregeld. (49) O Heer, aangezien de intelligentie van u, de ziener en kenner van allen, nimmer wordt aangetast door dat grote vermogen van de materiële energie [of mâyâ] van de Allerhoogste Persoon, zou u in dit geval er naar moeten streven van genade te zijn voor hen die in hun hart begoocheld zijn vanwege diezelfde begoochelende energie die hen verleidt tot karmisch handelen. (50) Heer S'iva, u die zou delen in de opbrengst van Daksha's nu onvoltooide offer, deed wat u moest doen toen u een einde maakte aan de offerplechtigheid van zijn slechte priesters en alles vernietigde. Omdat u niet uw deel van het offer, dat uzelf begunstigt, gegund werd hebt u het recht om te nemen wat het uwe is. (51) Laat de offeraar Daksha zijn leven terugkrijgen, Bhagadeva zijn ogen terugkrijgen, Bhrigu zijn snor weer teruggroeien en laat Pûsâ als voorheen zijn rij tanden weer hebben. (52) Laat de godsbewuste zielen wiens ledematen werden gebroken en de priesters die leden onder de wapens en stenen, nu direct bij uw genade, o vertoornde, herstellen van hun verwondingen. (53) O Rudra, laat het deel van wat er ook over is van dit offer het uwe zijn, o beminde Heer, zodat die offerplechtigheid vandaag nog afgerond kan worden, o vernietiger van de yajña.'

 

Hoofdstuk 7: Het Offer Uitgevoerd door Daksha

(1) Maitreya zei: 'Heer S'iva, die aldus door Heer Brahmâ geheel tevreden was gesteld, sprak toen voldaan met een glimlach, o machtig gearmde. (2) Mahâdeva zei: 'Ik neem geen aanstoot aan hen die ik als kinderen zie, ik wil het er niet over hebben of erover denken, o Heer van de geschapen wezens, ik corrigeerde hen die begoocheld waren door de uiterlijkheid van God. (3) Laat er voor de Prajâpati wiens hoofd tot as werd verbrand de kop van een geit zijn en laat Bhaga zijn deel van het offer bekijken door de ogen van Mitra. (4) Pûshâ die de ceremonie leidde zal deeg van kikkererwten moeten eten of voedsel dat voor hem gekauwd is, maar de goddelijken die mij wel een deel van het offer gunden zullen zich volledig herstellen. (5) De twee armen van de As'vin's [de tweeling beschermers van de medische wetenschap] en de handen van Pûshâ zijn er voor de priesters en de anderen die hun ledematen moeten missen en Bhrigu mag de baard van de geit hebben.'

(6) Maitreya zei: 'Iedereen die toen hoorde wat de beste van de begunstigers zei was volkomen tevreden, o mijn beste. Ze zeiden: 'Goed gezegd, goed gezegd!' (7) Daarop werd Heer S'iva door de goddelijken en de wijzen aangevoerd door Bhrigu uitgenodigd en gingen ze, samen met de Vrijzinnige [S'iva] en hij die van de Veda is [Brahmâ], voor de tweede keer op weg naar het offer dat ze voor God wilden brengen. (8) Nadat ze allen hadden volbracht wat Heer Bhava hen had opgedragen, voegden ze de kop van het offerdier samen met het lichaam van Daksha. (9) Zo te werk gaand onder toezicht van Rudra kwam Daksha onmiddellijk bij bewustzijn alsof hij had geslapen en zag hij de mededogende Heer voor zich staan. (10) Op het moment dat de Prajâpati de Heer die de stier berijdt zag, werd zijn door haat besmette hart zo rein als een [door de regens gevuld] meer in de herfst. (11) Hoewel hij tot Bhava wilde bidden, wou dat niet lukken met zijn ogen vol tranen vanwege de heftige stroom van emoties bij de herinnering aan de dood van zijn dochter. (12) Nadat hij met veel moeite zijn geest, die was overweldigd door  liefde, in bedwang had gekregen, bad de Prajâpati weer bij zinnen gekomen tot de Heer met lof en welgemeende gevoelens. (13) Daksha zei: 'Welk een grote gunst is mij ten deel gevallen met uw straffen. Ondanks dat u mij versloeg is er, noch van uw kant, o Fortuinlijke, noch van de zijde van Vishnu, ooit sprake van enige verwaarlozing van een ongekwalificeerde brahmaan [als ik], mijn Heer. Dus waarom zou hij die zich aan zijn geloften houdt [en offers brengt, tekortkomen]? (14) O Grootheid, de brahmanen werden als de eersten geschapen uit de mond van Brahmâ met de bedoeling de leringen van zelfrealisatie, geloften en verzaking te verkondigen. Daarom beschermt u ze telkens als ze nood lijden met een stok in uw hand, net als iemand die zijn kudde beschermt. (15) U die door mij, me niet bewust van uw werkelijkheid, werd beledigd met de pijlen van [mijn] onaardige woorden, slaat daar niet werkelijk acht op. Toen u mij in de hel zag afglijden omdat ik de meest respectabele belasterde, hebt u mij uit mededogen gered. Ik zou graag zien dat u tevreden bent over wat u vanuit uw eigen genade hebt gedaan, o Heer.'

(16) Maitreya zei: 'Daksha aldus vergiffenis vindend bij Heer S'iva, begon met de permissie van Heer Brahmâ opnieuw met de uitvoering van het offer samen met de priesters, de geschoolden en de anderen. (17) Om gezuiverd te raken van het contact dat ze hadden gehad met Vîrabhadra en zijn mannen en om het offer te kunnen volbrengen dat bedoeld was voor Vishnu, regelden de besten onder de brahmanen de offerplechtigheid genaamd purodâs'a uitgevoerd met drie schalen. (18) O Vidura, zo gauw de leider van de Yajña [Daksha] aldus geheiligd in de meditatie de geklaarde boter met  hymnen uit de Yajur Veda offerde, verscheen Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid, ten tonele. (19) De uitstraling van allen daar aanwezig raakte toen overschaduwd door de helderheid [zich verspreidend] in al de tien windrichtingen van Hem die werd gedragen door Garuda's [of Stotra's] enorme vleugels. (20) Met een donkere huidskleur, kleding zo geel als goud, een helm met de schittering van de zon, krullend haar zo zwart als zwarte bijen, een gelaat opgesierd met oorhangers, met een schelphoorn, een lotusbloem, een schijf en pijlen, een boog, een knots, een zwaard en schild in Zijn [acht] handen en met Zijn vele gouden sieraden, zag Hij er uit als een boom in de bloei. (21) Omhangen met woudbloemen droeg Hij Zijn gezellin [Lakshmî] op Zijn borst [in de vorm van Zijn S'rîvatsa-teken] en slechts een glimp van Zijn grootmoedige, glimlachende blik volstond om de hele wereld te behagen. Aan Zijn zijde werden er op zwanen lijkende yakstaartwuifkwasten bewogen en boven Hem zag men een prachtige, maangelijke koninklijke witte baldakijn. (22) Toen ze Hem zagen arriveren, stonden al de halfgoden en de anderen onder leiding van Brahmâ, Indra en de drieogige S'iva, onmiddellijk op van hun zitplaatsen en brachten ze hun eerbetuigingen. (23) Overschaduwd door de luister van Zijn uitstraling vielen ze allen stil en vol ontzag beroerden ze hun hoofden om in gebed zich te buigen voor Adhokshaja, de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (24) Hoewel Zijn heerlijkheid het bevattingsvermogen van zelfs Brahmâ en dergelijken te boven gaat, konden ze door Zijn genade nu Zijn bovenzinnelijke gedaante aanschouwen en hun gebeden brengen overeenkomstig hun verschillende capaciteiten. (25) Daksha, die zijn toevlucht zocht, werd aanvaard met de eervolle offerandes die hij uitvoerde voor de meester van alle offers, de allerhoogste leraar van al de stamvaders van de mensheid die door Nanda en Sunanda [de belangrijkste dienaren van Nârâyana in Vaikunthha] wordt bijgestaan. Hij bracht Hem toen met het grootste genoegen, met een onderworpen geest en met gevouwen handen zijn gebeden. (26) Daksha zei: 'Uwe Heerlijkheid hier nu volledig aanwezig, bent vanuit de zuiverheid van Uw hemelverblijf, in een volmaakte transcendentie boven alle mentale gissingen, naar hier teruggekeerd. U bent die ene zonder weerga, de heerser over alle materie vrij van angst, die ogenschijnlijk onzuiver met haar [met Mâyâ] in relatie bent getreden als degene die het overzicht heeft en in Zichzelf volkomen is.'

(27) De priesters zeiden: 'Wij allen die niet bekend zijn met de waarheid van U die vrij bent van de invloed van de materiële wereld, wij die van een intelligentie zijn die door de vloek van S'iva een te grote gehechtheid aan vruchtdragende bezigheden inhoudt, o Allerhoogste Heer, zijn nu op de hoogte van uw naam [Yajña] die staat voor de regeling van het religieus offeren dat zich in de drie afdelingen [van de drie Veda's] beweegt en ter wille waarvan we ons bezighouden met de aanbidding van halfgoden [als de goddelijkheid van de zon en de maan].'

(28) De leden van de bijeenkomst zeiden: 'Op het pad van herhaalde geboorte en dood hebben we geen plaats om te schuilen. We hebben er hevig onder te lijden gebonden te zijn aan dit machtige bolwerk van de koning van de dood [Yama] dat vol is van lelijke slangen en waarin de luchtspiegeling van het materieel geluk van een huis en een lichaam een zware last vormt. Als we moeten leven met de dubbele valkuil van verdriet en zogenaamd geluk, de angst voor wilde dieren, de bosbrand van het weeklagen over het belang van de onwetenden en het geplaagd zijn door allerlei soorten van verlangens, genieten wij, met U die toevlucht biedt, de bescherming van Uw lotusvoeten.'

(29) Rudra zei: 'O allerhoogste begunstiger, als ik, verlangend naar bevrediging in de materiële wereld, mijn geest heb gefixeerd op Uw beminde lotusvoeten die worden verzorgd en aanbeden door de bevrijde wijzen, hecht ik er, met een mededogen gelijk aan dat van U, geen waarde aan als onwetende mensen zich tegen mij uitlaten.'

(30) Bhrigu zei: 'Van Heer Brahmâ tot aan alle andere belichaamde wezens is een ieder die, verkerend onder de invloed van de onoverkomelijke materiële energie, verstoken is van de kennis van zijn oorspronkelijke zelf, gehuld in de duisternis van illusie. Zij die U niet zien als zich bevindend in het zelf, kunnen de situatie van U als de absolute werkelijkheid niet begrijpen. O Heer, als de vriend van de overgegeven ziel, wees ons genadig.'

(31) Brahmâ zei: 'Als men probeert Uw persoon te zien, kan men deze oorspronkelijke gedaante van U niet kennen met behulp van de verschillende [zintuigelijke] deugden van respect om kennis te verwerven, want U, die de basis vormt voor de kennis en objectiviteit van de materiële kwaliteiten, moet men als verschillend beschouwen van dat wat bestaat uit de materiële energie.'

(32) Indra zei: 'Deze transcendentale gedaante, o Onfeilbare, die er is voor het welzijn van het universum, vormt een bron van genoegen voor de geest en het oog. U, in het bezit van de acht wapens die U omhooghoudt met Uw armen, bestraft hen immers die zich vijandig opstellen tegenover Uw  toegewijden.'

(33) De vrouwen van hen die de offerplechtigheid bijwoonden zeiden: 'Dit met offers aanbidden volgens de instructies van Brahmâ, werd verwoest door Heer S'iva. Moge vandaag de schoonheid van Uw lotusgelijke blik, o Heer van het offer, het offer heiligen dat door de woede jegens Daksha zo dood viel als de dode lichamen van offerdieren.'

(34) De wijzen zeiden: 'Hoe wonderbaarlijk, o Opperheer, zijn Uw handelingen waaraan U, in het uitoefenen van Uw vermogen, nimmer gehecht bent. Noch is Uwe Heerlijkheid gehecht aan de genade van Uw welwillende dienares, de Godin van het Fortuin Lakshmî, voor wiens genade men van aanbidding is.'

(35) De vervolmaakte zielen zeiden: 'De olifant van de geest die, geschroeid door de bosbrand van de [zintuigelijke] beroering, dorstig is, herinnert zich, ondergedompeld in de rivier van de zuivere nectar van Uw avonturen, niet langer die ellende en wil er nooit meer uitkomen, net als iemand die is opgegaan in het Absolute.'

(36) Daksha's vrouw zei: 'Wees tevreden, o Heer, met mijn eerbetoon voor Uw goedgunstige verschijnen, o toevlucht van de Godin. Met Lakshmî als Uw echtgenote beschermt U ons. Ons offerperk kent geen schoonheid zonder Uw armen, o Heer, net als iemand zonder een hoofd er niet goed uitziet met alleen een romp.'

(37) De plaatselijke bestuurders zeiden: 'We betwijfelen of we U wel kunnen waarnemen met onze materiële zinnen. U, die Uw eeuwige gedaante openbaart, beschouwen we als de innerlijke getuige door wiens genade de gehele illusoire wereld kan worden aanschouwd, o eigenaar van alles, want U verschijnt met de vijf elementen ten tonele als de zesde.'

(38) De meesters van de yoga zeiden: 'Zij die niemand anders zo dierbaar als U achten en zichzelf beschouwen als bestaand in U en niet als los van U, de Superziel van alle wezens, o meester, zijn U zeer dierbaar. En hoeveel te meer keurt U, o liefdevolle ouder, niet absoluut het geloof van die zielen goed, o Heer, die daarmee toegewijd van aanbidding zijn? (39) We bieden Hem onze eerbetuigingen die met Zijn persoonlijke verschijning, middels Zijn materiële energie, de lotsbestemming bepaalde van de levende wezens overeenkomstig hun specifieke neigingen. We eren Hem die met de vele materiële kwaliteiten in de materiële wereld op verschillende manieren verscheen ter wille van de schepping, handhaving en vernietiging van de materiële wereld en die in Zijn absolute staat zich afkeerde van de interactie van de basiskwaliteiten van de materie.'

(40) De Veda's in eigen persoon verklaarden: 'Ons respect voor U ontstegen aan de geaardheden van de natuur die de toevlucht vormt van de kwaliteit van de goedheid en de bron van de verzaking en boete bent in alle religies. Ik noch iemand anders kent U of Uw situatie werkelijk.'

(41) Agni, de vuurgod zei: 'Door Uw gloed straal ik zo helder als het grootste vuur en mag ik in opoffering de vijf soorten van offerandes vermengd met boter aanvaarden. Ik biedt Yajña mijn eerbetuigingen, de beschermer van de offeranden die wordt aanbeden middels de vijf soorten van hymnen uit de Veda.'

(42) De halfgoden zeiden: 'Voorheen bij de verwoesting van het tijdperk [kalpa] toen U als de Oorspronkelijke Persoonlijkheid rustte in het water en op het slangenbed Ananta S'esha lag, nam U dat wat U schiep en van U vervreemd was weer op in Uw buik. U, op wie de bevrijde zielen in hun harten mediteren in filosofische speculaties, zien we nu met onze beide ogen hier voor ons aanwezig, U, bewegend op de weg van de bescherming van ons Uw dienaren.'

(43) De bewoners van de hemel zeiden: 'Marîci en de grote wijzen onder leiding van Brahmâ en Indra en de goddelijkheid geleid door S'iva, moeten worden gezien als deel en geheel van Uw lichaam, o Godheid. Mogen we jegens de Allerhoogste Almachtige voor wie deze hele schepping slechts iets is om mee te spelen, o Heer, altijd in eerbied verkeren en U onze eerbetuigingen aanbieden.'

(44) De Vidyâdhara's [zij die zich op kennis baseren] zeiden: 'Na met Uw extern vermogen het menselijk lichaam te hebben verworven en met het bewonen van dit lichaam, denkend in termen van 'ik' en 'mijn', zich er foutief mee geïdentificeerd te hebben, zoekt de onwetende persoon die het lichaam voor zichzelf aanziet en zich laat afleiden door materiële bezittingen, ook langs verkeerde wegen zijn geluk in zinsobjecten. Maar zich lavend aan de nectar van Uw onderwerpen kan hij verlossing vinden, zelfs al is hij daar ver van afgedwaald.'

(45) De brahmanen zeiden: 'U bent het offer, het uitgieten van de geklaarde boter, het vuur in eigen persoon; U bent de mantra's, de brandstof, het kus'agras [om op te zitten] en de potten; U bent de leden van de bijeenkomst, de priesters, de leider van de Yajña en zijn vrouw, de halfgoden en de heilige plechtigheid voor het vuur, de offers gebracht aan de voorvaderen, de somaplant, de gezuiverde boter zelf en het offerdier [zie ook B.G. 4: 24]. (46) In het verleden was U het die als de grote zwijnincarnatie [zie Canto 3.13] vanuit de wateren, met het gemak van een olifant die een lotus oppakt, de wereld ophief op Uw slagtanden. Uw geluidstrilling werd door grote wijzen als Sanaka gearrangeerd als een offerande van gebeden in de vorm van een plechtigheid, o kennis van de Veda's in eigen persoon. (47) U als diezelfde persoon vragen we tevreden te zijn over ons die, nalatig in het brengen van offers, in afwachting verkeren van Uw aanwezigheid. Door het zingen van Uw heilige namen slaagt men erin, o Heer van het offer, hindernissen te overwinnen. U brengen we onze respectvolle eerbetuigingen.'

(48) Maitreya zei: 'O gezegende, met Hrishîkes'a [Vishnu als de Heer van de zinnen], de beschermer van de offers, aldus verheerlijkt, trof Daksha, die ervan geleerd had, maatregelen om de offerplechtigheid te hervatten die door Vîrabhadra was verwoest. (49) O zondeloze, Heer Vishnu, de Superziel van alle wezens en genieter van alle offers, was tevreden met het ontvangen van Zijn aandeel en richtte zich tot Daksha. (50) De Allerhoogste Heer [Vishnu] zei: 'Ik, Brahmâ en ook Heer S'iva, verschillen niet [wezenlijk] van elkaar en vormen de hoogste oorzaak en Superziel, de getuige en de in zichzelf tevredene van de materiële manifestatie. (51) Ik die Mijn eigen uitwendige energie ben binnengegaan die is samengesteld uit de geaardheden van  de natuur, o tweemaal geborene, schep, handhaaf en vernietig [aldus] de kosmische manifestatie en heb afhankelijk van wat Ik doe een daarbij passende naam. (52) Iemand echter die hier niet van op de hoogte is denkt dat Brahmâ, S'iva en de levende wezens van elkaar gescheiden bestaan en gaat daarin dan [onpersoonlijk aan Mij voorbijgaand] uit van het ene allerhoogste Zelf, het opperste Brahman dat zijns gelijke niet kent. (53) Zoals een persoon er ook nooit vanuit gaat dat zijn hoofd, handen en andere delen van zijn lichaam los van elkaar zouden bestaan, denkt Mijn toegewijde ook niet dat de levende wezens los van elkaar zouden bestaan. (54) Hij, o brahmaan, die de drie [van Ons], die de ene natuur vormen van de Superziel aanwezig in alle levende wezens, niet als los van elkaar bestaand beziet, bereikt de vrede.'

(55) Maitreya zei: 'De meest vooraanstaande onder de stamvaders [Daksha] aldus toegesproken door de Allerhoogste Heer Hari vereerde, na eerst Hem met het nodige ceremonieel te hebben aanbeden, toen de halfgoden [Brahmâ en S'iva] afzonderlijk. (56) Nadat hij goed geconcentreerd Heer S'iva zijn aandeel van de aanbidding had gegund en hij daarbij samen met de priesters, ter afronding, ook de godsbewusten en de anderen die zich hadden verzameld zijn respect had betoond, nam hij het afsluitende [avabhritha] bad. (57) Toen hij [Daksha] zodoende op basis van zijn eigen geloof de perfectie van de religieuze plichtbetrachting had bereikt, vertrokken deze drie dienaren van God, die aldus tot intelligentie hadden geïnspireerd, naar hun hemelverblijven. (58) Satî, de dochter van Daksha, werd, nadat ze haar lichaam had opgegeven, (opnieuw) geboren uit de echtgenote van Menâ [of Menakâ] die in de Himalaya's leeft, zo heb ik vernomen. (59) Omdat ze zich tot geen ander voelde aangetrokken, verzekerde Ambikâ [Durgâ of Satî] als S'iva's geliefde zich ervan om hem wederom als haar echtgenoot te aanvaarden. Voor haar was hij het ene doel, het oorspronkelijk mannelijke van de persoon dat sluimert in de uiterlijke, vrouwelijke energie [van de materie]. (60) Dit verhaal over S'ambhu [Heer S'iva als de Heer van alle levende wezens] die Daksha's offer vernietigde, vernam ik van een grote toegewijde en discipel van Brihaspati: Uddhava. (61) De persoon die, na herhaaldelijk vernomen te hebben over deze zuivere handelingen van de Heer, met geloof en toewijding daar ook verslag van doet, zal roem vinden, een lang leven en, bevrijd van alle materiële smetten, de vernietiging van zijn zonden realiseren, o nazaat van Kuru.'

 

Hoofdstuk 8: Dhruva Vertrekt van Huis naar het Woud

(1) Maitreya zei: 'Geen van hen aangevoerd door Sanaka [de Kumâra's] noch de andere zonen van Brahmâ: Nârada, Ribhu, Hamsa, Aruni en Yati, leidden een bestaan als [getrouwde] huishouders; het waren celibatairen [ûrdhva retasah, die hun zaad naar boven sturen]. (2) O vernietiger van vijanden, Mrishâ, de vrouw [en zuster] van [een andere zoon van Brahmâ met de naam] Adharma [Goddeloosheid] bracht de twee [kinderen] voort die Dambha [Bluf] en Mâyâ [Bedrog] heetten, maar ze werden meegenomen door [een demon die over het zuid-oosten heerste genaamd] Nirriti die kinderloos was. (3) Uit hen twee werden Lobha [Hebzucht] en Nikrita [Listigheid] geboren, o grote ziel. Uit die twee waren er toen Krodha [Woede] en Himsâ [Geweld]. Op hun beurt werden er uit hen [in een incestueuze, goddeloze verbintenis] de twee kinderen Kali en de zus genaamd Durukti [Barse Woorden] geboren. (4) O beste van de waarachtigen, uit Durukti bracht Kali Bhaya [Angst] en Mrityu [Dood] voort en uit de combinatie van die twee werden Yâtanâ [Kwellende Pijn] en Niraya [Hel] verwekt. (5) Ik heb u aldus in het kort uiteengezet wat de oorzaak van de teloorgang is [van het in de hel belanden als gevolg van goddeloosheid]. Degene die deze beschrijving drie keer aanhoort, o zuivere ziel, zal een kuis leven leiden en de besmetting van zijn geest weggewassen zien.

(6) Ik zal nu de dynastie beschrijven die vermaard is om zijn deugdzaam handelen, o beste van de Kuru's. Hij ontstond uit de Manu genaamd Svâyambhuva, die deel uitmaakte van een volkomen aspect van de Persoonlijkheid van God [te weten Brahmâ]. (7) Uttânapâda en Priyavrata, de twee zoons van koningin S'atârûpa en haar echtgenoot, waren er, als delen [van Brahmâ's volkomen deelaspect] van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, voor de bescherming en handhaving van de wereld. (8) Van de twee vrouwen van Uttânapâda, Sunîti ['van goed gedrag'] en Suruci ['zij die behagen schept'], was Suruci de echtgenoot dierbaarder dan de andere die een zoon had die Dhruva ['de onverzettelijke'] heette. (9) Toen op een dag de koning de zoon van Suruci genaamd Uttama ['hij die excelleert'] die hij op zijn schoot had gezet, aan het liefkozen was, stond hij afwijzend tegenover Dhruva die ook op zijn schoot probeerde te kruipen. (10) Koningin Suruci die zeer trots was [op de aandacht die ze van de koning kreeg] sprak toen jaloers tot Dhruva, het kind van de bijvrouw dat op zijn schoot probeerde te klimmen, op zo'n manier dat de koning het kon horen. (11) 'Mijn beste kind, je verdient het niet te gaan zitten waar de koning zit omdat, hoewel je geboren werd als een zoon van de koning, je niet uit mijn schoot werd geboren. (12) O kind, je snapt niet dat, omdat je niet de mijne bent maar uit de schoot voortkwam van een andere vrouw, wat je verlangt buiten je bereik ligt. (13) Je kan wel op de troon van de koning plaatsnemen als je dat wilt, maar alleen als je, door boete te doen, de Oorspronkelijke Persoon van God tevreden hebt gesteld en je zo bij Zijn genade hebt verzekerd van een plaatsje in mijn schoot [om te reïncarneren].' 

(14) Maitreya zei: 'Pijnlijk getroffen door de harde woorden van zijn stiefmoeder, ademde hij zo heftig als een slang die met een stok wordt geslagen en met zijn vader zwijgzaam toekijkend, moest hij huilen en liep hij weg naar zijn moeder. (15) Sunîti die van de anderen had gehoord wat er gebeurd was tilde haar hijgende zoon, wiens lippen trilden, op haar schoot en betreurde wat haar mede-echtgenote gezegd had. (16) Haar beheersing verliezend huilde ze vol verdriet met een vuur dat brandde als droge bladeren en daarop terugdenkend aan de dingen die waren gezegd door de andere vrouw, sprak ze door het waas van de tranen die van haar mooie lotusgezicht vielen. (17) Niet wetend hoe ze het gevaar af moest wenden raakte ze buiten adem en zei ze tegen haar zoon: 'Denk niet kwaad over anderen, mijn liefste zoon, want iemand moet zelf lijden onder het ongeluk dat hij anderen toewenst. (18) De waarheid van wat moeder Suruci je heeft gezegd over je geboorte nemen uit de schoot van mij als de onfortuinlijke, en dat je opgroeide met de melk uit mijn borst, is dat de koning zich schaamt. Hij heeft er spijt van dat hij mij als zijn vrouw heeft aanvaard. (19) Wat je stiefmoeder tegen je zei is niet onwaar. Als je net als Uttama op de troon wilt zitten, hou dan, zonder jaloers te zijn, mijn liefste zoon, je enkel bezig met het vereren van de lotusvoeten van Adhokshaja, de Bovenzinnelijke Heer. (20) De Ongeborene [je overgrootvader, Brahmâ] verwierf zonder twijfel zijn verheven positie in het universum en zijn kwalificaties om te scheppen, door Hem te aanbidden die we kennen door Zijn lotusvoeten en die kan worden benaderd door hen die in zelfregulatie het denken onderwierpen. (21) Zo ook vond Manu, je achtenswaardige grootvader, zijn bevrijding en het hemelse en aardse geluk dat zo moeilijk op een andere manier te bereiken is, omdat hij, in aanbidding offers brengend, van een onwankelbare toewijding en een grote liefdadigheid was. (22) Zoek bij Hem, de Zachtmoedige Zorgdrager, mijn lieve jongen, je beschutting, want mensen die bevrijding zoeken volgen de weg van Zijn lotusvoeten. Aanbidt de Hoogste Persoonlijkheid door je Zijn beeld voor de geest te halen, nergens anders aan te denken en trouw te blijven aan je eigenlijke plichtsvervulling met Hem. (23) Ik zou niemand anders weten die je leed zou kunnen wegnemen dan de Heer met de lotusogen. Zelfs de Godin van het Geluk die door anderen wordt aanbeden, mijn liefste jongen, is altijd op zoek naar Hem met een lotusbloem in haar hand.'

(24) Maitreya zei: 'Toen hij aldus de bezielende woorden van de moeder had vernomen verliet hij, gewetensvol zichzelf in bedwang houdend, het huis van zijn vader. (25) Nârada die erover vernam en begreep waar hij op uit was, was verrast en, met de hand die alle zonde kon verdrijven zijn hoofd beroerend, riep hij uit: (26) 'O die macht van de heersers! Niet in staat om ook maar enige inbreuk op hun prestige te verdragen, heeft hij hier die nog maar een kind is, zich de onaangename woorden aangetrokken die van zijn stiefmoeder afkomstig zijn.' (27) Nârada zei toen: 'Waarom, mijn beste jongen, voel jij, als een kind dat normaal gek is op sport en spel, je beledigd als je niet gerespecteerd wordt? (28) Ook al zie je het niet anders [dan vanuit je eer], waarom anders dan dat ze begoocheld zijn zouden de mensen ontevreden zijn in deze wereld waarin men vanwege zijn karma gescheiden is van elkaar? (29) Wees daarom tevreden [met het je afkeren van illusie], mijn beste. Wat het lot een persoon ook mag brengen, wordt door een intelligent iemand herkend als een pad leidend naar het Allerhoogste. (30) Maar de yoga die je moeder je zei te doen om jezelf tot Zijn genade te verheffen, is volgens mij moeilijk op te brengen voor iemand als jij. (31) Zelfs wijzen vele levens op het pad van onthechting, gebeurt het dat ze er niet achter komen waar ze naar op zoek zijn in de verzonkenheid van hun gestrenge yogapraktijk. (32) Geef daarom je volharding op, je bereikt er niets mee. Bewaar die maar voor later, dan zal je nog voldoende kansen krijgen. (33) Iedere belichaamde ziel die vrede heeft met welk geluk of ongeluk ook hem door het lot toebedeeld, kan voorbij het duister reiken. (34) Over dat wat [of iemand die] beter is moet men verheugd zijn, voor dat wat [of iemand die] van een mindere kwaliteit is moet men mededogen koesteren en voor dat wat [of iemand die] gelijkwaardig is moet men vriendelijk zijn. Aldus geen verlangens koesterend raak je door beproevingen niet van slag.'

(35) Dhruva zei: 'Deze evenwichtigheid van geest waar u het over heeft, o Heer, is [een kwaliteit] van mensen vol van genade voor hen die met hun geluk en verdriet het spoor van de ziel bijster zijn, maar voor personen als wij is het heel lastig het te zien zoals u. (36) Omdat ik geboren werd als een bestuurder kan ik niet zo verdraagzaam zijn. Pijnlijk getroffen door de harde woorden van moeder Suruci kan ik niet zo genadig zijn [als u]. (37) Zeg me alstublieft wat een eerlijke manier is om mijn verlangen naar een superieure positie in de drie werelden te bevredigen, o brahmaan. Hoe verwerf ik nu een positie die zelfs niet te bereiken was voor anderen als mijn vader, grootvader en voorvaderen? (38) U als een waardige nakomeling van Heer Brahmâ trekt met het bespelen van de vînâ, net als de zon rond door de hele wereld ter wille van haar welzijn.'

(39) Maitreya zei: 'Nârada was zeer verheugd toen hij hoorde wat Dhruva zei en vol mededogen gaf hij toen antwoord om de jongen van advies te dienen. (40) Nârada zei hem: 'Dat pad waar je moeder het over had van volledig op Hem geconcentreerd dienst verlenen aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva, vormt de hoogste levensbestemming. (41) Voor degene die de hoogste zaligheid van het zelf zoekt middels wat bekend staat als dharma, artha, kâma en moksha [de burgerdeugden van religieuze rechtschapenheid, economische activiteit, de regulatie van de zinsbevrediging en de bevrijding], vormt de aanbidding van de lotusvoeten van de Heer het enige motief. (42) Begeef je voor dat doel, mijn beste jongen, met mijn zegen naar de oever van de Yamunâ en wees gezuiverd door de heiligheid van het Madhuvanawoud waar de Heer altijd aanwezig is. (43) Als je een bad genomen hebt in die rivier [ook wel] de Kâlindî genaamd [naar de naam van de berg waar de Yamunâ ontspringt] - hetgeen drie maal daags op de juiste wijze gedaan iets zeer gunstigs is - moet je plaatsnemen op een daarvoor geschikt gemaakte zitplaats. (44) Middels de drie soorten van adembeheersing [van prânâyâma: het beheersen van de ingaande, de uitgaande en de uitgebalanceerde adem] moet je, stap voor stap de onzuiverheden van je denken opgevend en je levensadem en de zinnen onder controle krijgend, met een onverstoorde geest mediteren op de Allerhoogste Geestelijk Leraar. (45) Altijd bereid Zijn genade te tonen, is Hij met Zijn aangename mond, Zijn manier van kijken, Zijn rechte neus, gewelfde wenkbrauwen en intelligente voorhoofd, de schoonheid van de halfgoden. (46) Jeugdig, aantrekkelijk in al Zijn leden en met lippen en ogen zo rood als de rijzende zon, is Hij de toevlucht van de overgegeven zielen, de kracht van de mens en een oceaan van genade. (47) Gekenmerkt door de S'rîvatsa [een paar witte haren op Zijn borst] en van een diepe blauw[grijze] kleur, is Hij de Oorspronkelijke Persoonlijkheid omhangen met bloemen, die de schelphoorn, de knots, de werpschijf en de lotusbloem in Zijn vier handen laat zien. (48) Bij Zijn kleding van gele zijde draagt Hij een helm, oorhangers van paarlemoer, een halsketting, armbanden en het Kausthubajuweel. (49) Aangenaam voor zowel het oog als de geest, heeft Hij kleine gouden belletjes om Zijn middel en enkels en is Hij van een superieure kalmte, vrede en rust. (50) Staand op de werveling van de lotus van hun harten, neemt Hij de geesten in beslag van hen die Zijn lotusvoeten aanbidden bij het licht van de glinstering van Zijn teennagels. (51)  Zo moet je regelmatig je het glimlachen van de Heer voor de geest halen die zo vol van genegenheid is voor de toegewijden en aldus geheel aandachtig je geest laten mediteren op de grootste van alle weldoeners. (52) Als je aldus mediteert op de zeer gunstige gedaante van de Opperheer, zal je geest, bovenzinnelijk verrijkt, zeer spoedig bevrijd raken van alle materiële invloeden en nimmer afdwalen.

(53) Alsjeblieft, verneem van mij nu de zeer vertrouwelijke mantra, o prins, waarop mediterend een persoon in zeven dagen kan zien wat zich in de ether beweegt [planeten, hemelwezens, gedachten]. (54) 'Om namo bhagavate vâsudevâya' [alle eer aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva]. Met deze mantra [genaamd de dvâdas'âkshara-mantra] moet hij die wijs is en bekend met de verdelingen van plaats en tijd [des'a-kâla-vibhâgavit], respect oefenen voor de fysieke verschijning van de Heer, zoals het hoort met de verschillende hulpmiddelen. (55) Je moet van aanbidding zijn met zuiver water, slingers van bloemen uit de natuur, wortels, verschillende vruchten en groenten, vers gras, knoppen, schors en met het offeren van tulsîblaadjes die de Heer, je meester, zeer dierbaar zijn. (56) Je kan [in je eentje in het bos] ermee beginnen je een beeltenis te verschaffen - en te vereren - die gemaakt is van stoffelijke elementen als aarde en water [klei] en daarbij, als een wijze, van volledige zelfbeheersing zijn door in vrede je spraak onder controle te houden en karig te eten van wat het woud ook maar te bieden heeft. (57) Mediteer daarbij op de ondoorgrondelijke activiteiten van de Allerhoogste Heer van de Wijsheid in de gedaante van een avatâra, die Hij aan de dag legt om Zijn opperste wil en vermogens uit te oefenen. (58) In dienst van de Allerhoogste Heer moet je Hem in je hart aanbidden met de mantra's die Zijn belichaming vormen. Doe dat op de voorgeschreven manier met de toegewijde dienst van de leraren uit het verleden. (59-60) Als de Opperheer aldus, met de dienst  verleend door je lichaam, geest en woorden is aanbeden overeenkomstig de regulerende beginselen van de bhakti, zal Hij de devotie van jou als oprechte en serieuze toegewijde versterken. Hij zal je belonen met dat wat je als een gebonden ziel met betrekking tot het geestelijk leven en alles wat erbij hoort verlangt [voor de vervulling van de zogenaamde purushârtha's]. (61) Vrij van gehechtheid aan zinnelijke zaken serieus werk makend van het je verenigen in toewijding tot Hem, moet je altijd vol van liefde, rechtstreeks van aanbidding zijn ter wille van de bevrijding [van jezelf en die van anderen].'

(62) Aldus door Nârada toegesproken, omliep de zoon van de koning hem met het brengen van zijn eerbetuigingen en ging hij naar het Madhuvanawoud dat, vol met de voetsporen van de lotusvoeten van de Heer, de voor hem geschikte plaats was. (63) Nadat Dhruva het bos was ingegaan om boete te doen, dacht de wijze er goed aan te doen de koning te bezoeken in zijn paleis. Respectvol verwelkomd en daar comfortabel gezeten, richtte hij zich tot hem. (64) Nârada zei: 'Beste Koning, u heeft uw gezicht in de rimpels, waar zit u zo diep over te peinzen? Bent u het spoor bijster met de zinsbevrediging, de religie of de economie?'

(65) De koning antwoordde: 'O brahmaan, ik heb mijn zoon, mijn lieve jongen, die nog maar vijf jaar oud is en feitelijk een grote persoonlijkheid en toegewijde is, al te gehecht zijnde aan mijn vrouw en te hardvochtig, samen met zijn moeder van hier verdreven. (66) Ik maak me er zorgen over of de hulpeloze jongen met zijn gezicht als een lotus, zonder dat hij beschermd wordt in het woud, o brahmaan, niet aan het verhongeren is of vermoeid is gaan liggen en door de wolven is verslonden. (67) Och, hoe wreed was ik, overwonnen zijnde door een vrouw. Hoe enorm hardvochtig was het van me hem genegenheid te weigeren toen hij uit liefde op mijn schoot probeerde te klimmen.'

(68) Nârada zei: 'Wees niet, zeg ik u, wees niet bedroefd over uw zoon. Hij geniet de bescherming van de Heer, o meester van de mensen. U kent zijn glorie nog niet, die zal zich over de hele wereld verspreiden. (69) De jongen is een meester. Als hij voor elkaar heeft gekregen wat zelfs onmogelijk is voor de grootste persoonlijkheden ter wereld, zal hij, ten gunste van uw reputatie, linea recta naar u terugkeren, beste Koning.'

(70) Maitreya Muni zei: 'Toen de koning gehoord had wat Nârada hem zei, begon hij over zijn zoon na te denken en verwaarloosde hij zijn welvarende koninkrijk. (71) Ondertussen werd na het nemen van een bad en een nacht vasten de Oorspronkelijke Persoonlijkheid [door Dhruva], met een volmaakte aandacht aanbeden op de manier die Nârada hem had aangeraden. (72) De eerste maand dat hij de Heer aanbad at hij na iedere derde nacht, voor het hoogst noodzakelijke onderhoud van zijn lichaam, enkel vruchten en bessen in de ochtend. (73) De volgende maand ging de jongen door met zijn respect voor de Almachtige door iedere zesde dag voedsel tot zich te nemen dat bestond uit verdroogde grassen en bladeren. (74) De derde maand bracht hij, volledig verzonken in zijn respect voor de Heer van de Wijsheid, Uttamas'loka, door met het iedere negende dag enkel drinken van water. (75) De vierde maand zo verdergaand at hij, met het beheersen van zijn adem terwijl hij mediteerde in het aanbidden van de Heer, iedere twaalfde dag enkel nog lucht. (76) Met de vijfde maand zijn adem geheel beheersend stond de zoon van de koning, mediterend op de Schepper, bewegingloos als een pilaar op één been. (77) Met zijn geest volledig onder controle zich concentrerend, mediteerde hij met niets anders in gedachten dan de gedaante van de Opperheer, van Hem in zijn hart die de rustplaats is van de zinnen en hun voorwerpen. (78) Toen hij zijn aandacht gefixeerd hield op de grondslag, de kosmische intelligentie van de werkelijkheid, de Heer en Meester van de primaire ether [pradhâna] en de persoon, de Allerhoogste Geest, begonnen de drie werelden te beven. (79) Daar staand op zijn ene been, drukte het kind van de koning, met de ene helft [van zijn lichaam] zijn grote teen gekromd in de aarde, precies zoals de koning van de olifanten dat doet als hij als een boot links en rechts balanceert voor iedere stap. (80) Omdat hij in de volle concentratie van zijn mediteren op het geheel van de universele gedaante, zijn ademhaling had gestopt en alle lichaamsopeningen had afgesloten, verstikte hij, aldus de levensadem inperkend, al de werelden. Om die reden zochten toen spoedig de grote zielen van overal hun toevlucht bij de Heer.

(81) De goddelijken zeiden: 'O Allerhoogste Heer, we snappen het niet, de gang van de universele adem is geblokkeerd! Daarom, o vergaarbekken van de goedheid zo vol van genade voor de behoeftigen, zoeken we allen onze toevlucht bij U om van deze calamiteit te worden bevrijd.'

(82) De Allerhoogste Heer antwoordde: 'Vrees niet, dit verstikken van jullie levensadem vindt plaats vanwege de zoon van Koning Uttânapâda die diep is verzonken in gedachten over Mij. Ik zal de jongen die zo krachtig is in zijn vastbeslotenheid tot boete, vragen hiermee te stoppen. Keert u alstublieft weer terug naar uw woonplaatsen.' 

 

Hoofdstuk 9: Dhruva Keert uit het Woud Terug naar Huis

(1) Maitreya zei: 'Aldus bevrijd van alle angst, brachten ze [de halfgoden] de Heer van de grote stappen [Urukrama, Vishnu] hun eerbetuigingen, waarop ze terugkeerden naar hun drie werelden. De Heer met de duizend gezichten [Sahasras'îrshâ, de oorspronkelijke Vishnu] begaf zich toen op de rug van Garuda naar het Madhuvana woud met de wens Zijn dienaar [Dhruva] te zien. (2) Dhruva, gerijpt en sterk door zijn meditatie in de yoga, zag Hem schitterend als de bliksem gemanifesteerd op de lotus van zijn hart. Opeens merkte hij dat Hij was verdwenen, maar toen hij om zich heen keek zag hij Hem recht voor zich staan in dezelfde gedaante. (3) Met Hem voor zich aanwezig wierp hij, in verwarring gebracht, zich languit als een stok op de aarde om Hem zijn eerbetuigingen te brengen. Hem aankijkend was het alsof de jongen Hem dronk met zijn ogen, alsof hij Hem kuste met zijn mond en omhelsde met zijn armen.   (4) Toen Hij zag dat hij hem wilde verheerlijken maar niet goed wist hoe dat moest, beroerde de Heer, die het gebed is in overeenstemming met de geschriften in het hart van een ieder, vol begrip voor de jongen genadevol zijn voorhoofd met Zijn schelphoorn. (5) Daarmee de inspiratie ontvangend om te kunnen zeggen wat hij wilde, kon hij, langzaam zijn gebeden doend in de liefde van zijn toewijding, begrijpen waar het met het opperste van de ziel allemaal om ging en dat hij de bekende en beroemde Dhruva zou zijn wiens wereld niet te ontkennen was.

(6) Dhruva zei: 'Laat me U mijn eerbetuigingen brengen, o Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon die als de Ene vanbinnen, vanuit Uw innerlijk vermogen, de universele energie dirigeert en mijn woorden en adem binnengaand, mijn passieve zinnen alsook mijn armen, benen, handen en huid tot leven heeft gewekt. (7) U bent de Ene, Allerhoogste Heer, die, na middels Zijn eigen vermogen deze immense buitenwereld genaamd mâyâ geschapen te hebben - dat onbegrensd complete van de werkelijkheid met zijn geaardheden - toen als de Oorspronkelijke Persoonlijk erin bent binnengegaan om in de tijdgebonden kwaliteiten op verschillende manieren te verschijnen zoals vuur dat doet in brandhout. (8) Hij van overgave aan U [Brahmâ] kon, als een man die ontwaakt uit zijn slaap, dit hele universum overzien dankzij de kennis die U verschafte, o mijn Heer. Hoe kan iemand die op de hoogte is van Uw handelen nu Uw Lotusvoeten, die de beschutting vormen voor een ieder die naar bevrijding verlangt, buiten beschouwing laten, o vriend van hen die te lijden hebben? (9) Het lijdt geen twijfel dat U, de oorzaak van de bevrijding van geboorte en dood, als een wensboom bent voor hen die het, verkerend onder de invloed van de buitenwereld, ontbreekt aan de juiste levensopvatting en U aanbidden met nevenmotieven in hun verlangen naar de bevrediging van de zinnen van deze zak met botten, een bevrediging die zelfs beschikbaar is voor hen die in de hel verkeren. (10) De gelukzaligheid van Uw schittering, die zich voor belichaamde zielen kan voordoen als ze op Uw lotusvoeten mediteren of als ze luisteren naar de verhalen van Uw toegewijden, doet zich nimmer voor met het onpersoonlijke allerhoogste [Brahman] en is ook niet te vergelijken met dat wat men ervaart in het [persoonlijk] bezetten van verheven posities waaruit men gedoemd is ten val te komen, vernietigd door het zwaard van de tijd. (11) Laat het zo zijn dat ik, dol op het drinken van de nectar van de verhalen over Uw kwaliteiten, de intieme omgang mag genieten met hen die voortdurend bezig zijn in Uw toegewijde dienst, o Onbegrensde, met die grote toegewijden door wiens gezuiverde harten men met gemak de verschrikkelijke en enorme oceaan van gevaren kan oversteken die het materieel bestaan vormt. (12) Zij, o lieve Heer, denken nooit aan het materiële lichaam dat men zo zeer koestert in de relatie met zoons, vrienden, thuis, weelde en vrouw. Zij, o Heer van de Lotus Navel, hebben de omgang bereikt met hen die in hun harten altijd de geur dragen van Uw lotusvoeten. (13) Ik weet dat de verschillende dieren, bomen, vogels, reptielen, goden, demonen en mensen zich, op grond van Uw kosmische intelligentie dan weer zichtbaar en dan weer niet gemanifesteerd, rond bewegen in Uw grofstoffelijke gedaante, o Ongeborene, maar van deze bovenzinnelijke gedaante, o Allerhoogste, had ik geen idee. Aan al mijn argumentatie is nu een einde gekomen. (14) Aan het einde van ieder tijdperk trekt de Allerhoogste Persoon alles van dit universum terug in Zijn buik en ligt Hij in zelfreflectie in het gezelschap van Ananta S'esha die Zijn bed vormt. Uit de oceaan van Zijn navel ontspringt de gouden verblijfplaats, met Brahmâ op de werveling van de lotus. Hem, die Allerhoogste Heer, biedt ik mijn eerbetuigingen. (15) U bent de eeuwige bevrijde, zuivere Allerhoogste Ziel vol van kennis, de onveranderlijke, eigenlijke Oorspronkelijke Persoon, de Opperheer en heerser over de drie geaardheden, de constante intelligentie dwars door alle handelingen van het intellect heen, de bovenzinnelijke visie en getuige, de handhaver, de genieter en Hij wiens positie verschilt van alle andere. (16) U, in wiens natuur altijd de van elkaar verschillende, tegengestelde energieën van kennis en onwetendheid worden aangetroffen, U die dat continuerende Brahman bent, U, de oorzaak van de materiële manifestatie, de Oorspronkelijke en Onbeperkte Ene altijd gelukzalig, betoon ik mijn respect. (17) Vergeleken met andere zegeningen vormen Uw lotusvoeten de ware zegening, o mijn Heer, en aldus bent U als zodanig de verpersoonlijking van het levensdoel van ieder mens, o geliefde Fortuinlijke. U, vol van ijver Uw genade te doen nederdalen, draagt zoals een koe voor een kalf zorgt, zorg voor hen die minder van genade zijn zoals ik.'

(18) Maitreya zei: 'Na aldus ten volle te zijn aanbeden middels de fijne intelligentie van enkel zijn goede bedoelingen, sprak de Opperheer, die er altijd ten gunste van Zijn toegewijden is, tot hem, na eerst blijk te hebben gegeven van Zijn waardering. (19) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik weet waar je in je hart toe besloten hebt, o zoon van de koning. Aangezien je zweert bij het vrome, zal Ik je alle fortuin schenken, hoewel het een wens betreft die moeilijk te vervullen is. (20-21) Nog nooit eerder, Mijn beste jongen, slaagde iemand anders erin zich op zo'n helder stralende plaats als de planeet van Dhruva in te stellen waaromheen alle andere planeten en sterrenbeelden draaien zoals een groep stieren ronddraaien die vastzitten aan een paal in het midden [voor het pletten van graan]. Het is de planeet waaromheen, met hem aan hun rechterzijde, samen met de sterren draaiend, al de grote wijzen van het woud zich bewegen zoals Dharma, Agni, Kas'yapa en S'ukra, wiens levens zich uitstrekken voorbij een millennium. (22) Op het moment dat je vader naar het woud vertrekt, zal de hele wereld je loon zijn. Ze zal onder jouw vrome heerschappij voor de duur van zesendertigduizend jaar ononderbroken onder de volledige controle van jouw vermogens staan. (23) Als je broer Uttama, die tijdens de jacht de dood zal vinden, in het woud wordt gezocht door zijn zeer verdrietige moeder, zal ze in een bosbrand belanden. (24) Na voor Mij, het hart van alle offers, grote offers te hebben gebracht en vele gulle giften te hebben uitgedeeld, zal je, nadat je de zegeningen van deze wereld hebt genoten, aan het eind van je leven in staat zijn Mij te herinneren. (25) Daarna zal je je op weg begeven naar Mijn verblijfplaats die op alle planeten wordt aanbeden en die zich bevindt boven die van de rishi's. Als je die plaats hebt bereikt, zal je nooit meer terugkeren.'

(26) Maitreya zei: 'Na de jongen aldus te hebben verzekerd van Zijn persoonlijke bescherming [en verblijfplaats], keerde Hij, de geëerde en aanbeden Opperheer die Garuda in Zijn vaandel voert, voor ogen van Dhruva terug naar Zijn hemelverblijf. (27) Hoewel Dhruva de voeten van Heer Vishnu had bereikt als gevolg van zijn dienstbaarheid, was hij niet erg blij met de voldoening die hij aan zijn vastberadenheid ontleende en keerde hij terug naar huis.'

(28) Vidura zei: 'Met de zeer geconcentreerde aanbidding van Zijn lotusvoeten had hij in één enkel leven de zelden bereikte allerhoogste positie van de Heer verworven. Hoe kwam het dat hij, het eenmaal zo ver gebracht hebbend en zo wijs zijnd, zich niettemin innerlijk onvoldaan voelde?'

(29) Maitreya antwoordde: 'Door de kwetsende woorden van zijn stiefmoeder was hij diep in zijn hart geraakt. Ze zich allemaal herinnerend wenste hij het niet te worden bevrijd door de Heer van de Verlossing en leed hij daarom verdriet. (30) Dhruva zei tot zichzelf: 'Dat wat de vier Kumâra's, die onfeilbare celibatairen, in hun verzonkenheid nimmer in één enkele geboorte konden bereiken, bereikte ik binnen zes maanden, maar met het bereiken van de toevlucht van Zijn lotusvoeten kwam ik ten val omdat ik mijn zinnen op iets anders had gezet. (31) Kijk nu eens hoe dwaas en onfortuinlijk ik met mijn lichamelijk belang ben. Ik benaderde de lotusvoeten van Hem die alle banden kan doorbreken, maar bad voor dat wat vergankelijk is. (32) Mijn intelligentie raakte besmet door het onvermogen van de halfgoden het te kunnen verdragen weer naar een aards bestaan terug te moeten keren. Daarom kon ik, me beroerd voelend, de waarheid van Nârada's instructies niet aanvaarden. (33) Alsof ik droomde in mijn slaap, zocht ik mijn toevlucht in de begoochelende energie van de Heer en was ik vol zelfbeklag. Gevangen in dualiteit klaagde ik, onder de invloed van de buitenwereld, erover dat mijn broer mijn vijand was, ook al behoorde hij tot de tijdelijkheid. (34) Dit waar ik voor bad, is zo nutteloos als iemand die al dood is medicijnen geven. Na de Ziel van het Universum tevreden te hebben gesteld met boetedoeningen - iets dat zeer lastig te volbrengen is - bad ik in mijn ongeluk tot de Heer, met wie men met de wereld kapt, voor materiële voldoening. (35) Hem die bereid was me Zijn volledige onafhankelijkheid te schenken vroeg ik helaas uit dwaasheid om materiële voorspoed. Het is als een arme man die een grote en liefdadige keizer die onder de indruk is van zijn deugd, vraagt om een paar gebroken korrels gepelde rijst.'

(36) Maitreya vervolgde: 'Mijn beste Vidura, personen als jij die er behagen in scheppen dienstbaar te zijn in het stof van de lotusvoeten van de Heer van de Bevrijding, zijn niet uit op hun eigenbelang. Met wat ze er automatisch mee bereiken beschouwen ze zichzelf als heel rijk. (37) Toen hij hoorde dat zijn zoon was teruggekeerd, als was hij uit de dood opgestaan, kon koning Uttânapâda niet geloven waarom een zondaar als hij zulk een groot geluk ten deel zou vallen. (38) [Bevestigd] in zijn geloof in de woorden van devarishi Nârada, was hij overweldigd door de tijding die de boodschapper bracht. Hoogst tevreden schonk hij hem een kostbaar parelsnoer. (39-40) Zeer begerig zijn zoon te zien, beklom hij in grote haast een met goud beslagen wagen getrokken door de fijnste paarden en verliet toen, begeleid door het geluid van schelphoorns, pauken, fluiten en het gezang van hymnen, de stad samen met de brahmanen, de ouderen en zijn officieren, bewindslieden en vrienden. (41) Zijn beide koninginnen Sunîci en Suruci gingen, behangen met hun goud, samen met Uttama in een draagstoel zitten en voegden zich bij de optocht. (42-43) Zijn zoon in een klein bos in de buurt ontmoetend, haastte de koning zich van zijn wagen en raakte, toen hij hem benaderde, direct overmand door liefde. Zwaar ademend door zijn grote bezorgdheid omhelsde hij langdurig met zijn beide armen hem wiens gebondenheid aan de eindeloze materiële besmetting was vernietigd door de lotusvoeten van de Heer. (44) Keer op keer besnuffelde hij zijn hoofd en baadde hij, nu zijn grootste wens in vervulling was gegaan, zijn zoon met het koele water van zijn ogen. (45) Nadat hij zijn vaders voeten had gerespecteerd en hij door hem was gezegend en vereerd met vragen, boog hij, de nobelste van alle zielen, zijn hoofd voor zijn twee moeders. (46) Toen de onschuldige jongen aan haar voeten neerviel, tilde Suruci hem op, omhelsde hem en sprak ze, verstikt door de tranen, tot hem de woorden: 'Moge je lang leven.' (47) Een ieder over wiens kwaliteiten en vriendschap de Allerhoogste Persoonlijkheid, Heer Hari, tevreden is, ontvangt het respect van alle levende wezens, net [zo vanzelfsprekend] als water dat uit zichzelf naar de laagste plek stroomt. (48) Uttama en Dhruva, beiden overmand door hun emoties, omhelsden met hun haren overeind elkaar keer op keer en lieten hun tranen de vrije loop. (49) Sunîti, zijn moeder, omhelsde haar zoon die haar dierbaarder was dan haar eigen levensadem en vergat, er tevreden over zijn lichaam aan te raken, al haar verdriet. (50) Daar op dat moment, o heldhaftige ziel, werd hij nat van de niet te stuiten tranen van de ogen van de moeder van deze held en van de melk die uit haar borsten begon te vloeien. (51) De mensen om haar heen uitten hun lof voor de koningin: 'Het geluk van uw zoon zal al uw pijn verdrijven, nu dat hij, na zo'n lange tijd verloren te zijn geweest, is teruggekeerd om de aarde wijd en zijd te beschermen. (52) U moet Hem aanbeden hebben, de Heer die iemand kan vrijwaren van het grootste gevaar en op wie constant mediterend de wijzen de dood verslaan die zo heel moeilijk te overwinnen is.'

(53) Dhruva, aldus geprezen door de mensen om hem heen, werd door de koning samen met zijn broer op de rug van een vrouwtjesolifant gezet en keerde, daarmee behaagd en gevierd, terug naar zijn hoofdstad. (54) Hier en daar waren er prachtige haaientandvormige feestbogen opgericht alsook jonge betelnootbomen en rijen bananenstammen met trossen bloemen en vruchten. (55) Bij iedere poort was er een versiering van hangende mangobladeren, stoffen, bloemenslingers en parelkettingen samen met potten gevuld met water en brandende lampen. (56) De stadspoorten met de omringende muren, de huizen en de koepels van het paleis schitterden aan alle kanten, prachtig versierd als ze waren met kostbare gouden ornamenten. (57) De kruispunten, straten en de marktplaats waren grondig gereinigd, besprenkeld met sandelhoutwater en voorzien van gelukbrengende uitstallingen van gebakken rijst, gerst, bloemen en vruchten. (58-59) Toen ze Dhruva op straat zagen strooiden de huisvrouwen hier en daar onder het roepen van liefdevolle zegeningen, wit mosterdzaad, gerst, yoghurt, water, vers gras, bloemen en vruchten over hem uit. Met de klanken van hun zeer aangename liederen in zijn oren betrad hij aldus het paleis van zijn vader. (60) In die fijne woning die overdekt was met mozaïeken van kostbaar gesteente leefde hij, die onder de voortdurende zorg van zijn vader tot de hoogste status was verheven, als een god. (61) Het paleis was uitgerust met stoelen en meubels met gouden versieringen, met zeer kostbare ivoren bedden en beddengoed zo wit als melkschuim. (62) In de muren gemaakt van marmer waren kostbare edelstenen verwerkt en de lampen die straalden van de juwelen werden omhooggehouden door beeldjes van vrouwenfiguren die eveneens van kostbaar gesteente waren vervaardigd. (63) Ook de tuinen waren zeer mooi met verschillende hemelbomen, paartjes zangvogels en het gezoem van doldwaze hommels. (64) Smaragden traptreden leidden naar vijvers vol met lelies en blauwe lotussen, zwanen en eenden, groepjes ganzen en kraanvogels die in de buurt verbleven.

(65) Toen de rechtschapen koning Uttânapâda vernam over en ook zag wat de hoogst bewonderenswaardige invloed was van zijn zoon, voelde hij zich zeer gelukkig over dat grote wonder. (66) Zo gauw hij zag dat Dhruva volwassen genoeg was qua leeftijd en ook werd gewaardeerd door zijn ministers en geliefd was bij zijn onderdanen, maakte hij hem heer en meester over de wereld. (67) Hij, deze koning van Vishnu, beschouwde zichzelf toen eveneens oud genoeg en ging, voor zijn zieleheil, onthecht het woud in.'

 

Hoofdstuk 10: Het gevecht van Dhruva Mahârâj met de Yaksha's

(1) Maitreya zei: 'Dhruva ['de onverzettelijke'] trouwde met Bhrami [wat 'omwentelen' betekent], de dochter van Prajâpati S'is'umâra ['de dolfijn', 'de melkweg'] en gaf haar zoons de naam Kalpa ['tijdperk'] en Vatsara ['tropisch jaar']. (2) Bij een andere vrouw genaamd Ilâ ['de troostrijke'], een dochter van Vâyu [de halfgod van de lucht], verwekte de machtige heerser een zoon genaamd Utkala ['hij die de last draagt'] en een juweel van een meisje. (3) Uttama ['de uitnemende'] echter, Dhruva's broer die niet trouwde, werd tijdens de jacht in het Himalayagebied gedood door een zeer krachtige Yaksha [een boze geest]. Zijn moeder [Suruci] volgde hem [spoedig]. (4) Toen Dhruva vernam over de dood van zijn broer, zwoer hij vol verdriet woedend wraak en klom hij in zijn glorieuze strijdwagen om zich naar de stad van de Yaksha's te begeven.

(5) Reizend in de noordelijke richting zag de koning, in een vallei van de Himalaya's bewoond door volgelingen van Heer S'iva, een stad vol spookachtige geesten. (6) De machtig-gearmde blies op zijn schelphoorn die in alle richtingen angstwekkend in de lucht weerklonk, o bestuurder, zodat de echtgenotes van de Yaksha's de schrik om het hart sloeg. (7) Uit weerzin tegen het geluid van de schelphoorn verschenen toen de zeer machtige soldaten van Kuvera en vielen hem aan met allerlei soorten wapens. (8) Hij, de held en de machtige boogschutter, kon met hen allen in de aanval, vele tegenstanders tegelijk aan en doodde ze de één na de ander met het afschieten van drie pijlen tegelijk. (9) Er vanuit gaand dat ze met die pijlen op hun vege lijf afgeschoten, allen zonder mankeren zeker zouden worden verslagen, prezen ze hem voor dat optreden. (10) Maar niet in staat het te verdragen om door hem als adderengebroed onder de voet te worden gelopen, probeerden ze terug te slaan door tegelijk twee keer zo veel pijlen af te schieten. (11-12) In hun ijver zijn optreden en dat van zijn wagenmenner tegen te gaan, stortten ze, 130.000 man sterk, zeer verwoed daarop een regen over hem uit van allerlei soorten gevederde pijlen, knuppels, zwaarden, drietanden, scherp gepunte lansen, speren en vuurwapens. (13) Als een berg die aan het zicht wordt onttrokken door een stortbui, verdween de krijgsheer toen achter die aanhoudende regen van wapens volledig uit het zicht.

(14) In de lucht weerklonk een rumoer van teleurstelling toen de Siddha's, getuige van het gevecht, dachten dat deze kleinzoon van Manu gedood was omdat hij als de zon was ondergegaan in de zee van Yaksha's. (15) De Yaksha's claimden juichend de overwinning, maar toen kwam uit het strijdgewoel zijn wagen weer tevoorschijn zoals de zon uit de mist opdoemt. (16) Zijn zoevende goddelijke boog bracht treurnis over zijn vijanden toen hij met zijn pijlen de verschillende wapens uiteensloeg, alsof de wind een massa wolken uiteendreef. (17) De scherpe pijlen afgeschoten met zijn boog doorboorden de schilden van de demonen en drongen hun lichamen binnen als blikseminslagen die bergen treffen. (18-19) Het slagveld dat de geesten van helden verbijstert, begon te glinsteren van de hoofden die er, compleet met bloemslingers en tulbanden, prachtig met oorhangers en helmen, door de pijlen waren afgeschoten en de afgesneden benen en armen die met schitterende pols- en armbanden eruitzagen als gouden palmbomen. (20) De resterende soldaten van wie de meesten gewond waren door de pijlen van de grootste aller krijgers, vluchtten weg in alle richtingen als waren ze olifanten verslagen door een leeuw.

(21) Toen hij zag dat geen van de soldaten van de tegenpartij nog overeind stond, wilde de beste van alle mannen hun stad bekijken, maar hij ging er niet in binnen want men kan er nooit zeker van zijn wat een mystieke vijand in zijn schild voert. (22) Terwijl hij die de beste strijdwagen had, beducht op een tegenaanval van zijn vijanden, in gesprek was met zijn wagenmenner, was er een luid geluid te horen als van de oceaan dat was te herkennen als de wind van een stofstorm die aan alle kanten opstak. (23) In een mum van tijd was de hemel verduisterd door een massa dichte wolken die overal glinsterden van de bliksem met een dreigend gedonder aan alle kanten. (24) O onberispelijke, er was een stortvloed van bloed, slijm, pus, uitwerpselen, urine, beendermerg en rompen van lichamen die uit de lucht voor zijn voeten neervielen. (25) Toen kon men uit de hemel van overal een massa stokken, knuppels, zwaarden en strijdknotsen zien neerkomen, samen met een regen grote stenen. (26) Slangen ademend als de donder spuwden vuur met venijnige ogen en groepen kwaaie olifanten, leeuwen en tijgers drongen zich naar voren. (27) Alsof de dag des oordeels was aangebroken stroomde de zee van alle kanten in wilde golven over de aarde met een geweldig geluid.

(28) Dit soort van verschijnselen wordt in het leven geroepen door demonen die door en door slecht in hun duivelse aard, eropuit zijn de minder intelligente ziel angst aan te jagen. (29) De grote wijzen, zich bewust van de hoogst gevaarlijke mystieke macht die door de demonen tegen Dhruva werd ingezet, verzamelden zich toen om hem te ondersteunen en bij te staan. (30) Ze zeiden: 'O zoon van Uttânapâda, moge de Allerhoogste Heer die de boog draagt met de naam S'ârnga, de Godheid zijn die al de vijanden van de overgegeven zielen doodt zodat er een eind aan hun lijden komt. Want het is het horen over en zingen van Zijn heilige naam dat de mens terstond geheel over de onoverkomelijke dood heen helpt, o Dhruva.'

 


Hoofdstuk 11: Svâyambhuva Manu Raadt Dhruva Mahârâja aan met Vechten te Stoppen

(1) Maitreya zei: 'Nadat hij de woorden van de wijzen had gehoord beroerde Dhruva water en legde hij een pijl die door Nârâyana was gemaakt op zijn boog. (2) Zo gauw hij dit wapen van Nârâyana op zijn boog had aangelegd, werden snel de illusies die waren geschapen door de Yaksha's verdreven, o Vidura, precies zoals woede en pijn worden verdreven door het rijpen van geestelijke kennis. (3) Met het hem geschonken wapen op zijn boog sprongen daaruit gouden pijlen voort met veren als die van zwanen die, met het luide geluid van pauwen die een bos binnengaan, de vijandelijke soldaten doorboorden. (4) Over die scherpgepunte pijlen van alle kanten op het slagveld, wonden de Yaksha's zich verschrikkelijk op zodat ze zich met opgeheven wapens woedend in zijn richting spoedden, zoals slangen met uitstaande halzen dat doen uitvallend tegen Garuda. (5) Met zijn pijlen doorsneed hij de armen, benen, nekken en buiken van al de Yaksha's die in de slag op  hem afkwamen. Hij zond ze allemaal naar de plaats boven de zon waarheen van oudsher zij die hun zaad opwaarts sturen [de celibatairen] zich begeven. (6) Toen hij zag hoe de Yaksha's, die feitelijk niks misdaan hadden, massaal werden gedood door de man met de prachtige strijdwagen, was de grootvader, de Manu, zo genadig samen met de grote wijzen de zoon van Uttânapâda te benaderen om hem te instrueren. (7) Manu zei: 'Genoeg mijn zoon, hou op met het doden van deze goede kerels die je niets hebben misdaan. Je bevindt je met een dergelijke escalatie van geweld op het pad van onwetendheid en zonde. (8) O mijn beste, deze onderneming van je om de Yaksha's te doden die niet zondigden, is ongepast voor een lid van onze familie en is, zo zeggen de wijzen, verboden. (9) Natuurlijk, mijn beste, ben je bedroefd over de dood van je broeder waar je om geeft, maar nu heeft de overtreding van één Yaksha geleid tot het doden van zijn vele metgezellen. (10) Zeer zeker is dit doden van levende wezens nimmer de aangewezen weg voor hen die eerlijk de weg van de Heer van de Zintuigen bewandelen. Als men het lichaam voor het zelf houdt is men als de dieren. (11) Door te mediteren op de Superziel die aanwezig is in alle levende wezens, heb je de verblijfplaats bereikt van Heer Hari die zo moeilijk gunstig te stemmen is. Je hebt door zo van aanbidding te zijn de allerhoogste positie van Vishnu bereikt.  (12) Hoe kan jij als iemand die, met het genieten van de achting van de Heer Zijn toegewijden, door hen altijd wordt herinnerd, hoe kan jij die, als een voorbeeld voor anderen, zweert bij het heilige, je nu overgeven aan zo iets abominabels?

(13) Als men verdraagzaam, vriendelijk, genadig en gelijkgezind is jegens alle levende wezens zal de Ziel van Allen, de Allerhoogste Heer, zeer tevreden zijn. (14) De Allerhoogste Heer behagend zal een persoon, bevrijd van de basiskwaliteiten van de materiële natuur en vrij van zorgen over zijn individuele bestaan, een onbegrensde geestelijke gelukzaligheid bereiken [brahma nirvâna]. (15) De man en de vrouw evolueerden [onder de dwingende kracht van de Tijd] uit de vijf elementen van de materie en uit hun seksualiteit ontstonden er in deze wereld nog meer mannen en vrouwen. (16) Aldus, o Koning, vindt, met de begoochelende energie van het Allerhoogste Zelf, de schepping, handhaving en vernietiging plaats als gevolg van de interactie van de natuurlijke basiskwaliteiten. (17) Zoals ijzer wordt bewogen [door een magneet] moet deze wereld van oorzaak en gevolg worden beschouwd als bewogen door de achterliggende oorzaak [van] de oorspronkelijke en meest verheven Persoon die vrij is van de natuurlijke basiskwaliteiten. (18) Onder de invloed van het, zonder twijfel moeilijk te doorgronden, vermogen van de Almachtige in de vorm van de kracht van de Tijd, resulteerde de interactie [of verstoring van het evenwicht] van de geaardheden van de natuur in deze verscheidenheid aan energieën. Op deze verscheidenheid oefent de Allerhoogste Persoonlijkheid Zijn invloed uit, ook al is Hij niet degene die handelt, en in die verscheidenheid voert Hij tot de dood, hoewel Hij niet degene is die doodt. (19) Hij die geen einde kent maakt in de vorm van de Tijd aan alles een eind, Hij die geen begin kent vormt van alles het begin, Hij die onuitputtelijk is roept het ene levende wezen in het leven via het andere en Hij als de dood maakt een einde aan alles wat doodt. (20) Als de dood ieders leven binnendringend is niemand Zijn bondgenoot of vijand. Al de combinaties van elementen [organisch en anorganisch] volgen hulpeloos Zijn bewegen als stofdeeltjes voortgedreven door de wind. (21) Vrij van een korte of een lange levensduur zoals die geldt voor wezens die geboren worden, bevindt de Almachtige zich immer in Zijn bovenzinnelijke positie en kent Hij de begeertigen de resultaten van hun handelen toe. (22) Sommigen, o Koning, verklaren dit karma [de werklast van vruchtdragende handelingen] als zijnde het gevolg van iemands eigen aard of als teweeggebracht door anderen, o beschermer van de mensen. Sommigen zeggen dat het aan de tijd te wijten is, anderen verwijzen naar het lot, terwijl nog weer anderen het toeschrijven aan de begeerte van het levend wezen. (23) Wie, mijn beste kerel, kan nu ooit de bedoelingen doorgronden van Hem die onze oorsprong is, Hij van de bovenzinnelijkheid die vanuit de niet-manifeste werkelijkheid [pradhâna] aanleiding geeft tot de verschillende energieën en natuurkrachten?

(24) Op dezelfde manier, mijn zoon, zijn al deze volgelingen van Kuvera [de hemelse schatbewaarder] niet de moordenaars van je broer. Alleen God is de oorzaak van geboorte en dood van een levend wezen, mijn beste. (25) Hij schept het universum en handhaaft en vernietigt het ook. Daarenboven raakt Hij niet verstrikt door de werking van  de natuurlijke geaardheden, want Hij [vrij als Hij is van vals ego] identificeert zich niet met een materieel lichaam. (26) Deze Superziel, de beheerser en handhaver van alle vormen van leven, brengt voort, koestert en verslindt, gebruikmakend van de kracht van Zijn eigen uitwendige energie. (27) Aan Hem, mijn beste zoon, de Allerhoogste van de dood en onsterfelijkheid die in alle opzichten het uiteindelijke doel van overgave vormt voor de gehele wereld, dragen alle toegewijden en belangrijke persoonlijkheden van de schepping hun offergaven op, beheerst als ze zijn door Hem zoals stieren worden beheerst met een touw door hun neus. (28) Nog maar vijf jaar oud verliet je je moeder met je hart vol verdriet over de woorden van je stiefmoeder en ging je naar het bos om de Heer te aanbidden met verstervingen. Aldus bereikte je de hoogste positie in al de drie werelden. (29) Wendt je vrij van woede door Hem in gedachten te houden, mijn beste, tot het ene onfeilbare, spirituele zelf [het Brahman] dat zich in het voorbije bevindt en probeer, met de ziel voor ogen, de onbesmette staat te ontdekken van waaruit al deze verdeeldheid wordt begrepen als valsheid [als slechts een overdekking]. (30) Als je dan bovenzinnelijke dienst verleent aan de Ziel Vanbinnen van de Allerhoogste Heer die het onbegrensde reservoir van alle genoegen is behept met alle vermogens, zal je zeer spoedig de knoop van illusie van het 'ik' en 'mijn' ontwarren en aldus stevig verankerd zijn.

(31) Beheers enkel je woede -  de belangrijkste vijand van de goedheid - en al het goede fortuin zal je deelachtig zijn. Door consequent vast te houden aan deze les, beste Koning, zal die [richtlijn] werken als een medicinale behandeling voor een ziekte. (32) Een intelligent iemand die zijn ziel vrij van angst wil zien, moet zich nimmer door woede laten leiden, want iedereen is beducht voor degene die door woede wordt beheerst. (33) Door woedend de Yaksha's te doden van wie je dacht dat ze je broer hadden gedood, heb je Kuvera, de broeder van S'iva geminacht. (34) Ga en beweeg hem onmiddellijk tot vrede, mijn zoon. Breng hem in vriendelijke bewoordingen respectvol je eerbetuigingen, voordat de wraak van de[ze] grote zielen onze familie verslaat.'

(35) Nadat Manu Svâyambhuva zijn kleinzoon aldus had geïnstrueerd, ontving hij van hem zijn eerbetuigingen en vertrok hij samen met de wijzen naar zijn verblijfplaats.'

 

Hoofdstuk 12: Dhruva Mahârâja Keert Terug naar God

(1) Maitreya zei: 'Nadat hij gehoord had dat Dhruva's woede was getemperd en dat hij van het doden had afgezien, verscheen Kuvera, de meester-schatbewaarder die aanbeden wordt door de Cârana's, Kinnara's [zangers en bewoners van de hemel] en Yaksha's, toen ter plekke en sprak tot Dhruva die met gevouwen handen voor hem stond. (2) De schatbewaarder zei: 'O zoon van de heerser, ik ben zeer blij met u, o zondeloze, omdat u met de instructie van uw grootvader de vijandschap hebt opgegeven die zo moeilijk te vermijden is. (3) In feite hebt u de Yaksha's niet gedood, noch hebben de Yaksha's uw broer gedood; het is de Tijd die de meester van de vernietiging en opwekking van alle levende wezens is. (4) Iemands intelligentie is van onwetendheid met de misvattingen van 'ik' en 'jij'. Voor iemand die het lichamelijk begrip volgt doet het leven zich voor als in een droom; het [lichamelijke uitgangspunt] vormt de oorzaak van gebondenheid en ongeluk. (5) Ik wens u alle geluk toe, o Dhruva, wees met dat in gedachten van aanbidding voor de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen van alle levende wezens en denk aan Hem in de vorm van de ene Superziel die aanwezig is in al wat leeft. (6) Wees Hem toegewijd wiens lotusvoeten het waard zijn aanbeden te worden, want zij verlossen uit het materieel bestaan en snijden de knoop  van de materiële verstriktheid door. Hoewel Hij in Zijn vermogen om over de geaardheden te heersen met hen in verband staat, staat Hij er door Zijn ondoorgrondelijk vermogen niettemin los van. (7) O Koning, vraag alstublieft zonder aarzelen van me wat u ook maar wenst, o zoon van Uttânapâda. We vernamen over uw standhouden aan de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beste man, en dat u dus die zegening verdient.'

(8) Maitreya zei: 'Hij die van de schatbewaarder-koning van alle koningen [de heerser van de Yaksha's] een zegening kreeg aangeboden vroeg, als een eersteklas intelligente en bedachtzame toegewijde van de Heer, om de voortdurende heugenis waarmee men zonder moeite de onoverkomelijke oceaan van onwetendheid oversteekt. (9) Kuvera, de zoon van Idavidâ, die zeer ingenomen was met Dhruva's mentaliteit, verleende hem die heugenis en verdween daarna uit het zicht, waarop ook Dhruva naar zijn hoofdstad terugkeerde. (10) Daarop aanbad hij, met offerplechtigheden en grote liefdadigheid, met alles wat hij had, kon bewerkstelligen en aan goddelijke ondersteuning kon vinden, de Heerser van alle Offers, het doel [in het leven] dat alle resultaten waarborgt. (11) Onophoudelijk dienst verlenend aan de ene onfeilbare Ziel verheven boven alles, zag hij alle levende wezens als aanwezig in Hem en Hem Almachtig aanwezig als de ene in alle levende wezens. (12) Aldus toegerust met alle goddelijke eigenschappen beschouwde men hem, die als een goedgezinde beschermer van de beginselen van het dharma respect had voor de brahmanen en de armen, als de vader van het volk. (13) Gedurende de zesendertigduizend jaar van zijn heerschappij over de planeet Aarde putte hij middels genietingen de verdienste van zijn goede daden uit en drong hij middels versoberingen zijn tegenslagen terug. (14) Aldus bracht de grote ziel zonder dat zijn zinnen van streek raakten [leven na leven] vele, vele jaren door met de gunstige beoefening van de drie soorten burgerlijke plichten [de regulatie van de religie, de economie en de zinsbevrediging], waarna hij de troon doorgaf aan zijn zoon. (15) Hij zag in dat dit universum dat bestaat uit Zijn uitwendige energie, er als een waanvoorstelling is voor de ziel, als iets dat, net als een droom, er is als gevolg van onwetendheid. (16) Hij beschouwde al het geschapene van zijn lichaam, zijn echtgenotes, kinderen, vrienden, zijn invloed, rijkdom, de lusthoven, de voorzieningen voor zijn vrouwen en het geheel van de schoonheid van de aarde met haar oceanen, als een tijdgebonden iets en om die reden vertrok hij naar Badarikâs'rama [de wouden van de Himalaya's]. (17) Aldaar zuiverde hij zijn lichaam, baadde hij in zuiver water en beheerste hij, gefixeerd in yogahoudingen, het proces van de ademhaling door zijn geest af te wenden van zijn fysieke zinnen. Zich concentrerend op de precieze vorm van de Heer die hij voortdurend in gedachten hield, raakte hij aldus mediterend volledig verzonken. (18) Voortdurend bezig met zijn toewijding voor Heer Hari, de Hoogste Persoonlijkheid Gods, was hij van een eeuwigdurende gelukzaligheid en raakte hij telkens weer overweldigd door een stroom van tranen die zijn hart deed smelten en die de haren van zijn lichaam overeind deed staan. Hij herinnerde zich niet langer dat hij in het bezit was van een lichaam en raakte zo bevrijd uit [eveneens] de [subtiele] materiële gebondenheid [mukta-linga].

(19) Dhruva zag hoe een zeer mooi hemelvoertuig [een vimâna] uit de hemel nederdaalde dat hem en de tien windrichtingen verlichtte alsof de volle maan zelf ten tonele was verschenen. (20) Vanwaar hij stond zag hij daarin twee prachtige halfgoden met ieder vier armen, een donkere huid, een nogal jong voorkomen en ogen zo roze als een lotusbloem. Ze hadden strijdknotsen en waren aantrekkelijk gekleed en gesierd met helmen, armbanden, halssnoeren en oorhangers. (21) Begrijpend dat ze de twee dienaren van de Vermaarde Heer waren, stond hij op, maar in verwarring gebracht wist hij niet meer hij hoe hij hen naar behoren moest verwelkomen en bracht hij aldus vol respect zijn handen bij elkaar om zijn eer te betuigen door de namen te reciteren van de leider van deze metgezellen, de Vijand van Madhu. (22) Hij wiens hart altijd was verzonken in gedachten over de voeten van Heer Krishna, boog zeer nederig met het vouwen van zijn handen zijn hoofd terwijl Nanda en Sunanda, de twee belangrijkste dienaren van Hem met de Lotusnavel, glimlachend naderden en hem aanspraken. (23) Nanda en Sunanda zeiden: 'O beste onder de koningen! We wensen u alle geluk. Luister aandachtig naar onze woorden. U bent degene die als vijfjarige de Heer enorm tevredenstelde door boete te doen. (24) Wij als de metgezellen van de schepper van dit ganse universum, van de Godheid die de boog genaamd S'ârnga draagt, zijn naar u toegekomen om u mee te nemen naar de verblijfplaats van de Heer. (25) U hebt de overwinning behaald en de wereld van Vishnu bereikt, die zo moeilijk te bereiken is dat zelfs de grootste zielen van de verlichting het niet zover brengen. Kom en bezie het allerhoogste verblijf waar de maan, de zon, de andere planeten en de sterren rechts omheen draaien. (26) Dit werd nog nooit bereikt door uw voorvaderen en ook niet door anderen, o allerbeste, kom en leef daar in die allerhoogste verblijfplaats van Heer Vishnu die zo aanbiddelijk is voor de bewoners van het universum. (27) O onsterfelijke ziel, u hebt het verdiend om aan boord te gaan van dit unieke hemelvoertuig dat u gezonden werd door Hem die in de Verzen wordt Geprezen, het hoofd van alle levende wezens.'

(28) De wijze Maitreya zei: 'Toen hij de woorden had gehoord die als honing vloeiden van de belangrijkste metgezellen van de Heer, nam hij die Hem zo dierbaar was een zuiverend bad en voerde hij zijn dagelijkse rituelen uit. Daarna begroette hij de wijzen en nam hij hun zegeningen in ontvangst. (29) Nadat hij met gebeden dat excellente hemelvoertuig had omlopen en ook de twee metgezellen zijn eerbetuigingen had gebracht, was hij er, met zijn gedaante oplichtend met een gouden gloed, klaar voor om aan boord te gaan. (30) De zoon van Uttânapâda zag toen de dood in eigen persoon op zich af komen. Hij plaatste zijn voet op zijn hoofd en besteeg zo het wonder dat zo groot was als een huis. (31) Op dat moment klonken er pauken, mridanga's [trommels gebruikt voor de eredienst] en kleinere trommels en dergelijke, terwijl de belangrijkste hemelzangers zongen en er een regen van bloemen neerdaalde. (32) Toen hij op het punt stond naar de hemel te vertrekken, moest Dhruva aan zijn moeder Sunîti denken en zei hij tot zichzelf: 'Hoe kan ik nu naar de moeilijk te bereiken wereld boven al de werelden vertrekken en mijn arme moeder achterlaten?' (33) Begrijpend waar Dhruva zich zorgen over maakte, maakten de twee verheven zielen van verlichting hem duidelijk dat zij in haar goddelijkheid hem al was voorgegaan op het pad. (34) Op zijn weg overladen met bloemen die hier en daar door de halfgoden vol lof vanuit hun hemelwagens over hem werden uitgestrooid, zag hij de ene na de andere hemelse sfeer [of planeet] voorbijkomen. (35) In zijn vimâna uitstijgend boven de drie werelden en zelfs boven de grote wijzen, bereikte Dhruva, die het eeuwige leven had verworven, de toevlucht van Heer Vishnu. (36) Stralend verlicht die plaats door zijn gloed vanbinnenuit de drie werelden overal en doet ze die ook stralen. Ze wordt enkel bereikt door hen die zich steeds bezighouden met liefdadige activiteiten en niet door hen die niet van genade zijn voor andere levende wezens. (37) Vreedzaam, gelijkgezind, zuiver en alle levende wezens behagend bereiken zij, die bevriend zijn met Zijn toegewijden, met gemak het hemelverblijf van de Onfeilbare. (38) Dhruva, de zoon van Uttânapâda, die, Krishna geheel toegewijd, zijn zuiverheid vond, werd aldus het kroonjuweel van de drie werelden. (39) De sfeer van de hemellichten [het sterrenstelsel] draait, verbonden met grote kracht en snelheid, onophoudelijk om die plaats heen, o Kaurava [Vidura's familienaam], als betrof het een kudde stieren bewegend rondom een centrale as.

(40) Toen de wijze en grote heer Nârada de heerlijkheid had gezien van Dhruva, hief hij, spelend op zijn besnaarde instrument, in het offerperk van de Pracetâ's een gezang aan in [de volgende] verzen. (41) Nârada zong: 'Dankzij zijn verzaking kon deze zoon van Sunîti, die haar echtgenoot zo toegewijd diende, die positie bereiken. Zelfs niet zij die men de volgelingen van de Veda's noemt zijn, ondanks hun kennis van zaken, van zo'n succes verzekerd, om nog maar te zwijgen over de kansen van de normale leden van de mensheid. (42) Hij die op vijfjarige leeftijd, bedroefd over de harde woorden van de vrouw van zijn vader, vol pijn in zijn hart, op mijn advies het woud inging, wist de onoverwinnelijke Allerhoogste Meester voor zich te winnen, zijn doel bereikend met de kwaliteiten van Zijn toegewijden. (43) Na de Heer van Vaikunthha te hebben behaagd bereikte hij, nog maar vijf of zes jaar oud, binnen de kortste keren [in zes maanden] Zijn beschutting. Ieder ander kan, zelfs nog niet na vele, vele van dat soort jaren [van verzaking] op aarde, de verheven positie verwachten te bereiken die de kshatriya-zoon Dhruva bereikte.'

(44) Maitreya zei: 'Ik vertelde alles wat u me hier vroeg over het roemrijke grootse karakter van Dhruva, hij die door velen [die toegewijd zijn] zo zeer op prijs wordt gesteld. (45) Het [luisteren naar dit verhaal] brengt weelde en een goede naam, verlengt de levensduur en is zo heel heilig en goedgunstig dat men er zelfs Dhruva's hemel mee kan bereiken. Het is aangenaam voor de geest en zegerijk in het tegengaan van allerlei vormen van zonde. (46) Herhaaldelijk met geloof ernaar luisterend, ontwikkelt men toegewijde activiteiten die de Onfeilbare dierbaar zijn en daardoor zal er onherroepelijk de volkomen overwinning zijn op alle hindernissen. (47) Voor degene die het hoort zijn er de kwaliteiten van zijn goed gedrag en dergelijke; het verhaal vormt een krachtbron voor degenen die naar kracht verlangen en [een voedingsbodem voor] de eer van de nadenkende mens. (48) Bezing zorgvuldig, in het gezelschap van tweemaal geboren zielen, in de ochtend en de avond de heilige roem en het grootse karakter van Dhruva. (49-50) Ten tijde van een volle of een nieuwe maan, op de dag na Ekâdas'î [de twaalfde dag van een maanmaand], als de S'ravana-ster verschijnt, aan het einde van een tithi [een dag t.o.v. de maan], op een dag genaamd Vyatîpâta, aan het einde van de maand of op een rustdag [t.o.v. de zon] moet u zonder er een vergoeding voor te verwachten het verhaal voor een ontvankelijke schare toehoorders navertellen en uw toevlucht zoeken bij de Lotusvoeten van Hem die de Beschutting van de Zoekers is. Dan zal u uw geest door de ziel tot vrede gebracht zien en zal u aldus volmaakt worden. (51) Hij die deze kennis overdraagt aan zielen zich niet bewust van de oorspronkelijke werkelijkheid, bevindt zich op het pad van waarheid en onsterfelijkheid en zal gezegend worden door de goden omdat hij een welgezinde beschermer van de zoekers is. (52) O beste van de Kuru's, aldus luidt mijn beschrijving van de activiteiten, de faam en het hoogst zuivere van Dhruva die, als kind zijn speelgoed en zijn moeder verzakend, van huis wegging en de beschutting van Heer Vishnu vond.' "



Hoofdstuk 13: Beschrijving van de Afstammelingen van Dhruva Mahârâja

(1) Sûta zei [tot de rishi's in Naimishâranya]: "Het aanhoren van Maitreya's beschrijving van Dhruva's hemelgang naar Vaikunthha, wakkerde Vidura's liefde aan voor de Allerhoogste Heer in het voorbije en opnieuw begon hij Maitreya Muni vragen te stellen.

(2) Vidura vroeg: 'Wie waren zij die u de Pracetâ's noemde? Van welke familie waren ze bekend, wiens zonen waren zij, o beste onder de gezworenen, en waar brachten zij hun offer? (3) Ik denk dat Nârada de grootste van alle toegewijden is, hij zag God in het gelaat en beschreef de gang van zaken van het toegewijd dienen van de Heer [in kriya-yoga of de pâñcarâtrika-methode]. (4) Toen deze mannen in aanbidding van de Allerhoogste Heer hun plichten vervulden, werd de Genieter van Alle Offers door Nârada vol van toewijding beschreven. (5) O brahmaan, wees zo goed mij, die er zo naar uitziet, al de verhalen te vertellen over de Heer zoals ze toen aldaar door de devarishi uit de doeken werden gedaan.'

(6) Maitreya zei: 'Utkala, de zoon van Dhruva, verlangde, nadat zijn vader naar het woud was vertrokken, niet de positie van de troon van de keizer, zijn vader, met al het land en de weelde die erbij hoort. (7) Vanaf de dag dat hij geboren werd, was hij een hoogst tevreden, onthechte ziel, die evenwichtig de Superziel als alomtegenwoordig in de wereld waarnam en de hele wereld als rustend in de Superziel. (8-9) In de vasthoudendheid van zijn overtuiging omtrent de geest van het Absolute, was er aan zijn gescheiden zijn van de hemel een einde gekomen in de eenheid van het Zelf. Door een consequente yogapraktijk was zijn gelukzaligheid toegenomen die als een vuur al de onzuiverheden van zijn karma uit zijn geest had weggebrand. Op die manier zijn eigenlijke positie inziend dacht hij aan niets anders meer dan aan de Ziel van Alle Zielen. (10) Op straat onder de mensen maakte hij bij de minder intelligenten de indruk een dwaas te zijn, blind, doof, stom en gek, maar in feite was zijn intelligentie meer als een vuur waarvan de vlammen getemperd zijn. (11) Ervan uitgaand dat Utkala verstoken was van intelligentie en gek was, stelden de ouderen van de familie en de ministers van staat Vatsara, de jongere zoon van Bhrami, aan als heerser over de wereld. (12) Svarvîthi, koning Vatsara's beminde echtgenote, bracht zes zonen ter wereld: Pushpârna, Tigmaketu, Isha, Ûrja, Vasu en Jaya. (13) Pushpârna had twee vrouwen, Doshâ en Prabhâ. Van Prabhâ waren er de zonen Prâtar, Madhyandinam en Sâyam. (14) Pradosha, Nis'itha en Vyushtha waren de drie zoons van Doshâ. Vyushtha verwekte bij zijn vrouw Pushkarinî een zoon genaamd Sarvatejâ [de almachtige]. (15-16) Zijn vrouw, Âkûti geheten, schonk het leven aan een zoon genaamd Câkshusha die de [zesde] Manu was. Zijn koningin Nadvalâ, bracht voor hem [twaalf] zuivere zoons ter wereld:  Puru, Kutsa, Trita, Dyumna, Satyavân, Rita, Vrata, Agnishthoma, Atîrâtra, Pradyumna, S'ibi en Ulmuka. (17) Ulmuka verwekte in Pushkarinî [die dezelfde naam had als haar voorgangster] zes uitmuntende zonen: Anga, Sumanâ, Khyâti, Kratu, Angirâ en Gaya. (18) De vrouw van Anga, Sunîthâ gaf geboorte aan Vena die zeer boosaardig was. Teleurgesteld over zijn slechte karakter verliet de wijze koning Anga de stad [om in het woud te gaan leven]. (19-20) Hij [Vena] werd vervloekt door de wijzen wiens vertoornde woorden hem troffen als een donderslag. Daarop verdween hij. Verstoken van een koning hadden alle burgers in de wereld het te stellen met dieven en schurken. Ze karnden toen zijn rechter arm [zijn 'hand'], waarop een deelincarnatie [ams'a-avatâra] van Nârâyana genaamd Prithu nederdaalde die de oorspronkelijke Heer van de Aarde werd.

(21) Vidura zei: 'Als koning Anga zo'n toonbeeld van goed karakter was en een heilig iemand, een aanhanger van de brahmaanse cultuur en een grote ziel, hoe kon zijn zoon dan zó slecht zijn dat hij zijn belangstelling verloor en vertrok? (22) Waarom koesterden de wijzen bekend met de beginselen van de religie die Vena's fouten zagen, het verlangen om over hem de brahmaanse vloek uit te spreken, terwijl het de koning toch gegeven was de roede van de kastijding te hanteren? (23) De koning moet nooit door de bevolking worden beledigd, hoe zondig hij ook is, omdat hij middels zijn persoonlijke invloed de macht in stand houdt van al de plaatselijke vertegenwoordigers. (24) Alstublieft beschrijf voor mij, uw trouwe dienaar, o brahmaan, alles wat er maar te zeggen valt over de activiteiten van de zoon van Sunîthâ. U bent immers goed op de hoogte van [de zaken van] de hemel en de aarde.'

(25) Maitreya gaf ten antwoord: 'Koning Anga bracht eens een groot as'vamedha-offer, maar ter wille van die grootse plechtigheid kwamen de godsbewusten nooit opdagen, hoewel ze uitgenodigd waren door de brahmanen die de leiding hadden. (26) Daarover peinzend zeiden ze toen tot de initiatiefnemer van de offerplechtigheid: 'De godsbewuste zielen accepteren de priesters hun uitgietingen in het vuur niet. (27) O Koning, er is niets aan te merken op de offergaven die u met grote zorg hebt ingezameld, noch is er ook maar iets mis met de juiste uitvoering van de mantra's door de gekwalificeerde brahmanen. (28) We kunnen in dezen niet de geringste belediging of nalatigheid constateren jegens de goddelijke zielen, om reden waarvan de godsbewusten die de offerplechtigheid moesten bijwonen, niet hun deel zouden accepteren.'

(29) Maitreya zei: 'Koning Anga, die het offer bracht, was er zeer over terneergeslagen toen hij hoorde wat de tweemaal geborenen te zeggen hadden. Hij richtte zich toen met hun permissie tot hen om nader te worden geïnformeerd: (30) 'Ertoe uitgenodigd komen zij die van God zijn niet opdagen om [de offerplechtigheid bij te wonen en] hun deel van het geofferde in ontvangst te nemen. Mijn beste priesters, zeg me alstublieft welke overtreding ik heb begaan.'

(31) De priesters die de leiding hadden zeiden: 'O god van de mensen, in dit leven hebt u ook niet maar de geringste zonde begaan, maar in uw vorige leven was er een onzuiverheid als gevolg waarvan u het in dit leven zonder een zoon moet stellen. (32) Daarom zeggen wij, u alle geluk toewensend: breng het offer ten uitvoer om een goede zoon te krijgen, o Koning, als u de Heer, de genieter van het offer, aanbidt met het verlangen een zoon te krijgen, zal Hij u er een schenken. (33) Alle mannen van God zullen daarop hun deel van de offergave aanvaarden, omdat dan, voor het doel [van het krijgen] van een zoon, duidelijk de Hoogste Persoonlijkheid is uitgenodigd. (34) Als de Heer aanbeden wordt zal Hij de persoon belonen met wat hij ook wenst; mensen plukken de vruchten van hun handelingen overeenkomstig de manier waarop ze Hem respecteerden.'
 
(35) Om de koning een zoon te bezorgen gingen de geleerden, met dat besluit, ertoe over rijstkoek te offeren in het vuur van de Heer van de Vlammen [Vishnu].  (36) Als gevolg daarvan verscheen er een persoon gekleed in het wit met een gouden krans en een gouden pot waarin hij rijst gekookt in melk met zich meevoerde. (37) De koning, verankerd in de geest van de adel, nam met de instemming van de geleerden de in melk gekookte rijst in zijn bijeen gebrachte handpalmen en bood, nadat hij er met groot genoegen aan gesnoven had, het zijn vrouw aan. (38) De kinderloze koningin at van het voedsel dat haar een kind zou schenken en werd inderdaad zwanger van haar echtgenoot. Na de nodige tijd gaf ze toen geboorte aan een zoon. (39) Die jongen verscheen ten dele in navolging van de op de dood georiënteerde a-religieuze grootvader van moeders kant. Hij groeide daardoor uit tot een schender van de heilige plicht. (40) Hij had de gewoonte de boog ter hand te nemen en als jager het bos in te gaan om onschuldige herten te doden. Daarom riepen alle mensen uit: 'Daar heb je die wrede Vena!' (41) Als hij buiten speelde met jongens van zijn leeftijd bracht hij ze zeer wreed gewelddadig en genadeloos ter dood alsof hij dieren afslachtte. (42) Ziend hoe wreed zijn zoon was, was de koning met verschillende strafmaatregelen niet in staat hem onder controle te krijgen en raakte daardoor zeer bedroefd. Hij dacht: (43) 'Zij die geen zoon hebben thuis moeten de Heer hebben aanbeden [in een vorig leven]. Ze hoeven niet te lijden onder het ondraaglijke leed dat zo'n slechte zoon veroorzaakt. (44) Door zijn kwade roep en het onrecht door hem begaan, zal er grote verdeeldheid zijn onder de mensen en zullen ze voortdurend in angst leven. (45) Wie wil er nu een dergelijke zogenaamde zoon? Onvermijdelijk bindt hij de ziel aan illusies; welk intelligent mens hecht nu waarde aan een zoon die je gezinsleven in de ellende stort? (46) Ik denk dat je maar beter een slechte zoon kan hebben dan een goede. Door een helse huishouding kan een sterveling zich onthechten van zijn huis als bron van verdriet.'

(47) Aldus onverschillig geraakt stond de koning, die de slaap niet kon vatten, in het holst van de nacht van zijn bed op om zijn huishouding op te geven die vanwege de zegeningen van de grote zielen zo welvarend was. Zonder door ook maar iemand gezien te worden verliet hij Vena's moeder die diep in slaap was. (48) Toen ze doorkregen dat de koning zich niet langer om hen bekommerde en vertrokken was, zochten al de burgers, priesters en ministers, vrienden en de rest van de mensen, in grote treurnis overal naar hem, als waren ze onervaren yogi's [in de buitenwereld] op zoek naar de oorspronkelijke persoon verborgen [in het hart]. (49) Niet ook maar een spoor van de vader des vaderlands vindend, o Kaurava, keerden de burgers teleurgesteld naar hun stad terug en stelden ze, na hun eerbetuigingen te hebben gebracht, met tranen in de ogen de verzamelde wijzen op de hoogte van de afwezigheid van de koning.'





Hoofdstuk 14: Het Verhaal van Koning Vena

(1) Maitreya zei: 'De wijzen met Bhrigu aan het hoofd die altijd uit waren op het welzijn van alle mensen begrepen dat met de afwezigheid van koning Anga de burgers gedoemd waren op het niveau van de dieren te leven. (2) De wijze mannen riepen Vena's moeder Sunîthâ bij zich en kroonden hem [Vena] toen tot de heerser over de wereld, ook al waren de ministers het er niet mee eens. (3) Toen ze hoorden dat koning Vena de troon had bestegen verborgen de dieven, die wisten dat hij een zeer strenge bestraffer was, zich meteen als waren ze ratten bang voor een slang. (4) Koning Vena die de hoogste zitplaats had ingenomen was zeer trots op de acht vormen van weelde [bhaga, zie 3.24: 32] en beschouwde zichzelf als de grootste. Vol minachting begon hij de grote persoonlijkheden te beledigen. (5) Aldus verblind door de macht besteeg hij, trots als een niet beheerste olifant, een wagen en trok hij rond, hemel en aarde schrik aanjagend. (6) Het de brahmanen niet toestaand dat er enig offer werd gebracht, aan liefdadigheid werd gedaan of dat er ook maar één grammetje boter in het vuur werd geofferd, maakte hij aldus met zijn paukengeroffel overal een einde aan de religieuze rituelen. (7) Toen de wijzen, die altijd de offers hadden uitgevoerd, zagen wat de grote schurk Vena deed, beschouwden ze dat als een bedreiging voor de gewone man en raakten ze uit mededogen in gesprek. (8) 'Zoals een blok hout dat aan twee kanten in brand staat, verkeert de gewone man helaas van de beide zijden van zowel de koning als van de dieven en schurken in groot gevaar. (9) Omdat we bang waren zonder een koning te zitten werd Vena gekroond hoewel hij er niet voor geschikt was en nu dreigt er ook van zijn kant gevaar. Hoe kunnen de levende wezens nu gelukkig zijn? (10) Zoals een slang in leven gehouden met melk zelfs degene aanvalt die hem te eten geeft, heeft Vena, geboren uit de schoot van Sunîthâ, zich ontwikkeld tot een uiterst kwalijk karakter. (11) Met hem aangesteld als koning lijdt het geen twijfel dat hij erop uit is de burgers schade te berokkenen, maar om te voorkomen dat wij voor de gevolgen van zijn zonden moeten boeten zullen we proberen hem tot vrede te bewegen. (12) Hoewel we ons bewust waren van Vena's ondeugd hebben we hem tot koning uitgeroepen. Als we hem met onze woorden niet tot vrede kunnen bewegen, zal hij worden veroordeeld door het volk vanwege zijn kwaadaardig handelen en moeten branden, even zo goed als hij ook zal moeten branden op basis van onze eigen heftige tegenstand.' (13) Aldus besloten benaderden de wijzen Vena onder het verhullen van hun woede. Met vriendelijke woorden bewogen ze hem tot vrede en spraken ze met hem.'

(14) De wijzen zeiden: 'O beste van de edelen! Probeer alstublieft te begrijpen,, o Koning, wat we u gaan zeggen. Het zal uw levensduur verlengen, uw kracht vergroten en uw reputatie ten goede komen, o allerbeste. (15) Personen die, in woord, gedachte, lichaam en intelligentie vrij van gehechtheid zijn en handelen in overeenstemming met de religieuze beginselen, zijn de werelden vergund die vrij zijn van ellende; ze zullen bevrijding en duurzaam geluk vinden. (16) Moge u dat niet verliezen, o held van de mensen, de koning die dat verliest wat de oorzaak van voorspoed is zal zijn overwicht verliezen. (17) O Koning, het adellijk bestuur dat de mensen beschermt tegen kwalijke regenten, dieven en schurken kan op grond daarvan belastingen innen en zowel deze wereld als de wereld erna genieten. (18) Het is in die koninkrijken waar in de steden de Allerhoogste Heer, de genieter van alle offers wordt aanbeden, dat de mensen het varnâs'rama systeem [van roepingen en leeftijdsgroepen] volgen en handelen in overeenstemming met hun eigen aard. (19) De Fortuinlijke, de oorspronkelijke oorzaak van de kosmische manifestatie, zal tevreden zijn met die koning, o nobele ziel, die in zijn machtspositie van de Ziel is die de hele wereld bij elkaar houdt. (20) Als men Hem, de Heerser over Heersers, behaagt kan men het onmogelijke bereiken en daarom zetten de mensen zich overal, op alle mogelijke manieren, met het grootste genoegen in om, met de leiding van hun voorkeur [hun goden, beeltenissen en/of koningen], offers te brengen voor Hem. (21) Het is Hij die met al de beeltenissen die men aanbidt de ontvanger is. Hij is de slotsom van de Veda's, de eigenaar van alle middelen van aanbidding en het doel van alle verzaking. Derhalve zou u, o Koning, ter wille van de meerdere eer en glorie van u en uw eigenbelang, uw landslieden moeten opdragen tot de dienst aan God over te gaan middels de verschillende vormen van offeren. (22) Als de brahmanen in het koninkrijk zich bezighouden met de eredienst, worden alle verlichte zielen die deel uitmaken van de Heer, naar behoren gerespecteerd en zullen zij, zeer tevreden, u van het verlangde resultaat verzekeren. O held, u moet ze niet minachten.'
 
(23) Vena gaf ten antwoord: 'O hoe kinderachtig bent u allen met het voor religieus houden van irreligieuze beginselen. In feite verzaakt u de vader die u voedt en gaat u vreemd met een andere liefde. (24) Zij die onwetend zonder achting niet door hebben dat de Heer er is in de vorm van de koning, kunnen geen geluk vinden in deze wereld noch in het hiernamaals! (25) Wat is nu de naam van die genieter van het offer op wie u uw zo grote toewijding richt? Net als een slechte vrouw met haar geheime minnaar schiet u tekort in uw genegenheid voor uw [koning, uw] echtgenoot! (26-27) De schepper, de handhaver, de vernietiger, de koning van de hemel, de god van de wind en de god van de dood; de god van de zon, de god van de regens, de god van de schatkist en de god van de maan; de god van de aarde, de god van het vuur en de god van de wateren; al dezen en ook andere machten in staat tot zegening en vervloeking houden zich op in het lichaam van de koning, de koning omvat al de goden. (28) Om die reden, mijn beste geleerden, behoort u mij te aanbidden in uw rituelen en niet jaloers te zijn. Zet al die middelen in ter wille van mij, er is niemand anders om te aanbidden als de hoogste genieter van het geofferde.'

(29) Maitreya zei: 'Met al het getoonde respect niet ingaand op het verzoek van de wijzen, raakte aldus hij verstoken van alle fortuin wiens intelligentie was bedorven en die zo heel zondig was afgedwaald van het rechte pad. (30) En zo waren al de brahmanen beledigd door hem die zichzelf zo heel onderlegd achtte. Gefrustreerd in hun beleefde verzoek, o Vidura, werden ze zeer kwaad op hem: (31) 'Breng hem ter dood, ter dood, deze koning, deze zondaar, deze verschrikkelijke kerel die de hele wereld spoedig in de as legt als we hem z'n gang laten gaan. (32) Deze man, zo vol van ondeugd, verdient de verheven troon niet als een god van de mensen. Schaamteloos beledigt hij Heer Vishnu, de meester van alle offers! (33) Wie anders dan die ongelukkige Vena zou nu zo godslasterlijk zijn over Hem door wiens genade men alle fortuin geniet?' (34) Met dat besluit hem te doden toonden ze hun woede en hielpen ze met het geluid van hun afwijzing ['Hum' zeggend] Vena de wereld uit, [de koning] die ten onder ging door met de Onfeilbare te spotten. (35) Nadat de wijzen waren teruggekeerd naar hun hermitages, behield de treurende Sunîthâ het lichaam van haar zoon met behulp van het zingen van mantra's.

(36) Eens, toen de wijzen een bad namen in het water van de Sarasvatî en offergaven brachten in het vuur, gingen ze zitten aan de oever van de rivier en begonnen ze de kwestie van de waarheid te bespreken. (37) Ze vertelden elkaar toen dat ze hadden gezien dat zich onregelmatigheden ontwikkelden waar de mensen bang van werden; zouden de burgers zonder een heerser niet te lijden hebben onder het ongeluk van een wereld vol van dieven en schurken? (38) En inderdaad, op het moment dat de wijzen dit in overweging namen kon men overal waar men keek de hemel verduisterd zien door stofwolken opgeworpen door het zich uit de voeten maken van plunderende criminelen. (39-40) Ze zagen toen hun fout in: de verstoringen waar de gewone man onder leed wiens rijkdom werd geplunderd, waren te wijten aan de dood van hun beschermer. Met het land vol dieven en moordenaars in wanorde zonder een koning, waren ze, ondanks hun kennis, niet in staat de boeven te onderwerpen. (41) Een gelijkgezinde en vreedzame brahmaan die degenen die het moeilijk hebben veronachtzaamt, verliest zijn geestkracht, zoals ook een gebroken pot zijn water verliest. (42) De familielijn van de heilige koning Anga zou niet moeten worden gebroken, want het zaad van de koningen van deze familie was zo vruchtbaar dat ze de bescherming genoten van Kes'ava ['Hij met de mooie krullen']. (43) Aldus besloten de wijze mannen ertoe met veel kracht de dijen van de dode koning te karnen. Daarop kwam er een persoon genaamd Bâhuka [de dwerg] ter wereld. (44) Hij was zo zwart als een kraai, in ieder opzicht zeer kort van stuk met zeer korte benen en armen, had grote kaken, een platte neus, rooddoorlopen ogen en haar zo rood als koper. (45) Onderworpen boog hij voor de wijzen en vroeg: 'Wat kan ik voor u betekenen?' 'Ga alstublieft zitten', gaven ze ten antwoord en zo, mijn beste, stond hij sedertdien bekend als Nishâda. (46) Zijn nakomelingen werden daarop de Naishâda's genoemd. Ze bewoonden de heuvels en bossen omdat ze, geboren uit Vena, werden gevreesd vanwege al zijn zonden.'

 


Hoofdstuk 15: Koning Prithu's Verschijnen en Kroning

(1) Maitreya zei: 'Aldus karnden de brahmanen andermaal de armen van de koning die geen zoon had en daaruit kwam een kinderpaar ter wereld. (2) Over de geboorte van dat kinderpaar zeiden de wijzen die bekend waren met de Veda's, dat ze er zeer gelukkig mee waren, wetende dat het een ['âves'a'-]expansie van de Allerhoogste Heer betrof. (3) De wijzen zeiden: 'Deze man is een expansie van de Allerhoogste Heer, Vishnu, die de wereld in stand houdt en deze vrouw is Lakshmî, de Godin van het Geluk die een onafscheidelijk deel van het geheel van de Oorspronkelijke Persoon vormt. (4) Deze man zal de eerste onder de koningen zijn en, wijd en zijd geroemd als een Grote Koning, bekendstaan onder de naam Prithu ['die van de aarde']. (5) Deze vrouw zal, als een godin van alle goede kwaliteiten, de schoonheid van haar sieraden verhogen met de pracht van haar tanden. Ze zal Arci worden genoemd en Prithu bekoren met haar schoonheid. (6) Hij, als een gedeeltelijke, rechtstreekse vertegenwoordiger van de Heer, kwam op aarde met het verlangen de ganse wereld te beschermen en zij nam geboorte als de onafscheidelijke godin die zich zeer tot hem voelt aangetrokken.'

(7) Maitreya zei: 'De brahmanen prezen hem, de zangers van de hemel bezongen hem, de zielen van perfectie strooiden bloemen uit en de hemelse maagden dansten. (8) De lucht vullend met de trillingen van hoornschelpen, trompetten, trommels en pauken en dergelijke, kwamen aldaar al de goddelijken, de wijzen en de ouderen uit alle delen van de samenleving bijeen. (9-10) Brahmâ, de meester van het universum, die tezamen met al de leiders van de verlichte wereld arriveerde begeleid door de godsbewuste zielen, ontwaarden op de rechterhand van die zoon van Vena het merkteken van Vishnu met de strijdknots. Zijn twee voeten vertoonden ook de lotusbloem en aldus was hij er zeker van dat hij te maken had met een gedeeltelijke verschijning van de Heer die met Zijn onoverwinnelijke werpschijf als een volkomen deelaspect het Allerhoogste Belang vertegenwoordigt. (11) De brahmaanse autoriteit bereidde zich voor op zijn kroning en dus brachten de mensen ter wille van hem van overal de verschillende middelen bijeen om de ceremonie uit te voeren. (12) De rivieren, de zeeën, de bergen, de slangen, de koeien, de vogels en de beesten; de hemel, de aarde en alle levende wezens droegen bij met verschillende soorten giften. (13) Hij werd aldus tot Mahârâja gekroond. Verfijnd gekleed en volledig opgesierd zag hij er, samen met zijn met juwelen behangen echtgenote Arci, uit als een vuur zonder weerga. (14) De bewaarder van de weelde, Kuvera, schonk hem een koninklijke troon gemaakt van goud, o held, en Varuna gaf hem een parasol zo schitterend als de maan waaruit voortdurend een mist van waterdruppeltjes neerdaalde. (15) Vâyu gaf hem op zijn beurt twee camâra's [wuifkwasten] gemaakt van haar, Dharma kwam met een bloemenkrans die bijdroeg tot zijn naam en faam, Indra schonk een zeer kostbare helm en Yama gaf hem een scepter om over de wereld te heersen. (16) Brahmâ wapende hem met geestelijke kennis, zijn vrouw Bhâratî, de Godin van het Leren [Sarasvatî], schonk een transcendentaal halssnoer, de Allerhoogste Persoonlijkheid [Hari, Vishnu] gaf hem een Sudars'ana-schijf en Zijn vrouw Lakshmî schonk hem onvergankelijke weelde. (17) Heer S'iva kwam met een zwaard versierd met tien manen en Durgâ gaf een soortgelijk schild dat een honderdtal manen vertoonde. De maangod schonk paarden van de beste soort en de halfgod Vis'vakarmâ schonk een zeer mooie wagen. (18) Agni gaf een boog gemaakt van hoorn, Sûrya gaf pijlen zo schitterend als het zonlicht, Bhûmi [de Godin van de Aarde] schonk slippers die hem de macht van mystieke eenheid gaven en de goden van de hemelse planeten strooiden dag na dag bloemen over hem uit. (19) De toneelkunst, het zingen van de fijnste liederen, het bespelen van muziekinstrumenten alsook het vermogen om dingen te laten verdwijnen en verschijnen, werd hem geschonken door hen die zich door de ether bewegen. De grote wijzen zegenden hem met onfeilbaarheid en de god van de oceaan bracht hem een schelphoorn. (20) De zeeën, bergen en rivieren verschaften hem doorgang voor zijn wagen en bekende hofzangers en voorgangers in het gebed presenteerden zichzelf voor hem, hem prijzend in verzen. (21) Toen hij hen met hun offerandes zo bezig zag, sprak de hoogst machtige zoon van Vena, glimlachend en met een stem gewichtig als de donder van wolken, als volgt.

(22) Koning Prithu zei: 'O beste barden, mannen van gebed en lof, uw woorden jegens mij zijn misplaatst. Zoals ik hier nu in de wereld sta onderscheidt ik me niet met al deze kwaliteiten. Waarom zou je mij prijzen als de toevlucht als die woorden niet op mij van toespassing zijn? Uw woorden voor mij moeten niet tevergeefs zijn. (23) Breng die gebeden daarom maar ergens in de toekomst, als de kwaliteiten waarover u sprak zich daadwerkelijk in mij manifesteren, mijn beste reciteerders. Het bespreken van de kwaliteiten van de Opperheer bezongen in de geschriften vormt de juiste manier. Als je beschaafd bent behoor je geen gebeden op te dragen aan een lager staand mens. (24) Iemand die zich door volgelingen laat prijzen voor verheven talenten die hij als heer en meester zou kunnen hebben maar die hij niet werkelijk heeft, houdt zichzelf voor de gek en is een dwaas zich niet bewust van het feit dat de mensen hem beledigen. (25) De machtigen houden er zeker niet van om geprezen te worden. Hoewel ze zeer beroemd zijn, zijn ze bescheiden: [ze weten heel goed] dat ze, groots als ze zijn in hun heldendaden, evenzogoed verwerpelijk zijn. (26) O u mensen gaand voor loftuitingen, als we dan momenteel geen faam genieten in de wereld of prijzenswaardig zijn in ons handelen, hoe kan ik u dan betrekken in het bezingen van mijn persoon alsof u kinderen zou zijn?'



Hoofdstuk 16: Koning Prithu Geprezen

(1) Maitreya zei: 'Met het aanhoren van de nectargelijke woorden van de zich aldus uitlatende koning, waren de voordrachtskunstenaars ingenomen en dus prezen ze hem overeenkomstig de instructies van de wijzen: (2) 'Woorden schieten ons tekort om de heerlijkheden van u te beschrijven die als de belangrijkste godheid uit eigen genade bent nedergedaald. Hoewel u verscheen uit het lichaam van Vena, verbijstert uw glorie de geesten van de meest vooraanstaande sprekers. (3) Niettemin zullen we proberen om in overeenstemming met wat de wijzen ons gezegd hebben, de naam van Koning Prithu, [van u] die men roemt als een gedeeltelijke incarnatie van Heer Vishnu, in de aangenaamste bewoordingen te vervatten. Aangemoedigd in onze aandacht door de vrijzinnigheid en het prijzenswaardige van uw handelingen zullen we ons best doen uw roem te verkondigen. (4) Deze koning, de beschermer van de regulerende beginselen van de menselijke natuur, is ook de bestraffer van allen die tegen hen ingaan; als de beste verdediger van het geloof zal hij de hele wereld ertoe aanzetten plichtsgetrouw te volgen. (5) Hij is zonder twijfel de enige ware die in zichzelf al de gedaanten draagt van al de lokaal aanbeden beeltenissen. Op basis van die rechtzinnigheid zal een ieder hoog en laag na de nodige tijd [met hem] zijn aandeel genieten en het navenant goed gaan. (6) Al de schatten die hij vergaart zal deze koning mettertijd gelijkelijk verdelen over alle levende wezens, precies zoals de almachtige zonnegod zijn stralen verdeelt [over de aarde]. (7) Hij zal als de koning de plicht op zich nemen van moeder aarde om goed te zijn voor de verdrietigen en verdraagzaam te zijn jegens de mensen die over haar oppervlak lopen. (8) Met hetzelfde gemak als waarmee Indra regen verschaft als er een tekort aan water is en de levende wezens te lijden hebben, zal die hemelse man van God, deze belichaming van de Heer, de burgers in bescherming nemen. (9) De hele wereld zal gedijen op de blikken en heldere glimlach van zijn prachtige, maangelijke aangezicht vol genegenheid. (10) De tactieken van de koning onttrekken zich aan het zicht, zijn handelingen zijn vertrouwelijk en geheim, wat hij bereikt is verborgen en zijn schatkist kent geen bodem. Zijn ziel, als het enige reservoir van alle goede eigenschappen, zal verhuld zijn, net zoals dat is met [de positie van] Varuna, de koning van de zeeën. (11) Uit Vena geboren zoals vuur uit brandhout is hij moeilijk te benaderen en niet te verdragen [voor zijn vijanden]. Als men hem heeft benaderd, blijft hij op een afstand. Niemand is hem de baas. (12) Als de neutrale getuige overschouwt hij zowel vanbinnen als vanbuiten het reilen en zeilen van al de levende wezens, net [zo onafscheidelijk] als de levensadem is van al de belichaamde wezens. (13) Hij zal nooit iemand straffen die geen straf verdient, zelfs niet als het de zoon van zijn vijand betreft, niettemin zal hij met het volgen van de rechtschapen weg zijn eigen zoon bestraffen als die dat verdient. (14) Zoals de zonnegod die zijn licht overal laat schijnen, zal Prithu's invloedssfeer ongehinderd de machtigste blijven tot aan de berg Mânasa [het poolgebied] toe. (15) De hele wereld behaagd door zijn persoonlijk handelen zal hem daarom 'de Koning Aangenaam voor de Geest van de Burgerij' noemen. (16) Standvastig in zijn besluit en altijd waarheidsgetrouw is hij, ten gunste van het brahmaanse en de ouderen van dienst zijnd, degene die respectvol is en de zorgzame ouder voor de armen bij wie al de levende wezens hun beschutting zoeken. (17) Jegens andere vrouwen is hij net zo respectvol als voor zijn moeder, voor zijn eigen vrouw is hij als de andere helft van zijn lichaam, jegens de burgers is hij gelijk een liefdevolle vader en hij is als een dienaar jegens hen die het woord van God verkondigen. (18) Ieder belichaamd wezen is hem zo dierbaar als zijn eigen zelf, hij draagt bij tot de vreugde van zijn vrienden en hij onderhoudt intieme betrekkingen met hen die vrij zijn van gehechtheid. Deze koning vormt de harde hand voor de verdorvenen. (19) Hij die onmiskenbaar de onveranderlijke Allerhoogste Heer boven de drie werelden is, daalde neder als een gedeeltelijke [s'aktyâves'a-]expansie van de Superziel. Hij beschouwt [de valse zekerheid van vertrouwen stellen in] de veelvormigheid van de materie als iets zonder betekenis, want die notie berust op onwetendheid. (20) Vanaf het vroegste daglicht over de heuvels zal hij op unieke wijze heldhaftig de aarde beschermen als de Koning van de Wereld, de meester van al de goden van de mensen. Op zijn zegerijke wagen de boog hooghoudend zal hij vanaf het zuiden [naar het noorden] tot overal reiken zoals de zon dat doet door [ieder jaar] van het zuiden [naar het noorden] door de hemel te trekken. (21) De koningen zullen gegarandeerd van overal hem hun gaven offeren. Met de plaatselijk aanbeden beeltenissen zullen de echtgenotes van deze koningen hem zien als de Oorspronkelijke Koning die met het hooghouden van zijn [Zijn] reputatie het wapen van zijn werpschijf hanteert. (22) Hij zal de aarde in de gedaante van een koe melken, als een buitengewone koning en stamvader [de Prajâpati] zal hij voorzien in faciliteiten voor de bevolking en bij wijze van tijdverdrijf zal hij eenvoudigweg met de punt van zijn boog de bergen vereffenen door ze uiteen te rijten met het geschikt maken van de aarde [voor de landbouw], net zoals Indra, de koning van de hemel, dat deed [met het geselen van de bergen met zijn bliksemschicht]. (23) Als hij met het trillen van zijn hoornen boog, als een leeuw die zijn staart omhooghoudt, persoonlijk rondreist over de aarde, zal hij, onverslaanbaar in de strijd, alle oorlogszuchtigen overal tot de aftocht dwingen. (24) Op het moment dat deze koning een honderdtal as'vamedha [paard]offers heeft gebracht aan de bron van de rivier de Sarasvatî, zal zijn paard aldaar gedurende de laatste van de honderd offers worden weggestolen door Heer Indra. (25) Hij zal in de tuin van zijn paleis een treffen onder vier ogen hebben met de aanbiddelijke Sanat-kumâra en zal, in de toewijding van zijn aanbidding, de zuivere, transcendentale kennis bereiken waarmee men de geest van de Absolute Waarheid geniet. (26) Hij zal vernemen over de wijdverspreide reputatie van zijn ridderlijkheid als Prithu, de koning van de allerhoogste macht, vervat in vele woorden in de vorm van liederen en vertellingen. (27) Overal de overwinning behalend met niemand die hem de baas is zal hij, op eigen kracht, aan alle ellende van de burgerij een einde maken. Hij zal door de leiders van de godsbewusten en de goddelozen worden verheerlijkt als de grootste ziel en de heer van de wereld worden.'




Hoofdstuk 17: Prithu Mahârâja Wordt Kwaad op de Aarde

(1) Maitreya zei: 'Nadat de zoon van Koning Vena aldus vanwege zijn kwaliteiten en handelingen was verheerlijkt als een verschijning van de Allerhoogste Heer, behaagde hij degenen die hadden gesproken met giften en bewees hij hen met loftuitingen alle eer. (2) De leiders van de brahmanen en de andere kasten, de dienaren, ministers, priesters, de burgers, al zijn onderdanen, de verschillende gemeenschappen en zijn vereerders respecteerde hij allen naar behoren.'

(3) Vidura zei: 'Waarom nam Moeder Aarde die zoveel gedaanten heeft, de gedaante van een koe aan? En wie was er met Koning Prithu die haar molk dan als het kalf en wat was de melkemmer? (4) Hoe vereffende hij haar [de godin] die van nature glooit en om welke reden stal de godheid [Indra] het offerpaard? (5) O brahmaan, welke staat bereikte de heilige koning nadat hij de praktische kennis had ontvangen van de machtige Sanat-kumâra* die zo goed thuis is in de Vedische wijsheid? (6-7) Alstublieft, o goedheid, vertel deze zo heel aandachtige toegewijde al het overige betreffende de Heer die we kennen als Adhokshaja [Hij die voorbij de zinnen is] en die als de zoon van Vena de aarde in de gedaante van die koe molk. Het is ongetwijfeld een genoegen de verhalen aan te horen over hem die vanuit de deugdzaamheid van zijn voorgaande incarnatie kwam tot zulke machtige en glorieuze daden.'

(8) Sûta zei: "Maitreya, zeer blij met Vidura die zo geïnspireerd was door de vertellingen over Vâsudeva, prees hem daarop en gaf antwoord. (9) Maitreya zei: 'Toen koning Prithu door de brahmanen op de troon werd gezet, mijn beste, en werd uitgeroepen tot de beschermer van de mensen, leden de burgers onder een voedseltekort. Ze benaderden hem toen, met hun door de honger uitgemergelde lichamen, om hem, de Beschermer van het Aardoppervlak, op de hoogte te stellen.

(10-11) 'O Koning, lijdend onder een honger die brandt gelijk een vuur in de holte van een boom, hebben we u vandaag benaderd om bij u onze toevlucht te zoeken. U bent immers de aangewezen persoon en de te raadplegen meester die de orders uitdeelt. Alstublieft, o Majesteit, probeer daarom ons, die geplaagd worden door de honger, het voedsel te verschaffen, o meester van alle heersers van de mensen. Als u niet optreedt als de beschermer van de mensen en de leider van de voedselverschaffing, zullen we omkomen!'
 
(12) Maitreya zei: 'Prithu die het beklag van de burgers over hun deerniswekkende toestand aanhoorde, bezon zich een lange tijd, o beste van de Kuru's, en ontdekte wat de oorzaak was. (13) Met wijsheid tot die slotsom gekomen nam hij zijn boog ter hand en richtte hij een pijl op de aarde, als was hij de woedende Heer van de drie Steden [Heer S'iva die ooit drie forten doorboorde met één pijl].  (14) Toen de aarde zag dat hij zijn pijl en boog had opgepakt, veranderde ze bevend in een koe en sloeg ze op de vlucht, zo angstig als een hert opgejaagd door een jager. (15) Met ogen rood doorlopen van de woede maakte de zoon van Vena er jacht op en legde een pijl aan op zijn boog waarheen ze ook maar vluchtte. (16) Ziend hoe de koning haar met zijn wapens geheven achtervolgde rende de godin willekeurig in alle vier de windrichtingen, her en der haar heil zoekend daar waar hemel en aarde elkaar ontmoeten. (17) Net zoals de mens niet in staat is te ontsnappen aan de dood, kon ze nergens in de wereld aan de hand van de zoon van Vena ontsnappen en keerde ze tenslotte terug, zeer bevreesd en droef in haar hart.

(18) Ze zei: 'Aangezien u nu de grootheid, de fortuinlijke bent, o kenner van het dharma, o toevlucht van hen die te lijden hebben, redt me alstublieft! Uwe Majesteit bent er immers om de levende wezens te beschermen. (19) Waarom wilt u nu een arm onschuldig iemand doden? Hoe kan u, die bekend staat als een kenner van de religieuze beginselen, een vrouw als ik naar het leven staan? (20) Als het zo is dat zeker niemand ooit een vrouw zou moeten slaan zelfs al is ze zondig, hoeveel temeer moet dat dan niet gelden voor een persoonlijkheid als u, o Koning, iemand die zo vol van genade en genegenheid is voor de armen? (21) Als u mij breekt, deze zo heel sterke boot die de ganse wereld draagt, hoe kan u uzelf en uw onderdanen dan boven water houden?'

(22) Koning Prithu antwoordde: 'O beste bron van welvaart, als u zich niet houdt aan mijn regels zal ik u moeten doden omdat u, die wel uw aandeel van de offers aanvaardt, ons niet de agrarische producten verschaft. (23) U eet dagelijks het groenste gras, maar we zijn nooit zeker van de melk verschaft door uw uier. Moet een koe die aldus ongetwijfeld in overtreding is niet worden bestraft? (24) Minder intelligent mij niet gehoorzamend levert u voor ons niet de zaden voor de gewassen, de kruiden en het graan op die oorspronkelijk door de Schepper werden gevormd maar nu door u in uzelf verborgen worden gehouden. (25) Om aan de treurnis van al de getroffenen die honger lijden een einde te maken zal ik nu uw vlees aan stukken snijden met mijn pijlen. (26) Of het nu een man, een vrouw of een eunuch betreft, de koningen die  hen doden die zonder mededogen voor hun medeschepselen, als de laagste van allen, enkel uit zijn op hun eigenbelang, doden niet echt. (27) U, zo dwaas en ingebeeld, doet zich kennen als een koe van illusie. Dus zal ik u met mijn pijlen aan stukken snijden zo klein als korreltjes graan. Met de macht van mijn yoga zal ik persoonlijk al deze burgers in stand houden.'

(28) Dermate kwaad had hij de gedaante aangenomen van de dood in eigen persoon. De overgegeven planeet aarde die over haar hele lijf moest trillen, sprak toen met gevouwen handen. (29) De aarde zei: 'Mijn achting voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke Persoon die met de materiële energie expandeerde tot de veelheid van vormen. Die bron van kwaliteiten biedt ik mijn eerbetuigingen, mijn respect voor de ware gedaante van Hem die, met al Zijn liefde en handelen, als de doener Zelf nooit is aangedaan omdat Hij niet verbijsterd is door de golven van de oceaan van de materie. (30) Hij die mij schiep als een toevluchtsoord voor alle levende wezens, als een combinatie van de verschillende geaardheden en elementen, Hij die nu voor me staat en die, op basis van Zijn eigen inspanningen, met Zijn wapens klaar van plan is me te  doden, bij wie anders zou ik mijn toevlucht moeten zoeken dan bij Hem? (31) U als Degene die in het begin al deze bewegende en niet bewegende bestaansvormen vanuit Zijn ondoorgrondelijke vermogen schiep en hen de bescherming bood van Zijn toevlucht, U die middels diezelfde mâyâ zich nu als deze koning vertoont, hoe kan U, die bescherming wil bieden als iemand die zich strikt aan de principes houdt, me nu willen doden? (32) Vanwege Zijn onoverwinnelijk vermogen is het plan van de Allerhoogste Meester nimmer duidelijk voor de menselijke wezens die altijd tekort schieten. Hij inderdaad, die bij machte van Zijn ondoorgrondelijke vermogens en heerschappij de Schepper en zijn schepping in het leven riep, is de Ene in de veelheid. (33) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen die de oorzaak is van de schepping, het behoud en de vernietiging van deze wereld, aan Hem die dankzij Zijn vermogens de oorzaak is van de stoffelijke elementen, de zinnen en de heersende halfgoden, de intelligentie en de vereenzelviging met de materie, aan Hem die deze energieën tentoonspreidt en inperkt en die de bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoonlijkheid en Oorzaak van alle Oorzaken is. (34) U was het die feitelijk deze wereld schiep die bestaat uit de elementen, de zinnen, de geest en het hart, o Almachtige. O Ongeborene, als het Oorspronkelijke Zwijn [Varâha] mij in stand houdend, tilde U mij vanuit de lagere regionen omhoog uit het water. (35) Mij bovenop het water geplaatst hebbend met de levende wezens bovenop mij staand als in een boot, bent U, die er werkelijk op uit bent bescherming te bieden, als een held de behoeder van de aarde geworden. En nu wilt U mij met scherpe pijlen doden vanwege de melk [die eraan ontbrak]! (36) De wegen en handelingen van Uw goddelijke incarnaties kunnen nimmer volledig worden doorgrond door levende wezens als ik of door gewone mensen wiens geesten als gevolg van Uw energie verbijsterd zijn door de geaardheden. Mijn eerbetuigingen voor alles van U, U die de helden zelf de roem bezorgt.'

*: Vandaag de dag zijn er vier belangrijke geestelijke erfopvolgingen in India: de Kumâra-, Brahmâ-, Lakshmî- en S'iva-sampradâya's. Deze onderhavige vertaling komt voort uit de Brahmâ-sampradâya.


Hoofdstuk 18: Prithu Mahârâja Melkt de Aarde

(1) Maitreya zei: 'Nadat moeder aarde aldus gebeden had opgedragen aan Koning Prithu, trilden zijn lippen nog steeds van woede. Zij, in angst, slaagde erin tot bezinning te komen en begon opnieuw te spreken: (2) 'Alstublieft geef uw woede op, o Koning, begrijp dat wat ik zei, ik heb gezegd als een intelligente persoon die, net als een hommel, de nectar overal vandaan haalt. (3) Door de grote wijzen die tot inzicht kwamen in de waarheid, werden methoden gevonden en toegepast waarmee de gewone man zowel in dit als het volgende leven een beter bestaan kan hebben. (4) Voor een ieder die geheel leeft volgens de principes, zoals die traditioneel worden onderricht aan hen die het aan de nodige ervaring ontbreekt en bij de genade van hun geloof leven, is het heel makkelijk om van het leven te genieten. (5) Hij die met minachting [voor de tradities] zonder kennis van zaken eigenmachtig tewerk gaat, zal zich, in het nastreven van zijn persoonlijke doelen, keer op keer zien mislukken. (6) O Koning, ik zie dat al de planten die in het verleden door Heer Brahmâ werden geschapen en die door mij worden gekoesterd, nu in handen zijn van onverantwoordelijke lieden zonder achting voor de spirituele praktijk. (7) [Met mij] niet verzorgd en verwaarloosd door plaatselijke bestuurders als uwe goedheid, heb ik voor deze wereld, die is vervallen in dieverij, al de kruiden en zaden verborgen die nodig zijn voor de offers. (8) Omdat ze zo'n lange tijd in mij verborgen lagen, hebben die planten, vruchten en zaden hun kracht verloren en daarom moet uwe Majesteit ze op de voorgeschreven manier weer tevoorschijn halen. (9-10) O held, zorg voor een kalf voor mij. Als u dan ook zorgt voor een melkemmer en een melker, zal ik, uit mijn liefde ervoor, al uw verlangens vervullen in de vorm van melk voor een ieder van u. Ook zal ik, o machtig gearmde, o beschermheer van de levende wezens, als u dat wil, voor het voedsel zorgen dat u voor uw levensonderhoud wenste. (11) Ook zal u mij, de aarde, moeten vereffenen, o Koning, zodat het water dat uit de hemel valt bij de genade van de godheid, na het regenseizoen niet is weggelopen, o machtige.' 

(12) Indachtig de bevredigende en goede woorden van de aarde, ging de koning met een kalf aan de slag en kreeg de vertegenwoordiger van de mensheid aldus melkend al de gewassen in handen. (13) Zo ook verworven alle anderen elders die met intelligentie begiftigd waren de weelde, door op dezelfde manier zorg te dragen [voor een kalf] waardoor ze naar behoefte Prithu's planeet, de aarde, konden uitmelken. (14) O goedheid, de wijzen die de godin molken met hun zinnen [als de melkemmer], leverden, met behulp van de wijze Brihaspati als het kalf, melk in de zuivere vorm van de Vedische hymnen. (15) Productief met Indra als het kalf, de koning van de hemel, molken de godsbewusten in een gouden emmer de nectar van de melk van de geestkracht en de kracht van het lichaam en de zinnen. (16) De zonen van Diti, de vijanden van God, produceerden met Prahlâda als het kalf, met de belangrijkste [toegewijde] onder de goddelozen, de melk van gefermenteerde en gedistilleerde drank in een ijzeren vat. (17) De zangers en bewoners van de hemel produceerden met hem die Vis'vâvasu werd genoemd als het kalf, in een emmer in de vorm van een lotus, de melk van mooie muziek en schoonheid. (18) De zeer fortuinlijke halfgoden verantwoordelijk voor de begrafenisplechtigheden brachten met veel geloof, met Aryamâ, vanuit het bereik van de voorvaderen de melk van de offerandes van voedsel voort in een vat van ongebakken aarde. (19) De vervolmaakte zielen en de geleerden en dergelijken [de Vidyâdhara's], kozen voor Kapila als het kalf en produceerden met de ether [als de melkemmer] de kennis van het handelen naar eigen inzicht met de mystieke verworvenheden van de yoga [de siddhi's]. (20) Anderen begiftigd met magische en mystieke vermogens [de Kimpurusha's] produceerden met Maya [een demon] als het kalf en hun concentratie [ofwel dhârana als de emmer], de melk van het wonderbaarlijke vermogen het lichaam onzichtbaar te maken. (21) De nazaten van Kuvera, de demonen, de geesten en de heksen [respectievelijk de Yaksha's, Râkshasa's, Bhûta's en Pis'âca's], die allen gewend zijn vlees te eten, molken met de Rudra-incarnatie van Heer S'iva [Bhûtanâtha] als het kalf, een brouwsel bereid uit bloed in een vat gemaakt van schedels. (22) Zo ook brachten de slangen met en zonder een kraag, de schorpioenen en de wurgslangen met Takshaka als het kalf, hun leider, in de emmer van de slangenkuil de melk voort van het vergif. (23-24) De vierbenige levende wezens brachten, met de draagstier van Heer S'iva [Nandi] als het kalf, uit de groene grassen de melk voort in het vat van de wildernis. De andere beesten met scherpe tanden, de roofdieren, molken, met de leeuw als het kalf, het vlees uit van andere levende wezens en de vogels, met Garuda als het kalf, produceerden in de emmer van hun eigen lichaam de melk van de bewegende [insecten en wormen] en de niet-bewegende levende wezens [de grassen en de planten].  (25) Met de banyanboom als het kalf leverden de verschillende bomen melk in de vorm van sappen, terwijl de bergen en heuvels, met de Himalaya's als het kalf, de verschillende mineralen van hun pieken opleverden. (26) Uit de planeet aarde die door koning Prithu werd bestuurd, werd met de leiders als de kalveren en met ieder zijn eigen specifieke melkemmer, de melk gemolken van alles wat maar nodig was.

(27) Aldus, o leider van de Kuru's, de aarde melkend met de verschillende kalveren, emmers en melkers, werd door Prithu en de anderen die zijn voorbeeld volgden de melk verkregen van al de verschillende soorten voedsel nodig voor het levensonderhoud van de levende wezens. (28) Koning Prithu, die zeer ingenomen was met al het verlangde dat als melk was geproduceerd, behandelde vol van liefde de planeet aarde alsof ze zijn eigen dochter was. (29) De keizer, de machtige zoon van Vena, had met de macht van zijn boog al de bergtoppen van de hele wereld opengebroken en had haar aldus vrijwel geheel vereffend [in cultuur gebracht]. (30-31) En zo was de Opperheer, die op deze aarde aanwezig was als de zoon van Vena, als een vader voor de burgers met zijn werkverschaffing en met zijn op verschillende locaties voorbereiden van tal van geschikte nederzettingen naar gelang de behoefte: allerlei soorten van dorpen, steden, nederzettingen en vestingen, alsook onderkomens voor de melkers, hokken voor de levende have, kampementen, mijnen, boerendorpen en gehuchten in de bergen. (32) Vóór Prithu's tijd bestond er op deze aarde zeker nimmer dit soort van planning van steden en dorpen; men was gewoon overal onbeperkt naar eigen goeddunken te leven.'



Hoofdstuk 19:  Koning Prithu's Honderd Paardoffers

(1) De wijze Maitreya zei: 'Daarna begon hij, de koning, in het land van Manu dat bekend staat als Brahmâvarta waar de Sarasvatî naar het oosten stroomt, toen met het uitvoeren van een honderdtal paardoffers. (2) Geconfronteerd met deze superieure uitnemendheid in het vruchtdragend handelen kon koning Indra, die zelf een honderd offers had gebracht, niet het groot ceremonieel vertoon verdragen van de offers van koning Prithu. (3) Het was daarin dat de genieter van alle offers, de Allerhoogste Heer Vishnu, de bovenzinnelijke beheerser, de eigenaar en de leraar van de gehele wereld en van ieders ziel, zich rechtstreeks zou laten zien. (4) Samen met Brahmâ en S'iva en al de lokale grootheden met hun volgelingen, wordt Hij geprezen door de bewoners en zangers van de hemel en de wijzen. (5) De vervolmaakte zielen en degenen die zich baseren op geleerdheid, de nazaten van Diti, zij die voor het resultaat werken en de bewakers van de weelde, verschenen aldaar aangevoerd door Nanda en Sunanda, de meest eerbiedwaardige metgezellen van de Heer. (6) Al de grote toegewijden die steeds vol van ijver de Heer dienen kwamen er: de meesters van de yoga aangevoerd door Sanaka [de Kumâra's], Kapila, Nârada en Dattâtreya. (7) Beste zoon van Bharata, ter wille van die bijeenkomst beantwoordde het land aan alle wensen door, als de koe die al de melk levert, ieder gewenst ding voort te brengen dat de offeraar nodig had. (8) De rivieren leverden al het water dat er nodig was, er was melk, yoghurt en het voedsel van andere melkproducten, en de bomen met hun grote lichamen droegen vruchten en lieten de honing druipen. (9) De mensen van overal bijeenkomend met hun bestuurders presenteerden zich met een aanbod van de vier soorten voedsel [dat wat wordt gekauwd, gelikt, wordt opgezogen en gedronken] en bergen juwelen uit de heuvels en oceanen. (10) Zodoende was koning Prithu, die zwoer bij de Heer voorbij de Zinnen, degene met de meeste rijkdom, maar de grote Heer Indra die afgunstig was, vormde een obstakel. (11) Vol afgunst stal hij ongezien het offerdier toen de zoon van Vena bezig was met het laatste paardoffer dat de Heer van Alle Offers moest behagen. (12) Indra, die zich voordeed als een bevrijd iemand en aldus goddeloosheid op een verwarrende manier presenteerde als religiositeit, werd opgemerkt door Atri en vluchtte toen de ruimte in. (13) De zoon van koning Prithu, een grote held, werd door de wijze Atri aangemoedigd om hem te doden. Die werd zeer kwaad en riep: 'Wacht, wachten jij!' (14) Maar toen hij zag dat hij de kleding droeg die men als religieus beschouwt, met zijn haar samengebonden en een lichaam dat geheel besmeurd was met as, was hij niet in staat een pijl op hem af te vuren. (15) Mijn beste, de zoon van Prithu, die van het doden afzag, werd door de wijze Atri aangespoord er niettemin toe over te gaan aangezien de grote Indra zich tot zoiets ergs had verlaagd als het verhinderen van het uitvoeren van een yajña. (16) Met die opdracht begon de zoon van Prithu, die zo kwaad was als de koning van de gieren was op Râvana, Indra na te jagen die in de verte wegvluchtte. (17) Indra met hem achter zich aan verdween toen uit het zicht onder het achterlaten van het paard en zijn valse kledij. De grote held bracht daarop het dier van zijn vader terug naar het offerperk.

(18) O meester [Vidura], toen men zijn wonderbaarlijke handelingen zag vereerden de grote wijzen hem gepast met de naam Vijitâs'va ['hij die het paard terugwon']. (19) Maar niet opgemerkt onder de dekking van een hechte duisternis die hij had geschapen, stal de machtige koning Indra opnieuw het paard weg van de offerplaats waar het in gouden ketenen was geslagen. (20) Toen Atri erop wees dat hij buiten wegsnelde kon de held, hem deze keer ziend met een staf in zijn hand waaraan een schedel hing, [wederom] niet doden. (21) Door Atri ertoe aangespoord hem te achtervolgen, had hij, in woede ontstoken, een pijl op zijn boog aangelegd, maar de onafhankelijke Indra die het paard en zijn uitdossing [nogmaals] opgaf, hield zich buiten schot. (22) De held die het paard zo te pakken kreeg, ging toen weer terug naar het offerperk van zijn vader. Sedertdien presenteren zij die tekortschieten in de kennis zich met een vals vertoon als dat van de heer van de hemel. (23) De gedaanten die Indra aannam met het verlangen het paard te ontvreemden vormen allen taal en teken van zondige activiteiten. Hiervoor gebruikt men de term 'gebrekkig' [met khanda, wat stuk of gebroken is, heet het pâkhanda of pâshanda, ofwel valse prediker of ketter]. (24-25) Met Indra, die in zijn verlangen het offer een halt toe te roepen het paard wegstal van de zoon van Vena en aldus de religieuze uitdossing opnam en weer liet vallen, raakte de gewone man, gek genoeg, aangetrokken tot dit zich valselijk uitdossen wat betreft de geloofsovertuiging in rode gewaden, naakt erbij lopen etc., omdat het over het algemeen zeer bedreven wordt aangepakt met een goede taalbeheersing. (26) De incarnatie van de Heer, de als almachtig gevierde koning Prithu, had dit door en pakte, kwaad op Indra, een pijl en hief zijn boog.

(27) De priesters die zagen dat Prithu zich aldus opmaakte om de koning van de hemel te doden, konden de gedachtesprong van dat schrikwekkend machtsvertoon niet tolereren en brachten er tegenin: 'O grote ziel, zoals het staat vermeld in de geschriften, heeft het geen pas anderen naar het leven te staan in dit soort aangelegenheden. (28) We zullen Indra, uw vijand die in feite reeds zijn macht kwijt is als de vernietiger van uw belang, aanroepen met nog nooit eerder gebruikte mantra's en hem dan uit alle macht direct in het vuur offeren, o Koning.'

(29) Na dit advies aan hem die de plechtigheid leidde, o Vidura, stonden de priesters verbeten klaar met de offerlepel in hun handen om het offer te brengen, maar toen ze ermee wilden beginnen vroeg Heer Brahmâ hen te stoppen: (30) 'Indra moet niet door u worden gedood want hij die u uit het leven wilt helpen offert ook zichzelf op, hij vormt een integraal onderdeel van de Allerhoogste Heer. En ook zij die van God zijn die u met het offeren wenst te behagen, maken allen deel uit van Indra! (31) O tweemaal geborenen, hoedt u daarbij voor deze grote schending van de religie begaan door Indra in zijn verlangen om de handelingen van de koning in dezen te dwarsbomen. (32) Laat het zo zijn dat er van de alom bekende koning Prithu de negenennegentig offers zijn die hij heeft gebracht. Het is niet nodig [o Koning] om nog meer juist gebrachte offers uit te voeren want u kent het pad van de bevrijding heel goed. (33) U zou niet uit woede tegen Heer Indra moeten handelen. Het lijdt geen twijfel dat het beter voor het welzijn en geluk van u beiden zou zijn om samen te staan voor de pluriformiteit van de Heer Gevierd in de Geschriften. (34) O grote Vorst, alstublieft, neem in overweging wat ik u met de grootste achting zeg: laat u niet - zoals u deed - leiden door de geest van het kwade vanwege een wending van het lot, want met de koning die dat overweegt belandt men in de donkerste regionen. (35) Laat er een einde komen aan dit offeren, het was door wat Indra heeft verzonnen dat onder hen die van God zijn zo vele principes van de religie werden geschonden en slechte gewoonten konden postvatten. (36) Zie toch hoe door Indra, als degene die uw offerplechtigheid doorkruiste met het wegstelen van het paard, al deze misleiding werd geïntroduceerd die dermate verlokkelijk is voor de gewone man dat hij er zich door laat leiden. (37) O Majesteit, u incarneerde overeenkomstig de tijd en omstandigheid in deze wereld ter wille van de verlossing van de mensen, want door de misdaden van koning Vena was de geloofsovertuiging bijna verdwenen. En nu bent u er als een deel en geheel van het lichaam van Vishnu, o zoon van Vena. (38) Beantwoord daarom in overweging van het heil van de wereld, o heer van de mensen, aan de overtuiging van de stamvaders [u te respecteren als een expansie van de Allerhoogste] en steek een stokje voor de illusie die werd geschapen door Indra in de vorm van het gemoraliseer zonder dienstbaarheid [de pseudo-religie, de hypocrisie] dat de moeder vormt van het gevaarlijke pad van de ketterij.'

(39) Maitreya vervolgde: 'Aldus van advies gediend door de leraar van iedereen handelde Prithu, de koning en meester, overeenkomstig wat hem gezegd was en sloot hij, door sympathie bewogen, vrede met Indra. (40) Nadat hij dat had gedaan nam hij volgens het gebruik een bad en ontving hij voor zijn roemrijke daden de zegeningen van de godsbewusten die hij had behaagd met de uitvoering van zijn offerplechtigheden. (41) De geleerden, wiens zegeningen zich doen gelden, waren zeer ingenomen met het grote respect en de beloningen die ze van de oorspronkelijke koning in ontvangst mochten nemen, o edelman, en gaven hem hun zegen [en zeiden]: (42) 'O machtig gearmde, wij, de voorvaderen, de goden, de wijzen en ook de gewone mensen, kwamen allen bijeen omdat u ons daartoe uitnodigde en nu voelen we ons zeer vereerd met de giften en eerbewijzen.' 

Aldus eindigt het eerste deel van het vierde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam


Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/