regelbalk



 
Canto 3

Je Anilo

 

 

Hoofdstuk 31: Heer Kapila's Instructies over de Omzwervingen van de Levende Wezens

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Als gevolg van zijn karma gaat het levende wezen, onder leiding van de Heer, middels het zaaddeeltje van een man de baarmoeder van een vrouw binnen om daar te verblijven voor het verkrijgen van een lichaam. (2) In de eerste nacht versmelt de zaadcel met de eicel, met de vijfde nacht is er een blaasje en in ongeveer tien dagen is het daarna als een pruim, een klompje vlees of een ei. (3) Binnen een maand verschijnt er een hoofd en binnen twee maanden vormen zich ledematen zoals de armen en de voeten. De nagels, [het begin van] haar, beenderen, huid, voortplantingsorganen en de lichaamsopeningen verschijnen binnen drie maanden. (4) In ongeveer vier maanden scheiden de zeven ingrediënten van het lichaam zich [de lichaamssappen en andere elementen], in vijf maanden doen zich gevoelens voor als honger en dorst en in zes maanden begint de foetus zich naar rechts te bewegen in het vruchtvlies [jongetjes naar rechts, meisjes naar links zo wordt beweerd]. (5) Van de voeding en het vocht onttrokken aan de moeder, groeit het lichaam van de foetus die zich ophoudt in die onmogelijke holte waar [in de buurt] ontlasting en urine een broedplaats voor bacteriën vormen. (6) Voortdurend smachtend naar voeding, wordt het, kwetsbaar als het is, geplaagd door onzuiverheden ['wormen'] en heeft het, zich daar ophoudend, over zijn hele lichaam aldus zeer te lijden terwijl het telkens weer afglijdt in een onbewuste staat. (7) Het voelt het bovenmatig bittere, hete, sterke, zoute, droge, zure etc. van het voedsel gegeten door de moeder in alle lichaamsdelen en daardoor lijdt het pijn. (8) Omsloten door het vruchtvlies ligt het aldaar omringd door de ingewanden, met een gekromde nek en rug met het hoofd gebogen in de buik. (9) Als een vogel in een kooi die geen bewegingsvrijheid heeft, herinnert het - als het geluk heeft - zich nog wat er zich allemaal heeft afgespeeld in de afgelopen honderden levens. Zich zo'n lange geschiedenis heugend, zal het verzuchten, want hoe kan het zo geestelijke rust vinden? (10) Het is vanaf de zevende maand begiftigd met bewustzijn, maar wordt, niet in staat daar nog veel langer te verblijven, tegelijkertijd door de druk van de baarmoeder naar beneden gedrongen, precies als de worm die uit dezelfde buik afkomstig is.

(11) Het bange levende wezen gebonden aan zijn zeven ingrediënten [nagels, huid, vet, vlees, bloed, gebeente, merg], doet dan, met gevouwen handen en haperende woorden, in gebed een beroep op de Heer die het in de baarmoeder plaatste. (12) De menselijke ziel zegt: 'Moge Hij me beschermen die het hele universum beschermt en met Zijn aannemen van verschillende gedaanten deze aarde met Zijn lotusvoeten betreedt. Laat me mijn toevlucht zoeken bij die bescherming die mijn angsten zal wegnemen, bij Hem die vond dat ik deze onware omstandigheid verdiende. (13) Ik, de zuivere ziel overdekt door het grofstoffelijke dat bestaat uit de elementen, de zinnen en het denken, ben in deze staat van begoocheling [mâyâ] beland als gevolg van mijn gebondenheid aan mijn activiteiten. Laat me mijn eerbetuigingen brengen opdat ik vast mag houden aan de volledig zuivere Onveranderlijke Ene van onbegrensde kennis die zich ophoudt in het hart van de boetvaardige. (14) Afgescheiden als ik ben vanwege de overdekking van dit materiële lichaam dat werd gevormd uit de vijf elementen en zich baseert op zintuigen, materiële voorkeuren [guna's], belangen en vereenzelviging, biedt ik U mijn eerbetuigingen, U, de Allerhoogste Persoon verheven boven de materiële natuur en haar levende wezens, U, wiens heerlijkheden niet verhuld worden door een materieel lichaam.  (15) Door de begoochelende kwaliteit van Uw uiterlijke verschijning heeft dit lichaam, dat door de natuurlijke geaardheden en zijn karma eraan gebonden is rond te dolen op het pad van herhaalde geboorte en dood, aanzienlijk te lijden met een telkens weer bedorven geheugen. Moge deze ziel tot het besef komen van zijn ware aard. Hoe zou men Uw goddelijke genade nu anders kunnen vinden? (16) Wat anders dan Uw Goddelijkheid, die zich als een deelaspect [het Paramâtmâ] ophoudt in zowel het levende als het levenloze, zou ons de kennis verschaffen van de drievoudigheid van de Tijd, van het verleden, het heden en de toekomst? Teneinde bevrijd te raken van de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door onszelf, de natuur en door anderen] moeten wij als individuele zielen die het pad van vruchtdragende handelingen volgen ons aan die goddelijkheid overgeven. (17) Behept met een lichaam dat zich bevindt in de onderbuik van een ander lichaam, beland zijnde in een poel van bloed, ontlasting en urine en sterk geschroeid door het vuur van de spijsvertering, telt [deze individuele ziel met] dit lichaam, ernaar verlangend die plaats te verlaten, zijn maanden wanneer het ellendig als het is zal worden bevrijd, o Heer. (18) U schonk mij, [nog geen] tien maanden oud, o Heer [het licht van] Uw onvergelijkelijke, allerhoogste genade. Wat kan ik anders doen dan met gevouwen handen bidden om in reactie mijn dank te betuigen voor de onvergelijkelijke en unieke gratie van U die de toevlucht bent voor hen die ten val kwamen? (19) Dit levend wezen kan, in zijn gebondenheid aan de zeven lagen van de materie [3.29: 40-45], alleen maar begrijpen wat aangenaam en onaangenaam is. Maar door U uitgerust met een ander lichaam van zelfbeheersing binnenin mezelf, ben ik werkelijk in staat om in mij U, de oorspronkelijke persoon die de innerlijke leidraad vormt, te herkennen als zich zowel ophoudend in het hart als daarbuiten. (20) O Almachtige, hoewel ik, die leven moet met al de ellende buiten deze buik, liever niet van hier vertrek om te belanden in die valkuil, zal ik, [net als iedereen] die zich in de wereld begeeft, direct in de ban van Uw mâyâ me verstrikken in de valse vereenzelviging [van het ego] die ten grondslag ligt aan de eeuwige herhaling van geboorte en dood. (21) Daarom zal ik, de ziel welgezind en nu niet langer van streek, mezelf weer snel uit die duisternis bevrijden door de voeten van Heer Vishnu in mijn hart te plaatsen en me zo te behoeden voor dit lot zovele baarmoeders te moeten binnengaan.'

(22) Kapila zei: 'Aldus verlangend vanuit de baarmoeder, prijst het [nog geen] tien maanden oude levende wezen de Heer op het moment dat hij onder de druk van de baarmoeder naar beneden wordt geperst om geboorte te nemen. (23) Vanwege die druk komt het met het hoofdje naar beneden gekeerd plotseling, met de grootste moeite en beroofd van al zijn herinnering, ademloos naar buiten. (24) Als een worm op de aarde belandend beweegt het, besmeurd met bloed, zijn ledematen en huilt het hardop nu het zijn wijsheid kwijt is met het bereiken van de tegenovergestelde [materiële] positie. (25) Verzorgd door de zijnen die niet snappen wat het wil, is het in omstandigheden beland die het niet verlangde en niet kan weigeren. (26) Liggend in vervuild linnen [vuile luiers e.d.] wordt het kind geplaagd door ziektekiemen [lijdt het onder uitslag op het lichaam] die het niet van zijn ledematen weg kan krabben, want het is niet in staat om te zitten, te staan of zich rond te bewegen. (27) Vliegen, muggen, insecten en andere schepselen bijten in het tere huidje van de baby. Gelijk ongedierte wordt het gebeten door ander ongedierte. Verstoken van wijsheid, begint het dan te huilen. (28) Op deze manier de babytijd ondergaand in lijden en zelfs in zijn kindertijd, vanwege zijn onwetendheid, niet bereikend wat het wil, wordt het kwaad en verdrietig. (29) Met een groeiend lichamelijk bewustzijn ontwikkelt de door lusten gedreven persoon in zijn woede vijandschap jegens andere lustmatige personen en verliest hij zo het belang van zijn ziel uit het oog. (30) De belichaamde ziel die uit onwetendheid vasthoudt aan zaken van tijdelijke aard, baseert zich zo voortdurend op de lichamelijkheid samengesteld uit de vijf elementen en denkt aldus verdwaasd in termen van 'ik' en 'mijn'. (31) Verwikkeld in handelingen ten dienste van het lichaam, wordt hij, vanwege zijn gebondenheid aan de duistere motieven van zijn vruchtdragende arbeid, achtervolgd door moeilijkheden [bestaande uit de zogenaamde kles'a's] en komt hij zo telkens weer tot een ander leven in de materiële wereld. (32) Is hij, terug op het materialistisch pad, dan nogmaals [enkel] uit op menselijke omgang voor de bevrediging van zijn geslachtsorganen en zijn maag, dan belandt het levende wezen opnieuw in het duister. (33) Omdat hij aldus geassocieerd is, verliest hij zijn zin voor de waarheid, zijn zuiverheid, mededogen en ernst, zijn geestelijk inzicht, voorspoed, bescheidenheid en zijn goede naam, alsmede zijn genade, de beheersing van zijn geest en zinnen en zijn geluk. (34) Men moet geen omgang zoeken met vergroofde, immorele dwazen verstoken van zelfverwerkelijking, die als deerniswekkende honden dansen naar de pijpen van de vrouwen. (35) Er is niets in de wereld dat een man zo dwaas en afhankelijk maakt als omgang met een man gehecht aan vrouwen of met een gezelschap van mannen die gek zijn op vrouwen. (36) De vader van de mensen [Brahmâ], begoocheld door de aanblik van zijn eigen dochter, zat als een hert schaamteloos achter haar aan toen hij haar zag in de vorm van een hinde [vergelijk 3.12: 28]. (37) Met uitzondering van de wijze Nârâyana is er werkelijk geen man te vinden onder de levende wezens geboren uit Brahmâ, van wie de intelligentie niet wordt afgeleid door mâyâ in de vorm van een vrouw.

(38) Aanschouw de kracht van Mijn mâyâ in de gedaante van een vrouw, die zelfs de veroveraars van de wereld haar op de voet doen volgen bij het optrekken van een enkele wenkbrauw. (39) Iemand die ernaar streeft de vervolmaking van de yoga te bereiken, moet ervoor waken niet gehecht te raken aan [jonge, aantrekkelijke] vrouwen. Men zegt dat, voor iemand die tot zelfverwerkelijking kwam door Mij van dienst te zijn, dat de poort naar de hel vormt. (40) De vrouw, een schepping van de Heer, is als een overwoekerde put [waar men in tuimelt als men niet oplet], ze vertegenwoordigt de zich langzaam opdringende mâyâ, de begoochelende macht van de materiële wereld, die men moet beschouwen als de dood van je zelf. (41) Als hij, als de verschaffer van weelde, nageslacht en een huis, door gehecht te zijn aan een vrouw, zelf de vrouwlijke staat heeft verworven, beschouwt zij als gevolg van illusie Mijn mâyâ, die de vorm van een man heeft aangenomen, als haar echtgenoot. (42) Zij moet [om bevijding te vinden] die mâyâ in de vorm van haar echtgenoot, kinderen en huis, beschouwen als de lokroep van de dood door een jager, teweeggebracht op het gezag van de Heer [*]. (43) Omdat de persoon steeds behagen schept in het verrichten van baatzuchtige handelingen, dwaalt de ziel op basis van het lichaam aldus verworven van de ene wereld naar de andere. (44) Zo krijgt de ziel dan een lichaam, samengesteld uit de elementen, de zinnen en het denken, dat bij hem past. Als dat  lichaam zijn einde vindt wordt het de dood genoemd maar als het zich manifesteert spreekt men van geboorte. (45-46) Als je niet in staat bent de vaste plaats van een voorwerp waar te nemen, houdt dat in dat je waarnemingszin is gestorven, en als je je lichaam beschouwt als iets dat je zelf bent, houdt dat in dat je geboorte hebt genomen [in materiële zin]. Hij die waarneemt kan niet tegelijkertijd zowel een voorwerp zien als de getuige die het ziet zelf, net zoals de ogen ook niet in staat zijn om in één oogopslag al de verschillende onderdelen van een enkel voorwerp waar te nemen. (47)  Men moet de dood niet met afschuw bezien, men moet niet bang zijn voor armoede noch zich druk maken over enig materieel voordeel; als men de ware aard van het levende wezen inziet, moet men standvastig en vrij van gehechtheid zich rond bewegen op deze planeet. (48) Als men zijn lichaam toevertrouwt aan de wereld die opgebouwd is uit mâyâ, moet men, begiftigd met de juiste visie, op basis van de rede zich daar rondbewegen in onthechting, verbonden in de wetenschap van de [drie vormen van] yoga.'

    

next                      

 
 Derde herziene editie, geladen 31 mei 2017.   

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Als gevolg van zijn karma gaat het levende wezen, onder leiding van de Heer, middels het zaaddeeltje van een man de baarmoeder van een vrouw binnen om daar te verblijven voor het verkrijgen van een lichaam.
De Allerhoogste Heer zei: 'Van het eigen karma en onder de leiding van het goddelijke gaat het levend wezen middels het deeltje van het zaad van een man de baarmoeder van een vrouw binnen om daar te verblijven voor het verkrijgen van een lichaam. (Vedabase)

 

Tekst 2

In de eerste nacht versmelt de zaadcel met de eicel, met de vijfde nacht is er een blaasje en in ongeveer tien dagen is het daarna als een pruim, een klompje vlees of een ei.

In de eerste nacht versmelt de zaadcel met de eicel, met de vijfde nacht is er een blaasje en in ongeveer tien dagen is het daarna als een pruim, een klompje vlees of een ei. (Vedabase)

  

Tekst 3

Binnen een maand verschijnt er een hoofd en binnen twee maanden vormen zich ledematen zoals de armen en de voeten. De nagels, [het begin van] haar, beenderen, huid, voortplantingsorganen en de lichaamsopeningen verschijnen binnen drie maanden.

Binnen een maand verschijnt er een hoofd en na twee maanden vormen zich ledematen zoals de armen en de voeten; nagels, [het begin van] haar, beenderen, huid, voortplantingsorganen en de lichaamsopeningen maken hun opwachting binnen drie maanden. (Vedabase)

 

Tekst 4

In ongeveer vier maanden scheiden de zeven ingrediënten van het lichaam zich [de lichaamssappen en andere elementen], in vijf maanden doen zich gevoelens voor als honger en dorst en in zes maanden begint de foetus zich naar rechts te bewegen in het vruchtvlies [jongetjes naar rechts, meisjes naar links zo wordt beweerd].

In ongeveer vier maanden scheiden de zeven ingrediënten van het lichaam zich [de lichaamssappen en andere elementen], in vijf maanden doen zich gevoelens als honger en dorst voor en in zes maanden begint de foetus zich rechts rond te bewegen in het vruchtvlies [mannen rechts, vrouwen links zo wordt beweerd]. (Vedabase)

 

Tekst 5

Van de voeding en het vocht onttrokken aan de moeder, groeit het lichaam van de foetus die zich ophoudt in die onmogelijke holte waar [in de buurt] ontlasting en urine een broedplaats voor bacteriën vormen.

Van de voeding onttrokken aan de moeder, groeit het lichaam van de foetus daar in die onmogelijke holte blijvend, waar in de buurt ontlasting en urine een broedplaats voor bacteriën vormen. (Vedabase)

 

Tekst 6

Voortdurend smachtend naar voeding, wordt het, kwetsbaar als het is, geplaagd door onzuiverheden ['wormen'] en heeft het, zich daar ophoudend, over zijn hele lichaam aldus zeer te lijden terwijl het telkens weer afglijdt in een onbewuste staat.

Voortdurend smachtend naar voeding, wordt het, kwetsbaar als het is, geplaagd door onzuiverheden en heeft het zo over het hele lichaam in grote mate te lijden aldaar verblijvend, telkens weer het bewustzijn kwijtrakend. (Vedabase)

 

Tekst 7

Het voelt het bovenmatig bittere, hete, sterke, zoute, droge, zure etc. van het voedsel gegeten door de moeder in alle lichaamsdelen en daardoor lijdt het pijn.

VVanwege het bovenmatige bittere, hete, sterke, zoute, droge, zure etc. van het voedsel gegeten door de moeder, raakt het in alle ledematen aangedaan en lijdt het pijn. (Vedabase)

   

Tekst 8

Omsloten door het vruchtvlies ligt het aldaar omringd door de ingewanden, met een gekromde nek en rug met het hoofd gebogen in de buik.

Omsloten door het vruchtvlies, op die plaats omringd door de ingewanden, ligt het met het hoofd in de buik gebogen met een gekromde nek en rug. (Vedabase)

 

Tekst 9

Als een vogel in een kooi die geen bewegingsvrijheid heeft, herinnert het - als het geluk heeft - zich nog wat er zich allemaal heeft afgespeeld in de afgelopen honderden levens. Zich zo'n lange geschiedenis heugend, zal het verzuchten, want hoe kan het zo geestelijke rust vinden?

Het is er als een vogel in een kooi die geen bewegingsvrijheid heeft en als het geluk heeft, herinnert het [de ziel] zich nog wat zich in al de honderden levens allemaal heeft voorgedaan, waarvan, zich een zo lange tijd heugend, het vermag te verzuchten, want welke vrede van geest kan het dan bereiken? (Vedabase)

 

Tekst 10

Het is vanaf de zevende maand begiftigd met bewustzijn, maar wordt, niet in staat daar nog veel langer te verblijven, tegelijkertijd door de druk van de baarmoeder naar beneden gedrongen, precies als de worm die uit dezelfde buik afkomstig is.

Vanaf de zevende maand begiftigd met bewustzijn wordt het door de druk van de baarmoeder echter naar beneden gedrongen, niet in staat daar nog langer te verblijven, precies als de worm die uit dezelfde buik afkomstig is. (Vedabase)

  

Tekst 11

Het bange levende wezen gebonden aan zijn zeven ingrediënten [nagels, huid, vet, vlees, bloed, gebeente, merg], doet dan, met gevouwen handen en haperende woorden, in gebed een beroep op de Heer die het in de baarmoeder plaatste.

Het bange levend wezen gebonden aan zijn zeven ingrediënten [nagels, huid, vet, vlees, bloed, gebeente, merg], doet dan in zwakte, met gevouwen handen en woorden van gebed een beroep op de Heer die het in de baarmoeder plaatste. (Vedabase)

  

Tekst 12

De menselijke ziel zegt: 'Moge Hij me beschermen die het hele universum beschermt en met Zijn aannemen van verschillende gedaanten deze aarde met Zijn lotusvoeten betreedt. Laat me mijn toevlucht zoeken bij die bescherming die mijn angsten zal wegnemen, bij Hem die vond dat ik deze onware omstandigheid verdiende.

De menselijke ziel zegt: 'Moge Hij me beschermen die het hele universum beschermt in het aannemen van verschillende gedaanten, deze aarde met Zijn Lotusvoeten betredend - laat mij mijn toevlucht zoeken bij die bescherming die mijn angsten zal wegnemen; bij Hem die vond dat het deze onware omstandigheid was wat ik verdiende. (Vedabase)

  

Tekst 13

Ik, de zuivere ziel overdekt door het grofstoffelijke dat bestaat uit de elementen, de zinnen en het denken, ben in deze staat van begoocheling [mâyâ] beland als gevolg van mijn gebondenheid aan mijn activiteiten.  Laat me mijn eerbetuigingen brengen opdat ik vast mag houden aan de volledig zuivere Onveranderlijke Ene van onbegrensde kennis die zich ophoudt in het hart van de boetvaardige.

Ik, de zuivere ziel, overdekt door het grofstoffelijke, bestaande uit de elementen, de zinnen en het denken, is in zijn gebondenheid aan zijn activiteiten in deze staat van begoocheling [mâyâ] vervallen. Laat me mijn eerbetuigingen brengen opdat ik vast moge houden aan de volledig zuivere Onveranderlijke van onbegrensde kennis die in het hart van de boetvaardige verblijft. (Vedabase)

 

Tekst 14

Afgescheiden als ik ben vanwege de overdekking van dit materiële lichaam dat werd gevormd uit de vijf elementen en zich baseert op zintuigen, materiële voorkeuren [guna's], belangen en vereenzelviging, biedt ik U mijn eerbetuigingen, U, de Allerhoogste Persoon verheven boven de materiële natuur en haar levende wezens, U, wiens heerlijkheden niet verhuld worden door een materieel lichaam.

Ik, er niet voor geschikt, afgescheiden door de overdekking van dit materiële lichaam gevormd uit de vijf elementen met haar zinnen, materiële voorkeuren, zinsobjecten en ego, biedt U, de Allerhoogste Persoon transcendentaal aan de materiële natuur en haar levende wezens, wiens heerlijkheden niet verduisterd zijn door een materieel lichaam, mijn eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 15

Door de begoochelende kwaliteit van Uw uiterlijke verschijning heeft dit lichaam, dat door de natuurlijke geaardheden en zijn karma eraan gebonden is rond te dolen op het pad van herhaalde geboorte en dood, aanzienlijk te lijden met een telkens weer bedorven geheugen. Moge deze ziel tot het besef komen van zijn ware aard. Hoe zou men Uw goddelijke genade nu anders kunnen vinden?

Door de begoochelende kwaliteit van Uw uiterlijke verschijning is dit lichaam, door de geaardheden en het karma, eraan gebonden in herhaaldelijke geboorte en dood rond te dolen op haar weg, aanzienlijk lijdend met een bedorven geheugen; moge wederom dit levend wezen Uw ware natuur inzien. Hoe zou men de goddelijke genade anders vinden? (Vedabase)

  

Tekst 16

Wat anders dan Uw Goddelijkheid, die zich als een deelaspect [het Paramâtmâ] ophoudt in zowel het levende als het levenloze, zou ons de kennis verschaffen van de drievoudigheid van de Tijd, van het verleden, het heden en de toekomst? Teneinde bevrijd te raken van de drievoudige misère [zoals veroorzaakt door onszelf, de natuur en door anderen] moeten wij als individuele zielen die het pad van vruchtdragende handelingen volgen ons aan die goddelijkheid overgeven.

Wie anders dan Uwe Goddelijkheid, die als een gedeeltelijke representatie verblijft in zowel het levende als het levenloze, zou de kennis van verleden, heden en toekomst verschaffen? Aan U, die door de levende wezens wordt gezocht op het pad der vruchtdragende activiteiten voor het zich bevrijden uit de drievoudige misère [veroorzaakt door jezelf, de natuur en de anderen], moeten wij ons overgeven. (Vedabase)

 

Tekst 17

Behept met een lichaam dat zich bevindt in de onderbuik van een ander lichaam, beland zijnde in een poel van bloed, ontlasting en urine en sterk geschroeid door het vuur van de spijsvertering, telt [deze individuele ziel met] dit lichaam, ernaar verlangend die plaats te verlaten, zijn maanden wanneer het ellendig als het is zal worden bevrijd, o Heer.

Belichaamd van binnen de onderbuik van een ander lichaam; beland in een poel van bloed, ontlasting en urine en sterk geschroeid door het vuur der spijsvertering, verlangt dit lichaam er vanuit die plaats naar om naar buiten te komen, zijn maanden tellend van wanneer het als een persoon van slechts een miserabele intelligentie, zal worden bevrijd, o Heer. (Vedabase)

 

Tekst 18

U schonk mij, [nog geen] tien maanden oud, o Heer [het licht van] Uw onvergelijkelijke, allerhoogste genade. Wat kan ik anders doen dan met gevouwen handen bidden om in reactie mijn dank te betuigen voor de onvergelijkelijke en unieke gratie van U die de toevlucht bent voor hen die ten val kwamen?

Als iemand van slechts tien maanden oud werd ik door U, o Heer zo vol van genade, opgewekt. Wat kan ik anders doen dan te bidden met gevouwen handen om in wederkeer mijn dank te betuigen voor die onvergelijkelijke genade van daadwerkelijk U alleen die de toevlucht bent van hen die ten val kwamen? (Vedabase)

 

Tekst 19

Dit levend wezen kan, in zijn gebondenheid aan de zeven lagen van de materie [3.29: 40-45], alleen maar begrijpen wat aangenaam en onaangenaam is. Maar door U uitgerust met een ander lichaam van zelfbeheersing binnenin mezelf, ben ik werkelijk in staat om in mij U, de oorspronkelijke persoon die de innerlijke leidraad vormt, te herkennen als zich zowel ophoudend in het hart als daarbuiten.

Dit levend wezen kan alleen van zijn gebondenheid aan de zeven lagen van materie [23.29: 40-45] zien wat aangenaam en onaangenaam is, maar toegerust met een ander lichaam van zelfbeheersing binnen mezelf, ben ik werkelijk in staat om U, de oudste van het persoonlijke van mij, de leiding van binnenuit, te zien als verblijvend in het hart zowel als daarbuiten.  (Vedabase)

 

Tekst 20

O Almachtige, hoewel ik, die leven moet met al de ellende buiten deze buik, liever niet van hier vertrek om te belanden in die valkuil, zal ik, [net als iedereen] die zich in de wereld begeeft, direct in de ban van Uw mâyâ me verstrikken in de valse vereenzelviging [van het ego] die ten grondslag ligt aan de eeuwige herhaling van geboorte en dood.

Hoewel ikzelf, o Almachtige, leven moetend met de vele ellende buiten deze buik, het niet wens afscheid te nemen om te belanden in die valkuil, zal ik hebben te leven overeenkomstig de valse vereenzelviging van deze voortdurende kringloop van geboorte en dood waarin degene die daar naar toegaat bevangen raakt door Uw mâyâ. (Vedabase)

 

Tekst 21

Daarom zal ik, de ziel welgezind en nu niet langer van streek, mezelf weer snel uit die duisternis bevrijden door de voeten van Heer Vishnu in mijn hart te plaatsen en me zo te behoeden voor dit lot zovele baarmoeders te moeten binnengaan.'

Derhalve zal ik daadwerkelijk nogmaals, niet langer van streek, mezelf snel uit de duisternis bevrijden, met mezelf als een vriend, door mijn geest te richten op de voeten der bescherming en me aldus te redden van dit lot zovele baarmoeders te moeten binnengaan.' (Vedabase)

 

Tekst 22

Kapila zei: 'Aldus verlangend vanuit de baarmoeder, prijst het [nog geen] tien maanden oude levende wezen de Heer op het moment dat hij onder de druk van de baarmoeder naar beneden wordt geperst om geboorte te nemen.

Kapila zei: 'Aldus verlangend van binnenuit de baarmoeder, prijst het tien maanden oude levende wezen de Heer op het moment dat hij naar beneden wordt geperst onder de druk van de baarmoeder om geboorte te nemen. (Vedabase)

 

Tekst 23

Vanwege die druk komt het met het hoofdje naar beneden gekeerd plotseling, met de grootste moeite en beroofd van al zijn herinnering, ademloos naar buiten.

Vanwege die druk is het hoofdje naar beneden gekeerd en, plots lijdend onder de grootste moeilijkheden, komt het ademloos naar buiten, beroofd van alle herinnering. (Vedabase)

 

Tekst 24

Als een worm op de aarde belandend beweegt het, besmeurd met bloed, zijn ledematen en huilt het hardop nu het zijn wijsheid kwijt is met het bereiken van de tegenovergestelde [materiële] positie.

Als een worm op de aarde belandend, besmeurd met bloed, beweegt het zijn ledematen en huilt het hardop, met het verliezen van de wijsheid in het bereiken van de tegenovergestelde positie. (Vedabase)

 

Tekst 25

Verzorgd door de zijnen die niet snappen wat het wil, is het in omstandigheden beland die het niet verlangde en niet kan weigeren.

Door anderen niet begrepen in wat hij wil is hij, zoals hij verzorgd wordt door de zijnen en niet in staat is tot afwijzen, in omstandigheden beland waar hij niet om gevraagd heeft.  (Vedabase)

 

Tekst 26

Liggend in vervuild linnen [vuile luiers e.d.] wordt het kind geplaagd door ziektekiemen [lijdt het onder uitslag op het lichaam] die het niet van zijn ledematen weg kan krabben, want het is niet in staat om te zitten, te staan of zich rond te bewegen.

Neerliggend in vervuild linnen [vuile luiers e.d.] wordt het kind geplaagd door ziektekiemen [lijdt het onder uitslag op het lichaam] dat het niet van zijn ledematen weg kan krabben, terwijl het niet in staat is om op te zitten, te staan of zich rond te bewegen. (Vedabase)

 

Tekst 27

Vliegen, muggen, insecten en andere schepselen bijten in het tere huidje van de baby. Gelijk ongedierte wordt het gebeten door ander ongedierte. Verstoken van wijsheid, begint het dan te huilen.

Vliegen, muggen, insecten en andere schepselen bijten in het tere huidje van de baby en als ongedierte gebeten door ander ongedierte, zet het, verstoken van wijsheid, het op een huilen. (Vedabase)

 

Tekst 28

Op deze manier de babytijd ondergaand in lijden en zelfs in zijn kindertijd, vanwege zijn onwetendheid, niet bereikend wat het wil, wordt het kwaad en verdrietig.

Op deze manier de babytijd ondergaand in lijden en zelfs in zijn kindertijd uit onwetendheid niet bereikend wat het wil, wordt zijn woede opgewekt en wordt het overmand door verdriet. (Vedabase)

 

Tekst 29

Met een groeiend lichamelijk bewustzijn ontwikkelt de door lusten gedreven persoon in zijn woede vijandschap jegens andere lustmatige personen en verliest hij zo het belang van zijn ziel uit het oog.

Met het valse van het zich ontwikkelende lichaam, ontwikkelt het, vanwege die woede, ten koste van de ziel vijandigheid, als een belust persoon destructief zijnde jegens andere beluste personen. (Vedabase)


Tekst 30

De belichaamde ziel die uit onwetendheid vasthoudt aan zaken van tijdelijke aard, baseert zich zo voortdurend op de lichamelijkheid samengesteld uit de vijf elementen en denkt aldus verdwaasd in termen van 'ik' en 'mijn'.

Voortdurend levend in het lichaam gevormd uit de vijf elementen aanvaardt het het onwetende van het niet duurzame van het 'ik' en 'mijn' en is het aldus van een dwaze overtuiging. (Vedabase)


Tekst 31

Verwikkeld in handelingen ten dienste van het lichaam, wordt hij, vanwege zijn gebondenheid aan de duistere motieven van zijn vruchtdragende arbeid, achtervolgd door moeilijkheden [bestaande uit de zogenaamde kles'a's] en komt hij zo telkens weer tot een ander leven in de materiële wereld.

Verwikkeld in handelingen in dienst van het lichaam, gaat de ziel, daaraan gebonden, bij herhaling voor een ander leven in de materiële omstandigheid en aldus het fysieke najagend, vormt zich, vanwege die gebondenheid aan de duistere motieven van vruchtdragende arbeid, een hindernis [de zogenaamde kles'a's]. (Vedabase)


Tekst 32

Is hij, terug op het materialistisch pad, dan nogmaals [enkel] uit op menselijke omgang voor de bevrediging van zijn geslachtsorganen en zijn maag, dan belandt het levende wezen opnieuw in het duister.

Als, met het onrecht op zijn weg, hij in gezelschap uit is op het genoegen van zijn geslachtsorganen en zijn maag, gaat het levende wezen als voorheen de duisternis weer binnen. (Vedabase)


Tekst 33

Omdat hij aldus geassocieerd is verliest hij zijn zin voor de waarheid, zijn zuiverheid, mededogen en ernst, zijn geestelijk inzicht, voorspoed, bescheidenheid en zijn goede naam, alsmede zijn genade, de beheersing van zijn geest en zinnen en zijn geluk.

Aldus geassocieerd verliest het zijn zin voor de waarheid, zijn zuiverheid, mededogen en ernst; zijn geestelijk inzicht, voorspoed, bescheidenheid en zijn goede naam; zijn genade, zijn beheersing van geest en zinnen en geluk. (Vedabase)

 

Tekst 34

Men moet geen omgang zoeken met vergroofde, immorele dwazen verstoken van zelfverwerkelijking, die als deerniswekkende honden dansen naar de pijpen van de vrouwen.

Met vergroofde zotten verstoken van zelfverwerkelijking verkeert men in slecht gezelschap en men moet dan ook niet denken te kunnen slagen met medelijwekkende dames en hun dansende honden. (Vedabase)


Tekst 35

Er is niets in de wereld dat een man zo dwaas en afhankelijk maakt als omgang met een man gehecht aan vrouwen of met een gezelschap van mannen die gek zijn op vrouwen.

Geen omgang van een man geeft een zotheid en gebondenheid aan andere dingen als die van een man aangetrokken tot vrouwen of een genootschap van mannen aangetrokken tot vrouwen. (Vedabase)


Tekst 36

De vader van de mensen [Brahmâ], begoocheld door de aanblik van zijn eigen dochter, zat als een hert schaamteloos achter haar aan toen hij haar zag in de vorm van een hinde [vergelijk 3.12: 28].

De vader der mensen [Brahmâ] begoocheld door de aanblik van zijn eigen dochter zat als een hert schaamteloos achter haar aan toen hij haar zag in de vorm van een hinde [vergelijk 3.12: 28]. (Vedabase)

 

Tekst 37

Met uitzondering van de wijze Nârâyana is er werkelijk geen man te vinden onder de levende wezens geboren uit Brahmâ, van wie de intelligentie niet wordt afgeleid door mâyâ in de vorm van een vrouw.

Behalve de wijze Nârâyana, is er werkelijk geen man te vinden onder de levende wezens geboren uit Brahmâ wiens intelligentie niet wordt afgeleid door mâyâ in de vorm van een vrouw. (Vedabase)

 

Tekst 38

Aanschouw de kracht van Mijn mâyâ in de gedaante van een vrouw, die zelfs de veroveraars van de wereld haar op de voet doen volgen bij het optrekken van een enkele wenkbrauw.

Aanschouw de kracht van Mijn mâyâ in de gedaante van een vrouw, die zelfs de veroveraars van de wereld haar hielen doet volgen bij het optrekken van een enkele wenkbrauw.  (Vedabase)

 

Tekst 39

Iemand die ernaar streeft de vervolmaking van de yoga te bereiken, moet ervoor waken niet gehecht te raken aan [jonge, aantrekkelijke] vrouwen. Men zegt dat, voor iemand die tot zelfverwerkelijking kwam door Mij van dienst te zijn, dat de poort naar de hel vormt.

Iemand die ernaar streeft de vervolmaking van de yoga te bereiken behoort nooit samen te leven met een vrouw; men zegt dat voor de zelfverwerkelijking verkregen door Mij dienst te verlenen, het samenleven met een vrouw de poort naar de hel is voor zo'n iemand.  (Vedabase)

 

Tekst 40

De vrouw, een schepping van de Heer,  is als een overwoekerde put [waar men in tuimelt als men niet oplet], ze vertegenwoordigt de zich langzaam opdringende mâyâ, de begoochelende macht van de materiële wereld, die men moet beschouwen als de dood van je zelf.

De vrouw geschapen door God vertegenwoordigt de zich langzaam opdringende mâyâ, welke moet worden beschouwd, gelijk een overwoekerde uitgedroogde put, als de dood voor de ziel. (Vedabase)

 

Tekst 41

Als hij, als de verschaffer van weelde, nageslacht en een huis, door gehecht te zijn aan een vrouw, zelf de vrouwlijke staat heeft verworven, beschouwt zij als gevolg van illusie Mijn mâyâ, die de vorm van een man heeft aangenomen, als haar echtgenoot.

Zij, die door gehechtheid aan vrouwen een vrouw werd, denkt, als gevolg van de illusie van Mijn mâyâ, dat te komen tot de gedaante van een man haar weelde, nageslacht en een huis zal brengen. (Vedabase)


Tekst 42

Zij moet [om bevijding te vinden] die mâyâ in de vorm van haar echtgenoot, kinderen en huis, beschouwen als de lokroep van de dood door een jager, teweeggebracht op het gezag van de Heer [*].

Zij zelf behoort [dienovereenkomstig] de mâyâ ervan bestaande uit haar man, kinderen en huis, te beschouwen als de dood teweeggebracht door Zijn gezag, die is als de lokroep van een jager [* vergelijk het vers in de Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255 dat omgang van de geslachten toestaat in een devotionele setting]. (Vedabase)

 

Tekst 43

Omdat de persoon steeds behagen schept in het verrichten van baatzuchtige handelingen, dwaalt de ziel op basis van het lichaam aldus verworven van de ene wereld naar de andere.

Vanwege het lichaam waar het levende wezen van in bezit is, dwaalt het zo van de ene wereld naar de andere, zonder ophouden behagen scheppend in materiële activiteiten. (Vedabase)


Tekst 44

Zo krijgt de ziel dan een lichaam, samengesteld uit de elementen, de zinnen en het denken, dat bij hem past. Als dat lichaam zijn einde vindt wordt het de dood genoemd maar als het zich manifesteert spreekt men van geboorte.

Zo realiseert het zich waarlijk een geschikt lichaam, gevormd uit de elementen, de zinnen en het denken; als dat op een einde loopt wordt het de dood genoemd maar als het zich manifesteert wordt het geboorte genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 45-46

Als je niet in staat bent de vaste plaats van een voorwerp waar te nemen, houdt dat in dat je waarnemingszin is gestorven, en als je je lichaam beschouwt als iets dat je zelf bent, houdt dat in dat je geboorte hebt genomen [in materiële zin]. Hij die waarneemt kan niet tegelijkertijd zowel een voorwerp zien als de getuige die het ziet zelf, net zoals de ogen ook niet in staat zijn om in één oogopslag al de verschillende onderdelen van een enkel voorwerp waar te nemen.

Zoals de waarneming van de vaste plaats van een voorwerp onmogelijk wordt met een starre blik, zo neemt men ook geboorte uit de misvatting het lichaam te beschouwen als zichzelf. Van zowel wat men ziet als het zien is de ziener dan daadwerkelijk niet in staat om waar te nemen, precies als de manier waarop de ogen niet in staat zijn al de verschillende delen van een voorwerp tegelijkertijd waar te nemen. (Vedabase)

 

Tekst 47

Men moet de dood niet met afschuw bezien, men moet niet bang zijn voor armoede noch zich druk maken over enig materieel voordeel; als men de ware aard van het levende wezen inziet, moet men standvastig en vrij van gehechtheid zich rond bewegen op deze planeet.

Wat betreft de dood moet men niet verschrikt zijn, in misère verkeren of begerig zijn naar materieel voordeel; de ware aard van het levende wezen inziend behoort men zich op deze planeet standvastig en vrij van gehechtheid rond te bewegen. (Vedabase)

 

Tekst 48

Als men zijn lichaam toevertrouwt aan de wereld die opgebouwd is uit mâyâ, moet men, begiftigd met de juiste visie, op basis van de rede zich daar rondbewegen in onthechting, verbonden in de wetenschap van de [drie vormen van] yoga.'

Met het aan de wereld opgebouwd uit mâyâ toevertrouwen van dit lichaam moet men, middels de rede begiftigd met de juiste visie, zich daar bewegen verbonden door onthechting in de wetenschap van de [drie vormen van] yoga. (Vedabase)

 

*: Vergelijk deze passage met het vers in de Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255 dat omgang van de geslachten toestaat in een devotionele setting: 'Man en vrouw behoren samen te leven als huishouders in relatie tot Krishna, enkel voor het doel zich van plichten te kwijten in dienst aan Krishna. Betrek de kinderen, betrek de vrouw, betrek de echtgenoot, allen in Krishna-bewuste activiteiten, en dan zullen al deze lichamelijke of materiële gehechtheden verdwijnen. Aangezien het bemiddelend medium Krishna is, is het bewustzijn zuiver, en bestaat er geen mogelijkheid van terugval wanneer dan ook.' (Rûpa Gosvâmî in: Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2: 255.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De afbeelding is een collage door Anand Aadhar van een vintage plaatje van Vishnu
en een
embryo-studietekening van Leonardo daVinci.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties