Canto
10
Hoofdstuk 11: Een Nieuwe Woonplaats, de Fruitverkoopster en Vatsâsura en Bakâsura Verslagen
(1) S'rî S'uka zei: 'De koeherders onder leiding van Nanda die het tumult hoorden van de bomen die neervielen gingen, bang dat het de donder was, naar de plek des onheils, o beste van de Kuru's. (2) Daar de twee arjuna's op de grond gevallen aantreffend hadden ze er stomverbaasd geen idee van wat de oorzaak zou zijn van dit klaarblijkelijke ter aarde storten. (3) Wie zou dit gedaan hebben? Het kind, het houten stampvat achter zich aanslepend aan Hem vastgebonden met het touw? Hoe kon zoiets wonderbaarlijks zich hebben afgespeeld? Ze stonden versteld. (4) De andere kinderen zeiden: 'Hij heeft het gedaan, met de vijzel overdwars tussen de bomen in getrokken! En er waren ook twee personen. We hebben het met eigen ogen gezien!' (5) Ze konden niet geloven wat ze zeiden, 'Dat kan niet 't geval zijn; hoe kan nu zo'n klein kind die bomen ontworteld hebben?', maar sommigen van hen twijfelden bij zichzelf [en achtten het heel goed mogelijk]. (6) Toen hij zag hoe zijn zoon met het touw vastgebonden zat aan de grote vijzel moest Nanda glimlachen en maakte hij Hem los.
(7) Door de gopî's aangemoedigd zong bij tijden de Allerhoogste Heer zich voor de domme houdend en leidde Hij ze zo om de tuin alsof Hij een gewoon kind zou zijn dat ze als een marionet onder hun controle hadden. (8) Soms als erom gevraagd werd bracht Hij een houten kruk, een maatbeker of schoenen, voor de grap voor Zijn verwanten op Zijn armen slaand [alsof Hij een sterke kerel was]. (9) Opdat de hele wereld het zou weten liet Hij zien hoezeer de Opperheer zich voor Zijn dienaren gewonnen geeft, door als een kind bezigzijnd naar ieders genoegen te handelen in Vraja.
(10) 'O mensen hier in de buurt, haal uw fruit!', hoorde aldus Krishna een fruitverkoopster uitroepen, en snel wat graankorrels grijpend haastte de Onfeilbare, de Schenker van alle Vruchten, Zich derwaarts om fruit te gaan kopen. (11) Wat Hij te bieden had was uit de palmen van Zijn handjes op de grond gevallen, maar de fruitdame vulde ze [niettemin] met vruchten. In ruil vulde zich de gehele mand voor de vruchten zich met goud en juwelen!
(12) Na het voorval met de arjuna's riep Rohinî Devî eens om Krishna en Râma die aan de rivieroever de tijd uit het oog hadden verloren in hun spel met de andere kinderen. (13) Toen de zoons opgegaan in hun spelletjes niet reageerden op haar oproep, stuurde Rohinî moeder Yas'odâ achter hen aan met haar liefdevolle zorg voor de zoontjes. (14) Roepend om Krishna, haar zoon en de andere jongetjes waar Hij zo laat nog mee aan het spelen was, vloeide in haar liefde de melk uit haar borsten. (15) 'Krishna, o Krishna mijn lotusoogje, o liefje, stop met spelen, drink wat melk; Je bent vast moe en hongerig mijn zoon!' (16) O Râma, kom nu meteen alsJeblieft samen met Je jongere broertje, o liefde van de familie, Je hebt zo genoten van Je ontbijt vanmorgen, dus wil je vast nog wel wat meer! (17) O Dâs'ârha ['de dienstbaarheid waardig'], de koning van Vraja wil graag eten en wacht op Jullie beiden, kom hier, wees zo lief en laat de andere jongens naar hun huis toe gaan. (18) Je zit helemaal onder het vuil mijn zoon, kom Je nu wassen; het is vandaag de dag van Je geboortester, wees schoon en dan gaan we koeien weggeven aan de brahmanen! (19) Kijk, zie hoe de jongens van Jouw leeftijd, gewassen door hun moeders, allemaal netjes gekleed zijn, zo moet Jij ook met een bad en na gegeten te hebben met hun plezier hebben in Je beste kleren.' (20) Yas'odâ op deze manier in haar intense liefde de Hoogste van hen Allen als haar zoon beschouwend, o heerser der mensen, nam Krishna en Râma bij de hand en bracht ze toen naar huis om ze toonbaar te krijgen.'
(21) S'rî S'uka zei: 'De oudere gopa's die zich vergewist hadden van de ernstige onregelmatigheden in het Grote Woud, belegden een vergadering met Nanda om te bespreken wat er gaande was in Vraja. (22) Daar liet Upânanda [Nanda's oudere broer], de oudste en wijste met de grootste ervaring, zich uit over wat gezien de tijd en omstandigheid met Râma en Krishna het beste zou zijn om te doen: (23) 'Wij allen die ons Gokula de beste plaats wensen om te wonen, zouden van hier moeten vertrekken; vele dingen doen zich hier voor met de kwade bedoeling de jongens te doden. (24) Dat vanwege het feit dat, op de een of andere manier, bij de genade van de Here God Hij, deze jongen, werd verlost uit de greep van de Râkshasî [Pûtanâ] die hier naartoe kwam om kinderen te doden en om het feit dat de handkar Hem maar net miste toen die omviel. (25) En toen was er die duivel in de gedaante van een wervelwind, die Hem meevoerde de lucht in om vervolgens zo gevaarlijk op de rotsige bodem neer te storten, waarbij de Heer der Gelovigen Hem weer redde. (26) Noch stierf dat kind, noch andere kinderen, door de twee bomen waar Hij tussen was geraakt; zelfs toen werd Hij gered door de Onfeilbare. (27) Zolang als de duivel ons hier lastig valt kunnen we niet in deze koeienplaats blijven en moeten we voordat het te laat is in het belang van de jongens van hier vertrekken; laten we, met z'n allen, naar elders verhuizen. (28) Er is een ander bos genaamd Vrindâvana [het 'groepjes bos' *] met veel nieuw groen dat een zeer geschikte plek is voor gopa, gopî en koe met zijn serene rotsformaties, een rijke schakering aan planten en veel gras. (29) Laten we daarom meteen allemaal vandaag nog daar naar toe gaan en onze tijd niet verspillen, maak de karren klaar en ga samen op weg met de weelde van onze koeien voorop - als jullie het hier mee eens kunnen zijn dan.'
(30) Toen ze dat hoorden zeiden al de gopa's eenstemmig 'Juist zo, dat is goed', en begonnen ze de koeien samen te brengen en hun bezittingen op te laden. (31-32) De ouden van dagen, de vrouwen en de kinderen kwamen met de grootste zorg als eersten aan de beurt en vervolgens, o Koning, vertrokken met al hun levensbehoeften op de ossenkarren de gopa's compleet met hun bogen en pijlen samen met de priesters en de koeien voor zich uit, onder het luide geschal in de wijde omtrek van hun hoorns en trompetten. (33) De gopî's fraai uitgedost met al het goud om hun nekken en met hun lichamen opgesierd met verse kunkum, zongen met veel plezier tijdens de rit op de karren over Krishna's spel en vermaak. (34) Yas'odâ en Rohinî, tezamen gezeten op één kar prachtig met Krishna en Balarâma, waren zeer gelukkig de verhalen te horen die ze zongen. (35) Vrindâvana bereikend, waar het prettig toeven is in alle seizoenen, vormden ze een afscherming voor de koeien door de karren maanvormig in een halve cirkel te plaatsen. (36) O heerser der mensen, toen Râma en Mâdhava Vrindâvana zagen met de heuvel Govardhana en de oevers van de Yamunâ, waren ze in hun nopjes zo blij. (37) Al de bewoners van de koeiengemeenschap [het nieuwe Vraja] waren aldus verrukt over het kinderspel en de gebroken taal van Zij die in de loop van de tijd oud genoeg waren om zorg te dragen voor de kalveren. (38) In de omgeving van het grondgebied van hun Vraja hoedden Ze samen met de andere jongens die leefden voor de koeien, de kalfjes, op verschillende manieren zich vermakend met allerlei gespeel. (39-40) Soms op hun fluiten blazend, soms met een slinger gooiend [voor de vruchten], soms met hun voeten bewegend voor het getinkel [van hun enkelbelletjes], soms koetje en stiertje spelend, hard loeiend de dieren nadoend die met elkaar aan het vechten waren en soms de geluiden van andere dieren imiterend, zwierven ze rond als twee gewone kinderen.
(41) Op een dag aan de oever van de Yamunâ hun kalveren hoedend met hun speelkameraadjes kwam er daar een demon [Vatsâsura] met de bedoeling Krishna en Balarâma te doden. (42) Hem in de gaten krijgend die onder het aannemen van de gedaante van een kalf zich had gemengd onder de andere kalveren, vestigde de Heer de aandacht op hem naar Baladeva gebarend, terwijl Hij ondertussen onopvallend zich langzaam in zijn richting bewoog. (43) Hem samen met zijn staart bij de achterpoten vattend slingerde Acyuta hem hard in het rond en gooide Hij hem levenloos bovenin een kapittha boom [**] alwaar het lichaam van de demon tot een gigantisch formaat uitdijde en toen, samen met de boom, dood op de grond smakte. (44) De jongens die dit voorval allen had gadegeslagen waren hogelijkst verwonderd en prezen Hem hoog, uitroepend: 'Goed gedaan, goed zo!', en de goden lieten tevreden een regen van bloemen op Hem neerdalen. (45) Zij, de Ene Beschermers van Al de Werelden die waren veranderd in de beschermers van de jongeren, voltooiden die ochtend hun ontbijt en trokken verder de kalveren hoedend.
(46) Met ieder van hen verantwoordelijk voor zijn eigen groepje kalveren arriveerden ze op een dag bij een waterplaats om de dieren te drenken waarna ook zij dronken van het water. (47) Daar zagen ze recht voor zich een gigantische gestalte die, als een door de bliksem getroffen, naar beneden gevallen bergpiek, hen schrik aanjaagde. (48) Het was van een demon genaamd Bakâsura, een enorm monster die de gedaante had aangenomen van een gigantische reiger [een baka ***]; vanwaar hij was verzwolg hij allermachtigst zomaar opeens Krishna met zijn scherpe snavel. (49) Ziend hoe Krishna door de reiger werd opgeslokt waren al de jongens met Râma voorop verbijsterd en stonden ze geheel overweldigd stomverbaasd te staren. (50) Hij, die zoon van een koeherder, de Gebieder van de Heer van het Universum, begon diep in zijn keel te branden als een vuur en werd terstond weer kwaad losgelaten zonder een schrammetje, waarop de reiger meteen weer probeerde om Hem met zijn scherpe snavel te doden. (51) Hij met Bakâsura opnieuw in de aanval, ving de snavel van die vriend van Kamsa op met Zijn armen, waarna Hij als de Meester der Waarachtigen in dienst van de bewoners van de hemel, voor ogen van de jongens, die bek uiteenreet met het gemak waarmee men een grassprietje doormidden splijt. (52) Op dat moment strooiden de goden van alle werelden jasmijn en andere bloemen over Hem uit en feliciteerden ze Hem begeleid door trommels, schelphoorns en gebeden; toen ze dit zagen waren al de jongens met stomheid geslagen. (53) Zoals het is met de zinnen [als ze weer bij bewustzijn komen] kwamen, met Hem bevrijdt uit de bek van de reiger, al de jongens weer tot leven die door Balarâma werden aangevoerd. Bevrijd van het gevaar omhelsden ze Hem en keerden ze, na hun kalveren te hebben verzameld, terug naar Vraja, alwaar ze luidruchtig melding maakten [van wat zich had voorgedaan]. (54) De gopa's en hun gopî's stonden, nadat ze al de verhalen aangehoord hadden, versteld, en waren zielsverrukt niet in staat hun ogen af te wenden van de jongens die door hen gretig werden aangestaard alsof ze uit de dood waren opgestaan. (55) Hoe wonderlijk dat deze jongen, die al zo vaak met de dood was bedreigd, er nog steeds was, terwijl zij die angst hadden aangejaagd zelf allemaal de dood hadden gevonden. (56) Hoewel ze op Hem afkwamen met de bedoeling deze jongen te doden, was geen van hen die zich in hun kwaadaardigheid zo grotesk vertoonden erin geslaagd; Hem belagend vonden ze allen, als vliegen in het vuur, de dood. (57) Hoe opmerkelijk dat de woorden van de kenners van het Brahman zich nimmer als onwaar bewijzen; dat wat door de hoogste meester [Garga] was voorspeld had zich precies zo voorgedaan [zie 10.8: 8-9]! (58) En zo waren al Nanda's gopa's er verrukt over telkens weer de verhalen te vertellen over Krishna en Balarâma en genoten zij met die praktijk van hun levens zonder dat ze ooit tegen de pijnen van de wereld opliepen [zie ook 1.7: 6]. (59) Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.'
Tweede editie, geladen 27 maart 2008.
Bronteksten:
Het spel en vermaak van Krishna als kind
S'rî S'uka zei: 'De koeherders onder leiding van Nanda die het tumult hoorden van de bomen die neervielen gingen, bang dat het de donder was, naar de plek des onheils, o beste van de Kuru's.S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O Mahârâja Parîkshit, toen de yamala-arjuna bomen omvielen, kwamen de koeherders uit de buurt bij het horen van het vreselijke lawaai naar de bewuste plek toe omdat ze bang waren dat de bliksem ingeslagen was. (Vedabase)
Daar de twee arjuna's op de grond gevallen aantreffend hadden ze er stomverbaasd geen idee van wat de oorzaak zou zijn van dit klaarblijkelijke ter aarde storten.
Daar zagen ze de omgevallen yamala-arjuna bomen op de grond liggen, maar waren verbijsterd, want ze zagen wel met eigen ogen dat de bomen omgevallen waren, maar konden er niet achterkomen hoe dat gebeurd was. (Vedabase)
Wie zou dit gedaan hebben? Het kind, het houten stampvat achter zich aanslepend aan Hem vastgebonden met het touw? Hoe kon zoiets wonderbaarlijks zich hebben afgespeeld? Ze stonden versteld.
Krishna was met een touw aan de ulûkhala, de vijzel, vastgebonden en sleepte die achter Zich aan. Maar hoe kon Hij de bomen omvergetrokken hebben? Wie had dat gedaan? Waar lag de oorzaak van dit incident? De koeherders, die over al deze verbazingwekkende zaken nadachten, waren vertwijfeld en volkomen in de war. (Vedabase)
De andere kinderen zeiden: 'Hij heeft het gedaan, met de vijzel overdwars tussen de bomen in getrokken! En er waren ook twee personen. We hebben het met eigen ogen gezien!'
Toen zeiden de koeherdersjongens: Krishna heeft het gedaan. Toen Hij tussen de twee bomen stond, bleef de vijzel er overdwars tussen steken. Krishna trok de vijzel verder en de twee bomen vielen omver. Toen kwamen er twee prachtige mannen uit de bomen tevoorschijn. We hebben dit met onze eigen ogen gezien. (Vedabase)
Ze konden niet geloven wat ze zeiden, 'Dat kan niet 't geval zijn; hoe kan nu zo'n klein kind die bomen ontworteld hebben?', maar sommigen van hen twijfelden bij zichzelf [en achtten het heel goed mogelijk].
Omdat ze intense vaderliefde voor Krishna voelden, konden de koeherders en hun leider Nanda niet geloven dat Hij de bomen op zo'n wonderbaarlijke manier ontworteld had. Daarom konden ze geen geloof hechten aan de woorden van de jongens. Sommigen twijfelden echter. "Gezien de voorspelling dat Krishna de gelijke van Nârâyana zou zijn" dachten ze, "is het best mogelijk dat Hij het gedaan heeft." (Vedabase)
Toen hij zag hoe zijn zoon met het touw vastgebonden zat aan de grote vijzel moest Nanda glimlachen en maakte hij Hem los.
Toen Nanda Mahârâja zag dat zijn zoon met touwen aan de houten vijzel vastgebonden was en deze achter Zich aansleepte, glimlachte hij en verloste Hem ervan. (Vedabase)
Door de gopî's aangemoedigd zong bij tijden de Allerhoogste Heer zich voor de domme houdend en leidde Hij ze zo om de tuin alsof Hij een gewoon kind zou zijn dat ze als een marionet onder hun controle hadden.
De gopî's zeiden soms: "Lieve Krishna, als Je danst geven we Je een snoepje." Door zo te spreken of in hun handen te klappen, moedigden de gopî's Krishna op allerlei manieren aan. Op dergelijke momenten, al was Hij de almachtige Godspersoon, begon Hij te glimlachen en te dansen zoals ze van Hem verlangden, alsof Hij een houten marionet was. Soms zong Hij ook heel luid, als ze Hem dat vroegen. Op dezemanier stond Krishna volledig onder het bestuur van de gopî's. (Vedabase)
Soms als erom gevraagd werd bracht Hij een houten kruk, een maatbeker of schoenen, voor de grap voor Zijn verwanten op Zijn armen slaand [alsof Hij een sterke kerel was].
Soms zeiden moeder Yas'odâ of haar vriendinnen, de gopî's, tegen Krishna: "Breng me dit eens, breng me dat eens." Soms vroegen ze Hem een plank, houten slippers of een houten maatbeker te halen, en dan probeerde Krishna deze opdrachten van de moeders uit te voeren en ze deze zaken te brengen. Soms raakte Hij ze echter alleen maar aan en bleef dan zo staan, alsof Hij ze niet kon optillen. En om Zijn verwanten te plezieren, sloeg Hij dan met Zijn armpjes op Zijn lichaam om te laten zien dat Hij sterk genoeg was. (Vedabase)
Opdat de hele wereld het zou weten liet Hij zien hoezeer de Opperheer zich voor Zijn dienaren gewonnen geeft, door als een kind bezigzijnd naar ieders genoegen te handelen in Vraja.
Aan zuivere toegewijden over de hele wereld, die Zijn activiteiten konden begrijpen, toonde de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, hoezeer Hij Zich onderwerpt aan Zijn toegewijden, Zijn dienaren. Zo deed Hij de vreugde van de Vrajavâsî's met Zijn kinderactiviteiten steeds meer toenemen. (Vedabase)
'O mensen hier in de buurt, haal uw fruit!', hoorde aldus Krishna een fruitverkoopster uitroepen, en snel wat graankorrels grijpend haastte de Onfeilbare, de Schenker van alle Vruchten, Zich derwaarts om fruit te gaan kopen.
Een fruitverkoopster riep eens: "O inwoners van Vrajabhûmi, als jullie fruit willen kopen, kom dan hier!" Toen Krishna dit hoorde, pakte Hij onmiddellijk een paar rijstkorrels en wilde die met haar ruilen, alsof Hij een paar vruchten nodig had. (Vedabase)
Wat Hij te bieden had was uit de palmen van Zijn handjes op de grond gevallen, maar de fruitdame vulde ze [niettemin] met vruchten. In ruil vulde zich de gehele mand voor de vruchten zich met goud en juwelen!
Terwijl Krishna zo haastig naar de fruitverkoopster toeliep, vielen de meeste rijstkorrels die Hij in Zijn handjes had op de grond. De fruitverkoopster gaf Krishna niettemin zo veel fruit als Hij maar dragen kon, waarop haar fruitmand zich onmiddellijk met goud en juwelen vulde. (Vedabase)
Na het voorval met de arjuna's riep Rohinî Devî eens om Krishna en Râma die aan de rivieroever de tijd uit het oog hadden verloren in hun spel met de andere kinderen.
Na de ontworteling van de yamala-arjuna bomen, ging Rohinîdevî op een keer Râma en Krishna roepen, die samen naar de oever van de rivier gegaan waren en daar helemaal opgingen in Hun spel met de andere jongen. (Vedabase)
Toen de zoons opgegaan in hun spelletjes niet reageerden op haar oproep, stuurde Rohinî moeder Yas'odâ achter hen aan met haar liefdevolle zorg voor de zoontjes.
Omdat Krishna en Balarâma veel liever met de andere jongens bleven spelen, kwamen Ze niet terug naar huis toen Rohinî Hen riep. Daarom stuurde Rohinî moeder Yas'odâ om Hen terug te roepen, omdat moeder Yas'odâ meer van Krishna en Balarâma hield. (Vedabase)
Roepend om Krishna, haar zoon en de andere jongetjes waar Hij zo laat nog mee aan het spelen was, vloeide in haar liefde de melk uit haar borsten.
Krishna en Balarâma gingen zo op in Hun spel dat Ze nog steeds met de andere jongens speelden toen het al erg laat was. Daarom riep moeder Yas'odâ Hen naar huis voor de lunch. Door haar extatische liefde en genegenheid voor Krishna en Balarâma vloeide er melk uit haar borsten. (Vedabase)
'Krishna, o Krishna mijn lotusoogje, o liefje, stop met spelen, drink wat melk; Je bent vast moe en hongerig mijn zoon!'
Moeder Yas'odâ zei: O Krishna, lieve zoon van me, o Krishna met Je lotusogen, kom hier en drink mijn borstmelk. Lieveling, Je moet wel heel erg moe zijn van de honger en van het lange spelen. Het is nergens voor nodig om nog door te gaan. (Vedabase)
O Râma, kom nu meteen alsJeblieft samen met Je jongere broertje, o liefde van de familie, Je hebt zo genoten van Je ontbijt vanmorgen, dus wil je vast nog wel wat meer!
Lieve Baladeva, parel van de familie, kom alsjeblieft onmiddellijk hier en neem Je jongere broer Krishna mee. Jullie hebben allebei in de ochtend gegeten, maar nu moeten Jullie nog wat meer eten. (Vedabase)
O Dâs'ârha ['de dienstbaarheid waardig'], de koning van Vraja wil graag eten en wacht op Jullie beiden, kom hier, wees zo lief en laat de andere jongens naar hun huis toe gaan.
Nanda Mahârâja, de koning van Vraja, zit te wachten. O Balarâma, lieve zoon van me, hij wacht tot Jullie komen eten. Doe ons daarom alsjeblieft een plezier en kom terug. De jongens die met Jou en Krishna aan het spelen zijn, moeten nu naar huis gaan. (Vedabase)
Je zit helemaal onder het vuil mijn zoon, kom Je nu wassen; het is vandaag de dag van Je geboortester, wees schoon en dan gaan we koeien weggeven aan de brahmanen!
Moeder Yas'odâ zei verder tegen Krishna: Lieve zoon, doordat Je de hele dag gespeeld hebt, zit Je helemaal onder het stof en zand. Kom daarom terug, neem Je bad en maak Jezelf schoon. Vandaag staat de maan in conjunctie met de zegenrijke ster van Je geboorte. Zorg daarom dat je zuiver bent om koeien weg te schenken aan de brâhmana's. (Vedabase)
Kijk, zie hoe de jongens van Jouw leeftijd, gewassen door hun moeders, allemaal netjes gekleed zijn, zo moet Jij ook met een bad en na gegeten te hebben met hun plezier hebben in Je beste kleren.'
Kijk toch eens hoe al Je vriendjes van Je eigen leeftijd al door hun moeders gewassen zijn en wat voor prachtige sieraden ze dragen. Je moet nu hier komen, en als Je gebaad bent, Je lunch genomen hebt en mooie sieraden om hebt, mag Je weer met Je vriendjes spelen. (Vedabase)
Yas'odâ op deze manier in haar intense liefde de Hoogste van hen Allen als haar zoon beschouwend, o heerser der mensen, nam Krishna en Râma bij de hand en bracht ze toen naar huis om ze toonbaar te krijgen.'
Beste Mahârâja Parîkshit, moeder Yas'odâ, de moeder van Krishna beschouwde Krishna, die het summum van alle volheden is, door haar intense liefde en genegenheid als haar eigen zoon. Daarom pakte ze Krishna en Balarâma bij de hand en nam Hen mee naar huis, waar ze haar plichten vervulde door Hen grondig te wassen, aan te kleden en te laten eten. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'De oudere gopa's die zich vergewist hadden van de ernstige onregelmatigheden in het Grote Woud, belegden een vergadering met Nanda om te bespreken wat er gaande was in Vraja.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Als gevolg van de ernstige onregelmatigheden die zich in Brihadvana voordeden, kwamen de oudere koeherders op een keer onder leiding van Nanda Mahârâja bijeen en overlegden wat ze moesten doen om een einde te maken aan de voortdurende onrust in Vraja. (Vedabase)
Daar liet Upânanda [Nanda's oudere broer], de oudste en wijste met de grootste ervaring, zich uit over wat gezien de tijd en omstandigheid met Râma en Krishna het beste zou zijn om te doen:
Op deze bijeenkomst van de inwoners van Gokula deed een koeherder met de naam Upânanda, die de oudste en wijste van allemaal was en door ervaring de meeste kennis over tijd, omstandigheden en gebied opgedaan had, het volgende voorstel voor het welzijn van Râma en Krishna. (Vedabase)
'Wij allen die ons Gokula de beste plaats wensen om te wonen, zouden van hier moeten vertrekken; vele dingen doen zich hier voor met de kwade bedoeling de jongens te doden.
Hij zei: Beste koeherders, vrienden, als we het beste met Gokula voorhebben, moeten we het verlaten; er doen zich namelijk voortdurend onregelmatigheden voor, die zondermeer tot doel hebben Râma en Krishna te doden. (Vedabase)
Dat vanwege het feit dat, op de een of andere manier, bij de genade van de Here God Hij, deze jongen, werd verlost uit de greep van de Râkshasî [Pûtanâ] die hier naartoe kwam om kinderen te doden en om het feit dat de handkar Hem maar net miste toen die omviel.
De kleine Krishna is eenvoudigweg door de genade van de Allerhoogste Godspersoon op een of andere manier uit de handen van de Râkshasî Pûtanâ gered, die vastbesloten was om Hem te doden. En toen de handkar omviel, kwam die, opnieuw door de genade van de Allerhoogste, net niet op het kind terecht. (Vedabase)
En toen was er die duivel in de gedaante van een wervelwind, die Hem meevoerde de lucht in om vervolgens zo gevaarlijk op de rotsige bodem neer te storten, waarbij de Heer der Gelovigen Hem weer redde.
Vervolgens kwam de demon Trinâvarta in de gedaante van een wervelwind en nam het kind gevaarlijk hoog de lucht in om het te doden, maar de demon viel neer en kwam op een plat stuk steen terecht. Ook in dit geval werd het kind gered door de genade van Heer Vishnu of Zijn metgezellen. (Vedabase)
Noch stierf dat kind, noch andere kinderen, door de twee bomen waar Hij tussen was geraakt; zelfs toen werd Hij gered door de Onfeilbare.
Zelfs gisteren nog zijn Krishna en Zijn vriendjes aan de dood ontsnapt toen de twee bomen omvielen, hoewel ze er heel dichtbij of zelfs tussen stonden. Ook dit moeten we als de genade van de Allerhoogste Godspersoon beschouwen. (Vedabase)
Zolang als de duivel ons hier lastig valt kunnen we niet in deze koeienplaats blijven en moeten we voordat het te laat is in het belang van de jongens van hier vertrekken; laten we, met z'n allen, naar elders verhuizen.
Deze incidenten worden allemaal door een of andere onbekende demon veroorzaakt. Het is onze plicht, voordat hij hier nog meer onrust komt zaaien, ergens anders heen te gaan met de jongens totdat er geen ongeregeldheden meer zijn. (Vedabase)
Er is een ander bos genaamd Vrindâvana [het 'groepjes bos' *] met veel nieuw groen dat een zeer geschikte plek is voor gopa, gopî en koe met zijn serene rotsformaties, een rijke schakering aan planten en veel gras.
Tussen Nandes'vara en Mahâvana ligt een gebied met de naam Vrindâvana. Dit is een uiterst geschikte plek, want er groeit een weelde aan gras, struiken en klimplanten voor de koeien en andere dieren. Er zijn mooie parken en hoge bergen, en ze biedt alles om de gopa's en gopî's en onze dieren gelukkig te maken. (Vedabase)
Laten we daarom meteen allemaal vandaag nog daar naar toe gaan en onze tijd niet verspillen, maak de karren klaar en ga samen op weg met de weelde van onze koeien voorop - als jullie het hier mee eens kunnen zijn dan.'
Laten we daarom vandaag nog vertrekken. Het is nergens voor nodig om nog langer te wachten. Als jullie het met mijn voorstel eens zijn, laten we dan de ossenkarren gereedmaken en er met de koeien voorop naartoe gaan. (Vedabase)
Toen ze dat hoorden zeiden al de gopa's eenstemmig 'Juist zo, dat is goed', en begonnen ze de koeien samen te brengen en hun bezittingen op te laden.
Toen de koeherders deze raad van Upânanda hoorden, gingen ze er unaniem mee akkoord. "Heel goed," zeiden ze, "heel goed." Ze verzamelden hun huisraad, laadden hun kleding en andere spullen op de karren en vertrokken onmiddellijk naar Vrindâvana. (Vedabase)
De ouden van dagen, de vrouwen en de kinderen kwamen met de grootste zorg als eersten aan de beurt en vervolgens, o Koning, vertrokken met al hun levensbehoeften op de ossenkarren de gopa's compleet met hun bogen en pijlen samen met de priesters en de koeien voor zich uit, onder het luide geschal in de wijde omtrek van hun hoorns en trompetten.
Met alle bejaarden, vrouwen, kinderen en huisraad op de ossenkarren en de koeien voor zich uit drijvend, namen de koeherders met grote omzichtigheid hun pijlen en bogen en bliezen op hun hoorns. O koning Parîkshit, terwijl het geluid van de hoorns overal klonk, begonnen de koeherders vergezeld van hun priesters aan hun tocht. (Vedabase)
De gopî's fraai uitgedost met al het goud om hun nekken en met hun lichamen opgesierd met verse kunkum, zongen met veel plezier tijdens de rit op de karren over Krishna's spel en vermaak.
De koeherderinnen, die op de ossenkarren zaten, waren prachtig gekleed met de mooiste gewaden, en hun lichamen, vooral hun borsten, waren versierd met het poeder van verse kunkuma. Tijdens de reis zongen ze met veel plezier liedjes over het spel en vermaak van Krishna. (Vedabase)
Yas'odâ en Rohinî, tezamen gezeten op één kar prachtig met Krishna en Balarâma, waren zeer gelukkig de verhalen te horen die ze zongen.
Terwijl ze zo met veel plezier naar het spel en vermaak van Krishna en Balarâma luisterden, gingen moeder Yas'odâ en Rohinîdevî, omdat ze zelfs nog geen moment van Krishna en Balârama gescheiden wilden zijn, met hun zonen op één ossenkar zitten. Zoals ze daar reden, zagen ze er allemaal prachtig uit. (Vedabase)
Vrindâvana bereikend, waar het prettig toeven is in alle seizoenen, vormden ze een afscherming voor de koeien door de karren maanvormig in een halve cirkel te plaatsen.
Zo kwamen ze in Vrindâvana aan, waar het in alle seizoenen aangenaam is om te leven. Ze maakten een tijdelijke plek om te wonen door hun ossenkarren in de vorm van een halve maan om zich heen te plaatsen. (Vedabase)
O heerser der mensen, toen Râma en Mâdhava Vrindâvana zagen met de heuvel Govardhana en de oevers van de Yamunâ, waren ze in hun nopjes zo blij.
O koning Parîkshit, toen Râma en Krishna Vrindâvana, Govardhana en de oevers van de rivier de Yamunâ zagen, waren Ze allebei bijzonder blij. (Vedabase)
Al de bewoners van de koeiengemeenschap [het nieuwe Vraja] waren aldus verrukt over het kinderspel en de gebroken taal van Zij die in de loop van de tijd oud genoeg waren om zorg te dragen voor de kalveren.
Zo schonken Krishna en Balarâma, in hun rol van kleine jongens en pratend in een gebroken taaltje, de inwoners van Vraja transcendentale vreugde. Na verloop van tijd waren Ze oud genoeg om voor de kalveren te zorgen. (Vedabase)
In de omgeving van het grondgebied van hun Vraja hoedden Ze samen met de andere jongens die leefden voor de koeien, de kalfjes, op verschillende manieren zich vermakend met allerlei gespeel.
Niet ver van Hun verblijven speelden Krishna en Râma, uitgerust met allerlei speelgoed, met andere koeherdersjongens en hoedden de kleine kalfjes. (Vedabase)
Soms op hun fluiten blazend, soms met een slinger gooiend [voor de vruchten], soms met hun voeten bewegend voor het getinkel [van hun enkelbelletjes], soms koetje en stiertje spelend, hard loeiend de dieren nadoend die met elkaar aan het vechten waren en soms de geluiden van andere dieren imiterend, zwierven ze rond als twee gewone kinderen.
Soms speelden Krishna en Balarâma op Hun fluit, soms gooiden Ze met touwen en stenen om vruchten uit de bomen naar beneden te halen, soms gooiden ze alleen maar met stenen, en soms speelden Ze, onder het geklingel van Hun enkelbelletjes, voetbal met vruchten als de âmalakî. Soms hingen Ze dekens over Zich heen en deden alsof Ze koeien en stieren waren en vochten dan luid loeiend met elkaar, en soms imiteerden Ze de geluiden van dieren. Zo vermaakten Ze Zich met Hun spel, als twee gewone mensenkinderen. (Vedabase)
Op een dag aan de oever van de Yamunâ hun kalveren hoedend met hun speelkameraadjes kwam er daar een demon [Vatsâsura] met de bedoeling Krishna en Balarâma te doden.
Toen Balarâma en Krishna op een dag samen met Hun vriendjes aan de oever van de rivier de Yamunâ de kalveren aan het hoeden waren, verscheen er weer een demon met het verlangen Hen te doden. (Vedabase)
Hem in de gaten krijgend die onder het aannemen van de gedaante van een kalf zich had gemengd onder de andere kalveren, vestigde de Heer de aandacht op hem naar Baladeva gebarend, terwijl Hij ondertussen onopvallend zich langzaam in zijn richting bewoog.
Toen de Allerhoogste Godspersoon zag dat de demon de gedaante van een kalf aangenomen had en zich tussen de andere kalveren mengde, richtte Hij Zich tot Baladeva: "Daar is weer een demon." Vervolgens liep Hij heel langzaam naar de demon toe, alsof Hij diens bedoelingen niet kende. (Vedabase)
Hem samen met zijn staart bij de achterpoten vattend slingerde Acyuta hem hard in het rond en gooide Hij hem levenloos bovenin een kapittha boom [**] alwaar het lichaam van de demon tot een gigantisch formaat uitdijde en toen, samen met de boom, dood op de grond smakte.
Toen greep S'rî Krishna de demon bij zijn achterpoten en staart, draaide zijn hele lichaam met zo veel kracht in het rond dat hij stierf en wierp hem in de kruin van een kapittha-boom, die vervolgens omviel, samen met het lichaam van de demon, die een enorme gedaante aangenomen had. (Vedabase)
De jongens die dit voorval allen had gadegeslagen waren hogelijkst verwonderd en prezen Hem hoog, uitroepend: 'Goed gedaan, goed zo!', en de goden lieten tevreden een regen van bloemen op Hem neerdalen.
Toen de koeherdersjongens het dode lichaam van de demon zagen, riepen ze: "Goed gedaan, Krishna! Fantastisch, fantastisch! Dank Je wel." De halfgoden van het hogere planetenstelsel waren tevreden, en daarom lieten ze een regen van bloemen op de Allerhoogste Godspersoon neerkomen. (Vedabase)
Zij, de Ene Beschermers van Al de Werelden die waren veranderd in de beschermers van de jongeren, voltooiden die ochtend hun ontbijt en trokken verder de kalveren hoedend.
Na het doden van de demon beëindigden Krishna en Balarâma Hun ontbijt, en terwijl Ze de kalveren hoedden dwaalden Ze door de hele omgeving. Krishna en Balarâma, de Allerhoogste Persoonlijkheden, die de hele schepping instandhouden, zorgden nu als koeherdersjongen voor de kalveren. (Vedabase)
Met ieder van hen verantwoordelijk voor zijn eigen groepje kalveren arriveerden ze op een dag bij een waterplaats om de dieren te drenken waarna ook zij dronken van het water.
Op een dag brachten de jongens, waaronder Krishna en Balarâma, de dieren naar een waterplaats om ze te laten drinken, waarbij iedere jongen voor zijn eigen groep kalveren zorgde. Nadat de dieren hun dorst gelest hadden, dronken ook de jongens van het water. (Vedabase)
Daar zagen ze recht voor zich een gigantische gestalte die, als een door de bliksem getroffen, naar beneden gevallen bergpiek, hen schrik aanjaagde.
Vlak naast de waterplaats zagen de jongens een enorm lichaam dat op een bergtop leek die door de bliksem afgebroken was. Ze waren zo bang dat ze zelfs niet naar dat enorme wezen durfden te kijken. (Vedabase)
Het was van een demon genaamd Bakâsura, een enorm monster die de gedaante had aangenomen van een gigantische reiger [een baka ***]; vanwaar hij was verzwolg hij allermachtigst zomaar opeens Krishna met zijn scherpe snavel.
Die demon met dat enorme lichaam heette Bakâsura. Hij had het lichaam aangenomen van een reiger met een ontzettend scherpe snavel. Zodra hij er was, slikte hij Krishna in. (Vedabase)
Ziend hoe Krishna door de reiger werd opgeslokt waren al de jongens met Râma voorop verbijsterd en stonden ze geheel overweldigd stomverbaasd te staren.
Toen Balarâma en de andere jongens zagen dat Krishna door de enorme reiger ingeslikt was, raakten ze bijna buiten bewustzijn, als zintuigen zonder leven. (Vedabase)
Hij, die zoon van een koeherder, de Gebieder van de Heer van het Universum, begon diep in zijn keel te branden als een vuur en werd terstond weer kwaad losgelaten zonder een schrammetje, waarop de reiger meteen weer probeerde om Hem met zijn scherpe snavel te doden.
Krishna, die de vader van Heer Brahmâ was maar optrad als de zoon van een koeherder, werd als vuur en brandde achter in de keel van de demon, zodat Bakâsura Hem onmiddellijk uitbraakte. Toen de demon zag dat Krishna ongedeerd was, hoewel Hij ingeslikt geweest was, deed hij met zijn scherpe snavel onmiddellijk weer een aanval op Krishna. (Vedabase)
Hij met Bakâsura opnieuw in de aanval, ving de snavel van die vriend van Kamsa op met Zijn armen, waarna Hij als de Meester der Waarachtigen in dienst van de bewoners van de hemel, voor ogen van de jongens, die bek uiteenreet met het gemak waarmee men een grassprietje doormidden splijt.
Toen Krishna, de leider van de Vaishnava's, zag dat de demon Bakâsura de vriend van Kamsa, een poging deed om Hem aan te vallen, greep Hij de demon met Zijn handen aan beide snavelhelften vast; en in het bijzijn van de koeherdersjongens trok Krishna hem met groot gemak in tweeën, zoals een kind een halm vîrana-gras splitst. Door de demon op die manier te doden, deed Krishna de bewoners van de hemel een groot plezier. (Vedabase)
Op dat moment strooiden de goden van alle werelden jasmijn en andere bloemen over Hem uit en feliciteerden ze Hem begeleid door trommels, schelphoorns en gebeden; toen ze dit zagen waren al de jongens met stomheid geslagen.
Bij die gelegenheid lieten de hemelse bewoners van de hogere planeten een regen van mallikâ-pushpa, bloemen die in Nandana-kânana groeien, neerkomen op Krishna, de vijand van Bakâsura. Ook feliciteerden ze Hem door hemelse pauken en hoornschelpen te laten klinken en gebeden tot Hem te richten. Toen de koeherdersjongens dit zagen, waren ze stomverbaasd. (Vedabase)
Zoals het is met de zinnen [als ze weer bij bewustzijn komen] kwamen, met Hem bevrijdt uit de bek van de reiger, al de jongens weer tot leven die door Balarâma werden aangevoerd. Bevrijd van het gevaar omhelsden ze Hem en keerden ze, na hun kalveren te hebben verzameld, terug naar Vraja, alwaar ze luidruchtig melding maakten [van wat zich had voorgedaan].
Zoals de zintuigen gerustgesteld zijn als het bewustzijn en het leven terugkeren, zo hadden de jongens, waaronder Balarâma, het gevoel dat ze hun leven terugkregen toen Krishna aan dit gevaar ontsnapt was. Vol vreugde omhelsden ze Krishna, en verzamelden toen hun kalveren en keerden terug naar Vrajabhûmi, waar ze luidkeels verslag uitbrachten van het gebeurde. (Vedabase)
De gopa's en hun gopî's stonden, nadat ze al de verhalen aangehoord hadden, versteld, en waren zielsverrukt niet in staat hun ogen af te wenden van de jongens die door hen gretig werden aangestaard alsof ze uit de dood waren opgestaan.
Toen de koeherders en hun vrouwen over de dood van Bakâsura in het woud hoorden, waren ze heel erg verbaasd. En toen ze na het verhaal gehoord te hebben Krishna zagen, ontvingen ze Hem met grote geestdrift, denkend dat Hij en de andere jongens uit de dood teruggekeerd waren. Daarom bleven ze zwijgend naar Krishna en de jongens kijken, want nu de jongens veilig waren wilden ze hun blik niet van hen afwenden. (Vedabase)
Hoe wonderlijk dat deze jongen, die al zo vaak met de dood was bedreigd, er nog steeds was, terwijl zij die angst hadden aangejaagd zelf allemaal de dood hadden gevonden.
De koeherders, onder leiding van Nanda Mahârâja, overdachten de zaak: Het is werkelijk verbazingwekkend dat deze jongen, Krishna, al zo vaak oog in oog met de dood gestaan heeft, maar dat het door de genade van de Allerhoogste Godspersoon juist de oorzaken van de angst waren die gedood werden, en niet Hijzelf. (Vedabase)
Hoewel ze op Hem afkwamen met de bedoeling deze jongen te doden, was geen van hen die zich in hun kwaadaardigheid zo grotesk vertoonden erin geslaagd; Hem belagend vonden ze allen, als vliegen in het vuur, de dood.
Hoewel de oorzaken van de dood, de daitya's, erg woest waren, konden ze deze jongen, Krishna, niet doden. Integendeel, omdat ze kwamen om onschuldige kinderen te doden, werden ze zodra ze er aankwamen zelf gedood, net als vliegen die een vuur aanvallen. (Vedabase)
Hoe opmerkelijk dat de woorden van de kenners van het Brahman zich nimmer als onwaar bewijzen; dat wat door de hoogste meester [Garga] was voorspeld had zich precies zo voorgedaan [zie 10.8: 8-9]!
De woorden van degenen die volledige kennis hebben van Brahman blijken altijd waar te zijn. Het is wonderbaarlijk dat we alles wat Gargamuni voorspeld heeft nu in werkelijkheid tot in de bijzonderheden meemaken. (Vedabase)
En zo waren al Nanda's gopa's er verrukt over telkens weer de verhalen te vertellen over Krishna en Balarâma en genoten zij met die praktijk van hun levens zonder dat ze ooit tegen de pijnen van de wereld opliepen [zie ook 1.7: 6].
Zo spraken de koeherders en hun leider Nanda Mahârâja met veel transcendentaal plezier over het spel en vermaak van Krishna en Balarâma, en merkten op die manier niets van de beproevingen van het materiële bestaan. (Vedabase)
Op deze manier brachten ze hun jeugd door in de koeiengemeenschap met verschillende soorten van kinderlijk tijdverdrijf als verstoppertje spelen, dammen bouwen en in de rondte springen alsof ze apen waren.'
Zo brachten Krishna en Balarâma met kinderspelletjes Hun kinderjaren door in Vrajabhûmi. Ze speelden verstoppertje, bouwden in hun fantasie een brug over de oceaan en sprongen als apen in het rond. (Vedabase)
*: Vrindâvana is gelegen tussen Nandes'vara en Mahâvana.
**: De kapittha word soms kshatbelphala genoemd. Het vruchtvlees is zeer smakelijk. Het is zoet-zuur en geliefd bij iedereen.
***: De reiger is een zeer slimme vogel, vol van list, bedrog en opzet en staat zo model voor de hypocriet, de bedrieger, de schurk.
![]()
Voor deze vertaling werd het enige deel dat Svâmi Prabhupâda van het tiende Canto schreef gebruikt.
Zie de Srîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Muralîdhara dâsa, het tweede van Syamarani dâsî en het derde schilderij is van Jagat-karana devî dâsî.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties