HOOFDSTUK
2a:
DE
YOGA VAN DE ANALYTISCHE KENNIS
Over
de kennis van de ziel
(2.1-2.38)
(1)
Sañjaya zei: "Tot hem [Arjuna], die op die
manier overmand was door mededogen, zijn ogen vol met
tranen had en weeklaagde, sprak Madhusûdana
[Krishna als de doder van Madhu] de volgende
woorden:
(2)
De Allerhoogste Heer zei: 'Vanwaar deze onzuiverheid van
weeklagen in dit uur van crisis? Deze praktijk van de
onbeschaafden, die niet tot een betere wereld leidt, is
de oorzaak van schande, o Arjuna. (3)
Laat je niet gaan in dit onvermogen, o zoon van
Prithâ, deze enggeestigheid en weekhartigheid past
je niet - geef het op en sta op, o bestraffer van de
vijand!'
(4)
Arjuna zei: 'Hoe kan ik nu met pijlen in het gevecht in
de tegenaanval gaan tegen Bhîshma en Drona, o
Madhusûdana - ze zijn vererenswaardig, o doder van
de vijanden! (5)
Zelfs bedelen in dit leven op de planeet is voorzeker
beter dan die superieure grote zielen te doden, zelfs als
die leraren werelds gewin verlangen - voorzeker zal ons
genieten van de geneugten des levens met bloed bevlekt
zijn! (6)
Ook weten we niet wat beter voor ons zou zijn: dat wij
hen overwinnen of dat zij ons overwinnen - het staat vast
dat van degene die dat door te doden realiseert, we het
nooit wensen om te leven, allen zoals we staan opgesteld
tegenover de zonen van Dritharâshthra.
(7)
Aangedaan door de kenmerken van de misère en de
zwakheid, vraag ik je, in mijn hart verward over mijn
plicht wat het beste zou zijn: vertel me het alsjeblieft
in vertrouwen; instrueer me daar ik me aan je heb
overgegeven als je volgeling. (8)
Ik zie niet helder in wat de treurnis zou verdrijven die
me van mijn zinnen berooft in het [op deze
manier] bereiken van de onbetwiste voorspoed van een
koninkrijk op aarde of zelfs de heerschappij van het
goddelijke.'
(9)
Sañjaya zei: "Zich op die manier tot
Hrisîkes'a richtend, zei Gudâkes'a
[Arjuna als de meester van het afwenden van
onwetendheid], de bestraffer der vijanden: 'Ik zal
niet vechten'. Na dit Govinda gezegd te hebben viel hij
toen stil. (10)
O afstammeling van Bharata, daar, tussen de legers van
beide partijen, sprak Hrisîkes'a glimlachend tot de
weeklagende de volgende woorden.
(11)
De Allerhoogste Heer zei: 'Je weeklaagt over wat het niet
waard is om over te weeklagen en je bedient je eveneens
van geleerde woorden - of er nu wel of niet levens
verloren gaan, de wijzen weeklagen niet. (12)
Nimmer bestond ik in werkelijkheid niet wanneer dan ook,
noch was dat voor jou zo; noch voor welke van deze
koningen ook - nimmer zullen zeker allen van ons ook
hierna niet bestaan. (13)
Van het belichaamd zijn kent men het fysieke van de
kindertijd, de jeugd en de ouderdom - dienovereenkomstig
misleidt het bereiken van het voorbije van het lichaam
ook nooit hen die nuchter zijn. (14)
Het is alleen maar zintuiglijke waarneming, o zoon van
Kuntî, zoals zomer en winter, geluk en gegeven
pijn, verschijnen en verdwijnen; geen van hen is
permanent, probeer dat enkel te verdragen, o afstammeling
van de Bharata dynastie. (15)
De persoon die dan nooit van dit alles van streek is, o
beste onder de mensen, en gelijkmoedig is en stabiel in
geluk en verdriet, wordt beschouwd als zijnde geschikt
voor de bevrijding.
(16)
Nooit is er van het valse [asat, de tijdelijke
vorm] enige bestendigheid noch kan men van het
eeuwige [sat, het ware, de ziel] enig
beëindigen verwachten, zo benadrukken de zieners die
dit concludeerden uit de studie van beide.
(17)
Weet dat dit alles waarvan het hele lichaam is
doordrongen onvergankelijk is en dat niemand in staat is
het te vernietigen. (18)
Al deze materiële lichamen zijn vergankelijk terwijl
van de belichaamde ziel wordt gezegd dat hij nooit
vernietigd wordt en onmetelijk is, derhalve vecht, o
afstammeling van Bharata. (19)
Een ieder die veronderstelt dat deze [ziel] de
doder is alsook een ieder die denkt dat ze kan worden
gedood, zal van elk van die twee stellingen nooit in
kennis zijn; nooit doodt hij of kan hij worden gedood.
(20)
Hij is nooit geboren, noch zal hij ooit sterven; nooit
ontstond hij noch zal hij ooit ophouden te bestaan - hij
zal niet reïncarneren, hij is ongeboren, eeuwig en
permanent; hij is de oudste en wordt nooit gedood als het
lichaam wordt gedood. (21)
Hij die weet dat deze [ziel] het onvernietigbare,
altijd bestaande is, dat ongeboren en niet aan
verandering onderhevig is - hoe kan die persoon, o
Pârtha, de oorzaak zijn van doden of gedood worden?
(22)
Precies zoals men afgedragen kleding opgeeft en nieuwe
accepteert, geeft de belichaamde [ziel] op
dezelfde manier oude lichamen op en accepteert hij
waarlijk verschillende nieuwe. (23)
Nooit kan deze ziel in stukken gesneden, door vuur
verbrand, verdrinken in water, of verweren in de wind.
(24)
Deze onbreekbare ziel die niet kan worden verbrand,
opgelost in water, of uitdrogen, is zeker eeuwig, alles
doordringend, continuerend, onbeweeglijk en
oorspronkelijk.
(25)
Zoals men over hem spreekt als zijnde onzichtbaar,
ondoorgrondelijk en stabiel, zou je heel goed moeten
weten dat deze ziel nooit het weeklagen waard is.
(26)
Indien, echter, je van hem denkt als altijd geboorte
nemend of de dood vindend, dan nog, o sterk gearmde, is
hij het weeklagen niet waard. (27)
De dood is een zeker feit voor degene die wordt geboren
en ook is geboorte zeker voor hen die sterven; het zijn
onvermijdelijke zaken die het derhalve niet verdienen om
over te weeklagen. (28)
In het begin zijn allen ongemanifesteerd, ze zijn
gemanifesteerd in het midden en op het eind, o
afstammeling van Bharata, zijn ze allemaal verdwenen,
waarom dan klagen als het allemaal is zoals dit?
(29)
Sommigen zien hem als verbazingwekkend, sommigen spreken
van hem als verbazingwekkend en anderen leren hem zeker
kennen als zijnde verbazingwekkend, terwijl nog weer
anderen, zelfs al hoorden ze van deze ziel, hem gewis
nooit zullen begrijpen. (30)
Deze ziel, de eeuwige eigenaar van het lichaam van
iedereen, kan niet worden gedood en derhalve, o
afstammeling van Bharata, zou je niet moeten treuren om
enig levend wezen.
(31)
Ook, inderdaad in de overweging van je eigen plichten zou
je er niet aan moeten twijfelen te vechten ter wille van
de religie, daar er voor een bestuurder waarlijk geen
betere bezigheid bestaat dan dat. (32)
O zoon van Prithâ, gelukkig zijn de heersers die
komen tot de oorlog die uit zichzelf kwam, daar voor hen
de poorten van de hemel wijd open staan. (33)
Daarom zou je dit vechten moeten verrichten als een
religieuze plicht - niet handelend overeenkomstig je
eigen aard, zal je je reputatie verliezen en in zonde
vervallen. (34)
Over je schande zullen de mensen altijd spreken daar voor
een respectabel man oneer erger is dan de dood.
(35)
Ermee ophoudend uit angst het slagveld verlatend, zullen
de grote krijgsheren die jou ook in hoge achting houden,
je beschouwen als iemand van een lager gehalte.
(36)
Vele van je vijanden zullen onaardige woorden spreken en
je vaardigheid bespotten. Wat, vanzelf, is er pijnlijker
dan dat? (37)
Of, gedood wordend, zal je het koninkrijk der hemelen
bereiken, of, overwinnend, zal je de wereld genieten,
derhalve sta op, o zoon van Kuntî, en vecht met de
zekerheid der vastberadenheid. (38)
Gelijkmoedig in geluk en ongeluk, winst en verlies,
overwinning of nederlaag; daarnaar tewerk gaand ter wille
van het vechten, zal je op deze manier nooit enige zonde
begaan.