|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 11: DE YOGA VAN DE UNIVERSELE GEDAANTE

Over de confrontatie met het volledige van Zijn werkelijkheid.

(1) Arjuna zei: 'De woorden die Je sprak toen Je mij begunstigde wat betreft het vertrouwelijk onderwerp van het allerhoogste spirituele - door hen is deze illusie van mij geweken. (2) Ik hoorde in detail van Jou over het verschijnen en verdwijnen van alle levende wezens, o lotusogige, en ook over Je onuitputtelijke heerlijkheden. (3) Zelfs met alles wat je hierover van het Jouwe zoals het is gezegd hebt, o Allerhoogste Heer, wens ik Je goddelijke Gedaante te zien, o Hoogste Persoonlijkheid. (4) Als Je denkt dat het als zodanig door mij kan worden gezien o meester, Heer van de Yoga, dan moet Je me Je Universele Zelf tonen.'

(5) De Opperheer zei: 'O zoon van Prithâ, aanschouw de honderden en duizenden van al de soorten van goddelijkheid van Mijn verscheidene vormen en kleuren. (6) Zie enkel de [twaalf] Âditya's, [acht] Vasu's, [elf] Rudra's, [twee] As'vins [halfgoden voor een lang leven], [negenenveertig] Maruts als ook al het wonderbaarlijke dat je nog niet eerder zag, o beste van de Bhârata's. (7) Bezie hier en nu het universum in zijn geheel, alles tegelijkertijd, met al wat beweegt en niet beweegt, in dit lichaam van Mij, o overwinnaar van de slaap, alsook wat je maar wenst te zien. (8) Maar zeker zal je er nooit toe in staat zijn Mij met je gewone ogen te zien; goddelijke ogen schenk Ik je om Mijn goddelijke eenheid waar te nemen.'

(9) Sañjaya zei: "O koning, na aldus gesproken te hebben, toonde de Grote Heer van de Yoga, de Hoogste Persoonlijkheid, Arjuna het voorbije van de Universele Gedaante. (10-11) Vele monden, ogen en tal van verschillende wonderlijke panorama's, vele goddelijke ornamenten, en een verscheidenheid aan geheven wapens, hemelse bloemenkransen en een aankleding met goddelijke geuren en smeersels, waren allen prachtig en schitterend, reikend in alle richtingen. (12) Als er het licht zou zijn van de gelijktijdige aanwezigheid van vele duizenden zonnen in de hemel, zou zoiets gelijk de uitstraling kunnen zijn van Hem, het Grootse van de Ziel. (13) Daar kon Arjuna toen, in de universele gedaante van de God der Goden, in één het volledige universum veelvoudig verdeeld zien. (14) Toen bracht de veroveraar der weelde, overmand door verwondering en met zijn haren overeind, de God met gevouwen handen zijn eerbetuigingen, zijn hoofd buigend en begon hij te spreken.

(15) Arjuna zei: 'Ik zie al de goden en al de levende wezens verzameld in Jouw lichaam, o Heer; Heer Brahmâ gezeten op de lotus en Heer S'iva, en ook de grote wijzen en al de serpenten. (16) Vele armen, rompen, monden en ogen zie ik, van alle kanten zie ik een onbegrensde vorm zonder einde, zonder een midden of wederom zonder Je aanvang, o Heer van het universum, o Universele gedaante. (17) Gekroond, met knotsen, werpschijven en een uitstraling van alle kanten kost het me moeite Je te bezien overal zo gloeiend als het onmetelijke vuur van de stralende zon. (18) Je moet worden begrepen als de Onfeilbare Allerhoogste van dit universum, Je bent de basis van het voorbije, Je bent de onuitputtelijke handhaver van alle religie en de eeuwige Oorspronkelijke Persoonlijkheid ben Je - dat is wat ik denk. (19) Zonder een begin, midden of einde, van een onbeperkte heerlijkheid, met talloze armen en met de zon en maan als ogen, zie ik dat door Je straling uit Je monden een laaiend vuur komt dat dit Universum verhit. (20) Voorzeker is alles wat er zich tussen hemel en aarde bevindt van Jouw alleen doordrongen en bij het zien van al dit van Je wonderbaarlijke gedaante in alle richtingen, zijn de drie werelden vervuld van angst, o Grote Ziel. (21) Het totaal van de godbewusten gaat zeker in Je binnen terwijl sommigen van hen uit angst met gevouwen handen gebeden opzenden. De grote wijzen roepen daar 'Alle Heil' bij uit en de volmaakten bidden groepsgewijze tot Je onder het zingen van lofzangen. (22) Zij die angst aanjagen (Rudra's), de goddelijken (Âditya's), de heersers der elementen (Vasu's), zij allen en zij die verfijnd zijn (Sâdhya's), de deugdzamen(Vis'vadevas), de ouderen (die van de As'vins), zij die van de schittering zijn (Maruts), de voorvaderen en de hemelbewoners (Gandharva's); de geesten (Yaksha's), de ongelovigen (Asura's) en de gehele vergadering van vervolmaakte toegewijden (Siddha's) bezien Je allen zeker vol ontzag en verwondering. (23) Deze onvoorstelbaar grote Gedaante van Je ziende met zijn vele gezichten en ogen, o machtig gearmde; met zijn vele armen, dijen en benen; zijn vele buiken en schrikwekkende tanden, zijn al de werelden van streek zoals ik dat ook ben. (24) Ziend hoe Je op deze manier de hemel raakt gloeiend met vele kleuren, open monden en wijd open glanzende ogen, ben ik innerlijk ontdaan en niet in staat mezelf bijeen te houden en mijn kalmte te bewaren, o Vishnu. (25) Als ik Je angstaanjagende tanden en gezichten zie die zijn als het vuur van het einde der tijden, verlies ik mijn richtinggevoel en sta ik als aan de grond genageld; o Heer der Heerscharen, toevlucht der werelden, heb genade! (26-27) In dit van Jou zie ik ook Dhritarâshthra met al zijn zonen en de scharen van oorlogvoerende koningen en Bhîshmadeva, Dronâcârya en Karna tezamen met ook onze belangrijkste vechters zich in Je mond haasten, alwaar ik zie dat sommigen van hen met verbrijzelde schedels vastgeklemd zitten tussen de angstwekkende verschrikkelijke, tanden. (28) Gelijk de veelvoud van stromen die onvermijdelijk afglijden naar de golven van de zee, zo ook gaan al deze menselijke helden van deze wereld je monden vol vuur binnen. (29) Als motten die in volle vaart hun vernietiging tegemoet gaan in een laaiend vuur, op dezelfde manier gaat ook alleman in volle vaart Je monden binnen om de vernietiging te vinden. (30) Likkend verslind Je de mensen uit alle richtingen, met Je vlammende monden het universum overdekkend met de vreselijk verschroeiende stralen van Je gloed, o Vishnu. (31) Verklaar me alsjeblieft wie Jij, in deze afschrikwekkende gedaante, bent. Ik biedt Jou, o grote God, mijn eerbetuigingen, wees goed voor me; ik wens het oorspronkelijke van Je te kennen, daar ik zeker niet in staat ben Je missie te bevatten.'

(32) De Allerhoogste Heer zei: 'De Tijd ben Ik, de grote vernietiger der werelden hier bezig met de vernietiging van alle mensen, behalve jullie [broeders] alleen, zullen alle soldaten die aan beide zijden staan opgesteld, hun einde vinden. (33) Sta daarom op en behaal de roem je vijanden overwinnend en geniet het koninkrijk in bloei door Mij; voorzeker waren al dezen voorbestemd te worden gedood, wees slechts het werktuig daarvan, o linkshandige. (34) Drona, Bhîshma en Jayadratha, Karna en anderen - deze grote strijders zijn zeker reeds door Mij gedood; vernietig en maak je geen zorgen, vecht enkel en zodoende zal je je vijanden overwinnen.'

(35) Sañjaya zei: "Zo de woorden van Kes'ava horend, deed de gekroonde [Arjuna] met gevouwen handen en trillend, opnieuw zijn gebeden en sprak hij stamelend, zich voor Hem verbuigend. (36) Arjuna zei: 'Terecht, o meester der zinnen, verheugt de gehele wereld zich in Je heerlijkheden en raakt ze gehecht: zij die van de duivel zijn vluchten in alle richtingen, terwijl de scharen van de volmaakten Je hun respect betonen. (37) En waarom zouden ze Je niet respecteren, o grote Ziel beter dan Brahmâ, is het niet omdat Je als de Oorspronkelijke Schepper, o onbegrensde God der Goden en toevlucht van het universum, de Onvergankelijke bent die boven oorzaak en gevolg staat? (38) Jij bent de oorspronkelijke God en persoon, de oudste van dit universum, de bovenzinnelijke toevlucht en de kenner, Jij bent het kenbare, het voorbije en de woning, van Jouw is het Universum doortrokken o onbegrensde gedaante! (39) Jij bent de heerser van de lucht, het vuur, het water en de maan, Jij bent de Brahmâ en de overgrootvader; zonder ophouden betoon ik Je mijn respect; een duizend maal keer op keer breng ik Je mijn eerbetuigingen. (40) Alle heil aan Je voorkant en aan Je achterkant, Jou betuig ik de eer daadwerkelijk van alle kanten omdat Jij alles bent, de oneindige macht en het grenzeloos vermogen; alles wordt door Jou gedekt en daarom ben Je ook alles. (41-42) In de illusie verkerend zei ik als een vriend: "O Krishna, o Yâdava [afstammeling van de Yadu-dynastie], o dierbare vriend" en dergelijke; noch door mijn dwaasheid noch door mijn liefde wist ik van die heerlijkheden van Jou. Voor wat ik ook gezegd heb voor de grap je onterend, me met Je ontspannend, neerliggend en zittend, samen etend en terwijl ik alleen met Je was, o Onfeilbare, alsook in het gezelschap van anderen, vraag ik Je vergeving, o Onmetelijke. (43) De Vader ben Je van al de bewegende en niet bewegende werelden, van dit alles ben Je de aanbiddelijke en de leraar, nimmer is iemand in heerlijkheid gelijk aan Jou; hoe kunnen anderen groter zijn dan Jij in de drie werelden, o onvergelijkelijke macht ? (44) Derhalve werp ik mijn lichaam ter aarde, ik betoon Jou als de aanbiddelijke Allerhoogste mijn respect om Je genade af te smeken en me te tolereren zoals een vader dat behoort te doen met zijn zoon, zoals een vriend dat behoort te doen met een vriend en een minnaar dat behoort te doen met zijn geliefde, mijn Heer. (45) Ik ben blij te hebben gezien wat nog nimmer eerder is gezien, maar mijn geest is ook van streek; wees zo genadig me Je gedaante [weer] te tonen o God, Heer der Heerscharen en toevlucht van het Universum. (46) Ik wens Je te zien in de positie met de helm, de strijdknots en werpschijf in Je hand; neem enkel de vierhandige gedaante aan [die ook de schelphoorn en de lotus vasthoudt], o duizendhandige, o Universele Gedaante.'

(47) De Opperheer zei: 'Door Mijn genade voor jou Arjuna, was deze transcendentale gedaante van de eenheid van Mijn Zelf te zien; behalve jou zag niemand tevoor deze onbegrensde oorspronkelijke gedaante, de volle uitstraling van het gehele universum van Mij. (48) O beste van de Kuru-strijders, in deze materiële wereld, in deze vorm kon geen ander dan jij deze gedaante zien, noch door vedisch offeren of studie noch door liefdadigheid en zedelijke handelingen of zware boetedoeningen. (49) Wees niet verstoord, raak je verstand niet kwijt deze schrikwekkende gedaante te zien, zie enkel Mijn gedaante zonder vrees en zodoende met een gelukkig gemoed wederom zoals die is '."

(50) Sañjaya zei: "Vâsudeva op die manier sprekend over Zijn eigen gedaante toonde zichzelf nog één keer [als vierarmig] en werd de grote ziel van Zijn eigen mooie [tweearmige] gedaante weer, zodoende de bevreesde Arjuna geruststellend. (51) Arjuna zei: 'Deze zeer mooie menselijke gedaante van Jou ziend, o bestraffer der vijanden, krijg ik mezelf weer bij elkaar en ben ik mezelf weer.'

(52) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze gedaante van Mij zoals je hem hebt gezien is zeer moeilijk te zien te krijgen; zelfs de halfgoden streven er voor eeuwig naar deze gedaante te zien. (53) Nimmer kan Ik [zoals gezegd] worden gezien door het bestuderen van de Veda's, boetedoeningen, door liefdadigheid of door aanbidding, op de manier zoals jij Me zag. (54) Alleen door toegewijde dienst vrij van nevenmotieven is het mogelijk Mij zo te zien o Arjuna, en je feitelijk toegang te verschaffen, o machtig gearmde. (55) Hij die bezig is voor Mij te werken, met Mij als het Allerhoogste, in Mijn toegewijde dienst, vrij van materialistische associatie en vijandigheid onder de levende wezens bereikt Mij, o zoon van Pându.'

 

 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu