|Dit Hoofdstuk: luister naar de tekst hier beneden geboden (compl.).

|Andere Hoofdstukken:

1|2a|2b|3|4|5|6|7|8|9|10|11|12|13|14|15|16|17|18a|18b

De links in de tekst verwijzen naar het Sanskriet woord voor woord.
Download
het tekstbestand van de complete Bhagavad Gîtâ van Orde.

English version

Meer lezen over het leven van Krishna en Zijn toegewijden: zie het S'rîmad Bhâgavatam

N.B: om techtnische redenen kunnen Mac-users problemen hebben met het stromen van RA-files;
om dit probleem op te lossen verander de ram-extensie van de URL in rm en download dan het bestand naar uw harde schijf.


 

 Krishna Muziek   

 

HOOFDSTUK 10: DE YOGA VAN ZIJN WEELDE

Over Zijn Identiteit

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Luister enkel opnieuw, zo zij het, o machtig gearmde, naar Mijn allerhoogste onderricht aangaande dat wat Ik jou, omdat je Mij zo dierbaar bent, zeg in je voordeel.

(2) Noch het aantal atheïsten, noch de grote wijzen kennen Mijn oorsprong; Ik ben voorzeker de bron van de goddelijken en de grote wijzen in alle opzichten. (3) Hij die Mij kent als de Ongeborene die zonder begin is en Me eveneens kent als de grote Heer der Wereld, is onder de stervelingen vrij van begoocheling en bevrijd van alle terugslagen der zonde. (4-5) Intelligentie, kennis, kalmte, vergevingsgezindheid, waarheidlievendheid, beheersing over de zinnen en de geest, geluk, leed, geboorte, dood, vrees en onbevreesdheid eveneens, geweldloosheid, evenwichtigheid, tevredenheid, versobering, roem en schande zijn de verschillende aspecten van het levend wezen die door Mij worden gearrangeerd. (6) Uit de geest van de zeven grote wijzen [Marîci, Atri, Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu en Vasishthha] van voorheen en de vier Manu's [de stamvaderen Svâyambhuva, Svârocisha, Raivata en Uttama] die ook van Mij afstammen, is de hele bevolking in deze wereld voortgekomen. (7) Een ieder die feitelijk op de hoogte is van het feit dat al deze weelde en vereniging van bewustzijn ook van Mij afkomstig is, zal onverdeeld zijn in zijn bezigheid van toegewijde dienst, daarover bestaat geen twijfel. (8) Ik ben de bron van allen, uit Mij komt alles voort; aldus bekend met de feiten ontwikkelen de intelligenten met liefde in hun hart toewijding voor Mij. (9) Met hun volle verstand en hun leven op Mij gericht, verlichten ze elkaar, voortdurend over Me sprekend en ontlenen ze daaraan hun tevredenheid en verrukking. (10) Zij die altijd bezig zijn in de liefdevolle vervoering van de toegewijde dienst schenk Ik die eenheid van intelligentie waarmee ze tot Mij kunnen komen. (11) Voor hen verdrijf Ik voorzeker, om speciale genade te tonen, gezeten in hun hart, de duisternis geboren uit onwetendheid met het stralende licht van de kennis.'

(12-13) Arjuna zei: 'De Allerhoogste Geest, de hoogste verblijfplaats, de zuiverste van het Allerhoogste ben Je, de oorspronkelijke persoonlijkheid, de bovenzinnelijke Heer, de ongeborene en de grootste. Van Jouw spreken de grote wijzen onder de goddelijken als Nârada en Asita, Devala en Vyâsa en inderdaad verklaar Je het Me nu zelf. (14) Dit alles wat Je me gezegd hebt, o Krishna, neem ik voor waar aan; zeker is deze openbaring van Je Allerhoogste Heerschappij niet bekend bij de goddelijken noch bij de goddelozen. (15) Zeker zal Je Jezelf persoonlijk kennen vanuit Jezelf, o allergrootste en oorsprong van allen, Heer van alle wezens, God der Goden en meester van het Universum. (16) Want Jij bent degene die in detail kan uitweiden over het Goddelijke van Jouw weelde waarmee Je, al deze werelden doordringend, verblijft. (17) Hoe kan ik Je kennen, o Yoga, altijd aan Je denken en in welke gedaanten allemaal moet ik me Jouw herinneren, o Allerhoogste Heer? (18) O doder der atheïsten, wat nogmaals is de weelde van Jouw Yoga daar ik voorzeker niet genoeg kan horen van de beschrijving van de nectar.'

(19) De Allerhoogste Persoonlijkheid zei: 'Ja, Ik zal je zeker van het goddelijke van Mijn persoonlijke schittering het belangrijkste vertellen, o beste van de Kuru's, daar er aan mijn uitgebreidheid geen grenzen gesteld zijn. (20) Ik ben, o Arjuna, de ziel in het hart van alle levende wezens; Ik ben ook de oorsprong, het midden en eveneens het einde van al het bestaande. (21) Van de Âditya's [Diti was de dochter van Daksha en de vrouw van Kas'yapa], ben Ik Vishnu, van al de hemellichten ben Ik de stralende zon, Marîci [een Prajâpati, een vader der mensheid, en de vader van Kas'yapa] van de Maruts [de goden der schittering] ben Ik en van de indelingen van het jaar [de sterrentekens of van wat gefixeerd is] ben Ik de Maan. (22) Van al de Veda's ben Ik de Sâma-veda [de liederen], van de goddelijken ben Ik Indra [of Vâsava], de koning der hemel, van de zinnen ben Ik de geest en Ik ben ook de levenskracht van alle schepselen. (23) Van al de Rudra's [zij die angst aanjagen] ben Ik S'iva [of S'ankara]; ook ben Ik Vittes'a [de schatbewaarder] van de Yaksha's [dienaren van Kuvera, de hemelse schatbewaarder] en Râkshasa's [de demonen], van de Vasu's [de goden der natuur ] ben Ik het vuur en van al de bergen ben Ik eveneens de berg Meru [die in het midden staat]. (24) Ken Mij als de belangrijkste van alle priesters, Brihaspati [de priester van Indra], o zoon van Prithâ, van alle militaire bevelhebbers ben Ik Kârtikeya [Skanda, de god van de oorlog en zoon van S'iva en Pârvatî] en van alle wateren ben Ik de oceaan. (25) Van de grote wijzen ben Ik Bhrigu [een van de tien Mahârishi's naar de eerste Manu],van het gesprokene ben Ik de Pranava, van de offers ben Ik japa [mantra-meditatie met kralen] en van de onbeweeglijke dingen ben Ik de Himalaya's. (26) Van de bomen ben Ik de As'vattha [Banyan of een zonder eigenschappen], van al de zieners onder de goddelijken ben Ik Nârada, van de hemelse wezens [Gandharva's] ben Ik Cittaratha [de beste zanger] en van hen die perfect zijn ben Ik Kapila Muni [een Vishnu avatâr, zoon van Devahûti].

(27) Ken Me als Uccaihs'ravâ onder de paarden, die voortkwam uit het karnen van de oceaan om de nectar te verkrijgen en als Airâvata onder de olifanten; onder de mensen ben Ik degene die aan de top staat [de koning]. (28) Van al de wapens ben Ik de bliksemschicht, van de koeien ben Ik de Surabhi [die van overvloed] en Ik ben Cupido, de oorzaak van het krijgen van kinderen; van de slangen ben Ik Vâsuki [met wie de oceaan werd gekarnd]. (29) Van de Nâga's [slang-achtigen] ben Ik Ananta [die Vishnu ondersteunt], van al de wezens in het water ben Ik Varuna [de halfgod], van de voorvaderen ben Ik Aryamâ [een Âditya] en van al de uitvoerders der wet ben Ik Yama, de heerser over de dood. (30) Van de Daitya's [niet-theïstische zoons van Diti die de oceaan karnden] ben Ik Prahlâda, van wat heerst ben Ik de Tijd, van de dieren de leeuw en van de vogels ben Ik Garuda [Vainateya]. (31) Van al wat zuivert ben Ik de wind, Ik ben Râma [een Vishnu avatâr] van hen die gewapend zijn, van al de vissen ben Ik de haai en ook ben Ik van de stromende rivieren de Ganges ['de dochter van Jahnu'].

(32) Van de veelvoud ben Ik [zoals gezegd] het begin, het einde en het midden en ook ben Ik zeker, o Arjuna, de geestelijke kennis van alle opvoeding en de dialektiek van alle argumentatie. (33) Van de letters ben Ik de eerste [de A], van de samengestelde woorden ben Ik het tweevoudige woord en voorzeker ben Ik het eeuwige van de Tijd en de Schepper die in alle richtingen ziet [Brahmâ]. (34) Ik ben ook de allesverslindende dood en het tot stand komen van alles wat voorbestemd is en de roem, schoonheid en de welsprekendheid ben Ik van de vrouwen als ook het geheugen, de intelligentie, de standvastigheid en het geduld. (35) Van de Sâma-veda-hymnen ben Ik de Brihat-sâma [de metrische], van alle poëzie ben Ik de Gâyatrî [een zuiveringsmantra], van de maanden ben Ik degene die in Boogschutter staat en van al de seizoenen ben Ik het voorjaar. (36) Van de misvattingen ben Ik het gokken, Ik ben de schittering van al het schitterende, Ik ben de victorie van alle avontuur en de kracht der sterken ben Ik. (37) Van de Vrishni's ben Ik Vâsudeva [Krishna], van de Pândava's ben Ik Arjuna, van de wijsgeren ben Ik Vyâsa [die de Veda's samenstelde] en van al de grote denkers ben Ik Usanâ [de leraar der atheïsten]. (38) Van de middelen der onderdrukking ben Ik de roede, Ik ben de moraal van hen die de overwinning zoeken, de stilte van alle geheimen en van hen die met weten begaan zijn ben Ik de kennis.

(39) Van wat er ook van al de wezens mag bestaan ben Ik de bron, o Arjuna; niets van het bewegende en onbeweeglijke bestaat zonder Mij. (40) Mijn goddelijke weelde is onbegrensd, o overwinnaar der vijanden; alles waar Ik over sprak is slechts een voorbeeld van de uitgebreidheid van Mijn vermogen. (41) Wat er ook van macht zijn bestaan heeft en daadwerkelijk van schoonheid en glorie is, dat alles moet je zeker kennen als zijnde geboren als een deel van Mijn heerlijkheid. (42) Maar wat heb je eraan de veelvoud van dit alles in te zien, o Arjuna, door één enkel deel verkeer Ik in de positie waarin Ik het gehele Universum doordring.'


 

Ontleend aan de Bhagavad Gîtâ van Orde gesproken door Anand Aadhar Prabhu