Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

Derde herziene versie 2012

 

CANTO 9:

Bevrijding

 

Inleiding   

Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni

Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni

Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ

Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân

Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld

Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.

Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

Hoofdstuk 24 De Yadu- en Vrishnidynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

 

 

Introductie

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L. Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.

 

Hoofdstuk 1: Koning Sudyumna Wordt een Vrouw

(1) De koning zei: 'Ik heb geluisterd naar uw beschrijvingen van al de tijdperken van de Manu's en de wonderbaarlijke handelingen die de Heer van het Onbegrensd Vermogen tentoonspreidde in die perioden. (2-3) Hij die bekend stond onder de naam Satyavrata, de wijze koning en heerser over Dravidades'a, ontving aan het einde van de vorige dag van Brahmâ geestelijke kennis door de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] van dienst te zijn. Ik vernam van u hoe hij, als een zoon van Vivasvân [de zonnegod], aldus de Manu werd. U vertelde over zijn vele zoons: de koningen onder leiding van Ikshvâku [8.13: 1]. (4) O brahmaan, beschrijf alstublieft voor ons die altijd graag naar uw verhalen luisteren, de dynastieën van die koningen en wat hen kenmerkte o hoogst fortuinlijke. (5) Alstublieft vertel ons over al die vrome en gevierde zielen die er vóór ons waren, die er na ons zullen zijn en waar we nu mee leven.'

(6) S'rî Sûta zei: "Nadat Parîkchit hier aldus tijdens de bijeenkomst van al de geleerden om vroeg, gaf de grootste geleerde in het dharma, de machtige S'uka, antwoord. (7) S'rî S'uka zei: 'O onderwerper van de vijand, ik zal u nu het belangrijkste van de dynastie van Manu vertellen, want men is er in nog geen honderd jaar mee klaar om dat uitvoerig te doen. (8) Toen de Superziel, de Oorspronkelijke Transcendentale Persoon van alle hogere en lagere levensvormen, zich aan het einde van de kalpa bevond, bestond er buiten Hem niets van dit universum of iets anders. (9) Uit Zijn navel kwam een gouden lotus voort waarop o Koning, de uit zichzelf geborene met zijn vier hoofden verscheen [Brahmâ, zie ook 3.8]. (10) Marîci kwam uit Brahmâ's geest voort en van hem was er Kas'yapa. Hij op zijn beurt verwekte in Aditi, de dochter van Daksha, toen een zoon: Visvasvân [zie ook 6.6: 38-39]. (11-12) Visvasvân verwekte in Samjñâ, Manu S'râddhadeva die op basis van zijn zinsbeheersing in zijn vrouw S'râddhâ tien zoons verwekte die hij de volgende namen gaf: Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta, Prishadhra, Nabhaga en Kavi de machtige. (13) Hij, de Manu, had aanvankelijk geen zoons, maar de grote persoonlijkheid, de machtige Vasishthha, bracht voor de halfgoden Mitra en Varuna een offer dat hem zoons zou bezorgen. (14) S'râddhâ, Manu's echtgenote echter, die zoals staat voorgeschreven met eerbetuigingen en het zich houden aan een payo vrata [gelofte van enkel drinken, zie 8.16] naar voren trad, smeekte de dienstdoende priester om een dochter. (15) De ritvik die de leiding had [de adhvaryu] zei de priester die de uitgietingen deed [de hotâ] om met dit in gedachten het offer uit te voeren, waarop de brahmaan de ghee pakte en de mantra vashath uitsprak ['voor het Levend Wezen'].

(16) Met die overtreding van de dienstdoende priester werd er een dochter geboren genaamd Ilâ ['de uitgieting']. Toen Manu haar zag zei hij hoogst ontevreden tegen zijn goeroe: (17) 'O mijn heer, wat is dit nu? Als gevolg van wat jullie transcendentalisten hebben gedaan, is er helaas deze pijnlijke afwijking. Deze rebellie tegen de Absolute Waarheid had nooit mogen plaatsvinden! (18) Hoe konden jullie, goed thuis in de Vedische kennis, verbonden en verzaakt, van wie alle onzuiverheden zijn weggebrand, nu van je besluit afwijken? Sinds wanneer zijn de halfgoden van valse voorspiegelingen?'

(19) Toen hij hem, de meest machtige, de Manu, dat hoorde zeggen sprak, met begrip voor de vergissing begaan door de dienstdoende priester, hun overgrootvader Vasishthha tot de zoon van de zonnegod. (20) 'Dit afwijkend resultaat was het gevolg van wat uw priester verkeerd heeft gedaan. Ik zal echter mijn macht inzetten om u een goede zoon te bezorgen!'

(21) Met dat besluit o Koning, droeg de beroemde, machtige meester Vasishthha gebeden op aan de Oorspronkelijke Persoon met de wens dat Ilâ in een man zou veranderen. (22) Door hem behaagd verleende de Allerhoogste Meester Hari de verlangde gunst zodat Ilâ veranderde in een mooie man met de naam Sudyumna. (23-24) Op een dag was Sudyumna op jacht in het woud o Koning, begeleid door een reeks metgezellen. Rijdend op een paard uit Sindhuprades'a ging hij in de noordelijke richting achter de prooi aan. Voor de gelegenheid was de held uitgerust met een  fraaie boog met opmerkelijke pijlen en een kuras. (25) Aan de voet van de berg Meru gebeurde het dat hij het Sukumârawoud inging alwaar de machtige Heer S'iva geniet met zijn vrouw Umâ. (26) Daar aangekomen o heerser der mensen, zag Sudyumna, de voortreffelijke held, zichzelf in een vrouw veranderen en zijn paard in een merrie [zie ook 5.17: 15]. (27) Ook al zijn metgezellen veranderden in het andere geslacht en toen ze elkaar zo zagen raakten ze diep in de put.'

(28) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Hoe kan dat gebied een dergelijke kwaliteit bezitten? Hoe kwam dat tot stand o machtige? Daarover zou ik u heel graag voor ons horen uitwijden.'

(29) S'rî S'uka antwoordde: 'Ooit kwamen daar heiligen verankerd in hun geloften die de duisternis in alle richtingen verdreven, naar de Heer van de Berg, S'iva om hem te zien. (30) Ambikâ [Durgâ] die naakt op de schoot van haar man zat schaamde zich diep toen ze hen zag. Snel stond ze op om haar borsten te bedekken. (31) De heiligen die zagen dat de twee seksuele gemeenschap genoten, zagen toen van hun voornemens af en vertrokken onmiddellijk naar de âs'rama van Nara-Nârâyana. (32)  Naar aanleiding daarvan zei de machtige Heer om zijn lieveling te behagen: 'Een ieder die deze plaats betreedt zal ter plekke in een vrouw veranderen!' (33) Sedertdien betraden met name mannen dat bos niet meer in de buurt waarvan zij [Sudyumna] in het gezelschap van haar metgezellen van perceel tot perceel [nu] rondzwierf. (34) Toen zij als een hoogst opwindende vrouw aldus omringd door andere vrouwen rondhing in de buurt van zijn âs'rama, wilde de machtige Budha [de zoon van de maan en de godheid van Mercurius] haar genieten. (35) Ook zij verlangde er naar om hem, de mooie zoon van koning Soma, als echtgenoot te hebben en zodoende bracht ze van hem een zoon ter wereld genaamd Purûravâ. (36) Ik vernam dat Sudyumna die aldus als een koning geboren uit Manu de vrouwelijke status had bereikt, zich [toen] Vasishthha, de geestelijk leraar van de familie, herinnerde.  (37) De genadige wijze was zeer bedroefd toen hij hem in die toestand zag. Hij wilde Sudyumna's mannelijkheid weer terug en begon tot Heer S'ankara [S'iva] te bidden. (38-39) Tevreden over hem o wetsdienaar, zei S'iva om zijn woord [aan Umâ] gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal de ene maand een vrouw zijn en de andere maand een man. Met deze regeling kan Sudyumna dan naar eigen goeddunken de wereld regeren.' (40) Met deze regeling verkreeg hij door de genade van de âcârya de begeerde mannelijkheid en heerste hij over de wereld, hoewel de burgerij er niet helemaal gelukkig mee was. (41) Van Sudyumna kwamen er drie zoons ter wereld die luisterden naar de namen Utkala, Gaya en Vimala o Koning. Zij werden de koningen van de zuidelijke gebieden en waren zeer religieus. (42) Daarna, toen de tijd er rijp voor was, droeg de meester van het koninkrijk die zo machtig was, de wereld over aan zijn zoon Purûravâ en vertrok hij naar het woud.'

 

Hoofdstuk 2: De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Sudyumna aldus was verdwenen, volbracht zijn vader Vaivasvata Manu, in zijn verlangen een (andere) zoon te krijgen, voor een honderdtal jaren verzakingen aan de Yamunâ. (2) Nadat hij met het oog op het verwekken van nageslacht de Godheid, Heer Hari had vereerd, kreeg Manu tien zoons die waren zoals hij en van wie de oudste de naam Ikshvâku droeg [zie ook 8.13: 2-3]. (3) Onder de zonen van Manu kreeg Prishadhra van zijn goeroe de opdracht koeien te hoeden. Daarvoor had hij de vîrâsana gelofte afgelegd om ze ['met een zwaard klaarstaand'] 's nachts te beschermen [zie ook 4.6: 38]. (4) Op een nacht terwijl het regende, drong een tijger het terrein van de koeienschuur binnen en stonden alle koeien die daar lagen, op in angst en verspreidden zich overal in het veld. (5-6) Toen het sterke beest één van hen greep begon die koe uit pijn en angst te schreeuwen. Prishadhra die het geschreeuw hoorde volgde het haastig zijn zwaard ter hand genomen hebbend, maar onder de door wolken bedekte sterren sloeg hij in het donker zonder het te beseffen de koe de kop af haar voor de tijger houdend. (7) De tijger die ook werd geraakt door het zwaard kreeg zijn oor eraf geslagen en ging in grote angst er vandoor met achterlating van een bloedspoor. (8) Denkend dat hij de tijger gedood had zag Prishadra 's morgens tot zijn verdriet dat hij in zijn heldenmoed met het zwaard de koe had gedood. (9) De geestelijk leraar van de familie [Vasishthha] vervloekte hem voor de onopzettelijke zondige daad met: 'Nu je je gedragen hebt als een s'ûdra, kan je niet langer tot de kshatriya's behoren en is het vanwege die onheilige daad  je karma dat je een s'ûdra wordt.' (10) De held aldus vervloekt door zijn goeroe aanvaardde de woorden met gevouwen handen en legde de gelofte van het celibaat af zoals de wijzen dat willen. (11-13) Uitsluitend Hem toegewijd, Vâsudeva de Allerhoogste Heer en Ziel van allen, de Transcendentie en Zuiverheid in eigen persoon, was hij gelijkgezind en liefdevol jegens ieder levend wezen. Bevrijd van gehechtheden, vreedzaam vanbinnen en zelfbeheerst, was hij, vrij van bezittingen, van een visie waarin hij kon aanvaarden wat er ook maar voor  zijn fysieke behoeften voor handen was, zoals dat voor het heil van de ziel was beschikt door Zijn genade. Altijd met zijn geest gevestigd op het Allerhoogste Zelf vanbinnen en aldus volledig verzonken zijnde bevredigd in spirituele realisatie, trok hij rond door de hele wereld waarbij hij op anderen overkwam alsof hij doof, stom en blind was. (14) Na aldus bezig te zijn geweest ging hij het woud in en bereikte hij als een heilige het uiteindelijke bovenzinnelijke doel toen hij aldaar geconfronteerd met een bosbrand het liet gebeuren dat het hem verteerde [zie ook B.G. 4: 9].

(15) Een andere zoon, Kavi [of Vasumân], de jongste, kende geen gehechtheid aan materiële genoegens. Nadat hij het koninkrijk van zijn vader samen met zijn vrienden had opgegeven ging hij, nog maar een jongeman, het woud binnen en bereikte hij de bovenzinnelijke wereld door steeds de stralende Allerhoogste Persoon in zijn hart te houden.

(16) Van de zoon van Manu Karûsha [of Tarûsha] was er een dynastie van kshatriya's genaamd de Kârûsha's die als koningen van de noordelijke gebieden zeer religieuze beschermers van de brahmaanse cultuur waren.

(17) Uit Dhrishtha [of Shrishtha] ontstond er een kaste van kshatriya's die, met het in de wereld bereiken van de brahmaanse positie, de Dhârshtha's werden genoemd. Van Nriga was er een erfopvolging van eerst Sumati, toen Bhûtajyoti en daarna Vasu. (18) Vasu's zoon Pratîka bracht er een ter wereld die Oghavân heette ['de ononderbroken traditie'] die op zijn beurt weer de vader was van een andere zoon genaamd Oghavân die een dochter had die ook zo heette: Oghavatî. Zij trouwde met Sudars'ana.

(19) Door Narishyanta kwam Citrasena ter wereld, Riksha was zijn zoon en die verwekte Mîdhvân. Mîdhvân's zoon was Pûrna en Indrasena was Pûrna's zoon. (20) Door Indrasena was Vîtihotra er, uit hem kwam Satyas'ravâ voort, Urus'ravâ was zijn zoon en Devadatta was zijn zoon. (21) Devadatta's zoon werd de hoogst machtige Agnives'ya die Agni in eigen persoon was. Hij was een mahârishi, een grote heilige, die ook wel bekend stond als Kânîna en Jâtûkarnya. (22) Uit Agnives'ya kwam een dynastie van brahmanen voort die bekend stonden als de Âgnives'yâyana's. O Koning, ik beschreef u aldus de nakomelingen van Narishyanta, laat me u nu vertellen over de dynastie van Dishtha.

(23-24) Dishtha's zoon was Nâbhâga [niet te verwarren met zijn ooms Nabhaga of de Nâbhâga die ook wel Nriga werd genoemd]. Hij volgde andersgezind de roeping der vais'ya's [kooplieden, zie 7.11: 23]. Zijn zoon was Bhalandana en van hem was er Vatsaprîti. Zijn zoon heette Prâms'u en Pramati was zijn zoon. Khanitra staat bekend als Pramati's opvolger. Hij werd op zijn beurt weer opgevolgd door Câkshusha en Vivims'ati was zijn zoon. (25) Vivims'ati's zoon was Rambha en zijn zoon was een zeer religieus iemand genaamd Khanînetra. Van hem was er de nazaat Karandhama, o grote Koning. (26) Avîkshit was zijn zoon en zijn zoon Marutta werd keizer. De grote mysticus Samvarta, de zoon van Angirâ, zette hem aan tot het uitvoeren van een yajña. (27) Het offer van Marutta werd nooit geëvenaard daar al de gebruiksvoorwerpen van goud waren en alles van de grootste schoonheid was. (28) Indra was verrukt te drinken van de soma-rasa, de brahmanen kregen een royale vergoeding, de halfgoden [de Maruts] offerden allerlei voedsel en al de goden van het universum maakten deel uit van de bijeenkomst. (29) Dama was Marutta's zoon en van hem was er een zoon die de macht had het koninkrijk uit te breiden: Râjyavardhana. Door zijn zoon Sudhriti kwam er een zoon ter wereld die Nara heette. (30) Nara's zoon heette Kevala die Dhundhumân voortbracht. Vegavân kwam er door hem en Vegavân zette Budha op de wereld wiens zoon Trinabindu was, een grote koning. (31) Alambushâ aanvaardde hem als haar echtgenoot. Zij was een aanbiddelijke godin, een meisje uit de hemel en een reservoir van alle goede eigenschappen die een stel zoons en een dochter genaamd Ilavilâ ter wereld bracht. (32) Vis'ravâ, die een heilige en meester was in de yoga, ontving bovenzinnelijke kennis van zijn vader en verwekte in Ilavilâ, Kuvera: hij die de weelde brengt. (33) Vis'âla, S'ûnyabandhu en Dhûmraketu waren de zonen van Trinabindu. Koning Vis'âla bouwde een stad genaamd Vais'âlî en bracht een dynastie voort. (34) Zijn zoon was Hemacandra die er een op de wereld zette genaamd Dhûmrâksha. Van zijn zoon Samyama waren er [twee zoons genaamd] Kris'âs'va en Devaja. (35-36) Van Kris'âs'va was er een zoon genaamd Somadatta. Door in een as'vamedha offer de beste van allen, de Heer aller Lofprijzingen, de Oorspronkelijke Persoon [Vishnu] te aanbidden, bereikte hij de hoogste bestemming waar al de meesters van de yoga hun toevlucht hebben. Een zoon van Somadatta genaamd Sumati verwekte daarop een  zoon genaamd Janamejaya. Al deze koningen van Vais'âlî hielden de reputatie in stand van koning Trinabindu.'


 

Hoofdstuk 3: Het Huwelijk van Sukanyâ en Cyavana Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Manu koning S'aryâti was een hoog ontwikkelde brahmaan die om die reden instructies verschafte over de plechtigheden die op de tweede dag in het offerperk van de nazaten van Angirâ moesten worden uitgevoerd. (2) Hij had een lotusogige dochter genaamd Sukanyâ met wie hij naar het bos ging om de âs'rama van de wijze Cyavana te bezoeken. (3) Toen ze in het gezelschap van haar vriendinnen vruchten en bloemen van de bomen aan het verzamelen was, zag ze in een mierenheuvel een tweetal soort van lichtjes schijnen [vergelijk 7.3: 15-16]. (4) Toen het jonge meisje, maar wat proberend, met een doorn in de twee oplichtende dingen prikte, stroomde er bloed naar buiten. (5) De lijfwachten stonden verschrikt als aan de grond genageld zodat de koning, die zag wat zich had voorgedaan, zich tot zijn mannen moest richten. (6) 'Helaas, we hebben iets verkeerds gedaan met het benaderen van de verlichte wijze. We hebben met wat één van ons heeft gedaan, klaarblijkelijk zijn âs'rama geweld aangedaan!'

(7) Bang zei Sukanyâ tot haar vader: 'Ik was het die, me niet bewust van waar ik mee bezig was, met een doorn in twee oplichtende dingen heb geprikt.'

(8) Toen koning S'aryâti zijn dochter dit hoorde zeggen spande hij zich er enorm voor in om de wijze tevreden te stellen die zich stilletjes in de mierenheuvel bleek op te houden.  (9) Begrijpend wat er voor nodig was om alles in orde te brengen schonk hij, om te kunnen vertrekken, met de grootste moeite zijn dochter weg aan de muni en keerde hij vervolgens met zijn permissie terug naar huis. (10) Nadat Sukanyâ Cyavana als haar echtgenoot had gekregen, had ze begrip voor hem die nogal korzelig met haar bleef. Ze probeerde hem te behagen door zich aandachtig naar zijn wensen te schikken. (11) Toen er op deze manier enige tijd was verstreken bereikten de twee As'vins ['de heelmeesters van de hemel'] de âs'rama. Na hen zijn eerbetuigingen gebracht te hebben zei de wijze: 'O meesters, alstublieft schenk mij jeugdigheid! (12) Ik weet dat u geen soma drinkt, maar ik zal u een vat vol soma-rasa bezorgen als u me de kracht en schoonheid geeft die zo begeerlijk is voor de vrouwen.'

(13) 'Zo zij het' zeiden de twee grote heelmeesters tegen de geleerde hem bevestigend, 'Duik maar in dit meer. Dat zal u perfect maken.'

(14) Aldus toegesproken werd de bejaarde met zijn grijze haar, slappe huid en zwakke lichaam waarvan je de aderen kon zien, door de As'vins het meer in geholpen. (15) Toen de drie weer uit het meer tevoorschijn kwamen waren ze van de grootst mogelijke schoonheid die een vrouw zich maar wensen kan: met lotusbloemenslingers, oorhangers, gelijksoortige trekken en mooie kleren. (16) Toen de jonge schoonheid ze zag kon de kuise vrouw niet uitmaken welke van hen nu haar echtgenoot was daar ze allen evenzo mooi als de zon straalden en dus nam ze haar toevlucht tot de As'vins. (17) Verheugd over de kracht van haar geloof wezen ze haar echtgenoot aan en keerden ze, met de toestemming van de wijze, in hun hemelwagen terug naar het hemelrijk. (18) Koning S'aryâti die met de wens een yajña uit te voeren was vertrokken richting Cyavana's âs'rama zag zodoende aan de zijde van zijn dochter een man die straalde als de zon. (19) Nadat zijn dochter hem de eer had bewezen, gunde de koning haar daarop niet zijn zegen omdat hij helemaal niet tevreden met haar was: (20) 'Waar denk je nu mee bezig te zijn? Bedrieg je nu je echtgenoot, die grote wijze die geëerd wordt door alle mensen? Heb je, omdat hij gebrekkig is van ouderdom o overspelige en je hem niet zo aantrekkelijk vindt, het nu met hem opgegeven en deze kerel, deze bedelaar, als minnaar genomen? (21) Heb je je verstand verloren? Je bent als een dochter uit de meest gerespecteerde familie, met het erop nahouden van deze minnaar een schandvlek voor de hele dynastie. Jij, zo schaamteloos, doet zowel je vader als je echtgenoot in het diepste duister belanden.'

(22) Ze lachte en zei met een glimlach tegen haar vader die haar aldus terecht wees: 'O vader deze man hier is uw schoonzoon, de zoon van Bhrigu!'

(23) Ze beschreef haar vader het hele verhaal hoe hij van leeftijd was veranderd en zijn schoonheid had verworven, waarop hij toen uiterst verheugd en verrast zijn dochter omhelsde. (24) Cyavana Muni stelde met zijn geestelijk vermogen de grote man er toe in staat het soma-offer te brengen en leverde de As'vins het vat vol met de soma-rasa die ze zelf niet konden drinken. (25) Verontwaardigd nam Indra kwaad zijn bliksemstraal ter hand om hem meteen te doden, maar de man van Bhrigu verlamde de arm van Indra die de bliksemschicht vasthield. (26) Sedertdien was er met de instemming van al [de halfgoden] een volle beker van de soma-rasa voor de As'vins, die als artsen voordien waren uitgesloten van een aandeel in de soma-yajña.

(27) Uttânabarhi, Ânarta en Bhûrishena waren de zonen verwekt door S'aryâti. Ânarta zette vervolgens Revata op de wereld. (28) Nadat hij in de oceaan [op een eiland voor de kust] een stad had gebouwd genaamd Kus'asthalî [Dvârakâ], leefde hij materieel gelukkig heersend over gebieden als Ânarta en anderen o onderwerper der vijanden. Van hem kwamen er honderd zonen ter wereld waarvan Kakudmî de oudste was. (29) Kakudmî nam zijn dochter Revatî mee naar Brahmâ's verblijf voorbij de geaardheden, om te vragen om een echtgenoot voor het meisje. (30) Omdat de oorspronkelijke leraar van het universum druk bezig was te genieten van de muziek van de Gandharva's had hij geen seconde tijd voor hem, maar toen dat was afgelopen kon Kakudmî hem, na het brengen van zijn eerbetuigingen, zijn verlangen voorleggen. (31) De almachtige Heer moest lachen over wat hij te horen kreeg en zei: 'Helaas o Koning, wie u ook in gedachten had [als echtgenoot voor uw dochter] is allang verdwenen! (32) We vernemen niet langer over hen noch over hun zoons, kleinzoons, nazaten en geslachten, omdat [terwijl u hier wachtte] een tijdsspanne van drie maal negen mahâ-yuga's is verstreken! (33) Ga daarom naar Heer Baladeva. Hij vormt een hoogst machtig deelaspect van de God der Goden [Vishnu]. Schenk Hem, die Uitnemendheid van de Mens, uw uitnemende dochter o Koning. (34) De Allerhoogste Heer, de Eeuwige Weldoener die de last van de wereld wegneemt, de deugd van het luisteren en zingen in eigen persoon, is nu nedergedaald samen met dit deelaspect van Hem [zie ook 5.25].' (35) Nadat hij de Ongeborene zijn respect had betoond, keerde de koning terug naar zijn woonplaats die door [de nazaten van] zijn broers was verlaten. Bang voor geesten hadden ze zich in alle richtingen verspreid. (36) Nadat hij zijn volmaakt geschapen dochter aan de meest machtige, Heer Baladeva, had overgedragen ging de koning naar Badarikâs'rama, de plaats van Nara-Nârâyana, om daar zijn boetedoeningen te doen.'


 

Hoofdstuk 4: Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nabhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie 9.2: 23] kreeg toen hij terugkeerde van een celibatair bestaan, [als zijn aandeel in het koninkrijk, de zorg voor] zijn vader toebedeeld omdat zijn oudere broers [in zijn afwezigheid] het bezit [onder elkaar al] hadden verdeeld.

(2)
'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel dat jullie voor mij gereserveerd hebben?'

'We wijzen je onze vader toe als je aandeel.' [gaven ze ten antwoord].

[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'

[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op! (3) De zo uiterst intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] brengen vandaag een offer, maar op iedere zesde dag dat ze dat doen o geleerde zoon, zullen ze met hun baatzuchtige activiteit in illusie vervallen. (4-5) Je kan maar beter voor die grote zielen twee Vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum [Vais'vadeva, de Allerhoogste Heer] opzeggen zodat, als ze weer hun eigen weg vervolgen, ze de weelde aan je zullen overhandigen die ze van hun offer ontvingen. Zoek ze daarom op.'

Doend wat zijn vader hem gezegd had gaven ze hem de opbrengst van de yajña voordat ze naar hun hemelse plaatsen terugkeerden. (6) Toen hij zijn rijkdommen verzamelde zei een persoon met een zwart uiterlijk die uit het noorden was gekomen tegen hem: 'Al die rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn van mij!'

(7)
[Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'

[De zwarte man zei:] 'Laten we ons wat dit betreft wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo informeerde hij bij zijn vader zoals was voorgesteld.

(8) [Vader Nabhaga zei:] 'Alles wat overblijft van het offeren wordt door de wijzen, zo hebben ze ooit [tijdens het offer van Daksha, zie 4.7] besloten, beschouwd als een aandeel voor Heer S'iva. Hij is de halfgod die het allemaal toekomt.'

(9)
Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: alles wat behoort tot het offerperk is uw eigendom o Heer [zie 3.12: 6-14]. O heiligheid, laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan.'

(10)
[Heer S'iva zei:] 'Alles wat uw vader zei is waar en wat u zegt is ook de waarheid. Laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis verlenen die bovenzinnelijk en eeuwig is. (11) Neemt u alstublieft al de rijkdommen. Ik schenk u alles wat aan mij werd geofferd', en nadat hij dat had gezegd verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma. (12) Een ieder die in de ochtend en in de avond zich dit aandachtig herinnert wordt een geleerde: hij zal een kenner van de mantra's en de hoogste bestemming worden en aldus een zelfverwerkelijkte ziel. (13) Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld. Een vloek van een brahmaan tegen hem faalde, die kon hem nooit raken.'

(14)
De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die zo intelligent was dat de onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen vat op hem had.'

(15-16)
S'rî S'uka zei: 'Nadat Ambarîsha, de man van het grote geluk, op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde had vergaard, was hij van mening dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal weer verdwenen. Het vormt de reden waarom een mens belandt in onwetendheid. (17) Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen had hij de eerbied en toewijding bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum [met zijn weelde] houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen. (18-20) Hij was er zeker van zijn geest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden te gebruiken voor de beschrijving van de kwaliteiten van [de Heer van] Vaikunthha, zijn handen te gebruiken voor zaken als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren om te luisteren naar de bovenzinnelijke verhalen over de Onfeilbare. Hij gebruikte zijn ogen om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, gebruikte zijn lichaam om in contact te staan met de lichamen van de toegewijden, gebruikte zijn neus om de geur op te snuiven van de tulsîblaadjes op de lotusbloem die wordt gevormd door Zijn voeten en gebruikte zijn tong om van het voedsel te genieten dat aan Hem werd geofferd. Door zijn benen te gebruiken om zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, zijn hoofd te gebruiken om voorover te buigen voor de voeten van Hrishîkes'a en zijn zinnen in te zetten om meer een dienaar te zijn van Hem dan van de lustbevrediging, was hij als degenen die hun toevlucht zoeken in het gehecht zijn aan de Heer die wordt Verheerlijkt in de Geschriften [zoals Prahlâda b.v.]. (21) Aldus in de naleving van zijn plichten altijd offers brengend voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke Genieter van het Offer, de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van toegewijde dienst en bestuurde hij, onder leiding van Zijn trouwe geleerden, deze planeet aarde [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29]. (22) Met paardoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, daar waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Meester, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en vergoedingen. (23) Tijdens zijn offerplechtigheden voor de beeltenissen kon men de tot in de puntjes geklede deelnemers aan de bijeenkomsten, de priesters en de overige functionarissen herkennen als de eeuwig waakzame halfgoden. (24) Een hemels bestaan zoals de halfgoden dat waarderen, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die eraan gewend was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften. (25) Personen die eraan gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, verlangen zelden naar de perfecties van de groten omdat dergelijke ambities ten koste gaan van het geluk te verkeren in je oorspronkelijke positie van dienst verlenen [zie siddhi's]. (26-27) Hij, de koning, die zowel van de bhakti-yoga was als van de verzaking, gaf met zijn authentieke dienst aan de Heer die al zijn verlangens bevredigde, aldus het stap voor stap op zijn geest te richten op de tijdelijkheid van het hebben van een thuis, een echtgenote, kinderen, vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen en fijne paarden en duurzame goederen als juwelen, sieraden, een mooi stel kleren en dergelijke en een nimmer lege schatkist. (28) Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer hem Zijn cakra [schijfwapen] die de toegewijden beschermt maar degenen die tegen Hem ingaan angst inboezemt [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31]. (29) Met de bedoeling Krishna te vereren samen met zijn evenzo geschikte koningin, nam de koning voor een heel jaar de gelofte van dvâdas'î in acht [vasten op bepaalde maankalenderdagen]. (30) Aan het einde van die gelofte nam hij in de maand Kârtika [okt./nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten [met één maaltijd overdag] in acht en aanbad hij, na een bad in de rivier de Yamunâ, Heer Krishna in Madhuvana [een deel van het Vrindâvana gebied]. (31-32) Hij aanbad de hoogst fortuinlijke Heer Kes'ava en ook de brahmanen met een geest vol van liefde en toewijding terwijl hij met al de parafernalia voor het doen van puja, overeenkomstig de regels de beeltenis baadde en hulde in fraaie kleren en sieraden, geurige bloemenslingers en andere zaken van aanbidding [mahâbhisheka] (33-35) Nadat hij de brahmanen, de geleerden die bij hem thuis waren gearriveerd, een zestigtal croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien had geschonken waarvan de hoorns met goud en de hoeven met zilver bedekt waren, die volle uiers hadden en kalveren aan hun zijde, voedde hij hen eerst rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel. Toen hij vervolgens met hun volle tevredenheid en hun instemming zelf zijn vasten beëindigde en op het punt stond de afsluitende ceremonie uit te voeren, werden ze opeens geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ. (36) Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respect door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, en vroeg hij hem met alle eerbied ten voeten gevallen of hij misschien iets wilde eten. (37) Hij ging graag op zijn verzoek in en begaf zich, om de noodzakelijke rituelen uit te voeren, naar de Yamunâ om zich onder te dompelen in het zegenrijke water en te mediteren op het Allerhoogste Brahman. (38) Dat, met een halve muhûrta [24 minuten] over voor het einde van het in acht genomen dvâdas'î-vasten, maakte dat de koning zich met de brahmanen afvroeg wat nu het juiste idee van dharma zou zijn voor de precaire situatie waarin hij was beland: (39-40) 'Zowel het er niet in slagen de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding als het niet op het juiste tijdstip beëindigen van het dvâdas'î-vasten. Wat kan je nu het beste doen? Wat is nu in strijd met de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water aanraken zodat ik op de juiste manier mijn gelofte kan afronden, aangezien, beste geleerden, men zegt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.'

(41)
De grote koning dronk aldus water en wachtte, met zijn geest gericht op de Onfeilbare, de terugkeer af van de brahmaanse mysticus o beste der Kuru's. (42) Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde, werd hij door de koning goed ontvangen, maar hij kwam er door zijn inzicht achter wat zich had voorgedaan. (43) Trillend van woede richtte hij zich met een verwrongen gezicht fronsend en ook hongerig, tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond. (44) 'Helaas heeft hij hier, deze 'liefde van de mensen', in zijn zotternij met de weelde voor het oog van iedereen gebroken met het dharma! In het geheel geen toegewijde zijnd van Vishnu, denkt hij dat hij de Heer Zelve is! (45) Ik die hier onverwachts arriveerde werd door deze man uitgenodigd zijn gast te zijn, maar nu heeft hij voedsel tot zich genomen zonder dat met mij te delen. Ik zal u direct laten zien wat voor repercussies dat heeft!'

(46)
Dat zeggend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit zijn hoofd en schiep daaruit voor hem een demon die eruit zag als het vuur aan het einde der tijden. (47) Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een tred die de aarde deed schudden, bewoog de koning, die hem recht voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28]. (48) Zoals dat door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als een vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66]. (49) Toen hij zag dat zijn opzet had gefaald en dat de schijf achter hem aankwam, zocht Durvâsâ in grote angst verzet om zijn leven te redden overal waar hij maar kon gaan een veilig heenkomen. (50) Toen de muni zag dat de werpschijf, dat wagenwiel van de Heer, hem op de hielen zat, rende hij als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende, ziedende bosbrand, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan. (51) Maar in welke richting Durvâsâ ook wegvluchtte - de lucht in, op het aardoppervlak, in grotten, in zeeën of naar al de werelden en hun leiders tot aan de hemel toe - zag hij zich geplaatst voor de ondraaglijke Sudars'ana cakra ['Zijn onmiddellijke aanwezigheid']. (52) Zonder de toevlucht van een beschermer was hij voortdurend, overal met de schrik om het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Tenslotte benaderde hij Heer Brahmâ [en bad:] 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het onverwinnelijk vuur dat op me af is gestuurd.'

(53-54)
Heer Brahmâ zei: 'Aan het eind van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33] als Zijn spel en vermaak is afgelopen, zal de Heer van de Eindtijd [Vishnu], het Zelf van de Tijd, met enkel een beweging van Zijn wenkbrauwen dit universum vernietigen met inbegrip van mijn hemelse verblijfplaats. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en de andere wijzen, alsook de heersers over de mensen, de levende wezens en de halfgoden, handelen allen naar Zijn wilsbesluit en buigen gezamenlijk, voor het heil van alle levende wezens, ons hoofd in overgave aan het beginsel dat ons leven beheerst.'

(55)
 Durvâsâ die, verschroeid door Vishnu's cakra, werd afgewezen door Heer Brahmâ, zocht zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva]. (56) S'rî S'ankara [S'iva] zei: 'Mijn beste, wij hebben geen macht over de Allerhoogste, de Transcendentie in eigen Persoon met wie ik, de andere levende wezens en zelfs Heer Brahmâ ronddolen die samen met de talloze universa bij tijden tevoorschijn komen en weer worden vernietigd. (57-59) Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige], Marîci en andere meesters volmaakt in de kennis in navolging van hem, hebben de grenzen ontdekt van alles wat er te weten valt, maar geen van ons is in staat om geheel Zijn begoochelende energie [mâyâ] en dat wat er door overdekt wordt te doorgronden. Het wapen van de Heerser van het Universum [de cakra] is zelfs voor ons moeilijk om mee om te gaan en daarom moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die u zeker Zijn geluk en fortuin zal verlenen.'

(60)
Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar het hemelverblijf van de Allerhoogste Heer dat bekend staat als Vaikunthha en waar Hij als S'rînivâsa, de Meester van het Verblijf, samenleeft met de godin van het geluk. (61) Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij trillend over zijn gehele lijf neer aan Zijn lotusvoeten en zei: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester, bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum! (62) Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van iemand die U dierbaar is o Heerlijkheid. AlstUblieft wees zo genadig alles te doen wat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze ongedaan te maken o Vidhâta, Heer der Regulatie, met het uitspreken van wiens naam een persoon zelfs uit de hel kan worden bevrijd.'

(63)
De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o brahmaan, Ik ga niet af op Mijn eigen wil, Ik ben mijn bhakta's volledig toegewijd. Mijn hart wordt beheerst door toegewijden vrij van materiële verlangens. Zelfs de toegewijde van een toegewijde is mij dierbaar. (64) Ik, hun uiteindelijke bestemming, voel zonder Mijn zuivere toegewijden niets voor de gelukzalige essentie of de verhevenheid van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam]. (65) Hoe zou Ik hen de rug kunnen toekeren die bij Mij hun toevlucht zoeken en hun vrouw, kinderen, verwanten, hun leven, weelde en verheffing naar een hogere positie hebben opgegeven? (66) Zoals een kuise vrouw een zachtaardige echtgenoot van dienst is, treedt Ik op als de dienaar van zuivere en gelijkgezinde toegewijden [zie ook 7.9: 43], die met hun harten stevig verankerd in Mij zich bezighouden met toegewijde dienst. (67) Mij toegewijd talen ze niet naar de volkomenheid [de pûrnam] van de vier vormen van bevrijding die ze, simpelweg van dienst zijnd, vanzelf bereiken. Waarom zouden ze zich overgeven aan andere zaken die mettertijd weer verloren gaan? (68) De zuivere toegewijden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben altijd in hun harten aanwezig. Zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G. 9: 29]. (69) Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen o geleerde. Luister goed naar wat Ik zeg. Met wat u gedaan hebt hebt u uzelf geweld aangedaan. Verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] die de aanleiding vormde. Zoals u ziet: de macht ingezet tegen een toegewijde keert zich tegen hem die zich daar schuldig aan maakt. (70) Boete en kennis brengen de geschoolden de grootste zegen, maar in praktijk gebracht door een opstandig iemand leiden ze tot het tegengestelde. (71) O brahmaan, ik wens u al het geluk van de wereld, ga daarom naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om die grote persoonlijkheid tevreden te stellen. Dan zal er vrede zijn.' 

 

 

Hoofdstuk 5: Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha

(1) S'rî S'uka zei: 'Durvâsâ ['de moeilijkheid ergens te verblijven'] die geplaagd door de cakra aldus van de Heer instructie ontving, benaderde Ambarîsha en greep zwaar bedrukt zijn voeten beet. (2) Hem daarmee bezig ziend schaamde Ambarîsha zich dat hij zijn voeten aanraakte en daarom droeg hij, zeer verlegen als hij was met zijn genade, gebeden op aan het [schijf]wapen van de Heer [zie ook 6.8: 23]. (3) Ambarîsha zei: 'U bent het vuur, de allerhoogste macht van de zon en de maan. U bent de meester van al de hemellichten, de wateren, de aarde, de hemel, de lucht en de zinnen en hun voorwerpen. (4) O directe aanwezigheid en gunstige aanblik [ofwel Sudars'ana], ik breng u met uw duizenden spaken mijn eerbetuigingen. O liefde van de Onfeilbare, u betekent de ondergang voor alle wapens, wees deze brahmaan gunstig gezind o heerser over de wereld. (5) U bent het dharma, de oorspronkelijke natuur en de religie, u bent de werkelijkheid en de waarheid, het offer en de genieter van het offer die de werelden in stand houdt. U bent de ziel van allen en de almacht van de Transcendentale Allerhoogste Persoonlijkheid. (6) Al mijn respect is er voor u, het gelukbrengend centrum van de omwentelingen, de maat voor de ganse natuur die het vuur der vernietiging bent voor de onverlichte zielen die het mankeert aan toegewijd handelen. U, de handhaver van de drie werelden met een wonderbaarlijke uitstraling, bent van de opperste goedheid, U die zo snel tewerk gaat als de geest die ik tracht te verwoorden. (7) Door uw kracht die alle religiositeit in zich draagt wordt de duisternis verdreven en worden alle richtingen verlicht. Uw heerlijkheden o meester van de spraak, zijn niet te overtreffen door de grote persoonlijkheden, uw manifestatie omvat al het gemanifesteerde en niet-gemanifesteerde, het hogere en het lagere. (8) Als u door de Transcendentale Persoonlijkheid bent afgestuurd op de strijders van de Daitya's en Dânava's o onvermoeibare, doorklieft u, zich ophoudend op het slagveld, onophoudelijk hun armen en rompen, nekken, dijen en onderbenen. (9) U o beschermer van het universum, wordt door de almachtige Hanteerder van de Knots [Heer Vishnu] ingezet om de kwaadaardigen te verslaan. Alstublieft wees zo goed en heb genade voor deze geleerde en daarmee ook genade voor ons en onze dynastie! (10) Als er liefdadigheid is, als de verering van de beeltenis en de plichten naar behoren zijn uitgevoerd, als op onze dynastie de zegen rust van de geleerden, mag deze brahmaan er dan vrij van zijn [met u] te moeten branden? (11) Als de ene Opperheer, het reservoir van alle eigenschappen, tevreden is over ons, mag dan vanuit Zijn liefde als het ware zelf van alle levende wezens, deze tweemaal geborene het vuur bespaard blijven?'

(12) S'rî S'uka zei: 'Toen het schijfwapen van Vishnu genaamd de Sudars'ana aldus was verheerlijkt door de koning, hield het als gevolg van zijn smeekbeden ermee op de geleerde op alle mogelijke manieren in het nauw te drijven. (13) Durvâsâ die was bevrijd van de hitte van het vuur van het wapen, prees toen zeer tevreden hem, die heerser over de aarde, met de beste wensen. (14) Durvâsâ zei: 'Van welk een grootheid mag ik vandaag getuige zijn met de dienaren van de Eeuwige. Ondanks het kwaad dat ik begaan heb hebt u o Koning, gebeden voor mijn voorspoed. (15) Wat zou er ook te moeilijk zijn of onmogelijk te verzaken, voor die heilige, grote zielen, die erin slaagden de leider Hari, de Allerhoogste Heer der Toegewijden, te bereiken? (16) Door enkel het horen van de heilige naam van Hem wiens lotusvoeten de heilige plaatsen [de tempels etc.] zijn, raakt een persoon al gezuiverd. Wat zouden toegewijden nog meer moeten doen? (17) O Koning, door wat u deed in reactie op mijn overtredingen, hebt u, door heel aardig te zijn, mij zeer gunstig behandeld en zo mijn leven gered!'

(18) De Koning had gevast toen Durvâsâ terugkeerde. Hij benaderde daarop zijn voeten met de wens hem te behagen en gaf hem uitgebreid te eten. (19) Nadat hij gegeten had van de verschillende soorten voedsel die beantwoordden aan iedere smaak en werden aangeboden met de grootste achting, zei hij aldus geheel bevredigd tot de koning: 'Alstublieft, eet u met me mee' en gaf zo blijk van zijn respect. (20) [Hij vervolgde:] 'Ik ben heel gelukkig met uw genade. U te zien, een zuivere toegewijde met zijn intelligentie verankerd in de Heer en uw voeten beroerend, met u converserend en van uw gastvrijheid genietend, ben ik u zeer verplicht. (21) De zuiverheid van de dingen die u gedaan hebt zal voor altijd door de vrouwen van de hemel worden bezongen; de wereld zal het nooit moe zijn de glorie te bezingen van uw hoogste deugd!'

(22) S'rî S'uka ging verder: 'Aldus de koning verheerlijkend nam Durvâsâ, die in ieder opzicht tevreden was, afscheid om vandaar te vertrekken. Opstijgend naar de hemel bereikte hij de verblijfplaats van Brahmâ waar geen nevenmotief standhoudt. (23) Toen de grote muni niet weer terugkeerde verstreek er een jaar waarin de koning, die hem graag weer wilde zien, zichzelf beperkte tot het enkel drinken van water. (24) Na Durvâsâ's terugkeer gaf Ambarîsha hem het beste voedsel te eten dat er te krijgen was en geschikt zou zijn voor een brahmaan. Ziend hoe de wijze bevrijd was geraakt van het gevaar [van de schijf], begreep hij dat ook hij zijn macht te danken had aan zijn toewijding tot de Allerhoogste [zie ook B.G. 6: 47]. (25) Aldus gezegend met alle goede kwaliteiten was de koning van toewijding tot de Superziel, de Allerhoogste Geest en tot Vâsudeva met de vele plichten die hij in acht nam, handelingen waardoor men [tot het inzicht komt dat] naarmate men hoger opklimt men ook dieper ten val komt [vergelijk 6.17: 28].'

(26) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, als de wijste, verdeelde zijn koninkrijk onder zijn evenzo gekwalificeerde zoons, ging het woud in om zijn geest te richten op het Ware Zelf van Vâsudeva en overwon aldus de golven [de guna's] van de oceaan der materie. (27) Door dit vrome verhaal aan te prijzen en voor te lezen of door er regelmatig op te mediteren wordt men een toegewijde van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (28) Het is de genade van Heer Vishnu dat iedereen die verneemt over het karakter van deze grote ziel Ambarîsha bevrijd zal raken door zijn toewijding.'

 

Hoofdstuk 6: De Val van Saubhari Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu. Van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara. (2) Rathîtara had geen zoons en daarom werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn [Rathîtara's] vrouw te verwekken. Dat leidde tot de geboorte van ['kshetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten. (3) Geboren uit zijn echtgenote maakten deze zoons deel uit van de familie. Zij gingen de geschiedenis in als de dynastie van Angirâ en waren onder de zoons van Rathîtara het meest prominent omdat ze, geboren onder die omstandigheid, golden als dubbel-geboren [brahmanen van gemengde kaste]. (4) Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neus de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13]. Van de honderd zonen die hij verwekte waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande. (5) Vijfentwintig van hen werden koningen in het westen van Âryâvarta [in het Himalaya- en Vindhyagebergte] o Koning en vijfentwintig anderen werden dat in het oosten. De drie [oudste zoons] heersten over het middengebied, terwijl de overige zoons heersten over andere plaatsen.  (6) Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashthakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in januari, februari en maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [verkregen door de jacht] o Vikukshi. Ga er nu meteen op uit, zonder te dralen.'

(7) Aldus ging hij naar het bos toe om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *]. (8) Wat er was overgebleven bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren. Die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en niet voor gebruik geschikt.'

(9) Door de geestelijk leraar aldus op de hoogte gesteld, begreep de heerser wat zijn zoon had gedaan. Er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden stuurde hij toen zijn zoon het land uit. (10) De koning had een gesprek met de geleerde. In overeenstemming met wat die hem zei gaf hij toen, levend als een yogi, zijn voertuig van de tijd [zijn lichaam] op en bereikte aldus de allerhoogste positie. (11) Nadat zijn vader zich had teruggetrokken keerde Vikukshi terug om over deze planeet aarde te heersen. Hij aanbad de Heer met verschillende yajña's en raakte bekend onder de naam Sas'âda ['de konijneneter']. (12) Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij heeft gedaan om deze namen te krijgen. (13) Er had zich een allesvernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goden en de demonen, waarin zijn superieure ondersteuning als held werd aanvaard door de goddelijken die waren verslagen door de Daitya's. (14) In opdracht van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, werd Indra in de gedaante van een grote stier ingeschakeld in zijn [Purañjaya's] dienst. (15-16) Hij die goed uitgerust met een eersteklas boog de scherpste pijlen ter hand nam, werd geprezen [door de halfgoden], beklom hem en nam plaats op de bult, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, belegerde hij omringd door de dienaren van de hemel de westelijke kant van de Daitya hoofdstad. (17) Er vond een veldslag plaats tussen hem en de demonen die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen. Al de Daitya's die met hem de strijd aanbonden zond hij met zijn pijlen naar Yamarâja. (18) Geconfronteerd met zijn regen van pijlen die zo vernietigend was als het vuur aan het einde der tijden, sloegen de Daitya's die werden afgeslacht en uiteen gedreven op de vlucht om terug te keren naar hun woonplaatsen. (19) Over hen zegevierend droeg hij, de wijze koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra]. Dat verleende hem zijn namen.

(20) Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. (21) S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî. Door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va. (22) Hij was van een grote macht. Tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, doodde hij om de wijze Utanka te behagen een demon genaamd Dhundhu. (23-24) Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra ['de doder van Dhundhu']. Op drie na waren al de zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon. (25) Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was zijn zoon. Senajit volgde hem op en die was de vader van Yuvanâs'va. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich [samen met zijn echtgenotes] terug in het woud. (26) Samenlevend met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen vol van genade voor hem met de grootste zorg een [vruchtbaarheids-]ceremonie begonnen die bekend staat als de Indra-yajña. (27) Op een nacht ging hij zeer dorstig het offerperk binnen en dronk hij, toen hij zag dat al de brahmanen lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. (28) Toen ze allen [de volgende ochtend] wakker waren en vervolgens de waterpot leeg aantroffen o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind. (29) Toen ze begrepen dat het bij goddelijke beschikking was opgedronken door de koning, baden ze allen tot de Allerhoogste Heer met de woorden: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!'  (30) En zo, wonder boven wonder, opende zich, toen de tijd er rijp voor was, de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde en kwam er een zoon ter wereld [met alle goede kenmerken van] een koning. (31) Wie moest het kind nou de borst geven? Dorstig huilde het er zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. (32) Dankzij de genade van de godsgeleerden stierf de vader niet als gevolg van de baby die hij ter wereld bracht. Yuvanâs'va bereikte later de volmaaktheid van het leven door zijn tapas te doen op diezelfde plek. (33-34) Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig']. Schurken als Râvana en dergelijken, waren bang voor hem. Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ was bij de macht van de Onfeilbare er aldus toe in staat over het oppervlak van de aarde met haar zeven continenten te heersen als haar ongeëvenaarde meester. (35-36) Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van de [Super]ziel Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel verheven boven het zinnelijk vlak. Dit gebeurde in offerplechtigheden die werden bijgewoond door alle godvruchtige mensen die hij beloonde met grote donaties. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan overeenkomstig de plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan. (37) Men heeft het over al de besproken gebieden die zich uitstrekken vanwaar de zon opkomt boven de horizon tot overal waar hij weer ondergaat, als het veld van handelen van Yuvanâs'va's zoon, Mândhâtâ.

(38) De heerser [Mândhâtâ] verwekte in de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu [de zoons] Purukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogi was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot. (39-40) Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking diep onder water in de Yamunâ rivier, zag in zijn boetedoening hoe een grote vis genoot van seksuele zaken. Aldus seksueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U kan met een dochter van mij trouwen o brahmaan, als het dat is waar zij voor kiest.'

(41-42) Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze. Ik ben gerimpeld, heb grijs haar en een hoofdtremor. Ze zullen me afwijzen! Laat ik het zo aanpakken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!' Zo luidde toen het besluit van de mysticus. (43) De wijze aangekondigd door een boodschapper werd toen toegelaten tot de van alle gemakken voorziene vertrekken van de prinsessen. Daar werd hij door al de vijftig prinsessen aanvaard als hun ene echtgenoot. (44) Ze raakten onderling in een hevige strijd verwikkeld toen ze aangetrokken tot hem hun vriendschap op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Deze man past goed bij mij, niet bij jou!' (45-46) Hij die als gevolg van zijn ascese op de hoogte was van menige mantra, genoot met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar wensen kon: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddengoed en meubilair, kleding en ornamenten. Er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhoutpulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende staat van verrukking verkeerden onder de begeleidende zang van vogels, hommels en artiesten. (47) De heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] stond versteld bij de aanblik van Saubhari's huishouding zodat hij zich niet langer op de borst kon kloppen als de keizer van de wereld die is gezegend met alle weelde. (48) Saubhari, die altijd druk in de weer was met het geluk en de talrijke materiële besognes van zijn huishouden, kon echter geen voldoening beleven aan zijn plezier, net zoals een vuur dat niet kan dat men voedt met vet. (49) Op een dag toen hij zich zat af te vragen hoe zijn afdwalen van het ware zelf plaats had kunnen vinden, zag de expert in de vele mantra's in dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen: (50) 'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, ten val kwam. Ik die me er zo lang mee heb bezig gehouden trouw en strikt de geloften na te leven werd afgeleid van het spirituele leven dat ik zolang heb beoefend. Enkel en alleen door hetgeen waterdieren onder water uitspoken! (51) Hij die bevrijd wil raken moet het opgeven omgang te hebben met hen die er een vrije seksuele moraal op nahouden. Hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen de vrije teugel te laten. Hij moet alleen leven op een afgezonderde plek en zijn geest vestigen op de lotusvoeten van de Onbegrensde Heer. En als hij dan [intieme] omgang zoekt, dient hij om te gaan met gelijkgestemde, onthechte zielen. (52) Als een verzaker had ik, geheel alleen onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend [klein]kinderen die ik verwekte. Ik zie geen einde aan al mijn verplichtingen hier en in het hiernamaals die mijn geest in beslag nemen, want onder de invloed van de geaardheden der natuur verloor ik, uit zijnde op mijn eigenbelang, mijn intelligentie in het materieel genoegen.'

(53) Aldus [spijtig] thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde. Hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. (54) Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking zijnd die bevorderlijk is voor de zelfverwerkelijking, hield hij, nu bekend met de vuren van het persoonlijke zelf, zich bezig met het Allerhoogste Zelf. (55) O Mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen, precies zoals vlammen dat doen met een vuur dat uitdooft [vergelijk B.G. 9: 32].'

*: In dezen is er een citaat uit de Brahma-vaivarta Purâna zo stelde S'rî Caitanya Mahâprabhu:

as'vamedham gavâlambham
sannyâsam pala-paitrikam
devarena sutotpattim
kalau pañca vivarjayet

"In dit Kali-tijdperk zijn vijf handelingen verboden: het offeren van een paard in een plechtigheid, het offeren van een koe in een plechtigheid, het aanvaarden van de levensorde van sannyâsa, het brengen van vleesoffers voor de voorvaderen, en het door een man verwekken van kinderen bij de echtgenote van zijn broer."


Hoofdstuk 7: De Nazaten van Koning Mândhâtâ

(1)  S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 9.4: 13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va aangenomen als zijn zoon en hij had op zijn beurt een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie nakomelingen, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige leden van de Mândhâtâ-dynastie. (2) Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmadâ in opdracht van de koning der serpenten [Vâsuki] meegevoerd naar de lagere regionen. Zij werd door haar slangenbroeders aan hem uitgehuwelijkt. (3) Hij, ertoe in staat gesteld door Heer Vishnu, vernietigde aldaar de Gandharva's die het verdienden te worden bestraft [vanwege hun vijandigheid]. Van de serpenten ontving hij [daarvoor] de zegen dat een ieder die zich dit voorval herinnert niets te vrezen heeft van slangen.

(4) De zoon van Purukutsa genaamd Trasaddasyu [vernoemd naar de andere 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya. Zijn zoon droeg de naam Haryas'va [naar 9.6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (5-6) Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [vanwege het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de status van een uitgestotene [een candâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Dankzij de macht van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij [nog steeds belichaamd] naar de hemel alwaar hij, ten val gekomen vanwege de halfgoden, [halverwege tijdens zijn val] dankzij de almacht van de wijze een vaste positie kreeg. In die positie kan hij tot op de dag van vandaag worden waargenomen als met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend [in de vorm van een sterrenbeeld]. (7) Tris'anku's zoon was Haris'candra. Vanwege hem bestond er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren [als twee] vogels waren [*]. (8) Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, mag er een zoon van mijn lendenen zijn?'

(9) O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.

(10) Varuna zei daarom tegen hem: 'Er kwam een zoon ter wereld. Bent u bereid hem voor mij op te offeren?' Haris'candra gaf ten antwoord: 'Een dier wordt geofferd als er tien dagen zijn verstreken [sinds zijn geboorte]. Dan wordt het geschikt bevonden om te worden geofferd.'

(11) Tien dagen later verscheen hij weer en zei: 'Breng nu dan het offer!' Haris'candra zei: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, zal het ervoor geschikt zijn te worden geofferd!'

(12) Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu!', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'

(13) 'De tanden van het dier zijn eruit gevallen' zei Varuna, 'offer nu dan!' Daarop luidde het antwoord: 'Pas als de tanden van het 'offerdier' weer zijn terug gegroeid, is het zuiver!'

(14) Nadat ze weer waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert u nu!' Haris'candra zei toen: 'Als hij zich kan verdedigen als een krijger met een schild o Koning, zal het 'offerdier' zuiver zijn.'

(15) Met zijn geest aldus beheerst door de genegenheid voor zijn zoon, leidde hij de god om de tuin met uitspraken over de tijd [die het zou kosten] en liet hij hem wachten. (16) Rohita zich bewust van wat zijn vader van plan was te doen, nam in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen ter hand en ging het woud in. (17) Toen hij vernam dat zijn vader [vanwege Varuna] getroffen was door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar heen te gaan. (18) Indra droeg hem op de wereld rond te reizen om heilige plaatsen en bedevaartsoorden te bezoeken. Daarop leefde hij een jaar lang in het woud. (19) Een tweede, een derde, een vierde en een vijfde jaar achtereen verscheen Indra steeds opnieuw in de gedaante van een oude brahmaan om hem hetzelfde te zeggen. (20) Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarta's tweede zoon S'unahs'epha kocht om dienst te doen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (21) Nadat [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] was geofferd aan Varuna en de andere halfgoden, raakte Haris'candra bevrijdt van zijn waterzucht en werd hij beroemd als een van de grote historische persoonlijkheden. (22) Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yajur Veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya reciteerde de [Sâma Veda] hymnen [als de udgâtâ]. (23) Indra was zeer behaagd en bezorgde hem een gouden wagen. Over de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen als ik de zoons van Vis'vâmitra beschrijf.

(24) Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien in de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en daarom schonk hij hen de onvergankelijke kennis. (25-26) [De heerser] bedwong zijn onwetendheid middels een specifiek meditatieproces waarin hij zijn materiële ambities opgaf. Hij liet zijn geest opgaan in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether. Vervolgens liet hij de ether opgaan in de oorzaak der manifestatie en dit valse ego [dit ahankâra] in het geheel van de materie. Die volledigheid [van het mahat-tattva] liet hij tenslotte opgaan in de geestelijke kennis in al haar geledingen. Aldus volledig verlost van materiële gebondenheid slaagde hij erin, middels liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende, bovenzinnelijke gelukzaligheid, bij de Ondoorgrondelijke en Onwaarneembare te blijven.'

 *: Prabhupâda geeft als commentaar: 'Vis'vâmitra en Vasishthha waren elkaar altijd vijandig gezind. Voorheen was Vis'vâmitra een kshatriya en door het ondergaan van strenge boetedoeningen en verzakingen wilde hij een brâhmana worden, maar Vasishthha wilde er niet mee instemmen hem op die manier te aanvaarden. En zo was er voortdurend onenigheid tussen de twee. Later echter, aanvaardde Vasishthha hem vanwege Vis'vâmitra's kwaliteit van vergevingsgezindheid. Eens voerde Haris'candra een yajña uit waarvoor Vis'vâmitra de priester was, maar Vis'vâmitra, die boos was op Haris'candra, nam al zijn bezittingen in beslag, ze claimend als een dakshinâ bijdrage. Vasishthha echter stond dit niet aan en zodoende ontstond er een vete tussen Vasishthha en Vis'vâmitra. Het vechten werd zo erg dat ieder van hen de ander vervloekte. Een van hen zei, "Dat je een vogel moge worden," en de ander zei, "Dat je een eend wordt!" Op die manier werden ze beiden vogels en gingen ze voor vele jaren door met hun strijd vanwege Haris'candra.'

**: Het offeren van een menselijk wezen moet hier worden beschouwd als iets geweldloos aangezien de vidhi mededogen en geweldloosheid voorschrijft met alle levende wezens (dayâ of ahimsâ ). Het Bhâgavatam veroordeelt wis en zeker het offeren van mensenlevens  zoals dat te lezen is in de geschiedenis van Jada Bharata [zie 5.9: 17]. De context doet vermoeden, en uit het latere vers hierover 9.16: 31-32 blijkt het ook, dat, omdat Haris'candra er de oorzaak van was geweest dat de wijzen Vis'vâmitra en Vasishthha in onenigheid verkeerden, het offeren van een menselijk wezen betekende dat iemand zijn wereldse bestaan op moest geven om de wijzen te dienen in hun verzoening. De troonopvolger, de meest waarschijnlijke kandidaat voor de opdracht, kon zijn wereldse verantwoordelijkheid niet opgeven en zo werd er toen een andere man opgetrommeld om die plicht op zich te nemen.


 

Hoofdstuk 8: De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Harita was de zoon van Koning Rohita [zie voorgaand hoofdstuk] en zijn zoon Campa bouwde een stad genaamd Campâpurî. Na hem was er Sudeva die ook een zoon had genaamd Vijaya. (2) Bharuka was de zoon van Vijaya, hij had er een genaamd Vrika en Vrika had Bâhuka van wie al het land dat hij bezat werd ingepikt door zijn vijanden zodat de koning met zijn vrouw het bos in moest. (3) Toen hij van ouderdom moest sterven wilde zijn koningin samen met hem heengaan maar de wijze Aurva, die begreep dat ze zwanger was met een jongetje in haar schoot, verbood dat. (4) De bijvrouwen die dat wisten dienden haar vergif toe via haar voedsel, maar met dat gif werd Sagara ['met vergif'] geboren, die een keizer werd van een grote vermaardheid. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor [het leiden van de Ganges naar] de oceaan [die toen Sâgara werd genoemd]. (5-6) Hij doodde niet de asociale types [Tâlajangha's, of boom-mensen], noch de dwarsliggers [de Yavana's, ook: bezetters als de Moslims en de Europeanen] en ook niet de goddelozen [de S'aka's], de schurken [Haihaya's] en de barbaren [Barbara's]. In plaats daarvan stond hij het in opdracht van de geestelijk leraar toe dat ze verschenen in ongewone kleding, glad geschoren waren of snorren droegen. Sommigen [mochten van hem verschijnen] met loshangend haar, half geschoren, zonder ondergoed of helemaal niet gekleed. (7) Trouw aan de instructies van Aurva aanbad hij, yoga beoefenend met de Superziel, middels paardoffers de Heer die het Oorspronkelijke Zelf en de meester is van alle Vedische kennis en al de verlichte zielen. Op een dag ontdekte hij dat het paard dat werd gebruikt voor het offer was gestolen door Purandara [Indra, zie ook 4.19: 17]. (8) De trotse zoons geboren uit Sumati [een vrouw van Sagara] zochten toen in opdracht van hun vader gezamenlijk het gehele land af naar het paard. (9-10) In de noordoostelijke richting zagen ze het paard bij de âs'rama van Kapila. Ze zeiden: 'Nu weten we waar die paardendief met zijn ogen dicht leeft. Doodt hem, doodt hem die zondaar!' De zestigduizend mannen van Sagara kwamen aldus met hun wapens geheven op hem af. Op datzelfde moment opende de muni zijn ogen. (11) Van hun verstand beroofd [door Indra] en in overtreding met zo'n grote persoonlijkheid [als Kapila], vatten hun lichamen ter plekke spontaan vlam en veranderden ze in as. (12) Het is niet het standpunt van de wijzen te beweren dat de zonen van de keizer ter plekke tot as verbrandden vanwege de woede van de muni, want hoe kan zich nu in het zelf van hem [Hem] die steeds in de geaardheid goedheid verkeert en door wiens genade het ganse universum gezuiverd raakt, zich de geaardheid onwetendheid voordoen zodat er woede ontstaat? Hoe kan aards stof nu de ether vervuilen? (13) Hoe kan er bij hem die zo diepgaand de wereld analytisch verklaarde [zie 3.25-33] en die in deze wereld aanwezig is als een boot voor de zoeker om de zo moeilijk in dit sterfelijk bestaan te overwinnen oceaan der onwetendheid over te steken, bij een dergelijke geleerde verheven in bovenzinnelijkheid, nu een idee van onderscheid bestaan tussen vriend en vijand [want zo iemand is altijd vreugdevol: prasannâtmâ]?

(14) Hij die werd geboren uit Kes'inî [een andere echtgenote van Sagara] werd Asamañjasa genoemd. Deze prins verwekte een zoon die bekend staat als Ams'umân. Hij deed altijd zijn best om zo goed hij kon zijn grootvader van dienst te zijn. (15-16) In een voorgaand leven was Asamañjasa een yogi geweest, zo herinnerde hij zich, die van het pad van de yoga was afgedwaald vanwege slecht gezelschap. In dit leven [geen gezelschap meer verdragend] bewees hij zich daarom persoonlijk op een hoogst storende manier. Toen hij eens met zijn verwanten sportte, gedroeg hij zich zeer vijandig door al de jongens in de rivier de Sarayû te duwen. Daardoor was hij de oorzaak van veel verdriet in zijn familie. (17) Vanwege deze daden werd hij verbannen door zijn vader die zijn liefde voor hem had opgegeven. Met de kracht van zijn yoga liet hij toen de jongens [aan hun ouders] zien en ging hij weg. (18) O Koning, al de bewoners van Ayodhyâ waren stomverbaasd dat ze hun zonen weer teruggekeerd zagen. Het speet de koning dan ook oprecht [dat zijn zoon verdwenen was].

(19) De koning droeg Ams'umân [Asamañjasa's zoon] op te zoeken naar het paard [dat Indra gestolen had]. Hij ging er achteraan en volgde het pad dat zijn ooms naar verluid hadden genomen. Zo trof hij het paard aan vlakbij een hoop as. (20) Toen de grote yogi de Bovenzinnelijke Heer [de Vishnu avatâra] die bekendstond als Kapila daar zag zitten, bracht hij, languit voorover geworpen, aandachtig met gevouwen handen gebeden.

(21) Ams'umân zei: 'Niemand van ons levende wezens kan zich een voorstelling maken van U als de Transcendentale Persoon. Tot op de dag van vandaag kan zelfs Heer Brahmâ U niet doorgronden. En door welk mediteren of ernaar raden ook zouden anderen dat kunnen, wij schepselen van de materiële wereld die, het lichaam aanziend voor het [ware] zelf, in het duister tasten [zie ook B.G. 7: 27]? (22) Het bewustzijn van hen die verkerend onder de invloed van de drie geaardheden [de guna's, zie ook B.G. 14: 5] het lichaam vereren, is versluierd door de begoochelende materiële energie en zien, zo zegt men, ook als ze slapen, niets anders dan die drie geaardheden. Zij die alleen maar op de uiterlijkheid letten kunnen U niet kennen die Zich binnenin het lichaam bevindt. (23) Hoe kan ik, deze dwaas van de materie, U in gedachten houden die vol bent van de geestelijke kennis, U die wordt geacht door Sanandana en andere wijzen vrij van de besmettende en verbijsterende illusie van de materiële diversiteit die wordt veroorzaakt door de gunas [zie B.G. 14: 26 & 2: 45]? (24) O Vreedzame, ik bied U, de Oorspronkelijke Persoon, mijn eerbetuigingen, U die, vrij van een specifieke naam en gedaante, transcendentaal bent aan zowel de manifeste als de niet-manifeste materiële energieën maar, teneinde de bovenzinnelijke kennis uit te dragen, een materieel lichaam hebt aangenomen dat zich kenmerkt door vruchtdragende handelingen in relatie tot de geaardheden der natuur. (25) Zij wiens geesten verbijsterd zijn door lust, hebzucht, afgunst en illusie, dolen rond in deze wereld en zien hun huis en haard, deze producten van Uw materiële energie, aan voor het ware. (26) O Allerhoogste Heer, door enkel maar U te zien werd vandaag de harde en hechte knoop van onze illusie doorbroken, die begoocheling als gevolg waarvan men in zijn zintuiglijkheid, o Ziel van alle levende wezens, in de greep verkeert van de lust en de baatzucht.'

(27) S'rî S'uka zei: 'O meester der mensen, de grote wijze en Allerhoogste Heer Kapila die op deze manier werd verheerlijkt, zei met een geest vol van genade het volgende tegen Ams'umân. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard Mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar uw voorvaderen die tot as verbrandden, kunnen door niets anders worden gered dan door Gangeswater.' (29) Na Hem te hebben omlopen en zich tot Zijn voldoening voor hem te hebben verbogen, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd met het dier de ceremonie afgerond. (30) Nadat hij zijn koninkrijk had overgedragen aan Ams'umân bereikte hij [Sagara] bevrijd van zijn materiële banden, de hoogste bestemming door het pad te volgen dat was uitgestippeld door Aurva.'



Hoofdstuk 9: De Dynastie van Ams'umân

(1) S'rî S'uka zei: 'Ams'umân die heel lang boete deed met het verlangen om de Ganges te doen nederdalen, slaagde daar niet in en stierf na verloop van tijd. (2) Zijn zoon Dilîpa slaagde er net als zijn vader niet in en werd eveneens verslagen door de tijd. Daarop was Dilîpa's zoon Bhagîratha van de grootste verzaking. (3) De godin [moeder Ganga] verscheen voor hem en zei: 'Ik ben zeer tevreden over u en zal uw gebeden verhoren.' Met dat gezegd ziende dat zijn zaak gediend was [dat de Ganges de as zou wegwassen, zie 9.8: 28] maakte de koning een buiging.

(4) [Moeder Ganga vervolgde:] 'Wie is er in staat om het geweld van mijn golven te dragen als ik nederdaal naar de aarde? O meester der mensen, als niemand mij opvangt splijt ik het oppervlak van de aarde en beland ik in Rasâtala [de lagere regionen]! (5) Er is nog een andere reden dat ik me niet in de richting van de aarde kan begeven. Neemt u dit alstublieft ter harte o Koning: als ik van de mensen die zich reinigen met mijn water de zonden moet wegwassen, tot wie moet ik mij dan wenden met die zonden?'

(6) S'rî Bhagîratha zei: 'De heilige wereldverzakers die vreedzaam zijn en onderlegd in de regulerende beginselen en ook de hele wereld zuiveren, zullen de zondigheid wegnemen die zich aldus in u verzamelt. Want terwijl zij in uw water baden, dragen ze de Vernietiger van alle Zonden, de Heer in zich [zie ook 1.13: 10 en 6.1: 15]. (7) De god der vernietiging, Rudra, zal uw kracht dragen. Hij is immers van al de belichaamde wezens het Zelf waarin [of waarmee] als met de draden van een stuk stof, de hele lengte en breedte van het universum is verweven [*].'

(8) Nadat dit was gezegd stemde de heerser de godheid gunstig met zijn boetedoeningen. Dit duurde niet erg lang. Zeer spoedig was Heer S'iva [Âs'utosha] tevreden over hem [Bhagîratha] o Koning [**]. (9) 'Zo zij het', zei Heer S'iva die allen steeds welgezind is. Door de koning aldus toegesproken, nam hij vervolgens met grote aandacht de last op zich van het Gangeswater dat zuiver is door de voeten van Vishnu [zie ook 5.17]. (10) Hij, Bhagîratha, de heilige koning, leidde haar die het hele universum kan zuiveren vervolgens naar de plaats waar de lichamen van zijn voorvaderen tot as waren gereduceerd. (11) Vooropgaand in een wagen waarmee hij zich met de snelheid van de wind voortbewoog, werd hij door haar gevolgd. Zo zegende ze alle landen [die ze passeerden] totdat ze over de verbrande zonen van Sagara vloeide. (12) Alhoewel de zoons van Sagara verdoemd waren vanwege het schofferen van een brahmaan, gingen ze door enkel de aanraking van hun overblijfselen met haar water naar de hemel. (13) Als de zoons van Sagara wiens lichamen tot as verbrandden de hemel konden bereiken na in aanraking te zijn gekomen [met de Ganges], hoezeer zou dat dan niet gelden voor hen die volhardend in geloften met geloof en toewijding die godin aanbidden? (14) Wat hier beschreven werd is niet iets heel wonderbaarlijks omdat het water van de Ganges dat ontspringt aan de lotusvoeten van Anantadeva [de 'Eeuwige Godheid'] een einde maakt aan een werelds bestaan. (15) Heilige personen die door hun geloof een geest hebben die het pad der goedheid volgt [Vishnu] vinden zuivering ondanks de moeilijkheid om te ontkomen aan de drie geaardheden der natuur. Ze bereiken terstond het goddelijke Zelf.

(16-17) Van Bhagîratha's lendenen werd een zoon geboren genaamd S'ruta, van hem was er Nâbha - die verschilt van degene die ik eerder beschreef [zie 5.3] - en door Nâbha werd Sindhudvîpa geboren dankzij wie later Ayutâyu werd geboren. Zijn zoon Ritûparna was een vriend van Nala. Van Nala verkreeg hij in ruil voor de geheimen van het gokken kennis van het trainen van paarden. Ritûparna had een zoon genaamd Sarvakâma. (18) Van hem was er Sudâsa wiens zoon [Saudâsa] als de echtgenoot van Damayantî de troon besteeg en naar verluid ook wel bekend stond als Mitrasaha en Kalmâshapâda. Hij, die vanwege zijn zonden geen zoon kreeg, werd ooit eens vervloekt door Vasishthha dat hij een menseneter zou worden [een Râkshasa].'

(19) De koning zei: 'Vertel me alstublieft, als het geen geheim is, wat de reden was van de vloek van de geestelijk leraar tegen deze grote ziel Saudâsa. Dat zou ik graag willen weten.'

(20-21) S'rî S'uka zei: 'In het verleden trok Saudâsa er eens op uit om te jagen en doodde hij een Râkshasa, maar zijn broer liet hij gaan. Deze broer wilde toen wraak nemen. Kwaadwillig deed hij zich voor als de kok van de koning en schotelde zijn geestelijk leraar [Vasishthha] die kwam dineren, het vlees van een mens voor dat hij had klaargemaakt. (22) Zijn voedsel inspecterend vond de machtige meester het direct ongeschikt voor consumptie en vervloekte hij de koning zeer kwaad met: 'Hiervoor zal je in een menseneter veranderen!' (23-24) Toen de wijze ontdekte dat het de schuld was van de Râkshasa, deed hij twaalf jaar lang  boete [vanwege zijn onterecht uitgesproken vloek]. Saudâsa had een handvol water genomen om zijn goeroe te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî hield hem tegen. Hij morste toen het water dat potent was van de [s'apa-]mantra over zijn benen, waarop vervolgens de koning het in alle windrichtingen, in de ether en op het oppervlak van de aarde zag krioelen van de levende wezens. (25) Nadat zich bij hem de neigingen van een Râkshasa ontwikkelden kreeg hij een zwarte vlek op zijn been [om reden waarvan hij bekend stond als Kalmâshapâda]. In het bos levend zag hij [op een dag] een brahmaans echtpaar de liefde bedrijven. (26-27) Omdat hij honger had greep hij toen de brahmaan waarop zijn vrouw zei: 'U moet wel zeer ongelukkig zijn, arm en hongerig, maar een Râkshasa bent u niet! U bent in feite een grote krijgsheer van de Ikshvâku-dynastie, de echtgenoot van Madayantî. O held, het is niets voor u om in strijd met het dharma te handelen. Laat alstublieft mijn man gaan, deze tweemaal geboren ziel wiens verlangen een zoon te krijgen nog niet in vervulling is gegaan. (28) O Koning, dit menselijk lichaam is er om de volledigheid van het Opperwezen van dienst te zijn. Zo bezien staat het doden van hem o held, dan gelijk aan het vernietigen van al die deugd! (29) Deze man is een brâhmana goed thuis in de Vedische kennis, die van verzaking zijnde, van goed gedrag en begiftigd met alle goede eigenschappen, de Absolute Waarheid wil aanbidden, de Allerhoogste Persoonlijkheid die vanwege Zijn eigenschappen bekend staat als het ware Zelf in het hart van alle levende wezens. (30) Hoe kan hij, deze brahmaan en beste van alle wijzen, het nu verdienen om door u te worden gedood, met uw kennis van het dharma, door u die de beste bent van al de heilige koningen o meester van de staat? Het is als een vader die zijn zoon doodt! (31) Hij is een heilige vrij van zonden en een spreker van de Absolute Waarheid. Hoe kan u die wordt gewaardeerd in de hoogste kringen het wagen hem ter dood te brengen? Dat staat gelijk aan het doden van een ongeboren baby of een koe! (32) Ik weet me geen raad, zonder hem kan ik geen seconde leven. Als hij u dan tot voedsel moet dienen, eet mij dan op in zijn plaats.'

(33) Terwijl ze aldus deerniswekkend smeekte en jammerde als een vrouw die haar beschermer mist, verorberde Saudâsa, er door de vloek toe veroordeeld, hem zoals een tijger zijn prooi opeet. (34) Op het moment dat de vrouw van de brâhmana zag hoe de man die op het punt stond haar te bevruchten door de Râkshasa werd opgegeten, moest ze hard vanuit het diepst van haar wezen huilen en sprak ze kwaad een vloek uit tegen de koning. (35) 'Omdat u de echtgenoot hebt gedood van een vrouw die ernaar verlangde om geslachtsgemeenschap te hebben, zal u o zondaar, onder de vloek lijden dat ook u de dood zal vinden als u, o verrader van de beschaving, een vrouw wil bezwangeren!'

(36) Nadat ze op deze manier Mitrasaha ['zich te buiten gaand met vrienden' ofwel Saudâsa] had vervloekt vond ze, in haar toewijding om bij haar echtgenoot te blijven, haar bestemming door in het vuur te stappen dat oplaaide uit zijn botten. (37) Toen Saudâsa twaalf jaar later bevrijd was [van de vloek van Vasishthha] en hij het probeerde om met zijn vrouw de liefde te bedrijven, werd hij tegengehouden door de koningin die hem aan de vloek van de brâhmanî herinnerde. (38) Zodoende moest hij er van toen af aan van afzien met zijn vrouw lichamelijk gelukkig te zijn en bleef hij door het lot beschikt kinderloos. Vasishthha kreeg toen permissie een kind te verwekken in Madayantî, zijn vrouw. (39) Ze baarde niet en droeg het kind voor de duur van zeven jaren in haar schoot. Nadat er [door Vasishthha] met een steen tegen haar buik werd geslagen kwam er een zoon ter wereld die om die reden As'maka ['door een steen'] werd genoemd. (40) Door As'maka kwam Bâlika ter wereld. Dit kind werd [tegen Heer Paras'urâma] beschermd door een menselijk schild bestaande uit vrouwen en daarnaar vernoemd [met Nârîkavaca]. Toen er nergens meer heersers waren te bekennen [omdat Heer Paras'urâma ze allen had gedood] werd hij Mûlaka genoemd ['de wortel van']. Hij bracht alle kshatriya's voort. (41) Van Bâlika was er een zoon genaamd Das'aratha, zijn zoon was Aidavidi en van hem was er de koning Vis'vasaha die de vader werd van Khathvânga die keizer werd. (42-43) Op verzoek van de halfgoden doodde hij met veel furie de Daitya's op het slagveld en fixeerde hij, toen hij  thuiskwam en wist dat hij geen seconde langer te leven had, zich in de geest door het volgende te bidden: 'Niet de aarde, noch mijn koninkrijk of mijn beminde echtgenote, niet mijn zoons en dochters, noch mijn weelde of mijn leven zijn voor mij zo aanbiddelijk als de leden van de brahmaanse gemeenschap die de achting genieten van mijn familie [***]. (44) Zelfs als kind voelde ik me niet aangetrokken tot of genoot ik van dat wat in strijd was met het dharma, noch heb ik ooit iets [of iemand] anders waardevoller gevonden dan de Heer Geprezen in de Geschriften, Uttamas'loka. (45) De halfgoden verleenden mij de gunst dat ik alles kon krijgen wat ik maar wilde, maar die claim over de drie werelden kon ik niet aannemen. Al wat ik verlang in deze wereld is volledig verzonken te zijn in de Allerhoogste Heer [vergelijk B.G. 9: 34]. (46) De goddelijken zijn met hun zinnen en geesten afgeleid [door de geaardheden] en kennen niet de Meest Geliefde Eeuwige van de Ziel die zich altijd ophoudt in hun harten. En wat kan men dan van de rest verwachten [zie B.G. 18: 55]? (47) Laat ik me daarom aan Hem overgeven, de Ene Ziel die het universum schiep, en in liefdevolle dienst mijn gehechtheid opgeven aan zaken die werden voortgebracht door de zo machtige materiële geaardheden, zaken die te vergelijken zijn met de woonplaatsen van de Gandharva's [met luchtkastelen].

(48) Met dit besluit genomen vanuit een intelligentie die werd beheerst door Nârâyana, gaf hij al zijn onwetende, op andere zaken berustende liefde op en raakte hij aldus gevestigd in zijn oorspronkelijke positie van liefdevolle dienstverlening [zijn z.g. svarûpa]. (49) Dat wat bekend staat als het Allerhoogste Brahman dat alle beschrijving te boven gaat, is niet iets onpersoonlijks of leegs zoals men zou denken. Het is de Allerhoogste Heer Vâsudeva over wie de toegewijden zingen [zie ook 1.2: 11].'

*: S'rîla Prabhupâda citeert: Heer S'iva wordt beschreven in de Brahma-samhitâ (5.45):

kshîram yathâ dadhi vikâra-vis'esha-yogât
sanjâyate na hi tatah prithag asti hetoh
yah s'ambhutâm api tathâ samupaiti kâryâd
govindam âdi-purusham tam aham bhajâmi

"Melk verandert in yoghurt als die wordt vermengd met een yoghurt cultuur, maar eigenlijk is yoghurt in de grond niets anders dan melk. Zo ook neemt, Govinda, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de gedaante van Heer S'iva aan voor het bijzondere doel van materiële transacties. Ik biedt de voeten van Heer Govinda mijn eerbetuigingen."

**: Heer S'iva wordt ook wel Âs'utosha genoemd: snel behaagd.

***: De Vaishnava geeft dagelijks uitdrukking aan zijn respect voor de brahmaanse cultuur met de offers die hij brengt, door de Heer te aanbidden met dit gebed:

namo brâhmanya-devâya
go brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah

"Ik biedt de Allerhoogste Absolute waarheid, Krishna mijn eerbetuigingen aan, die de wensvervuller van de koeien en de brahmanen is zowel als van de levende wezens in het algemeen. Ik biedt telkens weer mijn eerbetuigingen aan Govinda, die de bron van vreugde is voor alle zinnen." 

 

   

Hoofdstuk 10: Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Khathvânga was er Dîrghabâhu, hij zette de roemrijke en bedreven Raghu op de wereld wiens zoon Aja de grote koning Das'aratha verwekte. (2) Op de gebeden van de godsbewusten nam de Absolute Waarheid uit zijn lendenen vier gedaanten aan: de Allerhoogste Heer in eigen persoon en drie deelaspecten van Hem. Ze verschenen als vier zoons die bekend stonden als Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna.  (3) O Koning, herhaaldelijk hebt u de beschrijvingen aangehoord door vele zieners en kenners van de waarheid van Zijn bovenzinnelijke wederwaardigheden als de echtgenoot van Sîtâ [*, vergelijk B.G. 4: 34]. (4-5) Gehoor gevend aan Zijn vader liet Hij het koninkrijk achter zich en trok Hij met Zijn geliefde [Sîtâ] op Zijn blote lotusvoeten die zo gevoelig waren als de palm van een hand, van woud tot woud. Dat deed Hij in het gezelschap van Hanumân en Lakshmana die de pijn van Zijn pad wegnamen. Hij werd [door Râvana] gescheiden van Zijn lieveling Sîtâ omdat hij S'ûrpanakhâ [de zuster van Râvana] had verminkt. Over de oceaan, die in angst verkeerde voor Zijn in woede geheven wenkbrauwen, werd een brug geslagen [naar Lankâ, de verblijfplaats van Râvana] waarna Hij, de koning van Ayodhyâ, als een bosbrand de afgunstigen verzengde. Moge de genade op ons rusten van Hem die in het offerperk van de wijze Vis'vâmitra in de aanwezigheid van Lakshmana de grote aanvoerders van de Râkshasa's doodde, zij die onder leiding van Mârîca ronddoolden in het duister.

(6-7) Het was Hij die, van al de helden in de wereld bijeengekomen in de zaal waar Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen, de machtige boog van S'iva oppakte die door driehonderd man gedragen moest worden. Hij spande hem op, o Koning, en brak hem in tweeën zoals een olifantje een stuk suikerriet in tweeën breekt. Met die overwinning won Hij het goddelijke meisje genaamd Sîtâ die qua kwaliteiten, manier van doen, leeftijd en leden een volmaakt koppel met Hem vormde. Zij de Godin van het Geluk die een plaats op Zijn borst had verworven. Op weg naar huis met haar, ontmoette en versloeg Hij de diepgewortelde trots van Bhrigupati [Paras'urâma] die drie keer [zeven, dus een-en-twintig keer] de aarde had bevrijd van het zaad van de [last aan onrechtvaardige] heersers [zie 9.16]. (8) Het hoofd buigend voor het gebod van Zijn vader, die in zijn gehechtheid aan zijn vrouw beloofd had dat Hij het koninkrijk, het paleis, de weelde, de verwanten en de vrienden achter zich moest laten, vertrok Hij samen met Zijn vrouw naar het woud om daar te leven als een bevrijde ziel [**]. (9) Daar levend kreeg Hij al rondtrekkend te maken met grote problemen. Hij verminkte het lichaam van de zuster van de Râkshasa [Râvana] omdat ze een [door de lust] bedorven geest had en moest toen met Zijn onoverwinnelijke boog en pijlen in Zijn handen de veertienduizend van haar vele vrienden met Khara, Tris'ira en Dûshana voorop, doden.
 
(10) O koning, toen de tienkoppige Râvana de verhalen over Sîtâ hoorde, bracht dat zijn hart op hol en verlustigde hij zich bij de gedachte haar te zien. [De demon] Mârîca lokte Râma toen bij Zijn verblijfplaats weg in de gedaante van een gouden hert dat Hij met een scherpe pijl doodde, net zoals S'iva Daksha doodde [met een bijl 4.5: 22]. (11) Terwijl Hij en Zijn broer in het bos waren [verdwenen], werd de onbeschermde dochter van de koning van Videha [Janaka] door de inslechte Râkshasa ontvoerd als was hij een tijger. Daarop verder rondtrekkend en zich voordoend als een man die, aangetrokken tot vrouwen, er ellendig aan toe is gescheiden te zijn van Zijn vrouw, gaf Hij [in deze s'ringâra rasa] een voorbeeld van waar gehechtheid allemaal toe leidt. (12) Na de begrafenisrituelen te hebben uitgevoerd voor hem die zijn leven voor Hem had gegeven [de adelaar Jathâyu], doodde Hij Kabandha [een vormloos monster zonder kop] en sloot Hij vriendschap met de aanvoerders van de horden apen zodat Hij op basis van hun informatie over Sîtâ, haar kon bevrijden. Hij wiens voeten worden aanbeden door Brahmâ en S'iva, maar zich vertoonde als een normaal mens, bracht vervolgens Vâli ter dood [een slechte broer van Hanumân].  Daarop begaf Hij zich, begeleid door de apensoldaten, naar de kust van de oceaan. (13) De [god van de] oceaan stil van angst vanwege Zijn woedende blik - waardoor alle krokodillen en haaien van streek waren - droeg met het aannemen van een persoonlijke gedaante, op zijn hoofd alles mee wat noodzakelijk was voor Zijn aanbidding en zei, toen hij Zijn lotusvoeten bereikte, het volgende: (14) 'Wij, die maar traag van begrip zijn, zijn er werkelijk niet toe in staat o Allerhoogste, U te kennen als de ene Oorspronkelijke Persoon en Allerhoogste Meester van alle Universa die zich ophoudt in de kern van het hart. De Godsbewusten immers zijn het resultaat van Uw goedheid, de heersers over de mensen het gevolg van Uw hartstocht en de heersers over de materiële elementen komen voort uit Uw geaardheid onwetendheid. Maar U o Heer bent de Heerser over al deze geaardheden. (15) U mag [mijn wateren] oversteken zoals U dat wilt. Versla enkel die zoon van Vis'ravâ genaamd Râvana, die als urine is voor de drie werelden en win Uw vrouw weer terug o held. Sla hier een brug en Uw roem zal zich verspreiden. In de toekomst zullen de grote koningen en helden uit alle windrichtingen U daarvoor loven.'

(16) Nadat de Meester van de Raghudynastie met allerhande bergpieken compleet met bomen en planten, die met de hand werden vervoerd door de apen, een brug had gebouwd in de oceaan [***], betrad Hij, geholpen door de aanwijzingen van Vibhîshana [een deugdzame broer van Râvana], samen met de soldaten aangevoerd door Sugrîva, Nîla en Hanumân [het eiland] Lankâ dat kort daarvoor in brand was gestoken [door Hanumân's staart]. (17) Daar werden de huizen van plezier, graanschuren, schatkamers, paleisdeuren en stadspoorten, vergaderruimten, de torens en [zelfs de] duiventillen met geweld ingenomen en ontmanteld door de Vânara [mensapen-]leiders die als een kudde olifanten de pleinen en kruispunten met al hun vlaggen en gouden waterpotten op de daken, veranderden in één kolkende rivier. (18) Toen de meester der Râkshasa's dat zag beval hij Nikumbha, Kumbha, Dhûmrâksha, Durmukha, Surântaka en Narântaka het gevecht aan te gaan en riep hij daarnaast ook zijn zoon Indrajit, zijn volgelingen Prahasta, Atikâya, Vikampana en ten slotte ook Kumbhakarna [zijn machtige broer, zie 4.1: 37, 7.1: 44 en 7.10: 36] op tot de strijd. (19) Al de Râkshasa soldaten met hun moeilijk te weerstane zwaarden, lansen, bogen, gekartelde projectielen en spiezen, toortsen, speren en kromzwaarden, stelden zich op tegenover Hem die omringd werd door Sugrîva, Lakshmana, Hanumân, Gandhamâda, Nîla, Angada, Riksha, Panasa en anderen.

(20) De commandanten van de soldaten van de Heerser van de Raghudynastie [Râma] haastten zich samen naar voren om te vechten tegen de vijandelijke horden van Râvana's aanhang die, zich te voet en op olifanten, strijdwagens en paarden bewegend, geen geluk in de strijd had omdat ze vervloekt waren door de woede van moeder Sîtâ. Ze werden met bomen, bergpieken, knuppels en pijlen gedood door de [apen]krijgers aangevoerd door Angada en anderen. (21) Toen de Râkshasaleider zag dat zijn troepen waren verslagen dirigeerde hij kokend van woede zijn voertuig in de richting van Râma die, stralend op de schitterende strijdwagen van Indra die Mâtali [zijn wagenmenner] had gebracht, hem trof met de scherpste pijlen. (22) Râma zei tot hem: 'Jij schuim der aarde, aangezien jij, misdadiger, als een hond Mijn weerloze vrouw hebt ontvoerd zal Ik, als de Tijd in eigen persoon, als degene die in Zijn heldhaftigheid nimmer faalt, je persoonlijk voor die schaamteloze daad vandaag bestraffen, jij waanzinnige schurk [zie ook B.G. 16: 6-18]!'

(23) Hem aldus terechtwijzend vuurde Hij de pijl af die Hij op Zijn boog had aangelegd en die pijl doorboorde zijn hart als een bliksemstraal. Bloed opgevend uit al zijn tien monden stortte hij vanuit zijn hemelwagen naar beneden. Zijn mannen riepen toen uit: 'O, wat is ons nu overkomen?', net zoals vrome mensen dat doen als ze ten val zijn gekomen [zie ook B.G. 9: 21]. (24) Daarna kwamen de vele duizenden echtgenotes van de demonen, met Mandodarî [Râvana's echtgenote] voorop, uit Lankâ tevoorschijn en jammerden ze toen ze dichterbij kwamen [en hun dode echtgenoten zagen]. (25) Hun geliefden en vrienden omhelsend die allen door Lakshmana's pijlen waren gedood, sloegen ze zich op hun borst en huilden ze deerniswekkend, hetgeen [voor de overwinnaars] iets aangenaams was om te horen: (26) 'O helaas, nu is hij gedood die ons allen beschermde! O Râvana, oorzaak van ons verdriet, tot wie moet de staat Lankâ verstoken van jouw goede zelf zich nu wenden nu ze verslagen is door de vijand? (27) O grote beschermheer, in de ban van wellustige verlangens, had je niet door wat de invloed van moeder Sîtâ was en ben je in een situatie als deze beland. (28) Vanwege je daden o glorie van de dynastie, moeten wij en de staat Lankâ het nu zonder een beschermer stellen, is je lichaam er als voer voor de gieren en is je ziel tot de hel verdoemd [vergelijk B.G. 16: 19].'

(29) S'rî S'uka zei: 'Met de goedkeuring van de koning van Kosala [Râma] voerde Vibhîshana voor de familie de begrafenisriten uit die voor een overledene in acht moeten worden genomen om hem voor de hel te behoeden. (30) Vervolgens trof de Allerhoogste Heer in een as'oka-bos Zijn lief aan schuilend in een klein hutje aan de voet van een s'ims'apâ-[as'oka-]boom. Er ziek van Hem niet meer te zien was ze sterk vermagerd. (31) Râma ziend hoe slecht Zijn teerbeminde echtgenote er aan toe was, was vervuld van medelijden. Toen zij haar geliefde zag, maakte een grote vreugde zich meester van haar lotusvormige mond. (32) De Allerhoogste Heer belastte Vibhîshana voor de duur van een kalpa met de heerschappij over de Râkshasa's van Lankâ. Hij plaatste Sîtâ op Zijn voertuig, stapte toen zelf in samen met Hanumân en de broers [Lakshmana en Sugrîva, de commandant] en keerde terug naar Zijn thuishaven [Ayodhyâ] om een einde te maken aan de periode van Zijn gelofte [om voor veertien jaar weg te blijven]. (33) Ter ere van Zijn buitengewone optreden werd Hij onderweg door de hogere klasse bedolven onder een massa geurige bloemen en werd Hij vreugdevol geprezen door de ziener van de Absolute Waarheid [Brahmâ] en zij die bij hem hoorden. (34) Hem van het Grote Mededogen speet het erg om te horen hoe Zijn broeder Bharata met samengeklit haar neerliggend op een kus'a-mat, at van rijst die in koeienurine was gekookt en zichzelf hulde in boomschors. (35-38) Bharata die vernam over Zijn aankomst, nam de twee sandalen op Zijn hoofd [die Râma op de troon had achtergelaten om Hem te vertegenwoordigen] en kwam, in gezelschap van de hele burgerij, de ministers en de priesters, Zijn oudste broer verwelkomen. Vertrekkend vanuit Zijn kamp Nandigrâma werd Hij begeleid door gezangen, de geluiden van muziekinstrumenten, een onophoudelijk reciteren van mantra's verricht door brahmanen, met goud geborduurde vlaggen op gouden wagens die werden getrokken door de prachtigste, met goud opgetuigde paarden en door soldaten in met goud overdekte wapenrustingen. [Naderend] in processie met fraai aangeklede courtisanes en bedienden en ook met soldaten te voet en al het overige dat gepast zou zijn voor een koninklijke ontvangst, zoals de grote rijkdom van allerlei soorten juwelen, viel Hij neer aan de lotusvoeten in een extatische liefde die de kern van Zijn [ascetisch] hart deed smelten en Zijn ogen vulde met tranen. (39-40) De twee slippers voor Zijn broer plaatsend stond Hij met gevouwen handen en tranen in Zijn ogen. Daarop werd Hij omhelsd door Râma die Hem badend met Zijn tranen, een lange tijd in Zijn armen hield. Râma, Lakshmana en Sîtâ boden gezamenlijk de geleerden en de andere eerbiedwaardige personen, persoonlijk hun eerbetuigingen en ontvingen die ook weer terug van al de burgers. (41) Hun Heer weer terug zien kerend na zo vele jaren, wuifden de burgers van Kosala met hun bovenkleding, boden ze bloemenslingers en begonnen ze in grote vreugde te dansen. (42-43) De sandalen werden door Bharata gedragen, de wuifkwast en de rijk versierde waaier werden gedragen door Vibhîshana en Sugrîva, een witte parasol werd gedragen door de zoon van de windgod [Hanumân] en de boog en de twee pijlenkokers werden gedragen door S'atrughna. Sîtâ hield de waterpot vast met water van de heilige plaatsen, Angada hield het zwaard van goud vast en de koning van de Riksha's [Jâmbavân, de leider van de beren die ook aan de strijd deelnamen] hield het schild vast o Koning. (44) Zittend op de hemelwagen van Kuvera [de 'Pushpaka' veroverd op Râvana] zag Hij, de Allerhoogste Heer, er met de devote aanbidding door de vrouwen en de reciteerders o Koning, zo schitterend uit als de maan gerezen tussen de planeten.

(45-46) Nadat Hij naar behoren was verwelkomd door Zijn broer werd Hij vervolgens feestelijk ingehaald in de stad Ayodhyâ. Het koninklijk paleis betredend bewees Hij daar moeder Kaikeyî, Zijn andere stiefmoeders en Zijn eigen moeder [Kaus'alyâ] de eer. De geestelijk leraren, vrienden van hun leeftijd en de jongeren waren allen vol aanbidding en hun welkom werd, zoals dat hoort, door Râma, de prinses van de Videha's [Sîtâ] en Lakshmana geretourneerd. (47) De moeders tot leven komend als lichamen die ontwaken uit hun slaap maakten, met hun zonen op schoot, hen nat met een onophoudelijke stroom tranen toen ze hun verdriet de vrije loop lieten [na zo lang van hen gescheiden te zijn geweest]. (48) Overeenkomstig de vidhi werd door de familiepriester [Vashishthha] en de ouderen van de familie het samengeklitte haar eraf geschoren, waarna met het water van de vier oceanen en andere benodigdheden een baadceremonie werd uitgevoerd naar het model van de zuivering van koning Indra [zie 6: 13]. (49) Na aldus van top tot teen te zijn gebaad, fraai aangekleed, opgesierd en met bloemen te zijn omhangen, straalde Hij helder samen met Zijn broers en Zijn echtgenote. (50) Behaagd met de overgave [van Zijn broer] aanvaarde Hij de troon die Hem werd aangeboden en sloot Hij de burgers in Zijn hart die, dienend overeenkomstig hun aard met hun statusoriëntaties [varnâs'rama-identiteit, zie B.G. 4: 13], allen in aanmerking kwamen voor Zijn bescherming vanwege die kwaliteit. Râma was daarin precies als een vader en de burgers beschouwden Hem dan ook als hun vader.

(51) Hoewel dit alles zich afspeelde in Tretâ-yuga werd de periode gelijk aan Satya-yuga vanwege Râma's aanwezigheid als de heersende koning die met Zijn volle inachtneming van het dharma alle levende wezens gelukkig maakte [zie ook 12.3: 15]. (52) De bossen, de rivieren, heuvels en bergen, de landen en de eilanden, de oceanen en de zeeën boden al de levende wezens alles wat ze zich maar wensen konden o beste der Bharata's. (53) In de periode dat Râma, de Heer in het Voorbije, koning was, was er geen lijden [door eigen toedoen, anderen en de natuur], geen ziekte, ouderdom, treurnis, leed, weeklagen, angst en uitputting of een ongewilde dood. (54) Gezworen hebbende dat Hij niet een andere vrouw zou nemen [om principiële redenen scheidde Hij namelijk van Sîtâ, zie volgende hoofdstuk] vormde Hij, als een heilige koning zuiver van karakter en dharma, middels Zijn persoonlijke plichtsbetrachting een voorbeeld voor [met name] de huishouders. (55) Sîtâ was in haar liefdevolle dienst aan haar echtgenoot, dankzij haar goede karakter altijd bescheiden en onderworpen. Kuis en beducht [fouten te maken], nam ze verlegen en met begrip voor de positie van haar echtgenoot, Zijn geest in beslag.'

*: Dit en het volgende hoofdstuk vormen een samenvatting van Vâlmîki's Râmâyana, het oorspronkelijk geschrift dat de geschiedenis van Râma beschrijft.

**: Prabhupâda legt uit: 'Mahârâja Das'aratha had drie vrouwen. Een van hen, Kaikeyî, diende hem naar genoegen, en om die reden wilde hij haar een gunst verlenen. Kaikeyî, echter, zei dat ze om de gunst zou vragen als dat nodig was. Ten tijde van de kroning van Prins Râmacandra, verzocht Kaikeyî haar echtgenoot om haar zoon Bharata op de troon te zetten en Râmacandra het bos in te sturen. Mahârâja Das'aratha, die vast zat aan zijn belofte, droeg Râmacandra op naar het woud te gaan, zoals zijn geliefde dat had bedongen.'  

***: Deze brug is tot op de dag van vandaag aanwezig in de vorm van een nauwe landengte dicht aan het oceaanoppervlak tussen Lankâ en India, die de Adamsbrug wordt genoemd en bestaat uit een aaneenschakeling van zandbanken, ongeveer 30 km lang [zie afbeelding en artikel].


Hoofdstuk 11: Heer Râmacandra Regeert de Wereld

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Râmacandra, het hart en de ziel van al de halfgoden, accepteerde een âcârya en voerde offerplechtigheden uit met de grootste weelde. Aldus was Hij [in feite] Zichzelf met behulp van Zichzelf aan het aanbidden [zie ook 4.31: 14]. (2) De hotâ-priester [hij die de offergaven offert] wees Hij het gehele oosten toe, de brahmâ-priester [die de gang van zaken voor het offeren superviseert] ontving van Zijne Heerlijkheid het zuidelijke gebiedsdeel, de adhvaryu-priester [die de Yajur-mantra's reciteert ter voorbereiding van de plechtigheid] kreeg het gehele westen en het noordelijk gebied ging naar de udgâtâ-priester [die de Sâma Veda hymnen zingt]. (3) Ervan uitgaand dat de brahmanen die vrij zijn van materiële verlangens het geheel van de aarde toekomt, schonk Hij de leraar van het voorbeeld, de âcârya, de rest van al het land dat zich tussen de gebieden in bevond. (4) Het enige dat er voor Hemzelf overbleef op deze manier waren Zijn persoonlijke sieraden en kledingstukken terwijl er voor de koningin, de dochter van de koning van Videha, slechts haar neusring overbleef. (5) Maar toen de brahmanen zagen hoe veel Hij om hen gaf als hun Heer, smolten hun harten zodat ze verguld met Hem, Hem vereerden met gebeden. Ze gaven Hem alles weer terug wat ze hadden ontvangen en zeiden: (6) 'Wat hebt U ons allemaal niet geschonken o Allerhoogste Heer, o Meester van het universum? Nu we U in ons hart hebben gekregen verdrijft U, met Uw gloed, het duister van onze onwetendheid. (7) We brengen U onze eerbetuigingen Râmacandra, o Heer der Transcendentalisten, o beste van alle roemrijke personen wiens lotusvoeten aanbeden worden door hen die geweldloos zijn, o U wiens intelligentie nimmer overschaduwd wordt door zorgen.'

(8) Benieuwd naar de publieke opinie ging Râma er op een avond onopgemerkt in vermomming op uit en hoorde Hij iemand spreken die het had over Zijn echtgenote [Sîtâ]: (9) 'Ik kan je niet langer onderhouden aangezien je een onreine, onkuise vrouw bent die bij andere mannen thuiskomt. En ik zal je niet als een pantoffelheld weer terugnemen zoals Râma dat deed met Sîtâ!' (10) Beducht voor het volk dat er van alles uitflapt, nooit tevreden is en niet goed op de hoogte is, werd ze [Sîtâ] door haar echtgenoot verlaten. Daarop ging ze naar de hermitage van Prâcetasa [Vâlmîki Muni]. (11) Omdat ze zwanger was [toen ze Râma verliet] bracht ze daar na de nodige tijd een tweeling ter wereld, twee jongetjes die van de wijze die de geboorteplechtigheden voltrok de namen Kus'a en Lava kregen  ['van het gras' en 'dat wat is afgesneden']. (12) Ook Lakshmana had twee zoons: Angada en Citraketu [vernoemd naar 6.14-17]. Bharata, o grote heerser, had er twee die Taksha en Pushkala werden genoemd. (13-14) Subâhu en S'rutasena kwamen door S'atrughna ter wereld. Heer Bharata die al de windstreken onderworp aan Zijn gezag moest in Zijn veroveringstocht miljoenen Ghandarva's [opstandige rebellen] doden en droeg al hun rijkdommen over aan de koning [Râma]. De Râkshasa luisterend naar de naam Lavana, een zoon van Madhu, werd gedood door S'atrughna in het grote woud Madhuvana alwaar Hij de grootse stad genaamd Mathurâ grondvestte. (15) Sîtâ, die weggestuurd door haar echtgenoot bleef mediteren op Râma's voeten, vertrouwde de wijze haar zoons toe en verdween onder de grond. (16) Toen Râma, de Allerhoogste Heer, hierover vernam kon Hij, zich haar kwaliteiten herinnerend in de verschillende omstandigheden, Zijn verdriet niet beteugelen, hoezeer Hij ook trachtte het in meditatie uit te bannen. (17) Een dergelijke aantrekking tussen man en vrouw vormt over het algemeen een bron van zorgen. Als dat zelfs geldt voor de grote meesters, wat zou dat dan niet betekenen voor de gewone man die gefixeerd is op een huishoudelijk bestaan? (18) Nadat ze naar de hemel was gegaan nam de Heer strikt het celibaat in acht en voerde Hij een plechtigheid op, een Agnihotra [vuur-]offer dat dertienduizend jaar lang zonder onderbreking werd voortgezet. (19) Râma plaatste [toen Hij deze aarde verliet] Zijn lotusvoeten die geschramd waren door de doornen van het Dandakâranyawoud [waar Hij tijdens zijn verbanning verbleef], in de harten van hen die Hem in gedachten hielden en ging toen [via] het Licht van de Ziel [âtma-jyoti, Zijn hemelverblijf Vaikunthha] binnen.

(20) De Heer van de Raghudynastie [Râma] die een [spiritueel] lichaam aannam ter wille van Zijn spel en vermaak, had, met niemand aanwezig die groter of gelijk aan Hem was, [persoonlijk] geen behoefte aan al die eer van de gebeden van de godsbewusten, het doden van de Râkshasa's, een brug bouwen over de oceaan en Zijn boog en pijlen, noch had Hij de apen nodig om Hem bij te staan in het verslaan van de vijand [vergelijk B.G. 3: 20-26]. (21) Laat ik me aan Hem overgeven, die Meester van de Raghudynastie wiens onbezoedelde faam vandaag de dag nog wordt gevierd in koninklijke gezelschappen en door wijzen in alle windrichtingen zo goed als het kleed dat de olifant der victorie bedekt, aan Hem wiens lotusvoeten, die een einde maken aan alle zonden, worden aanbeden door de helmen van de aardse koningen en de goden van de hemel. (22) Hij, naar wie de mensen van Kosala opzagen en die ze wilden aanraken, werd door hen allen, of ze nu met Hem aten en sliepen danwel Hem respecteerden als een dienaar, gevolgd naar de plaats waarheen Hij vertrokken was en waar alle [bhakti-]yogabeoefenaren naar toe gaan [zie ook B.G. 4: 9]. (23) Een ieder die verneemt over de handelingen van Heer Râma en vol van mededogen is naar anderen o Koning zal verlost worden uit zijn verstriktheid in het karma.'

(24) De koning vroeg: 'Hoe verhield Hij, de Allerhoogste Heer, Râma, zich tot Zijn broeders die Zijn persoonlijke expansies waren en hoe gedroegen Zij en ook Zijn mensen, Zijn onderdanen, zich jegens Hem, hun Heerser?'

(25) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Na de troon te hebben bestegen droeg Hij, de Heer van het universum, Zijn jongere broers op de wereld te veroveren [*] terwijl Hij Zelf Zijn volk audiëntie verleende zorgdragend voor de hoofdstad samen met andere medewerkers. (26) De straten waren besprenkeld met geparfumeerd water en het musth van de olifanten. Het was de grootste en hoogste verrukking om Hem, hun Heer en Meester aanwezig te zien in eigen persoon. (27) De paleizen, de paleispoorten, de ontmoetingsplaatsen, de podia en de tempels en zo meer, waren opgesierd met gouden waterpotten en vlaggen. (28) Men maakte er met welkomstpoorten, draperieën, bloemenslingers, betelnoot, snijbloemen en vruchten, bananenbomen, kleurige vlaggen en spiegels een feest van [als Hij verscheen]. (29) Waar Hij ook maar op bezoek kwam werd Hij, om Zijn zegen te ontvangen, benaderd door de plaatselijke bevolking die de benodigdheden voor de aanbidding met zich meedroeg en zei: 'O mijn Heer, houdt dit land in stand dat U er weer bovenop geholpen hebt zoals U dat voorheen deed [in de gedaante van Heer Varâha]'. (30) De mannen en de vrouwen in de stad, die graag hun koning, de Heer met de lotusogen, wilden zien terugkeren na zo'n lange tijd, verlieten daarop hun huizen om op de daken van de grotere woningen te gaan zitten, hun hongerige ogen de kost te geven en Hem met bloemen te bestrooien. (31-34) Daarna betrad Hij Zijn familiewoning die door Zijn voorouders was veranderd in een ongekende schatkamer vol met de meest kostbare zaken. De deurposten waren van koraal, de pilaren in rijen langs de gepolijste marakata [smaragden] vloeren waren van vaidûryagesteente en er waren schitterende marmeren muren. Allerlei soorten bloemen en vlaggen zag men er alsook een rijke stoffering,  parels en de meest kostbare, stralende edelstenen. Met al de verlokkelijke schoonheid die ieders vreugde bevorderde en met de vele bossen bloemen, de geurige wierook en de lampen, leken de mannen en vrouwen aldaar, wiens lichamen in schoonheid wedijverden met hun sieraden, wel halfgoden. (35) De Allerhoogste Heer Râma [let.: 'vreugde'], de allerbeste genieter der toewijding, genoot aldaar persoonlijk [Zijn leven] met Zijn teerbeminde echtgenote Sîtâ in volle tevredenheid. (36) Met de mensen mediterend op Zijn lotusvoeten, genoot Hij vele jaren lang zonder in strijd te verkeren met het dharma van alle geneugten des levens op de juiste tijd.'

*: S'rî Caitanya Mahâprabhu zei over deze Râma-missie van het veroveren van de wereld: 'prithivîte âche yata nagarâdi grâma sarvatra pracâra haibe mora nâma';  Een zuivere toegewijde, daarom, moet de opdracht van de Heer ten uitvoer brengen en niet zijn zinnen bevredigen door te blijven steken op één plaats, valselijk trots, denkend omdat hij Vrindâvana niet verlaat maar chant op een afgezonderde plaats hij een grote toegewijde is geworden. Hij zei ook: 'yâre dekha, târe kaha 'krishna'-upades'a'; iedere toegewijde, derhalve, moet het Krishna-bewustzijn verspreiden door te prediken, een ieder die hij ontmoet vragend om de opdracht van de Hoogste Persoonlijkheid van God te aanvaarden [Cc. Madhya 7.128].


Hoofdstuk 12: De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Kus'a [de zoon van Heer Râma] was er Atithi, en van hem was er Nishadha; Nishadha's zoon was Nabha, Pundarîka kwam na hem en Kshemadhanvâ werd zijn zoon. (2) Devânîka was de zoon van Kshemadhanvâ, zijn zoon was Anîha die Pâriyâtra als zoon had. Pâriyâtra's zoon was Balasthala en die had weer een zoon genaamd Vajranâbha die voortkwam uit de gloed van de zonnegod. (3-4) Van Sagana [de zoon van Vajranâbha] was er een zoon genaamd Vidhriti uit wiens lendenen de zoon Hiranyanâbha ter wereld kwam die een leraar in de yoga werd in de lijn van Jaimini. Yâjñavalkya van Kos'ala bestudeerde onder zijn leiding als discipel de spirituele praktijk [âdhyâtma-yoga, zie 6.15: 12-15]: de hoogst verheven yoga waarin men een ziener wordt die in staat is de materiële knopen in het hart door te snijden. (5) Door Pushpa, de zoon van Hiranyanâbha, kwam Dhruvasandhi ter wereld die Sudars'ana als zijn zoon had. Na hem was er Agnivarna wiens zoon S'îghra heette en Maru was zijn zoon. (6) Deze persoon existeert nog steeds in Kalâpa-grâma ['verzameling van gemeenschappen'] als een vervolmaakte ziel van de yoga [een siddha]. Daar verblijvend zal hij aan het einde van Kali-yuga een [tweede] zoon verwekken opdat de verloren gegane dynastie van de zonnegod weer opnieuw tot leven komt. (7) De zoon die hij had was Prasus'ruta die Sandhi verwekte en van hem kwam er een zoon ter wereld genaamd Amarshana. Amarshana's zoon Mahasvân zette Vis'vabâhu op de wereld. (8) Van hem was er Prasenajit door wie Takshaka vervolgens ter wereld kwam. Van Takshaka was er Brihadbala, die door uw vader in een gevecht werd gedood.

(9) Al deze koningen van de Ikshvâkudynastie behoren tot het verleden, verneem nu over hen die in de toekomst hun geboorte nemen. Na Brihadbala zal er een zoon zijn genaamd Brihadrana. (10) Brihadrana's zoon zal Ûrukriya zijn, van hem zal Vatsavriddha zijn geboorte nemen, Prativyoma zal zijn zoon zijn en hij zal Bhânu als zijn zoon hebben, die op zijn beurt Divâka verwekt die een grote legeraanvoerder wordt. (11) Sahadeva die uit zijn lendenen geboren wordt zal een grote held op de wereld zetten: Brihadas'va die de zoon Bhânumân krijgt. De zoon van Bhânumân zal Pratîkâs'va zijn die de vader wordt van Supratîka. (12) Marudeva zal daarna geboren worden en van hem zal Sunakshatra er zijn. Vervolgens zal Pushkara er zijn en zijn zoon Antariksha verwekt Sutapâ wiens zoon Amitrajit zal heten. (13) Zijn zoon Brihadrâja zal dan Barhi voortbrengen. Kritañjaya die uit hem wordt geboren zal een zoon genaamd Ranañjaya krijgen die Sañjaya op de wereld zal zetten. (14) Van hem zal S'âkya er zijn wiens zoon de gedenkwaardige S'uddhoda zal wezen. Hij wordt de vader van Lângala door wie Prasenajit ter wereld zal komen die op zijn beurt de vader zal zijn van Kshudraka. (15) Ranaka zal uit Kshudraka voortkomen, Suratha zal daarna zijn zoon zijn en de zoon Sumitra genaamd die uit hem voortkomt, zal het einde van de lijn van al deze koningen in de Brihadbaladynastie vormen. (16) Met Sumitra als de laatste koning van al deze afstammelingen van Ikshvâku in de toekomst, komt in Kali-yuga de dynastie ten einde.'


Hoofdstuk 13: Het verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn zoon Mithila

(1) S'rî S'uka zei: 'Nimi [zie 9.6: 4], de zoon van Ikshvâku, wilde een offer brengen en benoemde Vasishthha als de priester. Die zei echter: 'Ik ben al besproken door Heer Indra, o Mahârâja. (2) Als ik klaar ben met die offerplechtigheid zal ik terugkomen. Wacht zo lang op me.' Nimi zweeg en Vasishthha voerde de offerplechtigheid uit voor Indra. (3) Toen de goeroe een lange tijd wegbleef dacht Nimi: 'Het leven is maar kort' en begon met de plechtigheid met behulp van een andere zelfverwerkelijkte ziel als de leidende priester.

(4) Na de plechtigheden te hebben afgerond ontdekte de goeroe toen hij terugkeerde dat zijn instructies waren genegeerd en daarom sprak hij een vloek uit: 'Moge de belichaming van Nimi die denkt dat hij zo'n grote pandit is, ten val komen!'

(5) Nimi vervloekte op zijn beurt de goeroe die het rechte pad kwijt was met: 'En moge uw belichaming die zich begeertig zo slecht bewust is van het dharma, eveneens ten ten val komen!'

(6) Aldus moest Nimi die zo goed thuis was in de spirituele kennis, zijn lichaam opgeven. Vasishthha, de grootvader [stierf eveneens maar hij] nam met [het zaad van] Mitra en Varuna [opnieuw] zijn geboorte uit Urvas'î [de courtisane van de hemel, zie ook 6.18: 5-6]. (7) De grote wijzen conserveerden Nimi's lichaam in geurige substanties en richtten zich, ter afronding van het Satra-offer [een lang durend Soma-offer, zie sattra], als volgt tot de vergadering der halfgoden: (8) 'Als u tevreden over ons bent, breng dan, als u dat kan, dit lichaam van de koning tot leven!' Nadat ze daarop bevestigend hadden gereageerd zei Nimi: 'Bindt me niet aan een materieel lichaam! (9) Er afkerig van om valselijk verenigd te zijn, verlangen wijzen er niet naar om aldus in contact te staan. Verzonken [zijnd] in gedachten over de Heer zijn ze de lotusvoeten [naar hun idee al genoeg] toegewijd van dienst [zie bhajan]. (10) Ik heb er geen behoefte aan een lichaam aan te nemen dat gedoemd is weer te sterven, want zo'n lichaam vormt overal - net zoals dat is met de vissen die in het water leven - de oorzaak van leed, treurnis en angst [zie ook 1.13: 47 en B.G. 9: 3].'

(11) De halfgoden zeiden: 'Leef zoals u wilt zonder een materieel lichaam en wees, met uw aanwezigheid in een geestelijk lichaam, voor ogen van de normaal belichaamde mens aldus gemanifesteerd dan wel niet-gemanifesteerd naar uw wens.'

(12) Er beducht voor dat er voor de gewone man chaos in het land zou ontstaan, karnden de grote zieners het verscheiden lichaam van Nimi en kwam er aldus een zoon ter wereld [vergelijk 4.14: 43 en 4.15: 1]. (13) Vanwege zijn ongewone geboorte werd hij Janaka genoemd, omdat hij uit Videha [uit Nimi die geen lichaam had] voortkwam werd hij Vaideha ['vrij van een lichaam'] genoemd, omdat hij door het karnen ter wereld kwam werd hij Mithila genoemd en om die reden stond de stad die hij grondvestte bekend als Mithilâ. (14) Door hem was er een zoon genaamd Udâvasu, die verwekte op zijn beurt Nandivardhana, die had een zoon die Suketu heette en Devarâta was zijn zoon o grote heerser. (15) Devarâta verwekte Brihadratha, Mahâvîrya was zijn zoon en hij werd de vader van Sudhriti die een zoon had genaamd Dhrishthaketu. Hij kreeg Haryas'va als zijn zoon die werd opgevolgd door Maru. (16) Maru's zoon was Pratîpaka en Kritaratha kwam door hem ter wereld. Devamîdha was zijn zoon en die had er een genaamd Vis'ruta die Mahâdhriti verwekte. (17) Kritirâta volgde hem op en Mahâromâ was zijn zoon. Zijn zoon was Svarnaromâ die een zoon verwekte die Hrasvaromâ heette. (18) S'îradhvaja [die eveneens Janaka heette] kwam door hem ter wereld. Voor het uitvoeren van de offers ploegde hij de aarde om met de punt van zijn ploeg [ofwel de s'îra] en zette aldus Sîtâdevî op de wereld [de vrouw van Râma, Sîtâ betekent 'de ploegvoor']. Dat was er de reden van dat hij S'îradhvaja werd genoemd. (19) Kus'adhvaja was S'îradhvaja's zoon en zijn zoon was koning Dharmadhvaja die twee zonen had die Kritadhvaja en Mitadhvaja heetten. (20-21) Kritadhvaja kreeg een zoon genaamd Kes'idhvaja en Mitadhvaja's zoon was Khândikya o Koning. Kritadhvaja's zoon was een expert in de wetenschap der transcendentie en Khândikya was een expert in de Vedische rituelen. Khândikya sloeg op de vlucht omdat hij bang was voor Kes'idhvaja. Van Bhânumân, Kes'idhvaja's zoon, was er de zoon S'atadyumna. (22) S'uci was zijn zoon en van hem kwam de zoon Sanadvâja ter wereld. Ûrjaketu, zijn zoon, verwekte Aja die de zoon Purujit  kreeg. (23) Ook hij had een zoon, Arishthanemi. Van zijn zoon S'rutâyu was er Supârs'vaka die de vader werd van Citraratha wiens zoon Kshemâdhi de koning van Mithilâ werd. (24) Zijn zoon genaamd Samaratha had er een die Satyaratha heette. Hij verwekte Upaguru die Upagupta voortbracht. Upagupta was een gedeeltelijke expansie van Agni [de vuurgod]. (25) Zijn zoon Vasvananta had er een die Yuyudha heette. Die had weer een zoon genaamd Subhâshana en zijn zoon was S'ruta. Hij kreeg Jaya en Jaya was de vader van Vijaya. Vijaya's zoon was Rita. (26) Van hem kwam de zoon S'unaka ter wereld, toen kwam Vîtahavya en zijn zoon was Dhriti. Dhriti verwekte de zoon Bahulâs'va en van hem was Kriti er die een zoon had genaamd Mahâvas'î. (27) O Koning, dit zijn de afstammelingen van Mithila die bij genade van de Heer van de Yoga allen ware kenners van de ziel waren. Ze raakten allen bevrijd van de wereldse dualiteit, ook al verbleven ze thuis.'


 

Hoofdstuk 14: Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î

(1) S'rî S'uka zei: 'Verneem dan nu o Koning [na de verhalen over de dynastie van de zonnegod], over de dynastie van de maangod, want het luisteren naar de heiligende beschrijvingen van die dynastie van koningen te beginnen bij Aila [of Purûravâ], is een zegenrijk iets. (2) Op de lotus die voortkwam uit de navel van Vishnu, Hij die duizenden hoofden heeft, verscheen Dhâtu [het 'oorspronkelijke element' ofwel Heer Brahmâ]. Dhâtu had een zoon genaamd Atri die dezelfde kwaliteiten had als zijn vader. (3) Uit de vreugdetranen van Atri werd een zoon geboren [zie ook 4.1: 15] genaamd Soma die een belichaming van de nectar der onsterfelijkheid was. Hij werd door Brahmâ aangesteld als het heersende gezag over de geleerden, de medicinale kruiden en de hemellichten [zie ook B.G. 10: 21 en 6.6: 23]. (4) Nadat hij de drie werelden had veroverd, voerde hij een râjasûya-offer uit en ontvoerde hij in zijn arrogantie met geweld Târâ, de vrouw van Brihaspati. (5) Ondanks een herhaald verzoek van de geestelijk leraar der godvruchtigen liet hij haar in zijn hoogmoed niet gaan, als gevolg waarvan er een conflict ontstond tussen de Sura's en de Dânava's. (6) Omdat S'ukra ['zaad', S'ukrâcârya, de geestelijk leraar van de Asura's] Brihaspati vijandig gezind was koos hij samen met de Asura's voor de kant van de maangod. S'iva koos echter samen met de geesten en spoken die hem volgen uit genegenheid voor [Brihaspati] de zoon van de geestelijk leraar [Angirâ, een van de zeven wijzen]. (7) De grote Indra gevolgd door al de verschillende halfgoden, sloot zich aan bij de geestelijk leraar [Brihaspati]. De strijd die daarop volgde - enkel en alleen vanwege Târâ [Brihaspati's echtgenote] - hield een grote vernietiging in voor zowel de Sura's als de Asura's. (8) Toen de schepper van het universum Heer Brahmâ, hiervan op de hoogte was gebracht door Angirâ, gaf hij Soma een zware uitbrander en overhandigde hij Târâ aan haar echtgenoot. Die ontdekte dat ze zwanger was.

(9) [Brihaspati zei tot haar:] 'Jij dwaze vrouw, breng dat kind direct ter wereld. Baar het nu meteen vanuit die baarmoeder die mijn terrein was. Hoewel een ander je zwanger heeft gemaakt zal ik je, ontrouw als je bent, niet tot as verbranden omdat je een vrouw was die smachtte naar een kind.'

(10) Târâ schaamde zich diep en bracht een kind ter wereld dat een gouden gloed had. Dat wekte zowel bij Brihaspati als bij Soma een verlangen naar het kind. (11) 'Het is van mij en niet van jou!' riepen ze over en weer, met elkaar vechtend over het kind. De wijzen en de goden stelden Târâ vragen, maar in haar verlegenheid kon ze geen woord uitbrengen.

(12) Het kind werd kwaad en zei tegen zijn moeder: 'Waarom al die schaamte? Waarom zegt u niks? Zeg me onmiddellijk o onkuise vrouw, wat u verkeerd gedaan heeft!'

(13)
Heer Brahmâ nam haar apart, stelde haar gerust en verzocht haar om nadere uitleg, waarop ze schoorvoetend toegaf: 'Dit kind behoort Soma toe'. Meteen nam Soma het toen onder zijn hoede. (14) O Koning, toen het kind vanwege zijn grote intelligentie van Heer Brahmâ de naam Budha kreeg, verkeerde de god van de maan in opperste extase dat hij zo'n zoon gekregen had. (15-16) Uit zijn [Budha's] lendenen werd, zoals ik al zei [in 9.1], uit Ilâ, Purûravâ geboren. Toen Urvas'î [zie ook 9.13: 6] aan Indra's hof Nârada hoorde spreken over Purûravâ's schoonheid, kwaliteiten, edelmoedigheid, gedrag, weelde en macht, werd de devî getroffen door de pijlen van Cupido en zocht ze hem op. (17-18) Vanwege de vloek van Mitra en Varuna was de vrouw naar de menselijke wereld afgedaald. Daar ziend dat de beste onder de mannen zo mooi was als Cupido, benaderde ze hem zelfbeheerst. Zo gauw hij, de koning, de hemelse dame ontwaarde, richtte hij zich met kippenvel van enthousiasme tot haar met lieve woorden en stralende ogen. (19) De achtenswaardige koning zei: 'Wees welkom o schoonste der schonen, neem alsjeblieft plaats, wat kan ik voor je betekenen? Hou me gezelschap en deel mijn bed voor vele, vele jaren!'

(20) Urvas'î zei: 'Welke vrouw zou zich met u voor ogen en in gedachten niet aangetrokken voelen o schone man en het niet willen om de intieme liefde aan uw borst te genieten [zie ook 7.9: 45]? (21) Deze twee lammetjes o Koning, kwamen ten val en hebben behoefte aan uw bescherming o achtenswaardige gastheer. In het gezelschap van een superieure echtgenoot zo zegt men, kan een vrouw de liefde genieten. (22) O held van me, dat wat met ghee bereid is zal mijn voedsel zijn en verder wil ik je op geen enkel ander ogenblik naakt zien dan tijdens de geslachtsgemeenschap.'

'
Dat is dan afgesproken', beloofde de grote ziel toen. (23) 'Zie toch hoe mooi je bent en wat een houding je hebt! Niemand op deze aarde is zo aantrekkelijk als jij. Wie kan er nu een godin als jij weerstaan die in eigen persoon is nedergedaald tussen de menselijke wezens?'

(24) Hij, de beste onder de mensen, genoot in de meest uitgelezen plaatsen en lusthoven als Caitraratha met haar van alles wat er naar zijn zin maar te genieten viel [zie ook 5.16: 13-14]. (25) De liefde bedrijvend met de godin genoot hij er vele dagen en nachten van om bij haar te zijn en de prikkelende lotussafraangeur op te snuiven van haar gezicht.

(26) Toen Indra Urvas'î niet meer [om zich heen] zag zei hij tot de zangers van de hemel: 'Zonder Urvas'î ziet mijn hemelverblijf er niet meer zo mooi uit.' (27) Dus verzamelden zijn dienaren zich in het holst van de nacht in het donker om de twee lammetjes weg te stelen die Urvas'î als de echtgenote aan de koning had toevertrouwd. (28) Toen zij hen, die zij als haar zoons behandelde, hoorde schreeuwen toen ze werden weggevoerd, zei ze: 'Mijn leven is me weggestolen door deze slechte echtgenoot die denkt dat ie een held is maar geen echte man is! (29) Vertrouwend op hem die zich overdag laat zien als een man maar zich 's nachts bang stilhoudt als een vrouw, hebben dieven zich meester gemaakt van mijn twee zoons.'

(30) Getroffen door de pijlen van haar woorden nam hij als een aangevuurde olifant in het donker woest een zwaard ter hand en ging hij, zonder zich aan te kleden, achter ze aan. (31) Toen zij [de Gandharva's] de lammetjes prijsgaven, baadden ze de plek in een licht dat zo fel was als de bliksem. Daardoor kon Urvas'î haar echtgenoot naakt met de twee lammetjes in zijn handen zien terugkeren.... [en dus verliet ze hem]. (32) Toen Purûravâ zijn vrouw niet meer in bed aantrof, raakte hij zeer terneergeslagen. Al te gehecht aan haar raakte hij van streek en begon hij jammerend als een bezetene [op zoek naar haar] de hele aarde af te zoeken. (33) Hij ontdekte Urvas'î in Kurukshetra [een pelgrimsoord, zie ook B.G. 1: 1] aan de Sarasvatî samen met vijf metgezellen. Dolgelukkig sprak Purûravâ één en al glimlach haar aan met de zachtste woorden: (34) 'Oh, mijn echtgenote, ga niet weg, wees niet zo wreed en blijf! Je had me niet in de steek moeten laten omdat ik je tot dusverre niet gelukkig wist te maken. Laten we er even over praten. (35) Dit goede lijf van mij, door jou zo ver weggeleid van huis, zal ter plekke dood neervallen o devî en de vossen en gieren zullen het verslinden, als het je genade niet waard is!'

(36) Urvas'î zei: Je bent een man, geef je leven niet op! Laat je niet door die wolven van de zinnen verslinden. Je kan niet altijd rekenen op de vriendschap van de vrouwen. Die zijn soms als de wolven in hartsaangelegenheden. (37) Pas voor ze op, vrouwen kennen geen genade[, als mannen hun plicht verzaken, zie B.G. 1: 40]. Ze zijn sluw, moeilijk te hanteren, doen waar ze maar zin in hebben en halen jou als trouwe echtgenoot en broeder naar beneden om de geringste reden, zo zegt men. (38) Ze wekken valse hoop in de niets vermoedende, keren hun weldoeners de rug toe, willen steeds maar nieuwere en nieuwere dingen, bezwijken makkelijk voor de verleiding en zijn ware kampioenen van de onafhankelijkheid [als het moet]. (39) Aan het einde van ieder jaar mag jouw goede zelf rekenen op één enkele nacht om met mij de liefde te bedrijven mijn echtgenoot, zodat je, de één na de ander, kinderen op deze wereld zal zetten mijn liefste [zie ook 6.18: 38-42].'

(40) Ziend dat Urvas'î zwanger was keerde hij naar zijn paleis terug. Aan het einde van het jaar op diezelfde plek [te Kurukshetra] zag hij toen Urvas'î weer terug die de moeder van een held was geworden. (41) Met het verkrijgen van omgang met haar genoot hij van haar gezelschap en herenigde hij zich opgetogen met haar. Toen de nacht was verstreken zei Urvas'î tot de arme ziel die in de put zat bij de gedachte van haar gescheiden te zijn: (42) 'Ga en zoek je heil bij de zangers van de hemel, de Gandharva's. Als je ze tevreden stelt met gebeden zullen ze je me bij je brengen.' Zijn [agnisthâlî] vuurpot o Koning, gaf hem toen het idee dat Urvas'î daadwerkelijk met hem door het woud trok. (43) Toen hij terugkeerde uit het woud en de vuurpot had opgegeven begon hij thuis de hele nacht te mediteren. In die tijd stond Tretâ-yuga op het punt zijn aanvang te nemen en voor zijn geestesoog openbaarden zich de drie [trikânda principes van de Veda's van upâsanâ: offeren, lied en gebed; karma: vruchtdragende arbeid en jñâna: spirituele kennis]. (44-45) Zich begevend naar de plek waar hij zijn vuurpot had achtergelaten, zag hij dat er een As'vattha was opgeschoten uit het binnenste van een s'amî-boom. Hij gebruikte het hout om twee stokjes te vervaardigen [om vuur te maken] waarna hij, de meester van het rijk, met mantra's [*], in zijn verlangen om bij Urvas'î te zijn, op haar mediteerde als het liggende houtje, op zichzelf als het bovenste houtje en op dat wat zich tussen hen in bevond als het kind dat hij verwekt had. (46) Uit de wrijving kwam een vuur voort dat, als de zoon van de koning samen met de drie-lettercombinatie A, U en M [de Pranava], in zijn drie vormen voor het geheel van de Vedische praktijk staat [van uit je vader geboren worden, met je geestelijk leraar een leven vinden en arriveren met je eigen praktijk van offeren - wat gerepresenteerd wordt door de drie bekende offervuren genaamd Âhavanîya, Gârhapatya en Dâkashinâgni]. (47) Op die manier aanbad hij die graag bij Urvas'î wilde zijn, de Meester aller Offers, de Hoogste Persoonlijkheid Gods voorbij de zinnen, die de Heer is en het Reservoir van alle Halfgoden [zie ook B.G. 3: 10]. (48) Vroeger [in Satya-yuga] waren alle verbale [Vedische, atharva] uitingen gedekt met slechts één enkele mantra, te weten het omkâra van de Pranava, was Nârâyana de enige God, bestond er maar één vuur en bestond er maar één enkele varna [de klasse genaamd hamsa **]. (49) En zo ontstond met Purûravâ bij de aanvang van Tretâ-yuga het [genoemde] Vedische drietal [van geboorte door karma, upâsana en jñâna] o heerser der mensen. Door eenvoudigweg het vuur op te wekken als zijnde zijn zoon bereikte de koning het hemelverblijf van de Gandharva's.'

*: In deze samenhang is sprake van de mantra's: 's'amî-garbhâd agnim mantha' 'van binnen de s'amî wordt het vuur opgewekt' en 'urvas'yâm urasi purûravâh': 'door Urvas'î het beste van Purûravâ'.  

**: In Satya-yuga, werd Heer Nârâyana aanbeden middels meditatie (krite yad dhyayâto vishnum): iedereen mediteerde en behaalde succes zich bezinnend op Heer Vishnu, Nârâyana. In de volgende yuga, Tretâ-yuga, nam het uitvoeren van offerplechtigheden zijn aanvang (tretâyâm yajato mukhaih). In Dvâpara-yuga wordt de Heer aanbeden als een koning, terwijl in Kali-yuga de Heer er is als Zijn eigen toegewijde [een bedekte of channa-avatâra] om leiding te geven in toewijding.

 

Hoofdstuk 15: Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Uit Urvas'î's schoot kwamen zes zoons ter wereld die werden verwekt door Purûravâ o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (2-3) S'rutâyu had een zoon genaamd Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana ter wereld als zijn zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk. (4) Puru werd verwekt door Jahnu [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] en van hem verschenen daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde uit wiens lendenen de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha verschenen die werden opgevolgd door Gâdhi, de zoon van Kus'âmbu. (5-6) Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka ten huwelijk werd gevraagd, maar toen ze hem niet geschikt achtte gaf koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als de bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe wij behoren, duizend paarden die stralen als het licht van de maan en ieder één zwart oor hebben.' (7) Met dat gezegd zijnde begreep de wijze wat hij in gedachten had. Hij begaf zich naar het verblijf van Varuna, haalde er de paarden en nam ze mee. Toen trouwde hij met de prachtige dochter. (8) De ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder die beiden een zoon wilden, ertoe verzocht een gerecht te bereiden dat hij hen met mantra's aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen. (9) In de tussentijd werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat het de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf de offergave van haar moeder.


(10) Toen de wijze hier achter kwam zei hij tot zijn vrouw: 'Je hebt iets heel verkeerds gedaan! Nu zal je zoon een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn en zal je broer een geleerde in de geesteswetenschap zijn!'

(11) Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Dan zal de zoon van je zoon zo zijn!' Daarna kwam Jamadagni ter wereld.

(12-13) Zij [Satyavatî] werd later ook de grote en heilige Kaus'ikî [een rivier] die de hele wereld zuivert. Jamadagni trouwde met Renukâ, de dochter van Renu. Zij  bracht met de ziener van Bhrigu vele zonen ter wereld van wie Vasumân de oudste was. De alom befaamde Paras'urâma [die eveneens bekend staat als Râma] was de jongste zoon. (14) Hij [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie en zo de aarde bevrijdde van al haar kshatriya's, wordt een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva genoemd. (15) Hij nam van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die het, beheerst door hartstocht en onwetendheid, aan respect ontbrak voor het brahmaanse gezag. Hij doodde ze ondanks het feit dat ze geen grote overtreding hadden begaan [zie ook 1.11: 34].'

(16) De achtenswaardige koning zei: 'Wat was de aard van de overtreding die de edelen die de controle over hun zinnen kwijt waren, begingen jegens de Allerhoogste Heer die telkens weer opnieuw de bestuurders vernietigde?'

(17-19) De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had met het hooghouden van de verering van Dattâtreya die een volkomen deelaspect is van Nârâyana, een duizendtal armen ontwikkeld. Hij die de schrik van zijn vijanden was kon niet worden verslagen, was scherpzinnig, zeer aantrekkelijk, invloedrijk, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Op basis van zijn beheersing van de yoga had hij zich kwaliteiten eigen gemaakt als de perfecties van de animâ-siddhi en dergelijke, en trok hij onvermoeibaar als een wervelwind rond over de gehele wereld. (20) Toen hij eens omringd door prachtige vrouwen genoot van het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenkrans der victorie die hem was omhangen, met zijn armen de stroming van de rivier tot stilstand. (21) De ingebeelde held met de naam Tienhoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen omdat het water dat vanwege hem stroomopwaarts bewoog, zijn kampement onder water had gezet. (22) Nadat hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.

(23) Toen hij [Kârtavîryârjuna] eens tijdens de jacht alleen wat doelloos ronddoolde door het bos, betrad hij de âs'rama van Jamadagni muni. (24) De wijze kon op basis van zijn verzaking, vanwege zijn koe van overvloed [kâmadhenu], die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, alles bieden waar maar behoefte aan was. (25) Toen de koning zag wat die weelde inhield die zijn eigen persoonlijke verworvenheden overtrof, kon hij dat niet echt op prijs stellen en ontwikkelde zich bij hem en zijn Haihaya's een verlangen die koe van het vuuroffer te bezitten. (26) In zijn hoogmoed zette hij zijn mannen er toe aan de koe van overvloed van de wijze af te pakken en haar samen met haar kalf naar Mâhishmatî te brengen terwijl ze schreeuwde vanwege het geweld. (27) Nadat de koning vertrokken was vernam Paras'urâma, toen die was teruggekeerd naar [zijn vader's] âs'rama, van de schandelijke daad en werd hij zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft. (28) Niet in staat te accepteren wat er gebeurd was nam hij een gruwelijke hakbijl ter hand, een koker pijlen, een boog en een schild en ging hij achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt. (29) Toen de koning de hoofdstad binnenging zag hij de beste der Bhrigu's achter zich aankomen in woede verzet met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl in zijn handen. Hij was bedekt met een zwart hertenvel, had samengeklitte lokken en straalde als het zonlicht. (30) Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur, maar Paras'urâma, de Heer en Meester, doodde hen woedend allen eigenhandig. (31) Als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl doodde hij zo snel als de wind en zo rap als de geest de vijandelijke troepen waarvan toen her en der de afgehakte armen, benen en schouderpartijen op de grond vielen samen met de berijders van de olifanten en de paarden die gesneuveld waren. (32) Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts. (33) Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene van allen die gewapend waren, sneed ze met behulp van slechts één boog met zijn pijlen allemaal aan stukken. (34) De koning viel opnieuw aan met eigenhandig uit de aarde gerukte bomen en rotsen, maar toen hij kwam aanstormen op het slagveld werden door Paras'urâma's messcherpe bijl met grote kracht al zijn armen er afgehakt als waren het slangenkragen. (35-36) Nadat hij was ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van zijn romp gescheiden. Zo gauw hun vader werd gedood vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst. Daarop de vuurofferkoe en het kalf halend die zwaar te lijden hadden gehad, keerde de Doder van Alle Valse Heldhaftigheid terug naar zijn vader's hermitage en droeg hij ze aan hem over.  (37) Râma beschreef zijn vader en broers wat hij allemaal gedaan had. Nadat Jamadagni dat gehoord had sprak hij als volgt:

(38) 'Râma o Râma, machtige held, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die god der mensen die al de halfgoden belichaamt. (39) Wij zijn brahmanen mijn beste, mensen die door hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben. Het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen. (40) Door vergevingsgezind te zijn straalt de voorspoed, het geluk en succes van de religieuze praktijk als de schittering van de zon. De Allerhoogste Heer Hari, onze Meester, is snel tevreden met hen die vergeven. (41) Als je een koning die befaamd is als keizer doodt is dat erger dan het doden van een brahmaan. Was daarom die zonde van je af mijn beste, door de heilige plaatsen te eerbiedigen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'

*: De Mahâbhârata beschrijft een akshauhinî in de Âdi parva, hoofdstuk twee: "Eén strijdwagen, één olifant, vijf infanterie soldaten en drie paarden worden een patti genoemd door hen die thuis zijn in de wetenschap. Mensen met ervaring weten ook dat een senâmukha drie keer is was een patti is. Drie senâmukha's staan bekend als gulma, drie gulma's worden een gana genoemd, en drie gana's heten een vâhinî. Drie vâhinî's wordt door degenen die het weten beschouwd als een pritanâ, drie pritanâ's staan gelijk aan een camû, en drie camû's komen overeen met een anîkinî. Zij die weten refereren aan tien anîkinî's als zijnde een akshauhinî. De strijdwagens van een akshauhinî worden door hen die goed kunnen tellen beraamd op 21.870, o beste van de twee-maal geborenen, en het aantal olifanten is hetzelfde. De hoeveelheid infanteriesoldaten bedraagt 109.350, en het aantal paarden 65.610. Dit is wat men een akshauhinî noemt."

 

Hoofdstuk 16: Hoe Heer Paras'urâma Er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen

(1) S'rî S'uka zei: 'O zoon van de Kurudynastie, Paras'urâma die aldus door zijn vader van advies was gediend zei: 'Zo zij het!', waarop hij een jaar lang alle heilige plaatsen afreisde. Daarna keerde hij naar de âs'rama terug. (2) Toen Renukâ [zijn moeder] zich op een dag naar de oever van de Ganges begaf, zag ze de koning van de Gandharva's [zie ook 9.14: 31] die, omhangen met een bloemenslinger van lotussen, zich vermaakte met de meisjes van de hemel, de Apsara's. (3) Ze observeerde zijn bezigheden toen ze naar de rivier ging voor wat water. Lichtelijk aangetrokken tot Citraratha, vergat ze de tijd voor het vuuroffer. (4) Toen ze zich realiseerde dat ze de tijd uit het oog verloren had was ze, teruggekeerd, bang om door de wijze te worden vervloekt en stond ze met gevouwen handen voor hem terwijl ze de waterpot voor hem had neergezet. (5) De wijze begreep dat ze had afgeweken van de regel en werd kwaad op zijn vrouw. Hij zei: 'Verwijder haar mijn zoons, ze is vol van zonde', maar de zoons voerden zijn opdracht niet uit. (6) Râma die er door zijn meditatie en verzaking geheel van doordrongen was waar de wijze toe in staat was [en heilig vertrouwde op zijn gezag], maakte in reactie op de aansporing van zijn vader direct een einde aan zijn moeder en al zijn broers. (7) Toen Jamadagni daarover tevreden hem vroeg welke gunst hij verleend zou willen zien zei hij: 'Geef hen die we verloren het leven weer terug en laten ze zich niets meer herinneren van hun bestraffing!' (8) Spoedig herrezen ze springlevend en gelukkig alsof ze ontwaakten uit een diepe slaap. Râma was immers tot het bestraffen van zijn naasten overgegaan in het volle bewustzijn van de macht van zijn vaders verzaking.

(9) De zonen van Kârtaviryârjuna [9.15: 17] o Koning, konden [ondertussen] geen vrede hebben met de voortdurende herinnering dat hun vader het onderspit moest delven vanwege de superieure macht van Paras'urâma. (10) Dus namen ze op een dag toen Râma en zijn broeders weg van de âs'rama in het bos waren, de kans waar om zinnend op wraak hun verblijfplaats te benaderen. (11) Toen ze de muni bij de vuurplaats aantroffen waar hij volledig verzonken zat te contempleren op de Allerhoogste Geprezen in de Verzen, brachten ze vastbesloten tot het kwade hem ter dood. (12) Hoogst wreed tegenover de arme en onbeschermde moeder van Râma die smeekte om het leven van haar echtgenoot, sloegen zij, die 'kshatriya'-broeders, gewelddadig zijn hoofd van zijn romp en namen het mee. (13) Renukâ, de kuise vrouw treurend in tranen verzet, sloeg zich met haar handen op het lijf en riep luid uit: 'O Râma, o Râma, mijn liefste zoon!' (14) Toen zij [Râma en zijn broeders] het geluid van die hoogst verdrietige schreeuw 'O Râma!' hoorden, haastten ze zich [ookal waren ze] ver weg, terug naar de âs'rama waar ze zagen dat hun vader was vermoord. (15) Verbijsterd door de schok treurden ze allen en zeiden ze kwaad, verslagen, triest en verontwaardigd: 'O vader, o heilige man, u die zo'n voorbeeld van dharma vormt, bent nu naar de hemel vertrokken en hebt ons achtergelaten!' (16) Aldus huilend over hun vader vertrouwde Paras'urâma het lichaam aan zijn broers toe en nam hij persoonlijk de bijl ter hand, vastbesloten om een einde te maken aan de kshatriya's. (17) Râma ging naar Mâhishmatî [de hoofdstad] die verdoemd was omdat een brahmaan vermoord was. Daar bouwde hij midden in de stad een grote stapel op van de hoofden die hij van hun rompen scheidde.  (18-19) Hun bloed vormde een schrikwekkende rivier die al de heersers die de brahmaanse cultuur minachtten angst aanjaagde. Omdat de kshatriya's, de edelen, zijn vader  hadden vermoord, trad hij op in hun nadeel en vaagde hij tot eenentwintig keer toe hen allen van de aarde. In de gedaante van een krijgsheer schiep hij aldus te Samanta-pañcaka negen meren gevuld met bloed in plaats van met water [zie ook B.G. 4: 7].

(20) Hij voegde zijn vaders hoofd weer bij zijn romp, legde hem op kus'agras en aanbad met offerandes de Godheid, het Ware Zelf, de bezieling van de halfgoden. (21-22) Hij gaf de hotâ-priester de oostelijke richting, de brahmâ-priester gaf hij de zuidelijke richting, de adhvaryu-priester gaf hij de westkant en de udgâtâ-priester kreeg het noorden [vergelijk met 9.11: 2]. De anderen en Kas'yapa Muni wees hij de verschillende uithoeken toe en het middelste Âryâvarta gedeelte [*] schonk hij de upadrashthâ-priester die toezicht hield op de mantra's. De assisterende sadasya-priesters kregen alles wat er overbleef. (23) Toen hij daarna een bad nam raakte hij, op de oever van de hoofdstroom die de Sarasvatî was, gezuiverd van alle smetten [die resteerden van het doden van de kshatriya's] en straalde hij als een wolkenloze zon [zie ook B.G. 3: 9]. (24) Door Paras'urâma's eerbetoon herkreeg Jamadagni zijn lichaam met alle tekenen van bewustzijn en werd hij de zevende ziener in de constellatie van de zeven wijzen [zie 8.13: 5, gekoppeld aan de saptarshi-mandala sterren rond de poolster]. (25) Paras'urâma, de zoon van Jamadagni die tevens de Allerhoogste Heer met de lotusblaadjesogen is, zal in het volgende tijdperk van Manu o Koning, een voorvechter van de Vedische kennis zijn [als één van de zeven wijzen van die periode, zie 8.13: 15-16]. (26) Hij die in vrede met de intelligentie de roede heeft opgegeven, is tot op de dag van vandaag nog aanwezig in de heuvels van Mahendra en wordt door al de vervolmaakten, de zangers van de hemel en de achtenswaardigen vereerd vanwege zijn karakter en zijn handelingen. (27) Dit is hoe de Ziel van het Universum, de Allerhoogste Heer Hari, de Meester die zich vertoonde als een incarnatie in de lijn van Bhrigu en vele malen de heersers der mensen ter dood bracht, de aarde bevrijdde van haar zware last.

(28) Van Gâdhi's lendenen [zie 9.15: 4-5] kwam de hoogst machtige [Vis'vâmitra] ter wereld. Hij zo perfect als een vuur gaf de kshatriya-positie op en verwierf met zijn boetedoeningen de kwaliteit van een brahmaan [zie 7.11: 35 en voetnoot op 9.7: 7]. (29) Vis'vâmitra had ook zoons: honderd-en-één stuks o heerser. Vanwege de middelste die Madhucchandâ heette werden zij als groep de Madhucchandâ's genoemd. (30) Hij nam S'unahs'epha, de zoon van Ajîgarta, die met de naam Devarâta ['gered door de goddelijken'] verscheen in de lijn van Bhrigu, aan als zijn zoon. Hij droeg zijn andere zoons op hem te aanvaarden als de oudste. (31) Hij was degene die werd verkocht als het 'offerdier' voor de yajña van Haris'candra. Door zijn gebeden tot de halfgoden onder leiding van Heer Brahmâ werd hij bevrijd van het als een beest vastgebonden zijn [zie 9.7: 20]. (32) Afkomstig van de lijn van Bhrigu was hij ontwikkeld in de spiritualiteit en werd hij daarom door de goddelijken die betrokken waren bij de offerplechtighed voor de goden in bescherming genomen. S'unas'epha werd om die reden in de dynastie van Gâdhi ookwel met de naam Devarâta aangeduid. (33) De vijftig oudste Madhucchandâ's konden het feit [dat hij hun oudste broer zou zijn] niet goed aanvaarden en werden allen vervloekt door de muni die kwaad op hen werd. Hij zei: 'Mogen jullie, slechte zoons, allen mleccha's worden [**]!' (34) Het was Madhucchandâ die toen samen met de rest van de vijftig zoons zei: 'We zullen ons neerleggen bij alles wat u in dezen behaagt o vader!' (35) Ze aanvaardden hem [Devarâta], een ziener van de mantra's, als de oudste en zeiden tegen hem: 'We zullen je volgen.' Vis'vâmitra zei tot de zoons: 'Jullie  zonen zullen allen zonen krijgen omdat jullie voor mijn eer hebben gekozen als een vader van [waardige] zoons. (36) Hij [Devarâta] is mijn zoon, net zoals jullie dat zijn o Kus'ika's [***], gehoorzaam hem alsjeblieft.' En er waren nog vele andere zoons: Ashthaka, Hârîta, Jaya, Kratumân en meer. (37) Aldus is het duidelijk wat, overeenkomstig de verschillende posities die de zoons van Vis'vâmitra verwierven, de takken zijn van de Kaus'ikadynastie [de gehoorzamen, de niet-gehoorzamen en de aangenomenen].'

*: Het stuk land in India tussen het Himalaya gebergte en de Vindhya heuvels wordt Âryâvarta genoemd.

**: Mleccha's zijn mensen die ingaan tegen de Veda's, niet-Aryan's die men ook wel kent als de vleeseters die door Heer Kalki aan het einde van Kali-yuga zullen worden omgebracht. 

***: 'Een van Kaus'ika' is een andere naam voor Vis'vâmitra en zijn zoons, zie ook 6.8: 38.


 Hoofdstuk 17: De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ

(1-3) De zoon van Vyâsa zei: 'Van één zoon van Purûravâ, Âyu [zie 9.15: 1], waren er de machtige zoons Nahusha, Kshatravriddha, Rajî, Râbha en Anenâ. O adellijke heerser, verneem nu over de dynastie van Kshatravriddha. Van Kshatravriddha's zoon Suhotra waren er drie zoons: Kâs'ya, Kus'a en Gritsamada. Van Gritsamada was er S'unaka en van hem verscheen er S'aunaka, een muni die uitblonk in de gewijde [Rig Veda] verzen. (4) Kâs'i de zoon van Kâs'ya verwekte Râshthra die de vader was van Dîrghatama. Van Dîrghatama was er Dhanvantari die een incarnatie van Vâsudeva was, de Genieter der Offers. Hij was de grondlegger van de Ayurvedische geneeskunde. Als men hem in gedachten houdt kan men alle ziekten overwinnen [zie ook 8.8]. (5) Van zijn zoon Ketumân kwam een zoon genaamd Bhîmaratha ter wereld en van hem was er Divodâsa wiens zoon Dyumân ook wel bekend stond als Pratardana. (6) Hij stond eveneens bekend onder de namen S'atrujit, Vatsa, Ritadhvaja en Kuvalayâs'va. Van hem waren er Alarka en andere zoons. (7) O Koning, voor de duur van zes-en-zestigduizend jaren heerste niemand anders dan Alarka als een jonge man over de aarde. (8) Van Alarka was er Santati, door hem kwam Sunîtha ter wereld, zijn zoon was Niketana en Niketana's zoon was Dharmaketu die Satyaketu op de wereld zette. (9) Dhrishthaketu verwekte daarna Sukumâra die de gehele planeet regeerde. Vîtihotra was zijn zoon en Bharga die door hem ter wereld kwam bracht een zoon voort genaamd Bhârgabhûmi o heerser der mensen.


(10) Aldus beschreef ik u al de nakomelingen die werden geboren in de dynastie van Kâs'i die behoren tot de lijn van Kshatravriddha. Van [Kshatravriddha's broer] Râbha kwam de zoon Rabhasa ter wereld. Van hem kwam Gambhîra en Akriya was zijn zoon. (11) De nakomeling die dankzij hem geboren werd heette Brahmavit. Verneem nu over de nakomelingen van Anenâ. Die had een zoon genaamd S'uddha door wie S'uci ter wereld kwam die Citrakrit als zijn zoon had die ook wel bekend stond als Dharmasârathi. (12) Hij werd de vader van S'ântaraja die allerlei soorten Vedische rituelen uitvoerde. Hij was een zelfverwerkelijkte ziel [en met hem eindigde de lijn]. Van Rajî waren er vijfhonderd zoons die hoogst machtig waren. (13) Op verzoek van de goddelijken doodde Rajî de demonen en gaf hij het hemelrijk terug aan Indra, de hemelkoning. Maar Indra, bevreesd voor de vijandschap van Prahlâda en anderen, gaf het terug [aan de demonen] en greep Rajî's voeten beet in overgave. (14) Toen hun vader overleed verzocht de grote Indra de zoons het koninkrijk der hemelen aan hem terug te geven. Dat deden ze niet en gaven hem een aandeel van de offergaven. (15) De geestelijk leraar [Brihaspati] bracht offers in het vuur opdat Indra al Rajî's zoons ter dood kon brengen die van het  rechte pad waren afgedwaald. Geen van hen bleef in leven. (16) Van Kus'a, Kshatravriddha's kleinzoon, kwam Prati ter wereld. Een zoon van hem genaamd Sañjaya had een zoon die Jaya heette die Krita verwekte uit wiens lendenen daarna koning Haryabala zijn geboorte nam. (17) Van Sahadeva die zijn zoon was, verscheen Hîna op de wereld. Zijn zoon Jayasena kreeg Sankriti. Sankriti verwekte er ook een genaamd Jaya die een plichtsgetrouwe kshatriya en machtige krijgsheer was. Dit waren al de koningen in de [Âyu-]dynastie van Kshatravriddha, verneem nu van mij over de nakomelingen van Nahusha.' 


 


Hoofdstuk 18: Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd

(1) S'rî S'uka zei: 'Net zoals een belichaamde ziel zes zintuigen heeft [met de geest als het zesde] waren er van koning Nahusha [een andere zoon van Purûravâ's zoon Âyu] zes zoons, Yati, Yayâti, Samyâti, Âyati, Viyati en Kriti. (2) De oudste zoon Yati aanvaardde het koninkrijk niet dat zijn vader hem bood want hij wist wat het inhield. Een persoon die een dergelijke positie inneemt kan geen ernst maken met zijn zelfverwerkelijking. (3) Toen zijn vader er door de brahmanen toe werd gedwongen om afstand te doen van zijn troon omdat hij Indra's vrouw S'acî had beledigd en hij daarom verviel tot het niveau van een python [een 'geitenverzwelger'], werd Yayâti de koning. (4) Zijn vier jongere broers liet hij de verschillende windstreken besturen. Yayâti die aldus de wereld regeerde huwde de dochters [Devayânî] van S'ukrâcârya en [S'armishthhâ van] Vrishaparvâ.'

(5) De koning zei: 'De machtige ziener S'ukrâcârya was een brahmaan terwijl Yayâti behoorde tot de klasse der kshatriya's. Hoe kon er tegen de gebruiken in een [pratiloma-]huwelijk van een brahmaan[-se dochter] zijn met een kshatriya?' [anuloma, omgekeerd, was meer algemeen].

(6-7) S'rî S'uka zei: 'Op een dag was Vrishaparvâ's dochter genaamd S'armishthhâ, een onschuldig meisje met een hartstochtelijk karakter, bijeen met Devayânî, de dochter van de goeroe en met duizenden van haar vriendinnen. Ze liepen rond in de paleistuin waar het vol stond met bloeiende bomen en waar zandbanken waren met lotusbloemen die gezellig zoemden van de hommels. (8) Toen de lotusogige meisjes arriveerden bij de oever van het meer aldaar, deden ze allen hun kleren uit aan de walkant en begonnen ze zich te vermaken in het water door elkaar nat te spetteren.  (9) Ze zagen [opeens] Heer S'iva voorbij komen gezeten op zijn stier samen met de godin [Pârvatî]. De jonge meisjes kwamen snel uit het water en bedekten zich vol schaamte met hun kledingstukken. (10) Zonder het in de gaten te hebben trok S'armishthhâ de kleren van de dochter van de goeroe aan als waren het haar eigen kleren, waarop Devayânî geïrriteerd dit zei:  (11) 'Kijk nou eens hoe zij als een dienstmeid zonder manieren bezig is. Net als een hond uit op de ghee voor een offerplechtigheid heeft ze het kledingstuk aangetrokken dat voor mij bedoeld was! (12-14) Van ons afstammelingen van Bhrigu beter dan de rest door wiens verzaking deze gehele wereld werd geschapen, van hen die het aangezicht vormen van de Persoonlijkheid van de Transcendentie en door wiens vroomheid het licht van de juiste weg gekend wordt, van hen aan wie de meesters van de wereld, de verlichte zielen van beheersing en zelfs de Allerhoogste Heer, de Zuiverende Superziel en Echtgenoot van de Godin, hun gebeden opdragen, heeft zij, wiens demonische vader een leerling is van onze vader, aangetrokken wat bedoeld was als onze kleding. Het is alsof een onreine s'ûdra de Veda's onder de knie probeert te krijgen!'

(15) S'armishthhâ aldus terecht gewezen ademde zwaar als een slang waarop men heeft getrapt en zei zeer kwaad op haar lip bijtend tegen de dochter van de goeroe: (16) 'Wat een onzin, jij bedelares! Je kent je plaats niet. Ben jij het niet die buiten ons huis staat te wachten [op voedsel] zoals de kraaien dat doen?'

(17) Met deze onaardige woorden haar terecht wijzend griste S'armishthhâ woedend de kleren van de deugdzame dochter van de geestelijk leraar weg en duwde ze haar in een put. (18) Toen ze naar huis ging gebeurde het dat Yayâti, die in de buurt was vanwege een jachtpartij, op die plek arriveerde en, smachtend naar water, haar aantrof in de put. (19) Omdat ze daar geheel naakt zat, gaf de koning haar zijn bovenkleding en legde hij hoogst vriendelijk zijn hand in de hare om haar eruit te trekken. (20-21) De dochter van Us'anâ [ofwel S'ukrâcârya, zie ook B.G. 10: 37] zei met woorden vol van liefde en genegenheid tot de held: 'O Koning nu u, o veroveraar van de steden van de vijand, mijn hand hebt vastgegrepen, hebt u mijn hand aanvaard! Moge die hand door niemand anders dan door u worden aangeraakt, want de relatie tussen u en mij die we nu hebben, werd door de voorzienigheid beschikt o held en niet door de mens! (22) In deze put terecht gekomen heb ik uw goedheid leren kennen. Weet dat geen gekwalificeerde brahmaan mijn echtgenoot kan worden o sterk gearmde, omdat Kaca, de zoon van Brihaspati die ik in het verleden heb vervloekt, daar een vloek tegen uitgesproken heeft [*].'

(23)
Het stond Yayâti niet aan wat door het lot was beschikt, maar voor zichzelf denkend stemde hij echter, tot haar aangetrokken, in met haar voorstel. (24) Nadat de koning was vertrokken vertelde ze, weer naar huis teruggekeerd, in tranen wijselijk alles aan haar vader, verslag doend van wat S'armishthhâ had gedaan en wat er daarna gebeurd was. (25) De machtige denker was er hoogst ongelukkig over. Hij vervloekte het priesterschap, prees de bezigheid van het verzamelen van granen [uñcha-vritti, zie 7.11: 16 en 7.12: 17-19] en verliet toen met zijn dochter zijn verblijfplaats. (26) Koning Vrishaparvâ die begreep dat zijn geestelijk leraar dat uit verzet deed, stemde hem gunstig door zich op straat met zijn hoofd aan zijn voeten neer te werpen. (27) De machtige zoon van Bhrigu, wiens woede niet langer duurde dan een enkel moment, zei toen tot zijn discipel: 'Ik kan haar niet negeren, kom alstublieft aan haar wensen tegemoet o Koning!'

(28) Met zijn instemming om de zaak af te handelen [zoals verzocht] gaf Devayânî uitdrukking aan haar verlangen: 'Aan wie mijn vader mij ook ten huwelijk wegschenkt, moet zij [S'armishthhâ] me begeleiden als mijn horige.'

(29) S'armishthhâ die tezamen met haar vriendinnen door de vader aan Devayânî was geschonken zag in welk gevaar er dreigde [als de âcârya weg zou gaan] en wat het voordeel was van zijn achtenswaardigheid. Daarom was ze met de duizenden andere vrouwen haar van dienst als een bediende. (30) Toen hij zijn dochter [Devayânî] uithuwelijkte aan [Yayâti] de nazaat van Nahusha, zei S'ukrâcârya tot hem: 'O Koning, laat S'armishthhâ nooit en te nimmer toe in uw bed!'

(31) S'armishthhâ  [echter] die [later] zag dat Us'anâ's dochter leuke kinderen had, vroeg hem op een geschikt moment op een afgezonderde plaats, of hij als de echtgenoot van haar vriendin niet voor haar voelde als een trouwe echtgenote. (32) Zich herinnerend wat S'ukra had gezegd toen hij zijn advies gaf voor een moment als dit, nam hij die door de prinses werd verzocht kinderen met haar te hebben, vanuit zijn plichtsbesef en achting voor de religieuze beginselen, toen het besluit om aan haar toe te geven [vergelijk B.G. 7: 11]. (33) Devayânî gaf geboorte aan Yadu en Turvasu. S'armishthhâ, de dochter van Vrishaparvâ, kreeg Druhyu, Anu en Pûru. (34) Toen Devayânî ervan op de hoogte werd gesteld dat S'armishthhâ in verwachting was van haar beschermheer vertrok ze kokend van woede trots naar haar vader's huis. (35) Hij ging zijn lieveling, de lust van zijn leven, achterna en probeerde haar gunstig te stemmen met veelbetekenende woorden en het masseren van haar voeten, maar het was tevergeefs. (36) S'ukra zei kwaad tegen hem: 'Jij rokkenjagende, bedrieglijke kerel, moge jij dwaas, getroffen worden door de misvorming van het lichaam als gevolg van ouderdom.'

(37) S'rî Yayâti zei: 'Tot nu toe is mijn lust met uw dochter nog niet bevredigd o brahmaan!'

[S'ukra antwoordde:] 'Zolang u nog van de lust bent mag u uw ouderdom inwisselen voor de jeugd van iemand die bereid is daarmee in te stemmen.'

(38) Zo kreeg hij de kans om van plaats te verwisselen met zijn oudste zoon. Hij vroeg hem: 'O Yadu, geliefde zoon, schenk me alsjeblieft je jeugd in ruil voor deze ouderdom! (39) Ik ben nog niet bevredigd in mijn zinnelijke behoeften mijn beste zoon. Als jij nu de last van de ouderdom op je neemt die je grootvader [S'ukra] me toewenste, kan ik nog een paar jaar van het leven genieten [zie ook 7.5: 30].'

(40) S'rî Yadu zei: 'Het stemt me niet gelukkig uw oude dag op me te nemen terwijl u jeugdig blijft. Een persoon [als ik] zal nooit bevrijd raken van materiële verlangens zonder dat hij de ervaring van lichamelijk geluk heeft gehad [zie ook 7.12: 9-11 en B.G. 4: 13]!'

(41) De vader vroeg het aan Turvasu, Druhyu en aan Anu o zoon van Bharata, maar ze weigerden het te aanvaarden omdat ze, niet bekend met de ware aard [van de ziel], hun tijdelijkheid aanzagen voor iets permanents. (42) Hij vroeg het aan Pûru die jonger was maar meer gekwalificeerd. Hij zei: 'Mijn beste zoon, jij zou me toch niet afwijzen zoals je oudere broers dat doen, is het wel?' 

(43) S'rî Pûru zei: 'Wie o Koning, o beste onder de mensen, krijgt nu in deze wereld de gelegenheid zijn vader terug te betalen voor het lichaam dat hij hem schonk? Door zijn genade kan men een hoger leven genieten. (44) Hij die handelt naar de wensen van zijn vader is de beste, hij die handelt naar wat hij hem opdraagt is maar middelmatig en van een laag allooi is hij die handelt zonder hem te achten, maar hij die tegen het woord van zijn vader ingaat is als zijn uitwerpselen.'

(45) Pûru was er aldus blij mee de last van zijn vader's ouderdom op zich te nemen, terwijl zijn vader gelukkig was met de bevrediging van de jeugdige verlangens waar hij om gevraagd had o heerser der mensen. (46) Hij [Yayâti] als de heerser van de zeven continenten regeerde als een vader over zijn onderdanen en genoot naar hartelust van het materiële geluk zonder zijn zinnen te moeten beteugelen. (47) Daarnaast verschafte Devayânî haar geliefde echtgenoot als zijn geliefde in alle beslotenheid vierentwintig uur per dag bovenzinnelijke vreugde met haar hele lichaam, geest en woorden en met alles wat erbij kwam kijken. (48) Met verschillende rituelen Hari aanbiddend, de Persoonlijkheid van het Offer, de Godheid en het Reservoir van alle Goddelijkheid en het Voorwerp van alle Vedische Kennis, was Yayâti van een overvloedige liefdadigheid. (49) Dan weer doet heel de in Hemzelf geschapen wereld zich - als een massa wolken in de lucht - voor als een verscheidenheid aan [levens]vormen en dan weer vertoont hij zich niet, als was hij een creatie van de geest zoals in een droom [zie ook B.G. 7: 24-25]. (50) Enkel Hem in zijn hart plaatsend, Heer Vâsudeva, de Ene Nârâyana die in een ieder aanwezig is maar voor niemand zichtbaar is, aanbad hij vrij van verlangens de Allerhoogste Meester. (51) Aldus duizend jaar lang met zijn geest en vijf zintuigen te werk gaand in een idee van werelds geluk, kon hij, de heerser over de hele wereld, vanwege zijn misleidende zinnen geen bevrediging vinden.'

*: Swâmi Prabhupâda verklaart: 'Kaca, de zoon van de geleerde hemelse priester Brihaspati, was een voormalig student van S'ukrâcârya, van wie hij de kunst van het weer opnieuw tot leven wekken van een voortijdig gestorven mens had geleerd. Deze kunst, genaamd mrita-sañjîvanî, werd met name in tijden van oorlog toegepast. Als er eens een oorlog was, zouden er ongetwijfeld soldaten vroegtijdig de dood vinden, maar als het lichaam van een soldaat nog intact was, kon hij weer tot leven worden gewekt middels deze mrita-sañjîvanî kunst. Deze kunst was S'ukrâcârya bekend en ook vele anderen, en Kaca, de zoon van Brihaspati, werd S'ukrâcârya's leerling om dit onder de knie te krijgen. Devayânî verlangde naar Kaca als haar echtgenoot, maar Kaca, uit achting voor S'ukrâcârya, beschouwde de dochter van de goeroe als een te respecteren hoger geplaatste en weigerde daarom met haar te trouwen. Devayânî vervloekte kwaad Kaca, hem zeggend dat hoewel hij de mrita-sañjîvanî kunst had geleerd van haar vader, het hem van geen nut zou zijn. Eenmaal zo vervloekt, sloeg Kaca terug met de vloek dat Devayânî nooit een man zou hebben die een brâhmana was.'


Hoofdstuk 19: Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust

(1) S'rî S'uka zei: 'Hij [Yayâti] die door lust bewogen beheerst werd door de vrouwen, trad er terwille van zijn welzijn
intelligent tegen op. Er vanaf ziend vertelde hij het volgende verhaal aan zijn vrouw [Devayânî].

(2) 'O dochter van S'ukra, luister alsjeblieft naar deze geschiedenis over iemand die zich gedraagt zoals ik, iemand die hecht aan zijn klasse en vanwege wie de nuchtere lieden van het woud [zij die zich daar terugtrokken] boetvaardig zijn. (3) Er was er eens een bok die in het bos op zoek was naar iets eetbaars voor zijn gekoesterde zelf. Het toeval wilde dat hij een geit tegenkwam die door haar eigen toedoen in een put was beland. (4) Door lust gedreven bedacht de bok een manier om haar te bevrijden. Hij begon met de punten van zijn hoorns te woelen in de aarde rondom de put. (5-6) Aldus kwam ze uit de put. De bok dacht dat ze een fraai stel heupen had en zij van haar kant voelde ook wel voor hem als sekspartner, net zoals al de andere geiten dat deden die stonden toe te kijken. Stoer met een goeie baard, vergat die bok als een eersteklas zaaddonor en meesterminnaar, als de bok nummer één voor hen allen, als een bezetene zichzelf compleet. Als de enige man genietend van hun grote aantal was hij steeds overweldigd door zijn lusten [vergelijk 6.5: 6-20]. (7) Toen de geit die in de put was gevallen haar geliefde bezig zag te genieten van een andere geit kon ze dat niet verdragen. (8) Ze vond hem een wellustige, snode zwendelaar, een gelegenheidsvriend die alleen maar geïnteresseerd is in de zinnelijkheid. Bedroefd gaf ze hem op en keerde ze terug naar haar vorige meester. (9) Verslingerd aan haar ging de bok toen gekweld in arren moede achter haar aan en probeerde hij haar onderweg tot vrede te bewegen met uitingen die geiten zo bezigen, maar dat was niet naar haar zin. (10) Een brahmaan die de meester van de geit was sneed kwaad de bungelende testikels van de bok eraf. Later werden ze er door de yoga-expert uit eigenbelang echter weer aangehecht.

(11) O mijn liefste echtgenote, de bok van wie de testikels hersteld waren, genoot vele, vele jaren van de geit die hij uit de put gered had, maar tot op de dag van vandaag zijn zijn wellustige verlangens niet bevredigd. (12) Ik ben net zo'n armzalige sukkelaar. In het gezelschap van jou met je mooie wenkbrauwen ben ik met handen en voeten gebonden aan de liefde en kon ik tot dusverre, begoocheld als ik ben door je uiterlijke verschijning, [daarom] niet van zelfverwerkelijking zijn [vergelijk 3.30: 6-12, 4.25: 56, 4.28: 17, 5.4: 18, 7.14 en 8.16: 9]. (13) De geest van iemand die het slachtoffer is van de lust kan geen bevrediging vinden in al de rijst, de gerst, het goud, de dieren en de vrouwen van deze wereld. (14) De lust der wellustigen zal nooit en te nimmer vrede vinden door genietingen, hij zal net als een vuur dat telkens weer gevoed wordt met boter [alleen maar] toenemen. (15) Als iemand geen levend wezen de les wil lezen, noch ten nadele van wie dan ook bezig is, zullen voor die persoon die [een ieder] gelijkgezind is, alle wegen even gelukkig toeschijnen [zie ook B.G. 2: 56, 2: 71, & 4: 10]. (16) Het verlangen dat zo moeilijk te verzaken is voor onwetende mensen, die grondoorzaak aller beproevingen die nog niet zo snel is overwonnen, moet worden opgegeven door degene die het geluk zoekt. (17) Je moet [zelfs] niet zomaar ergens gaan zitten met je eigen moeder, je zuster of je dochter, daar de zinnen zo krachtig zijn dat ze zelfs de grootste geleerde van streek zullen brengen. (18) Hoewel ik duizend jaar lang onophoudelijk genoot van de bevrediging van mijn zinnen, ontwikkelt dat verlangen zich nog constant. (19) Ik zal daarom deze verlangens opgeven en mijn geest richten op de Absolute Waarheid. Vrij van tegenstellingen en zonder me valselijk te vereenzelvigen zal ik me [aldus] rond bewegen met [de vrijheid van] de dieren in de natuur. (20) Met het waarnemen [van] en luisteren [naar de verlangens], moet men ze zien als iets tijdelijks. Men moet er verder niet over nadenken of naar streven. Hij die ervan doordrongen is dat ze leiden tot de voortzetting van een werelds bestaan en tot vergeetachtigheid omtrent het ware zelf, is een zelfgerealiseerde ziel [zie ook B.G. 2: 13].'

(21) 'Nadat de zoon van Nahusha dit tegen zijn vrouw had gezegd, aanvaardde hij bevrijd van verlangens zijn ouderdom en gaf hij Pûru zijn jeugd terug [zie 9.18: 45]. (22) Hij maakte [van zijn andere, trouwe zoons] Druhyu koning over de zuidoostelijke richting, Yadu over het zuiden, Turvasu over het westelijke gedeelte en Anu over het noorden. (23) De rijkdom en welvaart van de hele planeet plaatste hij onder het gezag van Pûru als de meest bewonderenswaardige van alle burgers. Hij kroonde hem tot keizer over zijn oudere broers en vertrok naar het woud nadat hij aldus zijn zaken had afgehandeld. (24) Hij had zonder onderbreking voor de duur van al die jaren met zijn zes manieren van doen [met zijn zinnen en geest] genoten van het leven. Dat gaf hij allemaal in één keer op [zie ook 2.4: 18], net als een vogel die zijn nest verlaat als zijn vleugels eenmaal volgroeid zijn. (25) Door dat te doen raakte hij direct bevrijd van al zijn gehechtheden en was hij, nu hij zich baseerde op zijn oorspronkelijke zelf, vrij van [de invloed van] de drie geaardheden [zie ook 1.2: 17]. Zuiver in zijn transcendentie bereikte hij de Absolute Waarheid van Vâsudeva hetgeen zijn bestemming was als een overtuigde metgezel van de Allerhoogste Heer. (26) Toen Devayânî het verhaal [over de bok en zijn geiten] hoorde dat voor de grap werd gepresenteerd in de uitwisseling van liefde tussen de twee echtelieden, zag ze in dat het betrekking had op [haar] zelfverwerkelijking. (27-28) Ze begreep dat een leven hebben met vrienden en verwanten die allen onderworpen zijn aan de controle van de strikte wetten der natuur [de Tijd], zoiets is als het omgaan met reizigers bij een waterplaats die [overeenkomstig iemands karma] in het leven werd geroepen door het begoochelend vermogen van de Heer. De dochter van S'ukrâcârya gaf al haar gehechtheden in deze droomachtige wereld op, richtte haar geest geheel op Heer Krishna en schudde de zorgen af [van zowel het grove als subtiele; de linga] van haar zelf. (29) Ik breng U mijn eerbetuigingen o Allerhoogste Heer Vâsudeva, Schepper van Allen die zich ophoudt in alle levende wezens en hemelen. Al mijn respect geldt U die in volmaakte vrede de Grootste van Allen bent!'



Hoofdstuk 20: De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal nu de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata. Uit de heilige koningen van die dynastie kwamen veel brahmaanse geslachten voort. (2) Door Pûru kwam de zoon Janamejaya ter wereld. Pracinvân was zijn zoon en van hem kwam Pravîra ter wereld door wie vervolgens Manusyu verscheen. Hij werd de vader van Cârupada. (3) De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava. Uit Bahugava kwam Samyâti ter wereld die een zoon had genaamd Ahamyâti. Zijn zoon heette Raudrâs'va. (4-5) Net zoals de tien zinnen [van waarnemen en handelen] voortkwamen uit de levenskracht van het oorspronkelijke zelf, kwamen er uit een Apsara meisje genaamd Ghritâcî tien zonen ter wereld: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste. (6) Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon. (7) Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren [brahmanen]. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.

(8-9) Dushmanta ging op een dag uit jagen en kwam aan bij de âs'rama van Kanva. Daar zag hij een vrouw zitten die straalde met een schoonheid gelijk aan die van de godin van het geluk. Haar ziend voelde hij zich meteen sterk aangetrokken tot deze goddelijke manifestatie van de vrouwelijke schoonheid. In het gezelschap van enkele van zijn soldaten richtte hij zich toen tot die beste van al de dames. (10) Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af. Gedreven door lustige verlangens zei hij lachend met aangename woorden: (11) 'Wie ben jij o dame met je lotusblaadjesogen? Bij wie hoor je o schoonheid van mijn hart en wat kom je hier doen zo alleen in het bos?  (12) Je schijnt van koninklijke bloede te zijn. Reken erop dat ik als een nazaat van Pûru o verpletterende schoonheid, nimmer van zins ben om buiten het dharma om wat dan ook te genieten!'

(13) S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik werd geboren uit Vis'vâmitra en werd door Menakâ [mijn moeder] achtergelaten in dit bos. Kanva de machtige heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen? (14) Alsjeblieft kom naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst. Eet wat van de nîvârâ['van een maagd']-rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'

(15) S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'O mooie wenkbrauwtjes, dit past bij de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra. Het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie persoonlijk een geschikte echtgenoot uitkiezen.'

(16) De koning zich bewust van wat gepast was naar gelang de tijd en plaats, zei ja en trouwde toen volgens de regels van het dharma met S'akuntalâ op de gandharva-manier [met wederzijdse instemming]. (17) Trefzeker in zijn mannelijkheid loosde de heilige koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn verblijfplaats. Na de nodige tijd bracht zij toen een zoon ter wereld. (18) Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven rituelen uit voor het kind. Het jongetje stond er later om bekend dat hij met grote kracht een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde. (19) [Zijn moeder S'akuntalâ,] de beste der vrouwen, nam hem die als een deelaspect van de Heer niet te overtreffen was in zijn kracht, met haar mee naar haar echtgenoot [Dushmanta]. (20) Toen de koning ze niet erkende als zijn vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, was er voor iedereen een luid geluid te horen in de hemel. Een onstoffelijke stem verkondigde: (21) 'Een moeder is als een blaasbalg voor de zoon van de vader die hem verwekte. Daarom hoort hij bij de vader. Draag zorg voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet! (22) O Koning, de zoon redt hem die het zaad loosde van de straf van Yamarâja [de dood]. S'akuntalâ die zei dat u de verwekker van dit kind bent heeft de waarheid gesproken.'

(23) Nadat zijn vader was overleden werd hij een befaamde, zegerijke keizer die bekend stond als een gedeeltelijke representatie van de Heer op aarde [zie ook B.G. 10: 41]. (24-26) Hij had het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen. Omdat hij van aanbidding was met een grote rituele plechtigheid verwierf hij de positie als de heer en meester over de hele wereld. Hij gebruikte vijfenvijftig paarden voor het brengen van offers vanaf de monding van de Ganges tot aan de oorsprong. Daartoe stelde hij de zoon van Mamatâ aan als de priester. In diezelfde volgorde ging de meester ook te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha ereplaat voor-]bond. Hij die Bharata heette, de zoon van Dushmanta, bouwde zijn offervuur op de best mogelijke manier, deelde een vermogen uit in liefdadigheid en verdeelde een badva [13.084] koeien onder de aanwezige brahmanen. (27) De zoon van Dushmanta die al de koningen versteld deed staan door voor deze yajña's drieëndertighonderd paarden bijeen te brengen, overtrof [aldus] de weelde der halfgoden en won [de gunst van] de geestelijk leraar [de Heer]. (28) Tijdens de offerplechtigheid te Mashnâra schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs weg van de beste zwarte olifanten met de witste slagtanden, die waren overdekt met gouden sieraden. (29) Net zo goed als het onmogelijk is om de hemelse werelden met de kracht van je armen naar je toe te trekken, is het onmogelijk voor welke koning in het verleden of de toekomst dan ook om de verheven handelingen van Bharata te evenaren. (30) Toen hij al de windrichtingen veroverde doodde hij al de barbaarse heersers over de mensen die gekant waren tegen de brahmaanse cultuur zoals de Kirâta's [Afrikaners], de Hûnân [de Hunnen], de Yavana's [de Grieken], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen], de Kanka's [Scandinaviërs?], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [de Tartaren]. (31) In het verleden, toen de Asura's hadden gezegevierd over de halfgoden en ze terugkeerden naar de lagere werelden [Rasâtala], werden  al de vrouwen en dochters van de godsbewusten afgevoerd naar de onderwereld, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen. (32) Met het in alle windrichtingen sturen van zijn troepen en circuleren van zijn instructies, verschaften zevenentwintigduizend jaar lang hemel en aarde alles wat zijn onderdanen verlangden. (33) Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, die onberispelijk was met de verworvenheden van de macht, het rijk en de staatsorde [beschouwde uiteindelijk] zijn hele leven als vals en dus stopte hij ermee ervan te genieten. (34) Hij, o meester der mensen, had drie echtgenotes, dochters van Vidarbha die allen zeer aangenaam en geschikt waren. Maar omdat ze vreesden zijn genegenheid te verliezen omdat hun zoons niet zo perfect als hun vader waren, brachten ze hen ter dood. (35) Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken. De Maruts presenteerden hem daarop Bharadvâja.

(36) Brihaspati [de geleerde en priester der halfgoden die zijn vader was] voelde zich [in het verleden] aangetrokken tot zijn broer's zwangere echtgenote en wilde de liefde met haar bedrijven, maar toen de zoon in haar schoot hem verbood daartoe over te gaan, vervloekte hij hem en loosde hij zijn zaad alsnog. (37) Voor Mamatâ [de moeder], die van het kind af wilde uit angst te worden verstoten door haar echtgenoot [Utathya], werd bij zijn naamgevingsplechtigheid het volgende vers uitgesproken door de godsbewusten: (38) 'O dwaze vrouw, zorg voor dit kind dat twee vaders heeft.' [Waarop zij antwoorde:] 'O Brihaspati, zorg er zelf voor ook al heeft het dan een andere vader!' Omdat beide ouders zich met het uitspreken van deze woorden er van hadden afgekeerd, werd het kind toen Bharadvâja genoemd ['een last voor beiden']. (39) Hoewel ze er door de godsbewusten toe was aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze van mening was dat het met wat er gebeurd was geen levensdoel had. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'

 

Hoofdstuk 21: De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Van Manyu, de zoon van Vitatha [de naam die Bharadvâja droeg omdat hij aan Bharata werd gegeven], waren er de zonen Brihatkshatra, Jaya, Mahâvîrya, Nara en Garga. Nara had een zoon genaamd Sankriti. (2) Van Sankriti waren er Guru en Rantideva o nazaat van Pându. De heerlijkheid van Rantideva wordt bezongen in deze wereld en in de wereld hierna. (3-5) Levend van wat het lot hem toebedeelde schiep hij [Rantideva] er genoegen in ieder beetje voedsel dat hij had aan anderen uit te delen. Erg arm leefde hij met al zijn familieleden zeer sober en had hij veel te lijden. Op een ochtend toen er achtenveertig dagen waren verstreken en hij zelfs zonder drinkwater zat, gebeurde het dat hij water en verschillende soorten voedsel, toebereid met melk en ghee mocht ontvangen. Terwijl de familie heel wankel op de benen stond vanwege de honger en de dorst die ze leden, arriveerde er op dat moment een brahmaanse gast die ook graag wilde eten. (6) Rantideva zag de Heer als zich bevindend in alles en iedereen [zie B.G. 5: 18] en dus gaf hij vol van respect en geloof hem zijn deel van het voedsel. Nadat de brahmaan gegeten had vertrok hij. (7) Toen hij het voedsel voor de familie had verdeeld en op het punt stond te gaan eten, arriveerde er iemand anders, een s'ûdra die hij, indachtig de Heer, het voedsel gaf dat voor hem, de koning, bestemd was. (8) Nadat de s'ûdra was vertrokken kwam er weer een andere gast langs die werd omringd door honden. Hij zei: 'O koning, geef mij en mijn hongerige honden alstublieft te eten!'

(9) Hij die het gezag uitoefende respecteerde ze met zijn eerbetuigingen en gaf met de grootste achting de honden en hun baasje al het voedsel dat er over was. (10) Van het voedsel bleef alleen het drinkwater over en ook dat moest een uitgestoten ziel tevreden stellen die, net toen de koning wat wilde drinken, langskwam en hem vroeg: 'Ook al ben ik maar van lage komaf, geef me alstublieft wat water!'

(11) Toen hij de deerniswekkende woorden van de uitgeputte man hoorde, sprak hij, diep bewogen, mededogend de volgende nectargelijke woorden: (12) 'Ik verlang niet naar de grootsheid van de acht volkomenheden [de siddhi's] van de Allerhoogste Meester of om het beëindigen van de herhaling der geboorten. Ik aanvaard alle moeilijkheden in het mij ophouden onder de belichaamde levende wezens opdat ze verlost mogen worden van hun ongeluk. (13) Door het overhandigen van mijn drinkwater om deze arme ziel te redden die vecht voor zijn leven, ben ik bevrijd van al de honger, dorst, vermoeidheid en het beven van mijn lichaam, alsook van al de armoede, het leed, het weeklagen, de neerslachtigheid en de verbijstering!' (14) Zich aldus uitdrukkend gaf die sobere, zachtaardige heerser het drinkwater aan de verstoten ziel, hoewel hij zichzelf van de dorst op het randje van de dood bevond. (15) Toen manifesteerden voor zijn ogen de heersers over de drie werelden, de goden die aan hen die de vruchten verlangen alle resultaten verlenen, zich in hun ware gedaanten omdat ze [in hun voorgaande verschijningen in de gedaanten van de brahmaan, de man met de honden, de s'ûdra en de uitgestotene] allemaal creaties waren geweest van de illusoire energie van Vishnu. (16) Waarachtig jegens hen als iemand die er geen materiële verlangens naar enig voordeel of bezit op nahield [zie  B.G. 7: 20] bood hij hen zijn eerbetuigingen terwijl hij zijn geest richtte op Vâsudeva, de Allerhoogste Heer als het uiteindelijke doel. (17) Omdat hij die niets anders wilde dan van dienst zijn zich concentreerde op de Allerhoogste Heer o Koning, was de begoocheling van de materiële kwaliteiten voor hem niet meer dan een droom [zie ook B.G. 7: 14 en 9: 34]. (18) Allen die betrokken waren bij zijn leiderschap, allen die Rantideva volgden, werden eersteklas [bhakti] yogi's die stuk voor stuk Heer Nârâyana waren toegewijd [zie ook B.G. 6: 47].

(19-20) Door Garga [zie vers 1] kwam S'ini ter wereld en van hem verscheen Gârgya uit wie ondanks zijn kshatriya-geboorte een heel brahmanengeslacht voortkwam. Van Mahâvîrya was er Duritakshaya wiens zonen de namen Trayyâruni, Kavi en Pushkarâruni droegen. Zij verwierven in deze lijn allen de positie van brahmanen. Brihatkshatra's zoon Hastî grondvestte de stad Hastinâpura [het huidige Delhi]. (21) Ajamîdha, Dvimîdha en Purumîdha werden de zoons van Hastî. Ajamîdha's nakomelingen werden vooropgegaan door Priyamedha. Ze waren allen brahmanen. (22) Van Ajamîdha was er Brihadishu, zijn zoon was Brihaddhanu, Brihatkâya volgde hem op en hij verwekte een zoon genaamd Jayadratha. (23) Zijn zoon was Vis'ada die Syenajit op de wereld zette. Rucirâs'va, Dridhahanu, Kâs'ya en Vatsa waren de zoons van Syenajit. (24) Rucirâs'va's zoon was Pâra en door Pâra kwamen de zoons Prithusena en Nîpa ter wereld. Nîpa verwekte een  honderdtal zoons. (25) Hij bracht met zijn vrouw Kritvî, die de dochter was van S'uka [niet degene die dit Bhâgavatam spreekt], Brahmadatta voort. Hij was een yogi die in de schoot van zijn vrouw Sarasvatî een zoon verwekte genaamd Vishvaksena. (26) Door hem [Vishvaksena] werd overeenkomstig de instructie van de rishi Jaigîshavya een beschrijving van de yoga [een zogenaamde tantra] opgesteld. Hij had een zoon genaamd Udaksena die de vader werd van Bhallâtha. Deze nakomelingen werden de Brihadishu's genoemd. (27) Yavînara, de zoon van Dvimîdha, had Kritimân als zijn zoon. Die verwekte de welbekende Satyadhriti wiens zoon Dridhanemi de vader was van Supârs'va. (28-29) Supârs'va had Sumati wiens zoon Sannatimân er een had genaamd Kritî. Hij ontving van Heer Brahmâ het mystieke vermogen en onderrichtte zes samhitâ's van Prâcyasâma-verzen [uit de Sâma Veda]. Van hem kon Nîpa zijn geboorte nemen die Udgrâyudha verwekte.  Udgrâyudha's zoon heette Kshemya die vervolgens Suvîra op de wereld zette. Uit Suvîra kwam Ripuñjaya voort. (30) Zijn zoon heette Bahuratha. Purumîdha [de jongere broer van Dvimîdha] had geen zoon. Ajamîdha kreeg met zijn echtgenote Nalinî de zoon Nîla die daaropvolgend S'ânti als zijn zoon had. (31-33) S'ânti's zoon Sus'ânti kreeg de zoon Puruja. Arka was zijn zoon en door hem kwam Bharmyâs'va ter wereld. Die had  vijf zonen. Mudgala, de oudste, gevolgd door Yavînara, Brihadvis'va, Kâmpilla en Sañjaya. Hij zei tegen hen: 'Mijn zoons, aangezien jullie er allen het talent voor hebben, draag alsjeblieft zorg voor de vijf staten.' Aldus kregen ze de naam de Pañcâla's [naar de vijf staten]. Van Mudgala was er een lijn bestaande uit brahmanen die bekend staat als Maudgalya. (34) Mudgala, Bharmyâs'va's zoon, werd de vader van een niet-identieke tweeling bestaande uit een zoon en een dochter. Het jongetje kreeg de naam Divodâsa en het meisje de naam Ahalyâ. Uit haar huwelijk met Gautama kwam S'atânanda ter wereld [dit zijn namen die ook vermeld staan in de Ramâyana]. (35) Van hem was er een zoon genaamd Satyadhriti, die een expert was in het boogschieten. S'aradvân, die zijn zoon was, zette een mannelijk en een vrouwelijk kind op de wereld. Door alleen maar Urvas'î te zien, was zijn zaad op een pol s'ara-gras terecht gekomen. De twee vormden een grote zegen. (36) Tijdens de jacht ronddolend zag koning S'ântanu de tweeling. Uit mededogen nam hij ze toen met zich mee naar huis. De jongen noemde hij Kripa en het meisje Kripî. Zij werd later de vrouw van Dronâcârya.'

 


Hoofdstuk 22: De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Divodâsa kwam Mitrâyu ter wereld en zijn zoons, o beschermer der mensen, waren Cyavana, Sudâsa, Sahadeva en Somaka. Somaka was daarop de vader van Jantu. (2) Van hem waren er een honderdtal zoons en Prishata was de jongste van hen. Prishata verwekte Drupada die in ieder opzicht van de weelde was. (3) Draupadî [de echtgenote van de Pândava's] werd verwekt door Drupada. Zijn zoons werden aangevoerd door Dhrishthadyumna die Dhrishthaketu op de wereld zette. Al deze nakomelingen van Bharmyâs'va [9.21: 31-33] staan bekend als de Pâñcâla's.

(4-5) Riksha was een andere zoon die door Ajamîdha op de wereld werd gezet. Hij verwekte Samvarana van wie er uit zijn vrouw Tapatî, de dochter van de zonnegod, Kuru ter wereld kwam [zie stamboom], de koning van Kurukshetra. Parîkshi, Sudhanu, Jahnu en Nishadha waren Kuru's zoons. Van Sudhanu kwam Suhotra ter wereld en van hem kwam Cyavana er van wie Kritî er was. (6) Uparicara Vasu kwam ter wereld door Kritî en zijn zoons met Brihadratha voorop waren Kus'âmba, Matsya, Pratyagra, Cedipa en anderen. Zij heersten allen over de staat Cedi. (7) Kus'âgra zag van Brihadratha het levenslicht. Zijn zoon Rishabha verwekte Satyahita die als zijn nakomeling Pushpavân had wiens zoon Jahu was. (8) Brihadratha verwekte bij een andere vrouw van hem een zoon [die werd geboren] in twee helften. De moeder gooide ze naar buiten, maar ze werden door Jarâ [de dochter van de Tijd, zie ook 4.27: 19] spelenderwijs verenigd terwijl ze zei: 'Kom tot leven, kom tot leven'. Aldus werd een zoon genaamd Jarâsandha ['Jarâ's hermafrodiet'] geboren [die later een gezworen vijand van Heer Krishna zou zijn]. (9) Hij zette toen Sahadeva op de wereld die Somâpi als zoon kreeg uit wie S'rutas'ravâ werd geboren. Parîkshi [een andere zoon van Kuru] had geen kinderen terwijl er van Jahnu een ter wereld kwam die Suratha heette. (10) Van hem was er Vidûratha door wie Sârvabhauma ter wereld kwam. Hij kreeg Jayasena en van zijn zoon Râdhika verscheen de zoon Ayutâyu. (11) Ayutâyu werd de vader van Akrodhana die een zoon had genaamd Devâtithi. Door hem kwam Riksha ter wereld die een zoon had genaamd Dilîpa en van hem was er de zoon genaamd Pratîpa. (12-13) Van hem verschenen er de zoons Devâpi, S'ântanu en Bâhlîka. Het was Devâpi, de oudste, die zijn vader's rijk afwees en naar het woud vertrok zodat S'ântanu koning werd. Hij was in een voorgaand leven de beroemde Mahâbhisha geweest. Wie hij ook maar aanraakte met zijn handen werd jong, hoe oud die persoon ook was. (14-15) Omdat men hoofdzakelijk door de aanraking van zijn handen gezuiverd raakte stond hij bekend als S'ântanu. Toen Indra, de koning van de hemel, het twaalf jaar lang niet liet regenen in zijn koninkrijk, kreeg S'ântanu van zijn brahmanen te horen: 'U verkeert in overtreding tegenover uw oudere broer [Devâpi], door het koninkrijk te genieten vóór hij dat deed [en bent aldus een parivettâ]. Geef  terwille van de volle ontwikkeling van uw veste en koninkrijk, onmiddellijk het rijk aan hem terug.'

(16-17) Aldus geadviseerd door de brahmanen verzocht hij Devâpi zorg te dragen voor het koninkrijk. Maar die liet uit zijn antwoord blijken dat hij zijn geloof in de Veda's had verloren. Dat was gebeurd omdat in het verleden de brahmanen, ertoe aangezet door S'ântanu's minister, hem woorden hadden ingefluisterd die onverenigbaar waren met de Vedische voorschriften. Toen dat was gezegd [en S'ântanu het rijk alsnog op zich nam] liet de halfgod de regens nederdalen. Devâpi zocht daarna zijn toevlucht in het stadje Kalâpa waar hij zich toelegde op de praktijk van de yoga [en hij is daar tot op de dag van vandaag nog mee bezig]. (18-19) Als de Somadynastie in Kali Yuga is verdwenen zal die [door hem] aan het begin van de volgende, te weten Satya Yuga, opnieuw worden gevestigd. Bâhlîka [S'ântanu's broer] bracht Somadatta voort en van hem waren er Bhûri, Bhûris'ravâ en S'ala. S'ântanu verwekte in zijn vrouw Gangâ de zelfgerealiseerde toegewijde en geleerde Bhîshma [zie ook 1.9], die de beste verdediger van het dharma is. (20) Door hem, de eerste onder de strijders, werd zelfs Paras'urâma - tot zijn eigen voldoening -  in een gevecht verslagen [*]. In de schoot van [Satyavatî] de dochter van Dâsa [een visser **] verwekte S'ântanu de zoon Citrângada. (21-24) Citrângada werd door een Gandharva met dezelfde naam gedood. Vicitravîrya was een jongere broer  van hem. Samen met zijn moeder [Satyavatî] schonk de wijze Parâs'ara [voorafgaand aan haar huwelijk met S'ântanu] het leven aan een rechtstreekse expansie van de Heer, een grote muni die de Veda's beschermde: Krishna Dvaipâyana Vyâsadeva [ook wel Bâdarâyana genoemd] door wie ik  [S'ukadeva] ter wereld kwam. Ik  bestudeerde onder hem dit [Bhâgavatam] grondig. Hij de [gedeeltelijke] incarnatie van de Heer, wees zijn leerlingen Paila en anderen af. Maar mij, zijn zoon die zich verre hield van de zinsbevrediging, onderrichtte hij deze allerverhevenste literatuur van de vertrouwelijke kennis. Vicitravîrya trouwde later met de twee dochters van Kâs'îrâja genaamd Ambikâ en Ambâlikâ die met geweld uit het huwelijksperk van uitverkiezing werden weggekaapt. Maar omdat hij in zijn hart al te gehecht was aan beiden stierf hij aan een tuberculose-infectie. (25) Met het uitblijven van nageslacht van de halfbroer werden er door Vyâsadeva [in devarena sutotpatti, zie voetnoot 9.6] op verzoek van zijn moeder [Satyavatî] zoons verwekt: Dhritarâshthra, Pându [respectievelijk bij Ambikâ en Ambâlikâ] alsmede de zoon Vidura [die hij verwekte bij Vicitravîrya's dienstmaagd, zie ook 1.13]. (26) Uit Gândhârî de vrouw van Dhritarâshthra namen een honderdtal zoons geboorte o beschermer der mensen. Duryodhana was de oudste. Er was ook een dochter die Duhs'alâ heette.

(27-28) Pându moest vanwege een vloek zijn seksuele leven onderdrukken en daarom werden de [Pândava] helden, de drie zoons [Bhîma, Arjuna] met Yudhishthhira voorop verwekt uit [zijn vrouw] Kuntî door Dharma [de god der vroomheid], Anila  [de god van de wind] en Indra [gezwegen over Karna die door de zonnegod ter wereld kwam]. Nakula en Sahadeva werden in de schoot van Mâdrî verwekt door de twee As'vins [Nâsatya en Dasra]. Van deze vijf broers kwamen [uit Draupadî] vijf zoons ter wereld: uw ooms. (29) Yudhishthhira kreeg de zoon Prativindhya, Bhîma kreeg S'rutasena, van Arjuna kwam er S'rutakîrti en van Nakula verscheen er S'atânîka. (30-31) Sahadeva o Koning, had S'rutakarmâ. Verder had Yudhishthhira nog de zoon Devaka uit Pauravî en had Bhîma Ghathotkaca uit Hidimbâ en Sarvagata uit Kâlî. Sahadeva verwekte in Vijayâ, de dochter van de Himalayakoning [Pârvatî], de zoon Suhotra. (32) Nakula had met Karenumatî een zoon genaamd Naramitra en Arjuna verwekte de zoon Irâvân samen met Ulupî [een Nâga-dochter] en de zoon Babhruvâhana met de prinses van Manipura. Hoewel Babhruvâhana Arjuna's zoon was, werd hij [vanwege een gestelde huwelijksvoorwaarde] geadopteerd door de schoonvader.

(33) Uw vader Abhimanyu werd ter wereld gebracht door Subhadrâ [Krishna's zuster getrouwd met Arjuna]. Hij was een grote held die al de Atiratha's versloeg ['zij die een duizend strijdwagenvechters kunnen trotseren']. Door hem nam u geboorte uit Uttarâ. (34) Ten tijde van de vernietiging van de Kurudynastie probeerde As'vatthâmâ u ook ter dood te brengen met de hitte van het brahmâstra-wapen, maar door de genade van Heer Krishna werd u dat einde bespaard [zie 1.8]. (35) Uw zoons mijn beste, met Janamejaya voorop en dan S'rutasena, Bhîmasena en Ugrasena, zijn allen van een grote macht. (36) Als Janamejaya ontdekt dat u bent gestorven als gevolg van Takshaka, zal hij in grote woede alle slangen offeren in een vuurceremonie. (37) Nadat hij iedere uithoek van de wereld veroverd heeft zal hij Tura, de zoon van Kalasha, aanstellen als zijn priester en zal hij offers brengen in as'vamedha-offerplechtigheden waarmee hij bekend zal staan als Turuga-medhashâth ['hij die vele paardenoffers brengt']. (38) S'atânîka, zijn zoon, zal onder leiding van Yâjñavalkya de drie Veda's grondig bestuderen alsmede de manier waarop de geestelijke kennis [met rituelen] in de praktijk moet worden gebracht. Hij zal zich de militaire wetenschap [van Kripâcârya] eigen maken en zal met S'aunaka tot realisatie van de bovenzinnelijke waarheid komen. (39) Zijn zoon Sahasrânîka, zal een zoon krijgen met de naam As'vamedhaja en door hem zal Asîmakrishna zijn geboorte nemen die een zoon zal verwekken die Nemicakra heet. (40) Als Hastinâpura onder water komt te staan vanwege de rivier [de Ganges], zal hij [Nemicakra] noodgedwongen gaan wonen in Kaus'âmbî, waarna er van zijn zoon genaamd Citraratha de zoon S'uciratha zal verschijnen. (41) Ook van hem zal er een zoon zijn, Vrishthimân, die vervolgens Sushena zal verwekken, een keizer. Zijn zoon Sunîtha zal er een krijgen genaamd Nricakshu en hij zal Sukhînala op de wereld zetten. (42) Pariplava zal zijn zoon zijn en van Sunaya die hem opvolgt zal Medhâvî verschijnen. Nripañjaya zal zijn zoon zijn en hij zal Dûrva op de wereld zetten die Timi zal verwekken. (43) Van Timi zullen we Brihadratha zien verschijnen wiens zoon Sudâsa de zoon S'atânîka zal verwekken. S'atânîka zal een zoon krijgen genaamd Durdamana wiens zoon Mahînara zal heten. (44-45) Dandapâni verwekt door hem, zal Nimi het leven schenken door wie Kshemaka ter wereld zal komen. Met Kshemaka als de monarch die de rij sluit zal er een einde komen aan deze [maan]dynastie, deze bron van brahmanen en kshatriya's die wordt gerespecteerd door de zieners en goddelijken in Kali Yuga. In de toekomst zullen er verder de koningen van Mâgadha zijn. Laat me u over hen vertellen.

(46-48) Sahadeva [de zoon van Jarâsandha] zal de zoon Mârjâri krijgen. S'rutas'ravâ zal zijn zoon zijn, Yutâyu zal hem opvolgen en Niramitra die dan volgt zal Sunakshatra op de wereld zetten. Sunakshatra zal Brihatsena verwekken en zijn zoon Karmajit zal Sutañjaya krijgen wiens zoon Vipra er een ter wereld zal brengen die S'uci heet. Kshema die door hem ter wereld komt zal Suvrata op de wereld zetten en hij zal Dharmasûtra doen verschijnen. Zijn zoon Sama zal Dyumatsena verwekken die wordt opgevolgd door Sumati uit wiens lendenen Subala geboorte zal nemen. (49) Van Sunîtha [Subala's zoon] zal Satyajit er zijn en zijn zoon Vis'vajit zal Ripuñjaya doen verschijnen. De lijn van Brihadratha waarin deze koningen hun geboorte nemen, zal een duizendtal jaren voortduren.'

 (Afbeelding: de stamboom  van Kuru tot aan de Pândava's)

*: Het gevecht tussen Paras'urâma en Bhîshmadeva betreft drie dochters van Kas'îrâja - Ambikâ, Ambâlikâ en Ambâ - die met geweld werden ontvoerd door Bhîshmadeva ten behoeve van zijn broer Vicitravîrya. Ambâ dacht dat Bhîshmadeva met haar zou trouwen en raakte tot hem aangetrokken, maar Bhîshmadeva weigerde met haar te trouwen daar hij de brahmacarya-eed had afgelegd. Ambâ benaderde daarom Bhîshmadeva's militaire geestelijk leraar Paras'urâma die Bhîshma opdroeg met haar te trouwen. Bhîshmadeva weigerde en daarom vocht Paras'urâma met hem om hem ertoe te dwingen het huwelijk te accepteren. Maar Paras'urâma werd verslagen en hij was tevreden over Bhîshma.

**: Satyavatî was eigenlijk de dochter van Uparicara Vasu uit de schoot van de vissersvrouw die bekend staat als Matsyagarbhâ. Later werd Satyavatî opgevoed door een visser. 



Hoofdstuk 23: De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Van Anu [de vierde zoon van Yayâti, zie 9.17, 9.18 & 9.19] waren er de drie zonen Sabhânara, Cakshu en Pareshnu. Van Sabhânara kwam daarna Kâlanara ter wereld waarop een zoon van hem werd geboren genaamd Sriñjaya. (2) Van Janamejaya [die hem opvolgde] was er een zoon  genaamd Mahâs'âla die Mahâmanâ verwekte. Us'înara en Titikshu waren de twee zoons van Mahâmanâ. (3-4) S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier zoons die Us'înara op de wereld zette. Vrishâdarbha, Sudhîra, Madra en de zelfgerealiseerde Kekaya waren de vier zoons die geboorte namen uit de lendenen van S'ibi. Titikshu had er een genaamd Rushadratha die Homa het leven schonk en hij verwekte op zijn beurt weer Sutapâ. Bali was Sutapâ's zoon. (5) Anga, Vanga, Kalinga, Suhma, Pundra en Odra stonden bekend als de zoons die werden geboren uit het zaad van Dîrghatama die de vrouw van de grote veroveraar Bali bezwangerde. (6) Hun namen werden verleend aan de zes staten die ze schiepen in het oosten [van India]. Uit Anga vond Khalapâna zijn bestaan en van hem verscheen vervolgens Diviratha ter wereld. (7-10)  Van zijn zoon Dharmaratha, kwam Citraratha ter wereld die bekend stond als Romapâda. Omdat Romapâda geen zoons had bood zijn vriend Das'aratha hem zijn dochter S'ântâ [ter adoptie]. Die trouwde toen met Rishyas'ringa [een kluizenaar die in het woud leefde, zie ook 8.13: 15-16]. Maar omdat de godheid [Indra] niet voor de nodige regen zorgde werd Rishyas'ringa aangesteld [als priester]. Dit gebeurde met behulp van courtisanes die dansend en zingend hem verbijsterden met muziek, omhelzingen en eerbetoon. Terwille van koning Das'aratha [de schoonvader] die geen zoons had organiseerde hij [Rishyas'ringa] toen een marutvân [zoonbrengende] offerplechtigheid om kinderen te krijgen [alsook regen, zie B.G. 3: 14]. Aldus kreeg hij die zonder een opvolger zat nageslacht [vier zoons]. Romapâda kreeg de zoon Caturanga die Prithulâksha op de wereld zette. (11) Brihadratha, Brihatkarmâ en Brihadbhânu waren zijn zoons. Van de oudste [Brihadratha] verscheen Brihanmanâ ten tonele en van hem was er een zoon die de naam Jayadratha kreeg. (12) Vijaya met hem geboren uit Sambhûti had daarna Dhriti en van hem nam Dhritavrata zijn geboorte van wie Satkarmâ er kwam die Adhiratha kreeg. (13) Op een dag zich vermakend aan de oever van de Ganges trof Adhiratha in een mand een baby aan. Die was achtergelaten door Kuntî omdat hij was geboren voordat ze getrouwd was. Daar hij geen zoon had adopteerde hij het kind als zijn eigen zoon [Karna]. (14) O meester van het universum, Vrishasena was Karna's zoon. Van Druhyu [Yayâti's derde zoon] was er een zoon genaamd Babhru die vervolgens Setu verwekte. (15) Ârabdha die hij verwekte kreeg de zoon Gândhâra en die zette Dharma op de wereld. Hij op zijn beurt had Dhrita als zijn zoon en van Dhrita was er de zoon Durmada die Pracetâ voorbracht die een honderdtal zonen had. (16) Die koningen [de z.g. Pracetâ's] aanvaardden het gezag over het noorden, over de ongeciviliseerde gebieden van Mlecchades'a [de barbaren]. Turvasu [Yayâti's tweede zoon] kreeg de zoon Vahni en Vahni verwekte Bharga die Bhânumân als zijn zoon had. (17) Zijn zoon Tribhânu had er ook een. Dat was de edelmoedige Karandhama. Zijn zoon heette Maruta. Hij had geen zoons en adopteerde een Paurava [Dushmanta, zie ook 9.20: 7] als zijn zoon. (18-19) Dushmanta keerde terug naar zijn clan [de Puru's] omdat hij de troon ambieerde.

Van Yayâti's eerste zoon Yadu was er een dynastie o beste der mensen en die zal ik u nu beschrijven. Om te vernemen over de Yadudynastie is iets zeer vrooms dat al de [terugslagen van de] zonde in de menselijke samenleving overwint. Een ieder die er enkel maar naar luistert raakt bevrijd [van de nasleep] van alle zonde. (20-21) In deze dynastie daalde de Opperheer [Krishna] neder, de Superziel, die eruitzag als een normaal mens [zie ook 1.2: 11]. Yadu bracht vier zoons voort die de namen Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu droegen. S'atajit de zoon van [Sahasrajit] de oudste, had de zoons Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya. (22) Dharma was de zoon van Haihaya en zijn zoon Netra was de vader van Kunti [niet Kuntî]. Sohañji was de zoon van Kunti en hij verwekte Mahishmân die de zoon Bhadrasenaka had. (23) Durmada en Dhanaka waren de zoons van Bhadrasena en Dhanaka zette de zoons Kritavîrya, Kritâgni, Kritavarmâ en Kritaujâ op de wereld. (24) Van Kritavîrya was er Arjuna [Kârtavîryârjuna] die keizer werd over de zeven continenten. Hij kreeg van Heer Dattâtreya, die een [ams'a-]incarnatie is van de Allerhoogste Persoonlijkheid, al de grote kwaliteiten [de acht siddhi's] van de yoga [zie ook 9.15, 10.73 & 12.3]. (25) Niemand op aarde kon zich meten met Kârtavîrya's kwaliteiten van opoffering, liefdadigheid, verzaking, mystiek vermogen, scholing, kracht en genade. (26) Voor de duur van vijfentachtigduizend jaar werden [onder zijn heerschappij] de zes vormen van plezier [overeenkomstig de zinnen en de geest] genoten met onverminderde kracht, een voortdurende weelde en een niet aflatende herinnering. (27) In de strijd [tegen Paras'urâma] bleven er maar vijf van zijn duizenden zoons in leven: Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita. (28) Jayadhvaja verwekte de zoon Tâlajangha die na hem een honderdtal zonen op de wereld zette. Die vormden een clan kshatriya's die bekend stonden als de Tâlajangha's die werden vernietigd door de grote macht [die Mahârâja Sagara had] ontvangen van de wijze Aurva [zie 9.8: 3-7]. (29) Van Tâlajangha's oudste zoon Vîtihotra was er de zoon Madhu die [ook] een honderdtal zonen kreeg. Van de welbekende oudste van hen genaamd Vrishni was er de dynastie [met die naam].

(30-31) O Koning, de Yâdava-, Mâdhava- en Vrishnidynastieën [van Heer Krishna's voorvaderen] ontleenden hun namen aan hun leidende persoonlijkheden. Yadu's zoon Kroshthâ kreeg een zoon met de naam Vrijinavân. Zijn zoon was Svâhita die daarop Vishadgu kreeg die de vader werd van Citraratha. Citraratha zette S'as'abindu op de wereld, een grote yogi die een zeer fortuinlijke, grote persoonlijkheid werd die, ongeslagen als keizer, al de veertien soorten van grote rijkdom genoot [*]. (32) S'as'abindu had tienduizend vrouwen en in hen verwekte hij die zo beroemd was tienduizend lakhs [**] zonen [en kleinzonen]. (33) Van hen kennen we slechts de zes meest vooraanstaande. Prithus'ravâ [een van hen] had een zoon met de naam Dharma. Us'anâ, zijn zoon, bracht honderd as'vamedha offers. (34) Us'anâ's zoon Rucaka had vijf zonen genaamd Purujit, Rukma, Rukmeshu, Prithu en Jyâmagha. Verneem nu alstublieft over hen. (35-36) Jyâmagha had geen zoons maar was niettemin bang om een andere vrouw te nemen vanwege zijn echtgenote S'aibyâ. Hij bracht [op een dag] een sensueel meisje met zich mee uit het kamp van een vijandelijke clan. Toen S'aibyâ het meisje op haar plaats op de wagen zag zitten, werd ze zeer boos en zei tegen haar echtgenoot: 'Wie is dit die je het hebt toegestaan om op mijn plaats op de wagen te gaan zitten, jij bedrieger?'

'Ze is je schoondochter' zei hij haar toen, waarop ze met een glimlach tot haar man zei:

(37) 'Ik ben onvruchtbaar en ik heb ook geen bijvrouw, hoe kan zij dan mijn schoondochter zijn?'

'Mijn Koningin', [antwoordde hij,] 'Dit
meisje hier zal zeer geschikt zijn voor de zoon die je ter wereld zal brengen!'

(38) Met de [door Jyâmagha gunstig gestemde] halfgoden en voorouders die daarmee instemden, raakte S'aibyâ zwanger zodat ze na de nodige tijd een zoon ter wereld bracht. Die zoon was de zegenrijke, welbekende Vidharba die later met het deugdzame meisje trouwde dat werd aanvaard als de schoondochter.'

*: In de Mârkandeya Purâna worden de veertien juwelen van een keizer als volgt omschreven: (1) een olifant, (2) een paard, (3) een strijdwagen, (4) een echtgenote, (5) pijlen, (6) een bron van weelde, (7) een bloemenslinger, (8) kostbare kleding, (9) bomen, (10) een speer, (11) een strop, (12) juwelen, (13) een parasol, en (14) regulerende beginselen.

**: Een lakh is honderdduizend.

 


Hoofdstuk 24: De Yadu- en Vrishnidynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'Vidarbha [de zoon van de Yadu Jyâmagha] verwekte in haar [het meisje dat zijn vader bracht,  zie 9.23: 35-38] de twee zoons Kus'a en Kratha en een derde [eveneens, zie 9.23: 7-10] genaamd Romapâda die de favoriet van de Vidarbhadynastie was. (2) Romapâda's zoon was Babhru, van Babhru kwam Kriti ter wereld en van zijn zoon Us'ika was er de zoon Cedi [zie ook 9.22: 6] die Damaghosha [de vader van S'is'upâla] en andere beschermers van de mensen op de wereld zette. (3-4) Van Kratha was er een zoon genaamd Kunti die Vrishni op de wereld zette die vervolgens Nirvriti verwekte. Uit zijn lendenen werd hij die de naam Das'ârha droeg geboren. Hij was de vader van een zoon genaamd Vyoma die Jîmûta verwekte. Jîmûta had Vikriti als zijn zoon en die stond aan de wieg van Bhîmaratha wiens zoon Navaratha de zoon Das'aratha kreeg. (5) S'akuni [Das'aratha's zoon] was de vader van Karambhi die een zoon verwekte genaamd Devarâta. Zijn zoon was Devakshatra en van hem was er Madhu die de zoon Kuruvas'a kreeg die Anu op de wereld zette. (6-8) Van Puruhotra, de zoon van Anu, was er Ayu. Ayu had Sâtvata als zijn zoon en die verwekte zeven zonen genaamd Bhajamâna, Bhaji, Divya, Vrishni, Devâvridha, Andhaka en Mahâbhoja, o waarde vriend. Van Bhajamâna kwamen er van één vrouw de zoons Nimloci, Kinkana en Dhrishthi ter wereld terwijl er van een andere vrouw evenzo drie zoons genaamd S'atâjit, Sahasrâjit en Ayutâjit werden geboren o meester. (9) Van Devâvridha was er de zoon Babhru en over die twee worden door de oudere generatie twee verzen aangehaald. 'We hoorden via via, maar zagen ook met eigen ogen het volgende: (10-11) Babhru was de beste onder de mensen en Devâvridha stond gelijk aan de halfgoden.' en 'Vanwege Babhru en Devâvridha hebben al de veertienduizendvijfenzestig personen [die na hen verschenen] de onsterfelijkheid bereikt.' In de dynastie van Mahâbhoja die een hoogst religieuze ziel was, verschenen de heersers die de koningen van Bhoja worden genoemd.

(12) Van Vrishni [de zoon van Sâtvata] verschenen er de zoons Sumitra en Yudhâjit o onderwerper van de vijanden. S'ini en Anamitra werden toen [door Yudhâjit] op de wereld gezet en van Anamitra verscheen de zoon Nighna. (13) Nighna was de vader van de zoons Satrâjita en Prasena. Anamitra had een andere zoon die ook S'ini heette en zijn zoon was Satyaka. (14) Yuyudhâna die er van Satyaka was kreeg Jaya en van hem was Kuni er wiens zoon Yugandhara was. Een andere zoon van Anamitra was Vrishni. (15) S'vaphalka en Citraratha waren de zoons van Vrishni. Akrûra werd door S'vaphalka verwekt in Gândinî. Akrûra was de oudste naast nog twaalf andere zeer gevierde zoons: (16-18) Âsanga, Sârameya, Mridura, Mriduvit, Giri, Dharmavriddha, Sukarmâ, Kshetropeksha, Arimardana, S'atrughna, Gandhamâda en Pratibâhu. Naast deze twaalf zoons was er nog een dochter genaamd Sucârâ. Van Akrûra waren er twee zoons genaamd Devavân en Upadeva. Citraratha had vele zonen met Prithu en Vidûratha voorop die bekend staan als de zonen van Vrishni.

(19) Kukura, Bhajamâna, S'uci en Kambalabarhisha [waren de zoons van Andhaka, zie 6-8]. Kukura had een zoon genaamd Vahni door wie Vilomâ ter wereld kwam. (20) Zijn zoon Kapotaromâ kreeg de zoon Anu die een vriend had genaamd Tumburu [een beroemde Gandharva, een muzikant]. Van Andhaka [Anu's zoon] was er Dundubhi die Avidyota het leven schonk die een zoon op de wereld zette die Punarvasu heette. (21-23) Van hem waren er Âhuka en Âhukî, een zoon en een dochter. Van Âhuka waren er de zoons Devaka en Ugrasena. Devaka had vier zoons: Devavân, Upadeva, Sudeva en Devavardhana. Er waren ook zeven dochters o beschermer van de mens: S'ântidevâ, Upadevâ, S'rîdevâ, Devarakshitâ, Sahadevâ, Devakî en Dhritadevâ die de oudste was. Vasudeva [Krishna's vader] trouwde met hen. (24) Kamsa, Sunâmâ, Nyagrodha, Kanka, S'anku, Suhû, Râshthrapâla, Dhrishthi en Tushthimân waren de zonen van Ugrasena. (25) Ugrasena's dochters Kamsâ, Kamsavatî, Kankâ, S'ûrabhû en Râshthrapâlikâ werden de echtgenotes van de jongere broers van Vasudeva.

(26) Vidûratha [de zoon van Citraratha] verwekte S'ûra die een zoon had genaamd Bhajamâna uit wiens lendenen S'ini zijn geboorte nam. S'ini was de vader van de zoon Bhoja wiens zoon bekend staat als Hridika. (27) Zijn zonen heetten Devamîdha, S'atadhanu en Kritavarmâ. Van Devamîdha was er [een andere zoon genaamd] S'ûra die een vrouw had die Mârishâ heette. (28-31) In haar verwekte hij tien zoons: Vasudeva, Devabhâga, Devas'ravâ, Ânaka, Sriñjaya, S'yâmaka, Kanka, S'amîka, Vatsaka en Vrika. Toen Vasudeva zijn geboorte nam heetten de godsbewusten hem welkom met het geluid van paukengeroffel. Hij wordt ook wel Ânakadundubhi ['geroffelde pauk'] genoemd omdat hij de Heer Zijn plaats van geboorte bood. S'ûra's dochters Prithâ [de moeder van Arjuna, Krishna's neef en vriend] S'rutadevâ, S'rutakîrti, S'rutas'ravâ en Râjâdhidevî waren zijn vijf zussen. Vader S'ûra gaf Prithâ aan een kinderloze vriend genaamd Kunti. [Daarom staat ze ook wel bekend als Kuntî].

(32) Zij ontving van Durvâsâ, die ze had behaagd, de kennis om iedere halfgod aan te kunnen roepen. Om dat vermogen uit te proberen riep zij, die vrome ziel, de zonnegod aan. (33) Toen ze de godheid voor zich zag verschijnen, was ze zeer verrast en zei ze: 'Neem 't me niet kwalijk o godheid, keert u alstublieft weer terug. Ik deed dit alleen maar om te zien wat het zou doen!'

(34) [De zonnegod gaf ten antwoord:] 'Om niet vruchteloos te zijn in uw ontmoeting met een godheid zal ik u een zoon in uw schoot bezorgen en het zo voor u regelen o mijn schone dame, dat u niet wordt onteerd.'

(35) Met die belofte maakte de zonnegod haar zwanger en keerde hij terug naar zijn hemelverblijf. Direct daarop werd er een kind geboren dat leek op een tweede zonnegod. (36) Bang voor wat de mensen ervan zouden denken gaf ze met grote spijt dat kind op [Karna: 'in het oor'] door het te laten wegdrijven in het water van de rivier [in een mandje, zie ook 9.23: 13]. Uw vrome en ridderlijke overgrootvader Pându was degene die [later] met haar trouwde.

(37) Uit het huwelijk van S'rutadevâ [Kuntî's zuster] met Vriddhas'armâ, de koning van Karûsha, werd Dantavakra geboren. Dantavakra was [de incarnatie van] degene die een zoon werd van Diti [genaamd Hiranyâksha] nadat hij was vervloekt door de wijzen [door de Kumâra's, zie Jaya en Vijaya]. (38) Dhrishthaketu, de koning van Kekaya, huwde [Kuntî's zuster] S'rutakîrti met wie hij vijf zoons had waarvan Santardana de oudste was. (39) Râjâdhidevî trouwde met Jayasena en bracht twee zonen ter wereld [genaamd Vinda en Anuvinda]. S'rutas'ravâ trouwde met Damaghosha, de koning van Cedi. (40) Haar zoon was S'is'upâla. Zijn geboorte besprak ik reeds [7.1: 46; 7.10: 38]. Devabhâga [een van Vasudeva's broers] had met de echtgenote Kamsâ [de zoons] Citraketu en Brihadbala. (41) Devas'ravâ zette samen met Kamsavatî de zonen Suvîra en Ishumân op de wereld. Kanka verwekte samen met zijn vrouw Kankâ de zonen Baka, Satyajit en Purujit. (42) Sriñjaya had met Râshthrapâlikâ zoons met Vrisha en Durmarshana als de oudsten. S'yâmaka zette samen met S'ûrabhûmi de zonen Harikes'a en Hiranyâksha op de wereld. (43) Samen met Mis'rakes'î, een meisje uit de hemel, verwekte Vatsaka Vrika en andere zoons. Vrika schonk zijn echtgenote Durvâkshî zonen met Taksha, Pushkara en S'âla voorop. (44) S'amîka was getrouwd met Sudâmanî en werd de vader van zonen waarvan Sumitra en Arjunapâla de oudsten waren. Ânaka verwekte bij zijn vrouw Karnikâ de twee zoons Ritadhâmâ en Jaya.

(45) De vrouwen van Ânakadundubhi [Vasudeva, zie ook 21-23] waren allereerst Devakî en verder Pauravî, Rohinî, Bhadrâ, Madirâ, Rocanâ en Ilâ  [zie ook 21-23]. (46) De zonen die Vasudeva verwekte in Rohinî waren Krita, de oudste zoon en Bala, Gada, Sârana, Durmada, Vipula, Dhruva en anderen. (47-48) Bhûta de oudste zoon, Subhadra, Bhadrabâhu, Durmada en Bhadra behoorden tot de twaalf zoons die uit Pauravî geboorte namen. Nanda, Upananda, Kritaka, S'ûra en anderen waren de zoons van Madirâ, terwijl Kaus'alyâ [Bhadrâ] slechts aan één zoon geboorte gaf die Kes'î heette. (49) Vasudeva verwekte in de schoot van Rocanâ Hasta, Hemângada en anderen. In Ilâ verwekte hij de zoons met Uruvalka als de oudste die de leidende persoonlijkheden waren van de Yadudynastie. (50) Ânakadundubhi verwekte in Dhritadevâ één zoon: Viprishthha, terwijl Pras'ama, Prasita en anderen de zonen waren die hij had met S'ântidevâ o Koning. (51) Met Upadevâ waren er tien zoons waarvan Râjanya, Kalpa en Varsha de oudsten waren. Vasu, Hamsa, Suvams'a en anderen waren de zes zoons [die Vasudeva had] met S'rîdevâ. (52) Met zijn vrouw Devarakshitâ schonk hij het leven aan negen zoons van wie Gadâ de eerste was. Bij Sahadevâ verwekte Vasudeva acht zoons. (53-55) Deze zonen met S'ruta en Pravara [of Pauvara] voorop, waren van hetzelfde dharma als de Vasu's [ze waren hun incarnaties]. Vasudeva verwekte in Devakî acht zeer geschikte zoons: Kîrtimân, Sushena, Bhadrasena, Riju, Sammardana, Bhadra en [Bhagavân] Sankarshana, de Heer der serpenten [de heerser over het ego, zie 3.26: 25]. De achtste die van hen verscheen was de Heer in eigen persoon [Heer Krishna]. Subhadrâ [Zijn zuster] is zoals u weet, uw zo hoogst fortuinlijke grootmoeder o Koning.

(56) Wanneer, waar dan ook, het dharma in verval raakt en er een toename van zondige activiteiten is, zal op dat moment de Allerhoogste Heer, de Allerhoogste Meester Hari, zich manifesteren [zie B.G. 4: 7]. (57) Het mededogen van de Heer met de gevallen zielen is de enige reden dat Hij Zijn geboorte neemt en in actie komt o grote leider. Hij is de Oorspronkelijke Meester in het Voorbije, de Getuige die de Superziel is [zie ook B.G. 8: 4]. (58) Hij spant Zich er genadevol voor in om aan de begoochelende werking van het materiële bestaan, aan de mâyâ van het [herhaaldelijk] ontstaan, voortbestaan en weer teloorgaan van de levende wezens, een einde te maken zodat ze hun ware zelf kunnen bereiken [zodat ze terug kunnen keren naar huis, terug naar God, zie B.G. 15: 7 en 13: 20-24]. (59) Hij streeft ernaar om de grote militaire machten uit de wereld te helpen door hun demonische heersers die zich koningen noemen, tegen zichzelf op te laten trekken [zie ook 1.11: 35, 3.3 en 7.9: 43]. (60) Zelfs voor de grootste heersende persoonlijkheden der verlichting [Brahmâ en S'iva] gaan de activiteiten die de Allerhoogste Heer, de doder van Madhu, met Sankarshana [Balarâma] aan de dag legde, het verstand te boven. (61) Hij vertoonde Zijn vrome activiteiten enkel om de toegewijden Zijn genade te tonen en de duisternis te verdrijven van de misère en het weeklagen van hen die hun geboorte nemen in dit Kalitijdperk. (62) Hij wiens oren zich slechts één enkele keer mochten verheugen in het met gevouwen handen luisteren naar Zijn heerlijkheden - die de beste van alle heilige plaatsen zijn -, raakt bevrijd van zijn sterke verlangen naar karmische handelingen.  (63-64) Hij die steeds tewerk ging met de ondersteuning van de lofwaardige Kuru's, Sriñjaya's, Pândava's, Bhoja's, Vrishni's, Andhaka's, Madhu's, S'ûrasena's en Das'ârha's, behaagde de menselijke samenleving met Zijn beminnelijke glimlachen, instructies, heldhaftige, grootmoedige avonturen en Zijn persoonlijke gedaante die zo aantrekkelijk is in ieder opzicht. (65) Al de mannen en vrouwen [van Vrindâvana] die nimmer genoeg konden krijgen van de aanblik van Zijn gezicht en voorhoofd die schitterend waren opgesierd met de haaienvormige oorhangers aan Zijn prachtige oren,  zij die zich laafden aan Zijn glimlachen vol plezier die een eeuwigdurend feest voor het oog waren, werden allen boos op hun eigen ogen als ze maar even knipperden [zie ook B.G. 7: 3]! (66) Toen Hij Zijn geboorte had genomen liet Hij het huis van Zijn vader achter Zich en bracht Hij voorspoed in Vraja [en Vrindâvana]. Hij doodde er vele demonen, Hij aanvaardde vele duizenden van de fijnste vrouwen als Zijn echtgenotes en verwekte honderden zoons. Hij, de Allerhoogste Persoon, was van aanbidding met vele offerplechtigheden en verbreidde met die achting voor de Vedische rituelen Zijn roem onder de mensen [onder de huishouders, zie ook B.G. 4: 8]. (67) Op het slagveld [van Kurukshetra] maakte Hij een einde aan de overlast aan Kurupersoonlijkheden op deze aarde. Onder Zijn toeziend oog werden al de baatzuchtige heersers vernietigd ter gelegenheid waarvan Hij [aan Arjuna] uitlegde wat in het leven nu de overwinning van een verovering [in de vorm van toewijding] inhoudt [zie Gîtâ]. Tenslotte keerde Hij, na Uddhava te hebben geïnstrueerd over de bovenzinnelijkheid [zie 3.2, 3.4: 29, elfde Canto], terug naar Zijn hemelverblijf.'

(Afbeelding:  stamboom van Purûravâ tot aan Krishna)

 Aldus eindigt het negende canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: Bevrijding.


  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/ .
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/