Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
CANTO 9:
Bevrijding
Hoofdstuk 1 Koning Sudyumna Wordt een Vrouw
Hoofdstuk 2 De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu
Hoofdstuk 3 Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni
Hoofdstuk 4 Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni
Hoofdstuk 5 Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha
Hoofdstuk 6 De Val van Saubhari Muni
Hoofdstuk 7 De Nazaten van Koning Mândhâtâ
Hoofdstuk 8 De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva
Hoofdstuk 9 De Dynastie van Ams'umân
Hoofdstuk 10 Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra
Hoofdstuk 11 Heer Râmacandra Regeert de Wereld
Hoofdstuk 12 De Dynastie van Kus'a, de Zoon van Heer Râmacandra
Hoofdstuk 13 Het Verhaal van Nimi en de Dynastie van zijn Zoon Mithila.
Hoofdstuk 14 Koning Purûravâ in de Ban van Urvas'î
Hoofdstuk 15 Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer
Hoofdstuk 16 Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen
Hoofdstuk 17 De Dynastieën van de Zoons van Purûravâ
Hoofdstuk 18 Koning Yayâti Herkrijgt zijn Jeugd
Hoofdstuk 19 Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust
Hoofdstuk 20 De Dynastie van Pûru tot aan Bharata
Hoofdstuk 21 De Dynastie van Bharata: het Verhaal van Rantideva
Hoofdstuk 22 De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's
Hoofdstuk 23 De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna
Hoofdstuk 24 De Yadu en Vrishni Dynastieën, Prithâ en de Glorie van Heer Krishna
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, een lid van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerde in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi 's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.
Koning Sudyumna Wordt een Vrouw
(1) De koning zei: 'Ik heb geluisterd naar uw beschrijvingen over al de tijdperken van de Manu's en al de wonderbaarlijke handelingen die de Heer der Eeuwige Heldhaftigheid tentoonspreidde in die perioden. (2-3) Hij die bekend stond onder de naam Satyavrata, de wijze koning en heerser over Dravidades'a, ontving aan het einde van de voorgaande dag van Brahmâ de geestelijke kennis door de Oorspronkelijke Persoon van dienst te zijn [de purusha]. Van u hoorde ik hoe hij daadwerkelijk als een zoon van Vivasvân [de zonnegod] aldus de Manu werd. U hebt gesproken over zijn vele zoons, de koningen aangevoerd door Ikshvâku [8.13: 1]. (4) O brahmaan, beschrijf alstublieft ieder van de dynastieën van die koningen en wat hen kenmerkte, o hoogst fortuinlijke, daar zij staan voor het eeuwige van onze dienst aan u. (5) Alstublieft vertel ons over de wederwaardigheden van al die vrome en gevierde zielen die hebben geleefd, die in de toekomst er zullen zijn en waar we in het heden mee leven.'
(6) S'rî Sûta zei: "Aldus in de bijeenkomst van al de volgelingen van het brahmaanse ertoe verzocht door Parîkchit gaf de meest geleerde in het dharma, de machtige S'uka een antwoord. (7) S'rî S'uka zei: 'Verneem nu van mij over de dynastie van Manu, o onderwerper der vijanden, zover als mogelijk besproken, omdat men er in nog geen honderd jaar mee klaar zou zijn dat uitvoerig te doen. (8) Toen de Superziel die de Oorspronkelijke Transcendentale Persoon is van alle hogere en lagere levensvormen zich aan het einde van de kalpa bevond, was er buiten Hem niets van dit universum of wat dan ook te bekennen. (9) Uit Zijn navel kwam een lotus voort en op die lotus, o Koning, was er de uit zichzelf geborene met zijn vier hoofden [zie ook 3.8]. (10) Marîci nam geboorte uit Brahmâ's geest en van hem was er Kâs'yapa die daarna in de dochter van Daksha, Aditi, Visvasvân verwekte als zijn zoon [zie ook 6.6: 38-39]. (11-12) Van hem verscheen in Samjñâ, Manu S'râddhadeva en in zijn vrouw S'râddha verwekte hij vanuit zijn zelfbeheersing tien zoons die van hem de namen Ikshvâku, Nriga, S'aryâti, Dishtha, Dhrishtha, Karûshaka, Narishyanta en Prishadhra, en Nâbhaga en Kavi de machtige kregen. (13) Aanvankelijk had hij, de Manu, geen zoon maar de grote persoonlijkheid, de machtige Vasishthha, bracht voor de halfgoden Mitra en Varuna een offer dat voor een zoon zou zorgen. (14) Maar S'râddha, Manu's echtgenote, die zoals staat voorgeschreven met eerbetuigingen en het zich houden aan een payo vrata [gelofte van enkel drinken, zie 8.16] naar voren trad, smeekte de dienstdoende priester om een dochter. (15) Aldus verzocht voerde de ritvik de ceremonie uit, met grote aandacht met de ghee aan de slag om een begin te maken met de offerande waarbij de brahmaan de mantra 'vashat' ['voor het Levend Wezen'] opzei.
(16) Met die overtreding van de dienstdoende priester werd een dochter geboren genaamd Ilâ ['de uitgieting'] en Manu toen hij haar zag, zei toen misnoegd tot zijn goeroe: (17) 'O mijn heer, wat is dit nou, als gevolg van wat jullie volgelingen van Brahmâ hebben gedaan, is er helaas dit tegenovergestelde resultaat dat pijnlijk afwijkt van wat er naar de mantra's die werden gebruikt was te verwachten; dit had nooit mogen gebeuren! (18) Hoe kon, van de associatie der wijzen en geleerden, van u allen zo bewust van de Absolute Waarheid en zo zelfbeheerst in boetvaardigheid, met alle onzuiverheden weggebrand, er een dergelijke ongerijmdheid, zo een valsheid, zijn met wat het plan was?'
(19) Toen hij hem dat hoorde zeggen, de meest machtige, de Manu, sprak, met begrip voor de vergissing begaan door de dienstdoende priester, hun overgrootvader Vasishthha tot de zoon van de zonnegod. (20) 'Ondanks dit afwijkend resultaat als gevolg van wat uw priester verkeerd heeft gedaan, ben ik ertoe in staat u te verzekeren van een fraaie zoon!'
(21) Aldus besloten, o Koning, droeg de beroemde, machtige meester Vasishthha gebeden op aan de Oorspronkelijke Persoon om bij Ilâ een keer tot de mannelijkheid te bewerkstelligen. (22) Door hem behaagd verleende de Allerhoogste Beheerser Hari de verlangde gunst zodat Ilâ veranderde in een mooie man genaamd Sudyumna. (23-24) Toen Sudyumna eens op jacht was in het woud, o Koning, begeleid door een gezelschap van getrouwen en rijdend op een paard uit Sindhupradesha, ging hij noordwaarts achter de dieren aan, ter gelegenheid waarvan hij als een held was uitgerust met zijn boog en pijlen en een opvallend mooi kuras. (25) Aan de voet van de berg Meru betrad hij het Sukumâra bos alwaar de machtige Heer S'iva geniet met zijn vrouw Umâ. (26) Daar binnengegaan zag Sudyumna, de held die allen de baas was, zichzelf inderdaad in een vrouw veranderen en zijn paard in een merrie, o heerser der mensen [zie ook 5.17: 15]. (27) Zo geschiedde het dat hij met al zijn metgezellen in het andere geslacht veranderde en toen ze elkaar op die manier aanschouwden raakten ze diep in de put.'
(28) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'Hoe kan dat gebied een dergelijke kwaliteit bezitten of om welke reden, o machtige, vond dat plaats, hierover zou ik u graag willen zien uitwijden.'
(29) S'rî S'uka antwoordde: 'Ooit kwamen daar in dat bos de grote heiligen op bezoek bij de Heer van de Berg, S'iva; als de besten in de eed hadden ze alle duisternis overwonnen van welke kant ook en zo kwamen ze daar dan aan. (30) Ambikâ [Durgâ] die naakt op de schoot van haar man zat schaamde zich diep toen ze hen zag en snel stond ze op om haar borsten te bedekken. (31) De heiligen die zagen hoe de twee daar van de sex genoten zagen van hun voornemens af en verlieten onmiddellijk die plek om naar de âs'rama van Nara-Nârâyana te gaan. (32) Om die reden zei de machtige heer voor het genoegen van zijn lieveling: 'Een ieder die deze plaats betreedt zal bijgevolg ter plekke in een vrouw veranderen!' (33) Sedertdien betraden met name mannen dat bos niet meer in de buurt waarvan zij [Sudyumna] in het gezelschap van haar metgezellen gedoemd was rond te zwerven. (34) Met haar, de meest opwindende vrouw, op deze manier omringd door andere vrouwen rondhangend in de buurt van zijn âs'rama, begeerde de machtige Budha [de zoon van de maan en de godheid van Mercurius] het haar te genieten. (35) Zij verlangde er ook naar om hem, de mooie zoon van de koning van de maan, als echtgenoot te hebben en zodoende bracht ze van hem een zoon ter wereld genaamd Purûravâ. (36) Op deze manier het tot de vrouwelijkheid hebben gebracht herinnerde Sudyumna, als een koning geboren uit Manu, zich Vasishthha, de geestelijk leraar van de familie, zo heb ik vernomen. (37) Toen die hem in die toestand zag was hij zeer bedroefd en de mannelijkheid verlangend begon hij vanuit zijn genade tot Heer S'ankara [S'iva] te bidden. (38-39) Tevreden met hem, o wetsdienaar, zei hij om zijn woord gestand te doen en om de wijze zijn liefde te tonen: 'Deze discipel van uw lijn zal iedere andere maand een vrouw zijn en met deze regeling mag Sudyumna dan naar wens de wereld regeren.' (40) Met dit ingesteld verkreeg hij door de genade van de âcârya de begeerde mannelijkheid en heerste hij over de wereld, hoewel de burgerij er niet helemaal gelukkig mee was. (41) Van Sudyumna waren er drie zoons die luisterden naar de namen Utkala, Gaya en Vimala, o Koning; zij werden de koningen van de zuidelijke gebieden en waren zeer religieus. (42) Daarna, toen het er de tijd voor was, droeg de meester van het koninkrijk die zo machtig was de wereld over aan zijn zoon Purûravâ en vertrok hij naar het woud.
De Dynastieën van Zes van de Zoons van Manu
(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat Sudyumna, de zoon, aldus zijn lot had aanvaard, volbracht Vaivasvata Manu, in zijn verlangen zoons te krijgen, voor een honderdtal jaren verzakingen aan de Yamunâ. (2) Nadat Manu van eerbetoon was geweest jegens de Godheid, Heer Hari, met de bedoeling nageslacht te verwekken, kreeg hij tien zoons gelijk aan hem van wie de oudste de naam Ikshvâku droeg [zie ook 8.13: 2-3]. (3) Onder de zonen van Manu kreeg Prishadhra van zijn goeroe de opdracht koeien te hoeden en terwille van hun bescherming 's nachts had hij de vîrâsana gelofte afgelegd om ze in het veld te beschermen [zie ook 4.6: 38]. (4) Op een nacht terwijl het regende, drong een tijger het terrein van de koeienschuur binnen en stonden alle koeien die daar lagen, op in angst, zich overal in het veld verspreidend. (5-6) Toen het sterke beest een van hen greep begon die koe uit pijn en angst te schreeuwen. Prishadhra toen hij het geschreeuw hoorde volgde het haastig zijn zwaard ter hand genomen hebbend, maar onder de door wolken bedekte sterren sloeg hij in het donker zonder het te beseffen de koe de kop af haar voor de tijger houdend. (7) De tijger ook geraakt kreeg zijn oor eraf geslagen en ging er toen in grote angst vandoor bloed in zijn spoor achterlatend. (8) Prishadhra, de held die iedereen de baas zou zijn echter, ontdekte, in de veronderstelling dat hij de tijger had gedood, tot zijn ontgoocheling de volgende ochtend dat hij de koe had gedood. (9) De geestelijk leraar van de familie [Vasishthha] vervloekte hem voor de - onopzettelijke - zondige daad met: 'Nu je je gedragen hebt als een s'ûdra, kan je niet langer tot de kshatriya's behoren, en om die reden is het van die onheilige daad je karma er een te worden.' (10) De held aldus vervloekt door zijn goeroe aanvaardde het met gevouwen handen en nam de gelofte van het celibaat op zich zoals goedgekeurd door de wijzen. (11-13) Jegens Vâsudeva de Allerhoogste Heer en Ziel van allen, de Transcendente en Zuivere, was hij, onverdeeld in de geaardheid bhakti, gelijkgezind en liefdevol jegens ieder levend wezen. Bevrijd van gehechtheden, vreedzaam van binnen en zelfbeheerst, was hij, niet uit op bezittingen, van een visie waarin hij kon aanvaarden wat er ook maar voor handen was voor zijn lichamelijke behoeften zoals voor het heil van de ziel beschikt door Zijn genade. Altijd met zijn geest gevestigd op het Allerhoogste Zelf van binnen, volledig verzonken en bevredigd in spirituele realisatie, trok hij rond door de hele wereld zich voordoend alsof hij doof, stom en blind was. (14) Na in die levensorde het bos te zijn binnengegaan bereikte hij als een heilige het uiteindelijke bovenzinnelijke doel toen hij, geconfronteerd met een bosbrand aldaar, het vuur toestond hem te verteren [zie ook B.G. 4: 9].
(15) Een andere zoon, Kavi [of Vasumân], de jongste, kende geen gehechtheid aan materiële genoegens en nadat hij het koninkrijk van zijn vader op had gegeven ging hij, nog maar een jonge man, in het gezelschap van zijn vrienden het woud binnen en bereikte hij de transcendentale wereld met altijd in zijn hart de stralende Allerhoogste Persoon.
(16) Van de zoon van Manu Karûsha [of Tarûsha] was er een dynastie van kshatriya's genaamd de Kârûsha's die als koningen van de noordelijke gebieden zeer religieuze beschermers van het brahmaanse waren.
(17) Van Dhrishtha [of Shrishtha] kwam een kaste van kshatriya's tot stand die in de wereld, met het bereikt hebben van de positie van brahmanen, de naam Dhârshtha kregen. Van Nriga was er de opvolging van eerst Sumati, toen Bhûtajyoti en daarna Vasu. (18) Van Vasu zijn zoon Pratîka was er een die Oghavân heette ['de ononderbroken traditie'] die de vader was van een andere Oghavân die een dochter had die ook Oghavatî heette. Zij huwde Sudars'ana.
(19) Uit Narishyanta was er Citrasena, Riksha was zijn zoon, en van hem was er Mîdhvân. Mîdhvân's zoon was Pûrna en Indrasena was Pûrna's zoon. (20) Van Indrasena was er Vîtihotra, van hem was er Satyas'ravâ, Urus'ravâ was zijn zoon en van hem werd Devadatta geboren. (21) Devadatta's zoon werd de hoogst machtige Agnives'ya die Agni in eigen persoon was; hij was een maharishi ookwel bekend als Kânîna en Jâtûkarnya. (22) Uit Agnives'ya kwam een dynastie voort van brahmanen die bekend stonden als de Âgnives'yâyana's. O Koning, aldus beschreef ik u de nakomelingen van Narishyanta, verneem nu vervolgens over de dynastie van Dishtha.
(23-24) De zoon van Dishtha was Nâbhâga [niet te verwarren met zijn ooms Nâbhaga of de Nâbhâga die ook Nriga werd genoemd]. Hij, verschillend, volgde de roeping van de vais'ya's [kooplieden, zie 7.11: 23]. Zijn zoon was Bhalandana en van hem was er Vatsaprîti. Van hem was er de zoon genaamd Prâms'u en zijn zoon was Pramati. Weet dat Khanitra de opvolger is van Pramati. Hij werd opgevolgd door Câkshusha en zijn zoon Vivims'ati. (25) Vivims'ati's zoon was Rambha en zijn zoon was een zeer religieus iemand genaamd Khanînetra. Van hem was er de nazaat Karandhama, o grote Koning, (26) De laatstgenoemde zijn zoon was Avîkshit en zijn zoon was Marutta die keizer werd. De grote mysticus Samvarta, de zoon van Angirâ, betrok hem in het uitvoeren van een yajña. (27) Het offer van Marutta is nooit geëvenaard, daar alles waar hij gebruik van maakte van goud was en alles wat hij bezat van de grootste schoonheid was. (28) Indra raakte beschonken van het drinken van de soma-rasa, de tweemaal geborenen werden schadeloos gesteld, die der schittering [de Maruts] offerden allerlei voedsel en alle godheden in het universum maakten deel uit van de vergadering. (29) Marutta's zoon was Dama en van hem was er een die de macht had het koninkrijk uit te breiden: Râjyavardhana. Van zijn zoon Sudhriti werd een zoon ter wereld gebracht genaamd Nara. (30) Zijn zoon werd Kevala genoemd en Dhundhumân was de zijne. Van hem kwam er Vegavân en van Vegavân was er Budha wiens zoon Trinabindu was, een grote koning. (31) Alambushâ aanvaardde hem als haar echtgenoot, zij was een godin hem waardig, een meisje uit de hemel en een reservoir van alle goede eigenschappen uit wie een stel zoons en een dochter genaamd Ilavilâ werden geboren. (32) Vis'ravâ, die een heilige en meester was in de yoga die zijn kennis van zijn vader had ontvangen, verwekte in haar Kuvera: hij die de weelde brengt. (33) Van Trinabindu's zoons Vis'âla, S'ûnyabandhu en Dhûmraketu kwam uit Vis'âla, de koning, een dynastie voort en werd er een paleis gebouwd genaamd Vais'âlî. (34) Hemacandra was zijn zoon en Dhûmrâksha was de zijne en van zijn zoon Samyama waren er twee zoons genaamd Kris'âs'va en Devaja. (35-36) Van Kris'âs'va was er een zoon genaamd Somadatta. Hij bereikte door het aanbidden van de Allerhoogste Persoon in een as'vamedha offer voor de beste van allen, de Heer aller Lofprijzingen [Vishnu], de hoogste bestemming waar zich alle grote mystici ophouden. Een zoon van Somadatta genaamd Sumati verwekte er daarna een genaamd Janamejaya. Al deze koningen van Vais'âlî hielden de naam van koning Trinabindu hoog.
Het Huwelijk van S'ukanyâ en Cyavana Muni
(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Manu genaamd S'aryâti was een brahmaanse koning en zo ontwikkelde hij zich tot iemand die uitleg verschafte over zaken als de plechtigheden die op de tweede dag in het offerperk van de nazaten van Angirâ moesten worden uitgevoerd. (2) Er was een lotus-ogige dochter van hem genaamd Sukanyâ die met hem naar het bos ging om de âs'rama van de wijze Cyavana te bezoeken. (3) Toen zij in het gezelschap van haar vriendinnen vruchten en bloemen van de bomen aan het verzamelen was, zag ze in een mierenheuvel een tweetal soort lichtjes schijnen [vergelijk 7.3: 15-16]. (4) Toen het jonge meisje, maar wat proberend, met een doorn in de twee oplichtende dingen prikte, druppelde er bloed naar buiten. (5) De tieners stonden verschrikt als aan de grond genageld zodat de koning, die zag wat zich had voorgedaan, zich tot de verraste kinderen moest richten waar hij voor verantwoordelijk was. (6) 'Helaas, we hebben iets verkeerds gedaan in het benaderen van de verlichte wijze; het moge duidelijk zijn dat met wat een van ons heeft aangericht hier zijn âs'rama is geschonden!'
(7) Bang zei Sukanyâ tot haar vader: 'Ik was het die, niet wetend waar ik mee bezig was, met een doorn in twee lichtende dingen heb geprikt.'
(8) Toen hij zijn dochter dit hoorde zeggen maakte S'aryâti zich er zeer bezorgd over om hem, de wijze die zich in de mierenheuvel bleek op te houden, tevreden te stellen. (9) Doorhebbend wat er nodig was om alles goed te maken schonk hij, er de grootste moeite mee hebbend, zijn dochter weg aan de muni en keerde hij met zijn permissie weer terug naar huis. (10) Sukanyâ nadat ze Cyavana als haar echtgenoot had gekregen had begrip voor hem die nogal knorrig met haar bleef en ze probeerde hem te behagen door hem zonder lichtzinnigheid van dienst te zijn. (11) Maar nadat er enige tijd was verstreken op deze manier bereikten de twee As'vins [de heelmeesters van de hemel] de âs'rama. Nadat hij hun zijn eerbetuigingen gebracht had zei de wijze: 'O Meesters, alstublieft vergun mij de jeugd! (12) Ik beloof u dat ik een vat vol soma-rasa zal offeren - hoewel u geen soma drinkt - geef me enkel de jeugd en schoonheid terug die zo begeerlijk is voor de vrouwen.'
(13) 'Zo zij het' zegden ze toen de geleerde man toe hem in hun rol van de twee grote heelmeesters complimenterend, 'duik enkel in dit meer dat u alle volmaaktheid zal schenken.'
(14) Aldus toegesproken werd de bejaarde met zijn grijze haar, slappe huid en zwakke lichaam waarvan je de aderen kon zien, door de As'vins het meer in geholpen. (15) De drie toen ze weer uit het meer tevoorschijn kwamen waren van de grootst mogelijke schoonheid die maar voor een vrouw aantrekkelijk kon zijn: met lotusbloemenslingers, oorhangers, gelijksoortige trekken en mooie kleren. (16) Toen de jonge schoonheid ze zag kon de kuise vrouw niet uitmaken welke van hen nu haar echtgenoot was daar ze allen evenzo mooi als de zon straalden en dus nam ze haar toevlucht maar tot de As'vins. (17) Verheugd over de kracht van haar geloof toonden ze haar de heilige die haar echtgenoot was en keerden ze, met zijn toestemming, in hun hemelwagen terug naar het hemelrijk. (18) Vertrokken richting Cyavana's âs'rama, met de wens een yajña uit te voeren, zag koning S'aryâti aldus hoe aan de zijde van zijn dochter er een man was die straalde als de zon. (19) De koning toen gunde zijn dochter, nadat ze hem de eer had bewezen, niet zijn zegen daar hij in het geheel niet zo gelukkig met haar bleek: (20) 'Waar denk je nu mee bezig te zijn met het bedriegen van je echtgenoot, die grote wijze die geëerd wordt door alle mensen? Heb je hem, omdat hij gebrekkig is van de ouderdom, o overspelige, en je hem niet zo aantrekkelijk vindt, opgegeven om deze kerel, deze bedelaar, als minnaar te nemen? (21) Ben je je verstand kwijt? Jij, het houdend met deze minnaar, als dochter uit de meest gerespecteerde familie, bent een schandvlek voor de gehele dynastie; jij, zo schaamteloos, doet je vader zowel als je echtgenoot in het diepste duister belanden.'
(22) Kuis lachend gaf ze haar vader die haar aldus terecht wees ten antwoord: 'O vader hij hier is uw schoonzoon, de zoon van Bhrigu!'
(23) Ze beschreef haar vader alles over hoe hij was veranderd van leeftijd en schoonheid waarop hij toen uiterst verheugd en verrast gelukkig zijn dochter omhelsde. (24) Cyavana Muni stelde bij de genade van zijn eigen vermogen de grote man er toe in staat het soma-offer te brengen, waarbij hij de As'vins, die er geen interesse in hadden het te drinken, een vat vol van de soma-rasa leverde. (25) Hoogst verstoord nam Indra om hem ter dood te brengen, heetgebakerd, terstond zijn bliksemstraal ter hand maar de man van Bhrigu verlamde de arm van Indra die de bliksemschicht vasthield. (26) Met de instemming van al de halfgoden was er van toen af aan voor de As'vins, die als artsen voordien een aandeel in de soma-yajña was ontzegd, het vat vol met soma.
(27) Uttânabarhi, Ânarta en Bhûrishena waren S'aryâti's drie zonen en verwekt door Ânarta werd Revata geboren. (28) Hij, nadat hij in de diepte van de oceaan een stad had gebouwd genaamd Kus'asthalî, leefde een materieel gelukkig leven en heerste over koninkrijken als Ânarta en anderen, o onderwerper der vijanden, en zijn honderd zonen waarvan de oudste Kakudmî was werden geboren als degenen die [na hem] aan de macht zouden zijn. (29) Met het doel een echtgenoot te bedingen voor zijn dochter leidde Kakudmî zijn dochter Revatî voor aan Heer Brahmâ in zijn streven te ijveren voor zijn verblijf voorbij de geaardheden. (30) Omdat hij druk was te genieten van het spel van de muzikanten van de hemel had hij geen seconde tijd voor hem maar toen dat was afgelopen kon Kakudmî Heer Brahmâ zijn verlangen voorleggen onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (31) De almachtige Heer moest lachen over wat hij te horen kreeg en zei tot hem: 'Helaas, o Koning, in de loop van de tijd, zijn al degenen die u graag in uw hart had willen sluiten verdwenen! (32) We vernemen niet langer over de zoons, de kleinzoons, de nazaten en de geslachten, daar een tijdsspanne van drie maal negen mahâ-yuga's is verstreken! (33) Zoek derhalve naar Baladeva, Hij is de grootheid van de macht van wie Heer Vishnu een volkomen deelaspect is, en schenk Hem, de Uitnemendheid van de Mens, deze schone dochter o Koning. (34) De Allerhoogste Heer, de Eeuwige Barmhartigheid die de last der wereld wegneemt, de Deugd van het luisteren en zingen, is nu nedergedaald met alles wat bij Hem hoort.' [zie ook 5.25] (35) Met die opdracht keerde de koning, nadat hij de Ongeborene zijn respect had betoond, terug naar zijn eigen woonplaats die door zijn broers was verlaten; zij hadden zich bevreesd voor de mensen van verdienste in alle richtingen verspreid. (36) Nadat hij zijn volmaakt geschapen dochter aan de meest machtige, Heer Baladeva, had overgedragen ging de koning ter wille van zijn boetedoeningen naar Badarikâs'rama, de plaats van Nara-Nârâyana.
Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni
(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nâbhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie: 9.2: 23] ontving, terugkerend van een celibatair bestaan, [als zijn aandeel] de vader toen de oudere broers het bezit verdeelden [onder elkaar].
(2) 'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel waar jullie mij mee bedacht hebben?'
'We wijzen je onze vader toe als het jouwe.' [gaven ze ten antwoord].
[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'
[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op! (3) Al deze zo heel intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] zijn vandaag een offer aan het brengen maar iedere zesde dag na zo'n dag zullen ze, o geleerde zoon, door hun karma in onwetendheid vervallen. (4-5) Jijzelf, reciteer voor al die grote zielen, twee vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum zodat, nadat ze weer met hun eigen zaken bezig zijn, ze je de weelde zullen geven van wat overbleef van het offeren van hun eigendom; ga daarom naar hen toe.'
Hij deed toen wat zijn vader hem had gezegd en zo gaven ze hem wat er van de yajña was overgebleven toen ze naar hun eigen hemelse plaatsen terugkeerden. (6) Terwijl hij zijn rijkdommen bijeengaarde zei een zwart eruitziende persoon die uit het noorden was aangekomen tegen hem: 'Al deze rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn de mijne!'
(7) [Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'
[De zwarte man zei:] 'Laten we wat dit betreft ons wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo deed hij navraag bij zijn vader zoals was voorgesteld.
(8) [Vader Nâbhaga zei] 'Alles dat behoort tot het offerperk, en dat soms overblijft wordt door de wijzen apart gezet als een aandeel voor Heer S'iva; hij is de halfgod die het allemaal verdient.'
(9) Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: het is van u, o Heer, en evenzo voorzeker alles wat behoort tot het offerperk - o u die er van Brahmâ bent [zie: 3.12: 6-14], laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan.'
(10) [Heer S'iva zei: ] 'Alles wat uw vader zei is waar en ook is wat u zegt de waarheid; laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis vergunnen die bovenzinnelijk en eeuwig is. (11) Neemt u alstublieft al de rijkdommen; ik schenk u alles aan mij werd geofferd', en aldus gesproken hebbende, verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma. (12) Een ieder die in de ochtend en in de avond met grote zorg zich dit herinnert wordt geleerd: gelijk een zelfverwerkelijkte ziel zal hij een kenner van de mantra's en de bestemming zijn. (13) Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld; een vloek van een brahmaan tegen hem faalde: die kon hem nooit raken.'
(14) De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die een dermate nuchtere persoonlijkheid was dat de zo onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen effect op hem had.'
(15-16) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, de man van het grote geluk, meende, na op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde te hebben vergaard, dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal verdwenen; het vormt de reden waarom een mens in onwetendheid beland. (17) Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen was hij als iemand die de eerbied en de toewijding had bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen. (18-20) Hij was er zeker van zijn geest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden op de beschrijving van de kwaliteiten van Vaikunthha, zijn handen op dingen als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren te zetten naar de Onfeilbare. Luisterend naar de bovenzinnelijke gesprekken, zijn ogen gebruikend om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, fysiek in contact staand met de lichamen van de toegewijden, de geur van de tulsîblaadjes op te snuiven aan de lotusbloem van Zijn voeten, om op zijn tong het voedsel te hebben aan Hem geofferd, om met zijn benen zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, om zijn hoofd te buigen voor de voeten van Hrishîkes'a, om zijn zinnen er meer naar te zetten een dienaar te zijn dan zijn zinnen te bevredigen, was hij als die ene man [Prahlâda] die zijn toevlucht zoekt bij de Heer Verheerlijkt in de Geschriften. (21) Aldus in de hem voorgeschreven verplichtingen altijd van opoffering voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke van het Offer, de Allerhoogste Heerlijkheid en Hij die Zich Bevind Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van liefde voor de Ware van de Ziel en bestuurde hij, op aanwijzing van de Heer Zijn getrouwen der geleerdheid, deze planeet aarde in het verleden [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29]. (22) In paardoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, overal waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Beheerser, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en schadeloosstellingen. (23) De getrouwen der boete en de deskundigen die als de deelnemers aan de offerande voor hem als de priesters waren belast met het uitvoeren van de offerplechtigheid, werden, tot in de puntjes gekleed, gezien als de nimmer met hun ogen knipperende halfgoden. (24) Het hemels bestaan zo dierbaar voor zelfs de halfgoden, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die het gewoon was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften. (25) Omdat zulke strevingen niet bevorderlijk zijn voor het geluk van hen die voldaan zijn in hun oorspronkelijke positie van dienst verlenen, zijn de personen die het zo gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, zelden uit op de perfecties van de groten [zie siddhi's]. (26-27) Hij, de koning, van de bhakti-yoga en tegelijkertijd van de verzaking, gaf, in zijn authentieke handelingen jegens de Heer alle soorten van verlangens bevredigend, op deze manier het geleidelijk op zijn geest te richten naar het onware dat men aantreft in een thuis, de echtgenote, in kinderen, in vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen, fijne paarden en in duurzame goederen als juwelen, sieraden, een uitdossing en dergelijke en een nimmer lege schatkist. (28) Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer voor de bescherming van de toegewijden hem Zijn cakra die zo bedreigend is voor hen die tegenstand bieden [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31]. (29) Ernaar strevend met zijn evenzo geschikte koningin samen Krishna te vereren, legde de koning de gelofte van dvâdas'î af [vasten op bepaalde maankalender-dagen] voor een heel jaar. (30) Toen hij eens aan de oever van de Yamunâ was nam hij, aan het einde van zijn gelofte, in de maand Kârtika [okt. - nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten in acht waarna hij een bad nam en de Heer in Madhuvana vereerde [een deel van het Vrindâvana gebied]. (31-32) Naar de regels van het baden van de beeltenis [mahâbhisheka] met alle benodigdheden voor de verering - mooie kleding en sieraden, geurige bloemenslingers en andere middelen van aanbidding - deed hij de puja met een geest vervuld van goddelijke liefde in bhakti jegens het hoogst fortuinlijke van Kes'ava en de brahmanen, met wiens vrede hij evenzo vredig werd. (33-35) De brahmanen, de geleerden die bij hem thuis waren gearriveerd, voedde hij, de tweemaal geborenen voorop, rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel na eerst zestig croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien te hebben weggeschonken met goud bedekte hoorns en zilver beslagen hoeven, volle uiers en extra kalveren aan hun zijde. Toen hij naar volle tevredenheid en met hun instemming het vasten beëindigde en er juist toe was aan de afsluitende ceremonie te volbrengen werden ze opeens geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ. (36) Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respect door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, en vroeg hij hem met alle eerbied ten voeten gevallen of hij misschien iets wilde eten. (37) Gretig ging hij op zijn verzoek in en ging om de noodzakelijke rituelen op te voeren naar de Yamunâ om een duik te nemen in het zegenrijke water en te mediteren op het Allerhoogste Brahmân. (38) Dat, met minder dan een uur nog over voor het beëindigen van het in acht genomen dvâdas'î vasten, deedde koning zich met de tweemaal geborenen afvragen wat nu het juiste idee van het dharma zou zijn in de precaire situatie waarin hij was beland: (39-40) 'Erin mislukken de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding zowel als het niet op het juiste tijdstip beëindigen van het dvâdas'î vasten; wat kan je nu het beste doen, wat is nu in strijd met de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water beroeren zodat ik op de juiste manier mijn gelofte kan afronden, aangezien, o weledelen, gezegd wordt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.'
(41) De grote koning, na aldus water te hebben gedronken, wachtte, met zijn geest ingesteld op de Onfeilbare, de terugkeer af, o beste der Kuru's, van hem, de brahmaanse mysticus. (42) Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde werd hem door de koning een goede ontvangst geboden maar hij wist met zijn inzicht te achterhalen wat zich had voorgedaan. (43) Boos geworden en over zijn gehele lijf trillend, met zijn gezicht verwrongen en fronsend, en dorstend naar actie, richtte hij zich tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond. (44) 'Helaas, heeft deze mijnheer hier, deze 'liefde van iedereen', gek van zijn weelde, voor het oog van iedereen, gebroken met het dharma; in het geheel geen toegewijde van Vishnu, denkt hij dat hij de Beheerser Zelve is! (45) Deze man heeft jegens mij, die hier onverwacht aankwam, na mij te verwelkomen als zijn gast voedsel tot zich genomen zonder mij ervan te geven: ik zal hem nu direct laten zien wat voor repercussies dat heeft.'
(46) Zich aldus uitdrukkend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit zijn hoofd en schiep hij daaruit een demon die verscheen als het vuur aan het einde der tijden. (47) Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een tred die de aarde deed schudden, bewoog de koning, die hem recht voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28]. (48) Zoals het door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als een vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66]. (49) Ziend hoe de werpschijf in zijn richting bewoog en hoe zijn eigen pogen had gefaald, zocht Durvâsâ om zijn leven te redden in grote angst verzet een heenkomen in alle richtingen die hij maar wist. (50) Als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende, ziedende bosbrand rende de muni, die zag hoe de werpschijf, dat wiel van de Heer Zijn wagen, hem in de rug brandde, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan. (51) Maar in welke richting hij zich ook wegvluchtte, in de hemel, op het aardoppervlak, in grotten, in de zeeën, in alle plaatsen schuilend bij alle heersers over de drie werelden - waarheen hij zich ook begaf, zag Durvâsâ zich geplaatst voor het acute van Zijn zo angstwekkende aanwezigheid [de Sudars'ana cakra]. (52) Zonder de toevlucht van een beschermer was hij overal, met een constante vrees in het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Ten leste benaderde hij Heer Brahmâ: 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het vuur op mij losgelaten door de Onoverwinnelijke.'
(53-54) Heer Brahmâ zei: 'Als de Allerhoogste Heer klaar is met Zijn spel en vermaak zal, volgend op Zijn verlangen het in de vorm van de tijd te verzengen, met een enkele beweging van Zijn wenkbrauwen de plaats waar ik me bevind, mijn verblijf, tezamen met dit hele universum, na één dag van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33], daadwerkelijk worden verslagen. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en anderen onder hun leiding, de heersers over de mens, de levende wezens en de halfgoden - wij en allen door ons geleid, die voor het heil van alle levende wezens ons hoofd buigen overgegeven aan de beginselen die ons leven beheersen, handelen naar Zijn wilsbeschikking.'
(55) Afgewezen door Heer Brahmâ zocht Durvâsâ, verschroeid door de cakra, zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva]. (56) S'rî Sankara zei: 'Wij in verhouding tot de Allerhoogste schieten tekort in macht, mijn beste - met ons ronddraaiend in Hem, de Verhevenheid, kunnen [Ik en] de andere levende wezens tot aan de Ongeborene, Heer Brahmâ, toe en ook de universa niet, zich die macht eigen maken; inderdaad kunnen wij en al de duizenden en miljoenen van onze werelden zich in die mate ontwikkelen. (57-59) Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige] en Marîci, en de anderen volkomen in de kennis aangevoerd door hen, hebben de grenzen ontdekt van alle weten, maar geen van ons is in staat zijn illusiewekkende energie en dat wat er door overdekt wordt volledig te doorgronden. De beheerser van het universum Zijn wapen [de cakra] is daadwerkelijk zelfs voor ons moeilijk te hanteren en derhalve moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die in Zijn goedgunstigheid niet zal falen.'
(60) Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar de Allerhoogste Heer Zijn plaats die bekend staat als Vaikunthha alwaar Hij als S'rînivâsa, de Meester van het Verblijf, zich constant ophoudt met de godin van het geluk. (61) Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij neer aan Zijn lotusvoeten trillend over zijn gehele lijf en zei hij: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum! (62) Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van een van hen die Uwe Heerlijkheid dierbaar zijn; alstUblieft wees zo genadig alles te doen wat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze tegen te gaan o Vidhâta, Heer der Regulatie, bij wiens naam, eenmaal opgewekt, zelfs een persoon bestemd voor de hel zijn bevrijding kan vinden.'
(63) De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o tweemaal geborene, Ik heb geen wil voor Mezelf, Ik ben waarlijk volledig betrokken bij Mijn toegewijden; omdat ze toegewijden zijn wordt Mijn hart beheerst door de geheiligden en door hen die die bhakta's dierbaar zijn. (64) Ik als hun uiteindelijke bestemming ben, zonder Mijn geheiligde toegewijden, niet te vinden voor de gelukzalige essentie of het Allerhoogste van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam]. (65) Hun vrouw, huis, kinderen, verwanten, hun hele hebben en houden - als zij jegens Mij voor de Transcendentie dit alles eraan gaven met het nemen van hun toevlucht, hoe kan Ik dan uit zijn op dergelijke zaken en hen de rug toekeren? (66) Zoals een kuise vrouw een zachtaardige echtgenoot beheerst, hebben de geheiligden, zuiver en gelijkgezind [zie ook 7.9: 43], met hun harten stevig verankerd in Mij, met het het zich instellen op hun toegewijde dienst, Mij onder controle. (67) In Mijn dienst bereiken ze vanzelf de vier vormen van bevrijding en talen ze, eenvoudig dienend, niet naar de volkomenheid [de pûrnam] zodat er geen sprake is van andere zaken: in de loop van de tijd zijn ze die te boven gekomen. (68) De geheiligden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben waarlijk altijd in hun harten aanwezig; zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G 9: 29]. (69) Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen, o geleerde, luister enkel naar wat Ik zeg: met dit optreden van u bent u uw eigen vijand geworden; verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] door wie dit alles zich afspeelde - u ziet: de macht ingezet tegen de toegewijde is schadelijk voor hem die hem toepast. (70) Boete en kennis zijn de twee oorzaken van de verheffing der geschoolden, maar in de praktijk gebracht door een opstandig iemand leiden ze tot precies het tegenovergestelde. (71) O brahmaan, ga derhalve naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om hem, de grote persoonlijkheid, tevreden te stellen - dan zal er vrede zijn.'
Durvâsâ Gered: de Cakra-gebeden van Ambarîsha
(1) S'rî S'uka zei: 'Durvâsâ [wat betekent: 'de moeilijkheid van het ergens verblijven'] die, geplaagd door de cakra, er aldus door de Heer toe was opgedragen, benaderde Ambarîsha en greep zwaar bedrukt zijn voeten beet. (2) Hem met die praktijk bezig ziend schaamde Ambarîsha zich ervoor dat hij zijn voeten beroerde en zodoende bracht hij, met zijn genade in verlegenheid, gebeden aan het wapen van de Heer [zie ook 6.8: 23]. (3) Ambarîsha zei: 'U bent het vuur, de allerhoogste macht van de zon en de maan bent u, u bent de meester van al de hemellichten, de wateren, de aarde, de hemel, de lucht en de zinnen en hun voorwerpen. (4) O acute aanwezigheid en gunstige aanblik [ofwel Sudars'ana], mijn eerbetuigingen aan u met uw duizenden spaken, o liefde van de Onfeilbare, u bent de ondergang van alle wapens, wees deze brahmaan goedgezind, o meester over de wereld. (5) U bent het dharma, de oorspronkelijke natuur en religie, u zet aan tot de uitdrukkingen van de Uiteindelijke Waarheid, u bent in alle opzichten de genieter van de resultaten van de offers en handhaaft de verscheidenheid der werelden; de alles doorvarende almacht bent u van de Bovenzinnelijke Persoonlijkheid. (6) Alle respect voor u, het gelukbrengend centrum van de omwentelingen, de maat voor de ganse natuur, die inderdaad is als een kwaad voorteken voor de onverlichte zielen die het stellen zonder de religie; de handhaver van de drie werelden bent u, de opperste goedheid tewerk gaand met een wonderbaarlijke uitstraling die zo snel is als de geest die ik tracht te verwoorden. (7) Door uw kracht alle religiositeit dragend wordt de duisternis verdreven en zijn alle richtingen verlicht; voor de grote persoonlijkheden zijn uw heerlijkheden onoverkomelijk, o meester der spraak, uw manifestatie omvat het gemanifesteerde en niet-gemanifesteerde, het hogere en het lagere. (8) Als u door de Transcendentale Persoonlijkheid bent afgestuurd op de strijders van de Daitya's en Dânava's, o onvermoeibare, doorklieft u, zich ophoudend op het slagveld, zonder ophouden hun armen en rompen, dijen en onderbenen. (9) Voor de geschoolde ziel die ik ben, is uw goede zelf, o beschermer van het universum, degene die, ertoe gemachtigd door de Volle Autoriteit van de Strijdknots, zich bezighoudt met het bezorgen van de nederlaag; mogen wij alstublieft de gunst van uw goede daden genieten voor het heil van onze dynastie? (10) Als er liefdadigheid is, de verering van de beeltenis en de plichten naar behoren zijn nageleefd; als op onze dynastie de zegen rust van de geleerden, laat deze tweemaal geboren ziel er dan vrij van zijn met u [af] te branden. (11) Als met ons de ene Opperheer, het reservoir van alle eigenschappen en het leven en de ziel van alle levende wezens, tevreden is gesteld, mag deze tweemaal geborene dan het vuur bespaard blijven?'
(12) S'rî S'uka zei: 'Toen het schijfwapen van Vishnu genaamd de Sudars'ana alsdus werd verheerlijkt door de koning, hield het als gevolg van zijn smeekbeden ermee op de geleerde op alle mogelijke manieren in het nauw te drijven. (13) Hij, Durvâsâ, bevrijd van de hitte van het vuur van het wapen prees toen hoogst voldaan hem, de heerser over de aarde, de koning die hij zegende met alle heilswensen. (14) Durvâsâ zei: 'Van welk een grootheid mag ik vandaag getuige zijn met de dienaren van de Eeuwige; ondanks het kwaad dat ik begaan heb hebt u, o Koning, gebeden voor mijn goede geluk! (15) Wat zou er ook moeilijk zijn of onmogelijk te verzaken voor die geheiligde, grote zielen, die personen die de leider bereikten, Hari, de Allerhoogste Heer van de toegewijden. (16) Wat valt er voor toegewijden nog meer te doen als door het eenvoudig aanhoren van de heilige naam van Hem wiens lotusvoeten de heilige plaatsen zijn, een persoon gezuiverd raakt? (17) O Koning, u zo hoogst genadig was mij, zelfbeheerst met mijn overtredingen, zeer gunstig gezind en hebt mij zo het leven gered.'
(18) De Koning, die zijn terugkeer al vastend had afgewacht, was vol van genade voor hem in ieder opzicht en wilde graag zijn voeten zoeken door hem rijkelijk te spijzen. (19) Hij nadat hij gegeten had van het uitgelezen voedsel dat, beantwoordend aan iedere smaak, werd gegeven met het grootste respect, zei aldus volledig bevredigd tot de koning: 'Alstublieft, eet u met me mee', en gaf op deze manier blijk van zijn zorg. (20) [Hij vervolgde:] 'Ik ben er zeer gelukkig mee zo goed te zijn bedacht met de zuiverheid van uw toewijding; waarlijk ben ik, u ziend, uw voeten beroerend, met u converserend, en van uw gastvrijheid genietend, zeer verplicht aan u. (21) De zuiverheid van de dingen die u gedaan hebt zal voor altijd door de schonen van de hemel worden bezongen; de hele wereld zal het nooit moe zijn de loftrompet te steken over de heerlijkheid van uw hoogste deugd!'
(22) S'rî S'uka ging verder: 'Aldus de koning verheerlijkend nam Durvâsâ, die in ieder opzicht tevreden was, afscheid om vandaar te vertrekken en bereikte hij opstijgend naar de hemel de verblijfplaats van Brahmâ alwaar geen nevenmotief standhoudt. (23) Een heel jaar was verstreken en voor de tijd dat de grote muni niet was teruggekeerd had de koning, die hem graag weer wilde terug zien, zichzelf gehouden aan het enkel drinken van water. (24) Op Durvâsâ's terugkeer toen gaf Ambarîsha hem toen het beste voedsel te eten dat er maar te krijgen was en geschikt zou zijn voor een tweemaal geborene en zag hij in, met voor ogen hoe de wijze bevrijd was geraakt van de zonde, dat hij zijn kracht te danken had aan zijn toewijding voor het Allerhoogste [zie ook B.G. 6: 47]. (25) Aldus gezegend met alle goede kwaliteiten was de koning van toewijding voor de Superziel, de Allerhoogste Geest en voor Vâsudeva met de vele plichten die hij in acht nam, met hen altijd in gedachten houdend dat met wat men ook doet van de hoogste positie in de hemel tot aan de laagste in de hel men goed op moet letten [wat het verschil is tussen dat wat naar de letter is en dat wat naar de geest is; vergelijk: 6.17: 28].'
(26) S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, die als de wijste zijn koninkrijk verdeelde onder zijn evenzo gekwalificeerde zoons, ging aldus het woud in zijn geest richtend op het Ware Zelf van Vâsudeva en overwon zo de golven [de guna's] van de materiële oceaan. (27) Door het reciteren van of regelmatig mediteren op dit vrome verhaal kan men een toegewijde worden van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God. (28) Een ieder die verneemt over het karakter van deze grote ziel Ambarîsha zal eenvoudig door de bhakti bij genade van Vishnu vorderen naar het doel van de bevrijding.'
De Val van Saubhari Muni
(1) S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu; van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara. (2) Rathîtara had geen zoons en alzo werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn [Rathîtara's] vrouw te verwekken, hetgeen leidde tot de geboorte van ['kshetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten. (3) Zij weer waren allen zoons van Rathîtara, het gezinshoofd, daar zij, geboren uit zijn echtgenote, inderdaad deel uitmaakten van de familie, maar ze werden herinnerd als de dynastie van Angirâ en dubbel-geboren [van gemengde kaste] genoemd aangezien ze werden geboren van dat veld [of: ksetra]. (4) Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neusgaten de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13] en van zijn honderd zonen waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande. (5) Vijfentwintig van hen werden koningen in Âryâvarita in het oosten [in het Himalaya- en Vindhyagebergte], o Koning, zoals ook [vijfentwintig anderen dat werden] in het westen [van dat gebied], drie heersten over het middengebied, terwijl de anderen heersten over andere plaatsen. (6) Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashthakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in januari, februari en maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [van de jacht] o Vikukshi, en ga er nu meteen op uit, zonder te dralen'.
(7) Aldus ging hij daartoe naar het bos om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *] (8) Wat er over was bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren en die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en voor gebruik ongeschikt.'
(9) Door de geestelijk leraar verwittigd wist de heerser wat zijn zoon had gedaan en zodoende verdreef hij, er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden, zijn zoon uit het land. (10) Hij, er in de discussies met de geleerde die hij als zijn leermeester had toe aangezet, gaf toen in overeenstemming met die kennis [van de Absolute Waarheid die hij zo verkreeg], als een yogi zijn voertuig van de tijd op en bereikte zo de allerhoogste positie. (11) Op de troonsafstand van zijn vader keerde Vikukshi terug om te heersen over deze planeet de aarde, met verschillende yajña's de Heer aanbiddend, en stond alzo bekend als S'as'âda ['de konijnen-eter']. (12) Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij deed om deze namen te krijgen. (13) Er had zich een alles vernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goddelijken en de Dânava's, waarin hij, van de grootste hulp, zich voor de godvrezenden opwierp als een held in het overwinnen van het demonische. (14) Bij monde van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, raakte Indra betrokken in zijn dienst als zijn draagdier, als een grote stier. (15-16) Hij, met alle lof en goed toegerust, besteeg hem met een eerste klas boog de scherpste pijlen ter hand nemend en nam op de bult plaats, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, nam hij, omringd door de dienaren van de hemel, in de westelijke richting de daitya hoofdstad in. (17) Tussen hen en hem vond een veldslag plaats die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen te horen hoe hij in de strijd naar voren trad en de Daitya's met zijn pijlen naar Yamarâja stuurde. (18) Geconfronteerd met zijn regen van pijlen zo vernietigend als het vuur aan het einde der tijden, gaven de Daitya's allen tezamen hun aanval op en gingen zij die nog niet waren gedood er vandoor naar hun eigen plaatsen. (19) Over hen zegevierend droeg hij, de wijze koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra] en werden hem aldus de namen verleend.
(20) Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. (21) S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî; door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va. (22) Hij was het die van een grote macht, tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, voor het genoegen van de wijze Utanka een demon ter dood bracht genaamd Dhundhu. (23-24) Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra [de doder van Dhundhu]. Op drie na waren alle zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va, o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon. (25) Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was de zijne. Na hem was er Senajit van wie Yuvanâs'va ter wereld kwam. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich [samen met zijn echtgenotes] terug in het woud. (26) Aldaar tezamen met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen allergenadigst met hem met de grootste zorg een begin maakten met een [vruchtbaarheids-] ceremonie die bekend staat als de Indra-yajña. (27) Hij op een nacht zeer dorstig ging het offerperk binnen en dronk, toen hij zag dat al de brahmanen lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. (28) Toen de rest wakker was en vervolgens de waterpot leeg aantroffen, o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind. (29) Toen ze begrepen dat het bij goddelijke beschikking was opgedronken door de koning baden ze allen tot de Allerhoogste Heerser zeggend: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!' (30) Zo opende, wonder boven wonder, daarop toen de tijd er rijp voor was, zich de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde en kwam er een zoon ter wereld met alle goede kenmerken van een koning. (31) Wie moest nou het kind de borst geven? Het huilde er dorstig zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. (32) De vader stierf dankzij de genade van de godgeleerden niet als gevolg van de baby die hij ter wereld bracht. Yuvanâs'va bereikte daarna de volmaaktheid zijn tapas doend op diezelfde plek. (33-34) Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig'], en voor hem waren inderdaad schurken als Râvana en dergelijken, hoogst bevreesd. Aldus heerste Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ bij de macht van de Onfeilbare over het oppervlak van de aarde met haar zeven continenten als haar ongeëvenaarde meester. (35-36) Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van het ware zelf Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel boven de zinnelijkheid van iedereen, in groots opgezette erediensten die werden bijgewoond door al de godvruchtigen en waarbij hij grote sommen geld wegschonk. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan naar plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan. (37) Men spreekt over al de besproken gebieden die zich uitstrekken van waar de zon opkomt boven de horizon tot overal waar hij weer ondergaat, als het veld van handelen van de zoon van Yuvanâs'va, Mândhâtâ.
(38) In de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu verwekte de heerser [Mândhâtâ] Pûrukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogi was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot. (39-40) Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking zag, diep onder water in de Yamunâ rivier, in zijn boetedoening hoe een grote vis zich vermaakte met seksuele zaken. Sexueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U mag een dochter van mij nemen, o brahmaan, als het dat is waar zij voor kiest.'
(41-42) Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze, gerimpeld, met grijs haar en een hoofdtremor; ze zullen me afwijzen! Laat me het zo maken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!' Zo luidde toen het besluit van de mysticus. (43) Voorafgegaan door een boodschapper werd de wijze toen toegang verleend tot de in ieder opzicht weelderige vertrekken van de prinsessen alwaar hij, ook al was hij maar een enkele man, door al de vijftig prinsessen aanvaard werd als hun echtgenoot. (44) Er ontstond toen een hevig gekibbel onder hen toen ze aangetrokken tot hem hun onderlinge verstandhouding op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Hij is de man die bij mij past, niet bij jou!' (45-46) Hij, als gevolg van zijn ascese op de hoogte van menige mantra, genoot met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar kon wensen: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddegoed en meubilair, kleding en sierselen; er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhoutpulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende verrukking verkeerden onder het begeleidende gezang van vogels, hommels en artiesten. (47) De enkele aanblik van Saubhari's huishouding deed de heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] versteld staan zodat hij zich niet langer nog op zijn borst kon kloppen wat betreft zijn eigen positie als de keizer van de wereld gezegend met alle weelde. (48) En Saubhari, die altijd druk in de weer was met het geluk en de talrijke materiële besognes van zijn huishouden, was in zijn genietingen, net als een vuur gevoed door vet, nimmer voldaan. (49) Op een dag moest hij, neergezeten zich afvragend hoe het verval weg van het ware zelf had kunnen plaatsvinden, constateren dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen: (50) 'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, zo trouw en strikt de geloften nalevend, van het ascetisch leven waar ik me zo lang mee heb bezig gehouden weg ben gevallen; enkel om wat waterdieren onder water uitspoken! (51) Hij die de bevrijding verlangt heeft de omgang op te geven met mensen die verslingerd zijn aan zinnelijke zaken; hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen aan het werk te zetten, hij behoort zich in eenzaamheid op te houden in afgezonderde plaatsen en zijn hart te vestigen op de Onbegrensde Heer en, àls hij dan gezelschap zoekt, dient hij om te gaan met gelijkgestemde lieden als de heiligen. (52) Op mezelf als een verzaker had ik, onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend zoons die ik verwekte; er komt zo geen eind aan mijn verplichtingen hier en hierna die mijn geest maar bezighouden. Onder de invloed van de geaardheden der materie ben ik, uit op mijn eigenbelang, verloren in de grote aantrekking van materiële dingen.'
(53) Zo [met spijt] thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde; hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. (54) Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking zijnd die bevorderlijk is voor de zelfverwerkelijking, hield hij, nu op de hoogte van de vuren van het persoonlijke zelf, zich bezig met de Allerhoogste Ziel. (55) O Mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen precies zoals vlammen dat doen met een vuur dat uitdooft [vergelijk B.G. 9: 32].'
*: In dezen is er een citaat uit de Brahmâ-vaivarita Purâna zo stelde S'rî Caitanya Mahâprabhu:
as'vamedham gavâlambham
sannyâsam pala-paitrikam
devarena sutotpattim
kalau pañca vivarjayet
"In dit Kali-tijdperk zijn vijf handelingen verboden: het offeren van een paard in een plechtigheid, het offeren van een koe in een plechtigheid, het aanvaarden van de levensorde van sannyâsa, het brengen van vleesoffers voor de voorvaderen, en het door een man verwekken van kinderen bij de echtgenote van zijn broer"
De Nazaten van Koning Mândhâtâ
(1) S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 4.13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va geadopteerd als zijn zoon en hij op zijn beurt had een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige van alle leden van de Mândhâtâ dynastie. (2) Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmadâ meegevoerd naar de lagere regionen, zij was in dienst van de koning der serpenten [Vâsuki] aan hem uitgehuwelijkt door haar slangenbroeders. (3) Aldaar vernietigde hij, in feite daartoe in staat gesteld door Heer Vishnu, hen die, het goddelijke lied levend, het verdienden te worden bestraft [vanwege hun Gandharva-zonde van het gokken]. Van de slangachtigen ontving hij de zegen dat zij die zich dit voorval herinneren niets te vrezen hebben van het slangenras [de reptielachtige humanoïden].
(4) De zoon van Pûrukutsa Trasaddasyu [vernoemd naar de andere: 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya wiens zoon de naam Haryas'va droeg [naar: 6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (5-6) Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [voor het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de kwaliteit van een uitgestotene [een cândâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Onder de invloed van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij naar de hemel alwaar hij, er ten val gekomen, [halverwege in zijn val] gefixeerd door de goddelijke almacht van de wijze, tot op de dag van vandaag inderdaad kan worden waargenomen met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend. (7) Tris'anku's zoon was Haris'candra; vanwege hem was er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren als vogels waren [*]. (8) Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, laat er een zoon van mij ter wereld komen.'
(9) O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.
(10) 'Aangezien er een zoon is geboren, mijn beste, bereid me dan een offer met hem', zei Varuna tot Haris'candra die toen antwoordde: 'Tien dagen nadien [na de geboorte] moet men een dier geschikt achten om te worden geofferd.'
(11) Tien dagen later daar weer verschijnend zei hij: 'En nu, breng het offer!' Daarom gaf Haris'candra het antwoord: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, is het ervoor geschikt te worden geofferd!'
(12) Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'
(13) Toen de tanden waren uitgevallen zei hij: 'Offer nu dan!', waarop het antwoord luidde: 'Als het 'offerdier' zijn tanden weer zijn teruggegroeid, is het pas zuiver!'
(14) Toen ze waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert U nou', waarna Haris'candra zei: 'Als hij zich als een krijger kan verdedigen met een schild, o Koning, dan zal het 'offerdier' zuiver zijn.'
(15) Op deze manier met zijn geest beheerst door de genegenheid voor zijn zoon leidde hij de god om de tuin over de tijd die het zou kosten en liet hij hem zo wachten tot het moment daar zou zijn. (16) Rohita zich bewust van wat zijn vader van zins was, nam, in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen op en ging het woud in. (17) Toen hij vernam dat zijn vader vanwege Varuna geplaagd werd door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar naartoe te gaan. (18) Indra zei hem dat hij de wereld moest bereizen terwille van de heilige plaatsen en bedevaartsoorden en dat hij voor de duur van een jaar in het woud moest verblijven. (19) En zo gebeurde het dat voor een tweede, een derde, een vierde en nog eens een vijfde jaar Indra in de gedaante van een oude brahmaan voor hem verscheen om hem dat telkens weer opnieuw te vertellen. (20) Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarita zijn tweede zoon S'unahs'epha ervan kocht om te dienen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (21) Met het daarop offeren van [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] werd Haris'candra evenzo vermaard en geroemd als halfgoden als Varuna zijn in het bereiden van offers en raakte hij bevrijd van de waterzucht. (22) Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yayur-veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya [of Âgastya] deed de [Sâma-veda] hymnen [als de udgâtâ]. (23) Indra, zeer behaagd, bezorgde hem een gouden wagen. Van de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen met de beschrijving van de zoons van Vis'vâmitra.
(24) Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien bij de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en dus schonk hij hen de onvergankelijke kennis om hun bestemming te bereiken. (25-26) Met het laten opgaan van het denken in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether alsook met het doen opgaan daarvan in het geïdentificeerd zijn met de materie, dat valse ego in het geheel van de materie en die volledigheid in de geestelijke kennis in al zijn geledingen, werd door dat specifieke meditatieproces de onwetendheid bedwongen en de materiële ambitie verzaakt. Door liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende bovenzinnelijke gelukzaligheid konden ze bij de Ondoorgrondelijke blijven, volledig bevrijd van materiële gebondenheid.'
*: Prabhupâda geeft als commentaar: 'Vis'vâmitra en Vasishthha waren elkaar altijd vijandig gezind. Voorheen was Vis'vâmitra een kshatriya en door het ondergaan van strenge boetedoeningen en verzakingen wilde hij een brâhmana worden, maar Vasishthha wilde er niet mee instemmen hem op die manier te aanvaarden. En zo was er voortdurend onenigheid tussen de twee. Later echter, aanvaardde Vasishthha hem vanwege Vis'vâmitra's kwaliteit van vergevingsgezindheid. Eens voerde Haris'candra een yajña uit waarvoor Vis'vâmitra de priester was, maar Vis'vâmitra, die boos was op Haris'candra, nam al zijn bezittingen in beslag, ze claimend als een Dakshina bijdrage. Vasishthha echter stond dit niet aan en zodoende ontstond er een vete tussen Vasishthha en Vis'vâmitra. Het vechten werd zo erg dat ieder van hen de ander vervloekte. Een van hen zei, "Dat je een vogel moge worden," en de ander zei, "Dat je een eend wordt!" Op die manier werden ze beiden vogels en gingen ze voor vele jaren door met hun strijd vanwege Haris'candra.'
**: Het offeren van een menselijk wezen moet hier worden beschouwd als iets geweldloos aangezien de vidhi mededogen voorschrijft met alle levende wezens (dayâ of ahimsâ ) en het Bhâgavatam voorzeker het offeren van mensenlevens veroordeelt in de geschiedenis van Jada Bharata [zie 5.9: 17]. De context doet vermoeden, en uit 9.16: 31-32 blijkt, dat, omdat Haris'candra er de oorzaak van was geweest dat de wijzen Vis'vâmitra en Vasishthha in onenigheid verkeerden, het offeren van een menselijk wezen betekende dat iemand zijn wereldse leven op moest geven om de wijzen te dienen in hun verzoening. De troonopvolger, de meest waarschijnlijke kandidaat voor de opdracht, kon zijn wereldse verantwoordelijkheid niet opgeven, en zo werd er toen een andere man opgetrommeld om die plicht op zich te nemen.
De Zonen van Sagara Ontmoeten Heer Kapiladeva
(1) S'rî S'uka zei: 'Hârîta was de zoon van Koning Rohita [zie voorgaand hoofdstuk] en zijn zoon Campa bouwde een stad genaamd Campâpurî. Na hem was er Sudeva die ook een zoon had genaamd Vijaya. (2) Bharuka was de zoon van Vijaya, hij had er een genaamd Vrika en Vrika had Bâhuka van wie al het land dat hij bezat werd ingepikt door zijn vijanden zodat de koning met zijn vrouw het bos in moest. (3) Toen hij van ouderdom was gestorven wilde zijn koningin tezamen met hem sterven maar de wijze Aurva, die begreep dat ze zwanger was met een jongetje in haar schoot, verbood dat. (4) De bijvrouwen die dit ontdekten dienden haar vergif toe met haar voedsel, maar met het gif werd Sagara ['met vergif'] geboren, die een keizer werd met een grote vermaardheid. Zijn zonen waren verantwoordelijk voor de plaats genaamd Gangâsâgara. (5-6) Hij doodde niet de anti-socialen [Tâlajangha's, of boom-mensen], zij die tegenstreefden [de Yavana's, ook: bezetters als de Moslims en de Europeanen], de goddelozen [de S'akâ's], de schurken [Haihaya's] en de barbaren [Barbara's]. In opdracht van de goeroe deed hij hen verschijnen in ongewone kleding, glad geschoren, snorren dragend of soms accepteerde hij ze als mensen met loshangend haar, half geschoren, zonder ondergoed aan of als ze helemaal geen kleren aan hadden. (7) Hij naar wat Aurva had gezegd was in de yoga met de Superziel van alle vedische kennis en de verlichte zielen, en was met paardoffers van aanbidding voor de Heer, het Oorspronkelijke Zelf en de Beheerser. Op een dag ontdekte hij dat het paard dat werd gebruikt voor het offer was gestolen door Purandara [Indra[Indra, zie ook 4.19: 17]. (8) De trotse zoons geboren uit Sumati [een vrouw van Sagara] zetten toen in opdracht van hun vader het hele land op z'n kop om uit te vinden waar het paard was gebleven. (9-10) In de noordoostelijke richting zagen ze een paard nabij de âs'rama van Kapila en zeiden: 'Nu weten we waar die paardendief met zijn ogen dicht leeft; doodt hem, doodt hem die zondaar!' Toen aldus de zestigduizend mannen van Sagara met hun wapens geheven op hem afkwamen, opende de muni op dat moment zijn ogen. (11) Van hun verstand beroofd [door Indra] en in overtreding met zo een grote persoonlijkheid [als Kapila], vatten hun lichamen ter plekke spontaan vlam en veranderden ze in as. (12) Het is niet het standpunt van de wijzen te beweren dat de zonen van de keizer dus tot as werden verbrand door de woede van de muni, want hoe kan nu met hem [Hem] als de hemel der goedheid door wiens genade het ganse universum gezuiverd raakt, de geaardheid der onwetendheid overwegen en er woede ontstaan - hoe kan aards stof de ether vervuilen? (13) Met hem die zo diepgaand de wereld analytisch verklaarde [zie 3.25-33] en er in deze wereld is als een boot waarmee een zoeker de oceaan der onwetendheid kan oversteken die men in zijn materiële bestaan zo moeilijk te boven kan komen - hoe kan er daar, met een geleerd persoon verheven in bovenzinnelijkheid, enig idee van een onderscheid zijn tussen vriend en vijand? [zo iemand is altijd vreugdevol: prasannâtmâ] (14) Hij die geboren uit Kes'inî [Sagara's andere echtgenote] Asamañjasa werd genoemd had als prins een eigen zoon bekend als Ams'umân die altijd zijn best deed om voor zijn grootvader te doen wat hij maar kon. (15-16) Voorheen een yogi, zoals hij zich dat kon herinneren uit een vorig leven, was Asamañjasa van het pad van de yoga afgedwaald vanwege slecht gezelschap en had hij zich persoonlijk bewezen op een hoogst storende manier. Zich slecht gedragend bezorgde hij iedereen in de samenleving moeilijkheden en was hij, voor de sport met zijn verwanten bezig, alleronaardigst geweest door al de jongens in de rivier de Sarayû te smijten. (17) Van deze daden [de jongens waren verdwenen] werd hij door zijn vader, die zijn liefde voor hem op had gegeven, zowaar verbannen. Met de macht van de yoga [echter] slaagde hij erin de jongens weer te laten verschijnen en ging hij weg. (18) O Koning, de bewoners van Ayodhyâ waren stomverbaasd om hun zonen weer te zien opduiken terwijl het de koning oprecht speet [dat nu zijn zoon verdwenen was]. (19) Ams'umân er door de koning toe opgedragen op zoek te gaan naar het paard, ging er op uit het spoor volgend dat zijn ooms hadden achtergelaten en trof het paard aan nabij een hoop as. (20) Toen hij de Bovenzinnelijke [de Vishnu avatâra] die bekend stond als Kapila zag, bracht hij de grote persoonlijkheid oplettend met gevouwen handen gebeden waarbij hij zich languit voorover wierp.
(21) Ams'umân zei: 'Niemand van ons levende wezens kan zich een voorstelling maken van U als de Transcendentale. Tot op de dag van vandaag kan zelfs Heer Brahmâ U niet doorgronden en door welk mediteren of ernaar raden zouden anderen dat, wij schepselen van de materiële wereld die, het lichaam aanziend voor het zelf, de bovenzinnelijkheid missen [zie ook B.G. 7: 27]? (22) Zij die een materieel lichaam aanvaardden onder de invloed van de drie geaardheden [de guna's, zie ook B.G. 14: 5] kunnen enkel die drie geaardheden zien, zo zegt men, en verbijsterd door de illusieverwekkende energie U niet kennen die zich in goedheid bevindt in de kern van het hart van het lichaam; ze zien enkel maar de uiterlijke bijprodukten. (23) Door Sanandana en andere aanbiddelijke wijzen die vrij zijn van de vervuilende en verbijsterende illusoire differentiatie veroorzaakt door de guna's, wordt alle wijsheid met de oorspronkelijke aard [svabhâva] tot één geheel samengevoegd [zie B.G. 14: 26 & 2: 45], maar hoe kan ik als een dwaas der materie nu U, de Persoonlijkheid [van die eenheid], in gedachten houden? (24) O Vreedzame, ik bied U, de Oorspronkelijke Allerhoogste Persoonlijkheid, mijn eerbetuigingen, U die zonder een naam en een vorm, transcendentaal aan het tijdelijke en eeuwige, teneinde de bovenzinnelijke kennis uit te dragen, naar de geaardheden der natuur een materieel lichaam heeft aangenomen dat zich kenmerkt door vruchtdragende handelingen. (25) Met hun huis en haard, Uw materiële energie aanvaardend als ware het datgene waar het om gaat, dolen ze [geboorte na geboorte] rond in deze wereld in hun harten verbijsterd door lust, hebzucht, afgunst en illusie. (26) O Allerhoogste Heer, door U enkel maar te zien is vandaag deze harde en hechte knoop van onze illusie doorbroken als gevolg waarvan men in zijn zinnelijkheid onder de invloed staat van de lust en de baatzucht, o Ziel van alle levenden!'
(27) S'rî S'uka zei: 'O meester der mensen, de grote wijze en Allerhoogste Heer Kapila op deze manier verheerlijkt, zei Ams'umân genadig het volgende over het pad der kennis. (28) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem dit paard mijn zoon, het is het offerdier van uw grootvader, maar al deze lichamen van uw voorvaderen die tot as verbrand zijn kunnen op geen enkele andere manier worden gered dan door Ganges-water.' (29) Na om Hem heen gelopen te hebben, voor Hem buigend tot Zijn voldoening, bracht hij het paard terug naar Sagara en werd door middel van het offeren van dat dier de afsluitende ceremonie volbracht. (30) Het pad volgend uitgestippeld door Aurva droeg hij [Sagara], bevrijd van gehechtheden en verlangens, het koninkrijk over aan Ams'umân en bereikte hij de allerhoogste bestemming.'
De Dynastie van Ams'umân
(1) S'rî S'uka zei: 'Ams'umân die voor een lange tijd boete deed met het verlangen om de Ganges te doen nederdalen was niet succesvol en stierf toen na verloop van tijd. (2) Zijn zoon Dilîpa was, net als zijn vader, er ook niet toe in staat en stierf eveneens ten prooi aan de tijd. Daarop was zijn zoon Bhagîratha in zijn boetedoening van de grootste verzaking. (3) Aan hem verscheen de godin [moeder Gangâ] die zei: 'Zeer tevreden als ik ben zal ik uw gebeden verhoren', en aldus aangesproken zijn wens in vervulling zien gaand [dat de Ganges de as zou wegwassen, zie 9.8: 28] verboog die heerser der mensen zich vol respect.
(4) [Moeder Gangâ zei:] 'Wie is er in staat om het geweld van mijn golven te dragen met mij neerkomend op deze aarde? Als niemand mij opvangt zou ik het oppervlak van de aarde opensplijten, o meester der mensen, en op weg zijn naar de lagere regionen! (5) Bovendien kan ik me niet richting aarde begeven omdat - en neemt u alstublieft dit in overweging o Koning - ik van de mensen die zich reinigen met mijn water de zondigheid zal moeten wegwassen.'
(6) S'rî Bhagîratha zei: 'De geheiligde verzakers van de wereld die vreedzaam en deskundig naar de regels allen verlossen, zullen de zondigheid van u wegnemen, daar ze badend in uw water de Overwinning op Alle Zonde, de Heer [zie ook 1.13: 10 en 6.1: 15] in zich dragen. (7) De god der vernietiging, Rudra, zal uw geweld dragen daar hij van de belichaamde wezens de Superziel is in wie het gehele universum lang en breed zich ophoudt als de draden in een doek [*].'
(8) Nadat dit was gezegd was hij, de heerser, van boete met Heer S'iva; onverwijld stemde hij de Al-gunstige tevreden zodat zijne goddelijkheid waarlijk snel was behaagd, o Koning [**]. (9) 'Zo zij het', zei Heer S'iva die allen steeds welgezind is, nadat hij door de koning was toegesproken, en met grote aandacht droeg hij de Ganges die zuiver is van het afspoelen van Vishnu's voeten [zie ook 5.17]. (10) Hij Bhagîratha, de heilige koning, bracht haar die het hele universum kon verlossen naar de plaats waar de as zich bevond van de lichamen van zijn voorvaderen. (11) Vooropgaand, met de snelheid van de wind zich voortbewegend in een wagen, werd hij door haar gevolgd terwijl ze alle landen zegende met haar heiligheid tot ze over de verbrande zonen van Sagara vloeide. (12) Alhoewel de zoons van Sagara verdoemd waren vanwege het schofferen van een brahmaan, kon enkel de eenvoudige beroering van haar water met hun overblijfselen ze het goddelijke doen bereiken. (13) Als de zoons van Sagara wiens lichamen tot as verbrandden al naar de hemel gingen na in aanraking te zijn gekomen [met de Ganges], hoezeer zou dat dan niet gelden voor hen die volhardend in geloften met geloof en toewijding de godin aanbidden? (14) Het wonder van haar water dat hiermee beschreven is, is op zich niet zo bijzonder; ze is er van nature toe in staat de banden der gehechtheid te doorbreken omdat ze ontspringt aan de Lotusvoeten van de Eeuwige. (15) Geheiligde mensen die in geloof met hun geesten vol van aandacht zijn, vinden zuivering ondanks de moeilijkheid het op te geven met de drie geaardheden der natuur; door hen wordt de spirituele kwaliteit van het Allerhoogste terstond bereikt.
(16-17) Van Bhagîratha werd een zoon geboren genaamd S'ruta, van hem was er Nâbha - die verschilt van degene die ik eerder beschreef [zie 5.3] - en door Nâbha werd Sindhudvîpa geboren door wie later Âyutâyu werd geboren. Zijn zoon Ritûparna was een vriend van Nala. Van Nala kreeg hij kennis van het trainen van paarden in ruil voor de geheimen van het gokken. Ritûparna had een zoon genaamd Sarvakâma. (18) Van hem was er Sudâsa wiens zoon [Saudâsa] als de echtgenoot van Damayantî de troon besteeg en naar verluid ook wel bekend stond als Mitrasaha en Kalmâshapâda. Hij, die vanwege zonden zonder een zoon bleef, werd ooit eens vervloekt door Vasishthha om een menseneter te worden [een Râkshasa].
(19) De koning zei: 'Zeg me alstublieft, als het geen geheim is, wat was de reden van de vloek van de geestelijk leraar tegen Saudâsa, deze grote ziel? Dat zou ik graag willen weten.'
(20-21) S'rî S'uka zei: 'Saudâsa ging er soms op uit om te jagen en had in het verleden een Râkshasa gedood, maar de broer die hij liet ontkomen, vervolgde hem daarna in wrake. Met kwade bedoelingen deed hij zich voor als de kok van de koning en schotelde de geestelijk leraar die bij hem thuis kwam dineren, het vlees van een mens voor dat hij klaargemaakt had. (22) Zijn voedsel inspecterend vond de machtige meester het van binnenuit wel aanvoelend ongeschikt om te consumeren en vervloekte hij de koning zeer kwaad met: 'Hiervoor zal je voorwaar in een menseneter veranderen!' (23-24) Toen hij erachter kwam dat het te wijten was aan de Râkshasa volbracht hij, om ermee af te doen, een twaalfjarige boetedoening. Saudâsa echter had een handvol water genomen met de bedoeling zijn goeroe te vervloeken, maar zijn vrouw Madayantî verbood dat. Hij morste het water potent van de [s'apa-]mantra over zijn benen waarna die heer der mensen toen in alle richtingen in de ether overal de oppervlakte van de aarde kon zien krioelen van het leven. (25) Hij kreeg de neigingen van een wildeman en een zwarte vlek op zijn been [om reden waarvan hij bekend stond als Kalmâshapâda]. In het bos levend zag hij [eens] een brahmaans echtpaar op het moment dat ze geslachtsgemeenschap hadden. (26-27) Honger lijdend greep hij de brahmaan maar zijn vrouw zei: 'U moet wel zeer ongelukkig zijn, arm en hongerig, maar een Râkshasa bent u niet; in feite bent u een grote krijgsheer van de Ikshvâku-dynastie, de echtgenoot van Madayantî, o held; het is niets voor u om tegen het dharma te handelen. Alstublieft laat mijn man gaan, deze tweemaal geboren ziel wiens verlangen een zoon te krijgen nog niet in vervulling is gegaan. (28) O Koning, dit menselijk lichaam is van goede daden terwille van het Volledige van het Levende Wezen en zo zou, zogezegd, het doden van hem, o held, gelijk staan aan het beëindigen van alle goede kansen! (29) Hij hier is een in de Veda goed onderlegde brâhmana, die van verzaking, goed gedrag en toegerust met alle goede eigenschappen vastbesloten is het Brahmân te eren, de Allerhoogste Persoonlijkheid die bekend staat als de levende Ziel van alle wezens boven wie Hij de kwaliteit is. (30) Hij, deze brahmaan en beste van alle wijzen, hoe kan hij, zoals het is met een zoon met zijn vader, het verdienen om door u, de beste van alle geheiligde koningen, met uw bewustzijn van de religie, o macht van de staat, te worden gedood? (31) Hij is een heilige vrij van zonden, een spreker van de Absolute Waarheid; hoe kan u vanuit uw goede zelf van waardering in de hoogste kringen, eraan denken om hem ter dood te brengen: dat zou zoiets zijn als het doden van een embryo of een koe! (32) Zonder hem kan ik zelfs niet een moment leven en ben ik als een lijk; als hij u tot voedsel moet dienen eet mij op dan in zijn plaats.'
(33) Met de vrouw, op deze manier zo deerniswekkend smekend en weeklagend als een vrouw die haar man heeft verloren, verorberde hij, Saudâsa, daar hij door de vloek ertoe was verdoemd, hem zoals een tijger dat doet met zijn prooi. (34) De brâhmana vrouw, de kuise dame, toen ze zag hoe de man, die op het punt stond haar te bevruchten, door de Râkshasa werd opgegeten, moest hard vanuit het diepst van haar wezen huilen en sprak kwaad geworden een vloek uit tegen de koning. (35) 'Omdat u de echtgenoot hebt gedood van een vrouw die moeite deed om geslachtsgemeenschap te hebben zal u, o zondaar, onder de vloek te lijden hebben eveneens de dood te vinden als u het probeert uw zaad te lozen, o verrader der beschaving!'
(36) Na op deze manier Mitrasaha ['zich te buiten gaand met vrienden' ofwel Saudâsa] te hebben vervloekt vond ze, ertoe geneigd bij hem te blijven, haar bestemming het vuur binnengaand dat oplaaide uit de botten van haar echtgenoot. (37) Toen na twaalf jaar Saudâsa bevrijd was [van de vloek van Vasishthha] en hij het probeerde om sex met zijn vrouw te hebben werd hij tegengehouden door de koningin die hem aan de vloek van de brâhmanî herinnerde. (38) Zodoende moest hij van toen af aan ervan afzien met zijn vrouw gelukkig te zijn en bleef hij door het lot zonder een zoon. Vasishthha werd het toen toegestaan een kind te verwekken in Madayantî, zijn vrouw. (39) Zij droeg waarachtig het kind voor de duur van zeven jaren in haar schoot het niet ter wereld brengend, maar met het slaan van een steen tegen haar onderbuik was er een zoon van haar die om die reden As'maka ['van ons'] werd genoemd. (40) Van As'maka werd Bâlika geboren. Dit kind werd beschermd door een menselijk schild bestaande uit vrouwen en daarnaar vernoemd [als 'Nârîkavaca']. Toen er nergens meer heersers waren te bekennen [daar Heer Paras'urâma ze allen ter dood had gebracht] werd hij Mûlaka ['ontsprongen uit'], hij die alle kshatriya's voortbracht. (41) Van Bâlika was er een zoon genaamd Das'aratha, zijn zoon was Aidavidi en van hem was er de beroemde koning Vis'vasaha die Khathvânga voortbracht die keizer werd. (42-43) Hij, zeer verwoed, doodde op verzoek van de goddelijken de Daitya's op het slagveld en fixeerde toen hij huiswaarts keerde, wetend dat hij geen seconde langer te leven had, zich in de geest met het bidden van: 'Noch de aarde, mijn koninkrijk of mijn beminde echtgenote; noch mijn zoons en dochters, mijn weelde of mijn leven zijn voor mij zo aanbiddelijk als de goddelijken van de brahmaanse gemeenschap gerespecteerd in mijn familie [***]. (44) Zelfs niet als kind voelde ik me aangetrokken tot of genoot ik van het areligieuze, noch heb ik er ooit iets in gezien om iets anders als zijnde van enige waarde te achten dan de Heer Geprezen in de Geschriften, Uttamas'loka. (45) Door de godvrezenden werd mij de gunst toegekend te hebben wat ik ook maar verlangde maar die claim over de drie werelden kon ik niet aannemen; al wat ik verlang in deze wereld is volledig verzonken te zijn in de Allerhoogste Heer [vergelijk B.G. 9: 34]. (46) Als zelfs zij, de goddelijken, in hun zinnen en geesten altijd zijn afgeleid zonder de meest geliefde Eeuwige van de Ziel te kennen die zich ophoudt in hun harten, wat kan men dan van anderen verwachten [zie B.G. 18: 55]? (47) Laat me daarom in liefdevolle dienst de gehechtheid opgeven aan de geaardheden der natuur, de zo machtige materiële heerschappij van mâyâ in door mensen tot stand gebrachte zaken welke als luchtkastelen zijn, en mezelf aan Hem overgeven, de Ene Ziel die het hele universum schiep.'
(48) Aldus op een intelligente manier vastbesloten volledig in de greep van Nârâyana verkerend, gaf hij het op met alle andere zorgen die enkel maar onwetendheid zijn en vond hij zichzelf daarna in de positie van zijn oorspronkelijke liefdevolle dienst. (49) Dat wat zodanig wordt gekend als het Allerhoogste Brahmân dat alle beschrijving te boven gaat is niet iets onpersoonlijks of leegs zoals men zou kunnen denken; het is de Allerhoogste Heer Vâsudeva van wie de waarheidlievende mensen aan het zingen zijn [zie ook 1.2: 11].'
*: Prabhupâda citeert: Heer S'iva wordt beschreven in de Brahmâ-samhitâ (5.45):
ks'îram yathâ dadhi vikâra-visesa-yogât
sanjâyate na hi tatah prithag asti hetoh
yah S'ambhutâm api tathâ samupaiti kâryâd
govindam âdi-purusham tam aham bhajâmi
"Melk verandert in yoghurt als die wordt vermengd met een yoghurt cultuur, maar eigenlijk is yoghurt in de grond niets anders dan melk. Zo ook neemt, Govinda, de Hoogste Persoonlijkheid van God, de gedaante van Heer S'iva aan voor het bijzondere doel van materiële transacties. Ik biedt de voeten van Heer Govinda mijn eerbetuigingen."**: Heer S'iva wordt ook wel Âs'utosha genoemd: snel behaagd.
***: De vaishnava geeft dagelijks uitdrukking aan zijn respect voor het brahmaanse in zijn offerandes de Heer aanbiddend met dit gebed:
namo brâhmanya-devâya
go brâhmana-hitâya ca
jagad-dhitâya krishnâya
govindâya namo namah
"Ik biedt de Allerhoogste Absolute waarheid, Krishna mijn eerbetuigingen aan, die de wensvervuller van de koeien en de brahmanen is zowel als van de levende wezens in het algemeen. Ik biedt telkens weer mijn eerbetuigingen aan Govinda, die de bron van vreugde is voor alle zinnen."
Het Spel en Vermaak van Heer Râmacandra
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Khathvânga was Dîrghabâhu er, van hem werd de roemrijke en bedreven Raghu geboren, van wiens zoon Aja de grote koning Das'aratha ter wereld kwam. (2) Op de gebeden van de godsbewusten was er van hem de Absolute Waarheid in vier gedaanten met de Allerhoogste Heer in eigen persoon en drie deelaspecten van Hem; zij verschijnend als vier zoons, stonden aldus bekend als: Râma, Lakshmana, Bharata en S'atrughna. (3) Van Zijn bovenzinnelijke wederwaardigheden als de echtgenoot van Sîtâ, o Koning, hebt u meer dan genoeg vernomen [*] middels de fraaie beschrijvingen door de vele zieners en kenners van de Werkelijkheid [vergelijk B.G. 4: 34]. (4) Trouw aan de leer [gehoor gevend aan een belofte die Zijn vader had gedaan] liet Hij de koninklijke positie achter zich en trok Hij, op Zijn blote lotusvoeten die zo teergevoelig waren als de palm van een hand, van woud tot woud rond in het gezelschap van Zijn beminden [Sîtâ en Lakshmana] die Zijn vermoeidheid op het pad wegnamen. Hij werd [door Râvana] gescheiden van Zijn lieveling Sîtâ omdat hij S'ûrpanakhâ had verminkt [de zuster van Râvana wiens neus eraf werd gesneden] en kreeg ondersteuning van de koning der apen [Hanumân]. Over de oceaan, die in angst verkeerde voor Zijn in woede geheven wenkbrauwen, werd een brug geslagen [naar Lankâ, de verblijfplaats van Râvana] en werd Hij, als een bosbrand de afgunstigen verzengend, de koning van Ayodhyâ. Moge Zijn genade op ons rusten.
(5) Met een [as'vamedha-]offer van Vis'vâmitra werd Zijn eer verdedigd van het daadwerkelijk met Lakshmana als de toezichthouder, gedood hebben van de dolenden in de duisternis aangevoerd door Mârîca, de grote aanvoerders van de Râkshasa's.
(6-7) Het was Hij die van al de helden in de wereld in de zaal waar Sîtâ haar echtgenoot zou uitkiezen de machtige boog van S'iva oppakte die door driehonderd man gedragen moest worden. Hij spande hem op, o Koning, en brak hem in tweeën zoals een olifantje een stuk suikerriet in tweeën breekt. Na eerst de overwinning behaald te hebben het goddelijke meisje genaamd Sîtâ aan Zijn borst te vinden, die qua kwaliteiten, manier van doen, leeftijd en leden een volmaakt koppel met Hem vormde, ontmoette en versloeg Hij op weg naar huis met haar de diepgewortelde trots van Bhrigupati [Paras'urâma] die drie keer [zeven, dus een-en-twintig keer] de aarde had bevrijd [van haar last aan onrechtvaardige heersers] die nu zonder de adel Hem als het zaad had. (8) Hij had inderdaad, het hoofd buigend voor het gebod van Zijn vader die al te gehecht zijn vrouw een belofte had gedaan [**], te aanvaarden dat Hij het koninkrijk, het paleis, de weelde, de verwanten, en vrienden achter zich moest laten en in het bos moest gaan leven als een bevrijde ziel. (9) Met Hem, rondtrekkend door het woud ontberingen doorstaand, werd de zuster van de Râkshasa [Râvana] haar lichaam verminkt omdat ze een geest had bedorven door de lust en werden, met in Zijn handen Zijn onoverwinnelijke boog en pijlen, de veertienduizend van haar vele vrienden met Khara, Tris'ira en Dûshana voorop, door Hem gedood.
(10) O heerser der mensen, het aanhoren van de verhalen over Sîtâ, bracht het hart van de tien-koppige Râvana op hol en deed hem zich verlustigen bij de gedachte haar te zien. Mârîca in de gedaante van een gouden hert leidde Hem toen af, weg van waar ze zich ophielden, en werd, zoals S'iva dat deed met Daksha [zie 4.5: 22], toen door Hem ter plekke met een scherpe pijl gedood. (11) Met Hem samen met Zijn broer in het bos, werd de onbeschermde dochter van de koning van Videha [Janaka] door de tijger, de inslechte Râkshasa, weggekaapt waarna Hij rondtrekkend, zich voordoend als een man die aangetrokken tot vrouwen erover in ellende verkeert dat hij gescheiden is van zijn vrouw, aldus een [s'ringâra-rasa] voorbeeld gaf van waar gehechtheid allemaal toe leidt. (12) Na de crematie van hem die terwille van Hem zijn leven had gegeven [de adelaar Jathâyu], doodde Hij Kabandha [een vormloos monster zonder kop] en sloot Hij vriendschap met de aanvoerders van de horden apen zodat hij Sîtâ kon bevrijden. Hij wiens voeten worden aanbeden door Brahmâ en S'iva, maar zich vertoonde als een normaal mens, bracht vervolgens in hun kringen Vâli ter dood [een slechte broer van Hanumân] waarna Hij zich, begeleid door de apensoldaten, naar de kust van de oceaan begaf. (13) De oceaan stil van angst voor Zijn woedende blik - waar