beginners voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 

 

CANTO 7:

De Wetenschap van God

 

Inleiding   

Hoofdstuk 1 De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

Hoofdstuk 2 Hiranyakas'ipu, de Koning van de Demonen, over de Droevenis

Hoofdstuk 3 Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

Hoofdstuk 4 Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

Hoofdstuk 5 Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

Hoofdstuk 6 Prahlâda Instrueert Zijn Asuraschoolvriendjes

Hoofdstuk 7 Wat Prahlâda Leerde in de Baarmoeder

Hoofdstuk 8 Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

Hoofdstuk 9 Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

Hoofdstuk 10 Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

Hoofdstuk 11 De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

Hoofdstuk 12 De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

Hoofdstuk 13 Het Gedrag van een Heilige Persoon

Hoofdstuk 14 Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

Hoofdstuk 15 Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

 

 

 Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis, de geschiedenis van de oorspronkelijke kenniscultuur van India. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Heer Krishna vormt een keerpunt in de geschiedenis tussen de oude Vedische cultuur en de 'moderne' politieke cultuur waarin het bestuur niet langer vanzelfsprekend onder leiding staat van de geestelijkheid.  Het boek vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârata oorlog te Kurukshetra toe. Daarin kwam de Vedische cultuur ten val om plaats te maken voor de verbokkelde godsdienstigheid die we nu Hindoeïsme noemen. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya, ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd (1486-1534), de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor de persoon van God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de
Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de vertaler dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis, welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed en becommentarieerd tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie van de verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting van de gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishavanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie
file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g.
Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (onze linkspagina).

Met liefde en toewijding,

Anand Aadhar Prabhu, Enschede,

Nederland, 17 april 2012.


 

Hoofdstuk 1: De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

(1) De koning zei: 'Hoe kon de Opperheer, die geliefd is als een vriend, die alle levende wezens gelijkgezind is, o brahmaan, met Zijn persoonlijk ondersteunen van Indra, de demonen doden alsof Hij partijdig zou zijn [zie ook B.G. 9: 29]? (2) Van de hoogste verrukking zijnde en vrij van de geaardheden, heeft Hij er absoluut geen direct persoonlijk belang bij te kiezen voor de gemeenschap van de verlichte zielen of te vrezen voor en strijd te leveren met de demonen. (3) O heerlijkheid, kan u alstublieft een einde maken aan de grote twijfel die zich daardoor in ons heeft opgeworpen omtrent de kwaliteiten van Nârâyana?'

(4-5) De achtenswaardige rishi zei: 'Wat een uitstekende vraag, o grote Koning! Vanwege de wonderbaarlijke handelingen van de Heer, die worden bezongen door hen die vooropgaan in de vroomheid, de wijzen aangevoerd door Nârada, zien we meer en meer de heerlijkheid en de toewijding van Zijn toegewijden. Ik zal al de onderwerpen aangaande de Heer met u bespreken, maar laat me allereerst mijn respect betuigen aan de grote wijze van Krishna [Vyâsadeva]. (6) Hoewel Hij vrij is van de geaardheden, ongeboren en niet gemanifesteerd, gaat de Allerhoogste Heer de materiële kwaliteiten van Zijn begoochelende energie binnen [in de vorm van de guna-avatâra's Brahmâ, S'iva en Vishnu] en neemt Hij verplichtingen en verantwoordelijkheden op zich [vergelijk B.G. 9: 11]. (7) De kwaliteiten sattva, rajas en tamas horen bij de materiële natuur en maken geen deel uit van de geestelijke ziel, o Koning. Voor het spirituele zelf bestaat er niet hun gezamenlijke overwegen of verval, het af en aan [van de wisselvalligheid die men met materiële zaken heeft]. (8) Afhankelijk van de tijd van hun overwegen vindt men met de geaardheid sattva [de goedheid] de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], staat men met de geaardheid rajas [de hartstocht] voor de Asura's [de onverlichte zielen] en wordt men met de geaardheid tamas [de traagheid] geconfronteerd met Yaksha's en Râkshasa's [geesten en demonen, zie ook B.G. 14: 11-13]. (9) Zoals men van vuur weet dat het zich ophoudt in andere elementen [zoals hout], nemen de wijzen, de experts in de kennis, de Superziel waar als zijnde aanwezig in henzelf en dit [goddelijke zelf] is niet zichtbaar als men kijkt naar al de schijn in de buitenwereld [zie B.G. 10: 10]. (10) Als Hij het zo verlangt om materiële lichamen te scheppen voor de levende wezens, manifesteert de Allerhoogste die, op basis van Zijn creatief vermogen, in de geaardheid hartstocht. Verlangend op te treden in verschillende gedaanten is Hij van de geaardheid goedheid en als de Heer er aan toe is de zaak af te ronden, zet Hij volgens die kwaliteit [van de vernietiging] de geaardheid onwetendheid in [zie B.G. 9: 10]. (11) O heerser van de mensen, de ware oorzaak die het mannelijk principe vormt, het oorspronkelijke ongemanifesteerde fundament van de materie [pradhâna], is de [primaire, expanderende] beweging van de tijd [als de vierde dimensie] die de toevlucht vormt van de Heer [om op te mediteren, zie ook B.G. 11: 32]. (12) O Koning, de Allerhoogste Heer van naam en faam, die ook deze [oorspronkelijke notie van de Tijd is], doet in de geaardheid goedheid de verlichte zielen in aantal toenemen en is bijgevolg, als de vriend van de halfgoden, van vijandschap en vernietiging met de onverlichte zielen [de materialisten] die worden beheerst door hartstocht en onwetendheid. (13) Wat betreft dit [destructie/beschermingsplan] werd in het verleden op verzoek van koning Yudhishthhira, de man zonder vijanden, het volgende verhaal liefdevol verteld door de grote wijze van de verlichting [Nârada] tijdens de grote offerplechtigheid. (14-15) Nadat de koning, de zoon van Pându, gezien had hoe, bij de grote offerplechtigheid genaamd Râjasûya, de koning van Cedi [S'is'upâla] zo wonderbaarlijk in de Hoogste Persoonlijkheid Vâsudeva was opgegaan, had hij, als de heerser, met verwondering geslagen, tijdens de plechtigheid, met al de wijzen luisterend, Nârada die daar zat, de volgende vraag gesteld. (16) Yudhishthhira zei: 'O hoe wonderbaarlijk en zo heel moeilijk te bereiken voor zelfs de transcendentalisten, is die realisatie van S'is'upâla, die zich zo vijandig gedroeg tegenover Vâsudeva, de Allerhoogste Absolute Waarheid. (17) We willen allen graag weten hoe dit kon gebeuren, o wijze; Vena werd door de brahmanen naar de hel gestuurd omdat Hij de Heer beledigde [zie 4.14]. (18) Die zondige zoon van Damaghosha koesterde vanaf zijn eerste kindergebrabbel woede jegens Govinda, precies zoals ook de kwaadwillige Dantavakra [zijn broer] dat deed. (19) Er was bij hen op hun tongen geen witte lepra [vitiligo] te bespeuren noch belandden ze in de duisternis van de hel als gevolg van de herhaalde overtredingen jegens Heer Vishnu, de hoogste Persoonlijkheid van het Brahman [vergelijk B.G. 10: 12]. (20) Hoe konden zij voor ogen van iedereen zo makkelijk [in sâyujya-mukti] opgaan in de Opperheer, wiens verhevenheid zo moeilijk te bereiken is? (21) Wat dit betreft is mijn intelligentie zo wisselvallig als een kaarsvlam flakkerend in de wind. Alstublieft, o man van alle fortuin, vertel ons meer over de precieze oorzaak van dit grote wonder.'

(22) De zoon van Vyâsa zei: 'Na de woorden van de koning te hebben aangehoord die hem vragen stelde temidden van de vergadering, sprak Nârada, de grootste onder de wijzen, tevreden daarover, met hem over die onderwerpen. (23) S'rî Nârada zei: 'Dit lichaam onderhevig aan beledigingen, lof, eer en oneer is het product van een gebrek aan onderscheid tussen de primaire staat van de materie [pradhâna] en de allerhoogste [positie van de bovenzinnelijke getuige], o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19]. (24) O aardse heerser, om deze reden lijden de levende wezens in deze wereld onder de misvatting van het 'ik' en 'mijn', net zo goed als onder de verwijten en bestraffingen die ermee samenhangen. (25) Met deze valse voorstelling van zaken door het leven gaand denkt men dat de vernietiging van lichamen hetzelfde is als de vernietiging van levende wezens. De misvatting [inclusief de verwijten en de angst voor straf] is er niet vanwege Hem, [maar omdat men zonder Hem bezig is,] Hij die de Zaligheid van de onthechting en emancipatie in eigen persoon is. Hoe zou er van Zijn kant, van de kant van de Ziel van allen, de Verhevene en de Hoogste Beheersing, sprake kunnen zijn van ook maar enige vorm van [mentaal of fysiek] geweld? (26) Derhalve, of men nu van een voortdurende vijandigheid is, van toewijding, vrees, genegenheid of lustige verlangens, men moet verbonden zien te blijven en nergens anders om geven. (27) De verzonkenheid in Hem die iemand bereikt in een constante vijandigheid kan [echter] verschillen van de verzonkenheid bereikt door iemand in toegewijde dienst. (28-29) Een larve die door een bij in een raat wordt verzorgd mag vervuld zijn van angst en weerzin, maar dankzij die bij bereikt hij dezelfde vorm. Zo ook kan men [net als S'is'upâla en Dantavakra] met Krishna, die als de Allerhoogste Heer een menselijke gedaante aannam, [zelfs] gezuiverd raken van zijn zonden door in vijandschap voortdurend  aan Hem te denken. (30) Velen die in lust, weerzin, angst, genegenheid en toewijding een geest hadden die verzonken was in de Heer, hebben daardoor de zonde opgegeven en zo hun doel bereikt. (31) O Koning, dat hebben de gopî's gerealiseerd middels hun lustige verlangens, Kamsa middels zijn angst, S'is'upâla en andere koningen middels hun hatelijkheid, Krishna's familieleden middels hun verwantschap, jullie [Pândava's] middels jullie genegenheid en wij middels onze bhakti. (32) Als je niet wilt zijn zoals Vena, die er niet in slaagde om een van deze vijf vormen van respect met betrekking tot de Oorspronkelijke Persoon op te brengen, moet je je geest op één van deze manieren op Krishna vestigen. (33)  S'is'upâla en Dantavakra, de zonen van uw tante van moeders zijde, o Pândava, waren [incarnaties van] de twee verheven dienaren van Vishnu [Jaya en Vijaya, zie 3.15-16] die vanwege een vloek van de brahmanen [de Kumâra's] uit de gratie vielen.'

(34) S'rî Yudhishthhira zei: 'Wie vervloekte hen en wat voor een vloek was dat? Het is moeilijk te geloven dat een dienaar van de Heer zoiets kan overkomen. Hoe kan het gebeuren dat zij die uitsluitend Hem zijn toegewijd opnieuw moeten worden geboren [zie B.G. 4: 9 en 8: 16]? (35) Zij die verblijven in Vaikunthha hebben niets te maken met een materieel lichaam, materiële zinnen of een materieel leven. Leg ons alstublieft uit hoe zij aan een fysiek lichaam gekoppeld konden raken.'

(36) S'rî Nârada zei: 'Zo gebeurde het op een dag dat de zonen van Brahmâ, Sanandana en de anderen [de Kumâra's], rondtrekkend door de drie werelden op de plaats arriveerden waar Vishnu verblijft. (37) Toen zij [Jaya en Vijaya] hen zagen naderen die, hoewel ze al geboren waren voordat de ouden van het universum er waren [zie 1.3: 6], eruitzagen als jongens van een jaar of vijf, zes, dachten de twee wachters dat ze naakte kinderen waren en weigerden ze hen de toegang. (38) En zo werden ze vol van woede door hen vervloekt: 'O, jullie twee onwaardige zielen, verblijvend aan de voeten van de Slachter van Madhu is het hoogst zondig niet vrij te zijn van hartstocht en onwetendheid en derhalve, o dwazen, zullen jullie hierna spoedig geboren worden uit de schoot van een onverlichte moeder [zie 3.17].' (39) Aldus vervloekt om ten val te komen uit hun verblijfplaats, kregen ze verder nog van de genadevolle wijzen te horen: 'Moge het zo zijn dat jullie na drie geboorten weer terugkeren naar jullie verblijf.'

(40) De twee kwamen daarna ter wereld als de zonen van Diti en werden door de Daitya's en Dânava's geëerd als Hiranyakas'ipu, de oudste zoon, en Hiranyâksha, de jongere. (41) Hiranyakas'ipu werd door de Heer in de gedaante van een leeuw gedood [Heer Nrisimhadeva] en Hiranyâksha door Hem toen Hij in de gedaante van een everzwijn was verschenen om de wereld omhoog te tillen [Heer Varâha, zie 3.18-19]. (42) Hiranyakas'ipu die zijn zoon Prahlâda, de geliefde toegewijde van Kes'ava, naar het leven stond, probeerde verschillende martelmethoden om zijn dood te bewerkstelligen. (43) Maar, omdat zijn zoon werd beschermd door de macht van de Allerhoogste Heer, Hem, de ziel in alle levende wezens die vreedzaam iedereen gelijkgezind is, slaagde hij er, met al zijn machtsvertoon, niet in hem ter dood te brengen. (44) Vervolgens namen de twee demonen als Râvana en Kumbhakarna, als de zoons van Vis'ravâ, hun geboorte uit Kes'inî en bezorgden ze de mensen een hoop ellende. (45) Teneinde de twee van de vloek te bevrijden manifesteerde Heer Râmacandra zich toen en doodde hen. De avonturen van Râma [zie 9: 10 & 11] zult u vernemen uit de mond van Mârkandeya, mijn beste. (46) In hun derde geboorte werden de twee [als S'is'upâla en Dantavakra] hier geboren als kshatriya zoons uit je tante. Ze zijn nu bevrijd van de vloek door Krishna die met Zijn cakra een einde maakte aan hun zonden. (47)  Door te mediteren in een band van intense haat slaagden de poortwachters van Viṣṇu er opnieuw in in de nabijheid van Hari te komen en op te gaan in de essentie van de onfeilbare Heer.'

(48) S'rî Yudhishthhira zei: 'Hoe kon er [bij Hiranyakas'ipu] nu sprake zijn van haat voor die grote ziel, zijn eigen zoon? Vertel me alstublieft, o hoogste wijze, hoe Prahlâda zich zo aan Acyuta [de onfeilbare Heer] kon hechten.'



Hoofdstuk 2: Hiranyakas'ipu, de Koning van de Demonen, over de Droevenis

(1) S'rî Nârada zei: 'Nadat zijn broer [Hiranyâksha], zoals gezegd, door de Heer in de gedaante van een Everzwijn was gedood [zie 3.18-19], werd Hiranyakas'ipu zeer verdrietig en kwaad, o Koning. (2) Er furieus over op zijn lippen bijtend, staarde hij met zijn ogen vuurschietend van woede voor zich uit in de grijze lucht en sprak hij. (3) Hij die er met zijn schrikwekkende tanden en verbeten blik vreselijk uitzag, hief temidden van een vergadering Dânava's zijn drietand op en zei met een grimas het volgende: (4-5) 'O Dânava's en Daitya's, Dvimûrdha ['tweehoofdige'], Tryaksha ['met drie ogen'] S'ambara en S'atabâhu ['met honderd armen']; o Hayagrîva ['met het hoofd van een paard'], Namuci, Pâka, Ilvala en Vipracitti! Puloma, S'akuna en alle overigen, luister naar wat ik jullie te zeggen heb en mogen jullie daarna allen snel, zonder treuzelen, tot daden overgaan. (6) Met die onbeduidende vijanden, de theïsten die van aanbidding zijn, achter zijn rug samenspannend, werd mijn zo zeer geliefde broer en begunstiger, gedood door Hari die ons allen gelijkgezind zou zijn. (7-8) Hij [dus niet bepaald gelijkgezind] heeft Zijn liefde voor ons opgegeven en gedraagt zich nu abominabel in mâ als was Hij een wild beest. Als een kind zo wisselvallig, verandert Hij van de ene in de andere gedaante, naar de zin van de Hem aanbiddende toegewijden. Ik zal mijn drietand in Zijn nek steken en Hem in Zijn bloed doen zwemmen. Door hem [Hiranyâksha] een genoegen te doen die er zo dol op was het te drinken, kan ik dan mijn vrede vinden. (9) Als Hij, [Vishnu] die hoogst bedrieglijke vijand van allen, een kopje kleiner is gemaakt, zal het met die gasten van God die voor Vishnu leven ook afgelopen zijn, net zoals de takken en bladeren van een boom uitdrogen als die bij zijn wortels wordt gekapt. (10) Gaan jullie ondertussen allemaal naar de wereld die zo netjes op orde wordt gehouden door de priesters en politici en zie erop toe dat aan al die boetvaardige en opofferingsgezinde boekenwurmen die van geloften en liefdadigheid zijn een einde komt. (11) Heer Vishnu vindt Zijn oorsprong in hun offerhandelingen. Hij is die persoon vol van religieuze beginselen die, uitputtend aanbeden door de tweemaal geborenen, de man van het dharma is, Hij die de toevlucht vormt voor al die goden en wijzen, voorvaderen en de rest. (12) Overal waar die tweemaal geborenen hun koeien houden, hun Veda's bestuderen en zich bezighouden met hun varnâs'rama-gedoe, steek je hun dorpen in de fik en hak je al hun bomen om.'

(13) Na het aanvaarden van de aanwijzingen van hun meester op hun hoofd, bewezen ze hem de eer en terroriseerden ze, als experts in de vernietiging, al de mensen. (14) De steden en dorpen, weidegronden, boomgaarden en tuinen, velden, bossen en mijnen, boerderijen en plaatsen in de bergen, de plaatsen van de koeien alsook de bestuurscentra, werden allemaal door hen afgebrand. (15) Sommigen zetten met toortsen de woonplaatsen in lichterlaaie, anderen vernielden met pikhouwelen de bruggen, de omringende muren en de stadspoorten, terwijl een andere groep bijlen oppakte om de vruchtbomen om te hakken zodat het levensonderhoud vernietigd werd. (16) Toen de mensen aldus keer op keer werden verstoord door de volgelingen van de koning van de Daitya's, gaven de godsbewusten hun vaste verblijfplaats op en trokken ze rond over heel de aarde zodat ze niet meer zichtbaar waren voor de demonen. (17) Hiranyakas'ipu, die te kampen had met het verlies van zijn broer, voerde de begrafenisriten uit en maande zijn neven tot kalmte. (18-19) S'akuni, S'ambara, Dhrishthi, Bhûtasantâpana, Vrika, Kâlanâbha, Mahânâbha, Haris'mas'ru en Utkaca, alsook hun moeder Rushâbhânu en Diti, zijn eigen moeder, sprak hij, als een goed aangepast persoon, in hoogst gepaste termen toe met het volgende, o heerser over de mensen.

(20) Hiranyakas'ipu zei: 'O moeder, o moeder; o schoonzus, o neven, jullie moeten niet treuren over onze held die, de vijand tegemoet tredend, de glorie van de heldendood verkoos. (21) Net als reizigers, die zich verdringen rondom een pleisterplaats en dan weer hun weg vervolgen, o mijn lieve moeder, delen de levende wezens, die door het lot worden samengebracht in deze wereld, samen één plaats [als een familie, religie of natie] waarna, naar gelang hun karma, hun wegen zich weer scheiden. (22) De eeuwige, onuitputtelijke ziel die vrij is van de smet van de materie, kan zich in alle richtingen begeven. Alles wetend en bovenzinnelijk van aard aanvaardt die ziel het zelf van een lichaam dat onder de invloed van de materiële wereld een verscheidenheid aan kwaliteiten vertoont [zie B.G. 13: 22]. (23) Net zoals de bomen gereflecteerd in water zich lijken te bewegen, kan je ook, met het bewegen van je hoofd [je 'ogen'], de illusie hebben dat de wereld zich beweegt. (24) Zo ook brengt de geest die men heeft, in de war gebracht door de kwaliteiten van de materie, het onveranderlijke levende wezen van streek, o moeder van mij, hetgeen ertoe leidt dat het levende wezen, ondanks zijn vormeloosheid, in een lichaamsvorm begint te geloven. (25-26) De ziel, in de war over het vormeloze van zijn bestaan, heeft met het lichaam in gedachten dan geliefden en vijanden, bondgenoten en vreemdelingen in zijn karma met de materiële kwestie. Ervan uitgaand dat hij geboren wordt en dood gaat, beklaagt hij zich op verschillende manieren en heeft hij allerlei zorgen, verkeert hij in het ongewisse over wat de geschriften zeggen en is hij vergeetachtig wat betreft het juiste onderscheid. (27) In dit verband haalt men vaak een oude geschiedenis aan van Yamarâja in discussie met de vrienden van een overledene. Luister goed. (28) Er was er eens in Us'înara een befaamde koning Suyajña genaamd, die door zijn vijanden tijdens een oorlog werd gedood. Zijn verwanten zaten om hem heen. (29-31) Met zijn kostbare wapenrusting her en der verspreid en zijn sierselen en bloemenslingers op de grond gevallen, lag hij daar in zijn eigen bloed, doorboord met een pijl in zijn hart. Met zijn loshangende haar en zijn vertroebelde ogen had hij van woede doorbeten lippen, zat zijn lotusgezicht onder het stof en lagen zijn armen en wapens afgehakt op het slagveld. Toen de koninginnen zich ervan overtuigden dat de meester van Us'înara aldus door de voorzienigheid was getroffen, stonden hun ogen vol tranen en sloegen ze zich met hun handen onophoudelijk op de borst, neergevallen aan zijn voeten, herhaaldelijk jammerend: 'o, echtgenoot!' (32) Hardop huilend over hun dierbare man bevochtigden ze zijn lotusvoeten met tranen die rood waren van de kunkum van hun borsten. Met hun sieraden en haar losgeraakt, weeklaagden ze, voor ieder mens hartverscheurend, zielig treurend:

(33) 'Helaas bent u, o Heer van ons, o geliefde, door de genadeloze voorzienigheid aan ons zicht onttrokken. De staat en de bewoners van Us'înara voorzag u altijd in hun levensonderhoud, maar nu het met u is afgelopen bent u de oorzaak van een groeiend verdriet. (34) U was voor ons allen zo'n dankbare echtgenoot, o Koning. Hoe kunnen wij, die u allen volgen, nu zonder u leven? U, die onze beste vriend bent, zeg ons waarheen zij, die uw lotusvoeten dienden, u naartoe moeten volgen nu u ons verlaten hebt.' (35) De koninginnen die aldus weeklaagden, hadden de overleden echtgenoot op hun schoot genomen en wilden niet dat het lijk werd weggehaald. Ondertussen ging de zon onder in het westen. (36) Yamarâja, die de nabestaanden van de heerser zo luidkeels hoorde weeklagen, verscheen toen persoonlijk in de gedaante van een jongen om hen toe te spreken.

(37) S'rî Yamarâja zei: 'Ach, hoe kunnen jullie mensen, die ouder zijn dan ik en iedere dag van jullie leven getuige waren van de heerschappij van de natuurwet, nu zo verbijsterd zijn? Jullie zullen zelf naar dezelfde natuur terugkeren als waar deze man naar terugkeerde. Niettemin zijn jullie zinloos aan het huilen [vergelijk B.G. 2: 28]! (38) O, wat een geluk hebben we, want verlaten door onze vader en moeder, werden we, zwak als we zijn, niet verzwolgen door de wolven! Waarom zou je je zorgen maken als je weet dat Hij die ons in de moederschoot beschermde, ons ook daarna zal beschermen? (39) Och arme dames, de Allerhoogste Heer schept naar eigen wilsbesluit dit alles zonder Zelf te veranderen en het is Hij die daarnaast ook handhaaft en vernietigt. Alles wat beweegt en niet beweegt behoort, zo zegt men, tot het spel van de Heer, die te allen tijde het recht is voorbehouden iets of iemand te behouden dan wel er een eind aan te maken. (40) Iets wat je op straat verloor kan, door het lot beschermd, behouden blijven, terwijl iets wat je in huis veilig stelde, voorbestemd kan zijn verloren te gaan. Zonder bescherming kan men, onder Zijn hoede, in leven blijven, of men nu thuis is of in het woud, maar hij hier, die viel in de strijd, heeft het, goed beschermd als hij was, niet overleefd. (41) Levende wezens hebben hun eigen soort van geboorte overeenkomstig hun karma en verdwijnen na verloop van tijd ook weer als gevolg van [dit eindige] karma. Maar dit alles gaat niet op voor de ziel, ook al is die dan, met zijn positie in de materiële wereld, in uiteenlopende gedaanten gebonden aan haar verschillende basiskwaliteiten. De ziel is van een totaal andere aard [zie ook B.G. 2: 20]. (42) Dit lichaam van de persoon, dat met vuur, water en aarde uit onwetendheid werd geboren, veranderingen ondergaat en weer verdwijnt, bestaat net zo afzonderlijk van die ziel als de materie van een huis afzonderlijk bestaat van zijn bewoner. (43) Het vuur in hout kan men afzonderlijk waarnemen, net zoals men de lucht in het lichaam en [het tijdeffect van] de alles doordringende ether, die zich met niets vermengt, afzonderlijk kan waarnemen. Zo ook kan men het levende wezen apart beschouwen als verheven boven zijn materiële omhulsel van begaan zijn met de basiskwaliteiten. (44) [Het lichaam van] deze man hier [genaamd] Suyajña ziet u recht voor u en over hem, o dwaze mensen, zit u te huilen. Maar hij die met dat lichaam luisterde en sprak in deze wereld hebt u nooit waargenomen! (45) De grote heerser van het lichaam, de levensadem, is ondanks dat hij zich bevindt in dit lichaam niet de toehoorder, noch de spreker. De ziel in dit lichaam met al zijn zinsorganen is de meester verschillend van zijn levensadem. (46) Dat wat uitdijt en zich manifesteert, die macht, die machtige ziel, verwerft en verzaakt hoogwaardige en minder ontwikkelde lichamen, gekenmerkt door vijf elementen, zinnen en een geest. In die bezigheid verschilt hij [deze macht van het zelf in de vorm van de z.g. linga, het subtiele lichaam], op basis van zijn morele gehalte van de vorm die hij aanneemt [zie tevens 4.29]. (47) Men is gebonden aan karma zolang men behept is met het subtiele lichaam [bestaande uit de geest, de intelligentie en het valse ego]. Door die subtiele gebondenheid is er de omkering [van het beheerst worden door de geestelijke ziel naar het beheerst worden door het lichaam] en de misère die volgt op dat zich illusoir verenigen [B.G. 8: 6]. (48) Net zoals alles wat de zintuigen suggereren, met wat je ziet en zegt, in een dagdroom allemaal vals is en geen houvast biedt, is het ook zinloos je vast te klampen aan de droom [van het geluk en ongeluk dat je hebt] met de materiële kwaliteiten van de natuur. (49) Daarom beklagen zij die dat begrijpen zich niet over wat blijvend en van een voorbijgaande aard is in deze wereld. Ze zouden anders, duidelijk, niets kunnen doen aan de levensgewoonten van hen die wel hun beklag doen [zie ook B.G. 2: 11]. (50) Een jager in het bos, die de taak was toegewezen de vogelstand terug te dringen, spreidde een net, lokte de vogels hier en daar met voedsel en ving ze zo. (51) Toen hij een paartje kulinga vogels in het bos voedsel zag zoeken, slaagde de jager er vlot in het vrouwtje van de twee [in zijn net] te lokken. (52) O koninginnen, het mannetje dat zag hoe ze, in de greep van de tijd, verstrikt raakte in de touwen van het net, wist van streek niet meer wat hij moest doen, waarop het arme beestje toen emotioneel begon te jammeren over zijn wijfje: (53) 'Ach hoe wreed is de machtige Heer die mijn vrouwtje treft dat zo lief voor me was! Wat kan ik nu doen voor mijn arme vogeltje dat zo zielig om mij schreeuwt, haar arme [echtgenoot]? (54) Laat de Heer ook mijn leven nemen. Wat voor zin heeft het om mijn enkele lichaamshelft te leven? Wat voor een ellendig bestaan is het om voor de rest van je leven onder die pijn te moeten lijden? (55) Hoe ongelukkig hebben mijn kindjes het getroffen, wachtend op hun moeder in hun nest? Hoe kan ik de jongen die nog niet kunnen vliegen in leven houden, nu ze beroofd zijn van hun moeder?' (56) Terwijl de vogel met zijn ogen nat aldus op een afstandje zeer verdrietig zat te jammeren over het verlies van zijn geliefde, slaagde de vogelvanger er, als een boodschapper van de tijd in, hem te besluipen en van het leven te beroven door hem met een pijl te doorboren.

(57) En dat geldt ook voor u, o onwetende dames. U ziet de eindigheid van uw bestaan niet in! Weeklagen over uw echtgenoot zal hem niet terugbrengen, in nog geen honderd jaar.'

(58) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Nadat de jongen aldus had gesproken, waren de harten van al de familieleden vol van verwondering. Ze begrepen dat al het materiële slechts een tijdelijke gebrekkige verschijning was [zie ook B.G. 2: 18]. (59) Toen Yamarâja in deze gedaante uitleg had verschaft, verdween hij vandaar. De verwanten van koning Suyajña vervulden toen de plichten voor de begrafenis. (60) Treur daarom niet over uzelf of over een ander in deze materiële wereld. Men is slechts uit onwetendheid geobsedeerd door dat 'mijn' en 'dijn' van het eigenbelang en het belang van andere belichaamde zielen. Want wie is dat nu eigenlijk, die ziel van u en van de ander?'

(61) S'rî Nârada zei: 'Diti en haar schoondochter [Rushâbhânu,] die de toespraak van de koning van de Daitya's hadden gehoord, staakten prompt hun getreur over hun zoon en echtgenoot en gaven hun geesten over aan de ware kennis van het leven.'




Hoofdstuk 3: Hiranyakas'ipu's Plan om Onsterfelijk te Worden

(1) S'rî Nârada zei: 'Hiranyakas'ipu, o Koning, wilde graag onoverwinnelijk zijn, vrij van ouderdom en onsterfelijk, de enige echte koning zonder rivalen of tegenstanders. (2) In een vallei bij de Mandara Heuvel volbracht hij een uiterst moeilijke boetedoening waarbij hij, naar boven starend, zijn armen naar de hemel ophief en met de grote tenen van zijn voeten op de grond stond. (3) Uit het haar op zijn hoofd straalde een licht helder als een supernova dat door zijn stralen al de goden die boete deden deed terugkeren naar hun thuisbasis. (4) Teweeggebracht door zijn zware boete verhitte het al de werelden, waarbij zich rook zijwaarts, naar boven en naar beneden verspreidde. (5) De rivieren en oceanen waren in beroering, de eilanden, de bergen en de aarde schudden en de sterren met hun planeten vielen, terwijl de tien windrichtingen in lichterlaaie stonden. (6) Erdoor geschroeid gaven de halfgoden hun verblijfplaatsen op en gingen ze naar het verblijf van Heer Brahmâ om hun leider te melden: 'O Meester van het Universum, we zijn allen getroffen door de boetedoening van de Daityakoning en niet langer in staat onze positie in de hemel te behouden. (7) Alstublieft, kan u er iets aan doen en hier een eind aan maken, o Heer van de hele wereld, of anders is iedereen, die voor u zijn offers brengt, verloren. (8) Kijk nu eens wat hij [Hiranyakas'ipu] zich heeft voorgenomen met zijn uitvoering van die moeilijke boetedoening. U weet er natuurlijk al van - maar niettemin willen we het graag aan u voorleggen. (9-10) [Hij overweegt dit:] 'Heer Brahmâ, die, middels zijn verzaking verzonken in de yoga, de bewegende en niet-bewegende wezens schiep [zie 3.8], heeft zijn troon in al de werelden hoog en laag. Verzonken in de yoga dankzij een zelfs nog zwaardere boetedoening [dan de zijne] zal ik, vanuit het eeuwige van de tijd en de ziel, datzelfde voor mezelf bereiken. (11) Met mijn kracht zal ik deze wereld op zijn kop zetten en alles wat niet klopt anders aanpakken dan voorheen. Wat voor nut hebben alle andere praktijken? De tijd vaagt, na één dag van de schepping, al die werelden van Vishnu toch weer weg!' (12) We ontdekten dat hij, vanuit zijn buitensporige boete, dit van zins is. Kan u alstublieft, naar uw inzicht, de juiste maatregelen nemen, o meester van de drie werelden? (13) Het hoort bij uw positie als de allerhoogste meester van het universum, om te ijveren voor het welzijn, het geluk, de weelde en de overwinning van de tweemaal geborenen en de koeien.'
   

(14) Na aldus op de hoogte gesteld te zijn door de goddelijken, begaf de machtigste persoon, hij die zijn geboorte nam op de lotus, o Koning, zich vergezeld door Bhrigu, Daksha en anderen naar de plaats waar de heer van de Daitya's zijn boete deed. (15-16) Overdekt door een mierenheuvel, gras en bamboe en met zijn vet, huid, vlees en bloed weggevreten door de mieren, kon hij niet worden opgemerkt. Maar hij die de zwaan bereed lachte vol verwondering toen hij zag hoe hij, als een zon verhuld door wolken, al de werelden verhitte met zijn boetedoening. (17) Heer Brahmâ zei: 'Alstublieft kom tevoorschijn, toon uzelf, o zoon van Kas'yapa! Al het goede zij u toegewenst, die zo volmaakt bent in uw boete. Ik, de toekenner van gunsten, ben gekomen. Laat uw keuze mijn zegen voor u zijn. (18) Ik heb persoonlijk gezien hoe groot uw uithoudingsvermogen is en hoe wonderlijk het is dat iemand, wiens lichaam is weggevreten door de wormen en de mieren, erin weet te slagen zijn levensadem bij zijn gebeente te houden. (19) Nog nooit heeft een wijze zoiets gedaan, noch zal enig ander na u dat presteren. Wie kan nu meer dan honderd hemelse jaren [36.000 jaar] zijn levensadem in stand houden zonder maar een druppel water te drinken? (20) O zoon van Diti, door uw besluit deze boete te doen, die zelfs voor de grootste heiligen zeer moeilijk te volbrengen is, hebt u mij voor uzelf gewonnen. (21) Daarom zal ik al uw wensen in vervulling doen gaan, o beste van de Asura's. Als iemand die voorbestemd is te sterven een ontmoeting heeft met een onsterfelijke persoon als ik, zal dat zeker niet vruchteloos zijn.'

(22) S'Nârada zei: 'Dat gezegd hebbende sprenkelde de oorspronkelijke godheid en het eerste levende wezen van het universum goddelijk, alvermogend water uit zijn kamandalu [waterpot] over het lichaam dat door de mieren was opgegeten. (23) Daarmee werd het volle vermogen van zijn geest, zinnen en kracht hersteld. Als vuur dat tevoorschijn springt uit brandhout kwam hij vanuit zijn mierenheuvel begroeid met bamboestaken tevoorschijn met een volledig toegerust jong lichaam zo sterk als een bliksemstraal dat een luister had van gesmolten goud. (24) Toen hij de god recht voor zich zag in de hemel op de zwaan die hem droeg, bracht hij, zeer verheugd over die ontmoeting, hem met zijn hoofd op de grond zijn eerbetuigingen [vergelijk B.G. 9: 23-24 en 2.3: 10]. (25) Nadat hij weer overeind kwam en met eigen ogen de Almachtige zag, begon hij, overweldigd door vreugde, met tranen in zijn ogen en zijn haren overeind, met gevouwen handen en een haperende stem, nederig te bidden. (26-27) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Aan het einde van een dag van zijn schepping als hij [Heer Brahmâ] onder de invloed van de tijd gehuld is in de hechte duisternis van de onwetendheid, manifesteert deze kosmische schepping zich [opnieuw] bij het licht van de stralen van zijn lichaam. Deze wereld, toegerust met de drie basiskwaliteiten rajas, sattva en tamas [hartstocht, goedheid en onwetendheid], wordt door hem geschapen, gehandhaafd en vernietigd. Die bovenzinnelijke en allerhoogste Heer breng ik mijn respectvolle eerbetuigingen. (28) Het oorspronkelijke levende wezen, het zaadbeginsel van de schepping, de kennis en de wijsheid, hem, de godheid van de levenskracht, de zinnen, de geest en de intelligentie die vanuit zijn hartstocht deze schepping tot stand bracht, bied ik mijn respectvolle eerbetoon. (29) Met de levenskracht tewerk gaand, vormt u de feitelijke beheersing van de bewegende en niet-bewegende schepselen. U bent de oorsprong van alle activiteiten en bent de bepalende geest en bron van inzicht voor alle levende wezens. U bent de grote Heer van de zintuigen van waarnemen en handelen, de controle over de materiële elementen, hun kwaliteiten en de geest daaromtrent [vergelijk B.G. 7: 7]. (30) Middels uw lichaam in de vorm van de drie Veda's propageert u de zeven soorten van plechtigheden [beginnend met de agnishthoma-yajña] van de vier soorten van priesters [bekend als hotâ, adhvaryu, brahma en udgâtâ] en de kennis die er voor nodig is. U bent die ene ziel zonder een begin en een einde van alle vormen van leven, de allerhoogste inspirator en het Ware Zelf vanbinnen. (31) Nergens door beïnvloed, bent u de [verpersoonlijking van de] immer waakzame Tijd die, met ieder van zijn segmenten in de vorm van dagen, uren, minuten en zo meer, de levensduur bekort van alle wezens. U bent het levensbeginsel van deze materiële wereld, het Grote Zelf en de Allerhoogste Heerser die nimmer geboren werd. (32) Er is niets wat onafhankelijk van u bestaat, of het nu hoger ontwikkeld is of slechts lager, zich rondbeweegt of niet. De [Vedische] kennis in al haar geledingen vormt de verscheidenheid van uw lichaam. U bent dat ene gouden levensbeginsel [genaamd hiranya-garbha] die, verheven boven de drie basiskwaliteiten van het universum, groter bent dan de grootste. (33) O Almachtige, u, als de ene ziel en oudste persoon onzichtbaar in uw hemelverblijf, manifesteert de uiterlijkheid van deze kosmische schepping waarmee u de zinnen, levensadem, geest en kwaliteiten geniet [waarmee u ons  hebt uitgerust]. (34) Ik biedt u mijn eerbetuigingen, die Opperheer die, uitgerust met geestelijk èn materieel vermogen, expandeerde tot de onbegrensde, onvoorstelbare, gedaante van dit volkomen geheel.

(35) Als u bereid bent mij de gunst te verlenen die ik verlang, o mijn Heer, o beste van de begunstigers, zorg er dan voor dat ik door geen van de wezens die u schiep de dood zal vinden. (36) Thuis niet noch daarbuiten, gedurende de dag niet noch gedurende de nacht, niet door enig bekend wapen of met een ander ding, op de grond niet en ook niet in de lucht verkerend, noch door een mens of een dier mag ik sterven. (37-38) Levenloze dingen niet noch levensvormen, geen halfgod of demon en ook de grote serpenten mogen me niet doden. Ik moet geen rivalen hebben, ik wil het overwicht hebben in de strijd en de heerschappij over alle belichaamde zielen met inbegrip van de goden van alle leefwerelden. Mijn glorie moet gelijk zijn aan die van u en nimmer mogen de verworvenheden die ik verkreeg door mijn boete in yoga worden verslagen.'

 


Hoofdstuk 4: Hiranyakas'ipu Terroriseert het Universum

(1) S'rî Nârada zei: 'Aldus verzocht verleende Heer Brahmâ, die alle kanten opkijkt, verheugd over Hiranyakas'ipu's boetedoeningen, de gunsten die zo moeilijk te verwerven zijn. (2) Heer Brahmâ zei: 'Mijn zoon, hoewel de gunsten waar je mij om vroeg voor de mens moeilijk te verwerven zijn, zal ik je ze verlenen, mijn beste.'

(3) Daarop vertrok de machtige Heer wiens genade feilloos is, hij die door de meest verheven Asura werd aanbeden als de Almachtige die alle heersers van de mensheid loven. (4) De Daitya, die aldus de gunst had verworven die hij verlangde en een lichaam had verkregen dat straalde als goud, koesterde, steeds denkend aan de broer die was gedood door de Heer, haat jegens Hem. (5-7) Hij, de grootste Asura, die de drie werelden veroverde in alle windrichtingen, bracht de heersers van alle plaatsen onder zijn controle: god, demon en mens; de koningen, de muzikanten van de hemel en de vogels [de Garuda's]; de slangen, de vervolmaakten en de hofzangers; de wetenschappers, de zieners en de leidende voorvaderen; de vaders van de mensheid, de schatbewaarders en de wildemannen; de kobolden, de  boze geesten en de spoken. Als de veroveraar van de wereld eigende hij zich de macht toe van alle autoriteiten, waar dan ook. (8) Zich ophoudend in het lusthof van de goden met de rijkdom van alle weelde, verkeerde hij aldus in de hoogste wereld. Wonend in het paleis van de koning van de hemel zoals gebouwd door Vis'vakarmâ, de grote Asura-architect, domineerde hij, in het bezit van de welvaart van het hele universum, de drie werelden vanuit dat verblijf van Lakshmî. (9-12) De traptreden daar waren van koraal, de vloeren van smaragd, de muren van kristal en de rijen pilaren waren vervaardigd uit vaidûrya[tijgeroog]gesteente. Er bevonden zich daar ook de mooiste banken en zitplaatsen overdekt met robijnen en het beddengoed, afgezoomd met parels, was zo wit als melkschuim. In de vertrekken versierd met juwelen en edelstenen, waarin ze hun mooie gezichten en tanden weerspiegeld zagen, lieten hemelse dames links en rechts het fijne geklingel van hun enkelbelletjes horen. In dat koninklijk verblijf met de grootste macht en geest buitengemeen streng heersend, genoot de alleenheerser die iedereen in zijn greep had, ervan aanbeden te worden door de gekwelde, godvrezende hofhouding aan zijn voeten. (13) O mijn beste, hij, die belichaming van alle verzaking, yoga, kracht en gezond verstand, die eerbewijzen ontving van alle belangrijke persoonlijkheden met uitzondering van de drie belangrijkste godheden, verkeerde, aldus bezig, daarbij onder de invloed van sterk geurende wijnen die zijn ogen rood als koper in hun kassen deden rollen. (14) Met al zijn macht zittend op de troon van Indra, werd hij verheerlijkt door Vis'vâvasu, Tumburu [de grootste Gandharva's], door mij en door anderen, o zoon van Pându. Steeds opnieuw werden gebeden [aan hem] opgedragen door al de zangers en meisjes van de hemel, de vervolmaakten, de heiligen en zij die zich baseren op kennis. (15) Alzo met offergaven overvloedig vereerd door alle klassen en leeftijdsgroepen, reserveerde hij, in zijn machtsuitoefening, ieder aandeel van de gebrachte offers voor zichzelf alleen. (16) Moeder aarde leverde, als de koe van overvloed, onder zijn bewind spontaan overvloedige oogsten op in al haar zeven werelddelen, terwijl in de hemel alle wonderen van het universum konden worden waargenomen. (17) De zeeën en oceanen van zout en zoet water, wijn, ghee, suikerrietsap, yoghurt en melk, alsook hun echtgenotes de rivieren, voerden allerlei soorten van kostbare gesteenten mee in hun golven. (18) De valleien tussen de bergen en heuvels waren zijn lustoorden waar gedurende alle seizoenen al het goede van plant en boom te vinden was. In zijn eentje stond hij voor al de verschillende kwaliteiten van de heersende natuurgoden. (19)  Ondanks dat hij in alle windstreken alles en iedereen aan zich onderworpen had als de enige echte heerser, met het recht om uitputtend alle denkbare genoegens te mogen genieten, had hij daar geen vrede mee, want hij had de controle over zijn zinnen verloren. (20) Vervloekt door de brahmanen [de Kumâra's] raakte hij bedwelmd door de grote trots over zijn vergaarde weelde, zodat er een lange tijd verstreek van leven in overtreding met de geschriften [zie ook B.G. 16: 23-24].

(21) Vanwege zijn pijnlijke reprimandes waren al de werelden verstoord en was er nergens meer een veilig heenkomen voor hun leiders. Daarom zochten ze hun toevlucht bij de Onfeilbare [vergelijk B.G. 5: 29]. (22-23) Ze baden toen: 'Wij brengen onze eerbetuigingen in de richting waar men de Superziel van Hari, de Allerhoogste Heer, vindt en vanwaar de vreedzame en zuivere zielen van de wereldverzakende orde nimmer terugkeren.' Aldus met hun geesten onder controle, waakzaam en slechts van de lucht levend, bestendigden en zuiverden ze hun intelligentie in hun eerbetoon voor de Meester van de Zinnen.

(24) Toen weerklonk er, luid als de donder, in alle richtingen een stem zonder een gedaante, die de angst van de deugdzame zielen verdreef: (25-26) 'Vrees niet, o besten van de wijsheid, Ik heb het beste met u voor. Met Mij voor ogen kunnen levende wezens al het goede bereiken. De kwalijke handelingen van deze grote duivel zijn Me bekend en Ik zal ze een halt toeroepen, daar kan u op rekenen. (27) Als men zich vijandig opstelt tegenover de goden, de Veda's, de koeien, de brahmanen, de heiligen, het dharma en tegenover Mij, zal men snel verloren gaan. (28) Zo gauw hij [Hiranyakas'ipu] geweld gebruikt tegen zijn vredelievende zoon, die grote ziel Prahlâda die geen vijanden heeft, zal Ik hem doden, ongeacht de zegeningen die hij ontving [van Heer Brahmâ, zie ook 3.25: 21].'

(29) S'rî Nârada zei: 'Na aldus te zijn toegesproken door de geestelijk leraar van alle levende wezens, brachten de godsbewuste zielen Hem hun eerbetuigingen en keerden ze terug naar hun verblijfplaatsen. Bevrijd van al hun angsten beschouwden ze de Asura zo goed als dood [2.3: 10]. (30) De Daityakoning zette vier hoogst gekwalificeerde zoons op de wereld, van wie degene die Prahlâda heette, de beste was begiftigd met al de kwaliteiten van een grote toegewijde [zie 5.18: 12]. (31-32) Hij, als een goede brahmaan met zijn zinnen en geest in bedwang, was stevig verankerd in de Absolute Waarheid en was, net als de Superziel, de meest geliefde, beste vriend van alle levende wezens. Hij zat aan de voeten van de grote zielen als een dienaar, hij was zo zorgzaam als een vader jegens de armen, voor zijns gelijken was hij als een broeder en voor de geestelijk leraren, die hij zo hoog achtte als de Allerhoogste Heer Zelf, was hij altijd vriendelijk. Hij was goed geschoold, van zingeving, schoonheid, edelmoedigheid en volkomen vrij van hoogmoed en aanmatiging [vergelijk B.G. 12: 13-19 en B.G. 18: 42]. (33) Hoewel geboren uit een Asura was hij niet demonisch van aard. In gevaarlijke situaties had hij steeds een onverstoord bewustzijn en hij had er geen behoefte aan te praten over, of zich druk te maken over, tijdgebonden zaken. Materiële kwaliteiten vond hij niet belangrijk en door zijn zinnen, levensadem, lichaam en geest te beheersen, bracht hij zijn lusten tot vrede. (34) Zijn eigenschappen worden, net als die van de Allerhoogste Persoon onze Heer, tot op de dag van vandaag onverminderd hooggehouden door de geleerden, o Koning. (35) In bijeenkomsten van zuivere zielen, waarin de vijanden [van de demonen] deze eigenschappen bespreken, nemen ze hem als voorbeeld. Als zelfs de wijzen en geleerden dat doen, waarom zou u, of iemand anders, dat dan ook niet doen? (36) Woorden schieten tekort als men de talloze kwaliteiten wil opsommen van hem die zijn grootheid ontleende aan zijn natuurlijke aantrekking tot Vâsudeva, de Hoogste Persoonlijkheid Gods. (37) Als een kleine jongen zag hij, volkomen opgegaan in Krishna's aantrekking, ervan af te spelen en leek het alsof hij afwezig was en geen begrip had voor wereldse aangelegenheden. (38) Als hij zat en rondliep, at en rustte, dronk en sprak, drong, omarmd door Govinda, niets van dat alles tot hem door. (39) Soms zich zorgen makend over [zijn afwezigheid in] Vaikunthha huilde hij, soms lachte hij over een vreemde gedachtegang en dan weer zong hij luidkeels vol van vreugde met Hem in gedachten. (40) Soms riep hij overweldigd heel hard [Zijn naam], dan weer danste hij zonder schaamte en soms deed hij Hem na als hij, verloren in gedachten over Hem, zich in Hem inleefde. (41) Dan weer viel hij, met kippenvel en tranen in zijn halfgesloten ogen, volledig stil, overmand als hij was in de greep van de liefdevolle associatie van Zijn bovenzinnelijke verrukking. (42) Door zijn voortdurende dienst aan de lotusvoeten die worden verheerlijkt in de hymnen en door de ontwikkeling van zijn onzelfzuchtige associatie, bereikte hij de hoogste extase. Daarbij bracht hij, vanuit de geestelijke ziel, onophoudelijk de vrede voor een ieder die het [in zijn omgeving] ontbrak aan geest en omgang. (43) Jegens hem, die verheven en meest fortuinlijke, ruimhartige toegewijde die zijn eigen zoon was, o Koning, beging Hiranyakas'ipu de grootste zonde.'

(44) S'rî Yudhishthhira zei: 'O devarishi zwerend bij geloften, we zouden graag het volgende van u willen weten: waarom liet de vader zijn eigen zuivere en verheven zoon zo lijden? (45) Zonen die tegen de wil van hun vaders ingaan worden liefdevol terecht gewezen. Maar om ze een lesje te leren worden ze toch niet als een vijand afgestraft? (46) Alstublieft, o brahmaan, wat moeten we nu denken van deze vader die, zo gemeen op de dood af, hatelijk was jegens zijn gehoorzame zoon? Alstublieft neem onze twijfels weg, want hij was een grote toegewijde van het soort die zijn vader eert als zijn goeroe, o meester.''




Hoofdstuk 5: Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu

(1) S'rî Nârada zei: 'De machtige wijze S'ukrâcârya ['de leraar van de zuiverheid'], die door de Asura's werd uitgekozen om als hun priester op te treden, had twee zoons genaamd Shanda en Amarka die vlak bij het paleis van de Daityakoning woonden. (2) De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed kon redeneren, naar hen toe om samen met andere Asurakinderen te worden onderricht in verschillende vakken van kennis. (3) Luisterend en herhalend wat de leraren daar allemaal zeiden, vond hij dat het geen goede manier van denken betrof omdat men uitging van een idee van vijanden en bondgenoten. (4) Op een dag nam de Asuradespoot zijn zoon op zijn schoot, o zoon van Pându, en vroeg hij: 'Vertel me eens mijn zoon, wat denk je nu zelf dat het beste zou zijn?'

(5) S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'Goed, o Koning van de Asura's, ik denk dat iedere belichaamde ziel steeds een geest vol van zorgen heeft omdat hij is gevangen in de materiële wereld. Als men van die versluiering van de ziel, van dat aardse bestaan dat niets anders is dan een overwoekerde put, af wil komen, kan men maar beter het bos ingaan en zijn heil zoeken bij de Heer.'

(6) S'rî Nârada zei: 'Toen de Daitya hoorde hoe zijn zoon, bij zijn volle verstand, met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte hij over de misleide intelligentie van verkeerd voorgelichte kleine jongens [als hij]: (7) 'Dit jongetje zal [tegen dit soort ideeën] volkomen beschermd zijn op school, waar zijn geest vrij is van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich [mogelijk] anders voordoen dan ze zijn.'

(8) Naar school gebracht, riepen de Daityapriesters Prahlâda bij zich om hem te ondervragen, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden. (9) 'Lief kind, Prahlâda, we wensen je het allerbeste, vertel ons de waarheid en lieg niet. Waar haal je deze verkeerde manier van denken vandaan die we niet bij de andere kinderen aantreffen? (10) Zeg ons, is deze tegendraadse zienswijze afkomstig van kwaadwilligen of was het iets van jezelf? Wij, je leraren, willen dit heel graag weten, o beste van de familie.'

(11) S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van vijanden en bondgenoten hoort bij mensen met een materiële levensopvatting. Redenerend naar wat ze zien, zijn ze begoocheld door de uiterlijkheid die door Hem geschapen werd, Hij, de Allerhoogste Heer die ik respecteer [zie ook B.G. 5: 18]. (12) Als iemand Hem is toegewijd, komt er een eind aan het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van hemzelf en het 'ik' van iemand anders. (13) Voor hen wiens intelligentie en dienstverlening bedorven raakte door te denken in termen van vriend en vijand, staat vast dat het toegewijd dienen van Hem, de Superziel, heel lastig is. Zelfs anderen die spiritueel zijn en het Vedisch pad volgen, verkeren erover in verwarring hoe ze Hem moeten dienen die mijn intelligentie heeft getransformeerd. (14) O brahmanen, zoals ijzer zich vanzelf in de richting van een magneet beweegt, is ook mijn bewustzijn veranderd op het gezag van de cakra in Zijn hand [van de natuurlijke orde van de Tijd, zie b.v. 5.14: 29].' 

(15) S'rî Nârada zei: 'Na dit alles tegen de brahmanen te hebben gezegd, viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het maar niks vonden en boos op hem waren: (16) 'O haal een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die ons met zijn corrupte denkwijze in diskrediet brengt. Dit vraagt om de oplossing van de vierde optie van de diplomatie, de danda [de roede, volgend op sâma, gunstig stemmen; dâna, wettelijk geregelde liefdadigheid en bheda, het verdelen van posten]. (17) In het sandelhoutbos van de Daitya's werd deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl van Vishnu om ons bij de wortel om te hakken!' 
 
(18) Aldus op verschillende manieren hem bedreigend met straffen en zo meer, brachten ze Prahlâda bij wat de geschriften zeiden over de [eerste] drie levensdoelen [de purusârtha's van dharma, artha en kâma]. (19) Toen zijn leraren ervan overtuigd waren dat hij alles wist wat er te weten viel over de vier beginselen [van de diplomatie], werd hij, na door zijn moeder te zijn gebaad en fraai aangekleed, naar de Daityaheerser gebracht. (20) Aan zijn voeten gevallen, werd de jongen aangemoedigd met zegeningen door de Asura, die er grote vreugde aan ontleende hem langdurig in zijn armen te sluiten. (21) Hij nam hem op zijn schoot, besnoof zijn hoofd en bevochtigde hem met het nat van zijn tranen. Toen zei hij, met een lach op zijn gezicht, het volgende, o Yudhishthhira. 

(22) Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, zeg me eens wat jij, goed onderricht als je bent, o liefde van mijn leven, het beste vindt van wat je in die tijd allemaal geleerd hebt van je leraren.'

(23-24) S'rî Prahlâda zei: 'Ik denk dat als iemand echt van toewijding wil zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid, de Heer, het beste wat hij kan leren is van de negen kenmerken van de bhakti jegens Vishnu te zijn: luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, hulp bieden aan de voeten, het brengen van offers, het doen van gebeden, van dienst zijn, een vriend zijn en je met hart en ziel overgeven.'
 
(25) Toen Hiranyakas'ipu zijn zoon dit hoorde zeggen zei hij, met lippen trillend van woede, het volgende tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was]: (26) 'Jij nepbrahmaan! Dwaas die je bent! Wat krijgen we nou? Kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je naar behoren te bekommeren om mijn jongen? (27) Zo zie je maar weer wat er in deze wereld toch een hoop bedriegers zijn die zich valselijk uitdossen als vrienden. Maar in de loop van de tijd ziet men hoe de zonde zich manifesteert, zoals een ziekte dat doet bij mensen met een verkeerde levensstijl.'

(28) De zoon van de goeroe zei: 'Wat uw zoon hier zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra. Dit is een aangeboren neiging, o Koning. Wees niet kwaad op ons, u moet ons er niet de schuld van geven.' 

(29) S'rî Nârada zei: 'Na aldus van de leraar een antwoord gekregen te hebben, richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, jij ellendeling, waar komt dit kwalijke idee van jou dan vandaan?'

(30) S'rî Prahlâda zei: 'Personen die zweren bij een aards bestaan ontwikkelen, vanwege een gebrek aan zinsbeheersing, in hun telkens weer herkauwen van  bekende zaken, een leven dat tot de hel voert. Ze voelen nooit voor Krishna [zie B.G. 4: 4-5] op basis van wat anderen zeggen, door eigen inzicht of door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44]. (31) Zij die denken te winnen bij de uiterlijke wereld hebben, in hun moeilijke voornemens, geen idee van het doel van het leven, Heer Vishnu. Hoewel ze zich laten leiden zijn ze, als blinden geleid door een blinde, gehoorzamend aan de dictaten van de materiële natuur, gebonden aan de bepalingen [de 'touwen'] van haar grote macht [mâyâ]. (32) Het overwinnen van het ongewenste - hetgeen de opzet is van al de grote zielen [de goeroes en de toegewijden] - ligt buiten het bereik van deze mensen zolang hun bewustzijn niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die in [vrijwillige] armoede vrij van die gebondenheid zijn.'

(33) Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu blind van woede zijn verstand kwijt, wierp hem van zijn schoot op de grond. (34) Overmand door verontwaardiging zei hij furieus met bloeddoorlopen ogen: 'Mannen, o zonen van Nirriti [een demon], maak direct een eind aan zijn leven, voer hem weg om hem te doden! (35) Hij hier is de moordenaar van mijn broer, want hij, die zo laaghartig zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten van Vishnu van aanbidding voor Hem die zijn eigen oom heeft gedood! (36) En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren die hij oud is en met zijn trouweloos verzaken van de bezwaarlijk op te geven liefde van zijn ouders. (37) Zelfs geboren uit een ander vormt een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid, maar een zoon geboren uit jezelf die niet van goede wil is moet je opgeven, net zoals je een verziekte arm of been op moet geven. Want schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam, kan zijn verwijdering nog een gelukkig leven mogelijk maken. (38) In ieder geval moet hij worden gedood die met ons etend, liggend en zittend, zich voordeed als een vriend, maar net zo'n vijand voor ons is als onbeheerste zinnen zijn voor een wijze.'

(39-40) De zonen van Nirriti gehoorzamend aan de opdracht van hun leider brulden, met hun angstaanjagende tanden en gezichten, hun rode haren en snorren en de scherpe drietanden in hun handen, toen schrikwekkend: 'Ja, laten we hem in stukken hakken!' en vielen met hun spiesen de vitale delen van Prahlâda aan die daar stilletjes zat. (41) Maar net zoals lovenswaardige daden op de verkeerde manier verricht geen effect hebben, had die aanval geen effect op hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder, die voor de zinnen niet waar te nemen is. (42) O Yudhishthhira, de Daityadespoot, verontrust toen hij zag hoe al de pogingen mislukten, bedacht toen vastberaden tal van manieren om hem te doden. (43-44) Hij probeerde hem te pletten met een olifant, met grote slangen aan te vallen, vloeken over hem uit te spreken, hem van grote hoogten te werpen, met truuks te verwarren, hem op te sluiten, gif toe te dienen, hem uit te hongeren en bloot te stellen aan kou, wind, vuur en water en hem onder rotsblokken te bedelven, maar met geen van deze manieren slaagde de demon erin zijn zoon te doden. Toen zijn langdurige pogen geen succes had werd hij zeer nerveus.

(45) [Hij dacht:] 'Met deze overdaad aan onheilige uitingen en diverse methoden,  erop gericht hem te doden, met al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht! (46) Ondanks dat hij maar een kind is, is hij de zaak de baas en nergens bang voor. Zo dicht in mijn buurt zal hij, net als een geslagen hond, altijd zijn staart krom houden en mijn wandaden nooit vergeten. (47) Zijn onbegrensde geloof, zijn onvergankelijkheid en zijn gebrek aan angst voor welke van deze vijandigheden ook, zal ongetwijfeld vroeg of laat tot mijn dood leiden.'

(48) Met dat in gedachten liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van Us'anâ [S'ukrâcârya], spraken toen met hem in privé. (49) 'Al de leiders van de drie werelden, die u als enige de baas bent, beven vol van angst als u uw wenkbrauwen optrekt. U hebt van hem niets te vrezen, o meester, en we snappen niet waarom u zich druk maakt over de kwaliteiten en fouten van een of ander kind. (50) Houd hem, totdat onze goeroe S'ukra er weer is, gevangen met de touwen van Varuna zodat hij er niet uit angst vandoor gaat. Ondersteund door mensen met meer ervaring [zoals wij], zal hij de intelligentie wel ontwikkelen als hij ouder wordt.' 

(51) Aldus geadviseerd nam hij serieus wat de zoons van de geestelijk leraar hem zeiden en zo gebeurde het dat Prahlâda werd onderricht in de [burgerlijke] plichten van de leden van een koninklijke familie. (52) Het naleven van religieuze plichten, het economisch bestuur en het kanaliseren van verlangens werd keer op keer van a tot z aan de nederige en onderworpen Prahlâda uiteengezet, o Koning [vergelijk B.G. 14: 20 & 26]. (53) [Maar] wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen, die opvoeding die hij van deze mensen ontving die behagen schiepen in de dualiteit [van vriend en vijand], beschouwde hij [net als voorheen] helemaal niet als goed [geestelijk] onderricht [vergelijk 6.3: 20-25]. (54) Als de leraren druk waren met hun eigen huishoudelijke plichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om zich met hem af te zonderen. (55) Hij richtte zich dan glimlachend tot hen om ze in aangename bewoordingen met grote intelligentie en geleerdheid uit te leggen hoe genadevol het is om met God een beter leven te leiden. (56-57) O grote koning, al de jongens die uit respect voor zijn woorden hun speelgoed opgaven, zaten dan om hem heen met hun geesten niet [langer] gecorrumpeerd door de instructies en handelingen van hen [de leraren] die behagen schiepen in de dualiteit. Tot hen, die waren bevrijd zo gauw ze hun ogen en harten op hem richtten, sprak hij vol medeleven als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol toewijding.'

 


Hoofdstuk 6: Prahlâda Instrueert Zijn Asuraschoolvriendjes

(1)  S'rî Prahlâda zei: 'Een intelligent iemand behoort, in deze maar zelden verworven menselijke geboorte, vanaf zijn vroegste jeugd het dharma te beoefenen van toegewijde dienst aan de Heer [zoals beschreven in 7.5: 23-24]; ondanks dat het maar een tijdelijke aangelegenheid betreft, wordt dit bestaan beheerst door die bedoeling. (2) Omdat Hij de meest welgezinde en geliefde van alle levende wezens is, de Meester van de Ziel, vormt het benaderen van de voeten van Vishnu de weg die de persoon te begaan heeft in deze wereld [zie ook 3.25: 38 en B.G. 5: 29]. (3) Door goddelijke beschikking is zinsgeluk o Daitya's, overal voor ieder belichaamd wezen beschikbaar, net als het ongeluk waar men tegenop loopt zonder dat men erom gevraagd heeft. (4) Het is niet nodig je in te spannen voor dat [materieel geluk], je zou enkel je leven ermee verspillen omdat je er niets mee wint. Het zijn de lotusvoeten van Mukunda [de Heer van de Bevrijding] die de [duurzame] basis vormen voor vrede en geluk. (5) Een nadenkend iemand met een materieel leven in een menselijk lichaam, moet daarom, zolang hij gezond en krachtig is en niet gebrekkig, gaan voor het ware voordeel van [Mukunda]. (6) Van de honderd jaar die men voor zijn leven heeft, besteed iemand in dienst van zijn zintuigen de helft van zijn tijd vruchteloos door, verzonken in duisternis, onwetend de nacht door te brengen met slapen. (7) In je kindertijd ben je onnozel, in je tienerjaren speel je en aldus verstrijken een twintigtal jaren en men brengt nog eens twintig jaar door met het op hoge leeftijd niets meer doen omdat men lichamelijk niet meer in staat is. (8) De rest van je leven verspil je als een dwaas omdat je, in de greep van familieaangelegenheden, verbijsterd raakt door machtige materiële verlangens die niet te bevredigen zijn. (9) Welke persoon kan zichzelf nu bevrijden als hij, gehecht aan huis en haard, gebonden aan de liefde, zijn zinnen niet de baas is [zie 1.2: 6-7]? (10) Hoe kan iemand die geld verdienen belangrijker vindt dan te leven [in toewijding en dankbaarheid], dat vergaren opgeven waarvoor een handelaar, dief en wetsdienaar zijn lieve leven op het spel zet? (11-13) Hoe kan men er mee ophouden in de huiselijke sfeer omgang te hebben met, en de woorden te waarderen van, de zo beminde, liefdevolle en aantrekkelijke echtgenote? Hoe kan men afzien van de liefde voor de schattige prietpraat van de kinderen, te denken aan de zoons en dochters die men in zijn hart gesloten heeft, aan zijn broers, zussen en de zorg voor zijn gebrekkige ouders? Hoe kan men nu afzien van huishoudelijke zaken als mooie meubeltjes, een goed inkomen, huisdieren en reeksen van bedienden en dienstmeisjes? Door met het vooropstellen van het belang van de geslachtsdelen en de tong allerlei verlangens  te koesteren die nooit te bevredigen zijn, is men bezig als een zijderups [die zich in zijn eigen cocon spint]. Hoe kan men nu van zo'n gigantische illusie afzien? (14) Steeds geplaagd door de drie vormen van ellende [door de natuur, door anderen en door eigen toedoen veroorzaakt, zie 2.10: 8], heeft hij geen spijt van het plezier dat hij beleeft aan zijn gezinsleden, maar materieel verdwaasd als hij is, bekort het onderhouden van zijn gezin zijn leven, zonder dat hij ooit doorkrijgt wat het doel van het leven is. Dat doel raakte hij kwijt.  (15) Met een geest die steeds verlangt naar weelde, leerde hij dat het fout is om bedrog te plegen omwille van de centen. Desondanks zit hij, na gestorven te zijn, vast aan deze materiële wereld [en moet hij vanwege de rechtspraak van Yamarâja opnieuw zijn geboorte nemen]. Zonder zijn zinnen de baas te zijn maakte hij zich als kostwinner, met zijn niet te bevredigen lusten, immers schuldig aan diefstal [zie ook B.G. 16: 11-12]. (16) Ondanks dat men hier weet van heeft, o zoons van Danu, komt men, als men voor zijn familie moet zorgen, niet aan zichzelf toe, waardoor men, dan vervreemd, in het duister tast met een 'mijn' en 'dijn' begrip van het leven zoals men dat bij dieren aantreft. (17-18) Niemand zal ooit, waar of wanneer dan ook, er met een gebrek aan kennis in slagen zichzelf te bevrijden. Omdat men, als een seksueel troeteldier dat uit is op lustbevrediging, met die gehechtheid hele families tot stand brengt, moeten jullie, mijn Daityavrienden, je in dit opzicht [als je bevrijding zoekt] er verre van houden je toevlucht te zoeken bij de duivel van de verslaving aan zinsgenoegens. Richt je in plaats daarvan op Heer Nârâyana, de oorspronkelijke godheid, die in de omgang met bevrijde zielen de weg van de bevrijding aangeeft waar jullie zo naar verlangen. (19) Het kost niet veel moeite om de Onfeilbare tevreden te stellen, o Asurazonen, omdat Hij zich overal in deze wereld heeft gevestigd als de perfectie van het zelf van alle levende wezens [vergelijk B.G. 14: 3-4]. (20-23) Hij is de Ene die in alle levende wezens hoog en laag aanwezig is, van het eenvoudigste plantenleven tot aan Heer Brahmâ toe. In de elementen afzonderlijk en in al hun transformaties, alsmede in het geheel van de materiële energie, in de staat van evenwicht van de geaardheden alsook in hun staat van onevenwichtigheid, is Hij de ene ware, bovenzinnelijke, oorspronkelijke bron die de Allerhoogste Persoon is, de Heer die zelf vrij is van verval. Wat betreft de oorspronkelijke positie van Zijn innerlijke aanwezigheid en Zijn uiterlijke persoonlijke manifestaties, is Hij zowel dat wat wordt doordrongen en te beschrijven is, als de alles doordringende Verheven Transcendentie die alle beschrijving te boven gaat. Hij is het onveranderlijke en onverdeelde [bewustzijn] in de vorm van gelukzaligheid en begrip; Hij is de Allerhoogste Heerser op wiens onbegrensd vermogen men zich verkijkt omdat Hij aan het zicht onttrokken wordt door de begoochelende energie die wordt beheerst door de basiskwaliteiten van de materiële natuur. (24) Toon daarom genade voor alle levende wezens. Als jullie met een vriendelijke houding de Asuramentaliteit [van vrienden versus vijanden] opgeven, zullen jullie daarmee de Heer voorbij de Zinnen tevreden stellen [zie ook B.G. 12: 13-20]. (25) Als Hij, de Eeuwige en Oorspronkelijke, tevreden is, is er niets dat men niet kan bereiken. Waarom zouden zij die aldus van dienst zijn in deze wereld die wordt beheerst door de drie basiskwaliteiten, zich moeten inspannen voor een plichtsbesef [met het reguleren van de lusten, de economie en de religie] dat vanzelf [uit die toewijding] voortvloeit? Waarom zouden we, verheven boven de drie geaardheden, verlangens koesteren als we Zijn voeten bezingen? (26) De voorgeschreven drievoud van dharma, kâma en artha, de kennis van de ziel en van de drie Veda's, van de logica, van het wettelijk gezag en van de verschillende beroepen, beschouw ik allen als de waarheid [aan de oppervlakte] die iemands lesje vormt. Maar het zich volledig overgeven aan de Allerhoogste Vriend is wat leidt tot [de diepere realisatie van de persoonlijke relatie met de] bovenzinnelijke persoon [je svarûpa, vergelijk 1.2: 8]. (27) Deze kennis, die vrij is van materiële smetten, is moeilijk te bereiken. Ze werd door Heer Nârâyana, de vriend van alle mensen, uitgelegd aan Nârada ter wille van alle zielen die zich uitsluitend aan Hem, de Allerhoogste Heer overgeven. Een dergelijk begrip is mogelijk voor hen die niet [meer] geven om materiële bezittingen en die hun lichamen baadden in het stof van de lotusvoeten. (28) Ik ontving deze kennis over het bhâgavata dharma [de toegewijde dienst aan de Heer, in negen onderdelen, zie 7.5: 23-34] en haar praktische toepassing van Nârada, die niets van doen heeft met een materieel leven en steeds de Heer voor ogen heeft.'

(29-30) De Daityazonen zeiden: 'Prahlâda, jij en wij kennen geen andere leraren dan de twee zonen van S'ukrâcârya, zij zijn de schoolmeesters voor ons kinderen. Maar jij, in het paleis verblijvend, kon zo'n moeilijk te krijgen omgang hebben met een grote ziel als Nârada. Kan je onze twijfel hierover wegnemen, o beste vriend, zodat we je kunnen geloven?'



Hoofdstuk 7: Wat Prahlâda Leerde in de Moederschoot

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira, zie 7.1: 13]: 'Na er aldus toe zijn verzocht door de Daityazonen sprak hij, de Asura die zo'n grote toegewijde van de Heer was, lachend tot hen, zich herinnerend wat ik hem had gezegd. (2) S'rî Prahlâda zei: 'Toen onze vader vertrok naar Mandarâcala voor zijn boetedoeningen, spanden de goddelijke zielen zich buitengewoon in voor een oorlog tegen de Dânava's. (3) De halfgoden aangevoerd door Indra zeiden: 'Gelukkig werd de zondaar, die iedereen kwelde, verteerd door zijn eigen zonden, als een slang die door de mieren wordt opgevreten [en kunnen we nu de Daitya's verslaan. Zie 7.3: 15-16].' (4-5) Toen de Asuraleiders hoorden hoe ze door het buitensporig geweld van hun aanvallers de één na de ander werden gedood, vluchtten ze angstig weg in alle richtingen. Geen van hen bekommerde zich, in zijn grote haast en verlangen om in leven te blijven, nog langer om zijn vrouw, kinderen of weelde, huis, verwanten, dieren of de zaken van zijn huishouding. (6) In de roes van hun overwinning plunderden de Sura's het paleis van de koning en daarbij nam Indra mijn moeder, de koningin, gevangen.
 
(7) De devarishi, die daar toevallig ter plekke arriveerde, zag hoe ze op straat weggevoerd, trillend van angst gilde als een kurarî [een havik]. (8) Hij zei: 'O Koning van de Sura's, u moet deze vrouw niet wegvoeren, ze is onschuldig. Laat haar nu meteen gaan, o grootste van het geluk, ze is de kuise echtgenote van iemand anders!'

(9) Indra zei: 'Ze draagt het zaad van die onmogelijke Suravijand in haar schoot, laat ons haar gevangen houden tot ze baart. Als dat doel bereikt is zal ik haar vrijlaten.'

(10) Nârada zei: 'Dit kind is duidelijk onschuldig. Hij is [in feite] een heel grote toegewijde, een machtige dienaar van de Eeuwige. U kan hem niet doden.'

(11) Nadat hij dat gezegd had, liet Indra haar vrij uit respect voor de woorden van de devarishi en uit respect voor iemand [als ik] die geliefd is bij de Eeuwige Persoonlijkheid. Devoot omliep hij haar en keerde vervolgens terug naar zijn hemel. (12) De rishi nam daarna mijn moeder mee naar zijn âs'rama, haar geruststellend met de woorden: 'Blijf hier mijn kind, totdat je echtgenoot er weer is.' (13) Ze leefde toen, zoals hij had gezegd, bij de devarishi, zonder van enige zijde ook maar iets te vrezen te hebben voor zolang de hoogst gestrenge boetedoening van de Daityaleider nog niet was afgerond. (14) Ter wille van het welzijn van het kind, waarvan ze in verwachting was, was de trouwe vrouw daar in dat verblijf, waar ze het wilde baren, Nârada met grote toewijding van dienst. (15) De rishi onderrichtte haar, en [via haar] met name mij, genadevol in zowel de beginselen van het dharma met de Heer als in de zuivere spirituele kennis [aangaande het onderscheid tussen ziel en stof, vergelijk 1.2: 7]. (16) Omdat ze een vrouw is en omdat het zo lang geleden gebeurde, vergat ze al die kennis weer, maar ik, gezegend door de wijze, deed dat niet. De herinnering eraan heeft me tot op de dag van vandaag niet verlaten [zie ook B.G. 9: 32]. (17) Als jullie geloof hechten aan mijn woorden ligt die kennis ook binnen jullie bereik. Op basis van een hecht geloof is de intelligentie van de allerbesten er net zo goed voor [zelfs] vrouwen en kleine kinderen als ze er voor mij is [zie ook B.G. 18: 55]. (18) Men ziet al de zes condities van het lichaam, beginnende met de geboorte, zoals je die ook ziet bij de vruchten van de Schepper in de gedaante van een boom [van geboren worden, materieel bestaan, groeien, transformeren, wegkwijnen en ten ondergaan], maar deze veranderingen zijn niet van toepassing op de ziel [zie ook B.G. 2: 20]. (19-20) De ziel is eeuwig, kwijnt niet weg, is zuiver, is een individu, is de kenner van het veld, vormt het oorspronkelijke vertrekpunt, is de onveranderlijke, de zelf-verlichtte, de eigenlijke oorzaak die alles doortrekt, onafhankelijk en onveranderlijk. Door [zich te bezinnen op] deze twaalf bovenzinnelijke kenmerken van de ziel, wordt een bewuste persoon er toe aangezet het valse idee van 'ik' en 'mijn' op te geven, dat afkomstig is van de illusie die kleeft aan alles wat hoort bij het hebben van een lichaam [zie ook 6.4: 24]. (21) Goud opgesloten in gesteente wordt door de gouddelvers op verschillende manieren gewonnen in de goudmijnen en er door deskundigen met gemak uitgehaald. Zo ook kunnen, vanuit de velden gevormd door organische lichamen [zie ook B.G. 13: 1-4], de experts in het onderscheid tussen geest en stof, met behulp van spirituele methoden, de brahmaanse essentie extraheren die het doel vormt. (22) De leraren van het voorbeeld spreken van acht soorten materiële energie [B.G. 7: 4], drie basiskwaliteiten of geaardheden en zestien transformaties [de zinnen van waarnemen en handelen, de elementen en de geest, zie tevens 1.3: 1]. Het individuele levende wezen, de persoon, vormt het ene element dat al de andere verbindt. (23) Het lichaam, dat zich rondbeweegt of stil staat, combineert al deze [24] elementen en wordt aldus  gekenmerkt door deze dualiteit [van geest en stof]. Daarmee behept moet men, ter wille van het [oorspronkelijke van] de persoon waar men steeds naar uitziet, 'noch dit, noch dat' [neti neti] zeggen. Dat is de manier waarop men kan afzien van alles wat niet de ziel is. (24) Nuchtere en bedachtzame personen zijn van een geest die is gezuiverd op basis van het onderscheiden van zowel het verbonden zijn met als het onafhankelijk zijn van de materie die bewogen wordt door schepping, behoud en vernietiging. (25) De Bovenzinnelijke Oorspronkelijke Persoon is Hij die de verschillende bewegingen van de intelligentie in de waaktoestand, droomtoestand en diepe slaap overziet. (26) Men moet zich de oorspronkelijk positie van de ziel realiseren door zich [neti neti] af te keren van de verdeeldheid [in de geest] die wordt voortgebracht door de verschillende bewegingen van de intelligentie verslagen door de drie basiskwaliteiten van de materiële natuur, op dezelfde manier waarop men de [aanwezigheid van] lucht opmerkt aan de hand van verschillende geuren [zie tevens B.G. 3: 42]. (27) Dit vormt de toegang [tot de bovenzinnelijkheid] in de oceaan van materie waarin men, verstoken van inzicht en betekenis, gevangen zit in de werking van de natuurlijke geaardheden, zoals men gevangen zit in een droom.

(28) Wat jullie daarom, met het in de yoga stopzetten van de stroom van het bewustzijn, zo goed moeten zijn om te doen, is het verbranden van de zaden van al het karma van het [geconditioneerde] zelf met de geaardheden van de natuur. (29) Van al de duizenden processen [mogelijk], vormt die methode, zoals geboden door de bhâgavata [de Heer, de zuivere toegewijde en het boek], degene die spoedig de liefde voor de Heer, de Hoogste Persoonlijkheid, teweeg zal brengen [zie ook B.G. 18: 66, en de voetnoot *]. (30-31) Wees op de goede manier, met geloof en toewijding, een goeroe van dienst, stel alles wat je hebt vergaard ter beschikking, heb omgang met de heiligen en toegewijden en wees van aanbidding voor de Heer. Heb vertrouwen in de verhandelingen over de Heer, bezing Zijn kwaliteiten en handelingen, mediteer op de voeten en oefen respect in achting voor de beeltenissen. (32) Begrijpend dat Hari, de Allerhoogste Heer zich bevindt in alle levende wezens, moet men de hoogste achting koesteren voor alle schepselen en hun behoeften. (33) Als men aldus de zes symptomen [van zinnelijke zwakheid: lust, woede, begeerte, illusie, waanzin en jaloezie] de baas is, levert men toegewijde dienst aan de Heer, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, met wie men de liefde vindt. (34) Vernemend over de ongebruikelijke handelingen en grote macht van Zijn optreden en Zijn kwaliteiten, zoals men die aantreft in het spel en vermaak van Zijn verschillende verschijningen, zullen de haren overeind gaan staan en zijn er tranen, een haperende stem en hardop, luidkeels zingen, roepen en dansen, vanwege de grote vreugde die daarmee gepaard gaat. (35) Alsof men door een geest bezeten is, is er soms lachen, zijn er kreten, meditatieve stemmingen, respectbetoon jegens andere levende wezens, lang volgehouden zwaar ademen en zijn er uitingen in de trant van: 'O Heer, Meester van de Wereld, Nârâyana!' Aldus verzonken in gedachten over het Ware Zelf, is men vrij van schaamte. (36) Als men verzonken is in gedachten vol liefde voor Hem, raakt men bevrijd van alle obstakels op zijn weg en komen lichaam en geest in harmonie. Dit gebeurt omdat het o zo krachtige zaad van de begeerte wordt verbrand door het beoefenen van bhakti. Dat is de manier om Adhokshaja, de Heer Voorbij de Zinnen te bereiken [**]. (37) Als je steeds contact houdt met Adhokshaja wordt de besmette geest van een belichaamd wezen in deze wereld een halt toegeroepen en komt er een eind aan de kringloop van zijn materiële bestaan. Zij die gevorderd zijn hebben weet van die geestelijke hemel van gelukzaligheid. Wees daarom van toegewijde dienst aan de Heer van het Hart die in jullie hart aanwezig is [zie tevens B.G. 18: 54].

(38) En waarom zou het aanbidden van de Heer als de ruimte [voor anderen] in je hart, een probleem vormen, o Asurazonen? Waarom zou het, met Hem daar steeds aanwezig als de Ziel van je ziel en de vriend zonder beperkingen, nog nodig zijn om je in te spannen voor ordinaire zinsgenoegens [vergelijk 7.6: 19 en B.G. 9: 26]? (39) Weelde, vrouwen, je dieren, kinderen en zo meer; huizen, land, olifanten, een schatkist, luxe zaken en al het geld en de zinsbevrediging, gaat voor degene wiens leven maar kort is en onvermijdelijk komt te overlijden, weer in een oogwenk verloren. Wat voor plezier heb je nu aan zo iets tijdelijks? (40) Zo ook zijn de [hogere] werelden, die je met het brengen van grote offers bereikt, allen vergankelijk. Hoe aangenaam ze ook mogen wezen, ze zijn niet zonder gebreken en daarom is Hij die men nog nooit een fout zag of hoorde maken, de Allerhoogste Heer, degene die men voor zijn zelfverwerkelijking moet aanbidden met de bhakti die we bespraken [zie ook B.G. 8: 16]. (41) Vanwege de materiële kennis van zaken ten behoeve van de vele activiteiten waarin men is verwikkeld in deze wereld, kan men zichzelf als zeer ontwikkeld beschouwen, maar telkens weer bereikt de mens onvermijdelijk het tegengestelde resultaat [van te zijn ontaard ter wille van een materieel doel]. (42) De vastbeslotenheid van de karmi [de prestatiegerichte persoon] om gelukkig te zijn en vrij te zijn van ellende, is een ambitie die steeds weer tot ongeluk leidt omdat dat verlangen het [belang van het duurzaam] geluk in de schaduw plaatst dat resulteert uit een meer laconieke levenshouding [over het al dan niet behalen van materiële uitkomsten]. (43) Teneinde het begeerde te verkrijgen dat hij verlangt in zijn ambities, moet het levende wezen in deze materiële wereld een lichaam hebben. Dat vergankelijke lichaam omhult de ziel maar is, als de dienaar van andere belangen [dan die van duurzaam geluk], op iets anders gericht. (44) Wat moet je daar nu van zeggen? Uiteindelijk raakt men gescheiden van dat waaraan men zijn [materiële] eigenwaarde ontleent: de kinderen, de vrouw, het huis, de weelde en dat alles; het rijk, de vergaarde rijkdom, de olifant, de ministers van staat, de bedienden en de verwanten. (45) Wat voor waarde heeft dit alles voor de ziel? Deze triviale zaken aangaande het vergankelijke lichaam doen zich voor als noodzakelijk, maar voor het bereiken van de nectar-oceaan van het eeuwige geluk zijn ze nutteloos.

(46) Vraag je eens af, o Asurazonen, wat voor belang iemand er bij zou hebben om belichaamd te zijn in deze wereld en vanaf zijn conceptie, in alle levensstadia, te moeten lijden onder de gevolgen van zijn karma. (47) Een belichaamde ziel gaat over tot resultaatgericht handelen met het lichaam dat hij verkreeg als gevolg van wat hij deed in het verleden, en omdat hij deze daden in onwetendheid verricht, krijgt hij nog weer een lichaam. (48) Aanbidt daarom onzelfzuchtig de Hoogste Persoonlijkheid van God, de Heer, de Ziel van de ziel die geen verlangens koestert en van wie [de vervulling van het verlangen om] het zinsgenoegen, de religie en de economie [te regelen] afhankelijk is. (49) De Heer en Meester van al de levende wezens is de beminde, oorspronkelijke levensbron die, met de [vijf] elementen van de materiële natuur, al die afzonderlijke zielen in het leven riep als manifestaties van Zijn kosmische intelligentie. (50) Of men nu een god, een duivel, een mens, een geest of een zanger van de hemel is, een ieder die dienstbaar is aan de voeten van Mukunda, zal de vervulling vinden die wij gevonden hebben! (51-52) Een perfecte brahmaan te zijn, een fijnbesnaarde godsbewuste persoon of een heilige, o Asuranazaten, zal niet afdoende zijn om Mukunda te behagen, noch volstaat goed gedrag of veel geleerdheid. Ook voldoen liefdadigheid of verzakingen, aanbidding, reinheid of geloften niet. De Heer wordt tevredengesteld door zuivere toegewijde dienst, de rest is maar uiterlijk vertoon [zie ook B.G. 9: 30 en 1.2: 8]. (53) O Dânavazonen, herken Hem, de Ziel en Meester van alle levende wezens, overal, in een ieder, als je eigenbelang en wees dan de Heer, de Hoogste Persoonlijkheid van God, vol toewijding dienstbaar. (54) O Daitya's, de geesten en demonen, de vrouwen en de arbeiders, de koeherders, de vogels, de dieren en de zondaren, kunnen zonder twijfel allen komen tot, en deel uitmaken van, de kwaliteiten van Acyuta, de Onfeilbare [zie ook B.G. 4: 9]. (55) Het allerhoogste eigenbelang van de persoon in deze wereld bestaat eruit Govinda overal te herkennen en Hem met zuivere toewijding van dienst te zijn [zie ook bhajan 1 en 2].'

*: Bij dit vers bestaat een ander belangwekkend vers uit de S'vetâs'vatara Upanishad 6.23:

yasya deve parâ bhaktir
yathâ deve tathâ gurau
tasyaite kathitâ hy arthâh
prakâs'ante mahâtmanah

'Jegens die grote zielen die er een impliciet geloof op nahouden in zowel de Heer als de geestelijk leraar, wordt de gehele strekking van de Veda's automatisch onthuld.'

**: S'rîla Madhvâcârya schrijft als volgt:

tad-bhâva-bhâvah tad yathâ svarûpam bhaktih
kecid bhaktâ vinrityanti gâyanti ca yathepsitam
kecit tushnîm japanty eva kecit s'obhaya-kârinah

'De extatische conditie van de toegewijde dienst werd in zijn geheel door S'rî Caitanya Mahâprabhu vertoond, die somtijds danste, soms huilde, dan weer zong, zich soms stil hield, en dan weer de heilige namen van de Heer zong. Dat is het volmaakt spiritueel bestaan.'



Hoofdstuk 8: Heer Nrisimhadeva doodt de Koning der Demonen

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Nadat ze zijn verklaringen hadden aangehoord, accepteerde het gehoor van de Daityazonen zijn woorden vanwege hun diepzinnigheid en verwierpen ze wat hun leraren hen hadden bijgebracht. (2) Toen de twee zoons van de goeroe [S'ukrâcârya's zoons Shanda en Amarka] inzagen hoe de intelligentie [van de jongens] gefixeerd was geraakt op dat ene onderwerp, namen ze angstig contact op met de koning om aan hem voor te leggen wat er gaande was. (3-4) Over zijn hele lichaam trillend van woede met een geest vastbesloten zijn zoon te doden, wees hij Prahlâda terecht. In de wreedste bewoordingen bejegende hij furieus met een kwaaie blik in zijn verdraaide, valse ogen, hem die het helemaal niet verdiende zo behandeld te worden. Hij [van zijn kant echter] hield zachtmoedig en ingetogen zijn handen gevouwen voor zich, terwijl zijn vader daar aan het sissen was als een gifslang waar men op heeft getrapt.

(5) Hiranyakas'ipu zei: 'O jij schaamteloze dwaas, jij splijtzwam van de familie, jij uitgestotene, jij die zo obstinaat tegen mijn gezag ingaat, zal ik vandaag naar de wereld van Yamarâja sturen! (6) Als ik kwaad ben beven al de drie werelden en hun leiders voor mij. Met welk gezag treedt jij zo onbevreesd mijn heerschappij met voeten, jij praatjesmaker [vergelijk B.G. 9: 31]?'

(7) Prahlâda zei: 'Hij vormt niet alleen mijn kracht maar ook de uwe, o Koning, alsook de kracht van alle hogere en lagere levende wezens. Allen die zich rondbewegen en zich niet bewegen, beginnende bij Heer Brahmâ, vallen onder Zijn controle. (8) De allerhoogste Heer van de Tijd, Urukrama, de Heer van de Grote Stappen [Vâmana], is de ene kracht van je geest en leven, de standvastigheid van je lichaamskracht en de kracht van je zintuigen. Hij, het Ware Zelf, is de Verheven Meester   van de drie basiskwaliteiten, die middels Zijn verschillende natuurkrachten het ganse universum schept, handhaaft en weer in zich opneemt. (9) Geef alstublieft uw Asuramanier van doen op. Wees van een gelijkgezinde geest met de ziel en maak geen vijanden. Vernietig slechts de vijand van de onbeheerste geest. Die aanpak vormt de beste methode om de onbegrensde Heer te aanbidden. (10) In het verleden waren er zoveel plunderaars die, zonder de zes vijanden de baas te zijn [van de geest en de vijf zinnen], alles wegstalen. Anderen zagen zichzelf als veroveraars van de tien windrichtingen. Maar, met een heilige, met iemand die zijn zinnen wist te verslaan en alle levende wezens gelijkelijk gezind is, waar zijn dan die vijanden die voortspruiten uit de eigen verbeelding?'

(11) S'rî Hiranyakas'ipu zei: 'Klaarblijkelijk verlang jij, met je grenzeloze pretenties, naar je eigen ondergang. Het is duidelijk dat mensen die op het punt staan te sterven wartaal uitslaan, zielige idioot die je bent! (12) Jij ongelukkige ziel, je hebt het altijd over iemand anders dan ik die de heerser van het universum zou zijn, waar is die dan te vinden? Als Hij alomtegenwoordig is, waarom zie ik Hem dan niet in deze pilaar hier recht voor mij [zie tevens B.G. 7: 25]? (13) Laat de Heer, die je verkoos als je beschermer, je maar eens beschermen als ik zo dadelijk je hoofd van je romp ga scheiden, als ik een einde maak aan iemand als jij die zulke onzin uitkraamt.'

(14) Aldus met een stroom van verwensingen zijn zoon, die grote toegewijde, terechtwijzend, sloeg Hiranyakas'ipu, die van zijn troon opstond en zijn zwaard ter hand nam, met zijn vuist hard tegen een pilaar. (15)  Datzelfde moment weerklonk er vanbinnen de pilaar een hoogst angstwekkend geluid, alsof de schaal van het universum openbarstte. Het rumoer, beste Koning, reikte wel tot de plaats van de goddelijken van Heer Brahmâ en deed hen geloven dat de vernietiging van hun werelden op handen was. (16) Hij die in zijn machtsvertoon zijn zoon wilde doden, hoorde ook het luide gerucht dat men nooit eerder had gehoord. Samen met de aanwezige vergadering stond hij stomverbaasd over het feit dat niet te achterhalen was waar het vandaan kwam. En zo raakten al die machtige kerels in angst verzet. (17) Ter bevestiging van de woorden die werden uitgesproken omtrent Zijn alomtegenwoordigheid, omtrent het feit dat Hij alles en iedereen doordringt, kon men zien hoe in een pilaar in het midden van de vergaderzaal zich een hoogst wonderbaarlijke gedaante van Hem manifesteerde die dierlijk noch menselijk was. (18) De koning, die het verschijnsel van alle kanten bestudeerde, zag hoe een levend wezen vanuit het midden van de pilaar tevoorschijn kwam. Hij kon niet duidelijk zien of het een dier dan wel een mens betrof en zei versteld: 'Wat is dit voor een vorm? Het is half een mens en half een leeuw!'

(19-22) Terwijl hij nadacht over het wonder dat zich recht voor zijn ogen voltrok, verscheen de uitzonderlijke, hoogst beangstigende gedaante van Nrisimhadeva. Hij had ogen gloeiend als gesmolten goud en dodelijke tanden in een gezicht dat zich uitstrekte in manen. Om zich heen kijkend met een verschrikkelijke grimas, bewoog Hij heen en weer met Zijn messcherpe tong. Zijn oren stonden bewegingloos recht overeind en Zijn neusgaten en mond stonden wijd open zo groot als berggrotten. Zijn enorme lichaam was kort en dik met een brede nek en borst met daaronder een smal middel. Zijn lichaam was overdekt met witte haren die leken op de stralen van de maan en honderden armen strekten zich uit in alle richtingen met moeilijk te weerstane, dodelijke nagels die dienst deden als wapens, naast Zijn overige persoonlijke wapens. Met die excellentie geconfronteerd sloegen de Daitya's en de Dânava's op de vlucht. (23) Hiranyakas'ipu mompelend voor zichzelf zei: 'Ik veronderstel dat dit is wat de Heer zo vol van mystiek vermogen probeert te doen om me te doden, maar wat heeft dat nu voor een zin?' en dus zijn strijdknots oppakkend, wierp de Daitya zich als een olifant naar voren om de luid brullende Heer Nrisimha aan te vallen. (24) Net zoals men een insect dat in het vuur gevallen is niet meer kan zien, verdween de Asura in de gloed van Nrisimha. Op dat moment was dat niet zo wonderlijk omdat Hij daarvoor, met de gloed van Zijn goedheid, reeds de duisternis [van de hele schepping] had verzwolgen. (25) Toen die grootste onder de demonen bij Heer Nrisimhadeva was aangeland, bracht hij, zijn macht tonend, Hem met grote kracht een slag toe met zijn knots. Maar de Heer, Hij die de Knots Hanteert, greep hem beet zoals de zoon van Târkshya [Garu da] een grote slang te pakken neemt. (26) O zoon van Bharata, toen Hij de Asura, om een spelletje te spelen, uit Zijn handen liet glippen, zoals Garuda dat ook wel eens doet met een slang, dachten de goddelijke zielen van de verschillende werelden, die uit hun posities waren verdreven, vanachter de wolken dat het verkeerd zou aflopen. (27) De demon, die dacht dat Hij hem had laten gaan uit angst voor zijn machtsvertoon, pakte, na zich hersteld te hebben, zijn zwaard en schild weer op en viel met veel geweld Nrisimhadeva opnieuw aan. (28) Toen hij, snel als een havik, met zijn met maantjes beschilderde schild en zwaard, op en neer aan het manoeuvreren was, om Hem geen gelegenheid te bieden, maakte de Heer een zeer schril, hard lachend geluid dat dermate beangstigend was dat hij, toen hij z'n ogen [daardoor even] dichtkneep, door de Kampioen van alle Snelheid beet werd gegrepen. (29) In protest stribbelde hij met zijn ledematen tegen om te ontsnappen, maar de Heer legde hem, wiens huid zelfs niet door Indra's bliksemstraal kon worden doorboord, bij de ingang van het paleis op Zijn schoot alsof hij een slang of muis was en doorboorde hem met Zijn nagels met het gemak waarmee Garuda een giftige adder te pakken neemt. (30) Met Zijn angstaanjagende, woedende blik was Hij moeilijk te aanschouwen. Met Zijn mond wijd open de hoeken likkend met Zijn tong en met Zijn manen en gezicht rood besmeurd met bloed, droeg Hij de ingewanden als een slinger om Zijn nek en zag Hij eruit als een leeuw die net een olifant heeft gedood. (31) Het hart had Hij er met Zijn spitse nagels geheel uitgerukt en terzijde geworpen en de duizenden ondergeschikten, die met geheven wapens hun leider ter zijde stonden, doodde Hij allen met behulp van Zijn nagels en de overige wapens in Zijn talloze handen. (32) Met Zijn manen schuddend dreef Hij de wolken uiteen en met Zijn gloeiende blik deed Hij de hemellichten verbleken. De wateren en oceanen, getroffen door Zijn ademen, ziedden kolkend en bevreesd voor Zijn gebrul schreeuwden de olifanten die de windstreken bewaakten het uit. (33) Met het opwerpen van Zijn haren schoven de hemelwagens, die in de lucht samendromden, van hun plaatsen, schudde de aarde onder het zware gewicht van Zijn voeten, bracht Hij met Zijn niet te weerstane kracht de bergen en heuvels in beweging en was er door Zijn gloed geen ander schijnsel meer te zien in alle richtingen van de hemel.

(34) Daarna in de vergaderzaal op de hoogste zetel van de mensen zittend met een hoogst angstwekkend, vreselijk gelaat, was er niemand om Hem uit te dagen, noch iemand om Hem de eer te bewijzen. (35)  Maar toen men vernam hoe hij, de Daitya die de hoofdpijn van de drie werelden was, in de strijd was gedood door de Heer, waren er kreten van vreugde, opgeluchte gezichten en eindeloze bloemenregens van de vrouwen van de halfgoden. (36) Op dat moment verduisterde de hemel door de vele hemelwagens van de halfgoden die er graag bij wilden zijn. Er werd geslagen op trommels en pauken en de grootste zangers en engelen van de hemel zongen en dansten. (37-39) Er verzamelden zich daar al de goddelijke zielen, Brahmâ, Indra en S'iva, de wijzen, de voorvaderen, de volmaakten, de experts in de wetenschap en de grote slangen. Ook de stamvaders, de leiders van de mensheid, de ingezetenen van de hemel en de beste engelen kwamen erop af alsook de beroemdheden, zij die de rijkdom bewaken en de aapachtigen, o mijn beste. Tevens verschenen de spotgeesten, de supermachtigen en zij die Vishnu's persoonlijke metgezellen waren, zoals Sunanda en Kumuda. Met hun handen voor hun hoofden gevouwen om hun eer te betonen, benaderde ieder van hen Hem die was verschenen als half een mens, half een leeuw en daar nu op de troon Zijn gloed tentoonspreidde.

(40) S'rî Brahmâ zei: 'Ik buig voor U, o Ondoorgrondelijke van een onbegrensd kunnen. U staat met al Uw macht en vermogen en met de Zuiverheid van Uw handelingen voor de schepping, handhaving en vernietiging van het universum. Terwijl U in Uw goddelijk spel [lîla] tewerk gaat met de geaardheden, blijft U Zelf steeds onveranderd.'
(41) Heer S'iva zei: 'Het einde van de yuga is het juiste tijdstip voor U om in woede deze onbeduidende demon te doden; bescherm enkel zijn zoon, deze bhakta vol van overgave aan Uw zijde, o zorgdrager van de toegewijden.'

(42) S'Indra zei: 'Ons aandeel van de offers werd door Uwe Heerlijkheid die ons beschermde veiliggesteld, o Allerhoogste. Woorden schieten tekort om uit te drukken hoezeer onze lotusharten getroffen waren door de Daitya, onze harten die in feite Uw verblijfplaats zijn. Helaas, o Heer, hoe onbetekenend is onze wereld in de greep van de Tijd, maar U hebt, ter wille van de toegewijden in Uw dienst, Uw licht geworpen zodat ze verlossing kunnen vinden uit hun gebondenheid. Wat anders dan het onbelangrijk vinden van de zichtbare wereld, zou nu hun weg vormen, o Nrisimhadeva?'

(43) De wijzen [de Rishi's] zeiden: 'U vormt het lichtend voorbeeld dat ons de verzaking bijbracht. Met deze macht van U wordt de wereld, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God, tot stand gebracht, [in stand gehouden] en weer in U opgenomen. Die verzaking werd door deze onwijze ziel weggestolen maar is nu, o Toevlucht van de Behoeftigen, in ere hersteld dankzij de bescherming geboden door Uw belichaming.'

(44) De voorvaderen [de Pitri's] zeiden: 'Van de duivel die met gebruik van geweld van onze s'râddha offers genoot die werden gebracht door onze zonen en kleinzoons, van hem die zelfs bij de heilige badplaatsen de offerandes van ons sesamwater dronk, hebt U [nu] de ingewanden met de nagels van Uw hand doorboord en bereikten deze offers [alsnog] hun juiste bestemming. Voor Hem die de universele beginselen van de religie handhaaft en verscheen als een leeuwmens, brengen wij onze eerbetuigingen.'

(45)  De vervolmaakten [de Siddha's] zeiden: 'Deze hoogst onbeschofte en oneerlijke persoon die de vreugde van onze vervolmaking in de yoga wegnam en die, met de macht van zijn verzaking en mysticisme, zo trots was op zijn rijkdom, werd door Uw nagels uiteengereten. Wij buigen ons voor U, o Nrisimha.'

(46) De specialisten van de wetenschap [de Vidyâdhara's] zeiden: 'Onze vormen van kennis die elk met een andere manier van concentratie kunnen worden bereikt, werden terzijde geschoven door deze dwaas zo vol van verbeelding over zijn kracht en kunnen. Hij die hem in de strijd doodde alsof hij een dier was, Hem die verscheen als Nrisimha, zijn wij, overgegeven zielen, immer verplicht.'

(47)
 De slangenmensen [de Nâga's] zeiden: 'Door de borst te doorboren van die grootste van alle zondaren die onze juwelen en mooie vrouwen inpikte, deed u onze echtgenotes een groot plezier. Laten we U onze eerbetuigingen brengen.'

(48) De oervaders [de Manu's] zeiden: 'Wij, de Manu's, zijn Uw gezagdragers maar werden geminacht door deze zoon van Diti die brak met de morele richtlijnen voor de gevestigde orde, o Heer. Vertel ons alstUblieft wat we voor U kunnen betekenen nu U deze booswicht hebt gedood, o Meester.'

(49) De stamvaders [de Prajâpati's] zeiden: 'O Allerhoogste Heer, wij die de generaties voortbrachten hebben allen hun leven aan U te danken en niet aan hem die de levende wezens, die wij op deze wereld hebben gezet, een leven heeft ontzegd. En nu hebt U, door de gedaante aan te nemen van een incarnatie van Uw zuivere goedheid, voor het welzijn van de wereld de borst uiteengereten van hem die hier verslagen neerligt.'

(50) De muzikanten van de hemel [de Gandharva's] zeiden: 'Wij, o Heer, zijn de dansers en zangers van de hemel, Uw artiesten die werden onderworpen aan de invloed van de macht en de kracht van hem hier die door U werd teruggebracht tot deze toestand. Wie kan er ook op het slechte pad zijn geluk vinden?'

(51) De vererenswaardige zielen [de Cârana's] zeiden: 'O Heer, Uw lotusvoeten vormen de toevlucht die onze bevrijding inhoudt. Wij zoeken daar ons heil omdat U een einde maakte aan deze Asura, die zich verschool in het hart van alle deugdzame mensen.'

(52) De bewakers van de weelde [de Yaksha's] zeiden: 'Wij, die U tot Uw genoegen van dienst zijn, behoren tot Uw beste volgelingen. Deze zoon van Diti dwong ons zijn draagstoel te dragen, maar hij was de oorzaak van het verdriet [de armoede] van een ieder. Daarom betuigen we U de eer, o Heer Nrisimha, want U bent degene die een einde aan zijn leven maakte, o vijfentwintigste principe [dat de Tijd is, zie 3.26: 10-15].'

(53) De aapachtigen [de Kimpurusha's] zeiden:'We zijn twijfelachtige mensen, Kimpurusha's, maar U bent de Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de Heer. En deze slechte persoon werd door U omgebracht na door de heilige zielen te zijn vervloekt [zie ook B.G. 4: 7-8].'

(54) De barden van de koning [de Vaitâlika's] zeiden: 'Wij, die in grote bijeenkomsten en in offerperken de roem van Uw onberispelijke glorie  bezingen, zijn tot het hoogste aanzien opgeklommen. Deze kwaadaardige kerel die ons in zijn macht kreeg, o Allerhoogste Heer, werd gelukkig door U ter dood gebracht, alsof hij een ziekte was.'

(55) De lagere goden zeiden [de Kinnara's, zij die een mensenhoofd hebben en een dierenlichaam, zangers van de hemel]: 'O Heer, wij de Kinnara's zijn Uw trouwe dienaren. Vanwege die zoon van Diti moesten we onder dwang ons werk doen, maar de zondaar werd door U, o Heer, vernietigd, o Nrisimhadeva, o Meester. Weest U er alstUblieft als ons geluk en ons welzijn.'

(56) De metgezellen van Heer Vishnu zeiden: 'Vandaag hebben we U mogen aanschouwen in een wonderlijke mensachtige gedaante. Voor ons bent U de toevlucht en het geluk van al de werelden. Deze dienaar van de staat, o Heer, werd vervloekt door de geleerden [zie 7.1: 36] en daarom ter dood gebracht. Wij zien dat als Uw bijzondere genade.'

 


Hoofdstuk 9: Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

(1) Nârada Muni zei [tot Yudhishthhira]: 'Geen van de Sura's aangevoerd door Brahmâ en S'iva, kon naar voren treden omdat Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was. (2) De Godin van het Geluk die er persoonlijk door de halfgoden toe werd aangespoord, kon zich niet in Zijn richting bewegen omdat ze zeer bang was nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk had waargenomen als nog nooit iemand eerder Hem gehoord of gezien had. (3) Heer Brahmâ verzocht toen Prahlâda die vlak bij hem stond: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan om Hem gunstig te stemmen? Hij is namelijk zeer kwaad over wat je vader heeft gedaan.'

(4) 'Jazeker' zei hij en hoewel hij maar een kleine jongen was, benaderde de grote toegewijde Hem stapje voor stapje heel langzaam, o Koning, en wierp hij zich languit op de grond terwijl hij met gevouwen handen gebeden bracht. (5) De godheid was door hem, zo'n kleine jongen neergevallen aan Zijn lotusvoeten, hoogst ontroerd en vol van genade hief Hij Zijn lotushand, plaatste die op zijn hoofd en verdreef de angst voor de slang van de tijd uit de geesten van allen [daar aanwezig]. (6) Vanwege die aanraking werd hij schoongewassen van alle kwaad. In deze omgang met de Superziel smolt aan Zijn lotusvoeten zijn hart terstond in gelukzaligheid. Met Hem in zijn hart welden de tranen op in zijn ogen en manifesteerden zich tekenen van extase over heel zijn lichaam. (7) Met zijn geest eenpuntig hoogst geconcentreerd en met een van liefde haperende stem, begon hij, in de volle overgave van zijn hart en geest, gebeden voor de Heer op te zeggen.

(8) S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's onder leiding van Brahmâ, al de heiligen en anderen, volkomen in de geaardheid goedheid, waren eenpuntig gericht maar er, tot op heden ondanks hun kwaliteiten, niet toe in staat om U te behagen met hun woordenstroom. Hoe kan U, als deze Heer, nu tevreden zijn met mijn woorden? Ik werd geboren als een Asura. (9) Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, Vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen helemaal niet zullen bevredigen. De geest vindt zijn bevrediging door bhakti, precies zoals de Allerhoogste Heer werd behaagd door Gajendra [de olifant]. (10) Een geschoold iemand die zich, behept met deze twaalf eigenschappen [zie ook *], niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn geest, woorden, weelde, leven en alles wat hij doet, aan Hem wijdt. Hij immers zuivert daarmee zijn familie, zijn gemeenschap of zelfs zijn hele soort, in tegenstelling tot iemand die teveel met zijn verstand bezig is. (11) Welk respect een onbewust iemand ook toont voor de innerlijk altijd tevreden Allerhoogste Heer, aanvaardt Hij genadevol, niet zo zeer voor Zijn eigen heil als voor het heil van de toegewijde in kwestie, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (12) Daarom zal ik, vrij van dat idee van ongeschikt zijn in volle overgave aan de Heer, naar mijn beste kunnen en inzicht me richten op Zijn Heerlijkheid, hoe laaggeboren ik ook ben. Als men onwetend deze wereld heeft betreden kan men, om gezuiverd te raken, het best Zijn heerlijkheid beschrijven en bezingen [zie ook B.G. 18: 55]. (13) Allen die Uw opdrachten naleven, zoals Brahmâ en de andere halfgoden, verkeren natuurlijk steeds in goedheid, o Heer. Maar wij [de Asura's] zijn niet zoals zij en verkeren steeds in angst. [We zouden moeten weten] dat de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld er zowel zijn voor het bevorderen van Uw bescherming (welzijn en voorspoed) als voor het geluk van de ziel. (14) Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde. Zelfs de heiligen zijn er gelukkig mee als een schorpioen of slang gedood wordt. De waarheid is dat al de werelden hersteld zijn en blij over wat er gebeurd is en dat al hun bewoners Uw gedaante zullen herinneren als degene die hun angst heeft verdreven. (15) Zelf ben ik niet bang voor Uw angstwekkende mond, tong, vuur schietende ogen en vertrokken gezicht, o Onoverwinnelijke, voor Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, voor Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (16) Maar ik ben wel bang, o Genadevolle, Zorgzame Vader, voor de onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor de ellendige omstandigheid te moeten leven tussen de roofdiermensen en voor het gebonden zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke. Wanneer roept U, tevreden over mij, me aan de basis van Uw voeten die de toevlucht vormen in deze oceaan van materie? (17) Omdat men zijn geboorte neemt is men, in zijn aangename dan wel minder aangename bestaan van verenigd zijn met de wereld, gescheiden [van U] en moet men branden in het vuur van de treurnis, ongeacht het lichaam waar men in verkeert. Bovendien heeft men net zo goed te lijden onder de remedies tegen deze misère als onder de ellende zelf van het aanzien van het lichaam voor het ware zelf. Ik, o Allergrootst Wezen, dool rond in dit bestaan. AlstUblieft zeg me hoe ik in Uw yoga dienstbaar kan zijn. (18) Door steeds weer te luisteren naar de verhalen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zal ik zonder moeite [de oceaan van de materie] oversteken en vrij zijn van de besmetting door de basiskwaliteiten van de  natuur. In de omgang met de bevrijde zielen zal ik, met Uw twee voeten als mijn thuishaven, bevrijding vinden van alle ellende. (19) Al de zaken waar U geen belangstelling voor heeft, maar die in deze wereld gekoesterd worden door hen die in een lichaam zijn opgesloten, vormen slechts de schijn van een remedie: het ouderschap waar een klein kind zijn toevlucht in zoekt, o Nrisimha, het medicijn dat een patiënt nodig heeft, de reddingboot voor een persoon die verdrinkt in de oceaan of de tegenmaatregelen die men neemt om het lijden onder een bepaalde materiële toestand te bestrijden, o Almachtige, [vormen allen slechts tijdelijke oplossingen]. (20) Welke omstandigheid het ook betreft, wat de reden ook moge zijn, welke tijd het ook moge wezen, waardoor dan ook of in verhouding tot wat dan ook, waar dan ook door veroorzaakt of ter wille waarvan dan ook, op welke manier dan ook of van welke aard ook iets mag zijn, is zeker allemaal slechts een andere verschijningsvorm van de Allerhoogste Werkelijkheid. Met andere woorden: in de natuur treft men als gevolg van allerlei veranderingen een specifieke vorm van gescheidenheid aan, maar welke vorm die ook aanneemt, het betreft altijd een manifestatie van Uw energie, o Heer. (21) Het illusoire van de materie schept een geest die de bron vormt van moeilijk te beheersen baatzuchtige handelingen [ofwel karma]. Deze handelingen zijn geconditioneerd door de Tijd, die de drie geaardheden van de natuur in beroering brengt en die door de persoon [op een bepaalde manier] wordt gerespecteerd. Aldus verslagen door de uitnodigende maar begoochelende materie, krijgt men te maken met de zestien spaken [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad van wedergeboorte, o Ongeborene. Wie kan hier anders dan op Uw manier nu uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? (22) U bent dat ene element van de Tijd waaraan de ziel, verslagen door de basiskwaliteiten van Uw heerschappij, altijd en eeuwig is overgeleverd. Ik hier aanwezig als een vorm van materiële energie die in al zijn verzakingen en verschijningsvormen bepaald wordt door Uw cyclische controle, sta daar machteloos tegenover, o Heer en Meester. Ik wordt geplet onder het wiel met de zestien spaken. AlstUblieft redt me hieruit, o Almachtige, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) O Almachtige, ik heb gezien dat mensen over het algemeen de levensduur, weelde en glorie van de vrome leiders van de hemel begeren. Maar onze vader die dit alles [voor zichzelf] wenste, werd simpelweg met de door hem uitgelokte lach van Uw expansie [als Nrisimha], in een oogwenk door U naar beneden gehaald en vernietigd. (24) Daarom wil ik niet zo lang leven als Heer Brahmâ of rijk en machtig zijn. Ik weet waar al die dwaze zegeningen van de zinnen van het belichaamd wezen toe leiden. Ik verlang er niet naar dat U een einde aan me maakt, die als de Meester van de Tijd zo machtig bent. Leidt me alstUblieft naar het gezelschap van Uw dienaren. (25) Hoe kan men met dit lichaam, dat aan zo vele ziekten kan lijden, nu gezegend zijn met zaken die goed klinken maar als een luchtspiegeling in de woestijn zijn? Ofschoon mensen dit heel goed weten, proberen ze het vuur van het verlangen te blussen met kleine druppeltjes moeilijk te verkrijgen honing [tijdelijk geluk], maar ze leren dat niet af. (26) In wat voor positie bevind ik me nu? Hoe kom ik het feit te boven dat ik in een familie, die ver verwijderd is van de staat van verlichting, geboren werd in het duister van een lichaam dat bewogen wordt door hartstocht? De lotushand van Uw grondeloze genade, die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van Uw goedertierenheid, zou er zelfs niet zijn voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of de Godin van het Geluk! (27) Van de kant van Uwe Heerlijkheid als de vriend van de hele wereld, kan er geen sprake zijn van onderscheid tussen hoger en lager geboren levende wezens. Niettemin is er van U, naar gelang de geleverde dienst, als met een wensboom, de zegening gereserveerd voor hen die U dienen, ongeacht of ze van een hoger niveau zijn of niet [zie ook 2.3: 10 en B.G. 4: 33, 9: 25]. (28) De gewone man, die in zijn materiële bestaan het voorwerp van zijn begeerte najaagt, belandt in een overwoekerde put vol slangen. Ik die door slecht gezelschap ook in die toestand terecht kwam, werd door de Surawijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen en naar de waarheid van de ziel geleid. Hoe zou ik ooit kunnen afzien van de dienst verleend door Uw zuivere dienaar? (29) O Onbegrensde, door mijn leven te redden en mijn vader te doden, acht ik de woorden van Uw dienaar, de rishi, bewaarheid. U bewees zich immers toen mijn vader, met kwaad in de zin, zijn zwaard ter hand nam en zei: 'Laat die heerser anders dan ik je maar eens redden, nu ik je hoofd eraf zal slaan.'

(30) 'Dit universum overal om ons heen vormt de Eenheid die U alleen bent. U bestaat afzonderlijk van dit universum, dat een begin, een midden en een eind kent, en dat U geschapen hebt middels de drie geaardheden van de natuur in vele variaties. Die oerkwaliteiten geven Uw uitwendig vermogen gestalte. Alles wat die verscheidenheid uitmaakt heeft zijn regeling aan U te danken, die er Zelf in bent binnengegaan [zie ook B.G. 9: 4]. (31) O Heer, U bent er als het gehele universum, dan wel als degene die er los van staat; U bent de oorzaak èn het gevolg. Het onderscheid tussen de materiële energie van Uw schepping en U als zijnde een ander Zelf, is een illusoire notie. De substantie van iets is gelijk aan die van de vorm waarin ze verschijnt; dat waaruit U bestaat is gelijk aan dat waar de manifestatie van de schepping, die wordt gehandhaafd en vernietigd, uit bestaat, net zoals het is met het zaad en de boom en met het subtiele element en de aarde [zie 2.5: 26-29]. (32) Met het weer in U opnemen van dit universum in Uzelf, ervaart U, in de oceaan opgaand in Uzelf, de gelukzaligheid en lijkt U niets te doen. Maar als U in Uw bewustzijnsvereniging Uw ogen gesloten heeft, hebt U ook de slaap ingedronken. Zonder de materiële slaap te aanvaarden en afgekeerd van de geaardheden, verkeert U dan in de eenheid van de hoogste staat van bewustzijn [turîya, de vierde staat]. (33) Nadat U uit Uw sluimer op het bed van Ananta in de causale oceaan ontwaakte, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel, zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad. Dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, vormt Uw manier van omgaan [in de vorm van de geaardheden en hun godheden] met de materiële kwestie [met prakriti]. (34) Hij die van de kennis is [Brahmâ] en die voortkwam uit die lotus, kon niemand anders ontwaren. Uwe Heerlijkheid had zich als het zaadje immers tot hem uitgebreid. Hij dook toen onder in het water voor een honderdtal halfgodenjaren, niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, niet meer kan worden waargenomen [zie 3.8]. (35) Hij, enkel maar uit zichzelf geboren, was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen te zijn gezuiverd, vond hij dan U, o Heer, die zich zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreidt ophoudt door heel het zinnelijk wezen. (36) Heer Brahmâ bereikte aldus de bovenzinnelijke gelukzaligheid, want hij zag, in één oogopslag, de Allerhoogste Persoon, uitgerust met allerlei sieraden, wapens en tekenen, die Zijn volle vermogen aan hem openbaarde met duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen. (37) Met het in een incarnatie aannemen van het hoofd van een paard, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha, die de geaardheden traagheid en hartstocht vertegenwoordigden. U overhandigde aan Heer Brahmâ vervolgens de s'ruti [de vier Veda's], om reden waarvan men Uw hoogst gewaardeerde gedaante [Hayagrîva geheten] eert als een belichaming van de zuivere goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7]. (38) U beschermt al de werelden aldus door, naar gelang de yuga in kwestie, te verschijnen in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier. Daarbij doodt U soms de lastpakken van de wereld ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid, maar omdat U in Kali-yuga verhuld [channa] optreedt wordt U, als men over U spreekt als één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege Uw herkenbaarheid in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32]. (39) Een geest niet afgestemd op Uw bovenzinnelijke verhalen, is ver verwijderd van de Heer van Vaikunthha vanwege de zonden waarmee hij sympatiseert en is onzuiver, oneerlijk en moeilijk te beheersen. Vol van verlangens en lusten is die geest, vanwege de daarmee samenhangende driften, van toppen en dalen, angsten en leed. Zeg me hoe ik, armzalig en gevallen met zo'n geest, Uw verheven bedoeling moet begrijpen. (40) De tong leidt me af in de ene richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me, niet bevredigd, een andere kant op. Zo ook gaan de huid, de maag en het oor dan weer in die richting, terwijl de ogen uitkijken naar een andere. Aldus halen de ijverige, actieve zinnen gezamenlijk iemand naar beneden, net zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden halen. (41) Omdat wij aldus met ons karma hierdoor in de rivier de Vaitaranî zijn beland [voor de poort van de dood], lijden we helaas, de ene na de andere geboorte, van alles en nog wat etend, eronder dat we steeds banger zijn, er getuige van hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, van vijandschap dan wel vriendschap is. O U, die ons vanaf de andere zijde van die rivier Uw genade wilt tonen, in deze wereld zijn wij momenteel niets meer dan een stel dwazen. (42) O Meester van Allen, wij, vriendelijke mensen, willen altijd graag in deze kwestie van dienst zijn. O Allerhoogste Heer, wat staat Uw grote mededogen in de weg om ervoor te zorgen dat wij, materialistische dwazen, worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer op poten moeten zetten, moeten volhouden en weer de mist ingaan [met onze karmische ondernemingen], o Vriend van de Behoeftigen? (43) O Allerhoogste, omdat mijn geest opgaat in het bezingen en getuigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, ben ik vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî [die deze wereld is]. Ik maak me eerder zorgen over die dwazen die, verstoken van de bevrijding in het dragen van de last van hun zinsbelang, plannen maken ten gunste van vormen van schijnbaar geluk en schijnbare plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28]. (44) O Godheid, doorgaans trekken de heiligen, ambitieus uit op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden zonder bijzonder geïnteresseerd te zijn in een leven voor het heil van andere mensen. Maar ik wil, niet zoals zij dat doen, mijn medemensen die in ellende verkeren links laten liggen. Ik verlang de bevrijding niet voor mij alleen. Ik heb er geen vrede mee als ik andere mensen zie ronddolen, buiten deze toevlucht van U om. (45) Alles wat met gewoon huishoudelijk seksueel geluk te maken heeft, stelt niet meer voor dan het in je handen wrijven om van de jeuk af te komen. De miserabele persoon raakt met dit soort anti-jeukbevrediging van de seksuele behoeften niet verlost van zijn ongemak en onvrede en is in feite zo de dienaar van allerlei vormen van ongeluk. Pas als men dat soort [tijdelijk] imaginair geluk herkent en de jeuk weet te verdragen ['de noodzaak niet voorbij strevend', zie ook B.G. 7: 11 & 14], kan men intelligentie, stabiliteit en energie [dhîra] ontwikkelen [zie tevens Y.S. II: 38 & 40]. (46) Stilte, geloften, Vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, mantrameditatie en verzonkenheid, horen bij het pad van bevrijding, maar vaak maken deze zaken [deze tien activiteiten om geëmancipeerd te raken] deel uit van een vorm van levensonderhoud gepraktiseerd door lieden die hun zinnen helemaal niet de baas zijn, mijn Heer. Aldus is het wat dit betreft de vraag of men niet te maken heeft met hypocrisie[: is er geen sprake van een schijnvertoning? Zie ook 6.1: 16]. (47) De twee vormen van Uw [bovenzinnelijke] oorzaak en [materiële] effect zoals uitgelegd in de Veda's, zijn als het zaadje en zijn spruit. Maar U, zonder een specifieke vorm, bent tevens niet één van deze twee vormen. Zij die zich verbinden in Uw Yoga [de bhakti-yoga toegewijden] hebben deze twee aspecten duidelijk voor ogen, zoals het hout en het vuur in het hout, en dit kan niet worden bereikt op welke andere manier ook. (48) U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en al de bijbehorende ondersteunende goddelijkheid. U bent dat alles, die unieke natuur van de basiskwaliteiten alsook degene voorbij aan alles. O mijn Heer, wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, het is niemand anders dan U. (49) Noch al de basiskwaliteiten van de natuur, noch de hun overheersende goden; noch het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten, noch degenen die zo nadenkend zijn in de omgang met al de godsbewusten en de sterfelijke zielen die allen een begin en een einde kennen, o Heer verheerlijkt door al de heiligen, geen van hen allen is er werkelijk toe in staat dat wat allemaal het Uwe is te omvatten en daarom staken alle intelligente zielen op dit punt hun argument [en gaan ze vervolgens over tot Uw toegewijde dienst. Zie ook B.G. 2: 52].'

(50) 'Daarom bied ik U, o Beste van de Aanbedenen, mijn eerbetuigingen en doe ik mijn gebeden in de eredienst, span ik me voor U in, herinner ik mij U, koester ik Uw lotusvoeten en luister ik altijd naar de verhalen over U. Hoe kan een persoon zonder U te vereren op al deze zes manieren, nu van bhakti zijn voor U, die het doel vormt voor de besten van de transcendentie [vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

(51) S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer verheven boven de geaardheden die behaagd was en Zijn woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven. (52) De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda, Mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben blij met jou, o beste van de Asura's. Je mag Me welke gunst vragen die je ook maar van Mij wenst, want Ik ben de vervulling van al de verlangens van een ieder. (53) Geniet een lang leven! Hij die Mij niet behaagt kan Mij moeilijk aanschouwen! Maar als iemand Mij gezien heeft, verdient hij het niet meer, zich over zijn toestand te moeten beklagen. (54) Om die reden o fortuinlijke, wensen stabiele, intelligente en energieke toegewijden, die zich weten te gedragen en het beste wensen [voor een ieder], het om Mij, de Meester van Alle Zegeningen, in ieder opzicht te behagen.'

(55) S' Nârada zei: 'Maar ondanks dat hij verlokt werd tot wereldse zegeningen, wilde de beste van de Asura's niets van dat alles waar men zo naar verlangt, hij wilde alleen maar de Allerhoogste Heer [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka, vers vier].' 


*: De kwaliteiten van de brahmaan worden in de Sanat-sujâta als volgt beschreven:

jñânam ca satyam ca damah s'rutam ca
hy amâtsaryam hrîs titikshânasûyâ
yajñas ca dânam ca dhritih s'amas' ca
mahâ-vratâ dvâdas'a brâhmanasya
 

'Geestelijke kennis, waarheidsliefde, trouw aan de Schrift, niet afgunstig, verdraagzaam, van opoffering, liefdadig, gelijkgezind, en levend naar de grote gelofte [van yama, die naast het waarachtige reeds vermeld, de vier met zich meebrengt van het celibaat, de geweldloosheid, de vrijheid van bezitsdrang en het niet-stelen], zijn de twaalf kwaliteiten van de brahmaan.' Zie ook 5.5: 24 en B.G. 18: 42.


 

Hoofdstuk 10: Over Prahlâda, de Beste der Verheven Toegewijden en de Val van Tripura

(1) Nârada Muni zei: 'Hoewel hij nog maar klein was beschouwde Prahlâda elke zegening die de bhakti yoga met zich meebracht als een belemmering op het pad en met een glimlach maakte hij dat de Heer van de Zinnen duidelijk.

(2) S'rî Prahlâda zei: 'Brengt U me alstUblieft niet in de verleiding. Vanwege mijn Asurageboorte, ben ik, door al die zegeningen, gehecht aan materiële genoegens. Het was juist uit angst voor een dergelijke materiële betrokkenheid dat ik, verlangend naar bevrijding, mijn toevlucht tot U nam om volledig onthecht te raken. (3) O Heer, U stuurt Uw toegewijde dienaar de wereld van begeerte in om zijn karakter op de proef te stellen, want zinsverlangens, die er de oorzaak van zijn dat men hier ronddoolt, treft men aan in het hart van een ieder, o Meester. (4) O goeroe van de hele schepping, omdat u zo aardig bent voor Uw zielen, gaat het met u [als de Wensvervuller] niet anders. Ongeacht wie van U materieel voordeel verlangt [krijgt dat ook, maar] is [dan] niet Uw dienaar doch een koopman [zie ook B.G. 17: 20]. (5) Iemand die voor zichzelf materieel voordeel verwacht van zijn geestelijk leraar, is niet werkelijk een dienaar. Noch is die meester werkelijk dienstbaar die - voor zijn eigen aanzien - zijn dienaar materieel voordeel wil verschaffen [zie ook 10.88: 8-10]. (6) Er is wat mij betreft, in de volle overtuiging van mijn toewijding, geen sprake van enig verlangen en ook houdt U, als een ware meester, wat ons betreft er geen verdere motieven op na, zoals een koning die wel heeft in relatie tot zijn onderdaan. (7) En als U dan een van mijn verlangens in vervulling wil doen gaan, dan bidt ik om de zegen, o Heer van Alle Zegeningen, dat zich in mijn hart geen verlangen zal ontwikkelen naar welke vorm van materieel geluk ook [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers vier]. (8) Zo gauw ze de kop opsteken worden [de functies van] de zinnen,  geest,  levensadem en  het lichaam, de religie, het geduld, de intelligentie, verlegenheid, weelde, kracht, geheugen en waarachtigheid door hen verslagen. (9) Alleen als men al de verlangens opgeeft die men, in de omgang met zijn medemensen, aantreft in zijn hart, komt men in aanmerking voor een weelde gelijk aan die van U, o lotusogige Heer. (10) O Meester van alle Weelde, o Oorspronkelijke Persoonlijkheid, o Heer in de gedaante van Nrisimha, o Allerhoogste, o Absolute Waarheid, o Grote Ziel en Ziel van alle zielen, laat me U mijn respectvolle eerbetuigingen brengen.'

(11) De Allerhoogste Heer zei: 'Personen die, net als jij, Mij uitsluitend toegewijd zijn, verlangen niet naar zegeningen van Mij in deze wereld of in de volgende. Niettemin mag je, tot aan het einde van Manu's tijdperk, al de vormen van weelde genieten van de Daityaheerschappij in deze wereld [zie ook 2.3: 10]. (12) Wijdt je aan Mijn aangename verhalen, wees verzonken in Mij, die in je hart verblijft als de Ene aanwezig in alle levende wezens. Aanbidt, met het [in yoga] verenigen van je bewustzijn, de Heer die de genieter van alle offers is en geef je baatzuchtig handelen op. (13) Door met het genieten van je verdienste gelukkig te zijn, door middels vroom te handelen de zonde te verslaan, door met de voortsnellende tijd je lichaam op te geven en door het verspreiden van je bovenzinnelijke reputatie bezongen in zelfs de werelden van de goden, zal je, bevrijd van alle gebondenheid, naar Mij terugkeren. (14) Een ieder die deze gebeden opzegt die je aan Mij opdroeg, een ieder die zich zowel Mij als jou herinnert, zal na verloop van tijd bevrijd raken van de gebondenheid aan zijn karma [zie B.G. 4: 9, 6: 7, 9: 27-28, 12: 3-4 en zie ook 11.14: 21].'

(15-17) S'rî Prahlâda zei: 'Ik bidt voor de volgende zegen van U, o Heer der Zegeningen, o Allerhoogste Heer.  Mijn vader, niet bekend met Uw kracht en superioriteit, had door een hart vergiftigd door woede een verkeerd idee van U, o meester en goeroe van al de werelden. Hij hield U voor de moordenaar van zijn broer en had U vervloekt. Zodoende was hij van de grootste zonde jegens mij, Uw toegewijde. Moge mijn vader gezuiverd worden van die allergrootste en hoogst moeilijk te overwinnen zonde, ookal raakte hij in feite direct gezuiverd toen U Uw blik op hem wierp, o Vader zo vol van genade voor de materialisten.'

(18)
De Allerhoogste Heer zei: 'Met de zuivering van je vader zijn er eenentwintig van je voorvaderen gezuiverd, o zondeloze. Omdat jij, o deugdzame jongen, uit hem je geboorte nam in deze dynastie, ben je in feite de zuiveraar van de dynastie. (19) Waar en wanneer Mijn toegewijden er ook zijn die, vol van vrede en evenwichtig, met de beste kwaliteiten, een ieder even genadig zijn, zullen allen daar aanwezig gezuiverd raken, zelfs al betreft het de slechtste samenleving. (20) Nimmer zullen zij, in welk opzicht dan ook, welk hoger of lager levend wezen ook kwaad doen, o Koning van de Daitya's, omdat zij, in hun liefde voor Mij, al hun materiële ambities hebben opgegeven. (21) Degenen die in deze wereld in jouw voetspoor treden worden Mijn zuivere toegewijden. Van al Mijn toegewijden vorm jij het beste voorbeeld [zie ook 6.3: 20-21]. (22) Mijn kind, je moet nu de begrafenisriten uitvoeren voor je vader, die door Mijn aanraking in alle opzichten werd gezuiverd en dus zal opstijgen naar de werelden van de goede mensen. (23) Aanvaard je vaders troon, Mijn beste, fixeer je geest op Mij en doe je plicht voor Mijn bovenzinnelijke zaak zoals voorgeschreven door de Vedische traditie.'

(24) S'rî Nârada zei: 'Zoals hem was opgedragen door de Allerhoogste Heer, verrichtte Prahlâda al de plechtigheden in verband met de dood van zijn vader, o Koning [Yudhishthhira], en werd hij door de brahmanen gekroond. (25) Brahmâ, die had gezien wat er was gebeurd, bracht toen in de aanwezigheid van al de andere goden op Hem gericht, met een gezicht dat straalde omdat de Heer was tevreden gesteld, in bovenzinnelijke termen de zuiverste gebeden voor Heer Nrisimha. (26) S'rî Brahmâ zei: 'O God der goden, o eigenaar van het ganse universum, o liefde van de ganse schepping, o eerste onder de levende zielen, dankzij Uw besluit [de toegewijden te beschermen] werd de hoogst zondige Asura gedood die voor iedereen zo'n last vormde. (27) Ik had hem de zeldzame gunst verleend dat hij niet zou worden gedood door enig schepsel in mijn schepping noch door enige vorm van verzaking, mystieke macht of fysiek vermogen. Aldus zeer trots geworden overtrad hij alle bepalingen. (28) Gelukkig werd zijn zoon, die op jonge leeftijd al een grote heilige en verheven toegewijde was, bevrijd uit de greep van de dood en geniet hij, naar Uw wens, nu Uw bescherming. (29) Voor hen, die geplaatst voor een vijand mediteren op deze fysieke aanwezigheid van U, de Superziel, o alomtegenwoordige, almachtige Heer, bent U de beschermer tegen alle soorten van angst, zelfs tegen de angst voor de dood.'

(30) De Allerhoogste Heer gaf ten antwoord: 'Verleen geen gunsten aan demonen zoals u deed, die uw geboorte nam uit de lotus. Het zegenen van mensen met een kwade, genadeloze inborst is als het geven van melk aan slangen.'

(31) S'rî Nârada zei: 'Dit, o Koning, is wat de Allerhoogste Heer zei, en nadat Hari was aanbeden door de leraar van alle leraren, verdween Hij die niet door gewone levende wezens kan worden waargenomen uit het zicht. (32) Prahlâda bracht daarop met gebogen hoofd zijn eerbetuigingen met gebeden voor Heer Brahmâ, Heer S'iva, de stamvaders en de [overige] halfgoden, die allen deel uitmaken van de Allerhoogste Heer. (33) Vervolgens stelden Heer Brahmâ, S'ukrâcârya en andere wijzen hem aan als de heerser over al de Daitya's en Dânava's. (34) O Koning, nadat Brahmâ en de anderen naar behoren waren geëerd, feliciteerden al de godsbewusten hem, wensten ze hem het beste toe en keerde iedereen terug naar zijn verblijfplaats. (35) De twee metgezellen [de poortwachters] van Vishnu, die de zonen waren geworden van Diti en als Zijn vijanden optraden, werden aldus gedood door Hem die zich ophoudt in de kern van het hart [zie 7.1: 36-39]. (36) Vervloekt door de brahmanen, werden de twee opnieuw geboren als de demonen Kumbhakarna en de tienkoppige Râvana en nogmaals [door Hem] gedood, dankzij de speciale vermogens van Heer Râmacandra. (37) Dood liggend op het slagveld met hun harten doorboord door de pijlen van Râma, gaven ze hun lichamen op met hun geesten gefixeerd op Hem, precies zoals ze dat hadden gedaan in hun voorgaande leven. (38) De twee die opnieuw verschenen in deze wereld met hun geboorte als S'is'upâla en Dantavakra, waren op dezelfde manier met de Heer verbonden in  vijandschap en gingen [voor de laatste keer] op in Hem in uw aanwezigheid. (39) Al de koningen die vijandschap koesterden jegens Krishna werden, toen ze stierven en Zijn Zelf bereikten, bevrijdt van de schuldenlast uit hun voorgaande leven, net als larven die een lichaam krijgen identiek aan dat van de dar die ze bewaakte. (40) Net zoals men met het verrichten van toegewijde dienst terugkeert naar de Allerhoogste Persoonlijkheid, keerden koningen als S'is'upâla terug naar hun oorsprong en bereikten ze dezelfde verheven aard van de Heer door zich op Hem te bezinnen [in hun vijandschap, zie ook B.G. 4: 9]. (41) Dit alles beschreef ik u in antwoord op uw vraag hoe de zoon van Damaghosha [S'is'upâla] en ook anderen, zelfs haatdragend, dezelfde heilzame positie konden bereiken [zie 7.1: 34-35]. (42)  In deze vertelling over de Superziel en de Godheid van alle brahmanen, Krishna, verhaalde ik over Zijn zuiverende incarnaties waarin Hij onder meer een einde maakte aan de Daitya's. (43-44) Deze geschiedenis gaat over de aard van de toewijding, geestelijke kennis en verzaking van die hoogst verheven toegewijde Prahlâda. Probeer ieder van deze verhalen te doorgronden en ontdek zo wat eigen is aan de Heer, de Meester van het behoud, de schepping en de vernietiging, wat Zijn kwaliteiten en handelingen zijn, Zijn [in erfopvolging] doorgegeven wijsheid en hoe Hij, met de tijdfactor, een einde maakt aan alle hogere en lagere levende wezens en hun culturen, hoe groots ze ook zijn. (45) Aan de hand van deze vertelling, waarin de bovenzinnelijkheid volmaakt en volledig wordt beschreven, kan men de Fortuinlijke leren kennen en wat het bhâgavata dharma [zie 7.6: 28], de weg van de toegewijden, inhoudt. (46) Een ieder die na het horen van deze stichtelijke vertelling over de Superieure Macht van Vishnu, haar met geloof herhaalt of bezingt, zal worden verlost van het verstrikt zijn in baatzuchtige handelingen. (47) Hij die aandachtig leest en luistert naar dit verhaal over de handelingen van die allerbeste van de waarheidlievenden, deze Daityazoon, en hoe de Oorspronkelijke Persoonlijkheid in de rol van koning leeuw de koning van de demonen doodde die zo sterk was als een olifant, zal de geestelijke wereld bereiken waar men niets meer te vrezen heeft. (48) O, hoe goed hebben jullie Pândava's het in jullie mensenwereld getroffen, want de Allerhoogste van de Absolute Waarheid, Hij waar de grote heiligen die alle plaatsen zuiveren steeds naar op zoek zijn, houdt zich op bij jullie thuis in een menselijke gedaante. (49) Hij is het Brahman van de Absolute Waarheid waar de groten naar op zoek zijn. Hij die in feite uw neef is [de zoon van uw oom aan moeders zijde], Hij uw meest geliefde weldoener, is de eenheid van het bovenzinnelijk geluk en de bron van al het leven. Hij die er tevens voor u is als de goeroe die van instructie is wat betreft het principe, is de Ene die men kan aanbidden als het geheel van [het lichaam - de wereld - en] de ziel. (50) Heer S'iva, Heer Brahmâ en anderen konden zelfs niet door te mediteren Hem direct voor zich zien of een beschrijving geven van Zijn werkelijke gedaante. Moge Hij, deze grote meester van alle toegewijden, behaagd zijn met de stilte die wij in acht nemen, met onze devotie, onze kalmte en ons eerbetoon. (51) O Koning, diezelfde Allerhoogste Heer herstelde lang geleden de reputatie van de halfgod S'iva, die bedorven was door een demon genaamd Maya Dânava die, zeer bedreven op technisch gebied, een ongekende macht genoot.'

(52) De Koning [Yudhishthhira] zei: 'Kan u ons alstublieft vertellen om welke reden en op welke manier Heer S'iva, hij die het hele universum beheerst, werd overtroffen door Maya Dânava en hoe hij, met de hulp van Krishna, weer zijn reputatie herstelde?'

(53) Nârada zei: 'Nadat de Asura's door de godsbewusten met Zijn ondersteuning waren verslagen in de strijd, zochten ze gezamenlijk hun toevlucht bij de grootste en beste van hen allen, Maya Dânava. (54-55) De demon bouwde drie grote, machtige steden van goud, zilver en ijzer. Ze bezaten het ongewone vermogen in formatie [zwevend] van plaats te kunnen veranderen en waren daardoor moeilijk te ontdekken. Aldus aan het zicht onttrokken, o heerser over de mensen, begonnen de Asura's, indachtig hun vroegere vijandschap met de drie werelden en hun leiders, de orde in de wereld te verstoren. (56) Daarop benaderden de leiders van al de werelden Heer S'iva, vielen hem ten voeten en zeiden: 'Red ons alstublieft, wij die uw volgelingen zijn, o Godheid, want we werden verwoest door de tripura[drie-steden]mensen.' (57) Om hen zijn genade te tonen zei de Almachtige Heer tot de Sura's: 'Vrees niet' en legde een pijl op zijn boog om zijn wapen op de steden los te laten. (58) Nadat zijn pijlen waren afgevuurd straalden die met een krans van licht zo helder als de zon, waardoor de steden niet langer te zien waren. (59) Door hen aangevallen vielen al de bewoners van de steden levenloos op de grond. De grote yogi Maya Dânava dompelde ze toen de een na de ander in een bron vol [leven gevende] nectar [genaamd mrita-sanjîvayitari]. (60) In aanraking met die goddelijke nectar ontwaakten ze uit de dood en herrezen ze zo sterk als bliksemstralen die fel oplichtend de hemel doorklieven. (61) Toen Hij zag hoe teleurgesteld en ongelukkig [S'iva] het Toonbeeld van de Heer op dat moment was, overwoog de Almachtige Heer Vishnu welke maatregelen moesten worden genomen. (62) Heer Vishnu nam toen persoonlijk de gedaante van een koe aan, terwijl Heer Brahmâ de gedaante van een kalf aannam, en samen gingen ze op klaarlichte dag Tripura binnen om al de nectar van de bron op te drinken. (63) Hoewel de Asura's het in de gaten hadden, konden ze door hun verbijstering hen er niet van weerhouden. De grote yogi Maya, op de hoogte van wat er gebeurde, dacht dat het een goddelijke voorbeschikking betrof en richtte zich toen tot degenen die de bron bewaakten. Eerst zo in hun nopjes met hun illusie [dat ze het gewonnen zouden hebben] waren ze nu hevig ontsteld. (64) 'Geen halfgod, demon, menselijk wezen of wie dan ook, kan terugdraaien wat voor iemand zelf, voor iemand anders of voor iedereen door het lot is beschikt in deze wereld.' (65-66) Daarna rustte Hij [Heer Vishnu] Heer S'iva uit met al het noodzakelijke, zoals een strijdwagen en wagenmenner, een vlag, paarden en olifanten, een boog met een schild en pijlen en dergelijke; allemaal zaken die hun kracht ontleenden aan de vermogens van Zijn persoonlijke dharma, geestelijke kennis, onthechting, weelde, boete, cultuur, handelingen en zo meer. S'iva, gezeten op zijn wagen, legde toen een pijl aan op zijn boog. (67) O Heerser over de Mensen, met de pijlen aangelegd op zijn boog zette S'iva aldus, als de Heer en Meester, toen de zon op zijn hoogste punt stond, de zo moeilijk te treffen steden in lichterlaaie. (68) Vanaf hun strijdwagens in de hemel lieten, ondersteund door talloze pauken, de goden en de heiligen, de voorvaderen, de volmaakten en de grote zielen een luid 'Jaya, Jaya' weerklinken, terwijl ze een regen van bloemen lieten neerdalen op zijn hoofd en ze in grote vreugde zongen en dansten met de schoonheden van de hemel. (69) O Koning, nadat de machtige Heer S'iva, die Tripura in de as had gelegd, aldus was verheerlijkt door Heer Brahmâ en de anderen, keerde hij terug naar zijn verblijf. (70) Wat kan ik U nog meer vertellen over de Heer, de leraar van het universum, die met Zijn bovenzinnelijk vermogen in de wereld van de mensen verschijnt, de wereld waar Hij, als een gewoon menselijk wezen, heldendaden verricht waarover de wijzen en heiligen verslag doen in verhalen die al de werelden zuiveren?'




Hoofdstuk 11: De Volmaakte Samenleving: Over de Vier Sociale Klassen en de Vrouw

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij naar het verhaal had geluisterd over hem, [Prahlâda,] de grootste van alle toegewijden, over hem, de meester van de Daitya's zo trouw aan de Heer die de hele wereld in één stap omvat [Urukrama], hij die wordt besproken in de bijeenkomsten van de heiligen, stelde Yudhishthhira, zeer verheugd, opnieuw vragen aan de zoon van Brahmâ [Nârada]. (2) S'rî Yudhishthhira zei: 'O grote Heer, ik zou graag vernemen over de sanâtana dharma handelingen [de eeuwige, algemene plichten] van onze menselijke samenleving die horen bij de orde van de statusoriëntaties [varnâs'rama] waarmee de gewone man een beter leven vindt. (3) U, mijn Heer, bent rechtstreeks de zoon van onze oorspronkelijke vader, de allerhoogste persoon in dit universum [Brahmâ]. Van al zijn zonen beschouwt men u als de beste in de verzaking, de yoga en de meditatie. (4) Onder hen die Nârâyana toegewijd zijn bent u de wijze die weet heeft van het meest vertrouwelijke en verheven aspect van het dharma; niemand van de toegewijden is zo genadevol, verheven en vreedzaam als u.'

(5) S'rî Nârada zei: 'Ik breng de Allerhoogste Ongeboren Heer, die in het hele universum het dharma verdedigt, mijn eerbetuigingen. Ik zal uitweiden over het sanâtana dharma zoals ik erover vernam uit de mond van Nârâyana. (6) Hij die, verwekt door Dharma Mahârâja in de schoot van Daksha's dochter [Mûrti], [als Nârâyana] nederdaalde samen met een deel van Zichzelf [Nara], volbrengt [tot op de dag van vandaag] voor het heil van alle mensen verzakingen in Badarikâs'rama [de plaats van meditatie in de Himalaya's]. (7) O Koning, de geest, het lichaam en de ziel vinden hun volle bevrediging in Bhagavân, de Allerhoogste Heer, die de essentie vormt van alle Vedische kennis, de wortel van alle dharma is en de heugenis van hen die bekend zijn met dat [wat men de wetenschap van de toegewijde dienst noemt]. (8-12) Waarheidsliefde, mededogen, verzaking en reinheid [met de vidhi], tolerantie, onderscheidingsvermogen, kalmte en zelfbeheersing, geweldloosheid, celibaat, vrijgevigheid en studie van de geschriften, oprechtheid, tevredenheid en dienst aan de heiligen [met yama en niyama]; het geleidelijk aan breken met het niet-noodzakelijke, het ernst betrachten met het vermijden van loze praat, zelfonderzoek, het delen van voedsel en drinken met alle levende wezens en het iedereen bovenal beschouwen als deel uitmakend van God, o Pândava; met te luisteren en te zingen zowel als met het zich heugen van Hem die de toevlucht van al de groten is, bijwonen, vereren en gunstig stemmen, een dienaar zijn, een vriend te zijn en een overgegeven ziel zijn [in bhâgavata dharma]; het bezitten van al de dertig eigenschappen zoals vermeld, is het opperste van het dharma dat de Heer, de Ziel van Allen, behaagt, o Koning [vergelijk B.G. 12: 13-20]. (13) Zij die, op basis van langdurige herbezinning [of formeel middels het ondergaan van de z.g. zestien samskâra's] door [de geestelijke] instructies worden geleid [van de ongeboren Heer Brahmâ en zijn leraren], worden tweemaal geborenen genoemd [dvija's] die, rein door hun geboorte en handelingen [op basis van hun opvoeding in normaal gesproken de drie hogere klassen en geïnitieerd met het toekennen van de heilige draad] van aanbidding zijn, hebben kennis van de geschriften en doen aan liefdadigheid. Van hen wordt verwacht dat ze zich gedragen overeenkomstig de status van hun [aan de leeftijd gerelateerde] geestelijke afdelingen [of âs'rama's *]. (14) Voor de brahmanen zijn er de zes [plichten] van het bestuderen van de geschriften en dergelijke [te studeren, te vereren, het leiden van offerplechtigheden en het geven en ontvangen van liefdadigheid] en voor de rest [de overige beroepsgroepen] bestaan er diezelfde zes, minus de plicht van het aanvaarden van liefdadigheid. De middelen van bestaan van de bestuurders [de kshatriya's] die de mensen onderhouden, komen uit het heffen van belastingen en dergelijke [invoerrechten, boetes] bij personen die niet behoren tot degenen die van binnenuit gemotiveerd zijn [de brahmanen]. (15) De vais'ya's [kooplieden] behoren zich bezig te houden met hun beroepsactiviteiten [van landbouw en handel drijven] en moeten zich houden aan wat de brahmanen onderrichten, terwijl de s'ûdra's [de arbeiders] voor hun levensonderhoud de drie soorten tweemaal geborenen boven hen als hun baas van dienst moeten zijn [zie ook B.G. 18: 41-44]. (16) Er  bestaan [naast de drie methoden van lesgeven, offerplechtigheden leiden en liefdadigheid aannemen] vier verschillende soorten van bestaansonderhoud voor hen die van binnenuit gemotiveerd zijn: leven van wat men verwerft zonder te vragen [s'âlîna], van wat men krijgt door erom te vragen [yâyâvara], van wat er achterbleef in de velden [s'ila] en van dat wat er in de winkels en markten door anderen werd afgewezen [uñchana]. De laatstgenoemde soorten zijn beter dan de eerstgenoemde. (17) Als de noodzaak daarvoor niet bestaat, moeten de lagere klassen niet in hun onderhoud [willen] voorzien zoals de hogere klassen dat doen, maar in tijden van nood mag iedereen, met uitzondering van de besturende klasse, overgaan tot het levensonderhoud van iedere andere klasse. (18-20) Rita [eerlijk of moedig] noemt men leven van wat er overbleef, amrita [duurzaam of nectar] heet het leven van wat werd verkregen zonder erom te vragen, van mrita [eindig bezig zijn] is sprake als men vraagt om wat men nodig heeft, terwijl het pramrita [of cultiveren] wordt genoemd als men eet van zijn eigen grond. Het heet satyânrita [tegelijk waar en onwaar] als men handel drijft, maar als brahmanen en kshatriya's die thuis zijn in de Veda in posities ondergeschikt aan de lagere klassen moeten dienen is er sprake van s'va-vrittih [of honds bezig zijn], een manier van doen waar men van moet afzien omdat de wijzen staan voor al de Vedische kennis en de leiders van de staat al de goden belichamen. Met rita of amrita kan men leven en zelfs met mrita, met pramrita of met satyânrita, maar men kan zich nooit verzoenen met een honds bestaan [zie ook B.G. 4: 13]. (21) De brahmaan staat bekend om zijn beheersing van de geest en de zinnen, zijn boetvaardigheid, reinheid, voldoening, vergevingsgezindheid, zijn rechtdoorzee mentaliteit, geestelijke kennis en mededogen, de perfectie van zijn dienst aan de Heer, het Ware Zelf, en zijn waarheidsliefde. (22) Een kshatriya onderscheidt zich door zijn vaardigheid in het vechten, zijn heldhaftigheid en door zijn vastberadenheid, krachtdadigheid, liefdadigheid, ingetogenheid, vergevingsgezindheid, trouw aan het brahmaanse gezag, welgezindheid en liefde voor de waarheid. (23) Een vais'ya kenmerkt zich door zijn toegewijde dienst aan de godsbewusten, de goeroe en de Onfeilbare, het praktiseren van de drie deugden [van dharma, artha en kâma], zijn vroomheid en zijn niet aflatende inzet en deskundigheid. (24) De s'ûdra staat bekend om zijn gehoorzaamheid, reinheid, dienst aan de baas die hem onderhoudt, ondubbelzinnigheid, offerbereidheid zonder verdere gebeden, waarheidsliefde, zijn beschermen van de koeien en de brahmanen en om de deugd niet te stelen [zie ook B.G. 18: 41-44].

(25) Een vrouw met een heilig respect voor haar echtgenoot zal zich kenmerken door hem steeds te volgen in zijn geloften, door haar bereidwilligheid hem van dienst te zijn, door het haar echtgenoot naar de zin te maken en door welwillend te zijn jegens zijn vrienden en verwanten [zie ook B.G. 1: 40]. (26-27) Door met schoonmaken, aandweilen en inrichten haar huishouding te bestieren en persoonlijk aantrekkelijk gekleed te gaan in altijd schone kleren, behoort een vrouw kuis en bescheiden te beantwoorden aan de grote en kleine verlangens van haar echtgenoot, haar zinnen en spraak onder controle te hebben, waarheidslievend en liefdevol te zijn en op gezette tijden blijk te geven van haar achting voor haar echtgenoot. (28) Met tevredenheid, vrij van begeerte, bedreven, goed op de hoogte van het dharma, aangenaam, de waarheid sprekend, aandachtig, zuiver en hartelijk, behoort ze de echtgenoot te eren zolang hij niet ten val is gekomen [door zich schuldig te maken aan moord, verslaving, diefstal, overspel of medeplichtigheid aan een misdaad]. (29) Als een vrouw op haar echtgenoot mediteert als zijnde de Hoogste Persoonlijkheid is ze van dezelfde dienstverlening als de Godin van het Geluk; met haar toewijding denkend aan Hari geniet ze met haar echtgenoot Zijn hemelverblijf [Vaikunthha], net als Lakshmî. (30) Het levensonderhoud van hen die voortkwamen uit een gemengd huwelijk [van twee verschillende klassen, pratilomaja met een lagere man en anulomaja met een hogere man] en die als lager worden beschouwd [antyaja] of gemarginaliseerd zijn [antevasâyî], moet niet uit stelen of [anderszins] zondigen bestaan, maar overeenkomen met de respectievelijke familietradities.

(31) O Koning, als iemands beroepsmatige bezigheid [zijn dharma] overeenstemt met zijn maatschappelijke positie, wordt dat door de zieners van de Vedische kennis in ieder tijdperk [yuga] herkend als zijnde gunstig voor zowel iemands huidige leven als zijn volgende bestaan [zie ook B.G. 3: 25]. (32) Als men zich voor zijn levensonderhoud houdt aan de activiteiten horend bij zijn beroepsuitoefening, kan men, met het geleidelijk een einde maken aan het karma dat voortkwam uit de eigen aard, de [nirguna] staat bereiken die verheven is boven de [wisselwerking van de] natuurlijke basiskwaliteiten  [zie ook B.G. 3: 35]. (33-34) [Maar...] een akker die keer op keer bebouwd wordt kan, uitgeput geraakt, braak komen te liggen en niet langer geschikt zijn voor oogsten zodat gezaaid zaad verloren gaat. Op dezelfde manier kan een geest, vol van lustige verlangens, keer op keer genieten van dat waar de verlangens naar uitgaan [maar op een zeker punt niet meer in staat zijn nog langer te genieten en aldus] onthecht raken, o Koning. Denk maar aan kleine druppeltjes geklaarde boter die verloren kunnen gaan in een [offer]vuur [maar allemaal tegelijk uitgegoten het vuur kunnen doven]. (35) [En dus,] mocht men dan constateren dat iemand zich gedraagt overeenkomstig de hiervoor besproken kenmerken van een andere klasse dan de zijne, dan moet die persoon ook dienovereenkomstig worden gerespecteerd [met andere woorden, wie zich bijvoorbeeld gedraagt als een brahmaan moet worden behandeld als een brahmaan].'

*: Dit betreft de âs'rama's of burgerlijke statusgroepen met betrekking tot iemands leeftijd van het zijn van een celibataire student - een brahmacarya, een gehuwd iemand - een grihasta, iemand van middelbare leeftijd die zich heeft teruggetrokken - een vanaprashta, of iemand van de wereldverzakende orde - een sannyâsî, normaal gesproken een senior.



Hoofdstuk 12: De Vier Âs'rama's en Hoe het Lichaam te Verlaten

(1) S'rî Nârada zei: 'Een celibataire student [brahmacârî] behoort, [enkel] voor het heil van zijn leraar levend bij de goeroe in zijn school, zich als een dienaar onderworpen te gedragen en standvastig te zijn in zijn vriendschap voor zijn meester. (2) 's Avonds zowel als 's morgens behoort hij de goeroe, het [offer]vuur, de zon en de Beste van de Verlichting [Heer Vishnu] te vereren, opgaand in het stilletjes mompelen van zijn gebed [de Gâyatrî] tijdens die keerpunten. (3) Er door de geestelijk leraar toe opgeroepen, moet hij, ordentelijk beginnend en ook weer zo eindigend, met zijn hoofd zijn eerbetuigingen brengen aan de lotusvoeten en de mantra's bestuderen. (4) Met een strooien touw om zijn middel, kleren van hertenvel en samengeklit haar, moet hij kus'agras verzamelen [om op te zitten] en een staf, een waterpot en een heilige draad bij zich hebben. (5) In de ochtend en de avond behoort hij eropuit te gaan om aalmoezen in te zamelen en alles wat hij bijeen heeft gebracht de goeroe aan te bieden. Hij moet eten als hem dat wordt toegestaan of anders incidenteel vasten. (6) Hij moet zich beleefd gedragen, enkel het noodzakelijke eten, ijverig zijn, trouw blijven [en geloof hechten aan de woorden van de goeroe], zijn zinnen onder controle hebben en slechts voor zover dat nodig is omgang hebben met vrouwen en met mannen die zich door vrouwen laten bepalen [vergelijk 3.3: 5]. (7) Iedereen die niet een huishouder is [een grihastha] en de grote gelofte [van het celibaat] acht [yama zie Pat. II: 30], moet er van afzien vrouwen aan te spreken, omdat de prikkelende zinnen [makkelijk] de geest van een verzaakte ziel op hol doen slaan. (8) Het haar borstelen, het lichaam masseren, baden en inwrijven met olie en dergelijke, is iets wat een jonge student nimmer van de vrouw van de goeroe mag accepteren als ze jong is [zie ook 1.11: 29]. (9) Het andere geslacht is als vuur voor de pot met boter die een man is; als hij alleen woont moet hij enkel omgang hebben met vrouwen - zelfs met zijn eigen dochter - voor zover dat goed doet [goed geregeld is, nuttig is]. (10) Zolang men zich niet bewust is van deze [seksuele] dualiteit en dat men iets kan ondernemen om deze overweging de baas te zijn [van aldus geïdentificeerd zijn], kan men niet zeker zijn van zelfverwerkelijking [zie ook B.G. 5: 18]. (11) De zo-even [in vers 6] beschreven aanwijzingen van de goeroe voor een huishouder, gelden evenzogoed voor een verzaakt iemand, zij het dat de huishouder gedurende een bepaalde periode seksuele omgang kan hebben [zie ook B.G. 7: 11]. (12) Zij die de gelofte van het celibaat hebben afgelegd moeten er mee ophouden hun ogen op te maken, het hoofd en het lichaam te masseren, het beeld van de vrouw te koesteren, vlees te eten, zich te bedwelmen, bloemenkransen te dragen, geuren of geparfumeerde smeersels te gebruiken en zich te sieren met juwelen. (13-14) Op deze manier levend onder het toezicht van een goeroe komen zij die met een nieuw leven zijn begonnen [een dvija zijn] al studerend, voor zover dat volgens hun talent mogelijk is, tot het juiste begrip van de Veda's, hun s'astrische supplementen en hun aanhangende upanishadische filosofieën. Naar zijn wens geven ze de geestelijk leraar een vergoeding en verlaten hem dan met zijn toestemming om een huishoudelijk leven te gaan leiden [als een grihastha] dan wel het bos in te trekken [als een vânaprastha ofwel te leven in een teruggetrokken positie in de samenleving] of anders alles te verzaken en/of daar te blijven leven [om een sannyâsî te worden zoals hij]. (15) Adhokshaja bevindt zich in het vuur, in de goeroe, in jezelf en in iedere andere bestaansvorm. Hij voorbij aan Alles moet men beschouwen als enerzijds de levende wezens te zijn binnen gegaan samen met alles wat bij Hem hoort, terwijl Hij anderzijds ook niet [daarvoor reeds bestaand] in hen is binnen gegaan [pravistah/apravistah vergelijk B.G. 9: 4]. (16) Als men op deze manier [devotioneel ingesteld] leeft als een celibataire student, als een huishouder, als een teruggetrokken ziel of in verzaking van de wereld, raakt men bekend met de wijsheid [van het sanâtana dharma] en bereikt men de bovenzinnelijkheid van de Geest van het Absolute.

(17) Laat me u nu uitleggen wat de regels en regelingen zijn voor het leiden van een teruggetrokken leven [of hoe je een vânaprastha moet zijn] zoals die door de zieners worden goedgekeurd en met achting waarvoor een heilig iemand zonder moeite vordert tot de wereld van de wijzen [Maharloka]. (18) Hij behoort geen granen te eten van gecultiveerde gronden noch dat wat niet rijp is van niet in cultuur gebrachte velden en hij moet ook geen granen of rijpe en rauwe zaken eten die werden gekookt. Volgens de voorschriften moet de vânaprastha dat eten wat op een natuurlijke manier door de zon gerijpt is. (19) Van de natuurlijk gegroeide granen en vruchten die het bos verschaft, behoort hij koeken te bereiden die kunnen worden geofferd, en als hij weer nieuwe vruchten en granen vindt, moet hij de oude voorraad opgeven. (20) Sneeuw, wind, vuur, regen en zonneschijn verdragend, dient hij slechts de beschutting van een grashut of een grot te zoeken om een [offer]vuur brandend te houden. (21) [Ook moet hij zich niet bekommeren om] het haar op zijn hoofd samengeklit in lokken, het haar op zijn lichaam, zijn nagels, zijn baardgroei en het vuil op zijn lichaam. Hij moet een waterpot hebben alsook een hertenvel, een staf, boomschors [om zich mee te bedekken] en benodigdheden voor het vuur. (22) Voor de duur van ofwel twaalf jaar, acht jaren of vier jaren dan wel twee jaar of ook slechts één jaar, moet hij in het bos verblijven, als een heilige, bedachtzame man, zodanig dat zijn verstand niet op drift raakt vanwege [al te streng doorgevoerde] verzakingen. (23) Als hij, te ziek dan wel te oud, zijn plichten niet meer kan naleven om te vorderen in de kennis en zijn geestelijk leven, moet hij er van afzien nog langer voedsel tot zich te nemen. (24) Het vuurelement binnenin zichzelf plaatsend moet hij het valse zelf opgeven, van geïdentificeerd zijn met het lichaam, en zo goed als mogelijk volledig opgaan in het geheel van de elementen waar hij uit is samengesteld. (25) [Teneinde zijn functies terug te voeren] op hun oorzaken laat hij zijn lichaamsopeningen opgaan in de ether, de verschillende vormen van zijn vitale adem in de lucht, zijn lichaamswarmte in het vuur, zijn bloed, slijm en urine in het water en de rest [van zijn harde weefsels] laat hij opgaan in de aarde [vergelijk met 1.15: 41-42 en 3.6: 12]. (26-28) De spraak en het orgaan ervoor behoren de God van het Vuur toe, de handen en hun handigheid horen bij Indra, de benen en hun vermogen zich voort te bewegen vinden in Vishnu hun oorsprong en de geslachtsdelen met hun seksuele verlangen behoren de Prajâpati toe. Het rectum en de ontlastingsactiviteiten zijn van Mrityu [de Dood] en ook behoort de gehoorzin in samenhang met de geluiden worden thuisgebracht bij de [godheden van de] windrichtingen. De tastzin en het orgaan ervoor moeten aan de windgod [Vâyu] worden toegekend. Het gezichtsvermogen met haar voorwerpen, o Koning, moet men de zon toewijzen, de tong en haar heerser zijn van het water, terwijl de reuk en de geuren aan de aarde moeten worden toegekend. (29-30) De geest en haar verlangens horen Candra toe, de intelligentie en haar voorwerp van studie hoort bij de Allerhoogste van de Educatie [Brahmâ], het valse ego van het 'ik' en 'mijn' handelen met haar karma komt Rudra [S'iva] toe, het bewustzijn met haar idee van existeren is van de Kenner van het Veld [de ziel, zie B.G. 13: 1-4] en de geaardheden en hun omvormingen behoren tot het Voorbije. De [identificatie met het element] aarde [moet worden teruggeleid] tot het water, het water tot het licht van de hemellichten, die helderheid tot de lucht, de lucht tot de ether, de ether tot het materiële levensbegrip, het valse ego tot dat wat de materiële energie uitmaakt, het geheel van de kosmische werkelijkheid [de mahat-tattva] en die werkelijkheid lost op in de primaire staat van de natuur [de ongemanifesteerde energie van pradhâna, zie 3.26: 10], die ook zijn bron heeft: de onvergankelijke [Superziel]. (31) Als men aldus inziet dat de onvergankelijke ziel, bestaand uit niets dan het bewustzijn dat overblijft [na dit opgaan], van dezelfde kwaliteit is als de Superziel, komt er een einde aan [iemands individuele, geïsoleerde bestaan] zoals brandhout ophoudt te bestaan dat werd verteerd door vuur.' 

 

 


Hoofdstuk 13: Het Gedrag van een Heilige Persoon

(1) S'rî Nârada zei: 'Iemand die in staat is [tot wat ik hiervoor beschreef], moet zonder enige vorm van materiële gehechtheid, met uiteindelijk enkel zijn lijf, van plaats tot plaats rondtrekken door de wereld en, zoals voorgeschreven, in geen enkel dorp langer blijven dan één dag [zie ook het verhaal van Rishabha 5.5: 28]. (2) Mocht de wereldverzaker [de sannyâsî] nog kleding dragen, dan moet dat niet meer zijn dan een schamele bedekking van zijn lendenen. Behalve in geval van nood, moet hij niet naar zaken grijpen die hij heeft opgegeven; normaal gesproken kenmerkt hij zich niet meer dan met de tekenen van verzaking: zijn staf [danda] en dergelijke. (3) Zijn heil bij Nârâyana zoekend en levend van enkel aalmoezen, beweegt hij, in zichzelf tevreden, alleen en zonder van iets of iemand afhankelijk te zijn, zich volmaakt in vrede rond als iemand die ieder levend wezen het beste wenst. (4) Hij moet dit universum van oorzaak en gevolg zien als bestaande binnenin het onvergankelijke Zelf in het voorbije en het Opperste Absolute zelf zien als dat wat de wereld van oorzaak en gevolg overal doordringt [vergelijk B.G 9: 4]. (5) De ziel beweegt zich van waken naar slapen naar het dromen er tussendoor [zie ook 6.16: 53-54]. Iemand van zelfverwerkelijking beschouwt op grond daarvan de gebonden staat - de geconditioneerde staat - en de bevrijde staat als in feite niets dan een illusie. (6) Hij dient zich niet te verheugen over de zekerheid van de dood van het lichaam, noch over de onzekerheid van het leven ervan, hij dient acht te slaan op het superieure [bestuur] van de Tijd die heerst over de manifestatie en het verdwijnen van de levende wezens. (7) Hij [de wereldverzaker] moet niet hechten aan tijdgebonden literatuur, noch zich afhankelijk stellen van een carrière. Beschuldigingen en muggenzifterij moet hij opgeven en ook moet hij zijn toevlucht niet zoeken in groepsgebonden vermoedens, meningen en speculaties [politiek]. (8) Hij moet niet op zoek zijn naar volgelingen en zich ook niet bezighouden met verschillende literaire oefeningen of zulke geschriften lezen. Hij moet niet voor zijn brood lezingen geven noch een onderneming op touw zetten [met het bouwen van tempels b.v.]. (9) Een vreedzame en gelijkgezinde, verzaakte persoon, hoeft niet persé de symbolen van zijn geestelijke positie uit te dragen [de danda etc. van zijn âs'rama *] en kan er, als de grote ziel die hij is, evenzogoed vanaf zien. (10) Hoewel hij uiterlijk misschien niet direct als een wereldverzaker te herkennen is, is hij duidelijk in zijn bedoeling. Zo'n heilige kan het nodig vinden zich voor de samenleving voor te doen als een rusteloze jongere of, als hij een geleerde was, zich voordoen als iemand die minder snugger is.

(11)
Als voorbeeld van een dergelijke verhulde identiteit haalt men in dezen [vaak] een zeer oude geschiedenis aan van een gesprek tussen Prahlâda en een heilige man die leefde als een python. (12-13) Prahlâda, de lieveling van de Allerhoogste Heer, kwam een dergelijke heilige eens tegen toen hij, vergezeld door een paar koninklijke metgezellen, door de wereld trok in een poging te doorgronden wat de mensen zoal bewoog. Hij was getuige van de zuiverheid en de diepte van de spirituele uitstraling van een man die, aan de oever van de Kâverî rivier op een helling van de berg Sahya, op de grond lag, met zijn gehele lichaam overdekt door vuil en stof. (14) Uit wat hij deed, hoe hij eruit zag, uit wat hij zei en ook aan de hand van zijn leeftijd, zijn bezigheid en andere identiteitskenmerken konden de mensen niet opmaken of die man nu iemand was die ze kenden of niet. (15) Na hem zijn respect te hebben betoond en hem te hebben vereerd door, volgens de regels, met zijn hoofd zijn lotusvoeten te hebben beroerd, stelde de grote Asuratoegewijde van de Heer, benieuwd naar hem, de volgende vraag. (16-17) 'Ik zie dat u er nogal een dik lichaam op nahoudt, als was u iemand die op geld uit is. Mensen die zich steeds druk maken over een inkomen, zijn er zeker op uit hun zinnen te bevredigen. Daarom worden zij die het breed hebben, zij die genieten van deze wereld en aan niets anders denken, [makkelijk] zo dik als inderdaad dit lichaam van u. (18) Het is duidelijk dat u, die hier neerligt zonder iets te doen, o man van de geest, geen geld hebt voor zinsgenoegens. Hoe kan, zonder dat u uw zinnen geniet, uw lichaam nu zo dik zijn, o man van kennis? Sorry dat ik het vraag, maar kan u ons dat alstublieft vertellen? (19) Ondanks dat u zo geleerd, bedreven en intelligent bent, ondanks dat u zich goed kan uitdrukken en innerlijk in evenwicht verkeert, ligt u daar maar wat te kijken hoe de mensen zich inspannen voor hun werk!'

(20)
S'rî Nârada zei: 'De grote heilige aldus ondervraagd door de Daityakoning, lachte hem toe en was, bekoord door de schoonheid en liefde van zijn woorden, ertoe bereid antwoord te geven. (21) De brahmaan zei: 'O beste van de Asura's, u die wordt gewaardeerd door ieder beschaafd mens, weet vanuit uw bovenzinnelijk inzicht alles van de dingen waar de mensen in hun levensloop toe geneigd zijn en weer vanaf zien. (22) Met Nârâyana deva, onze Heer steeds aanwezig in het hart, schudt men door enkel toegewijd te zijn de onwetendheid van zich af, zoals duisternis door de zon verdreven wordt. (23) Niettemin zal ik, in overeenstemming met wat ik vernam [van de wijzen en hun geschriften], al uw vragen proberen te beantwoorden, o Koning, want u, als iemand die zijn hart wil zuiveren, verdient het te worden toegesproken. (24) Onder invloed van wereldse belangen, stond ikzelf het ene na het andere materiële verlangen ten dienst en werd daardoor tot het verrichten van handelingen gedreven die mij bonden aan verschillende vormen van geboorte. (25) Nadat ik, vanwege mijn karma, van de hemelpoort van bevrijding was afgedwaald naar lagere levensvormen, verwierf ik onverwacht weer deze [menselijke] positie [zie ook B.G. 8: 16 en **]. (26) Maar ziend hoe, in die positie steeds handelend ter vermijding van ellende en ten gunste van het plezier dat mannen en vrouwen hebben, men het tegenovergestelde bereikt, heb ik een eind gemaakt aan die activiteiten. (27) Gelukkig zijn is de natuurlijke positie van de ziel en het beëindigen van alle materiële handelingen vormt de reden van de manifestatie van dat geluk. Begrepen hebbend dat zinsgenoegens het gevolg zijn van het koesteren van verlangens, lig ik hier nu in stilte te sluimeren. (28) Iemand die zich in deze wereld bevindt, raakt door de bekoring ervan verstrikt in tegenstellingen die hem bang maken voor een [herhaald] werelds bestaan, en door deze dualiteit [van zijn materiële ego] vergeet hij het belang van zijn hart en ziel, zijn ware [gelukkige] aard. (29) Net als een dorstig dier dat, water over het hoofd ziend dat is overwoekerd door gras, dat water onwetend elders zoekt, jaagt ook iemand die dorst naar zijn materiële belang [maar het geluk van zijn ware zelf niet ziet] een luchtspiegeling [van dat geluk] na. (30) Iemand die, met zijn lichaam en wat daar bij hoort, in die zo machtige greep [van de materie] verkeert, zoekt het geluk eigen aan de ziel door te proberen zijn ellende [met materiële middelen] terug te dringen. Maar hij raakt, [zonder te mediteren op het ware geluk, volkomen machteloos] telkens weer teleurgesteld in zijn plannen en ondernemingen. (31) [En mocht hij dan soms slagen,] wat voor nut zou incidenteel succes in het bestrijden van nadelige gevolgen nu hebben voor een sterveling die niet vrij is van de drie vormen van misère, zoals veroorzaakt door hemzelf, door een ander of door de natuur? Waar leiden dat soort successen nu toe? Wat is hun waarde? (32) Ik zie de ellende van de begeertige rijken; als slachtoffer van hun zintuigen hebben ze uit angst slapeloze nachten waarin ze het gevaar van alle kanten op zich af zien komen. (33) Hij die leeft voor het geld is altijd bang voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd en voor zichzelf. (34) Een intelligent iemand moet de eigenlijke oorzaak opgeven van alle jammerklachten, illusies, angst, woede, gehechtheid, armoede, zwoegen enzovoorts van het menselijk wezen: het verlangen naar macht en weelde  [***].

(35)
De werkbijen en de grote slangen in deze wereld vormen in deze kwestie onze eersteklas goeroes: door wat zij ons leren vinden wij de bevrediging [van het tevreden zijn met wat je hebt] en de verzaking [van het dingen niet elders zoeken]. (36) De honingbij leerde me te onthechten van alle verlangens. Wat je gelijk nectar [als een bij] met veel moeite aan geld bijeenbracht pakt een ander weer van [jou als] de eigenaar af en doodt je soms zelfs daarbij. (37) Als een python mijn tijd doorbrengend lig ik hier dagenlang, tevreden met de ziel zonder iets te ondernemen, en niet geïnteresseerd in het vergaren van bezit. (38) Soms eet ik weinig, soms eet ik veel voedsel, dat soms vers is en dan weer oudbakken, dat soms smakelijk is en dan weer smakeloos. Soms wordt het voedsel respectvol gebracht en soms wordt het respectloos aangeboden. Aldus eet ik 's nachts of anders overdag, afhankelijk van wanneer het voor handen is. (39) Geestelijk voldaan ga ik gekleed in wat het lot me biedt, in goed van linnen, in zaken van zijde of van katoen, in een hertenvel of een lendendoek, in boombast of in wat voor materiaal dan ook. (40) Soms lig ik op de grond, dan weer op gras, soms op bladeren, op steen of op een hoop as maar soms ook, al naar gelang wat anderen me toewensen, kan ik me in een paleis neervleien op een eersteklas bed met kussens [zie ook B.G. 18: 61]. (41) Soms neem ik een fijn bad met smeersels van sandelhout voor mijn lichaam, kleed ik me netjes aan, ben ik gesierd met bloemenslingers en sieraden en zit ik op een wagen, een olifant of op de rug van een paard. En soms zwerf ik geheel naakt rond als door een geest bezeten, o machtige. (42) Ik hekel de mensen niet maar steek ook niet de loftrompet over hen, die verschillend van aard zijn. Ik bidt voor het uiteindelijke heil van allen dat bestaat uit de Eenheid van de Grotere Ziel. (43) Het idee van onderscheid moet, als een offergave, worden geofferd in het vuur van het bewustzijn, dat bewustzijn moet worden geofferd in het vuur van de geest, die de wortel van alle verwarring vormt, en de geest moet vervolgens worden geofferd in het vuur van het valse zelf. Dat variabele ego van materiële identificatie moet, dit principe volgend, worden geofferd in het geheel van de materiële energie. (44) Een bedachtzame persoon moet voor zijn zelfverwerkelijking, met de waarheid voor ogen, het geheel van zijn materiële energie opdragen als een offergave. Als hij zijn belangstelling [voor de wereld] zo dan verloren heeft, moet hij, aldus verankerd in zijn essentie - in zijn ware zelf -, zich volkomen afzijdig houden. (45) Dit relaas over mezelf leg ik nu op deze manier aan u voor in het grootste vertrouwen. Maar het kan zijn dat u, van de kant van uw goede zelf, als een man van transcendentie met de Allerhoogste Heer, het in strijd acht met de gebruikelijke uitleg van de geschriften.'

(46)
S'rî Nârada zei: 'Na aldus van de heilige man te hebben vernomen wat het dharma is van de paramahamsa's [zie ook 6.3: 20-21], excuseerde de Asuraheer zich zeer tevreden, nam hij met het nodige respectbetoon afscheid en keerde hij terug naar huis.'

*: De vier stadia van sannyâs zijn: kuthîcaka, bahûdaka, parivrâjakâcârya en paramahamsa [zie verder voetnoot 5.1].

**: Swami Prabhupâda commentarieert: "Het materiële leven wordt pavarga genoemd omdat we hier onderworpen zijn aan vijf verschillende toestanden van lijden, gerepresenteerd door de letters pa, pha, ba, bha en ma. Pa betekent paris'rama, zeer zwaar werk. Pha betekent phena, of schuim om de mond. Bijvoorbeeld, we zien soms een paard met schuim om de mond als het zware arbeid verricht. Ba betekent byarthatâ, teleurstelling. Ondanks veel hard werken, vinden we tenslotte teleurstelling. Bha betekent bhaya, of angst. In het materieel bestaan, bevindt men zich altijd in het laaiend vuur van de angst, omdat niemand weet wat hem te wachten staat. Tenslotte, betekent ma mrityu, of de dood. Als men probeert deze vijf zijnstoestanden -- pa, pha, ba, bha en ma -- van het leven tot nul terug te brengen bereikt men apavarga, of bevrijding van de straf van het materieel bestaan."

***: S'rîla Rûpa Gosvâmî schrijft in zijn 'Nectar van Instructie' (2):

atyâhârah prayâsas' ca
prajalpo niyamâgrahah
jana-sangas' ca laulyam ca
shadbhir bhaktir vinas'yati

"Iemands toegewijde dienst raakt bedorven als hij teveel verstrikt raakt in de volgende zes activiteiten: (1) meer eten dan noodzakelijk of meer geld inzamelen dan nodig is; (2) zich overmatig inspannen voor wereldse zaken die zeer moeilijk te verwerven zijn; (3) niet noodzakelijk praten over wereldse aangelegenheden; (4) het naleven van schriftuurlijke regels en bepalingen enkel ter wille van de horigheid eraan en niet voor het heil van de spirituele ontwikkeling, of het verwerpen van de regels en voorschriften van de geschriften en het op eigen houtje werken of met luimen; (5) omgang hebben met werelds-gezinde personen die niet in het Krishna-bewustzijn geïnteresseerd zijn; en (6) begeertig zijn naar werelds succes."



Hoofdstuk 14: Het Allerhoogste van het Leven als een Huishouder

(1) S'rî Yudhishthhira zei: 'Kan u me alstublieft uitleggen hoe huishouders [grihastha's] zoals ik, die geen weet hebben van het doel van het leven, ook gemakkelijk deze positie van bevrijding in overeenstemming met de geschriften kunnen bereiken, o devarishi.'

(2)
Nârada Muni antwoordde: 'O Koning, iemand die er een huishouding op nahoudt moet in directe omgang met grote toegewijden [of wijzen] van dienst zijn door volgens hun instructies zijn handelingen op te dragen aan Vâsudeva  [de avatâra]. (3-4) Als men op daarvoor geschikte tijden, in goed gezelschap omringd door vreedzame personen, bij herhaling luistert naar de nectar van de verhalen over de avatâra's van de Heer, zal men geleidelijk aan de banden zien verslappen van de omgang met zijn vrouw en kinderen, alsof men uit een droom ontwaakt [zie ook 5.5: 1 en B.G. 18: 54]. (5) Voor zover nodig zich inspannend voor het onderhoud van zijn lichaam en familie, behoort men, in dezen vrij van gehechtheid maar volledig betrokken, zich in de menselijke samenleving te bezinnen op zijn menszijn. (6) Zonder egoïstisch te zijn moet men [proberen] vrede te hebben met, te sympathiseren met, of zelfs blij te zijn met, alles wat zijn verwanten, ouders, kinderen, broers, vrienden en anderen ook maar  te zeggen hebben of zich wensen. (7) Daartoe moet een intelligent iemand gebruikmaken van alles wat de Onfeilbare Heer heeft geschapen of wat men zelf verwierf: wat het leven voortbracht [zoals vruchten], wat de aarde voorbracht [zoals mineralen] en alles wat de medemens verschafte [aan cultuur of aan donaties b.v.]. (8) De maag mag men vullen voor zover dat nodig is en niet meer, daar meer te claimen dan waar je recht op hebt je tot een dief zou maken die het verdient te worden bestraft. (9) Herten, kamelen, ezels, apen, muizen, slangen, vogels en vliegen moet men [wat dit betreft] beschouwen als je eigen kinderen. Hoe weinig verschil is er niet tussen deze dieren en kinderen? (10) Op het drievoudige pad [van dharma, artha en kâma] zich niet te begerig opstellend [niet van ugra-karma of schadelijk handelen zijnd] moet iemand, ook al is hij vol zorgen over zijn huishouding, naar gelang tijd en omstandigheid, enkel naar zoveel streven als de genade van God verschaft [zie ook 4.8: 54]. (11) Tot aan de hond, de gevallen ziel en uitgestotene toe, behoort men uit te delen naar behoefte; zelfs de echtgenote, die zo na aan het hart ligt, behoort men te delen opdat zij er [als een moeder] kan zijn voor alle mensen [b.v. voor gasten in het huis]. (12) Men mag de claim opgeven de echtgenote [dan wel de echtgenoot] te bezitten, een idee waarvoor men bereid was zichzelf of anderen van het leven te beroven of de ouders en geestelijk leraar in de steek te laten, want als men dat doet kan men Hem voor zich winnen die niet kan worden overwonnen [anders dan door offers te brengen]. (13) Wat is [de waarde van] de gehechtheid aan dit onbeduidende voertuig van de tijd dat is gedoemd te worden gegeten door de insecten of om tot ontlasting en tot as te vergaan? Wat is de waarde van het gehecht zijn aan het lichaam van je vrouw, vergeleken bij de waarde van je aantrekking tot de ziel die, net als de ether, alles doordringt? (14) Dat wat de Heer verschaft, dat wat men verwerft dankzij de offers die men brengt, moet men beschouwen als zijn middelen van bestaan. Zij die wijs zijn geven uiteindelijk, ter wille van de ziel, alle aanspraak op bezit op. Het gaat [niet om het vergaren van bezit, het gaat] erom de positie van de grote zielen te verwerven. (15) Met de middelen die men vanzelf verwierf met zijn plichtmatige bezigheden, moet men, naast de dagelijkse offers voor de goden, de samenleving, alle overige levende wezens, de voorvaderen en zichzelf, afzonderlijk de Oorspronkelijke Persoon aanbidden die aanwezig is in ieders hart. (16) Op het moment dat men [als een huishouder] alles onder controle heeft met inbegrip van zichzelf, behoort men met offers in het vuur, overeenkomstig de voorschriften zoals die zijn vastgelegd in de geschriften, van aanbidding te zijn met alles wat ter beschikking staat om de Heer te behagen [zie B.G. 4: 24-29]. (17) O Koning, de Allerhoogste Heer, de genieter van alle offers voelt zich minder aanbeden door het offeren van ghee in de mond van het vuur, dan door offers aan Hem gebracht via de monden van de geleerden [zie ook 3.16: 8]. (18) Wees daarom zo goed als je kan van aanbidding voor de kenner van het veld [de Heer, zie B.G. 13: 3] door op de eerste plaats offers te brengen voor de brahmaanse halfgoden, en daarna voor de gewone mensen en de andere levende wezens.

(19)
Gedurende [bijvoorbeeld] de donkere helft van de maand Âs'vina [oktober-november] moeten de tweemaal geborenen die welvarend genoeg zijn, offers brengen voor de voorvaderen, alsook gedurende de maand Bhâdra [augustus-september] offers brengen ter wille van hun verwanten, als ze zich dat kunnen permitteren tenminste. (20-23) Ook wordt men aangeraden zijn plechtigheden te houden bij de zonnewenden als de zon zich door het noorden en het zuiden beweegt, als hij Ram en Steenbok binnengaat [tijdens equinoxen], in de yoga [conjunctie van de zon en de maan] genaamd Vyatîpâta, op die dagen die drie maankalenderdagen bestrijken [tithi's], op dagen van zons- of maansverduisteringen en op de twaalfde dag van de maanmaand en als de maan het sterrenbeeld [nakshatra] S'ravana doorloopt. Ook geschikt voor de s'râddhaceremonie is de dag Akshaya-tritîyâ, de negende dag van de heldere helft van de maand Kârtika, de vier ashthakâ's [de acht dagen] van het winterseizoen en het koele seizoen, de zevende dag van de heldere helft van de maand Mâgha, de conjunctie van de Maghâ-nakshatra en de wassende maan, de dagen van de volle maan of als die nog wassende is als ze samenvallen met de nakshatra's waarvan de namen van sommige maanden zijn afgeleid, iedere twaalfde dag van de maankalender in conjunctie met ieder van de nakshatra's genaamd Anurâdhâ, S'ravana, Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ en de elfde maankalenderdag die samenvalt met Uttara-phalgunî, Uttarâshâdhâ of Uttara-bhâdrapadâ, alsook de dagen die in conjunctie verkeren met de ster van iemands eigen geboorte [janma-nakshatra] of de S'ravana-nakshatra.  (24) Het zijn deze gunstige tijden [van het regelmatig zijn met natuurlijke gebeurtenissen] die het lot van de mensen ten goede keren. Om voor de mens gedurende alle seizoenen goedgunstigheid, succes en langlevendheid te realiseren moet men daarom op die dagen allerlei plechtigheden houden [*]. (25) Het op al deze heilige tijden een heilig bad nemen, japa doen [de Vedische rozenkrans], offers brengen in het vuur en zich aan geloften houden, vormt een blijvend voordeel met dat wat gegeven wordt uit respect voor de Allerhoogste Heer, de tweemaal geborenen die zorg dragen voor de beeltenissen, de voorvaderen, de goddelijken, de menselijke wezens in het algemeen en de andere levende wezens. (26) O Koning, de zuiveringsrituelen, die het belang dienen van [het hebben van dagen] met de vrouw, de kinderen en jezelf, alsook het belang dienen van begrafenissen, herdenkingen en dagen voor het verrichten van vruchtdragende arbeid, moeten worden uitgevoerd op de [natuurlijke] tijden [in relatie tot de zon en maan] zoals die daarvoor bedoeld zijn.

(27-28)
Laat me u nu een beschrijving geven van de plaatsen die het meest geschikt zijn voor religieuze praktijken. De plaats het meest geëigend voor de heilige zaak is die waar men een volgeling van de waarheid aantreft [de hermitage van een heilige, een Vaishnava, een goeroe], de plaats [een tempel] waar men een afbeelding [een representatieve vorm] aantreft van de Allerhoogste Heer van al de zich bewegende en niet-bewegende wezens in het universum of een plaats [een school, een âs'rama] waar een gezelschap van brahmanen wordt aangetroffen die vol zijn van verzaking, scholing en genade. (29) Iedere plaats waar de gedaante van de Allerhoogste Heer wordt aanbeden vormt een alleszins gunstige toevlucht in [het bijzonder in] combinatie met een rivier als de Ganges of één van de andere beroemde rivieren vermeld in de Purâna's. (30-33) Meren als Pushkara en bekende plaatsen waar men heiligen aantreft, zoals Kurukshetra, Gayâ, Prayâga [Allahabad] en Pulaha-âs'rama, Naimishâranya [nabij Lucknow], Phâlgunam, Setubandha [in de richting van Lankâ], Prabhâsa, Dvârakâ, Benares, Mathurâ, Pampâ, Bindu-sarovara, Badarikâs'rama, Nandâ, de plaatsen waar Sîtâ Devî en Heer Râma verbleven, zoals Citrakûtha en, o Koning, al de heuvelruggen zoals Mahendra en Malaya, behoren allen tot de heiligste plaatsen. Dezen en al de plaatsen waar de Heer en Zijn beeltenissen worden vereerd [dus ook de plaatsen buiten India], moeten door hen die het goedgunstige verlangen, telkens weer worden bezocht omdat de religieuze handelingen die een persoon daar uitvoert duizend keer effectiever zijn.

(34) O heerser over de aarde, de Allerhoogste Heer, in wie alles wat beweegt en onbeweeglijk is in dit universum zijn plaats heeft, is de enige persoon die het waard is om de eer in ontvangst te nemen. Dat is de conclusie van al de geleerden deskundig in het bepalen van de persoon aan wie men zijn offers zou moeten opdragen [zie tevens 4.31: 14]. (35) De zonen van Brahmâ, alsook de anderen trouw aan de waarheid die aanwezig waren [bij Yudhishthhira's Râjasûya offerplechtigheid], o Koning, besloten dat van de meest aanbiddelijke, heilige persoonlijkheden van God, de Onfeilbare [Krishna] moest worden aangewezen als de beste, als de eerste onder hen die voor aanbidding in aanmerking zou moeten komen. (36) Talloze zielen bevolken dit universum dat is als een gigantische boom, en omdat Hij de wortel van die boom is, stelt de aanbidding van de Onfeilbare alle levende wezens tevreden [met andere woorden, de hele boom is tevreden met water voor de wortels]. (37) Hij vleit zich, als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha], neer onder de geschapen wezens in de vorm van hun levensbeginsel [jîva]. De mensen, de heiligen, de goden en de andere levende wezens die Hij een woonplaats gaf in de vorm van een lichaam, vormen Zijn verblijfplaatsen [zie ook B.G. 18: 61]. (38) O Koning, de Heer is in verschillende mate in hen aanwezig en daarom komt een persoon in aanmerking voor eerbetoon voor zover de [kwaliteit van] de ziel [in de zin van begrip en boetvaardigheid e.d.] zich toont [vergelijk B.G. 15: 15]. (39) Toen de geleerden zagen dat, sedert Tretâ-yuga, er onderling een gebrek aan respect was in de menselijke samenleving, o Koning, introduceerden ze beeltenissen van de Heer om respect te oefenen [zie ook 12.3: 52]. (40) Sedertdien aanbidt men met groot geloof en alle benodigdheden de beeltenis van de Heer, ook al levert die verering in [combinatie met] minachting voor de persoon [van de medemens] geen resultaat op [alleen liefde voor de persoon doet dat, zie ook 3.29: 25 en B.G. 18: 68 & 69]. (41) O beste van de koningen, weet dat de meest waardige ontvanger van genade onder de mensen de brahmaan is omdat hij, met zijn boetvaardigheid, scholing en tevredenheid, de Vedische kennis van Hari, de Allerhoogste Heer belichaamt. (42) De brahmanen zijn [in de ogen] van Heer Krishna, die het leven en de ziel van het universum is, o Koning, de belangrijkste en meest aanbiddelijke personen, omdat ze, bij [de genade] van het stof van hun lotusvoeten, al de drie werelden heiligen.'

*: Zie de volledige kalender van orde  [met geschrikkelde zonneweken en maanfasedagen] voor het instellen van dagen naar natuurlijke gebeurtenissen.



Hoofdstuk 15: Nârada's Instructies over Vegetarisch Delen, Goddeloosheid, Genezen, Yoga en Advaita

(1) S'rî Nârada zei: 'Sommige van de tweemaal geborenen wijden zich aan baatzuchtige activiteiten, sommigen houden zich bezig met ontzeggingen, o heerser over de mensen, sommigen munten uit in Vedische studie terwijl anderen de retoriek beoefenen en sommigen zich ook verenigen in [het bewustzijn van] de geestelijke kennis [in bhakti- en jñâna-yoga]. (2) Een persoon die de bevrijding verlangt behoort de opbrengst van zijn offers weg te schenken aan iemand die de geestelijke kennis is toegewijd [doorgaans een brahmaan of een jñânî]. Mocht het zo zijn dat zo iemand niet te vinden is, moet er worden gedoneerd aan andere personen, voor zover die dat waard zijn. (3) Offerend aan de halfgoden moet men er twee te eten geven, offerend aan de voorvaderen behoort men er drie te eten te geven, of anders moet men er in ieder geval tenminste één voeden. Men moet niet een groot aantal van hen erbij betrekken, ook al heeft men er de middelen voor. (4) Met het overschrijden van dit aantal aan genodigden of familieleden [met de s'raddha-ceremonie], zal het allemaal niet zo goed lukken wat betreft de meest geschikte plaats en tijd, de benodigdheden, de persoon die de eer toekomt en de methode aangewend. (5) Als men het heilige voedsel, dat men verkreeg door het op de juiste plaats en tijd met liefde en toewijding volgens de regels aan de beeltenis van de Heer te offeren, aanbiedt aan de persoon die de eer verdient, vormt zo'n aanpak een bron van duurzame welvaart [zie ook B.G. 3: 10]. (6) Met het aanbieden van [gewijd] voedsel aan de godsbewusten, de heiligen, de voorvaderen, de levende wezens in het algemeen, zijn vrienden en zijn familieleden, moet men hen allen beschouwen als deel uitmakend van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God. (7) Hij die bekend is met de principes van het dharma, moet nooit vlees [vis of eieren] offeren tijdens de geloofsceremoniën, noch moet hij in zijn normale leven een vleeseter zijn. De hoogste voldoening ontleent men aan het [vegetarisch] voedsel van de wijzen en niet zo zeer aan het [voedsel verkregen door het nodeloos] doden van dieren. (8) Voor personen die ware rechtschapenheid verlangen bestaat er geen hogere religie dan dit: het in geest, woorden en handelingen opgeven van alle geweld jegens andere levende wezens.

(9) Personen die, door hun aandacht te vestigen op het ware zelf [in samyama], vrij zijn van materiële verlangens, weten heel goed wat de bedoeling is van het brengen van offers. Verlicht in de kennis van de spiritualiteit weten die transcendentalisten dat sommige offers [zoals het offeren van dieren] karmische gevolgen hebben. (10) Levende wezens die een offeraar zien worden bang als er een schepsel moet worden geofferd. Ze denken: 'Deze onwetende, onaardige persoon zal ons zeker snel ter dood brengen!' (11) Daarom wordt hij die weet wat dharma is [zie ook B.G. 18: 66] verondersteld dag in dag uit, met tevredenheid zijn reguliere en gelegenheidsplichten na te komen met het voedsel dat door de Heer geschonken wordt: het [vegetarische] voedsel van de wijzen. (12) Iemand die weet wat dharma is spreekt van vijf takken of vijf soorten van adharma die als vormen van slecht bezig zijn moeten worden opgegeven: vidharma, paradharma, upadharma, âbhâsa en chala-dharma. (13) Vidharma moet [worden begrepen als] dat wat een tegenwerping vormt tegen of een benadeling vormt van het dharma [de rechtschapenheid, natuurlijkheid en religiositeit, de oorspronkelijke bedoeling van de plichtsvervulling]. Paradharma bestaat uit het aanzetten tot plichten die haaks staan op de eigen plicht [op iemands aard], upadharma is wat iemand doet die voorwendt zijn plicht te doen, iemand die een hypocriet is en chala heeft betrekking op het voorwenden van plichtsvervulling door met woorden te goochelen. (14) Âbhâsa is dat wat personen eigenwillig, eigenzinnig doen in weerwil van hun geestelijke afdeling [hun âs'rama, hun burgerlijke status]. Waarom zou het zich gedragen overeenkomstig de eigen natuurlijke plicht geen vrede brengen? (15) Met het doen van zijn religieuze plicht moet men niet proberen te voorzien in zijn levensonderhoud [ofwel: verwacht geen inkomsten uit religieus bezig zijn, zie B.G. 2: 47 en 18: 9], noch moet men armlastig zijnde streven naar bezittingen.De begeerteloosheid van iemand die vrij is van zulk ondernemen is als die van de python [zie 7.13: 11] die leeft zonder noemenswaardige inspanning. (16) Waar zou iemand die, voortgedreven door lust en hebzucht, van hot naar haar rent voor de rijkdom, nu het geluk vinden dat eigen is aan de tevreden persoon die, niet ondernemend voor zijn onderhoud, gelukkig is van binnenuit? (17) Voor een altijd vreedzame geest is iedere weg die hij bewandelt even gunstig, net zoals het is met iemand die met schoenen aan zijn voeten niets te vrezen heeft van steentjes en doorns. (18) O Koning, waarom zou een in zichzelf tevreden iemand niet gelukkig leven op enkel een beetje water als hij, van het moeilijke gedoe met zijn geslachtsdelen en zijn tong, een mens wordt die niet beter is dan een huishond? (19) Een geschoold maar ontevreden iemand zal, vanwege zijn begeerte, geleidelijk aan zijn zinsvermogen, geleerdheid, verzaking, faam en spirituele inzicht zien afnemen en verdwijnen. (20) Voor iemand die hongerig en dorstig is eindigen de verlangens [als hij eet], men raakt bevrijd van woede door zaken anders aan te pakken, maar een persoon raakt niet verlost van zijn begeerte als hij er op uit is om alle uithoeken van de aarde te veroveren [zie ook B.G. 16: 21]. (21) O Koning, vele geleerden met een hoop kennis, vele raadslieden en vele politieke leiders belandden in de hel eenvoudigweg omdat het hen ontbrak aan [innerlijke] tevredenheid.

(22) Lusten overwint men door vastbeslotenheid, woede wordt men de baas door af te zien van het voorwerp van begeerte, om hebzucht te verslaan moet men bedenken dat bezit tot bezetenheid leidt en angst overwint men door zich te bezinnen op het ware [zelf in meditatie]. (23) Uitweiden [over spirituele aangelegenheden] geneest je van treurnis en illusie, valse trots wordt genezen door dienst aan een grote ziel, stilte overwint de hindernissen op het pad van de yoga en gewelddadigheid [kwaad, vijandigheid] wordt verholpen door af te zien van hartstochten [zie ook B.G. 4: 10]. (24) Door begaan te zijn [genadevol te zijn, betrokken te zijn] met anderen, kan men het leed verzachten dat werd veroorzaakt door andere levende wezens en door de natuur, en door systematische meditatie in yoga bestrijdt men lijden als gevolg van de eigen [karmische] handelingen. Slaap kan worden overwonnen door de vitale adem te oefenen. (25) Door de geestelijk leraar toegewijd te dienen kan iemand in de geaardheid goedheid makkelijk al deze [symptomen van] hartstocht en onwetendheid overwinnen, alsook die van de goedheid zelf.  (26) De goeroe, die het licht op het pad vormt, moet men zien als de Allerhoogste Heer in eigen persoon en degene die hem en wat hij van hem hoorde beschouwt als zijnde sterfelijk en tijdgebonden, is als een olifant die is schoongewassen [en dan een stofbad neemt](27) Hij [de leraar] wordt door de gewone [niet-toegewijde] man aangezien voor een normaal mens, terwijl hij de Allerhoogste Heer in eigen persoon is, Hij die de heerser is over de eigenlijke materiële oorzaak [pradhâna, de niet-gemanifesteerde materie] en de Oorspronkelijke Persoon, alsmede de Heer van de Yoga wiens voeten worden gezocht door de meesters van de yoga [zie ook B.G. 9: 11]! (28) Men heeft zijn tijd verspild als al de voorgeschreven activiteiten en inachtnemingen, die waren gericht op het definitief onderwerpen van de zes afdelingen [van de vijf zinnen en de geest], niet hebben geleid tot het uiteindelijke doel: de verbondenheid in de yoga [van je individuele bewustzijn met Hem].

(29) Net zoals beroepsmatige bezigheden gericht op het verwerven van een inkomen niet het belang van de yoga dienen, dragen ook de traditionele deugdzame publieke werken die door een materialistische persoon worden verricht niet bij [tot de nodige bewustzijnsvereniging. Vergelijk B.G. 2: 42-44]. (30) Hij die zijn denken de baas wil zijn, moet alleen, op een afgezonderde plaats, zonder de afhankelijkheid van een gezelschap van gehechte mensen [zoals een gezin], als een wereldverzaker van de bedeling leven en karig eten. (31) Op een schone, vereffende plaats, o Koning, moet hij voor zichzelf een zitplaats regelen en er stabiel, comfortabel en berustend gaan zitten, zijn lichaam rechtop houden en op die manier de Pranava beoefenen [zie 1.2: 11 en B.G. 8: 11-14 en 6: 11-12]. (32-33) Hij behoort de in- en uitgaande lucht te stoppen met het vasthouden van zijn in- en uitgaande adem, en op dat moment al de verlangens die zijn geest bezighouden los te laten. Terwijl hij staart naar het puntje van zijn neus moet hij de geest, die van hier naar daar afdwaalt, afwenden van wat dan ook. Een volleerde yogi behoort in zijn hart stap voor stap een einde te maken aan het denken dat door de lust werd verstoord. (34) Degene die deze praktijk weet vol te houden, zal, [met de geest] als een vuur [dat uitgaat] zonder brandstof, er snel in slagen de zuivere staat [het nirvâna] te bereiken. (35) Niet afgeleid door de verschillende verlangens, wordt de geest kalm en vreedzaam in al zijn bewegingen. [Men is dan] van een bewustzijn dat in aanraking kwam met de gelukzaligheid van het bovenzinnelijk platform, een positie waarvan men zich in feite nimmer kan losmaken [zie ook B.G. 5: 17].

(36) Als iemand eerst zijn huis en haard verliet om rond te zwerven [als een sannyâsî], en dan weer terugkeert om te leven van het veld van zijn vroegere drievoudige praktijk van materieel georiënteerde [economische, religieuze en op de zinnen ingestelde] handelingen, kan men zo'n schaamteloze bedelaar vergelijken met iemand die zijn eigen kots opeet [een vântâs'î]. (37) Degenen die eerst hun lichaam zien als iets dat losstaat van de ziel, als iets dat sterfelijk is en bestemd voor uitwerpselen, wormen en as, en dan weer dat lichaam verheerlijken en zich ermee identificeren, zijn nutteloze dwazen. (38-39) Voor huishouders om hun plichten te verwaarlozen, voor celibatairen om te breken met hun geloften, voor teruggetrokken personen om zich in dienst van de gewone burger te stellen, voor verzakers om te smachten ten behoeve van de zinnen, is voor al de âs'rama's een hoogst abominabele manier van doen die verraad inhoudt aan de geestelijke orde. Men moet onverschillig staan tegenover hen die aldus verdwaasd zijn door het uitwendig vermogen van de Heer, ze zijn meelijwekkend. (40) Als men eenmaal doorheeft wat de ziel [en Superziel] allemaal inhoudt, als men eenmaal vanuit de bovenzinnelijke positie zijn bewustzijn gezuiverd heeft met spirituele kennis, wat valt er dan nog te verlangen, waarom zou men dan nog langer een slaaf zijn van het lichaam dat men onderhoudt? (41) Men zegt dat het lichaam de strijdwagen is, dat de zinnen de paarden zijn, dat de geest - de meester van de zinnen - er als de teugel is, dat de zinsobjecten de wegen vormen die men bewandelt, dat de intelligentie [de rede] de wagenmenner is en dat het bewustzijn [goedheid, karakter] de grote band vormt die is geschapen door de Heer. (42) De spaken van het wiel [zie ook 7.9: 21] zijn de tien soorten lucht in het lichaam [genaamd prâna, apâna, samâna, vyâna, udâna, nâga, kûrma, krikala, devadatta en dhanañjaya], de binnenkant en de buitenkant van de wielen zijn de religie en de goddeloosheid, hij die vervoerd wordt is het persoonlijke zelf dat zich valselijk identificeert, de Pranava is de boog en de individuele ziel is de pijl, maar de uiteindelijke gelukzaligheid vormt het doelwit. (43-44) Gehechtheid en afkeer, begeerte en weeklagen, illusie, angst, waanzin, vals prestige, belediging, foutvinden en ontgoocheling, geweld en jaloezie, onrust, verdwazing, honger en slaap zijn iemands vijanden; zij en anderen komen voort uit hartstocht en onwetendheid, maar soms komen ze voort uit [gehechtheid aan] de geaardheid goedheid. (45) Zolang men deze menselijke gedaante heeft, die als een strijdwagen met alle daarbij behorende onderdelen afhankelijk is van de wil, moet men, in dienst aan de lotusvoeten van de meest eerbiedwaardige zielen, vasthouden aan het, door de kracht van de Onfeilbare, aangescherpte zwaard van kennis totdat de vijand is verslagen. Als men aldus in zijn bovenzinnelijk geluk de bevrediging heeft gevonden, kan men dit lichaam opgeven. (46) In geval men, onachtzaam en geneigd tot het onware, dat niet doet, zullen de zinnen, die dienst doen als de paarden, de wagenmenner meevoeren op het pad van begeerte. Daar valt de wagenmenner dan in handen van rovers, de zinsobjecten [die heersen met vishaya, eten, slapen en paren] en zal hij door hen, samen met de paarden en de rest, in de duistere, overwoekerde put belanden van het materieel bestaan en gebukt gaan onder de grote angst voor de dood. (47) Geneigd zijn tot en afgekeerd zijn van materiële betrokkenheid [pravritti en nivritti], zijn de twee soorten van bezig zijn die besproken worden in de Veda's [4.4: 20]. Geneigd tot materieel handelen keert men telkens weer terug [naar een werelds bestaan] terwijl men afziend van handelen de nectar van de eeuwigheid geniet [zie ook B.G. 16: 7].

(48-49) Het systematisch van geweld zijn [met het offeren van dieren in samenhang] met allerlei soorten van vuuroffers waar zoveel bij komt kijken, is vervuld van verlangen en vormt een bron van zorgen. Het gericht zijn op dars'a, pûrnamâsa, câturmâsya, pas'uh, soma en andere rituele plechtigheden noemt men pravritti. Evenzo moet men de vuuroffers en het aanbieden van de offergaven [huta, prahuta] alsmede het, voor het publiek, construeren van tempels, uitspanningen en tuinen en het slaan van putten en het voorzien in voedsel en water, als vormen van pravritti handelingen zien. (50-51) De fijne substanties [van het offer] resulteren in de rook [geassocieerd met] de goddelijkheid van de nacht, de donkere helft van de maand, de zon die door het zuiden gaat en de nieuwe maan [vergelijk B.G. 8: 25]. Met die goddelijkheid [vindt men] de granen om ons te voeden die de zaden zijn van de vegetatie op het oppervlak van de aarde, o heerser over de aarde. Aldus door de vader [van de Tijd] in het leven geroepen leiden zij [door ons te voeden via de offers] tot de ene na de andere geboorte, tot het keer op keer regelmatig aannemen van een fysieke gedaante om in deze wereld aanwezig te zijn [zie ook B.G. 9: 21]. (52) [Maar] een tweemaal geboren ziel [een brahmaan] die, vanaf het moment van zijn bevruchting tot aan zijn begrafenis, gezuiverd wordt door verschillende rituelen, offert bij het licht van de geestelijke kennis zijn bezig zijn met offerplechtigheden in [het vuur van] zijn zintuiglijkheid [en is zo van nivritti handelingen]. (53) De zinnen doen opgaand in de geest - die wordt besmet door de woorden die zich bewegen in golven van materiële voorkeur - beperkt hij de woorden tot de verzameling van hun samenstellende delen, de letters. Die elementen worden dan beperkt tot het AUM van de Pranava welke wordt beperkt tot een punt [de bindu, een punt tussen de ogen], dit trekt hij terug in de reflectie op het geluid [de nâdi] welke hij offert in de levensadem [prâna] die hij doet opgaan in het geheel van de Heer [in brahman]. (54) [In nivritti vorderend met] het vuur, de zon, de dag, het einde van de dag, de heldere helft van de maand, de volle maan, de gang van de zon door het noorden en de Onafhankelijke Heerser [Brahmâ], komt hij die van onderscheid is en zich van het grofstoffelijke bereik tot de subtiele bestemming beweegt, in een vastgestelde volgorde tot de bovenzinnelijke staat van intelligentie, de ziel [turya, de oorspronkelijke bewustzijnsstaat]. (55) Telkens weer opnieuw geboren wordend op deze weg van God, zoals dit [nivritti proces] wordt genoemd, [zie ook B.G. 8: 16], keert hij die ijvert voor de zelfverwerkelijking en de vrede van de ziel verlangt, niet weer terug als hij eenmaal zijn plaats heeft gevonden in het ware zelf. (56) Hij die op dit, in de Veda's aanbevolen, pad van de voorvaderen en de goden, zijn blik gericht houdt op de geschriften, heeft kennis van zaken en zal niet verdwaasd raken, ook al is hij dan een materiële persoon.

(57) Zowel vanbinnen als vanbuiten er altijd zijnd, van het begin tot het einde, voor alle levende wezens, is deze Heer, transcendentaal aan het grofstoffelijke, persoonlijk in deze wereld aanwezig als de kennis en het gekende, als de uitdrukking en het uitgedrukte en als het duister en het licht. (58) Hoewel afgewezen als een echte vorm, wordt de reflectie [van een vorm in de spiegel] niettemin aanvaard als zijnde echt. Op dezelfde manier aanvaardt men de werkelijkheid van wat de zintuigen je melden [als echt], ook al valt dat moeilijk te bewijzen op basis van speculaties. (59) Men is niet het gereflecteerde beeld van de voorwerpen in de wereld, die bestaan uit het aarde-element enzovoorts, noch is men een combinatie of transformatie van die elementen. Hoewel men geen bestaan heeft los van hen, is het ook een misvatting om zichzelf [en de ziel] als een deel van hen te beschouwen [zie ook B.G. 18: 16]. (60) Het lichaam bestaande uit de vijf elementen kan niet bestaan zonder de zinsobjecten die er deel van uitmaken. Het onware is gelegen in de totale vorm van dat lichaam dat, net als dat wat er deel van uitmaakt, uiteindelijk een tijdverschijnsel blijkt te zijn. (61) Het is te vergelijken met dezelfde verwarring - en het dienovereenkomstig breken met de regulerende beginselen - die men heeft met een droom: zolang men in zijn slaap door de droom gescheiden wordt van de voorwerpen van de waaktoestand, wordt men door dat deel [van zijn bestaan] op een dwaalspoor gezet. (62) Een wijze ziel verwerpt vanuit zijn zelfrealisatie en vanuit zijn verkozen eenheid van levensopvatting, handelen en materie in deze wereld, de drie vormen [van onwetendheid die ermee samenhangen als zijnde drie verschillende vormen] van slaap [vergelijk 1.18: 26 en B.G. 6: 16]. (63) Men spreekt van eenheid van levensopvatting [genaamd bhâvâdvaita] als men de [bovenzinnelijke] oorzaak en [het materiële] gevolg beschouwt als zijnde één [als deel uitmakend van één en dezelfde werkelijkheid], zoals het zien van stof aan de hand van zijn draden, de schering en inslag. Ze afzonderlijk beschouwen is wat ze onwaar maakt [zie ook B.G. 18: 16]. (64) Men spreekt van eenheid van handelen [genaamd kriyâdvaita] als men, in al de activiteiten van zijn geest, zijn woorden en het lichaam, rechtstreeks van toewijding is voor de bovenzinnelijkheid van de absolute geest [Brahman], o Yudhishthhira [vergelijk B.G. 9: 27]. (65) Men spreekt van eenheid van materieel belang [dravyādvaita] als dat wat je voor jezelf nastreeft één en het zelfde is, gelijk is aan, wat je je echtgenote en je kinderen, andere mensen of welke levende wezens ook toewenst [dit noemt men ook wel verlicht eigenbelang of de 'gouden regel']. (66) O koning, een persoon behoort zijn plichten te vervullen overeenkomstig zijn [varnâs'rama] positie in de samenleving, tewerkgaand met de middelen, de plaats en de tijd die niet [schriftuurlijk] verboden zijn. Hij moet dat niet anders doen, tenzij er sprake is van een noodsituatie [zie ook 7.11: 17 en B.G. 3: 35]. (67) Iedere mens die, met achting voor deze en andere beginselen beschreven in de Vedische literatuur, toegewijde dienst verricht, en zich daarbij houdt aan zijn beroepsmatige verplichtingen, kan zelfs thuis Zijn hemelrijk bereiken, o Koning [zie ook B.G. 9: 32]. (68) Het is zoals jullie allen [Pândava's], o heer van koningen, ontsnapten aan al dat onoverkomelijke gevaar. Door de voeten te dienen van jullie Meester [Krishna] slaagden jullie erin de rituelen te volbrengen en de olifanten in alle richtingen te verslaan [de last van de onrechtvaardige koningen].

(69) Ikzelf bestond lang, heel lang geleden, in een voorgaande mahâkalpa [in een ander tijdperk van Brahmâ], als een ingezetene van de hemel genaamd Upabarhana en was zeer gerespecteerd onder de Gandharva's. (70) Ik had een prachtig lichaam en was hoogst aantrekkelijk, ik rook lekker, was opgesierd en betoverend om te zien. Steeds door de vrouwen aangetrokken was ik in de opwinding van mijn verlangens [echter] een losbol. (71) Op een dag was er een bijeenkomst van de goden en werden voor de gelegenheid, ter verheerlijking van de Heer in gezang en dans, al de Ghandharva's en Apsara's uitgenodigd door de heersers van het universum [de Prajâpati's]. (72) Ook ik, als een expert in het bezingen [van de heerlijkheden van het goddelijk bestaan], ging erheen omringd door vrouwen. Maar kennis makend met mijn houding, vervloekten de goddelijke heersers van het universum me vervolgens uit alle macht vanwege mijn geflirt: 'Wees jij, in overtreding met de goede zeden, van nu af aan maar een s'ûdra verstoken van de schoonheid!' (73) Toen ik daarop werd geboren uit een dienstmaagd, verwierf ik desalniettemin een leven als een zoon van Brahmâ omdat ik toen predikers van de spiritualiteit van dienst kon zijn [Vaishnava's, zie ook 1.5: 23-31]. (74) Ik heb u uitgelegd met welk dharma een gehechte huishouder de zonde kan overwinnen en snel de positie van de wereldverzakende orde kan bereiken. (75) Jullie [Pândava's] zijn zo gelukkig om in deze wereld al de heiligen die zuivering brengen bij jullie langs te zien komen omdat bij jullie thuis, hoogst vertrouwelijk, het Allerhoogste Brahman in eigen persoon te vinden is in de gedaante van een normaal mens [Krishna, zie ook 7.1o: 48]. (76) Hij is het Ene Brahman en wordt  door de grote zielen gezocht om tot de verwerkelijking van hun bevrijding en de gelukzaligheid van de hemel te komen. Hij, jullie beroemde neef [Heer Krishna], is jullie aller geliefde weldoener, meest aanbiddelijke persoon, jullie hart en ziel en [oorspronkelijke] leraar van instructie wat betreft de regulerende beginselen [de vidhi; zie ook 7.10: 48 en 49]. (77) Deze gedaante, die het begripsvermogen van Heer S'iva, Heer Brahmâ en de anderen te boven gaat [zie ook B.G. 7: 26], kan feitelijk worden begrepen middels meditatie, stilte, bhakti en door een punt te zetten achter alle materiële betrekkingen. Moge die Ene Heer, deze zelfde persoonlijkheid, deze goeroe van instructie en het voorwerp van toewijding voor de toegewijden, tevreden over ons zijn.'

(78) S'rî S'uka zei: '[Koning Yudhishthhira], de beste van de Bhâratadynastie, verrukt de beschrijvingen te horen van de devarishi, vereerde, gegrepen door de vervoering van de liefde, toen zowel hem als Heer Krishna. (79) Na het eerbetoon dat hij had ontvangen van Heer Krishna en van Yudhishthhira - die zich als de zoon van Prithâ [zie stamboom] zeer verwonderde over het feit dat Krishna het Parabrahman, de Allerhoogste van de Geest was - nam de muni afscheid van hen en vertrok.  (80) Aldus gaf ik u een beschrijving van de verschillende dynastieën van de dochters van Daksha, waarin al de werelden ontstonden met hun bewegende en niet-bewegende levende wezens, bestaande uit goden, demonen, menselijke wezens en zo meer.'

Aldus eindigt het zevende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Wetenschap van God.

Bewerkt: 12 april, 2019

 

 

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd, met speciale dank aan Sakhya Devî Dâsî voor proeflezen en corrigeren van het manuscript.
http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/