Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://www.srimadbhâgavatam.org/index.ned.html
S'RÎMAD BHÂGAVATAM
"Het verhaal van de fortuinlijke"
CANTO 6:
Voorgeschreven Plichten voor de Mensheid
Hoofdstuk 1 Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila
Hoofdstuk 2 Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam
Hoofdstuk 3 Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers
Hoofdstuk 4 De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer
Hoofdstuk 5 Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha
Hoofdstuk 6 Het Nageslacht van de Dochters van Daksha
Hoofdstuk 7 Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati
Hoofdstuk 8 De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde
Hoofdstuk 9 Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura
Hoofdstuk 10 De Veldslag tussen de Halfgoden en Vritrâsura
Hoofdstuk 11 De Bovenzinnelijke Kwaliteiten van Vritrâsura
Hoofdstuk 12 Vritrâsura's Glorieuze Heengaan
Hoofdstuk 13 Koning Indra Aangedaan door de Terugslag der Zonde
Hoofdstuk 14 Koning Citraketu's Weeklagen
Hoofdstuk 15 De Heiligen Nârada en Angirâ Instrueren Koning Citraketu
Hoofdstuk 16 Koning Citraketu Ontmoet de Allerhoogste Heer
Hoofdstuk 17 Moeder Pârvatî Vervloekt Citraketu
Hoofdstuk 18 Diti doet een Gelofte om Koning Indra te Doden
Hoofdstuk 19 De Uitvoering van het Pumsavana Ritueel
Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het boek telt zo'n 18.000 verzen en bestaat uit twaalf onderafdelingen, z.g. Canto's. Deze afdelingen vertellen het volledige verhaal van de vedische kultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.
Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.
De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krsna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.
Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de Bhaktivedanta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men kontakt moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)
Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 05-28-2000.
Dharma en Adharma: het Leven van Ajâmila
(1) S'rî Parîkchit zei: 'Door het pad der bevrijding te volgen in het begin door uwe Heiligheid beschreven, is naar de orde ervan, door middel van het yogaproces en met Heer Brahmâ, geleerd hoe men niet aan een nieuw leven moet beginnen. (2) Getekend door het lot en inderdaad gericht op de drie geaardheden, raakt men telkens weer gevangen in de materiële wereld waar sprake is van een voortdurende vernieuwing van vormen, o wijze. (3) De hellen typisch voor de verschillende soorten van zedeloosheid hebt u beschreven alsook de periode van Manu, de manvantara waarin we de oorspronkelijke Svâyambhuva, de zoon van Brahmâ, aantreffen. (4-5) Van Priyavrata en van Uttânapâda beschreef u het karakter en de dynastieën en ook gaf u een beschrijving van de verschillende bereiken, regionen, oceanen, gebergten, rivieren, tuinen en bomen van de aardse levenssfeer en haar situatie in de zin van de verdelingen, kenmerken en afmetingen van al de hogere en lagere werelden die de Almachtige schiep. (6) Alstublieft verklaar me hier en nu wat het menselijke wezen alhier te doen staat zodat ze niet al de soorten van verschrikkelijke omstandigheden moet ondergaan van een waarlijk lijden in de hel.'
(7) S'rî S'uka zei: 'Als in dit leven niet de nodige tegenmaatregelen worden genomen, het juiste afdoen wordt beoefend, zal, na het zich verkeerd hebben gedragen in het denken, met de uitlatinmgen en met de zinnelijkheid, ongetwijfeld die persoon inderdaad na de dood eindigen in de verschillende soorten van hellen van verschrikkelijk lijden, welke ik u reeds heb beschreven. (8) Daarom, voordat men dood gaat en voordat je lichaam te oud en te gebrekkig is, behoort men alhier zo gauw men er de kans toe ziet zich te wijden aan het tenietdoen van de overtredingen met een juiste inschatting van hun ernst, precies zoals een dokter goed in het stellen van diagnosen zou doen met het behandelen van een ziekte.'
(9) De koning zei: 'Wat is dat afdoen nu voor een waarde als men, ondanks erover te vernemen en er getuige van te zijn, en te weten hoe schadelijk voor zichzelf men handelt in het begaan van overtredingen, men niet werkelijk zichzelf in de hand kan krijgen met het steeds maar in herhaling ten val komen? (10) Somtijds een einde makend aan de zonde, somtijds er weer opnieuw aan beginnend, bezie ik het proces van afdoen als nogal zinloos; het is precies als met een olifant die een stofbad neemt nadat hij uit het water komt.'
(11) De zoon van Vyâsa zei: 'Met het tenietdoen van karma wordt inderdaad, door het ontbreken van de nodige kennis, niet haar einde gerealiseerd; wil men er waarlijk mee hebben afgedaan dan moet men er echt genoeg van hebben. (12) Zij die het juiste voedsel eten worden werkelijk niet geplaagd door allerhande ziekten, zo ook heeft hij die te werk gaat met een ordentelijk in acht nemen o Koning, een toenemende kans op welbevinden. (13-14) Dit doet men middels gelofte en regulatie [yama en niyama]; vrijwillige boetedoening, celibaat, het beheersen van de geest [in dhyâna en met japa b.v.] en inperking van het zinnelijke alsook met het schenken aan goede doelen, met waarachtigheid en met inwendige en uitwendige reinheid. Met het lichaam, de stem en met de intelligentie maken zij die nuchter zijn, volledig op de hoogte van de feitelijke plicht van het dharma, met geloof een eind aan allerlei overtredingen, hoe groot en abominabel ook, zoals vuur droge bladeren verteert. (15) Sommigen slagen erin, met een vertrouwen op niets anders gebaseerd dan op een onvermengde toewijding [*] jegens Vâsudeva, al hun slechtheid te vernietigen zonder een kans op wederopleven, zoals de zon dat met mist doet. (16) Een mens vol van zonde, o Koning raakt voorzeker lang niet zo gezuiverd door boetedoening en dergelijke als de toegewijde die zijn leven overgaf aan Krishna in toegewijde dienst aan de oorspronkelijke persoon van God [of de âcârya, zie ook: 5.5: 10-13]. (17) In deze wereld is de weg die werkelijk geschikt is hij die wordt gevolgd door zich goed gedragende, onbevreesde en zegenrijke, heilige personen in overgave aan Nârâyana. (18) Het leeuwendeel van de inlossing, oplettend door een niet-toegewijde opgebracht, zal niet zuiveren, o Koning, precies zoals alle rivieren dat niet kunnen met het uitwassen van een drankvat. (19) Als de geest eenmaal vol is van de overgave aan de twee lotusvoeten van Heer Krishna, zal men alhier, vol verlangen uitziend naar Zijn kwaliteiten, nimmer Yamarâja en zijn opzichters op zijn weg vinden, of zelfs maar in zijn dromen zijn dienaren, met de touwen voor het vastbinden onder hun armen, tegenkomen, aangezien men dan wel van het juiste afdoen is [vergelijk B.G. 18: 66]. (20) In verband hiermee wordt ook wel het voorbeeld gegeven van de zeer oude geschiedenis van de discussie tussen de gezagdragers van Vishnu en Yamarâja. Alstublieft, verneem hierover nu van mij.
(21) In de stad Kânyakubja was er eens een brahmaan, die de naam Ajâmila droeg, die als de man van een vrouw uit de lagere klasse besmet was geraakt in zijn omgang met haar diensten en al zijn waarheidlievende gedrag had verloren. (22) Doordat hij zijn toevlucht had genomen tot verwerpelijke praktijken als het doen van aanhoudingen zonder noodzaak, bedrog in het gokspel en diefstal, hield hij zijn gezin op een hoogst zondige wijze in leven, waarbij hij anderen veel leed berokkende. (23) Op deze manier zijn leven doorbrengend met het onderhouden van zijn gezin dat uit vele zoons bestond, o Koning, verstreek de enorme tijdspanne van achtentachtig van zijn levensjaren. (24) Hij, als een oude man, had tien zonen en de jongste van hen was een klein kind dat door de vader en de moeder zeer werd gekoesterd en werd aangesproken met de naam Nârâyana. (25) Het kleintje lag hem na aan het hart; getuige te zijn van de kinderpraat en het spelen deed de oude man veel plezier. (26) Als hij at en dronk en kauwde gaf hij uit grote genegenheid voor het kind het ook iets te eten en te drinken, maar dwaas als hij was had hij niet door dat zijn einde nabij was. (27) Toen zijn stervensuur was aangebroken had hij, levend als een onbenullig iemand, aldus een geest die zich had gefixeerd op het jongetje dat de naam Nârâyana droeg. (28-29) Op korte afstand zag hij dat drie types waren gearriveerd die, met touwen in hun handen en angstwekkende gelaatstrekken, verwrongen gezichten en hun haren rechtop op hun lichaam staand, klaar stonden om hem met zich mee te nemen. Verschrikt en met tranen in zijn ogen riep hij luid om zijn in de buurt spelende kind dat dus de naam Nârâyana droeg. (30) Toen ze de naam van hun meester de Heer hoorden uit de mond van de stervende man, o Koning, kwamen Zijn dienaren er meteen aan. (31) Op het ogenblik dat de boodschappers van Yâma bij de echtgenoot van de meid van binnenuit zijn hart aan lostrekken waren, riepen de Vishnudûta's met welluidende stem dat een halt toe. (32) Zij, verhinderd, antwoordden hen: 'Wie zijn jullie allemaal, die ingaan tegen de autoriteit van de Koning van het Dharma? (33) Vanwaar of van wie zijn jullie afkomstig of waar horen jullie thuis, waarom zijn jullie naar hier gekomen en waarom weerhouden jullie ons ervan onze gang te gaan? Wie zijn jullie wel niet, de besten der volmaakten, goden of godgelijken of zoiets? (34-36) Jullie allen, met jullie lotusgelijke ogen, gele kledij, helmen, glinsterende oorhangers en kransen van lotusbloemen; jullie allen, die er zo jong uitzien en allemaal even mooi zijn met vier armen, een boog, een pijlenkoker en de opsier van een zwaard, een strijdknots, een hoornschelp, een werpschijf en een lotusbloem, in alle richtingen verdrijven jullie de duisternis met de straling van het licht dat van jullie uitgaat; wat is er de bedoeling van ons te dwarsbomen, de dienaren van de handhaver van het Dharma?'
(37) S'uka zei: 'Aldus aangesproken door de Yamadûta's gaven ze hen, altijd bereid Vâsudeva te dienen, glimlachend het volgende ten antwoord met stemmen die weerklonken als de rollende donder. (38) De achtenswaardige Vishnudûta's zeiden: 'Als jullie bij elkaar daadwerkelijk de gezagdragers van de Koning van het Dharma zijn, leg ons dan maar eens uit wat de waarheid is van dharma alsook hoe adharma moet worden herkend. (39) Op welke manier zouden straffen moeten worden uitgedeeld of wat zou de geschikte plaats daarvoor zijn, en zijn alle of slechts enkele van de mensen die uit zijn op hun voordeel strafbaar?
(40) De Yamadûta's zeiden: 'In de Veda's inderdaad staat het dharma voorgeschreven, adharma is het tegengestelde daarvan; de Veda's moeten worden gezien als voortgekomen uit Hemzelve, uit Nârâyana, zo hebben we vernomen. (41) Door Hem, vanuit Zijn eigen positie, worden onder het gezag van de geaardheden der hartstocht, goedheid en traagheid al deze manifestaties geschapen en hebben ze de bij hen horende verschillen in kwaliteiten, namen, activiteiten en gedaanten. (42) De goddelijkheid van de zon, het vuur, de hemel, de lucht, de goden, de maan, de avond, de dag en de nacht, de richtingen, het water en het land; al dezen verpersoonlijken het dharma, waarlijk aldus de getuigen vormend voor het belichaamde levende wezen. (43) Door al dezen wordt de afwijking in adharma gekend en worden al de geschikte plaatsen van bestraffing onderkend met achting voor het karma in kwestie van de overtreders die de bestraffing verdienen. (44) Met de karmî's die, besmet door de geaardheden, een materiële gedaante hebben aangenomen, zijn er inderdaad goedgunstige, vrome daden zowel als handelingen die daar lijnrecht tegenover staan, o zondeloze n, aangezien vrijwel niemand zijn werk volledig vrij van materiële motieven verricht. (45) De mate waarin iemand in dit leven zich bezig houdt met een zeker dharma of adharma, verzekert hem van het genieten of lijden onder een bepaald resultaat in overeenstemming ermee in zijn volgende leven [vergelijk B.G. 14: 18]. (46) Zoals in dit leven onder de levenden, o beste der goddelijken, van de verschillende effecten der natuurlijke geaardheden, de drie soorten van eigenschappen worden verworven [van vreedzaam, rusteloos en zot zijn; of van gelukkig, ongelukkig, of iets er tussenin zijn; of van religieus, onkerkelijk of semi-kerkelijk zijn], mag men verwachten dat het net zo gaat als men ergens anders terecht komt [een leven hierna]. (47) Net zoals de huidige tijd bewijs vormt van het verleden en een aanwijzing vormt voor de toekomst, is net zo deze geboorte aanduiding voor het dharma en adharma van iemands geboorten in het verleden en in de toekomst. (48) In zijn verblijf neemt de godheid [die Yamarâja is] in zijn geestesoog de in het verleden aangenomen gedaante waar en overweegt hij de mogelijke toekomst ervan; aangaande de geest is hij een Heer zo goed en groot als Brahmâ. (49) Zoals iemand in zijn slaap bezig is met handelingen met betrekking tot een bepaalde gedaante, is men op dezelfde manier zich niet bewust van het verleden en van wat komen gaat, bij geboorte de heugenis verloren hebbend. (50) Met de zeventien der werkende en waarnemende zinnen en hun vijf objecten, gaat hij te werk, weet hij en heeft hij zijn belangen, maar met deze vijftien elementen en de geest daartoe, is hij [de ziel] het zelf die het zeventiende element vormt dat het drievoudige geniet. (51) Aangezien dat zestiendelige subtiele lichaam het effect is van de drie krachten van de grotere natuur, is het levend wezen onderworpen aan een [moeilijk te boven te komen] herhaalde transmigratie [samsriti] die het in vreugde, weeklagen, angst en ellende verzet. (52) De belichaamde die het bewustzijn mist met het niet in bedwang hebben van de zinnen en de geest, wordt tegen zijn wil tot het doen van handelingen terwille van zijn eigen materiële voordeel aangezet; zoals een zijderups weeft hij aldus verdwaasd rakend zich in in zijn eigen karma. (53) Er is waarlijk niemand die het ook maar voor een ogenblik zonder iets te doen kan stellen; door de drie geaardheden wordt iemand er automatisch toe gedwongen vruchtdragende handelingen te verrichten die het resultaat zijn van de eigen natuurlijke neigingen. (54) Met de o zo machtige, aangeboren aard vindt, zonder twijfel, als een kopie van het vlees van de moeder en het zaad van de vader, het grove en subtiele van het lichaam zijn bestaan voortgedreven door de, voor de persoon niet waarneembare, oorzaak [zie ook: B.G. 8: 6]. (55) De positie van een levend wezen is vanwege deze omgang met het materiële van de natuur verworden tot een akelige vol vergetelheid, maar als men maar kort de omgang van de Beheerser mag genieten, is dat probleem al overwonnen.
(56-57) Deze hier [Ajâmila] was altijd goed in de Veda, van een goede inborst, van goed gedrag en was een reservoir van goede eigenschappen; gewetensvol volgde hij de aanwijzingen op, was hij zachtgeaard, beheerst, waarheidlievend, deed hij zijn mantra's, was hij netjes en schoon, van de hoogste achting in dienst aan de goeroe, de vuurgod, zijn gasten en de leden van de huishouding en was hij vrij van vals prestige, vriendelijk jegens allen, zonder fouten, niet afgunstig en van de beste bewoordingen. (58-60) Ooit ging deze brahmaan, in opdracht van zijn vader, naar het bos om aldaar vruchten en bloemen te verzamelen en samit en kus'a [grassoorten]. Terugkerend, zag hij een of andere s'ûdra zeer lustig bezig samen met een publieke vrouw die dronken van de maireya nectar [een drank gemaakt van de somabloem] met haar ogen heen en weer rolde van de bedwelming. Onder invloed was haar kleed los gaan zitten en, onbeschaamd in wangedrag vervallen, stond hij lachend en zingend dicht tegen haar aan, zich met haar vermakend. (61) Haar ziend met zijn wellustige met turmeric versierde arm om haar heen, was hij er dus plots, van zijn jagende hart, zowaar zeker van ten prooi te vallen aan de verbijstering. (62) Van binnenuit trachtend zichzelf onder controle te krijgen, zichzelf herinnerend aan wat onderwezen was, slaagde hij er niet in zijn geest te bedwingen, van streek als die was door Cupido. (63) Als gevolg van de aanblik was hij, in de begoocheling van zijn geest zijn ware positie vergetend, als een verduisterde planeet en gaf hij, met zijn geest op haar gevestigd steeds weer aan haar denkend, zijn dharma er volledig aan. (64) Haar, had hij zich voorgenomen, zou hij behagen, voor zover het geld dat hij had van zijn vader hem dat toestond en, tegemoetkomend aan haar verlangens, bood hij haar materiële zekerheid, zodat ze tevreden zou zijn. (65) Zijn jonge vrouw, een brahmanendochter van goede huize, waarmee hij was getrouwd, gaf hij in zijn zonde op vanaf het moment dat zijn gefascineerd raakte door de blikken van de publieke vrouw. (66) Met alle macht en zoveel als mogelijk nam hij, deze persoon, verstoken van alle intelligentie, door dan wel behoorlijk dan wel onbehoorlijk het geld ervoor bijeen te zamelen, de zorg voor haar en de vele kinderen die deel uitmaakten van het gezin dat ze vormde. (67) Omdat, deze hier, brak met alle regels van de s'âstra, zich onverantwoordelijk gedragend, werd zijn leven van het voor zo'n lange tijd verwijlen in foute handelingen, vanwege de onzuiverheid ten strengste veroordeeld als zijnde onrein. (68) Aangezien hij van geen ophouden wist met zijn herhaalde overtredingen, zullen we derhalve hem meevoeren naar de aanwezigheid van de Heer der Bestraffing alwaar gekastijd hij zuivering zal vinden.'
: In samenhang hiermee geeft S'rîla Jîva Gosvâmî het commentaar dat bhakti kan worden verdeeld in twee afdelingen: (1) santatâ, toegewijde dienst die zonder ophouden voortduurt met geloof en liefde, en (2) kâdâcitkî, toegewijde dienst die niet onophoudelijk voortduurt maar somtijds opleeft. Een onophoudelijk stromende toegewijde dienst (santatâ) kan ook in twee afdelingen worden verdeeld: (1) dienst verricht met een lichte gehechtheid en (2) spontane toegewijde dienst. Onderbroken toegewijde dienst (kâdâcitkî) kan worden verdeeld in drie afdelingen: (1) râgâbhâsamayî, toegewijde dienst waarin men vrijwel gehecht is, (2) râgâbhâsa-s'ûnya-svarûpa-bhûtâ, toegewijde dienst waarin er geen spontane liefde is maar men sympathie koestert voor de uitgangspositie van het dienen, en (3) âbhâsa-rûpâ, iets wat in de verte doet denken aan toegewijde dienst.
Ajâmila Bevrijd door de Vishnudûta's: de Motivatie voor de Heilige Naam
(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'O Koning, toen de dienaren van de Allerhoogste Heer hadden vernomen wat de Yamadûta's zeiden gaven ze hen, goed als ze waren in argumenteren en de logica, antwoord in gepaste termen. (2) De Vishnudûta's zeiden: 'Helaas, hoe pijnlijk is het om te zien hoe goddeloosheid de dharmische gemeenschap aantast; hoe door hen, die de taak is toegewezen, zondeloze mensen niet noodzakelijk straf moeten ondergaan. (3) Tot de toevlucht van wie moeten de burgers zich keren als het verkeerde gedaan wordt door hen die, als de beschermers der bevolking, toegerust met alle goede kwaliteiten en allen gelijkgezind, aanwijzingen behoren te geven? (4) Wat de betere man ook in de praktijk brengt, wordt door de rest gedaan daar wat hij ook doet, door de mensen in het algemeen die van navolging zijn, wordt aanvaard als het juiste [zie ook B.G. 3: 21]. (5-6) In wiens schoot de massa der mensen gelijk huisdieren hun hoofd gelegd hebben om in vrede te rusten, daadwerkelijk niet wetend wat nu precies dharma of adharma zou zijn; hoe kan een dergelijke persoon die met een welwillend hart het vertrouwen geniet van de levende wezens, de onbewusten nu pijn bezorgen die zich overgaven in goed vertrouwen en in vriendschap? (7) Hij hier heeft inderdaad reeds afgedaan met de zonden van miljoenen geboorten omdat hij, hulpeloos, van de Heer de naam uitsprak, die het middel van de bevrijding vormt. (8) Toen hij 'O Nârâyana, kom alsjeblieft' zei realiseerde hij, omdat hij aldus de vier lettergrepen [nâ-râ-ya-na] uitsprak, het volledige afdoen van alle ondeugd die hij als zondaar op z'n geweten had. (9-10) Ongeacht de ernst van de zonde die men begaan heeft als een dief, een alcoholist, als iemand van minachting, iemand die een brahmaan ter dood bracht, iemand die de vrouw van zijn goeroe begeerde of als iemand die een vrouw, een koning, koeien of zijn vader van het leven beroofde, zal Vishnu Zijn aandacht schenken aan een ieder die van een dergelijk respect voor Zijn naam is, omdat Hij het zingen van de heilige naam als de perfectie van het afdoen beschouwt. (*) (11) Een zondig man is niet in die mate gezuiverd door het afdoen in de gehoorzaamheid van geloften voorgeschreven door het brahmaanse als hij is met het uiten van de lettergrepen van de Heer Zijn naam die iemand zich de kwaliteiten van Hem die in de geschriften wordt geprezen helpt herinneren [vergelijk: 6.1: 16]. (12) Alhoewel men van afdoen was, zal de geest zich opnieuw uitputten op de weg van het onware, omdat het hart niet volledig gezuiverd was geraakt; derhalve zuiveren zij die oprecht geïnteresseerd zijn een einde te maken aan hun karma [zie B.G. 4: 16], hun bestaan door hun monden te zetten naar de heerlijkheid van de Heer [vergelijk: 1.2: 17]. (13) Probeer hem daarom niet met jullie mee te voeren; hij heeft reeds het oneindige gevonden voor het afrekenen met zijn zonden omdat hij op zijn doodsbed de naam van de Allerhoogste Heer uitsprak [zie ook B.G. 7: 27 en 8: 5]. (14) Met andere bedoelingen, voor de lol, bij wijze van vermaak of terloops gedaan heeft laten klinken van de naam [van de Heer] van Vaikunthha, een onbeperkt vermogen om de zonde te neutraliseren, zo weten de gevorderden. (15) Als men ten val kwam, uitgleed, zijn botten brak, werd gebeten of geplaagd werd door ziekte of gewond raakte, is een persoon is een persoon, aldus verzeild in relatie tot de Heer, er zeker van niet tot een hels leven te worden veroordeeld [zie ook B.G. 8: 6]. (16) Door de heiligen die goed op de hoogte zijn is het zware en lichte van het afdoen voorgeschreven voor het zware en lichte van de zonden. (17) Maar al het zondige dat volgens hen zijn einde vindt in verzaking, liefdadigheid, geloften en dergelijke, ontwart niet de knoop van adharma in het hart; dàt bereikt men in dienst aan wat de Beheerser toebehoort. (18) Dat wat, zoals vuur dat doet met droog gras, de zonden van een persoon tot as verbrand, is het bewust of onbewust uitspreken van de heilige namen van Hem die in de geschriften wordt geprezen. (19) Een uitgesproken mantra manifesteert zijn vermogen precies zoals een krachtig medicijn dat doet als het op deze of gene manier zelfs door een onwetende persoon op de juiste manier werd ingenomen.'
(20) S'rî S'uka zei: 'Zij, volmaakt duidelijk makend wat dharma is in de zin van dienstbaarheid aan de Heer, o Koning, redden, hem van de dood verlossend, hem aldus van de strop van Yamarâja. (21) O onderwerper der vijanden, de Yamadûta's aldus van repliek gediend gingen naar het verblijf van Yamarâja om hem de verschuldigde verantwoording af te leggen waarbij ze tot in detail informatie verschaften over alles wat zich had voorgedaan. (22) De tweemaal geborene bevrijd van de strop, nu vrij van angst, kwam bij zinnen en betoonde zijn respect door het hoofd te buigen voor de dienaren van Vishnu, blij als hij was ze te zien. (23) De dienaren van de Hoogste Persoonlijkheid echter die begrepen, o zondeloze , dat hij iets wilde zeggen, verdwenen onder zijn ogen plots vandaar. (24-25) Ajâmila die vanwege de gesprekken over Heer Hari aldus van de dienaren van Vishnu en Yamarâja beter op de hoogte was geraakt van wat het zuivere van dharma inhoudt in relatie tot de Heer, hoe het beschreven wordt in de Veda's en hoe onder de geaardheden der natuur in toewijding voor de Allerhoogste Heer de verheerlijking van de naam onmiddellijk zuivert, had grote spijt van al het slechte wat hij zich herinnerde gedaan te hebben: (26) 'Helaas, omdat ik de beheersing over mezelf verloor met deze vrouw van laag allooi kinderen verwekkend, vernietigde ik al het brahmaanse in me en eindigde ik in de opperste misère. (27) Hij wordt veroordeeld door de oprechten die zijn kuise jonge vrouw in de steek liet en, vervallen in zonde, zijn familie te schande maakte; verdoemd ben ik, ik, die seks had met een onkuise wijndrinkende meid. (28) Mijn vader en moeder, oud, met niemand anders, met geen andere vriend om voor ze te zorgen, hadden zwaar te lijden vanaf het ogenblik dat ze door mij, ondankbaar als de laagste, in de steek werden gelaten. (29) Het moge duidelijk zijn dat ik als zodanig, een waarlijk miserabele persoon die al te lustig brak met het dharma, in de hel behoor te belanden om aldaar de pijn der vergelding te ondergaan. (30) Heb ik het gedroomd of ben ik getuige van een wonder hier? Waar zijn zij allen nu gebleven die me met touwen in hun handen aan het wegslepen waren? (31) En waar zijn die volmaakte persoonlijkheden van uitzonderlijke schoonheid naar toe die me bevrijdden toen ik in de richting van de hel werd meegevoerd opgebracht in touwen? (32) Het was vanwege de aanblik van deze verheven toegewijden, dankzij wie het goedgunstige zich wel moest voltrekken, dat ik, ondanks mijn kwade lot, mezelf werkelijk gelukkig kon zien worden! (33) Hoe zou het ook zonder kunnen dat een man die de dood tegemoet treedt, alleronreinst als een getrouwe van een prostituée, in die hoedanigheid in staat is zijn tong het woord van de heilige naam van de Heer van Vaikunthha te laten spreken? (34) Waar blijf ik nou als een bedrieger, zondaar in eigen persoon en schaamteloze vernietiger van zijn eigen cultuur; waar zou Nârâyana, de al-gunstige van de heilige naam van de Allerhoogste Heer dan zijn? (35) Als zo'n toegewijde zal ik op die manier mijn weg vervolgen, zodat met het beheersen van de zinnen, de geest en de adem, mijn ziel niet nogmaals door onwetendheid in de duisternis zal worden getrokken. (36-37) Bevrijd van deze gebondenheid in karmische acties van onwetendheid en lust zal ik de zelfgerealiseerde, alleraardigste, genadige en vredige vriend zijn van alle levende wezens. Ik zal me losmaken van de kluister van mijn ziel, de gevangenschap in mâyâ in de vorm van een vrouw, welke voorzeker, zo gevallen, met mij speelde alsof ik een huisdier was. (38) Het aldus opgevend met het "ik" en "mijn" van het lichaam en de zaken die ermee verband houden, zal ik mijn geest, me concentrerend en me gedragend volgens de regels, bezig houden met het zuivere van de Allerhoogste Heer Zijn naam in gezang en met alles wat erbij hoort.'
(39) Aldus gaf hij het idee op van een materieel leven en ging hij naar Hardvar [van de Ganges 'de poort naar Hari'] bevrijd zijnde van alle gebondenheid door enkel maar voor een ogenblik omgang te hebben met het heilige. (40) Aldaar op een plek van geestelijke discipline [een ashram of tempel] fixeerde hij met de yoga als leidraad zich [aldus] inwaarts afkerend van zijn zintuigen, zijn geest op het ware van het zelf. (41) Daartoe innerlijk verzonken, de geest losmakend van de sturing der geaardheden, hield hij zich bezig met de Superziel als de gedaante van de Heer wiens Zelf stap voor stap gerealiseerd wordt. (42) Zo gauw hij zijn geest en intelligentie vastgelegd had, kreeg hij de [vier goddelijke] personen voor zich te zien die hij voorheen had gezien, waarop de brahmaan toen zijn hoofd eerbiedig voorover boog. (43) Hen op die heilige plaats aan de Ganges ziend, gaf hij direct zijn voertuig van de tijd op, om zijn oorspronkelijke geestelijke gedaante [svarûpa] aan te nemen geschikt voor hem als metgezel van de Heer. (44) Op weg naar de hemel waar de echtgenoot van de Geluksgodin [Vishnu] verblijft, klom de man van kennis tezamen met de dienaren van Vishnu aan boord van een hemelvoertuig [vimâna] gemaakt van goud. (45) Op deze manier vond hij die alle dharma eraan had gegeven, die was getrouwd met een laaggeboren meid, was vervallen in abominabele handelingen en, gebroken hebbend met al zijn geloften, in een hels leven was beland, direct de bevrijding toen hij zich bediende van de naam van de Allerhoogste Heer. (46) Derhalve, teneinde niet opnieuw gehecht te raken aan baatzuchtig handelen met een geest besmet door hartstocht en onwetendheid, bestaat er voor personen verlangend te ontsnappen aan de materiële gebondenheid geen betere methode om te breken met de karmische gevolgen dan het herhaaldelijk zingen van de naam van de Toevlucht aller Heilige Plaatsen. (47-48) Welke persoon ook die met geloof verneemt over of met grote toewijding deze vertrouwelijke geschiedenis die je van alle zonde bevrijdt navertelt, zal inderdaad niet, onder het gezag van de dienaren van Yamarâja, naar de hel gaan, maar worden verwelkomt in de geestelijke wereld van Vishnu, welke misstap hij ook beging in zijn materieel bestaan. (49) Als ten tijde van zijn dood Ajâmila door de naam van de Heer aan te grijpen al naar de hemel ging, ookal bedoelde hij maar zijn zoon, wat zou dat dan niet inhouden voor degene die met geloof en liefde vasthoudt aan de naam?
*: Het is dit vers dat âcârya's als S'rîla Visvanâtha Cakravartî Thâkura van de erfopvolging aanhalen om het argument dat het zingen van de heilige naam iemand onmiddellijk zal zuiveren van alle zonden schriftuurlijk te onderbouwen: het is de manier waarop men de Heer Zijn bescherming aanroept. Het is Zijn dharma daaraan gevolg te geven; Hij zal er zelfs voor incarneren als dat nodig is zoals hij uitlegt in de Gîtâ (4: 7). Hij daalde om deze reden ook als Heer Caitanya neder daartoe aangeroepen door S'rî Advaita en op die manier stelde hij opnieuw de noodzaak van dit Bhâgavatam voor de religieuze hervoming van de mensen van onze moderne tijd aan de orde om de heilige namen te zingen.
Yamarâja Instrueert zijn Boodschappers
(1) De koning zei: 'Wat gaf de godheid, de Koning van het Dharma wiens opdracht was gedwarsboomd, ten antwoord nadat hij had gehoord wat zijn dienaren, verslagen door de gezagdragers van de Doder van Mura [Krishna], die heerst over alle mensen van de wereld, hadden te zeggen? (2) O wijze, dit breken van de opdracht van een godheid als Yamarâja was iets waarvan nog nooit iemand eerder had gehoord; o wijsgeer, dienaangaande ben ik ervan overtuigd dat waarlijk niemand meer geschikt is dan u om de twijfels van de mensen weg te nemen.'
(3) S'rî S'uka zei: 'De dienaren van de Dood, o Koning, wiens plannen waren verijdeld door de mannen van de Allerhoogste Heer, stelden hun meester Yamarâja, de heerser over de stad Samyamanî, op de hoogte. (4) De Yamadûta's zeiden: 'Hoeveel heersers zijn er eigenlijk in deze materiële wereld naar de zaak der baatzuchtige handelingen tentoongespreid onder de invloed van de manifestatie die in drieën wordt gekend, o meester? (5) Als er zo vele autoriteiten in deze wereld bestaan om de zondaar wel of niet te bestraffen, hoe kan er dan van hen enige zekerheid bestaan over het ongeluk dan wel het geluk? (6) Zou er niet, met de verscheidenheid aan bestuurders over de vele karmî's in deze wereld, één bestuurlijk hoofd moeten zijn zoals men dat heeft met de verschillende leiders van de departementen der staat? (7) Als zodanig zou u de ene allerhoogste heer en meester over alle levenden zijn met inbegrip van de andere heersers; u zou de meester der bestraffing zijn die het verschil tussen goed en kwaad uitmaakt in de menselijke samenleving. (8) Niets daarvan kan men, met de straf die u toebedeelde, terugvinden in deze wereld, nu dat uw opdracht werd overtroffen door vier van de meest schitterende en volmaakte wezens. (9) Met alle macht doorsneden ze de touwen, deze zondaar bevrijdend die door ons in uw opdracht werd meegevoerd naar de plaatsen der vergelding. (10) Over hen die zo snel ter plekke arriveerden zeggende 'Vreest niet' toen 'Nârâyana' werd uitgesproken, zouden we graag van u willen vernemen, als u ons waardig acht.'
(11) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Hij, Heer Yamarâja de heerser over alle levenden, aldus verzocht, gaf zijn dienaren antwoord, blij te zijn herinnerd aan de lotusvoeten van de Heer. (12) Yamarâja zei: 'Verheven boven mij is er een ander die als de schering en inslag van stof is voor alles wat rondbeweegt of niet beweegt; in Hem treft men de ganse kosmos aan en van Hem zijn er de gedeeltelijke manifestaties der handhaving [Vishnu], schepping [Brahmâ] en vernietiging [S'iva] van dit universum - de gehele schepping staat onder Zijn controle zoals een stier wordt beheerst met een touw door zijn neus. (13) Door Hem die, met de verschillende namen van een vedisch begrip van de taal, de mensen die uit Hem zijn voortgekomen aan zich bindt zoals men stieren beheerst middels een touw worden zij allen beoordeeld en belast, gebonden als zij zijn door de verplichtingen aan hun titels en karma die hen in angst verzetten. (14-15) Dat geldt zelfs voor mijzelf, degene van de dood, voor Indra van de hemel, Nirriti van de chaos, Varuna van het water, Candra van de maan, Agni van het vuur, voor Heer S'iva van vernietiging, Pavana van de lucht, Brahmâ van de schepping, Sûrya van de zon, Vis'vâsu van de schoonheid [zie 4.18: 17], de acht Vasu's der goedheid, de Sâdhya's van het goddelijke, de Maruts van de wind, de Rudra's der woede, de Siddha's der volkomenheid, Marîci en de anderen die de orde instellen, onsterfelijke bestuurders als Brihaspati en wijzen als Bhrigu; als het zo is met hen die niet besmet zijn door de hartstocht en de onwetendheid, en die zichzelf niet kennen als zijnde aangedaan door mâyâ en die overwegend van de goedheid zijn, wat dan te zeggen van anderen buiten hen? (16) Hij, de Superziel aanwezig in het hart van alle wezens, kan in feite door allen die ademen, middels de zinnen, de geest, de adem of door middel van bedenkingen en bewoordingen niet worden gezien of gekend, precies zoals de verschillende delen van het lichaam niet de ogen kunnen zien die hen overschouwen [vergelijk B.G 7: 26]. (17) Van Hem, die de volledig in zichzelf berustende Heer is die over alles heerst, de Bovenzinnelijke, de Meester over de illusiewekkende energie mâyâ, de Grote van de Ziel, zijn Zijn gezagdragers alhier op dezelfde manier naar waarheid geluk aan het creëren met hun verschijnen, naar Zijn aard en met Zijn kwaliteiten zich rondbewegend in een lichaam gelijk het Zijne. (18) Zij die van Vishnu zijn en door de verlichte zielen worden aanbeden, hebben gedaanten die men zelden aantreft en hoogst wonderlijk zijn om te aanschouwen; zij beschermen de Heer Zijn toegewijden tegen vijandig gezinden onder de gewone stervelingen en onder hen die tot mij behoren, en aldus zijn ze vrijwel tegen alles beschermd. (19) Het volle van het dharma dat rechtstreeks door de Allerhoogste Heer alleen is ingesteld, wordt waarlijk niet gekend door de grote rishi's, noch door de goddelijken, noch door de besten der perfectie, noch door hen die van de duisternis zijn en ook niet door de mensen onder wie men hen die zich verlaten op kennis [de Vidhyâdhara's] en hen die van muziek en zang zijn [de Cârana's] rekent en dergelijken. (20-21) Heer Brahmâ, Nârada, Heer S'iva, de vier Kumâra's, Kapila, Manu, Prahlâda, Janaka, Bhîshma, Bali, hij die van Vyâsa is [zoals S'uka] en ik zelve; wij, deze twaalf [mahâjana's], hebben weet van het dharma van overgave aan de Heer mijn beste dienaren, hetgeen zeer vertrouwelijk is, van het zuiverste en moeilijk te doorgronden; hij die het begrijpt bereikt het eeuwige leven [vergelijk 3.32: 2 en B.G.: 18: 66]. (22) Zo veel is zeker dat voor de mensen levend in deze materiële wereld de yoga van toewijding voor de Allerhoogste Heer beginnende met het zingen van de heilige naam, het aangewezen dharma is van transcenderen. (23) Bezie enkel het verheven uitspreken van de heilige naam van de Heer mijn beste zonen, zie hoe het op zich de bevrijding verzekert van de gebondenheid aan de dood. (24) Zoveel volstaat voor het verdrijven van de zonden van de mens: het gezamenlijk bezingen van de kwaliteiten en namen naar Zijn handelingen, aangezien deze zondaar ten tijde van zijn dood enkel onschuldig met 'Nârâyana' om zijn zoon roepend aldus de bevrijding bereikte. (25) Weet dat dit van de mahâjana's, dit van het goddelijke, vrijwel altijd wordt gemist door inderdaad hen wiens geesten verbijsterd raakten door mâyâ, wiens intelligentie in grote mate zijn scherpte verloor door de zoetheid van de bloemrijke taal naar de opvoeringen vermeld in de drie Veda's en het gewicht van de preoccupatie met baatzuchtige handelingen [zie ook B.G. 2: 42-43]. (26) Met dit in overweging gaan de scherpzinnigen inderdaad over tot de yoga van liefde voor de Allerhoogste en Onbegrensde Heer; dergelijke personen verdienen daarom mijn straf niet; en als er al sprake zou zijn van een val met hen, dan zal dat ook teniet worden gedaan door de hoge lof waar ze uiting aan geven. (27) Vervolg nooit hen, de goddelijken en volmaakten naar wiens zuivere vertellingen de toegewijden zingen die met een gelijkgezinde blik van overgave zijn aan de Allerhoogste Heer; omdat ze volledig worden beschermd door de knots van de Heer is het ons, net als de tijd zelve, niet gegeven hen te bestraffen. (28) Zij die niet gehecht zijn, die ongebonden zwaangelijken der zelfrealisatie [de paramahamsa's], genieten zonder ophouden de honing van de lotusvoeten; zij die een huishoudelijk bestaan genieten in verlangens van gebondenheid bevinden zich op het pad dat naar de hel voert. Leidt mij hen voor die van het onware zijn en zich keerden tegen Mukunda, de Heer der Bevrijding [vergelijk 2.1: 4]. (29) Allen die voor de waarheid op de vlucht zijn, wiens tongen zich nimmer roeren over de Allerhoogste Heer Zijn kwaliteiten en namen, allen die Hem niet in hun hart dragen, noch Zijn lotusvoeten herinneren, die nog niet één enkele keer hun hoofden bogen voor datgene wat van Krishna is [zie B.G. 4: 4-6]; zij allen die tekort schieten in hun plichten jegens Heer Vishnu, leidt hen allen aan mij voor. (30) Ik bidt dat Hij, de Allerhoogste Heer, de oorspronkelijke persoon, de oudste, Heer Nârâyana, mij excuseert voor de grove overtreding van de minachting getoond door mijn dienaren; wij, ik en mijn mannen, verkeerden in onwetendheid en derhalve smeken wij, met gevouwen handen, in de heerlijkheid van het respect hebben voor de alles doorvarende Oorspronkelijke Persoonlijkheid, om vergeving.'
(31) (S'uka:) ''Begrijp daarom o afstammeling van Kuru, dat de hoogste vorm van afdoen, het gunstigste in de wereld om de zonde, hoe groot die ook is, de baas te worden, het gezamenlijk bezingen van Heer Vishnu is. (32) Zij die altijd luisteren en zingen over het heldhaftige van de Heer dat in staat is alle zonde weg te vagen, mogen door toegewijde dienst zeer eenvoudig gezuiverd raken, terwijl dat niet zo gemakkelijk tot stand wordt gebracht als men met hart en ziel gebrand is op de ceremoniën en dergelijke. (33) Degene die vasthoudt aan de honing van Krishna's lotusvoeten vervalt niet nogmaals in zonde omdat hij reeds het verlangen verzaakte om het illusoire naar de geaardheden der natuur te genieten dat leed veroorzaakt; een ander echter, betoverd door de lust, die probeert iets te doen om de hartstocht uit zijn ziel te wassen, is er zeker van dat de hartstocht weer zal terugkeren. (34) Na te zijn herinnerd aan de macht, de grootheid van de Heer, zoals die hen werd uitgelegd door hun meester, waren al de dienaren van Yamarâja door verwondering getroffen; van toen af aan, o Koning, was het in hun geheugen gegrift zich te hoeden bij het zien van de persoon die nimmer van enige vrees is onder de vleugels van de Onfeilbare. (35) Deze zeer vertrouwelijke geschiedenis werd mij uiteengezet door de allermachtigste wijze, de zoon van Kumbha [Âgastya Muni] die verblijvend in de Malaya heuvels de Heer aanbidt.'
De Hamsa-guhya Gebeden door Prajâpati Daksha opgedragen aan de Heer
(1-2) De koning zei: 'Alhoewel u in het kort mij uitleg hebt verschaft over de schepping der goddelijken, zij die van het duister zijn en de menselijke wezens; de slangachtigen, de beesten en de vogels onder de heerschappij van Svâyambhuva Manu [zie canto 3], zou ik graag meer in detail hierover van u willen vernemen mijn Heer, zowel als een uiteenzetting krijgen over de schepping die zich daarna vanuit het vermogen van de Bovenzinnelijke Allerhoogste Heer voordeed'.
(3) S'rî Sûta zei: "O beste der wijzen [bijeengekomen te Naimishâranya zie canto 1.1], aldus horend van het verzoek van de koning prees de grote yogi, de zoon van Vyâsa hem en gaf hij antwoord. (4) S'rî S'uka zei: 'Toen de Pracetâ's, de tien zonen van koning Prâcînabarhi terugkeerden van [hun meditaties] nabij de oceaan zagen ze dat de ganse planeet overwoekerd was door geboomte [zie 4.24, 4.30, 4.31]. (5) Verstoord over de bomen hadden ze, na zo lang boete gedaan te hebben, met hun monden een vuur aangewakkerd met de bedoeling alle bossen af te branden. (6) Toen hij, de koning van het woud, de grote Soma, zag dat alle bomen werden verbrand door het laaiende vuur sprak, o zoon van Kuru, teneinde hun woede tot bedaren te brengen, hij als volgt.
(7) 'Verbrand de arme bomen niet tot as, o fortuinlijke zielen, het is aan u om te streven naar een toename van alle levende wezens die jullie kennen als hun beschermers. (8) Het moge jullie spijten; de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer, de oorspronkelijke, onveranderlijke Vader en almachtige beschermer, schiep al de bomen, de planten en de gewassen om tot voedsel te dienen. (9) Waarlijk dienen de niet-bewegenden zij die vleugels hebben tot voedsel en dienen zij die geen ledematen hebben [zoals grassen] als voedsel voor degenen met benen die geen handen of klauwen hebben; de vierbenigen op hun beurt zijn er voor de dieren met klauwen en voor de tweebenigen [om respectievelijk met hun vlees en hun melk van dienst te zijn]. (10) U bent, naar de opdracht van uw vader en de God der Goden, o zondeloze n, er tevens om de bevolking voort te brengen; hoe dan in God's naam kunnen jullie de bomen in de as leggen? (11) Volg enkel, zoals jullie vader, grootvader en overgrootvader het deed, het pad der heiligen en bedwing de woede die zich in u opwierp! (12) Wees zoals de ouders die, zoals de oogleden zijn voor hun ogen, als vrienden zijn voor hun kinderen; wees zoals de echtgenoot zijn vrouw beschermt en zoals de huishouder zorg draagt voor hen die van liefdadigheid afhankelijk zijn, of gelijk de geschoolden die als vrienden zijn voor de onwetenden. (13) De Superziel verblijvend in de lichamen van alle levende wezens is Heer en Meester over allen; probeer hen te bezien als Zijn verblijfplaats en moge Hij aldus tevreden over u zijn. (14) Een ieder die door onderzoek in zelfverwerkelijking de zo machtige woede onderwerpt die, als uit de hemel gevallen, plots ontwaakte, zal de geaardheden der natuur overstijgen. (15) Genoeg met dat afbranden van de bomen, laat er al het goede geluk zijn voor hen die nog resten en aanvaard de dochter [genaamd Mârishâ], die door hen werd opgevoed, als uw echtegnote.'
(16) O Koning, na hen aldus te hebben toegesproken, bracht hij, koning Soma, hen die waren teruggekeerd het Apsarameisje met de mooie heupen en huwden zij haar overeenkomstig de religie. (17) In haar werd uit hen allen Daksha voortgebracht, de zoon van de Pracetâ's, door wiens voortplantingsdrift vervolgens de drie werelden gezegd werden te overstroomd met nageslacht. (18) Luister nu aandachtig naar mij hoe Daksha, zo vol genegenheid voor zijn dochters, middels zijn zaad als zeker ook middels zijn geest, al dat leven voortbracht. (19) Met inderdaad zijn geest zette de prajâpati in het begin de toon voor die levende wezens die van het goddelijke en het goddeloze zijn, met inbegrip van allen levend in de lucht, op het land of in het water, die onder hen ressorteerden. (20) Maar toen hij zag dat zijn schepping van levende wezens niet in aantal toenam, ging Daksha naar de voet van het Vindhyagebergte alwaar hij de moeilijkste boetedoeningen deed. (21) Daar op de gunstigste plaats om aan alle terugslagen van de zonde een einde te maken, de heilige plaats genaamd Aghamarshana, stelde hij de Heer tevreden door met ascese en regelmaat de ceremoniën op te voeren. (22) Ik zal u nu uiteen zetten hoe hij met de Hamsa-guhya ['het geheim van de zwaan']-gebeden de Heer tevredenstelde door Hem te behagen als de Allerhoogste Persoonlijkheid voorbij de zinnen. (23) Daksha zei: 'Mijn eerbetuigingen biedt ik Hem, van wie wij de juiste weg mogen inzien om de geaardheden en de materiële energie, waaraan allen die leven gebonden zijn, te transcenderen; Mijn lof voor Hem, de uit zichzelf geboren Beheerser boven iedere maat en berekening verheven, die in Zijn verblijfplaats niet waarneembaar is voor de materieel gestuurde intelligentie. (24) De vriend van wiens vriendschap de persoon geen weet heeft, precies zoals de zinsobjecten geen weet hebben van het zintuig dat hen waarneemt; die vriend waarmee men in dit lichaam samenleeft, Hem bied ik mijn eerbetuigingen. (25) Dit lichaam met zijn soorten van adem, zijn zinnen, zijn begrip, zijn elementen en zinsobjecten, zij voor zichzelf, naar elkaar toe en naar alles toe daarbuiten, worden gekend door het levend wezen; maar met al die kwaliteiten bekend, kent hij niet de Onbegrensde die allen kent; Hem aanbid ik. (26) Als het denken tot staan is gebracht en alle ideeën en namen van vorm van een materiële zienswijze en heugenis hun einde hebben gevonden, zal als gevolg van dat beëindigen Hij worden waargenomen in Zijn eigen unieke spirituele volkomenheid; jegens die zwaangelijke [zwaan genoemd vanwege het uitziften van ware van het onware, van de melk uit het water], jegens Hem die men zich realiseert in de zuiverste staat, mijn respect. (27-28) Precies als met vuur dat opgesloten in het hout tevoorschijn wordt getoverd met het zingen van de vijftien hymnen [de Sâmidhenîmantra's], toveren de grote brahmanen van het offeren dat tevoorschijn wat met Zijn krachten bij de geaardheden der natuur zich bevindt in het hart van de gevierde en de overige elementen [zie b.v. 3.26: 11]; Hij, die men zich realiseert met de verrukking, de negatie van het zich bevrijden van het illusoire van de hele verscheidenheid; Hij van alle namen, Hij, de gigantische gedaante van het universum; moge Hij, dat ondoorgrondelijke reservoir van alle kwaliteiten mij genadig zijn. (29) Wat dan ook uitgedrukt in woorden of vastgesteld in bezinning, in zintuiglijke waarneming of in gedachten, moge van iets, dat bestaat als een uitdrukking van de drie geaardheden, daadwerkelijk niet de eigenlijke vorm zijn; de eigenlijke vorm doet zich in waarheid voor als dat [vormhebbende van de Allerhoogste Heer] wat de oorzaak is die een einde maakt aan alles wat van de geaardheden in de schepping is. (30) In wie, van wie en door wie als ook tot wie behoort en op wie is gericht; Hij, ofwel optredend ofwel daartoe aanleiding gevend, is van zowel het materiële als het spirituele van het bestaan de Allerhoogste Oorzaak een ieder welbekend, die het Brahman is, de Oorzaak Aller Oorzaken, de onvergelijkelijke Ene buiten wie er geen andere oorzaak te vinden is. (31) Van wiens vele energieën de sprekers der verschillende filosofieën met het bespreken van de oorzaken van tegenwerping en instemming zijn en van wie zij voortdurend, verbijsterd over de ziel, creatief zijn; jegens Hem, die onbegrensde alles doordringende Ene van alle bovenzinnelijke kenmerken, mijn eerbetoon. (32) Zij die de kennis voorstaan van de uiteindelijke oorzaak en spreken over wat zou zijn [het absolute heeft vorm: sâkâra] en wat niet zou zijn [het absolute is vormloos: nirâkâra], betrekken zich op één en hetzelfde onderwerp van studie maar leggen verschillende en tegengestelde karakters aan de dag zoals men dat kan opmaken uit dat wat van de mystieke eenheid en van analyse is; daadwerkelijk is die transcendentale verblijfplaats, die uiteindelijke oorzaak, één en dezelfde [vergelijk 5.26: 39]. (33) Teneinde Zijn grondeloze genade te tonen aan de toegewijden aan Zijn lotusvoeten, manifesteert Hij, de eeuwige, Allerhoogste Persoonlijkheid die niet aan enige naam of vorm gebonden is, Zich met de gedaanten en heilige namen waarmee Hij geboorte neemt en optreedt; moge Hij, de Transcendentie, genade met me hebben. (34) Hij die met de lagere ontwikkelingsgraden der aanbidding Zich naar gelang de verlangens van ieder levend wezen manifesteert vanuit de kern van het hart, wint, net als de wind waaiend over de aarde, aan kleur en aroma [aldus de gedaante van halfgoden aannemend]; moge Hij, mijn Heerser, aandacht hebben voor mijn overwegingen.'
(35-39) S'rî S'uka zei: 'Na aldus te zijn geprezen door de opgedragen gebeden verscheen Hij, de Allerhoogste Heer, de zorgdrager der toegewijden, aldaar in Aghamarshana, o beste onder de Kuru's. Met Zijn voeten op Garuda's schouders hield Hij met Zijn acht lange en machtige armen, de werpschijf, de schelphoorn, het zwaard, het schild, de pijl, de boog, het touw en de knots omhoog. Zijn intens blauw-zwarte gedaante was gehuld in gele kledij, Zijn gezicht en blik waren zeer opgewekt en Zijn hele lichaam was van top tot teen opgesierd; versierd met het stralende kaustubha juweel, het S'rîvatsa merkteken, een grote geronde helm, glitterende haaien-oorhangers, een gordel, ringen om Zijn vingers, armbanden om Zijn polsen en bovenarmen en met Zijn enkelbelletjes, betoverde Zijn verschijning de drie werelden. Als de schittering van de lagere, de hogere en de tussenwerelden werd de Beheerser omringd door Nârada, Nanda en andere eeuwige metgezellen zowel als door de leiders der goddelijken, en werd Hij verheerlijkt door de volmaakten, de hemelse zangers, en de eerbiedwaardigen van de Veda's die voor hem zongen. (40) Met het zien van die hoogst wonderbaarlijke gedaante was de prajâpati aanvankelijk bevreesd, maar toen, naar lichaam, geest en ziel verheugd, wierp hij zich languit voorover ter aarde. (41) Door het grote geluk dat zijn zinnen vulde als rivieren volstromend van bergstroompjes, was hij niet in staat een woord uit te brengen. (42) Met het zien van een grote toegewijde als hij, vol van verlangen naar nageslacht, voor Hem uitgestrekt, sprak Hij, Janârdana die allen tot vrede beweegt en die op de hoogte is van ieders hartewens, als volgt. (43) De Allerhoogste Heer zei: 'O zoon van de Pracetâ's, u, zo hoogst fortuinlijk, vervolmaakte in groot geloof door uw boetedoeningen uw goede zelf en bereikte met Mij als uw voorwerp het allerhoogste van de liefde. (44) Ik ben zeer verheugd over u, o heerser der mensen; vanwege uw boete is het aantal van de levende wezens alhier toegenomen. Moge er van dit verlangen vooruitgang zijn op ieder gebied. (45) Brahmâ, S'iva, u allen stamvaders, de Manu's en alle heersers van macht [zoals de goddelijkheid van de zon en de maan], al dezen zijn inderdaad expansies van Mijn energieën en vormen de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens. (46) Boete is Mijn hart, o brahmaan, de vedische kennis is Mijn lichaam, de spirituele activiteiten zijn Mijn gedaante, de rituelen volgens voorschrift uitgevoerd zijn Mijn ledematen en de verlevendiging door de goddelijken [het ongeziene goede geluk der devotionele activiteiten] is het ware van Mijn geest en ziel. (47) In den beginne, vóór de schepping, was Ik zeker de enige die er bestond, buiten Mij was er niets te vinden; het uitwendige van een materieel bewustzijn was niet gemanifesteerd alsof in slaap verzonken. (48) Toen in Mij, vanuit Mijn onbegrensd vermogen, het onbegrensde der kwaliteiten in de gedaante van het universum zijn bestaan vond, werd inderdaad daarin het eerste levende wezen, Heer Brahmâ, geboren afkomstig uit niemand anders dan zichzelf. (49-50) Toen hij, Svayambhû, de waarlijk grote God, in het tot stand proberen te brengen van de schepping over zichzelf, in het verlengde van Mijn macht, nadacht als zijnde incapabel, werd de god die hij was te dien tijde door mij aangeraden de zwaarste boetedoening te volbrengen; aldus waren er van hem in het begin de negen grote persoonlijkheden der schepping waaruit u allen bent voortgekomen [zie 3.24: 21 en ook 3.8]. (51) O Prajâpati, neemt deze dochter genaamd Asiknî van een andere prajâpati genaamd Pañcajana tot uw echtgenote, mijn beste zoon. (52) U, gehuwd met haar, zal in seksuele gemeenschap overeenkomstig de beginselen der religie wederom [zie 4.2] de oorzaak zijn van de velen van dezen die overeenkomstig het dharma echtelijk verbonden geboorte zullen geven aan alle levenden [zie ook B.G. 7: 11]. (53) Alle levenden die, vanwege Mijn begoochelende energie, na u overgaan tot seksuele gemeenschap, zullen er dan eveneens toe komen hun best te doen in het brengen van offers aan Mij.'
(54) S'rî S'uka zei: 'Met het Hem aldus sprekend voor ogen hebben, verdween de Allerhoogste Heer, de schepper van het hele universum, vandaar alsof Hij, de Allerhoogste Persoonlijkheid, een droombeeld was geweest. '
Nârada Muni Vervloekt door Prajâpati Daksha
(1) S'rî S'uka zei: 'Er toe aangezet door Heer Vishnu Zijn uitwendig vermogen [mâyâ] verwekte hij [Daksha] in zijn vrouw genaamd Pâñcajanî [Asiknî] een groot aantal hoogst machtige zoons die de Haryas'va's werden genoemd. (2) Met hen allen van een soortgelijk karakter en manier van doen, begaven de zonen van Daksha, o Koning, zich in de richting van het westen, gehoorzamend aan de opdracht van hun vader te zorgen voor nageslacht. (3) Het water aldaar genaamd Nârâyana-saras, is een zeer grote heilige plaats waar de Sindhu [de huidige Indus] de oceaan instroomt; hij wordt bezocht door de wijzen en de volmaakten. (4-5) Hoewel het in aanraking verkeren met dat water afdoende was om hen volledig te zuiveren van hun fixaties op het onware, voelden zij zich innerlijk hoogst aangetrokken tot de praktijken van de verheven zielen en volbrachten zij met overtuiging de zwaarste boetedoeningen. Toen ze er klaar voor waren voor het doel bij te dragen tot de groei van de bevolking zoals hun vader hen dat had opgedragen, werden ze bezocht door devarishi [Nârada]. (6-8) Hij sprak tot hen als volgt: 'O Haryas'va's, hoewel jullie de prinsen zijn die het voor het zeggen hebben, schieten jullie, helaas, tekort in ervaring; als jullie tezamen niet gezien hebben wat de uitwassen zijn van deze aarde, hoe kan je dan ten dienste van de waarheid nageslacht verwekken? Bezie het als met een man wiens koninkrijk bestaat uit een gat in de grond vanwaaruit geen ontsnappen mogelijk is. Aan zijn zijde is er een vrouw die zich in allerlei bochten wringt, met enkel de bedoeling om haar eigen man in een slaaf van de liefde te veranderen waarvoor hij moet betalen. Er is daar een rivier die twee kanten op stroomt bij een prachtig huis van vijfentwintig materialen waar een zwaan mooie verhalen vertelt terwijl er een messcherpe schijf aan het ronddraaien is. (9) Hoe kunnen jullie, hier niet van op de hoogte, de orders opvolgen van jullie vader die er alles van weet, en niettemin van plan zijn een hele wereld naar je hand te zetten?'
(10) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Haryas'va's die raadselachtige woorden van de devarishi hadden gehoord, namen ze hen in overweging met de volle inzet van hun intelligentie en ontwaakte hun onderscheidingsvermogen. (11) De aarde was het veld van handelen, de bestemming van het levend wezen welke, sedert mensenheugenis bestaand, de oorzaak is van zijn gebondenheid; wat zou tijdgebonden arbeid nu voor nut hebben als men niet haar eindigheid inziet? (12) Met inderdaad één enkele heerser, één Allerhoogste Heer aanwezig die niet kan worden waargenomen, die niet geschapen is en die onafhankelijk, als Zijn eigen toevlucht in het voorbije er als de vierde dimensie is, waartoe leidt dan de hang naar baatzuchtig handelen? (13) Als inderdaad onwetend alhier [in het gat] iemand vertrokken is naar de lagere regionen zonder een kans op terugkeer naar de spirituele verblijfplaats vanwaar men ook niet terugkeert, wat kan dan het nut van het tijdelijke van vruchtdragende activiteiten zijn [vergelijk B.G. 9.4 en 8.15]? (14) De verschillende dingen die het levend wezen met zijn intelligentie probeert, bezeten zijnd van de hartstocht enzovoorts, doen hem lijken op iemand die van de betaalde liefde leeft; wat heeft het voor zin zich in te spannen voor resultaten, als men daar het einde niet van ziet in deze wereld? (15) In die context onderworpen aan de materiële gang van zaken verliest men zijn status als een zelfstandige autoriteit en beweegt de intelligentie zich precies zoals een seksverslaafde persoon verstoken van inzicht zich beweegt; wat heeft in deze wereld al die liefde voor het gebonden zijn aan je karma voor nut? (16) Het illusoire van de materie geeft aanleiding tot schepping en vernietiging, hetgeen een rivier is die [zo dus twee kanten opstroomt en] voor de verzotte geest [te] snel stroomt aan zijn oevers [om eruit te komen]; als men daar geen weet van heeft, wat voor nut heeft het dan te werken voor een tijdelijk voordeel? (17) Als men in dit bestaan niet op de hoogte is van de vijfentwintig manieren [de elementen zie: 3.26: 11-15] om tegen de werkelijkheid van de oorspronkelijke persoon aan te kijken, de wonderlijke spiegel voor de individuele persoonlijkheid, welk voordeel behaalt men dan met het valse van het zich bekommeren om materieel gewin? (18) Als men [gelijk een zwaan] niet in staat is onderscheid te maken wat betreft de toevlucht, als men het wat betreft de Heer heeft opgegeven met Zijn geschriften [de s'âstra's] die informeren over de wegen der gebondenheid en bevrijding, wat is dan de zin van de worsteling in gehechtheid aan tijdelijke resultaten? (19) Het o zo scherpgerande, ronddraaiende rad van de tijd bestiert de hele wereld naar eigen maat en orde; wat voor nut heeft het te ondernemen in winstverlangen als men hier in deze wereld er niet van op de hoogte is [van deze orde van de tijd]? (20) Hoe kan men verstrikt in de geaardheden [zie B.G. 18: 19-29] ook maar iets op touw zetten, als men niet de aanwijzingen van de geschriften van de Vader begrijpt om volgens het boek te leven dat uitlegt hoe men een punt moet zetten achter de materiële manier van leven?'
(21) Aldus overtuigd, o Koning, deelden de Haryas'va's allen dezelfde mening; hem [Nârada] omlopend vertrokken ze om het pad te betreden waarvan men niet weer terugkeert [zie ook B.G. 8: 16]. (22) Terwijl hij in spirituele klanken de Heer der Zinnen in gedachten hield en zo, innerlijk onverdeeld, het bewustzijn betrok op de lotusvoeten, bereisde de muni al de werelden [zie de bhajan Nârada Muni]. (23) Van Nârada vernemend over het verlies van zijn zoons die qua gedrag tot de besten der besten behoorden, had hij, Daksha, vol weeklagen te lijden; te zien wat er van zijn fijne zoons terecht was gekomen raakte hem diep. (24) Tot vrede gebracht door de Ongeborene verwekte hij wederom in Pâñcajanî een duizendtal zoons die de Savalâs'va's werden genoemd. (25) Zij op hun beurt gingen, door hun vader opgedragen het universum te bevolken, terwille van hun geloften naar de volmaakten aan de Nârâyana-saras, de plaats waar hun oudere broers voorheen ook naar toe waren vertrokken. (26) Daar regelmatig badend, japa doend en mantra's reciterend voor de Transcendentie, volbrachten ze grote boetedoeningen welke hen inderdaad zuiverden van alle vuil dat in hen was. (27-28) Maandenlang enkel water drinkend en lucht etend gingen ze te werk met deze mantra om de Meester aller Mantra's te aanbidden: 'Onze eerbetuigingen aan Heer Nârâyana, de Grote Ziel die eeuwig verwijlt in het zuiverste der goedheid, de grote zwaangelijke persoonlijkheid waarop wij mediteren.' [om namo nârâyanâya purushâya mahâtmane vis'uddha-sattva-dhishnyâya mahâ-hamsâya dhîmahi']. (29) Zij, erop mediterend het universum te bevolken, werden evenzo benaderd, o Koning, door de wijze Nârada, die net als toen sprak in woorden die diep gingen: (30) 'O zoons van Daksha, luister alstublieft aandachtig naar mijn aanwijzingen. Volgt allen het pad van uw broers waar u zo veel om geeft. (31) Een broeder trouw aan het pad van een oudere broeder bekend met het dharma [zie 6.1], is een vroom iemand die mag genieten met de Maruts [de windgoden].'
(32) Na zoveel gezegd te hebben vertrok Nârada met zijn algunstige visie vandaar, en zo kwamen ze ertoe het pad van hun broers vóór hen te volgen, mijn waarde vriend. (33) Op de juiste manier naar binnen gekeerd zich toen zo op het bovenzinnelijk pad begevend zijn ze, net als de nachten die afscheid namen in het westen, tot op de dag van vandaag er niet van teruggekeerd. (34) Op datzelfde ogenblik nam de Prajâpati vele ongunstige tekenen waar en vernam hij hoe, als voorheen, door Nârada er van zijn zoons weer niets terecht was gekomen. (35) Hij, overweldigd in zijn treurnis over zijn kinderen, werd zeer kwaad op Nârada en richtte zich, toen hij de devarishi ontmoette, woedend tot hem met trillende lippen. (36) S'rî Daksha zei: 'Jij valse prediker uitgedost als een heilige! Wat voor een dwaalleer houdt u ons nu voor; arme jongens die tekortschieten in ervaring hebt u het pad van bedelaars gewezen! (37) Met hen in het geheel niet vrij van de drie schulden [aan de heiligen, de goden en de vader middels celibaat, ceremoniën en nageslacht], heb je, met minachting voor hun werklast, hen de weg geblokkeerd van het goede geluk in zowel de hemel als op aarde, jij zondaar! (38) Op die manier heb je harteloos het verstand van die jongens bedorven, en heb jij, die rondreist in het gezelschap van de Heer, Hem te schande gemaakt, jij dilettant! (39) Besef goed dat de besten van de Heer altijd vol van ijver zijn om de gevallenen te zegenen, maar niet jij, jij hebt werkelijk de band verbroken en tweedracht gezaaid onder mensen die van harmonie zijn [vergelijk B.G.: 18: 68-69]. (40) In de waan van jouw prediking denk je dat de verzaking wordt bereikt door de banden der genegenheid te verbreken, maar zo werkt verzaking niet bij mensen. (41) Als men niet de moeilijke tijd heeft ervaren die volgt op het plezier ontwikkelt zich bij een persoon niet de kennis; op het laatst ziet men er vanzelf vanaf, en niet vanwege een hersenspoeling door anderen. (42) Met vrouw en kinders nemen zij die eerlijk zijn de last der vedische verplichtingen op zich; het onverdraaglijke onrecht dat u ons hebt aangedaan kan ik [éénmaal] vergeven. (43) Maar, jij intrigant, voor het kwaad dat je voor de tweede keer hebt aangericht mag er, derhalve, o zotheid, nergens in de wereld een plek voor je zijn in je omzwervingen.'
(44) S'rî S'uka zei: 'Nârada Muni, zoals het een volleerd heilige past [zie ook 3.25: 21-27 en B.G. 12: 13-20], zei, het allemaal verdragend, enkel: 'Geaccepteerd, laat het zo zijn', hoewel hij zelf de man was met de touwtjes in handen.'
Het Nageslacht van de Dochters van Daksha
(1) S'rî S'uka zei: 'Daarna [nadat hij Nârada had vervloekt] verwekte de zoon van de Prâceta's, tot vrede gekomen door Heer Brahmâ, bij zijn vrouw Asiknî zestig dochters die allen zeer op hun vader gesteld waren. (2) Tien van hen gaf hij aan koning Dharma [Yamarâja], Kas'yapa gaf hij er dertien, zevenentwintig werden er aan de maangod geschonken en Bhûta, Angirâ en Kris'âs'va gaf hij er ieder twee. De vier resterende dochters gaf hij ook aan Kas'yapa. (3) Verneem alstublieft van mij wat de verschillende namen zijn van hen allen die met hun vele kinderen en afstammelingen de drie werelden bevolkten en van wie u en ik afstammen.
(4) De vrouwen van Yamarâja waren Bhânu, Lambâ, Kakud, Yâmi, Vis'vâ, Sâdhyâ, Marutvatî, Vasu, Muhûrtâ en Sankalpâ. Verneem nu over hun zonen. (5) Uit Bhânu werd Deva-rishabha geboren en van hem kwam Indrasena ter wereld, o Koning. Vidyota verscheen uit Lambâ en hij schiep vele wolken [van baby's]. (6) Uit Kakud kwam Sankatha voort en van hem was er de zoon genaamd Kîkatha van wie er vele beschermers van de aarde waren. Yâmi bracht Svarga voort van wie Nandi het licht zag. (7) De Vis'vadeva's verschenen uit Vis'vâ, maar men zegt dat er van hen geen nageslacht was. De Sâdhya's die geboorte namen uit Sâdhyâ, hadden één zoon: Arthasiddhi. (8) Marutvân en Jayanta namen geboorte uit Marutvatî. Jayanta was een expansie van Vâsudeva, die alzo bekend stond als Upendra. (9) De Mauhûrtika's waren de goddelijken geboren uit Muhûrtâ en zij tezamen namen feitelijk geboorte om de levende wezens de vruchten van hun eigen tijdgebonden handelen te geven. (10-11) Van Sankalpâ kwam er Sankalpa en van hem werd Kâma [de lust] geboren. Vasu gaf geboorte aan de acht Vasu's en verneem nu de namen van hun zoons: Drona, Prâna, Dhruva, Arka, Agni, Dosha, Vâstu en Vibhâvasu. Van Drona's echtgenote Abhimati waren er zoons als Harsha, S'oka, Bhaya en zo meer. (12) Van de vrouw van Prâna, Ûrjasvatî waren er Saha, Âyus en Purojava. De geboorten uit Dhruva's vrouw Dharani leidden tot de verschillende steden en nederzettingen. (13) Van de vrouw van Arka, Vâsanâ waren er de gedenkwaardige zoons Tarsha en anderen en van Dhârâ de vrouw van de Vasu Agni waren er de zoons bekend als Dravinaka en zo anderen. (14) Van Skanda geboren uit Krittikâ, een andere vrouw van Agni, werden allen [zoals Skanda en Kârttikeya] met Vis'âkha voorop geboren en uit Dosha's vrouw S'arvarî kwam de zoon S'is'umâra ter wereld, een expansie van de Heer van de Tijd [zie 5.23]. (15) Uit Vâstu's echtgenote Ângirasî was er de zoon Vis'vakarmâ [de grote architect] de echtgenoot van Âkritî. Van hem werd de Manu geboren die men Câkshusha noemt uit wie de zoons van Vis'vâ en Sâdhyâ ter wereld kwamen [zie vers 7]. (16) Ûshâ van Vibhâvasu gaf geboorte aan Vyushtha, Rocisha en Âtapa, degene uit wie daarna Pañcayâma ['de lengte van de dag'] werd geboren die de levende wezens opwekt tot materieel handelen. (17-18) Sarûpâ, de vrouw van Bhûta, gaf geboorte aan de miljoenen Rudra's en zo zijn er van de Rudra's Raivata, Aja, Bhava, Bhîma, Vâma, Ugra, Vrishâkapi, Ajaikapât, Ahirbradhna, Bahurûpa, Mahân en anderen [of van andere vrouwen van Bhûta], hun metgezellen de nare geesten en Vinâyaka's [een soort van demonen, kwaaie dwergen]. (19) Prajâpati Angirâ zijn vrouw Svadhâ verwelkomde de Pitâ's als haar zoons waarna als de zoon van zijn andere vrouw Satî de zoon Atharvângirasa werd ontvangen, die de Veda's in eigen persoon was. (20) De vrouw van Kris'âs'va, Arcis gaf geboorte aan Dhûmaketu die in Dhishanâ Vedas'irâ, Devala, Vayuna en Manu verwekte. (21-22) Kas'yapa [ofwel Târkshya] had vier echtgenotes: Vinatâ [Suparnâ], Kadrû, Patangî en Yâminî. Uit Patangî ontsprongen de verschillende soorten vogels, uit Yâminî kwamen de sprinkhanen voort en daaropvolgend bracht Vinatâ Garuda voort, hij die men beschouwt als de drager van Yajña [Vishnu] en Anûru de wagenmenner van de god van de zon Sûrya. Van Kadrû waren er de serpenten in hun verscheidenheid. (23) De sterrenbeelden met Krittikâ op kop waren er van de vrouwen van de maangod, maar o zoon van Bharata, vanwege een vloek van Daksha, had hij, geplaagd door een afmattende ziekte, geen kinderen bij hen. (24-26) Hem opnieuw tot vrede bewegend was Soma er met respect voor de tijdfactor in geslaagd het verval een halt toe te roepen [in de donkere helft van de maand]. Hoor nu wat al de namen zijn van de moeders, de vrouwen van Kas'yapa, van wiens plaatsen aldus recht gedaan, dit hele universum zijn bestaan vond: Aditi, Diti, Danu, Kâshthhâ, Arishthâ, Surasâ, Ilâ, Muni, Krodhavas'â, Tâmrâ, Surabhi, Saramâ en Timi. Uit Timi verschenen de waterdieren terwijl de wilde dieren er waren als de kinderen van Saramâ. (27) Van Surabhi de buffel kwamen er de koeien zowel als anderen met gespleten hoeven, o Koning, uit Tâmrâ kwamen de adelaars en gieren en dergelijke voort en van Muni waren er de groepen engelen. (28) Uit de ziel van Krodhavas'â werden de reptielen geboren aangevoerd door de dandas'ûka-slangen, uit Ilâ kwamen de klimplanten en de bomen voort en alle kwaadwilligen waren er van Surasâ. (29-31) Van Arishthâ waren er enkel Gandharva's en van Kâshthhâ waren er de dieren wiens hoeven niet gespleten zijn. Uit Danu werden er eenenzestig zoons geboren; verneem over de belangrijksten onder hen: Dvimûrdhâ, S'ambara, Arishthâ, Hayagrîva, Vibhâvasu, Ayomukha, S'ankus'irâ, Svarbhânu, Kapila, Aruna, Pulomâ en Vrishaparvâ zowel als Ekacakra, Anutâpana, Dhûmrakes'a, Virûpâksha, Vipracitti en Durjaya. (32) Suprabhâ, de dochter van Svarbhânu huwde Namuci zo zegt men, maar S'armishthhâ van Vrishaparvâ ging naar Yajâti de machtige zoon van Nahusha. (33-36) Er waren vier zeer mooie dochters van Vais'vânara: Upadânavî, Hayas'irâ, Pulomâ en Kâlakâ. Hiranyâksha trouwde met Upadânavî en Kratu met Hayas'irâ, o Koning, maar toen op verzoek van Heer Brahmâ de twee dochters Pulomâ en Kâlakâ van Vais'vânara trouwden met de o zo machtige prajâpati Kas'yapa, werden uit hen de Pauloma en Kâlakeya demonen geboren die zeer op het gevecht uit waren. Zestigduizend van hen [aangevoerd door Nivâtakavaca] die een grote hindernis vormden voor de offers gebracht in de hemelse plaatsen, werden door uw grootvader [Arjuna] gedood, o Koning, enkel om Indra te behagen. (37) Uit Vipracitti's vrouw Simhikâ werden honderd-en-één zoons geboren die allen een planeet voor zichzelf verwierven: Râhu was de oudste en de honderd anderen waren de Ketu's. (38-39) Laat nu in chronologische volgorde gezegd zijn hoe daarna de dynastie voortkwam uit Aditi, waarin Nârâyana, de Heer, middels zijn eigen volkomen deelaspect nederdaalde als de Almachtige: Vivasvân, Aryamâ, Pûshâ, en Tvashthâ met vervolgens Savitâ, Bhaga, Dhâtâ, Vidhâtâ, Varuna, Mitra, S'atru en Urukrama. (40) Van Vivasvân gaf de fortuinlijke Samjñâ geboorte aan de Manu genaamd S'râddhadeva zowel als aan de halfgod Yamarâja en zijn zuster Yamî [de rivier de Yamunâ]. Ook zij, toen ze veranderde in een merrie, gaf op deze aarde geboorte, en wel aan de As'vinî-kumâra's. (41) Châyâ [een andere echtgenote van de zonnegod] kreeg de zoons S'anais'cara [Saturnus] als ook Sâvarni de Manu en een dochter van hem genaamd Tapatî die Samvarana als haar echtgenoot had. (42) Van de verbintenis van Aryamâ met zijn vrouw Mâtrikâ kwamen vele hooggeleerde zoons ter wereld van wie Heer Brahmâ een soort van mens de wereld in hielp die daadwerkelijk gelijk hen was. (43) Pûshâ bleef kinderloos levend op enkel deeg daar zijn tanden gebroken waren vanwege het voorheen zijn tanden getoond hebben met het lachen over de woede van Daksha [toen hij Heer S'iva beledigde, zie 4.5: 21, 4.7: 4]. (44) Uit het koppel Tvashthâ, en de meid genaamd Racanâ, die een daitya dochter was, werden de fysiek zeer krachtige zoons Sannives'a en Vis'varûpa geboren. (45) Om goed te zitten [met Brahmâ] werd Vis'varûpa door de goddelijken, die in minachting voor Brihaspati door hun geestelijk leraar waren verstoten, aanvaard als priester, alhoewel hij de zoon was van een dochter geboren uit vijandschap.
Indra Beledigt Zijn Geestelijk Leraar, Brihaspati
(1) De koning zei: 'Alstublieft, o grote wijze, beschrijf om welke reden de godbewusten door hun leraar van het voorbeeld [Brihaspati] werden afgewezen; aan welke overtreding hadden de leerlingen zich jegens de geestelijk leraar schuldig gemaakt?'
(2-8) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Koning Indra genietend van de weelde der drie werelden was door de trots afgedwaald van het pad der waarheid. Omringd, o Koning, door de Maruts [van de glans], de Vasu's [der uitnemendheid], de Rudra's [van de woede], de Âditya's [van het onware], de Rihbu's [der inventiviteit, zie ook 4.4: 33], de Vis'vadeva's [van de koninklijke weelde], de Sâdhya's [der verfijning], de As'vinî-kumâra's [der hulpvaardigheid] en de Kumâra's [van het celibaat] en gediend door de Siddha's [der perfectie], de Câranas [van het theater], Gandharva's [van de zang], de Muni's [der wijsheid], de Brahmavâdi's [der geleerdheid], de Vidyâdhara's [der wetenschap], Apsara's [van de hemel] en Kinnara's [van het bovenmenselijke], de Pataga's [van de vogels] en de Uraga's [der slangen], werd koning Indra in fraaie gezangen aanbeden o zoon van Bharata [vergelijk 2.3: 2-7]. In zijn ontvangstzaal zat hij op zijn troon en genoot hij de koninklijke weelde van een witte parasol zo mooi als de schijf van de maan en andere koninklijke zaken als yakstaarten om hem koelte toe te wuiven en meer van dat soort gemakken. Stralend met zijn vrouw S'acî die met hem de troon deelde, achtte hij zichzelf de hoogste en werd de verheven leraar van het voorbeeld, de geestelijk leidsman van al de goddelijken, toen hij in de bijeenkomst verscheen, niet door hem verwelkomt; hij stond niet op van zijn troon, bood hem geen zitplaats aan, noch groette hij de priester der godbewusten, de beste der wijzen, die in gelijke mate door zowel de verlichte als onverlichte zielen werd hooggehouden. Alhoewel Indra hem binnen zag komen, toonde hij geen enkel respect.
(9) Brihaspati, de geleerde wijze en meester, die daarop meteen vertrok, keerde in stilte huiswaarts wel bekend als hij was met de vervreemding van het zich te veel verbeelden met de weelde. (10) Meteen zag Indra in dat hij zijn eigen goeroe had geminacht en oefende hij publiekelijk zelfkritiek: (11) 'O welk een ramp, hoe onbeschoft inderdaad was het wat ik gedaan heb; ik lijk wel gek geworden. Nu heb ik, vol van verbeelding over mijn welstand, temidden van deze vergadering de geestelijk leider onterecht behandeld!(12) Welke man van kennis zou ook van de weelde zijn; hoewel ik de koning verheven boven allen ben, heb ik, de heerser die van de goedheid zou zijn, me daardoor nu laten leiden door een demonische mentaliteit. (13) Hij die beweert dat op de koningstroon zitten inhoudt dat men niet voor enig ander hoeft op te staan, heeft geen idee van de hogere betekenis van het dharma [vergelijk 4.2]. (14) Zij die voorgaan op de verkeerde weg belanden zelf in het duister, en een ieder die geloof hecht aan hun woorden, zal eveneens tenondergaan, als een boot van steen in het water. (15) Derhalve zal ik me bemoeien de geestelijk leider der smetteloze tweemaal geborenen, wiens kennis zo diep gaat, gunstig te stemmen en zal ik zonder dubbelhartigheid zijn lotusvoeten met mijn hoofd beroeren.'
(16) Terwijl hij, Indra de machtigste van allen, zich aldus zorgen maakte, werd Brihaspati onzichtbaar voor hem als gevolg van de kracht van zijn hoogst verheven staat. (17) Verwoed overal op zoek nergens een spoor van zijn goeroe bekennend, kon de machtige Indra, vertrouwend op zijn eigen wijsheid en met de hulp van allen die bij hem betrokken waren, geestelijk geen rust vinden. (18) Toen dat de massa der onverlichten, die vasthielden aan de voorschriften van S'ukrâcârya, duidelijk werd namen ze, niet al te slim, hun wapens op en verklaarden ze de godbewusten de oorlog. (19) Met hun rompen, armen en benen getroffen door de scherpe pijlen die ze afschoten, namen de goddelijken tezamen met Indra hun toevlucht tot Heer Brahmâ, en bogen ze voor hem het hoofd. (20) Toen die zag hoezeer ze werden geplaagd door de aanval op hen, sprak de god, de allerhoogste ongeborene die Brahmâ was, uit zijn grondeloze en onbegrensde genade tot hen om hun leed te verzachten. (21) Heer Brahmâ zei: 'Helaas, welk een onaangename verrassing, o besten der verlichting, jullie hebben daadwerkelijk een trouwe dienaar van de Absolute Waarheid, een brahmaan van volmaakte beheersing, een groot onrecht aangedaan; vanwege jullie goede doen hebben jullie gefaald hem naar behoren welkom te heten. (22) Het was vanwege deze minachting van jullie die zo succesvol zijn, dat de anderen, de vijanden door wie jullie zijn verslagen, er toe werden aangezet ondanks hun klaarblijkelijke zwakheid zich tegen jullie te keren, o getrouwen van God. (23) En u Indra Maghavan, Eer der Weelde, kijk nu eens hoe uw vijanden, voorheen zo zwak door het veronachtzamen van hun geestelijk leider, nu hun macht hebben herwonnen door met grote toewijding hun wijze de zoon van Bhrigu [S'ukrâcârya] te vereren, en wel in die mate dat ze zelfs mij naar de kroon steken in mijn eeuwige woning der waarheid! (24) In hun besluit de aanwijzingen op te volgen van de Bhrigumeesters [als S'ukrâcârya] zijn ze onverdeeld in hun plannen en valt het ze makkelijk de scepter te zwaaien over dat waar al de goden zich om bezorgen; noch zij, noch de menselijke heersers, noch een ander die van zorg en respect is voor de koeien, de brahmanen en voor Govinda, zullen, dit principe volgend, ook maar enige tegenslag ondervinden. (25) Weest derhalve zonder omhaal de zoon van Tvashthâ, Vis'varûpa toegewijd, die een onafhankelijke ['ongehuwde'] ziel van scholing, verzaking en boete is; op voorwaarde van uw tolerantie voor zijn werklast [van het ondersteunen van de Daitya's] zal hij uw belangen behartigen als u hem de eer gunt.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Zij allen aldus geadviseerd door Heer Brahmâ, o Koning, gingen bevrijd van hun zorgen heenwaarts om de grote rishi, de zoon van Tvashthâ, in hun armen te sluiten en hem het volgende mede te delen. (27) De godbewusten zeiden: 'Wij, hier bij uw verblijfplaats gearriveerd als uw gasten, wensen u alle geluk en voorspoed en zouden graag het verlangen onder woorden willen brengen, o beminde heer, dat, conform het gezag van onze voorvaderen, wat betreft de huidige situatie het een en ander recht wordt gezet. (28) Het is inderdaad de hoogste plicht van zonen naar hun beste vermogen hun ouders, en zelfs de ouden die zonder nageslacht zijn, te dienen, o brahmaan, om nog maar te zwijgen van de celibatairen [de brahmacârî's]. (29-30) De leraar van het voorbeeld verpersoonlijkt de vedische kennis, de vader staat voor de Oorspronkelijke Vader die God is, de broer is de representant van de heerser der goddelijken en de moeder is de rechtstreekse belichaming van de aarde. De zus is de personificatie van de genade, de gast is er als het ware zelf van het dharma, de genodigde is er als de vertegenwoordiger van het offervuur en alle levende wezens zijn er naar het model van de Allerhoogste van de Ziel. (31) Neem derhalve, bij machte van de verzaking in u, o allerbeste, vanwege van het bedreigde voorouderlijke belang, onze treurnis weg over de nederlaag die de vijanden ons bezorgden, wij die met wat we aan u hebben voorgelegd daar zo naar smachten. (32) Wij hebben u gekozen als onze leidsman van volmaaktheid aangaande het Allerhoogste Brahman, als onze brahmaan en onze geestelijk leraar, zodat bij machte van uw schittering we gemakkelijk onze rivalen mogen verslaan. (33) We weten dat het niet verboden is er belang aan te hechten om de voeten te respecteren van iemand die jonger is zoals u; het is van belang om vol van lof te zijn, o brahmaan, of men nu ouder is of niet telt niet echt mee in dit soort aangelegenheden [*].'
(34) De geachte rishi [S'uka] zei: 'Aldus op verzoek van de verlichten het priesterschap aanvaardend als de grote der verzaking, richtte hij, Vis'varûpa, verheugd over hun woorden van lof, het woord tot hen. (35) Vis'varûpa zei: 'Hoewel het door hen die zweren bij het dharma wordt veroordeeld als afbreuk doend aan iemands geesteskracht, kan nu op dit moment, o heren, o heersers over allen, een persoon als ik, wiens ware belang het in feite is om uw leerling te zijn, een dergelijk verzoek niet afwijzen. (36) Personen die zich uit de wereld terugtrekken mogen rekenen op de weelde der granen die zijn overgebleven in het veld en op de marktplaats [mogen van de 'sociale zekerheid' leven; s'iloñchana]; op die manier bereiken de sâdhu's, de waarheidzoekers, in alle vroomheid in deze wereld handelend, hun doel. Maar hoe afkeurenswaardig is het inderdaad voor mij, o heersers der werelden, om van de plicht van het priesterschap te zijn, een plicht die ervoor is ingesteld om de verstandsverbijsterden te laten jubelen. (37) Niettemin, kan ik het verzoek van jullie tezamen, als personen zo goed als de goeroe zelf, niet naast me neerleggen; omdat het verlangen naar mijn eigen leven en have er weinig toe doet, zal ik er mee instemmen.'
(38) De zoon van Vyâsa zei: 'Vis'varûpa, de grote der boetedoening die hen aldus zijn priesterschap beloofde, bracht in hun midden met grote aandacht toen het allerhoogste ten uitvoer. (39) Hoewel door de talenten van S'ukrâcârya de weelde van de vijanden der godbewusten werd beschermd, slaagde de machtige wijze, middels een gebed voor Heer Vishnu [genaamd Nârâyana-kavaca], erin de weelde bijeen te brengen en te overhandigen aan de grote Indra [vergelijk B.G. 9: 31]. (40) Met deze lofzang die de ruimdenkende Vis'varûpa voor Mahendra ['de grote Indra'] onder woorden bracht was hij, de god met de duizend ogen, beschermd en was de militaire macht van degenen der duisternis, die tot een grote dreiging was uitgegroeid, verslagen.
*: S'rî Caitanya Mahâprabhu, de voorstander van dit Bhâgavatam, gaf uitdrukking aan zijn instemming in dezen toen hij zijn mening onder woorden bracht voor Râmânanda Râya (Cc. Madhya 8.128): kiba vipra, kiba nyasi, s'ûdra kene naya yei krishna-tattva-vetta, sei `guru' haya': 'Het doet niet ter zake of men een brâhmana, s'ûdra, grihastha of een sannyâsî is. Dit zijn allemaal materiële aanduidingen. Een spiritueel gevorderd persoon heeft niets van doen met dergelijke aanduidingen. Derhalve, als men gevorderd is in de wetenschap van het Krishna-bewustzijn, kan men, ongeacht zijn positie in de samenleving, een geestelijk leraar worden. '
De Wapening met Mantra's die Indra Beschermde
(1-2) De koning zei: 'Welke bescherming genoot de koning met de duizend ogen [Indra] toen hij de strijdkrachten van de vijand en hun rijdieren tegenspel bood; de drie werelden veroverend genoot hij de weelde, o wijze - leg me alstublieft uit op welke manier de afweer van Heer Nârâyana's genade hem beschermde met het in de strijd verslaan van hen die hem wilden doden. '
(3) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Luister nu aandachtig naar dat wat de zoon van Tvashthâ, gekozen als priester, desgevraagd de grote Indra mededeelde als zijnde de beschermende afweer in mantra's van Nârâyana. (4-6) Vis'varûpa zei: 'Nadat men zijn handen en voeten heeft gewassen, behoort men met de nodige mantra's van het water nippend [âcamana], neerzittend met het juiste respect ['met kus'agras'] met het gezicht naar het noorden gewend, zich mentaal in te stellen mantra's toekennend [zoals 'om namo bhagavate vâsudevâya' en 'om namo nârâyanâya'] aan de verschillende delen van het lichaam. In stilte gezuiverd en gewijd aan de heerlijkheid van Nârâyana behoort men, in geval van een opkomende angst, de verdediging op te nemen [genaamd Nârâyana-kavaca] van het brengen van eerbetuigingen aan Nârâyana met het de één na de ander beroeren van de eigen onderbenen, de knieën, de dijen, de buik, het hart, de borst, de mond en het hoofd beginnende met 'om', of zelfs dit nog een keer te doen in omgekeerde volgorde [dit noemt men utpatti-nyâsa en samhâra-nyâsa]. (*) (7) Vervolgens behoort men de [12] lettergrepen van de mantra beginnende met 'om' en eindigend met 'ya' [: om na-mo bha-ga-va-te vâ-su-de-vâ-ya] aan de vingers toe te wijzen, beginnende met de wijsvinger en eindigend met de vier gewrichten van de duimen. (8-10) Het hart moet men 'om' toekennen, 'vi' hoort vervolgens bij de bovenkant van het hoofd, 'sha' komt tussen de wenkbrauwen, 'na' op de s'ikhâ [het toefje haar op het achterhoofd bij vaishnava-monniken], 've' komt tussen de ogen, de lettergreep 'na' moet worden gereserveerd voor al de gewrichten van het lichaam, en 'ma' moet worden gezien als een wapen in de vorm van een mantra. Aldus behoort een intelligent persoon, de mantra beginnend met 'visarga' en eindigend op 'phat' in alle richtingen uit te spreken ['visarga mah astrâya phath' ofwel: 'met dit wapen bevrijd ik mezelf van de wereld'], zich zo op 'Om Vishnave Namah' concentrerend ['Alle eer aan Heer Vishnu']. (11) Men moet de volgende mantra's reciteren die het Allerhoogste Zelf verpersoonlijken zo waardig om op te mediteren, dat toegerust is met de zes volheden van het leren, de macht en de verzaking [als ook de rijkdom, de schoonheid en de roem]:
(12) 'Ik bidt dat de Heer, Hij van de acht perfecties [zie 3.15: 45] wiens voeten rusten op de rug van Garuda met het omhooghouden van de schelphoorn, de werpschijf, het schild, het zwaard, de knots, de pijlen en de boog, en de touwen in zijn acht armen, me Zijn bescherming zal vergunnen. (13) Moge Matsya [de vis-incarnatie van Heer Vishnu] me in het water beschermen tegen de roofdieren van Varuna, moge Hij me op het land beschermen met de touwen van Vâmana, de dwerg-incarnatie van Trivikrama [Heer Vishnu als de veroveraar der drie werelden] en moge Hij me in de lucht beschermen als Vis'varûpa [Hem in de gedaante van het universum]. (14) Moge de Allerhoogste Meester me beschermen in mijn gezwoeg in de wildernis en aan het front in de strijd; moge Heer Nrisimhadev me bevrijden, door wiens beangstigende lach, weerklinkend in alle richtingen, de vijand van de leider der demonen en zijn nageslacht in wording ten val komt. (15) Moge er op straat de bescherming zijn van de Ene Heerlijkheid gerespecteerd in de rituelen, Heer Varâha, die met Zijn eigen slagtanden de planeet aarde ophief; moge er voor ons op de toppen der bergen de bescherming zijn van Heer [Paras'u-]Râma en in den vreemde er de bescherming zijn van de oudere broer [Heer Râmacandra] van Bharata, en Zijn broeder Lakshmana. (16) Moge Heer Nârâyana me behoeden voor religieus fanatisme en me weerhouden van handelen in waanzin; moge Nara me van de arrogantie weerhouden, moge Dattâtreya me verre houden van vereniging in ontrouw [non-yoga] en moge de meester van alle Yoga, de beheerser van alle kwaliteiten, Heer Kapila mijn garantie zijn tegen de gebondenheid van het karma. (17) Moge Sanat-Kumâra [de volmaakte celibatair] me uit de handen van Cupido houden, moge Hayagrîva [de paard-incarnatie] me op het pad houden weg van het niet respecteren van de goddelijkheid, moge de beste der wijzen devarishi Nârada me behoeden voor overtredingen in het eerbetoon en moge de Heer als Kûrma [de schildpad-incarnatie] me uit de nimmer eindigende hel houden. (18) Moge Bhagavân Dhanvantari [de arts-avatâra] me beschermen tegen dingen die de gezondheid schaden, moge Rishabhadeva, de volledige controle over de geest en het zelf [zie 5.4: 6], me buiten de dualiteit en de angst houden, moge Yajña [Vishnu als de Heer der offers] me behoeden voor schande en een benarde sociale positie, en moge Heer Balarâma in de gedaante van Ananta S'esha [de Heer van het ego, zie 5.25] me weghouden van de nijdige serpenten. (19) Moge Bhagavân Dvaipâyana [Vyâsadeva] me behoeden voor incompetentie, moge eveneens Heer Boeddha, die leiding geeft aan hen die in de illusie zijn gevangen, me van het wanbegrip weerhouden en moge Kalki, de Heer van dit tijdperk van de twist incarnerend als de allergrootste in het verdedigen van het dharma [als de channa- of bedekte avatâra's], me beschermen tegen de onzuiverheden van de tijd [bedwelming, promiscuïteit, gokken en vlees eten; zie ook 1.17: 24]. (20) Moge Kes'ava met Zijn knots me in de ochtend beschermen, moge Govinda met Zijn fluit in handen dat doen in de voormiddag, moge Nârâyana me beschermen in de namiddag en moge voor het vierde dagdeel Heer Vishnu, de heerser met de schijf, de beheerser van alle krachten zijn [zie tevens 5.21: 10]. (21) Moge Heer Madhusûdana met de ontzagwekkende boog S'ârnga me in de vroege avond beschermen. Moge Mâdhava, de Heer van Brahmâ, Vishnu en S'iva, me laat op de avond beschermen en moge Heer Hrishîkes'a me vroeg in de nacht beschermen. Moge rond middernacht Heer Padmanâbha [de Heer uit wiens navel het universum ontsproot] mijn enige beschermer zijn. (22) Moge de Heer met het S'rîvatsa-teken de Heerser zijn na middernacht, moge Janârdana, de Heer met het zwaard in Zijn hand de Heerser zijn gedurende de nacht, moge Heer Dâmodara [zie Dâmodarâshthaka] me beschermen bij het ochtendgloren en moge de Heerser over het Universum, de Allerhoogste Heer die de tijd in eigen persoon is over de vroege ochtend heersen [**]. (23) Laat alstublieft de scherpgerande schijf die door de Heer wordt aangewend [Zijn orde van de tijd, het cyclische van de natuurlijke tijd], die aan het einde der tijden is als het vuur der vernietiging, met het rondbewegen van het geheel der werelden, de vijandelijke troepen in de as leggen precies zoals een laaiend vuur dat tezamen met zijn vriend de wind in een oogwenk zou doen met droog gras. (24) Moge U, o knots, de onoverwinnelijke Heer zo dierbaar, wiens aanraking als de bliksem vonkt van vuur, aan gruzelementen slaan en in stukken meppen, vernietigen en verpulveren, mijn vijanden, de ondeugden [Kushmânda's], de illusionisten [Vainâyaka's], de boze geesten [Yaksha's], de demonen [Râkshasa's], de spoken [Bhûta's] en de gifmengers [Graha's]. (25) O schelphoorn, moge u met uw schrikwekkende geluid er de oorzaak van zijn dat de harten van de vijandige beulen [Pramatha's], de levende doden [Preta's], de dubbelhartigen [Mâtâ's], de gekken [Pis'âca's] en de ketters [Vipra-graha's] met hun kwade blikken, tot in het diepst mogen sidderen. (26) U, o scherpste der zwaarden, moge u in de handen van de Heer de vijandige soldaten aan mootjes, in stukken hakken. O schild opgesierd met een honderd stralende manen, verblindt de ogen van de afgunstigen zo vol van kwaad en pluk hun zondige ogen uit. (27-28) Moge bij de glorie van Uw naam, gedaante en attributen al de vijandigheid, al de zonde, al de afgunst, de slangen, de schorpioenen en de roofdieren, de aardse geesten, zowel als de vreeswekkende gifmengers van onze geesten en lichamen welken ons welzijn in de weg stonden, naar hun verdoemenis geholpen worden. (29) Garuda, de majesteit des Heren verheerlijkt in de verzen, de verpersoonlijking van de Veda; moge die meester ons met al de namen van Vishvaksena Zelve [de Heer wiens machten door het gehele universum heen worden aangetroffen] beschermen tegen een eindeloos lijden. (30) Moge de omlijsting van Zijn gevolg, van Zijn heilige naam, gedaante, rijdieren en wapens, onze intelligentie, geest en levensadem behouden en beschermen tegen alle vormen van gevaar.
(31) Zo zeker als het feit dat met de Allerhoogste Heer er geen twijfel bestaat over het uiteindelijke dat verheven is boven het manifeste en niet-manifeste, zijn we er zeker van dat bij deze waarheid alles wat ook maar voor ons verstorend werkt zijn einde zal vinden. (32-33) Met hen die bedacht zijn op een afwezigheid van verschillen wordt de eenheid gekend in contrast met de diversiteit. In navolging daarvan, wordt Hij Zelve door Zijn zich uitbreidende spirituele energie met Zijn opsmuk, wapens, kenmerken en behept zijn met zo vele vermogens en verschillende namen, waarlijk begrepen als de alwetende Allerhoogste Heer die de illusie verslaat; moge Hij, de alles-doordringende Ene, met al Zijn gedaanten, ons altijd en overal beschermen. (34) Moge de Allerhoogste Heer in alle uithoeken, in alle windrichtingen, er boven en er onder, van alle kanten, vanbinnen en vanbuiten, in de gedaante van Nrisimhadev de wereldse angsten vernietigen met Zijn machtige gebrul [of lied, zie de Nrisimha Pranâma]; moge Hij met Zijn uitstraling alle andere invloeden overschaduwen.
(35) O Koning Indra, onder de bescherming van deze door mij beschreven mystieke wapening met betrekking tot Heer Nârâyana, zal u zeer gemakkelijk de aanvoerders der demonische horden verslaan. (36) Welke persoon ook maar die zijn geest hiertoe heeft gezet, of hij het nu onder ogen kreeg, het aan zijn voeten aantrof of er tegenop liep, zal terstond zijn bevrijd van alle angsten. (37) Hij die dit mystieke gebed aanwendt heeft niets te vrezen, niet van de regering, niet van schurken, niet van de gifmengers en dergelijken, noch van ziekten wanneer dan ook. (38) Dit gebed werd voorheen aangewend door een man genaamd Kaus'ika, een brahmaan, een yoga-aanhanger die zijn lichaam prijs gaf in de woestijn. (39) Zijn dode lichaam werd van bovenaf in zijn hemelse voertuig opgemerkt door de Koning der Ghandarva's, Citraratha toen hij eens, omringd door talrijke schoonheden, zich in de richting begaf waar de tweemaal geborene was gestorven. (40) Opeens kwam hij niet te vermijden, met zijn hoofd naar beneden, uit de hemel gevallen met zijn vliegende wagen. Geslagen door verwondering ontving hij, in ruggespraak met de Vâlikhilya's [de wijzen van de zonnegod], instructie om al de beenderen te verzamelen en ze in de oostwaarts stromende Sarasvatî te werpen. Na een bad te hebben genomen in die rivier kon hij toen naar huis terugkeren.'
(41) S'rî S'uka zei: 'Een ieder die hiervan kennis mag nemen in moeilijke tijden of een ieder die dit volijverig toepast, Hem de eer bewijzend, wordt bevrijd van al het angstwekkende van welk levend schepsel dan ook. (42) Middels dit gebed ontvangen van Vis'varûpa genoot Indra als het vat der verlichting, de rijkdom van al de drie werelden en behaalde hij in de strijd de overwinning op allen der duisternis [zie ook B.G. 4: 34].
*: Dit is een werkelijke praktijk van vaishnava monniken die in de tempel leven. Iedere ochtend brengen ze tilaka, heilige klei, op de verschillende delen van hun lichaam aan Heer Nârâyana aanroepend met verschillende mantra's, aldus de angst bezwerend en het gevaar afwendend van het tegemoet treden van de materiële wereld met al zijn tegenstanders van de leer.
**: In het algemeen wordt iedere dag en nacht verdeeld in zes delen van vijf ghathikâ's of 24 minuten ieder. Voor ieder dagdeel is er een andere naam van de Heer of activiteit voor God om te respecteren overeenkomstig deze verzen.
Het Verschijnen van de Demon Vritrâsura.
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Vis'varûpa [zie vorige hoofdstuk], o zoon van Bharata, zijn er de drie hoofden voor het drinken van de soma [het brengen van offers], het drinken van de wijn [het bezetten van de zetel der verlichting] en het eten van het voedsel [de materiële zaak]. (2) Hij, o heerser, bood in de praktijk de goden, met wie hij verwant was van zijn vaders zijde, dat wat hen toekwam, publiekelijk hardop de mantra's reciterend. (3) Ertoe aangezet door de genegenheid voor zijn moeder echter bood hij, offers brengend voor de goddelijken, zonder hun medeweten de onverlichte zielen eveneens een deel in opoffering. (4) De koning der verlichte zielen [Indra] die zag hoe door die overtreding jegens de goddelijken hij het dharma verraadde, sloeg in angst, bovenmatig kwaad geworden, snel Vis'varûpa's hoofden eraf. (5) Het hoofd van hem dat hij gebruikte om de soma te drinken werd een kapiñjala [een berghazelhoen], het hoofd om wijn mee te drinken veranderde in een kalavinka [een spreeuw] en het derde hoofd dat hij gebruikte om voedsel tot zich te nemen veranderde in een tittiri [een gewone patrijs]. (6) Hoe machtig Indra ook was, voor de terugslag van het doden van een brahmaan moest hij met gevouwen handen voor de duur van een jaar de verantwoordelijkheid dragen en daarom verdeelde hij de last over de vier afdelingen van de aarde, de wateren, de bomen en de vro