Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het verhaal van de fortuinlijke"

 

CANTO 5:

De Aanzet tot de Schepping

 

Inleiding   

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's Activiteiten

Hoofdstuk 7 De Activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar beneden komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

 

 Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de vedische geschiedenis. Het is waarachtig de Krishna-Bijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ is daarbij vergeleken als de Bergrede van Heer Jezus in verhouding tot de volledige bijbel. Het heeft 18.000 verzen en bestaat uit twaalf boeken, z.g. Canto's. Deze boeken vertellen het volledige verhaal van de vedische cultuur met de essentie van al haar klassieke verhalen genaamd purâna's en bevat de room van de vedische kennis verzameld uit de literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn Goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Het is een schitterend verhaal dat naar het Westen is gebracht door Swami Bhaktivedânta Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna] die de gedurfde taak op zich nam om de materialistische westerlingen zowel als de gevorderde filosofen en theologen te verlichten, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internet-versie gebruik gemaakt van de vertaling van Swami Prabhupâda. Als âcârya [goeroe onderwijzend door het voorbeeld te geven] uit de eeuwenoude indiase vaishnava-traditie vertegenwoordigt hij de reformatie van de toewijding tot God zoals die vanaf de zestiende eeuw in India werd gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. Heer Krishna-Caitanya, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding tot God en ijverde m.n. voor de heilige schrift waarin deze toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Dit geschrift is deze bhâgavata purâna waar al de vaishnava-leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht uit putten en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord-vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden zowel binnen als buiten de Hare Krishna tempels in zowel Amerika als Europa bestudeerd. De bedoeling van de vertaling is op de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achter blijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden posthuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond de auteur voor twee uitdagingen: de ene was een leesbaar lopend verhaal te maken van het boek dat was ontleed tot op het woord en ten tweede het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21-e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang in de wereldorde, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Prabhupâda's woorden werden hertaald en gezet naar het begrip en de realisatie die ikzelf had verworven. Deze realisatie kwam rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnava lijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de indiase filosofie der verlichting en yoga-discipline zoals naar het Westen gebracht door niet-vaishnava guru's en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en skepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-vaishnava guru en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishna gemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Anand Aadhar is een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

De spelling van Sanskriet namen is hier en daar aangepast aan de afwezigheid van Sanskriet leestekens zodat b.v. waar normaal een plat streepje boven de letters staat een ^ accent is geplaatst. Het betekent dat men op die plaats twee letters moet lezen i.p.v. één, ofwel dat men op die letter moet rusten bij het uitspreken. Ook de naam Krishna werd zo geschreven als Krishna en rsi (= wijze) als rishi. Doorgaans is de woord voor woord vertaling aangehouden zoals gegeven in de vertalingen van Prabhupâda, zij het dat hier en daar sommige woorden vanwege hun meervoudige betekenis tot iets andere vertalingen hebben geleid. B.v. het woord loka betekent zowel plaats als planeet als leefwereld. Tussen vierkante haakjes [] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst put uit een meer ervaren benadering. De oorspronkelijke vertaling van Prabhupâda is bij ieder vers opgelinkt zodat men kan nagaan wat de auteur heeft gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava-gemeenschap. Deze teksten, alsook de meeste afbeeldingen, zijn copyright-materiaal en eigendom van de ISCKON-Krishna gemeenschap en mogen alleen gebruikt worden als een fragment en niet gepubliceerd worden door niet-leden zonder toestemming (BBT). Voor het tiende Canto zijn een meer vers-getrouwe nederlandse vertaling van een oud-leerling (S'rî Hayesvar das) van Prabhupâda en een versie van Prabhupâda's godsbroeders/leerlingen gebruikt [m.i.v. hun woord voor woord vertalingen] naast de vertaling van Prabhupâda, daar voor dit deel [maar niet voor het elfde canto] de woord voor woord vertalingen waren weggelaten en vervangen door een meer uitgebreide tekst-omschrijving. Het twaalfde canto werd opgesteld in referentie aan het werk van enkel de ISKCON leerlingen van Prabhupâda die zijn werk afmaakten. Verder werd gedurende het gehele concatenatieproces van deze versie de z.g. Shastri-versie van het Bhâgavatam (van de Gîtâ Press, Gorakpur), zoals die gebruikt wordt door de gewone Hindu in India zelf, ter vergelijking en als tweede opinie geraadpleegd.

Voor copyright-zaken wat betreft de gebruikte afbeeldingen en de teksten van Prabhupâda en verdere commentaren en de woord voor woord vertalingen zelf van Swami Prabhupâda zal men de BhaktiVedânta Booktrust en andere Vaishnava-sites en Hare Krishna sites en/of de gedrukte boeken van Prabhupâda zelf moeten raadplegen. Voor de copyrights op deze vertaling zal men te rade moeten gaan bij ondergetekende. Het is toegestaan deze teksen voor privé- en niet-commercieel gebruik down te loaden en uit te printen. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina)

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, 05-28-2000.    

 

 

 Hoofdstuk 1

 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

(1) De Koning zei: 'Waarom, o wijze, was Priyavrata, de grote toegewijde van tevredenheid met de ziel, zo gelukkig in het thuis verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid in karma en het verraad aan de transcendentie? (2) Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden, o wijste der tweemaal geborenen, is voorzeker niet mogelijk met personen die vrij zijn van gehechtheden. (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen dat verzadigd raakt door de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen, er nimmer is in gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit betwijfel ik ten sterkste, o brahmaan: hoe kan er op grond van de krachten van de echtgenote, het huis, de kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna zijn bestaan vinden?

(5) S'rî S'uka zei: 'Wat u zei over de nectargelijke honing van de verheerlijking van de lotusvoeten van de Heer der geschriften, het behagen waarin de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden zijn verzonken, is volkomen juist; hoewel soms belemmerd door beperkingen geven ze zo goed als nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Omdat, inderdaad, o Koning, prins Priyavrata een allerverhevenste toegewijde was werd hij, Nârada's voeten dienstbaar, zich zeer snel bewust van de volledige waarheid van de zaken aangaande het bovenzinnelijke, aanhoudend het spirituele besprekend in toegewijd enthousiasme, zonder af te wijken van de som der hoogste kwaliteiten zoals uitgeduid in de geschriften. Hij werd door zijn vader verzocht over de oppervlakte van de aarde te heersen, maar omdat hij er een zo grote liefde op nahield voor het met al zijn zinnen en handelen in de yoga verzonken zijn in het alles doordringende van de Allerhoogste Heer, was hij er niet blij mee, hoewel het aanvaarden van die post om geen enkele reden door hem kon worden geweigerd daar zeker verval kon worden voorzien als hij op enige andere wijze zou optreden tegen het onware. (7) Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn verblijf; hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping van de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het Universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel van waaruit hij zelf zijn bestaan vond. (8) Toen hij in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was] was hij, onder het hemeldak, gelijk de maan verlicht door de sterren, links en rechts geflankeerd door de leiders der halfgoden, die vanaf hun hemelse voertuigen hem de hele weg aanbaden zoals ook de één na de ander de volmaakten dat deden, de hemelbewoners, de verfijnden, de zangers en de wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's]. (9) Daar herkende de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg en stond hij tezamen met Priyavrata en zijn vader onmiddellijk op om hem de eer te bewijzen, met gevouwen handen en alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, met de Heer geconfronteerd met behulp van alle zaken van aanbidding overeenkomstig de gebruiken en met zijn kwaliteiten geprezen in verheven taal uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdalen, richtte hij, de oorspronkelijke persoon van het universum, met een glimlach naar Priyavrata kijkend, zich meedogend tot hem.

(11) De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat; wij, Heer S'iva uw vader en deze grote Rishi [Nârada], voeren allen, er niet toe in staat om af te wijken, Zijn opdrachten uit. (12) Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam ontsnappen aan Zijn opdracht; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga, noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde verworven, de deugd der plichtsbetrachting, door een macht van buitenaf of door welk persoonlijk ijveren ook. (13) Gestuurd door het ongeziene, aanvaarden de levende wezens het om met een materieel lichaam gebonden te zijn aan geboorte, dood, hun droefenis, illusie, voortdurend vrezen, geluk en leed en aan alles wat hen te doen staat met hun karma. (14) In ons gebonden zijn aan de geaardheden en de vruchtdragende arbeid die zo moeilijk uit de weg te gaan is [binnen het varnâs'rama-systeem], mijn zoon, zijn wij, zoals de vierbenigen [de stieren] door de neus gebonden zijn aan de tweebenige [de voerman], aangelijnd aan het lange touw van de vedische instructie en allen bezig de opdrachten uit te voeren bedoeld om de Beheerser te behagen. (15) Als blindemannen geleid door iemand met ogen moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk het leed of geluk aanvaarden dat hoort bij de kwaliteiten en het werk meegebracht door de toestand waarin we ons bevinden met het lichaam dat onze Beschermheer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet ziin leven lang zijn lichaam handhaven dat werd verkregen als gevolg van het verleden, zonder misverstaan wat werd meegemaakt aanvaardend als iemand die uit de slaap is ontwaakt; maar voor een ander materieel lichaam [een herhaalde geboorte] zou hij nooit toegeven aan de materiële kwaliteiten. (17) Als er zelfs als men in het woud verblijft de angst moet zijn verbijsterd te raken vanwege het leven met de zes bijvrouwen [van het denken en de vijf zinnen], wat voor schade zou dan het huishoudelijk leven zo een in zich tevreden en geleerd iemand berokkenen, die zijn zinnen de baas is? (18) Een ieder die is begonnen aan een huishoudelijk bestaan moet allereerst volijverig trachten de zes tegenstanders te overwinnen zodat, zo gauw hij - als vanbinnen een versterkte vesting - de o zo sterke vijanden van de lustige verlangens heeft weten terug te dringen, hij als een man van ervaring kan gaan en staan waar hij maar wil. (19) U dan, met het uw toevlucht nemen tot de veilige haven van de ruimte geboden door de lotusvoeten van Hem wiens navel lijkt op een lotus, en met het overwinnen van de zes vijanden, geniet in deze wereld van alles wat er te genieten valt, het uwe vindend in het bevrijd zijn van gehechtheden in uw positie, door deze speciale instructies van de Oorspronkelijk Persoon.'

(20) S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig geïnformeerd, boog, geplaatst voor zijn opdracht, als ondergeschikte ziel zijn hoofd en zei: 'Ja mijn Heer, zo zal het, met alle respect, ten uitvoer worden gebracht'. (21) De grote Heer, eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd zoals hij dat verdient, met Priyavrata en Nârada in vrede er notie van nemend, keerde toen naar zijn verblijf terug, vertrekkend naar die bovengeschikte plaats die beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu aldus, eveneens met zijn ondersteuning, ten uitvoer brengend wat hij in gedachten had en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon de handhaving vestigend van de bescherming van al de werelden in het ganse universum, vond zich persoonlijk verlost van de verlangens van de zo hoogst gevaarlijke oceaan van materiële kommernis. (23) Zo, daadwerkelijk, zoals opgedragen door de Beheerser, volledig begaan met materiële aangelegenheden als de keizer van het universum, raakte hij [Manu's zoon, Priyavrata] door constant te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon, wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde hij de materiële wereld enkel om de groten te eren. (24) Nadien trouwde hij ook met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders en verwekte hij glorieus in haar een dochter die als de jongste van allen de naam Ûrjasvatî droeg, zowel als tien zoons, die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, manier van doen, schoonheid en kunnen. (25) De zoons kregen allen de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren celibatairen van binnen aangedreven, die meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden in de bovenzinnelijke kennis en goed op de hoogte waren van de hoogste geestelijke volmaaktheid, waarvan zij vrij van twijfels de orde handhaafden [de paramahamsa-âs'rama]. (27) In die zo zeker aangehouden wereldverzakende orde (*) verkeert het geheel van de grote wijzen die er zijn voor de individuele zielen die, in angst en vrees om hun materiële bestaan, hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva, die de enige toevlucht is. In de voortdurende heugenis zagen ze, bij genade van het opperste van de yoga der toewijding, gezuiverd vrij van besmettingen, in hun harten de Allerhoogste Heer van alle schepselen als Zich bevindend in henzelve, daarbij rechtstreeks hun zielen als zijnde gelijk in kwaliteit waarnemend, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. van de Heer van de Superziel. (28) Het was bij een andere vrouw dat hij drie zoons verwekte die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten en die zo de bestuurders van het Manu-tijdperk werden [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Toegerust met machtige armen van gezag en kunnen, die tezamen de snaar van de boog spanden die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen de heerschappij van het recht opstonden, werden zij allen, al zijn hoogst gekwalificeerde zoons, meesters van het universum en aldus was er zonder onderbreking voor de duur van 110 miljoen jaar de expansie van Priyavrata's heerschappij als een grote ziel, een ziel die van zijn vrouw Barhishmatî haar beminnelijkheid, vrouwelijkheid, verlegenheid, bedeesdheid, lachen en blikken en wederkerigheid in de liefde [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had; maar in zijn ware kennis was hij erdoor verslagen als iemand die minder intelligent was. (30) Er geen waardering voor op kunnende brengen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovenmenselijke invloed was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed, als was hij een tweede zon. (31) Het op die manier te werk gaan met de wielen van zijn wagen was, groeven makend met het loopvlak, er verantwoordelijk voor dat de zeven oceanen werden voortgebracht die de hemelsfeer rondom de aarde [Bhû-mandala] verdeelde in de zeven eilanden [de kosmische, planetaire bereiken]. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara had ieder van hen de afmeting van tweemaal die van de voorgaande en was, overal eromheen buiten hen gelegen, er dat wat zij voortbrachten. (33) De zeven oceanen die als de groeven rondom de zeven eilanden waren gevuld met zout water, suikerrietsap, sterke drank, gesmolten boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water, waren van dezelfde grootte als de eilanden die ze aan de buitenkant omsloten, de afzonderlijke eilanden die de een na de andere op een rij tot het aantal van zeven zich om hen heen bevonden. Voor ieder van de eilanden stelde de echtgenoot van Barhishmatî als hun heersers een van zijn getrouwe zoons aan waarvan er eveneens zeven waren: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi and Vîtihotra.

(34) Wat hij ook deed was de dochter die Ûrjasvatî heette aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya] schenken uit wie een dochter genaamd Devayânî werd geboren. (35) Voor de toegewijden wekt de persoonlijke invloed van Hem van de Grote Stappen [Urukrama, zie 1.3: 19] door wiens lotusvoeten de zesvoudige materiële gesel [van de honger, de dorst, het weeklagen, de illusie, de ouderdom en de dood], wordt verslagen, geen verwondering, als een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] die slechts één enkele keer Zijn naam uit, meteen zijn materiële gebondenheid opgeeft. (36) Hij [Priyavrata] aldus ongeëvenaard in kracht en invloed, die zich ooit overgaf aan de voeten van de devarishi [Nârada] maar daarna ten val kwam vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der materie waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1-5: 17], zei toen, over zichzelf nadenkend, in een geest van verzaking dit: (37) 'Helaas, ik heb fout gehandeld want ik was volledig in beslag genomen door de onwetendheid van een zinnelijk leven; de duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en toonde me als een dansende aap, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw; zowaar, veroordeeld en verdoemd ben ik!', aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Door de zelfverwerkelijking verworven door de genade van de God Hierboven, met het aan zijn gewetensvol navolgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap waarvan hij op zovele manieren had genoten, met het met de koningin en de grote weelde eraan geven van de doodsheid van zijn lichaam en met het met zichzelf in zijn hart in volmaakte overgave zijn overgegaan tot de verzaking, was hij er met die houding zeker van zichzelf op het goede spoor te hebben gezet in combinatie met de verhalen van de Heer aan de voeten van die grootste der heiligen Nârada. (39) Op hem zijn al deze uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, behalve dan door de Allerhoogste Beheerser, door niemand anders worden gedaan', 'Door de indrukken van de wielen van zijn wagen verdreef hij de duisternis, waarmee hij de zeven zeeën schiep'. (40) 'Om het vechten van de verschillende naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die in de wereld de situatie in het leven riep van de afscheiding door middel van rivieren, bergketens en wouden [vergelijk 4.14: 45-46] en dergelijke.' (41) 'Hij was degene het meest geliefd op het pad in navolging van de Oorspronkelijke Persoon; hij was het voor wie alle weelde van de lagere werelden, de hemelen of de aarde, zoals verworven door vruchtdragende arbeid en de macht van de yoga, te vergelijken was met de hel'.

 *: Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis: in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.  

 

Hoofdstuk 2  

De activitieiten van Mahârâja Âgnîdhra

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus zich begaf op het pad der bevrijding en Âgnîdhra, zoals hij had opgedragen, zijn plaats innam, beschermde hij, met het strikt in acht nemen van de principes, de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Eens, zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend, raakte hij aan de voet van de bergen, naar zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen gebracht hebbend, verzonken in de geest der boetvaardigen, en gaf hij zich over aan verzakingen en was hij van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht van het geschapene in het universum [Heer Brahmâ].

(3) Dat begrijpend zond de Machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn verblijf een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar te vinden in die plaats van meditatie, welke zeer mooi was met een schat aan allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen, zong ze mee met het klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5) De zoon van de god der mensen nu, hoorde, in de vervoering van zijn yoga, de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap van haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen en, opkijkend met zijn half open ogen, die de vorm hadden van lotusknoppen, ontwaarde hij haar. (6) Dichtbij, daadwerkelijk als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met het plezier ontleend aan haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en leden, voor de ogen en het denken van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin was verbijsterend met het plezier van het horen van de zoete nectar die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. Door de enkele aanblik van de godin volledig in de greep van de almachtige Cupido geraakt, greep hij toen de kans haar aan te spreken.

(7) 'Wie ben jij en waar ben je op uit op deze berghelling, o keuze der muni's; ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije, met de twee bogen zonder pezen [haar wenkbrauwen] die je met je meevoert; is het terwille van jezelf of van een vriend dat je hier bent, of ben je van zins jacht te maken op de gekke beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou, o magische schone, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vreedzaam en zeer mooi; wie is het die jij, hier rondhangend, met hun scherpe punten wilt doorboren; moge jouw kunnen er zijn voor het welzijn van ons allen die maar traag in hun denken dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâmaveda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittiri vogeltjes horen, o liefde van Brahmâ, zonder dat ik hun vorm zie; ben je eigenlijk wel aangekleed, daar ik je prachtige ronde heupen kan zien met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen. (11) En wat vult die twee hoorns, o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee je, o bode van het geluk, mijn spirituele verblijfplaats parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont, o liefste vriendin; waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van leden als jij geboren? Voor een persoon als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En waar leef je op, met het kauwen van de betel der offers [een rode smakelijke noot], mijn beste; je moet zijn voortgekomen als een deel van Vishnu, met je twee wijd open schitterende haaien van ogen en je oren met hun rusteloze visvormige oorhangers, de rijen van je schitterende tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen kennen geen rust in alle richtingen bewegend, afgeleid door de bal geraakt door je lotusvormige handpalm. Maal je niet om al je loshangende krullende haar? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, schat der wijzen, bij de genade van welke verzaking slaagde je erin op deze manier zo feilloos de boetedoening te ontregelen van allen die zich teruggetrokken hebben. Je zou het verzaken met mij moeten beoefenen, o vriendin, daar je misschien wel, met de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij, bedoeld bent voor mij. (16) Ik zal jou niet opgeven, op wie, geschonken door de god der geestelijke wedergeboorte, ik mijn geest en ogen heb gevestigd; ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden, o schoonheid van de borsten; leidt me zoals je wenst, ik ben je volgeling, waarheen dan ook de fijnste van je vriendinnen je volgen mogen.

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus slaagde hij, zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen, er met de intelligentie der goden met zijn vleierij in aan de smaak van het hemelse meisje te beantwoorden en won hij haar gunst. (18) Zij in haar geest eveneens bekoord door de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, het kunnen en de grootmoedigheid van hem, de meester onder de helden, genoot voor een oneindig, talloos aantal jaren van alle geneugten tussen hemel en aarde, de tijd met hem als zijnde de koning van Jambûdvîpa doorbrengend. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadras'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar na jaar het leven had geschonken aan haar zoons, verliet Pûrvacitti haar huis om er zeker van te zijn dat ze weer zou terugkeren naar de ongeboren god. (21) Dankzij de kwaliteit van hun moeder verkregen de zonen van Âgnîdhra sterke, goed gebouwde lichamen en verdeelde de vader, naar gelang ieder zijn naam, naar behoren de verschillende delen van Jambûdvîpa [waarschijnlijk het euraziatische continent] om door hen te worden geregeerd. (22) Âgnîdhra, de koning, niet geheel bevredigd in zijn verlangens en iedere dag meer en meer aan haar denkend, bracht het met de Veda's zover als tot die plaats van haar, waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadra en Devavîti.

 

Hoofdstuk 3  

Rishabhadeva's Verschijnen in de Baarmoeder van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi.

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra, er naar verlangend zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. (2) Toen hij zelfzeker met een groot geloof en devotie en een zuivere geest met de aanbidding bezig was, manifesteerde de Allerhoogste Heer vanuit Zijn liefde aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen, Zichzelf in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante die met Zijn betoverend schone ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, alhoewel dat niet kon worden verkregen met de inleidende pravargya ceremonie zoals begonnen, en wat er bij hoorde, de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters, en door middel van de regulerende beginselen zelf. (3) Nadat Hij Zichzelf allerduidelijkst in Zijn vierhandige gedaante zeer helder, als de bovenste beste van alle levende wezens had gemanifesteerd, met een geel zijden gewaad en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken dat Hij op Zijn borst heeft, met Zijn schelphoorn, lotusbloem, schijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel en Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, en schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, voelde koning Nâbhi en de priesters en de anderen zich als arme mensen die een grote schat verworven hadden en met grote achting en alles van de aanbidding bogen ze eerbiedig hun hoofden. (4-5) De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard keer op keer, o meest verhevene, het ons in aanbidding aanbieden van ons respect, de eerbetuigingen van ons, Uw dienaren. Alzo zijn wij in staat te handelen voor zover geïnstrueerd door hen die boven ons staan; welke mens, wiens geest niet in het minst in staat in beslag wordt genomen door de gedaantewisselingen van de materiële natuur, vermag het zich te verzekeren, met de Allerhoogste Beheerser die Zich bevindt voorbij de zeggenschap van de materiële natuur, van de namen, gedaanten en kwaliteiten behorend bij Zijn positie alhier! Door het allergunstigst in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten, welke alle zondig handelen van de mensheid wegvagen, kunnen we U slechts ten dele kennen. (6) Het is werkelijk door de aanbidding van Uw dienaren, die in hevige vervoering met haperende stemmen hun gebeden doen, daarbij te werk gaand met water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten, dat U tevredengesteld raakt. (7) Alle overige bezorgdheid alhier over de gebruiksartikelen in dezen benodigd, is, zo onderkennen wij, dankzij Uw grootheid zelfs niet nodig. (8) Al de geestelijke deugden - Uw eigenlijke identiteit - nemen, in zichzelf genoeg, ongetwijfeld op ieder moment, rechtstreeks en zonder ooit te stoppen, eindeloos toe; maar, o Heer, het immer door ons verlangen in dezen naar de zegeningen van het materieel plezier, kan er alleen maar zijn met het doel Uw genade te verwerven. (9) Hoewel U, persoonlijk, met de overmaat van Uw grondeloze genade en heerlijkheid ernaar verlangend het spirituele pad [genaamd apavarga] open te leggen, naar hier bent gekomen en aanwezig bent en te zien bent zoals men elke gewone persoon kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon aan U daar we, o Heer der Heerscharen, zijn als dwazen onbekend met dat uiteindelijke welzijn van U. (10) Dit dan, het in dit offer van de deugdzame koning Nâbhi, o Heer, o Beste der Begunstigers, zijn geworden tot een voorwerp van onze aanschouwing, van ons Uw toegewijden, is zonder twijfel werkelijk de grootste zegening, o meest aanbiddelijke. (11) U bent voor hen, van wie de eindeloze onzuiverheid, Uw kwaliteiten bereikt hebbend, is weggenomen door de kracht der onthechting en het vuur der kennis, U bent voor die wijzen die in zichzelf vergenoegd, onophoudelijk verslag deden van al het goede van U in het vertellen van Uw verhalen, de allerhoogste verrukking voortgebracht.  (12) Niettemin strompelen we op de een of andere manier verder, hongerig ten val komend en geeuwend omdat we ons niet op onze plaats voelen enzovoorts, en ook zijn we er uit onszelf niet toe in staat U te herinneren in de koorts van onze doodstrijd; laat het mogelijk zijn dat we in staat zijn Uw namen te uiten en dat we van Uw handelingen en eigenschappen kunnen spreken, daar zij het vermogen hebben al onze zonden te verdrijven. (13) Daarenboven, hoopt deze vrome koning door U gezegend te worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies als U is: een allerhoogste beheerser van de zegeningen van de hemel en het pad dat daarnaar leidt; ookal gedraagt deze koning zich met U, de grote liefde van het eerbetoon, met het idee van kinderen als het uiteindelijk levensdoel, maar als een arme man die van een persoon van liefdadigheid en rijkdom slechts een greintje vraagt.  (14) Wie o wie zonder respect voor de voeten van de groten in deze wereld van U is niet overmeesterd door de onoverkomelijke illusoire energie waarvan men het pad niet kan vinden; wie is in zijn intelligentie niet verbijsterd door het materiële genoegen dat als een vergif is; wie is in zijn aard niet belemmerd door die stroom? (15) Vanwege het inderdaad U weer uitgenodigd zijn in dit offerperk als degeen der wonderbaarlijkheden - alstUblieft tolereer vanuit Uw gelijkgezindheid jegens allen en alles derhalve ons, de onwetenden, die, niet bijster intelligent in minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materiële uitkomst op het oog hebben.' 

(16) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen, aldus verheerlijkt met de ongebonden recitatie door hen voor wiens voeten zelfs de keizer van Bhâratavarsha [India] boog, sprak toen tot hen. (17) De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allen waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik - alzo zeer moeilijk te bereiken; als de Ene zonder weerga is er enkel dat Ik van Mij dat zo gelijk is, niettemin met het bramaanse van wat u zei niet onwaar zijnde, behoort dat van Mij voorzeker zo tot stand te komen, zoals het is verwoord door de goddelijkheid van de klasse der tweemaal geborenen. (18) Daar er niemand aan MIj gelijk te vinden is, zal ik daarom door persoonlijke expansie in een volkomen deel van Mijzelf, verschijnen in de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

(19) S'rî S'uka zei: 'Na aldus gesproken te hebben tot de echtgenoot in de aanwezigheid van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer. (20) O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer, op deze manier gunstig gestemd door de besten der wijzen, in de oorspronkelijke gedaante van zuivere goedheid van een avatâra in zijn vrouw Merudevî, in een verlangen de groten der verzaking, zij die zich teruggetrokken hebben en zij die van studie zijn [de sannyâsî's, de vânaprastha's en de brahmacârî's] de manier te tonen waarop men met de principes van dharma [rechtschapenheid, de religie, de ware natuur] tewerk gaat.

 

Hoofdstuk 4

 De Eigenschappen van Rishabhadeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Vanaf de aanvang van Zijn verschijnen onderscheidde Hij [als de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] zich in het hebben van al de eigenschappen van de Opperheer zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle macht en de grote kenmerken, daarbij dag na dag in Zijn effectiviteit toenemend in een groot verlangen te heersen over ministers, burgers, de brahmanen, de goddelijken en de gehele oppervlakte van de aarde. (2) Aldus voorzeker allerverhevendst in zowel de gestalte van zijn lichaam als in het hebben van al de kwaliteiten door de poëten beschreven, gaf de vader Hem vanwege Zijn kunnen, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, de naam Rishabha, de Allerbeste. (3) Koning Indra die zeer afgunstig op Zijn grootsheid bleek te zijn stond het niet toe dat er ook maar enige regen viel op het land beneden de Himâlaya's; de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die daar weet van had, glimlachte als de meester der yoga daarover en deed door de macht van Zijn spirituele zelf het water naar beneden stromen over Zijn plaats die Ajanâbha werd genoemd. (4) Door Zijn onafhankelijke wil had Hij, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon, middels Zijn begoochelend vermogen de geest verbijsterd van koning Nâbhi, die naar zijn zin zonder twijfel de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, en dat deed hem, overweldigd door een overmaat aan een groot enthousiasme, door zijn extase met een haperende stem in zijn grote genegenheid dingen zeggen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling', met het in zijn opvoeden bereiken van een bovenzinnelijke verrukking. (5) Wel bekend met de populariteit van Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat, zette koning Nâbhi, in zijn verlangen de burgerij strikt volgens de principes te beschermen, zijn zoon op de troon, hem toevertrouwend aan de brahmanen. Met Merudevî volbracht hij in Badarikâs'rama met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen, volledig opgegaan in de yoga met de aanbidding van Nara-Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, waarmee hij in de loop van de tijd Zijn zegerijke verblijf bereikte.

(6) O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke mens die het voorbeeld van de zedige koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon te krijgen?' en (7) 'Is er behalve Nâbhi ook maar één toegewijde van de brahmanen die in eerbetoon hen tevredenstellend in het offerperk, bij de genade van hun toegewijde dienst de opwachting werd vergund van de Allerhoogste Genieter van alle offers?'.

(8) De Allerhoogste Heer Rishabha vormde toen, met het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein, een voorbeeld door te verblijven bij de geestelijk leraar, schenkingen te doen bij het afronden van Zijn studie en, zoals dat door de goeroe werd verlangd, de plichten van een huishouder op zich te nemen. Aldus, getrouwd met Jayantî die Hem door Indra was geschonken, gaf Hij door het voorbeeld te geven onderricht in het verrichten van de twee vormen van arbeid zoals vermeld in de geschriften [het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht], daarbij een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] verwekkend die precies als Hij waren. (9) Van hen was daadwerkelijk de oudste, Bharata, een grote beoefenaar van de yoga; hij had de beste kwaliteiten en het was door hem dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemden. (10) Na hem volgden Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha die de oudere zoons waren van de negenennegentig anderen. (11-12) Van de laatstgenoemden waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden; van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijk verslag doen in het bespreken van de conversatie tussen Vâsudeva en Nârada die de geest de volste bevrediging schenkt. (13) De eenentachtig jongere zoons van Jayantî waren, in navolging van wat hun vader had opgedragen, van een goede ontwikkeling met een uitstekende beheersing van de heilige schrift en een grote vaardigheid in het brengen van offers; zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.

(14) De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijk Heerser vol van bovenzinnelijke verrukking die persoonlijk altijd vrij van alle ondeugd was; door strikt in overeenstemming met de tradities te werk te gaan, bracht Hij, met het onderricht aan de onwetenden van wie in de loop van de tijd enkel het tegenovergestelde in het verwaarlozen van de religie wordt gevonden, gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, het tot het instellen van het eeuwige van de rechtschapenheid en de economie, zodat zij een goede naam konden genieten, nageslacht konden verwekken en genoegen konden ondervinden in het huishoudelijk bestaan [vergelijk B.G. 4: 13]. (15) Wat ook gedaan door leidende persoonlijkheden wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21]. (16) Hoewel Hij weet had van de strekking van de verschillende vedische plichten op het pad van de brahmanen, regeerde Hij [als een kshatriya] over de mensen middels gecontroleerde zinnen, een beheerste geest en tolerantie. (17) Tezamen met het nodige in overeenstemming met de plaats en de tijd verzekerde Hij, geholpen door de goede [jeugdige] leeftijd en de geloofsijver van de priesters die de verschillende goden voor verschillende doeleinden aanbaden, zoals is voorgeschreven, Zich een honderdtal keren van allerlei soorten van ceremoniële offerdiensten. (18) Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enige behoefte om wat dan ook, waneer dan ook, voor zichzelf te hebben of van een ander te bezittien, net zo min als men zich ook niets voorstelt van wat niet bestaat; men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote genegenheid jegens degene die de last torste. (19) Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta bereikte [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten N. W. van Hastinâpura] zei Hij, in het bijzijn van de burgers in een bijeenkomst van de besten der brahmanen, het volgende tegen zijn oplettende en welgemanierde zoons, tot hen predikend ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.

 

Hoofdstuk 5

Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons.

(1) Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons; dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld verdient het moeizame niet van de zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen, maar verdient de moeite van de verzakingen en boetedoeningen ter wille van het goddelijke waardoor het hart gezuiverd raakt en dan een oneindig spiritueel geluk wordt gevonden. (2) Het dienen van de groten, zegt men, is de weg der bevrijding en het opzoeken van het gezelschap van degenen die aan vrouwen gehecht zijn is de weg van de kerker, de duisternis; de vergevorderden zijn mensen die in het spirituele een gelijke achting hebben voor allen, ze verwijlen in vrede, voelen zich niet tekort gedaan, wensen allen het beste en weten hoe ze zich moeten gedragen. (3) Zij die in het zich verhouden tot Mij, hun Heer, volijverig zijn liefde te ontwikkelen* , en die aan mensen, die geïnteresseerd in het onderhoud van hun lichaam verzot zijn op hun thuis, hun vrouw, kinderen, weelde en vrienden, niet zo gehecht zijn, zij vergaren van en houden zich bezig met de wereld alleen voor zover dat nodig is. (4) Inderdaad, Ik denk dat het doldwaas opgegaan zijn in het begaan van ongewenste daden gekoppeld aan de bevrediging die, hoewel het misère met zich meebrengt, dit tijdelijke bestaan van het lichaam mogelijk maakte, de ziel niet past. (5) Zo lang als er de verslagenheid is die resulteert uit onwetendheid, zolang men geen navraag doet over de werkelijkheid van de ziel, zolang de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men in feite bevangen door zijn karma waarvan er de gebondenheid aan dit materiële lichaam is. (6) Als de ziel zodoende overdekt is door onwetendheid gedraagt de geest zich in onderwerping aan vruchtdragende handelingen voor zolang er jegens Mij, Vâsudeva, geen liefde is; zolang dat het geval is, is men niet verlost van het vastzitten aan een fysiek lichaam. (7) Zelfs als men als een opgeleid iemand niet inziet hoe zinloos de onderneming van het bevredigen van de zinnen is, zal men er zeer snel, onnadenkend zijnd in het eigenbelang, gek van worden en een dwaas zijn die niets anders ontdekt dan materiële narigheden in een leven thuis dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap. (8) Van de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar gelang daarvan roepen ze om een thuis, privacy, kinderen, welvaart en verwanten; dit is de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'. (9) Als het denken, de hechte knoop in het hart van zo'n persoon die gebonden is door de resultaten van het handelen in het verleden, ontward wordt, keert de geconditioneerde zich te dien tijde af van de misvatting van het 'ik', en gaat hij, het opgevend, bevrijd naar de bovenzinnelijke wereld die de oorspronkelijke oorzaak is. (10-13) Door het volgen van een spiritueel gevorderde persoon, een goeroe; in toegewijde dienst jegens Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door eveneens navraag te doen en door realisatie van de waarheid van al de ellende van het levend wezen overal; door verzakingen te beoefenen en boete te doen en zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij alsook door altijd vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten; door geen vijandschap te koesteren, allen gelijkgezind te zijn, door de emoties te beteugelen, o zonen; door er naar te verlangen de vereenzelviging met je thuis en het lichaam op te geven, door het bestuderen van de yogageschriften; door in afzondering te leven, door een volledige controle over de ademhaling, de zinnen en de geest; door geloof te ontwikkelen, door altijd het celibaat in acht te nemen, door immer waakzaam te zijn, door zich te beperken in het spreken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen; door kennis te ontwikkelen, door wijsheid en door verlicht te zijn door de yogapraktijk; door geduld, enthousiasme en behept te zijn met goedheid en liefdadigheid, kan men de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven. (14) Volledig bevrijd rakend van de hang naar profijt, en door middel van deze yogapraktijk, zoals ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die werd teweeggebracht door onwetendheid aanpakkend, behoort men [verder] afstand te doen van de middelen der bevrijding. (15) De koning of goeroe voor zijn zoons of discipelen die, in zijn verlangen naar Mijn verblijf, ervan uitgaat dat Mij bereiken het levensdoel is, behoort op deze wijze, vrij van woede, instructie te verschaffen; als men de geestelijke kennis ontbeert behoort men niet tot vruchtdragende handelingen aan te zetten - want wat kan een man simpelweg zedig of onzedig voor het profijt werkend bereiken? In feite zal hij er de oorzaak van zijn dat degenen wiens visie vertroebeld is, in de put zullen raken [vergelijk B.G. 3: 26]. (16) Mensen die persoonlijk het zicht verloren hebben op het pad der goedgunstigheid en die geobsedeerd zijn in hun verlangen naar de goederen, belanden jaloers op elkaar voor het heil van tijdelijk geluk in talloze vormen van lijden en hebben als dwazen geen idee [zie ook B.G. 7: 25]. (17) Welke man van studie die persoonlijk welbekend is met de spirituele kennis zou in zijn genade iemand anders er toe aanzetten uit te zien naar nogmaals dat, waarop gericht die persoon, in onwetendheid als een blindeman levend verslaafd aan materiële slimmigheid, de verkeerde weg aan het bewandelen is? (18) Een dergelijke persoon vermag niet een verwant te zijn, een vader, een moeder, een huwelijkspartner, noch kan hij de werkelijkheid vormen, de geestelijk leraar of de godheid van aanbidding zijn of degene die de verlost brengt uit de herhaling van geboorte en dood. (19) Het is in deze belichaming van Mij, die ondoorgrondelijk van het eeuwige is, dat daadwerkelijk Mijn hart is ingesteld op het dharma, het devotionele, en Mijn rug is weggekeerd naar het adharma, het niet-devotionele; derhalve noemen de beschaafden mij naar waarheid De Beste, Rishabha. (20) Daarom, jullie allen, geboren uit Mijn hart, probeer met een zuivere intelligentie de meest verhevene van dienst te zijn, die broeder Bharata van jullie die over de mensen regeert.

(21-22) Van de levenden en niet-levenden, zijn in verre superieur aan de planten die wezens die zich rondbewegen; van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens van wie degenen van de geest, de mediteerders van S'iva, de besten zijn. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's], boven wie men de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] aantreft. De goddelijken zijn beter dan de onverlichten en van de directe zonen van Brahmâ, zoals Daksha, geleid door Indra, is Heer S'iva de beste; boven hem vinden we hij die ontsprong aan Heer Brahmâ, Mijn toegewijde [de brahmaan], naar wiens goddelijkheid van tweemaal geboren zijn, Ik er ben als de Heer. (23) Geen andere bestaansvorm doorstaat de vergelijking met de brahmaan noch ken ik, weledelgeleerden, ook maar iemand die boven hem staat. Door hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde werd geofferd in gepast eerbetoon [voor de mond van Mij en de mijnen], dan van het voedsel dat aldus in [de mond van] het vuur werd geofferd. (24) Van het lichaam [van de Veda] gevoed door het eeuwige van Mijn geest die vrij is van materiële smetten, heeft men in deze wereld de [acht brahmaanse kwaliteiten van de] aard der opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing over de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ], waarin de verwezenlijking van God wordt gevonden. (25) Oh, aan wie anders zouden jullie [Mijn zoons] behoefte hebben dan aan diegenen die, zonder verlangens en bezittingen in toegewijde dienst jegens Mij, in staat zijn de hemel, de bevrijding en het plezier van Mij af te roepen, en zelfs het onbeperkte van een kracht en weelde hoger dan het hoogste? (26) Mijn beste zoons, indachtig de heldere visie dat Ik in hen allen verblijf, behoor je te allen tijde van respect te zijn voor een ieder en voor alles, wetend dat met het respecteren van hen je indirect van respect bent jegens Mij. (27) Betrek al je denken, al je woorden en al wat je ziet van je actieve en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks bij Mijn aanbidding, omdat een persoon anders nimmer in staat zal zijn zichzelf te bevrijden van de grote illusie die Yama's val van de dood is.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensen persoonlijk op deze manier Zijn zoons instructie te hebben verschaft ondanks dat ze hoogst ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van allen die werd gevierd als De Beste, Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en allerhoogste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Dit is de instructie wat betreft de plichten van de grote wijze, die de beste is van al die menselijke wezens die vrij van verlangen niet langer voor het profijt werken en die gekenmerkt zijn door toegewijde dienst, spirituele kennis en onthechting. Alhoewel hij achterbleef met wat hij thuis was, aanvaardde Hij, enkel lichamelijk, als een halve gek met Zijn haar in wanorde, de hemel als zijn kleed en zwierf Hij rond, het vedisch vuur vanbinnen brandend houdend, wijd en zijd buiten Brahmâvarta. (29) Hoewel Hij, ledig, blind, doof, stom, als een geest en als een halve gek, de mensen toescheen als iemand die zich niet bekommert om de wereld [een avadhûta], hield Hij zich met de gelofte der zwijgzaamheid stil. (30) Her en der door steden komend, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden enzovoorts, was Hij omringd door slechte mensen en vliegen en werd Hij, als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, in het stof geworpen tussen de stenen en de ontlasting, weggescheten en uitgescholden; maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam is en die men voor echt houdt, niet een levensomstandigheid was die geschikt is voor een man van eer; in plaats daarvan verwijlde Hij in Zijn persoonlijke glorie in ontkenning van het "ik' en "mijn" en zwierf Hij onverstoord moederziel alleen over de aarde rond. (31) Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc.; met de prachtige aard van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn roodachtige wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waarvan Zijn gezicht als een feest was voor al de huisvrouwen in het alom opwekken van Cupido in het hart, zag Hij, met het hebben van Zijn overvloed aan krullend bruin haar, dat samengeklit, smerig en verwaarloosd was, er in het lichaam uit als iemand die door de duivel was bezeten. (32) Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen zich over het algemeen tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat karma tegen te gaan, er toe over zich op de grond liggend als een python te gedragen, waarbij hij met het kauwen van Zijn voedsel en drinken van Zijn drinken, het unrineren en Zich ontlasten, Zijn lichaam besmeurde door zich in de uitwerpselen te wentelen. (33) Zijn ruiken naar de ontlasting was van een dermate prettige geur dat de lucht van de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangenaam aroma. (34) Aldus in Zijn handelingen zich bewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten at Hij, dronk Hij, en urineerde Hij ook zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen. (35) Met het op die manier bewandelen van de verschillende wegen van de mystieke yoga genoot de Opperheer, de Meester der Verlichting, Rishabha, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Door Zijn fundamentele onverschilligheid bereikte Hij in het Hoogste Zelf, de volkomen perfectie van het onbegrensde van het geheel van de weelde en de symptomen van liefdevolle emoties jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens; maar het volle van de mystieke vermogens, zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [siddhi's, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] die hij aldus bereikte, o Koning Parîkchit, aanvaardde Hij nimmer rechtstreeks in Zijn hart.

* De vijf belangrijkste relaties van liefde of rasa's waarin met de Heer alle hogere emoties worden ervaren, zijn de neutrale (santa), de relatie tussen meester en dienaar (dâsya), de vriendschapsrelatie (sakhya), de ouder-kind relatie (vâtsalya) en de liefdesrelatie (srngâra).

 

 

Hoofdstuk 6

Heer Rishabhadeva's Activiteiten

(1) De koning zei: 'O Allerhoogste, door die in zichzelf tevreden zielen van wie het zaad van het baatzuchtig handelen is verbrand door de spirituele kennis verkregen door de praktijk van de yoga, worden de mystieke vermogens automatisch verworven; hoe is het mogelijk dat die enige belemmering vormen? '

(2) De wijze zei: 'U hebt volkomen gelijk, maar in deze wereld stelt men, precies als een slimme jager, ook geen direct vertrouwen in de geest die [net als wild] er altijd vandoor gaat. (3) En daarom, zo zegt men, behoort men nooit en te nimmer vriendschap te sluiten met de zo onrustige geest; van de praktijk van het voor een langere tijd stellen van te veel vertrouwen erin werd de verzaking van zelfs de grootsten [zoals Heer S'iva of de wijze Saubhari] verstoord. (4) Zoals een man met een echtgenote die gecharmeerd is van mededingers, zullen aspiranten van de yoga die vertrouwen op het denken dat steeds voor het lustmotief openstaat, de weg aan het vrijmaken zijn voor de vijanden die haar op de voet volgen. (5) Waarom, zou dan welke man ook die zijn lesje geleerd heeft, daadwerkelijk vertrouwen stellen in het [ongestuurde] denken dat ten grondslag ligt aan de lust, de woede, de trots, de hebzucht, het weeklagen, de illusie, en de angst die allen tezamen iemand aan zijn karma binden? (6) Hoewel Hij [Rishabha] aan het hoofd stond van alle koningen en bestuurders van dit universum, handelde hij naar deze manier van denken in de uitdossing, taal en het karakter van een avadhûta [5.5: 29] alsof Hij dom was, het allerhoogste van Zijn heerlijkheid verbergend door het yogagewijs verzaken te onderrichten middels Zijn eigen persoonlijke voertuig van de tijd; alsof Hij een normale sterveling was die het probeert op te geven met het fysieke, hield hij voor Zichzelf naar het Allerhoogste gebod van de Ziel, ongehinderd door het illusoire der materie, altijd de visie van binnenuit van de liefde die boven alle ondeugd is verheven en maakte Hij een einde aan Zijn koninklijke spel en vermaak. (7) Van Hem zagen we aldus de ogenschijnlijk fysieke aanwezigheid, het gedreven optreden in deze illusoire wereld, van het lichaam van Hem als de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die Zelve vrij was van ieder belang in het vitale. Hij bereisde geheel op zichzelf de landen van Zuid-India: Konka, Venka en Kuthaka in de provincie Karnâta, en bereikte een bos in die omgeving genaamd Kuthakâcala. Aldaar met een handvol stenen in Zijn mond, zwierf Hij gelijk een waanzinnige naakt rond met verwarde haren. (8) Bij een felle, van alle kanten oplaaiende bosbrand die werd veroorzaakt door de wrijving van bamboestaken tegen elkaar gedrukt door de kracht van de wind, werd Zijn lichaam toen in dat bos verbrand tot as.

(9) Horend van Zijn wederwaardigheden van het vrij zijn van alle ritueel en gebruik, ging de koning van Konka, Venka en Kuthaka die de naam Arhat [de Jain, de eerbiedwaardige] droeg over tot een imitatie van Hem; verbijsterd door een toename van ongelovig leven dat een aankondiging vormde voor de komst van het Kali-yuga Tijdperk van de Redetwist, gaf hij het veilige pad van de religie op dat alle vrees zou afwenden en nam hij een verkeerd ketters standpunt in in weerwil van de vedische voorschriften met het hoogst dwaas introduceren van een eigen bedenksel. (10) Door dergelijke praktijken zullen de meest deerniswekkende onder de mensen in het Kali-tijdperk, verbijsterd door de uitwendige energie van God, verstoken van karakter, reinheid en de regels en voorschriften van de persoonlijke plicht, zwerend bij hun zedeloosheid en in minachting voor de goddelijkheid, vasthouden aan hun verlangens, met denkbeeldige principes van verzaking zoals het onrein blijven, het niet spoelen van hun mond en het uitplukken van hun haar. Van de Kali-yuga overmaat aan goddeloosheid zullen degenen wiens zuivere bewustzijn is vernietigd zo goed als volkomen godslasterlijk worden jegens de strikte brahmaan en zijn vedische cultuur, de ceremoniën van het offeren en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God en Zijn toegewijden. (11) Zij die er zeker in zijn af te wijken van eeuwige principes van de religie met een praktijk gebaseerd op hun eigen speculaties, voelen zich aangemoedigd door verblinde voorlopers en zijn er zeker van zelf verblind te belanden in de duisternis der onwetendheid [vergelijk B.G. 16: 16, 16: 23]. (12) Deze nederdaling van de Heer was er om hen die overweldigd zijn door de hartstocht te onderrichten in de zaak der verlichting. (13) Over Hem worden door hen die uit zijn op de bevrijding de volgende verzen aangehaald: 'O, van deze aarde met zijn zeven zeeën en vele landen op haar continenten, is dit land [Bhârata-varsha, India] het meest verdienstelijk; hun bevolking bezingt de algunstige kwaliteiten van Murâri [Hij als de vijand van de verdwaasde, van Mura] in Zijn vele incarnaties.' (14) 'O wat te zeggen over de dynastie van koning Priyavrata waarin de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid, nederdaalde als een incarnatie; Hij, de Ongeëvenaarde, vervulde de religieuze plicht welke de oorzaak is van het einde der baatzuchtige arbeid.' (15) 'O, welke andere yogi is er te vinden die, zelfs maar in de geest, in staat is het voorbeeld te volgen van Hem, de Ongeborene, en die, als zijnde niet-essentieel, alle verlangen verzaakte naar de perfecties van de yoga, welke worden nagestreefd door de mystieke yogi's zo vol van ijver om te dienen.'

(16) Aldus heb ik uitleg verschaft over de zuivere handelingen van de Opperheer genaamd Rishabha, de hoogste geestelijk leraar voor de mensen in het algemeen, de goddelijken, de brahmanen en de koeien; hij die in navolging van de groten, met een groeiend geloof en toewijding aandachtig luistert naar, of voor anderen spreekt over deze meest vooraanstaande en grootste toevlucht van de heilzaamheid die alle zonden van ieder levend wezen vernietigt, zal zonder twijfel ten gunste van Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, feitelijk in de beide vormen van het luisteren en spreken een begin hebben gemaakt met een standvastige toewijding. (17) In die toewijding baadt de ziel die van vooruitgang is zich onophoudelijk teneinde steeds bevrijd te zijn van het lijden onder de zorgwekkende omstandigheden in het materieel bestaan; hoewel op zichzelf die zo zeker door geluk verkregen ononderbroken bevrijding, de grootste van alle wapenfeiten, zeker niet dat is waar men op uit is, omdat men in het zich verhouden tot de Allerhoogste Heer volkomen is in alles waar men naar gestreefd heeft. (18) Mijn beste Koning, Hij, de aanbiddelijke godheid van de Yadu's, is zonder twijfel, uw meest dierbare vriend en meester van de geslachtslijn; om het duidelijk te stellen, hij trad soms zelfs op als uw dienaar en aldus mijn beste vraag ik u: is Hij dan niet daadwerkelijk de Allerhoogste Heer Mukunda van de Yoga der toewijding die te allen tijde verlossing schenkt door allen te bevrijden die van dienst zijn? (19) Altijd gericht op Zijn werkelijke identiteit en in Zichzelf volkomen zonder verdere verlangens, werd door Zijn genade van het uitbreiden van Zijn activiteiten op het materiële vlak, de ware betekenis van een leven van onbevreesdheid met het ware zelf overgedragen aan de intelligentie van de mens die zo lang had gesluimerd; alle respect voor Hem, die Allerhoogste Heer Rishabhadeva.

 

Hoofdstuk 7

De Activiteiten van Koning Bharata

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Bharata ['hij die in stand wordt gehouden'], als hoogst ontwikkelde toegewijde, op aanwijzing van zijn vader het besluit had genomen over het oppervlak van de aarde te regeren, trouwde hij, toen hij de troon overnam, met de dochter van Vis'varûpa, Pañcajanî. (2) Daadwerkelijk, zoals iemand, geïdentificeerd met het lichaam de vijf objecten van de zintuigen op zijn weg vindt, verwekte hij in haar vijf zoons, Sumati, Râshthrabhrita, Sudars'ana, Âvarana en Dhûmraketu, die precies zoals hijzelf waren. (3) Dit deel van de wereld genaamd Ajanâbha [slaand op koning Nâbhi, zie 5: 3] werd vanaf het begin van zijn heerschappij door hen alzo gevierd als Bhârata-varsha [het land van Bharata, nu India]. (4) Hij, die zeer ver gevorderd was in de kennis, was, regerend met een zorgzaam hart, een heerser zo groot als zijn vader en grootvader waren; hij hield de burgers en zichzelf aan ieders eigen plicht. (5) Hij aanbad de Allerhoogste Heer eveneens met grote en kleine offerandes met en zonder offerdieren; met veel geloof werden volledig of ten dele agni-hotra-, dars'a-, pûrnamâsa-, câturmâsya-, pas'u- en soma-rasa-yajña's uitgevoerd, die overeenkomstig de regulerende beginselen praktisch altijd onder leiding stonden van vier priesters (*). (6) Altijd denkend aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, zag hij, als de ter zake kundige priesters met alle bijkomende riten begonnen met het uitvoeren van de verschillende offers, door de vedische hymnen in die geest bevrijd van lust en woede, al de verschillende halfgoden, zij die de resultaten in ontvangst namen, de toebehoren van de offerplechtigheden en zichzelf als de offeraar, als allen deel uitmakend van de Oorspronkelijke Persoon, die hun Beheerser is, Degene die Handelt en de Oorsprong is; en dat ongeacht wat op de lange duur ook het resultaat zou zijn van dergelijke offers die in naam van de religie werden gebracht aan de Allerhoogste Geest in het voorbije, de Genieter van alle offers die verantwoordelijk is voor de hele goddelijkheid. (7) Zodoende in het zuiverste van de dienstverlening was hij van de zuiverste goedheid jegens de Superziel in het hart van het lichaam, jegens de onpersoonlijke geest van het Brahman en jegens Bhagavân, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoon wiens gedaante men herkent aan het S'rîvatsa teken op de borst, het Kaustubha juweel, de bloemenkrans, de werpschijf, de schelphoorn, de knots en andere symbolen. Op het hoogste nivo gekend door Zijn stralende persoonlijke gedaante is Hij, als Hij eenmaal als een onuitwisbaar beeld in het hart van de toegewijde is verschenen, zo machtig dat hij dag na dag de toewijding doet toenemen. (8) Aldus voor de duur van talloze millennia werd de weelde genoten die hij, die ontvangen hebbend van zijn voorvaderen, aan het eind van zijn bestuur overeenkomstig de wetten van Manu, zijn zonen had verzekerd; na persoonlijk de uiteenlopende rijkdommen onder hen verdeeld te hebben, verliet hij die verblijfplaats van het voorouderlijk huis en vertrok hij naar de Pulaha-âs'rama in Hardwar. (9) Het is daar dat zelfs vandaag nog men er zeker van kan zijn dat de Opperheer Hari in die plaats verblijvend, door Zijn bovenzinnelijke genegenheid voor Zijn eigen toegewijden zichtbaar wordt zoals dat wordt verlangd vanuit iemands toewijding. (10) Op die plek worden alle hermitages alom geheiligd door de rivier die de Cakra-nadî wordt genoemd (de Gandakî) waarvan men de concentrische cirkels vind die als een navel kunnen worden waargenomen op en onder [de zwarte ovale kiezelstenen die dienen als voorwerp van toewijding, de zogenaamde S'âlagrâma-s'ilâ's]. (11) Geheel alleen in de velden van dat meditatieoord aanbad hij door offerandes van wortelen, bollen en vruchten met water, twijgen, tulasî-blaadjes en allerhande bloemen, de Allerhoogste Heer en raakte hij bevrijd van alle verlangen naar materieel genot met een gestage toename van de bovenzinnelijke rust en bevrediging die hij verwierf. (12) Door die constante praktijk van dienst aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer, smolt door het gewicht van de zonder ophouden toenemende gehechtheid aan Hem, de slapte weg van zijn hart; door de kracht van de bovenzinnelijke verrukking stonden de haren van zijn lichaam overeind en sprongen van het intense verlangen tranen van liefde in zijn ogen die zijn blik vertroebelden. Aldus op de roodkleurige voeten van de Heer mediterend was er bij de genade van zijn bhakti-yoga, een toename die zich overal verspreidde van de hoogste en diepste spirituele bevlogenheid in het hart, het meer waarin verzonken - alhoewel zijn intelligentie werkte voor de Heer - hij zich niet langer het geregelde dienstbetoon kon herinneren. (13) Op deze manier gezworen aan de Allerhoogste Heer, bracht hij, gekleed in een hertenvel en met zijn massa bruin, krullend en samengeklit haar, nat van het drie maal daags baden, zo prachtig in aanbidding van de godheid van de zon (**), zijn eerbetoon aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, door bij zonsopkomst zijn respect te betuigen met het reciteren van het volgende: (14) 'Indachtig dit geschapen universum, voorbij de hartstocht, is er daar, de hele wereld verlichtend, de eigen gloed, de genade der goddelijkheid die de verlangens van alle toegewijden vervuld; telkens weer erin binnengaand [als de zon, als de avatâra] waakt Hij over het levend wezen dat hunkert naar materieel plezier - al dit [mijn respect] voor de intelligentie die alles beweegt!'  

 

 

Hoofdstuk 8

 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen hij eens een bad had genomen in de grote Gandakî, zijn dagelijkse rituelen had verricht en zijn mantra's had gezongen, ging hij [Bharata] voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten. (2) O Koning, daar zag hij een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (3) Precies op het moment dat het met grote voldoening van het water dronk, rees van heel dichtbij het luide gebrul op van de koning der dieren die alle levende wezens zoveel schrik aanjaagt. (4) Met het horen van dat luide rumoer was de hinde, welke doorlopend schichtig om zich heen keek, zeer bevangen door de verstoring door de leeuw, en van streek met rusteloze ogen zonder dat ze afdoende haar dorst had weten te lessen, nam ze in angst verzet opeens een grote sprong over de rivier. (5) Omdat ze zwanger was, slipte door de angst en het krachtige opspringen, haar baby uit haar baarmoeder en viel het in het stromende water. (6) Door de miskraam van de angst en het springen, viel het zwarte hert, van de kudde gescheiden en geplaagd door uitputting ergens in een spelonk, waardoor het kwam te sterven. (7) Toen hij zag dat dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de golven, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het als een vriend mee naar zijn ashram. (8) Het als zijn eigen kind aannemend, het iedere dag te eten gevend, het beschermend, opvoedend en koesterend, raakte hij aan dit hertje zeer gehecht. Binnen enkele dagen was daadwerkelijk, met het opgeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en aanbidding van de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting in het ongerede. (9) 'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], is door de Heerser die het rad van de tijd beweegt, deze hier verstoken van zijn soort, zijn vrienden en verwanten en heeft het in het vinden van mij als zijn toevlucht, mij alleen als vader, moeder, broeder en soortgenoot behorend bij de kudde. Vanzelfsprekend stelt het, niemand anders hebbend, een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden; ik behoor niet weg te kijken maar moet inzien wat de fout is van het verwaarlozen van iemand die zijn toevlucht heeft genomen en daarnaar moet ik dan ook handelen. (10) Inderdaad is het zeker van het grootste belang dat de geciviliseerden, zij die van de heiligheid zijn, ook al zijn ze nog zo volkomen in hun verzaking, als vrienden van de hulpelozen de principes zijn toegedaan, zelfs als dat ten koste gaat van hun eigenbelang.'

(11) Zodoende gehecht geraakt zat hij, rustte hij, lag hij, liep hij, baadde hij en dergelijke, met het jonge dier en raakte hij in zijn hart volledig door de genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten en wortels en water ging halen, nam hij, bedacht op wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vervuld van liefde, het hier en daar op zijn schouders mee, gesteld als hij was op zo'n kleintje, en hield hij, aan dat alles het grootste genoegen belevend, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep. (14) Tijdens het gebed, was hij gewoon bij tijden op te staan hoewel hij nog helemaal niet klaar was, alleen maar om te zien hoe het met het hertenjong gesteld was en schonk het hem veel voldoening het al het beste toe te wensen met de woorden: 'O mijn lieve jong, moge er voor jou steeds het beste zijn'. (15) Soms was hij dermate bezorgd dat hij van streek raakte als een zielige, ellendige man die zijn rijkdom kwijt is; met een grote bezorgdheid van hart, aangedaan gescheiden van het hertenjong, bevond hij zich in een toestand waarin hij voortdurend enkel en alleen maar daaraan dacht en was hij er alzo zeker van te belanden in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren; het zal weer naar me terugkeren, geloof in mij stellend als zijnde een volmaakt zachtaardige persoon en als iemand van zijn eigen soort - het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n barbaar met een geest die maar niet wil deugen. (17) Zal ik het weer terugzien, onbekommerd zien rondlopen in mijn ashram en het onder de hoede der goden weer van het gras zien eten? (18) Of zou het arme schepsel een van de vele wolven of honden tegen het lijf zijn gelopen, of een troep zwijnen of een ronddwalende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de vedische drievoud voor de voorspoed van allen, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zou dat prinselijke hertje van mij werkelijk weerom keren en genoegen schenken aan mij die de oefening der zeden eraan gaf; het was zo schattig om te zien - het te behagen zoals dat zijn soort past, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met toppen van hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het verwenste omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had bevuild, stopte het meteen doodsbenauwd met spelen, precies zoals de zoon van een heilige dat doet, neerzittend in het volledige inperken van zijn zinnen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel dat lijdt in verdoling! Voor mij wijzen ze me de weg om de weelde tot stand te brengen van haar landen die, van alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd in plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen voor de angst van het jong voor het machtige roofdier, nu dit moederloze hertenkind beschermt dat wegdwaalde van haar beschuttende toevlucht? (25) Of mag hij, door zijn stralen, zo vredig en koel, uit liefde, uit zijn mond water sprenkelend zo goed als nectar, mijn hart, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich zo had overgegeven, vertroosten, daar het vuur van de gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand.'

(26) Op deze manier was hij, wiens hart bedroefd was met een geest die beruste op slecht karma, in de ban van de onmogelijkheid van het hebben van een zoon die er als een hertje uitzag en was hij van zijn yoga-oefeningen, van de boetedoening van de yoga en de toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer gevallen. Op welke manier kon hij, zo gehecht aan het lichaam van een andere soort, een hertenkalfje, rechtstreeks het levensdoel bereiken met een dergelijke hindernis - hij die voorheen de zoons geboren uit zijn hart had opgegeven, ookal was dat dan moeilijk op te brengen. Door dat obstakel van hem aldus gedwarsboomd in de beoefening van zijn yoga, was koning Bharata, alzo in beslag genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, zijn eigen ziel aan het verwaarlozen en zag hij dat met rasse schreden het onvermijdelijke van zijn tijd was aangebroken dat zich aandiende als een slang die een muizenholletje binnendringt. (27) Toen hij daarop deze wereld opgaf zag hij inderdaad aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje waarin zijn geest was verzonken; met zijn lichaam stervend met het hertje erbij aanwezig, verkreeg hij daarna het lichaam van een hert, maar tegen de verwachting zoals dat was met andere geboorten, was de heugenis aan wat voorheen had plaats gevonden met zijn sterven niet verloren gegaan. (28) In die wedergeboorte, als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden, zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het gekregen hebben van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, hoewel ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand volmaakt naar de ziel die zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en hoewel ik voortdurend luisterde naar en nadacht over Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, met het zingen, aanbidden en mij heugen verzonken, al mijn uren doorbrengend; mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest volledig verankerd in het eeuwige, maar alweer, gevallen in genegenheid voor een hertenjong, ben ik een grote dwaas verre van dat!'

(30) Aldus op deze manier in stilte verkerend voor zichzelf gaf [hij als] het hert ongemotiveerd de moeder op en keerde het van de berg Kâlañjara waar het was geboren, weer terug naar de plaats, naar de ashram van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma, waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leefden zo dierbaar is. (31) Op die plaats, etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij zijn tijd af in het eeuwige gezelschap van de Superziel en bestond hij, voortdurend bedacht op een slechte omgang, slechts in overweging van het einde van de oorzaak van zijn hertenlichaam, het lichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.

 

Hoofdstuk 9

Het Verheven Karakter van Jada Bharata

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verkreeg Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, zijn laatste lichaam als een brahmaan zo wordt gezegd. Als het mannelijk kind van een tweeling broer en zus werd hij geboren uit de tweede echtgenote van een van de brahmanen van de lijn van de heilige Angirâ die was begiftigd met de kwaliteiten van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, die van boetvaardigheid was, vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst was en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel; bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid gelijk waren aan hem. (3) Zich ook in die geboorte dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht op niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij zou worden gehinderd op het pad van de toegewijde dienst en hield hij zijn geest dicht bij zijn ziel door altijd te denken aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, luisterend naar en zich de beschrijvingen heugend van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen; maar voor de mensen in zijn omgeving gaf hij blijk van zichzelf als behept zijnde met het karakter van een gek, een dwaas en iemand blind voor de werkelijkheid [reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich voorzeker emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij, als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, ookal had hij er geen oren naar, dat daadwerkelijk de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij opnieuw, tot het einde van zijn schooljaren, als iemand van de heilige draad, de plichten van reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (5) Maar ook voor zijn vader deed hij alsof hij geen zier kon begrijpen van wat er werd onderwezen. Gedurende de vier maanden van de zomer wenste hij het hem te onderrichten in de vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra, maar hij slaagde, ondanks de volle studie ervan, er niet in hem de volledige beheersing ervan bij te brengen. (6) Aldus denkend dat zijn zoon, hoewel hij er niet naar taalde, door hemzelf ten volle zou moeten worden onderwezen in al de reinheid, de vedische studie, geloften, principes, offers en dienst aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya-âs'rama], was de brahmaan, in dezen zijn zoon beschouwend als zijn ziel en zaligheid, in werkelijkheid zelf zwaar gehecht aan zijn thuis zodat, in de loop van de niet zo vergeetachtige tijd, hij van deze wereld afscheid moest nemen als een man gefrustreerd over de ongeschikte opstandigheid van zijn zoon. (7) Nadien vertrouwde de jongste vrouw, uit wiens baarmoeder de tweeling ter wereld kwamen, de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde ze haar man naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

(8) Na de dood van de vader stopten de stiefbroers van Jada Bharata, die er met de drie Veda's goed in waren geslaagd hun weg te vinden met de rituelen en met hun trage geesten er geen idee van hadden hoe hoog hij stond, met de onderneming hun broer te onderrichten. (9-10) Zoals hij door de tweebenige, dier-gelijke materialisten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, was hij het gewoon ook in die termen zijn antwoorden te geven. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen om te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook kreeg door te bedelen, door verdienste of wat vanzelf tot hem kwam. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen daar hij voor altijd was gestopt te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware zelf, die met de tweevoudige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Ferm van leden bedekte hij, sterk als een stier, nooit zijn lichaam. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij zijn lichaam nimmer. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een van vuil zwarte heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, als brahmaan van geboorte, enkel een vriend van hen noemde ['brahma-bandu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil voedsel te krijgen van anderen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem aan het werk met boerenarbeid in de velden - een karwei waarin hij er geen idee van had van wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij de zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, was het niettemin allemaal nectar voor hem.

(12) Daaropvolgend, na een zekere tijd, dook er een roofzuchtig leider van de arbeidersklasse op die uitzag naar een mensenzoon die, niet beter zijnd dan een dier, hij kon gebruiken om een offerplechtigheid te houden voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beest dat hij had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden, in het holst van de nacht temidden van de duisternis, het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze op de brahmaanse zoon uit de lijn van Angirâ, die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze vervolgens ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze, met opgetogen en stralende gezichten omdat ze begrepen hadden hoe ze tot het werk van hun meester konden bijdragen, hem stevig met touwen vastgebonden met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, overeenkomstig hun eigen gebruiken hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen zodat hij als een diergelijke persoon, klaar was voor het offer. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, gaven ze hem een plaats voor de godin Kâlî, volledig uitgedost en naar behoren gevoed, met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (16) Daarop hief de priester van die leider van het boeventuig, zich in voorbereiding op het offeren van een stroom bloed van de diermens voor de godheid Bhadra Kâlî, een schrikwekkend vlijmscherp zwaard, dat hij heiligde met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Door een hartstochtelijke en onwetende aard werden deze verwerpelijke types, die het materialistisch verbijsterd mis hadden, voortgedreven door geesten vol van verbeelding, zodat, in het op hun eigen manier bewandelen van een foute weg, de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen, geminacht werd. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Op het laatste moment echter brak zowaar de godin Bhadra Kâlî, die zag wat tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmatig helle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Kwaad geworden vertoonde ze in totale weerzin haar kenmerken van geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen en een afgrijselijke lach. Door haar grote woede vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal als ze wilden gebruiken de hoofden van al de zondige overtreders eraf en dronk ze samen met haar metgezellen, het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al het bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar.

(19) Als men op deze manier daadwerkelijk in afgunst met de groten te ver is gegaan, zal men bijkomstig voor zichzelf dit als resultaat oogsten. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], dit is geen groot wonder voor hen die niet verbijsterd zijn, die zonder vijandschap en van goedheid voor allen, door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke tijd, die de beste van alle wapenen met zich voert [de Sudars'ana schijf], rechtstreeks volledig zijn vrijgemaakt van de zeer sterke en vaste knoop in het hart van een lichamelijk levensbegrip. Zelfs al zijn ze bedreigd met onthoofding, hebben die verloste zielen en toegewijden die van een volledige overgave zijn en die zijn beschermd door Zijn lotusvoeten, niets te vrezen en zijn ze nimmer van slag door dit soort van stemmingen van de Goddelijkheid.

 

   

Hoofdstuk 10

Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo viel het voor dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij op pad was, aan de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en hun aanvoerder eropuit stuurde om te zoeken naar een geschikte persoon. Zijn zoektocht leidde bij toeval naar de tweemaal geboren zoon Jada Bharata die, omdat hij zo'n stoere jongeman leek die ferm van leden zo sterk als een ezel was, hij uitkoos, hem in staat achtend de last te dragen. Hoewel hij niet geschikt was voor het karwei, droeg hij, de grote ziel, de draagstoel, er toe gedwongen zoals de gewoonte was. (2) Toen hij hiermee bezig was liep de tweemaal geboren zoon, voortdurend drie stappen voor zich uit kijkend [om niet op mieren te trappen], steeds uit de pas met de anderen en schudde daardoor de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit in de gaten kreeg zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

(3) Zij, die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem angstvallig ervan op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager: (4) 'O, het is niet, o God der Mensen, dat wij, altijd trouw aan uw orders, het laten afweten. We doen welzeker wat we maar kunnen, maar het is deze nieuwe man die recentelijk is aangetrokken om met ons te werken met wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen; hij is nogal langzaam namelijk!'

(5) Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het inderdaad zo ver was gekomen als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana, de angstige woorden van zijn dienaren horend, in weerwil van zijn politieke ervaring, vanuit zijn kshatriya-aard enigermate toe aan het geweld der woede. Tot hem wiens spirituele gloed, als een vedisch vuur overdekt door as, niet duidelijk kon worden onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht: (6) 'Wat een moeite is het helaas mijn broeder! Zo helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker heel moe geworden. Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk; je hebt zeker zelf last van de ouderdom mijn vriend! En natuurlijk zijn deze andere medewerkers van geen enkel nut voor je'.

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar geen valse overtuiging van 'ik' en 'mijn' kwam bij hem op die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel; als iemand op het spirituele vlak was hij van die bijzondere instelling wat betreft fysieke zaken als het hebben van een bepaald zichzelf besturend lichaam dat is voortgekomen uit een mix van de kwaliteiten en de werklast van de onwetende materie. (7) Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'O dwaas, wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen ze in de wind slaand! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je erachter komt wat je plaats is in dezen!'

(8) Hoewel hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg door hem die, uit hartstocht en onwetendheid berispend, dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, een meest geliefd voorvechter van de Heer en een wijze geleerde, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes die, met een houding van een meester in de yoga, de vriend van alle levende wezens was, alsof een last van hem afviel en sprak hij als volgt tot de niet zo wijze heerser. (9) De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde is innerlijk niet strijdig als ik mijn zou kunnen zeggen tegen dat lichaam, o grote held, en tegen die drager van de last; als het dat zou zijn wat men sterk en onversaagd moet verwerven op het pad, dan moet ik u zeggen dat dat, voor de persoon van zelfverwerkelijking die zich bevindt in het lichaam, geen onderwerp van discussie is. (10) Sterk en stoer zijn, mager en zwak, pijn ondervinden met het fysieke of de geest, hongerig, dorstig, van de angst, van mening verschillend, verlangend, van hoge leeftijd en zinnelijk gemotiveerd; van het kwade, de valsheid, de illusie en het weeklagen zijn, zijn in dit lichaam zaken van hem die geboren is, maar voor wat ik ben vormen ze zeker niet de realiteit. (11) Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat is geregeld door de natuur o Koning, alles heeft een begin en een eind; maar, hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet in de dingen die voorbijgaan - waarvan we spreken van meesters en dienaren - dan zegt men dat men van het juiste handelen in de yoga is. (12) Onderscheid maken naar de persoon getuigt van een vernauwde blik en, behalve dan voor wat gebruikelijk is, zie ik niet in van wat voor nut het verder zou zijn; wie is die meester en wie is hij die moet worden overheerst? Desalniettemin, o Koning, wat kan ik voor u betekenen? (13) Van zoals ik mezelf ben, o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek stuk onbenul zou zijn; wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft; hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon iets bijbrengen - het is alsof je meel probeert te malen!'

(14) S'rî S'uka zei: 'Consequent zo op ieder woord dat was gevallen ingaand, hield de grote wijze kalm en vredig het voor gezien - wat betreft de zaak van dingen die vreemd zijn aan de ziel aanvaarde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij voorheen genoten had, en zo ging hij, teneinde zijn verworven karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de draagstoel van de koning zoals hij dat gedaan had. (15) O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was in feite eveneens van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid; aldus ter zake kundig zijnde vernemend wat de tweemaal geborene zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alles van de yoga en de cultuur eromheen, kwam hij haastig naar beneden en viel hij met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Het zo opgevend met zijn valse claim de te respecteren koning te zijn zei hij: (16) 'Wie van al de tweemaal geborenen bent u, zich verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Vanwaar en met welke bedoeling bent u hier gekomen? Bent u, als iemand van de zuivere goedheid, hier voor ons heil of niet misschien? (17) Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht noch vrees ik S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van Kuvera; waar ik het meest beducht voor ben is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen. (18) Derhalve, als een volledig onthecht persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich rondbeweegt terwijl hij in het voorbije verblijft, spreek tot ons, daar niemand van ons, o heilige, in staat is ook maar in enige mate te bevatten wat de woorden vol van yogabetekenis inhouden die u te berde bracht. (19) Daartoe waag ik het u zowaar te vragen, meester van de yoga, o allerbeste leraar der heilige geleerden van de werkelijkheid van de ziel, wat in deze wereld de beste bezigheid is, de veiligste toevlucht, o rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [zie Kapila: 3.25]. (20) Als zijnde Hem in eigen persoon trekt uwe goedheid rond over deze aardkloot, u bekommerend om de motieven van de mensen alhier en dat zonder uw ware identiteit te tonen; mag ik weten hoe wij, die gebonden aan familiezaken de intelligentie moeten missen, niettemin zich kunnen richten op de eindbestemming van de meesters in de yoga? (21) Men kent de vermoeidheid als men op een bepaalde manier in relatie tot de ziel tewerk gaat, zoals de manier waarop u zich beweegt met het dragen van de draagstoel; ik veronderstel dat, in navolging van het respect voor de uiterlijkheid, het evenzogoed een bewijs is van iets dat materieel niet bestaat, als het hebben van iets dat water kan bevatten als er helemaal geen water is. (22) Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk erin gedaan heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt; zo ook is er van het gebonden zijn aan de zintuigen de ervaring van vermoeidheid en dergelijke door de ziel die zich moet schikken naar de materie. (23) De bestuurder die goed is voor zijn onderdanen is, als een menselijk heerser over de burgerij, iemand die daadwerkelijk opdrachten ten uitvoer brengt; niet vermalend wat reeds vermalen is, is men in de plichtsvervulling van zijn eigen beroep van aanbidding voor de Onfeilbare, voor wie men handelend, verlost wordt van allerlei vormen van zonde. (24) Wees derhalve vanuit uw goede zelf waarachtig in boete, jegens mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, zo goed uw grondeloze genade te tonen als een vriend, een vriend van mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het in minachting verkeren met een zo grote persoonlijkheid als u. (25) U, vriend van de Vriend van Allen, bent, als iemand ver van het lichamelijk begrip van het leven, niet uit evenwicht gebracht; maar zelfs als men zo machtig is als Heer S'iva [S'ûlapâni], zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hooghartigheid in relatie tot de groten, zeker spoedig zijn vernietiging vinden.'

 

Hoofdstuk 11

Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

(1) De brahmaan [Jada Bharata] zei: 'Door een gebrek aan ervaring spreekt u niet over het belangrijkste gebruikmakend van de termen van hen die de ervaring hebben; deze zaken van werelds en sociaal gedrag behoort men in feite te bespreken met de intelligenten die wèl behept zijn met zo'n verfijnde zin voor de waarheid. (2) Om deze reden, o Koning, wordt inderdaad onder hen, die met name met de Veda's [veda-vâdî] belangstellen in de eindeloos toenemende zorg voor de rituelen van een materiële huishouding, zo goed als nooit de eigenlijke spirituele wetenschap [tattva-vâda] gevonden die zichzelf zo duidelijk openbaart bij hen die gevorderd zijn in de zuiverheid. (3) Hoewel afdoende bekend met de woorden, is de zeer verheven kijk op de ware bedoeling van de Veda niet direct de hunne, daar het geluk van een werelds leven te vergelijken is met een droom waarvan men zich vanzelf later pas realiseert dat die onwerkelijk is. (4) Zolang als iemands geest onder de controle staat van de geaardheid hartstocht, goedheid of duisternis, zijn handelingen, gunstig of anderszins, op het gezag van de zinnen van waarnemen en handelen, automatisch het gevolg, net als bij een olifant die zich vrij mag rondbewegen. (5) Die geest begaan met zo vele verlangens is, voortgedreven door de geaardheden der natuur, gehecht aan materieel geluk; als de belangrijkste van de zestien elementen eigen aan een materieel bestaan [de fysieke, de handelende en de waarnemende plus de geest] doolt de geest, vervreemd, rond in benamingen [in upâdhi's - voorstellingen] en doet hij zich in verschillende gedaanten voor in lichamen van een hogere en lagere kwaliteit [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Met het geluk, het ongeluk en de ernstige onmatigheid die in de loop van de tijd als resultaat werd verworven, creëert de inwonende geest, waarmee het eigenlijke levende wezen de geschapen natuur omarmt, zich het vicieuze van materiële handelingen en terugslagen. (7) Om die reden spreken de geleerden van het denken als zijnde de oorzaak van het, in hogere dan wel lagere toestanden, opgaan in de materiële geaardheden waarbij men dan de kwaliteiten ontbeert, en daarvan vormen de voor die tijd gemanifesteerde uiterlijke kenmerken van het levend wezen - van bijvoorbeeld gezet of slank zijn - het bewijs. (8) De aantrekking tot de geaardheden resulteert in de conditioneringen aan de materiële wereld, maar als de geest van het levend wezen er is voor het uiteindelijke goed van het ze ontstijgen is hij als een lamp; een pit die de geklaarde boter geniet leidt verkeerd brandend ongetwijfeld tot een walmende vlam, maar naar behoren brandend in contact met de brandstof van het karma vormt de vlammende, rusteloze geest daarentegen het bewijs van de klare werkelijkheid.

(9) Voorzeker heeft men er de elf van de geest van de vijf zinnen van het handelen, de vijf zintuigen van het waarnemen en de verraderlijkheid [of de valsheid van het ego, het zich met hen identificeren]; van de verschillende handelingen, de verschillende zinsobjecten en de verschillende plaatsen in de stad waar ze zich voordoen - van die elf functies zeggen de geleerden, o held, dat ze de velden van handelen vormen [zie B.G. 13: 1-4]. (10) De reuk, de vorm, de tast, de smaak, en het gehoor [de kennende zinnen]; de uitscheiding, de geslachtsgemeenschap, het zich bewegen, de spraak en de handigheid [de zinnen van handelen] met het elfde element van het aanvaarden van het idee van 'mijn', kent aldus het 'ik' aan dit lichaam toe waarvan sommigen beweerden dat dat het twaalfde element is. (11) Door de elementen, door de natuur zelf, door de cultuur, door het karma en door de tijd, worden al deze elf van de geest omgevormd in de honderden, duizenden en miljoenen van hen, die niet uit elkaar volgen noch uit zichzelf ontstaan, maar van de kenner van het veld afkomstig zijn. (12) De kenner van het veld ziet gezuiverd al deze verschillende activiteiten van de geest van het ongezuiverde individuele wezen in actie, die vanaf de vroegste tijden worden gecreëerd door de uitwendige energie; somtijds gemanifesteerd [als tijdens het waken] en somtijds niet gemanifesteerd [als in dromen]. (13-14) De kenner van het veld is [dan] de alles doorvarende, alomtegenwoordige, authentieke persoon; de Oorspronkelijke, die wordt gezien en waarvan men hoort als bestaand bij Zijn eigen licht; Hij die nimmer geboren is, die de bovenzinnelijke is, de Ene Nârâyana waarin alle wezens rusten, de Allerhoogste Heer, de Ene Vâsudeva haven van bewustzijn; Hij die bij Zijn eigen vermogen in de ziel bestaat als de beheerser, van evenzogoed de lucht als de bewegende en niet bewegende wezens; Hij is de Superziel der expansie die binnenging en dus heerst als de Fortuinlijke in het voorbije en de toevlucht en kenner is van iedereen in ieder bereik; Hij, het vitale zelve dat in deze materiële wereld verscheen [zie ook B.G 9: 10 & 15: 15].

(15) Zolang als de belichaamde, o Koning, niet vrij is van deze invloed van de materiële wereld, door, in vrijheid van gehechtheden, ontwaakt te zijn tot de orde van het kennen van de spirituele waarheid en het overwinnen van de zes vijanden [het denken en de waarnemende zinnen], zal hij tot die tijd rondwaren in deze materiële wereld. (16) Zolang men deze geest heeft, die, als symptoom van de fixatie van de ziel, voor het levend wezen de ontstaansgrond is van al de wereldse misère van het weeklagen, de illusie, de ziekte, de gehechtheid, de hebzucht en de vijandigheid, heeft men de consequentie van het egotisme. (17) Deze geest, die formidabele vijand, is zeer machtig, zich zo ontwikkelend door nalatigheid; hij, die vrij van illusie, het wapen inzet van het eerbetoon aan de voeten van de geestelijk leraar en de Heer, zal het vervalste van het persoonlijke overwinnen dat de ziel heeft overdekt. '

 

 

Hoofdstuk 12

Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) Rahûgana zei: 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor u als iemand die voortkwam uit de belichaming [van Rishabhadeva, zie 5.4] van de Oorspronkelijke Oorzaak, als iemand die vanuit zijn ware zelf zich afkeert van alle gescheidenheid; mijn respect voor u die als een verzaker van de wereld, in de gedaante van een vriend van de tweemaal geborenen, zijn realisatie van het eeuwige heeft verhuld. (2) U bent als het geneesmiddel voor een door koorts geteisterde zieke, u bent als het koele water voor iemand geplaagd door de zon , voor iemand als ik, wiens zienswijze in dit lichaam is gebeten door de slang van de trots, bent u het elixer van de nectar. (3) Alstublieft, daar ik brand van nieuwsgierigheid, zet het nu mij opnieuw uiteen in eenvoudige bewoordingen, zodat ik een helder beeld kan krijgen van de yoga der zelfrealisatie; dingen van mezelf die daarin niet duidelijk zijn zal ik later aan u voorleggen. (4) Dat wat u gezegd heeft, o Meester van de Yoga, aangaande dat wat duidelijk kan worden onderscheiden als een resultaat van baatzuchtige arbeid [de 'vermoeidheid', zie 5.10: 21], ligt in waarheid besloten in iemands tewerk gaan; het volstaat in feite geheel niet voor een onderzoek naar de uiteindelijke werkelijkheid - uwe goedheid heeft in dezen toelichting verschaffend mijn geest in de war gebracht.'

(5-6) De brahmaan zei: 'Deze persoon, die men ziet als zich rondbewegend over de aarde en die zelf een omvorming is van die aarde, o aardse persoon - om welke reden zou uwe Heerlijkheid, met deze voeten en daarboven deze enkels, kuiten, knieën, dijen, middel, nek, schouders en op die schouders de houten draagstoel waarop degene zit die aldus gekend wordt als de koning van Sauvîra, zo hooghartig staan op een afdwingen met 'ik, de koning van Sindhu' en aldus een gevangene van de valsheid zijn? (7) Hoe beklagenswaardig zijn al deze arme en lijdende mensen die u met geweld oppakte zonder genade te tonen; opsnijdend zeggend 'Ik ben de beschermheer' treedt u op een slechte manier naar voren in het gezelschap der geleerden, door eenvoudigweg grof zijn! (8) Omdat we zonder twijfel verschillend belichaamd zijn als bewegende en niet bewegende levensvormen, weten we van vernietiging, verschijnen en het reguliere van de natuur, met het ons eenvoudig bewegen in verschillende namen; laten we, uitgaand van een feitelijke omgang hiermee, ons ervan overtuigen wat het is dat de materiële activiteiten teweegbrengt. (9) Vanuit dat gezichtspunt is door de woorden voor rassen en naties het bestaan foutief beschreven; wat men zich in zijn denken voorstelt van de beëindiging, het gezamenlijke en de bijzonderheden van alles wat samengesteld is uit atomaire deeltjes, dekt maar enkel een mindere intelligentie van dat bestaan. (10) Aldus mager zijn, dik, klein of groot, bestaand als individuele levensvormen, levenloze materie of wat voor ander natuurlijk fenomeen nog meer van belang zou zijn, is allemaal onbestendigheid in naam van een zekere rangschikking, tijd en activiteit, een onbestendigheid welke u zou moeten verstaan als zijnde inherent aan de werking van de dualiteit der natuur. (11) Het gekende zoals dat zuiver in zichzelf bestaat vormt het uiteindelijk doel als de Eenheid zonder een binnen of een buiten, als de Absolute Waarheid van het Allerhoogste [Brahman], de innerlijke vrede die in een hogere zin wordt gekend als Bhagavân, de Allerhoogste Heer, welke door de geletterden Vâsudeva wordt genoemd [de Ziel van de God van binnen, Vishnu, of Heer Krishna als de zoon van Vasudeva].

(12) Beste koning Rahûgana, door boetedoening, door het vereren van beeltenissen of door je materiële activiteiten af te ronden; door iemands huishoudelijk leven, door celibaat en studie of door het zich in verzaking beperken tot het water of het vuur, wordt dit niet geopenbaard - men zal het niet realiseren zonder zich van top tot teen in te wrijven met het stof van de lotusvoeten van de groten! (13) Daar waar men de kwaliteiten van de Ene geprezen in de geschriften opvoert, wordt aan wereldse zorgen een einde gemaakt; dag na dag in volle ernst de aandacht richtend op hen die uit zijn op de bevrijding, raakt de meditatie zuiver en eenvoudig gericht op Vâsudeva. (14) In een voorgaande geboorte stond ik bekend als een koning genaamd Bharata die door persoonlijk inzicht en omgang in aanbidding van de Allerhoogste Heer bevrijding vond; aldus steeds te werk gaand, werd ik een hert omdat ik, met één intieme omgang hebbend, mijn plichten verwaarloosde. (15) Ondanks dat ik een hert was, o grote held, liet de herinnering aan mijn activiteiten van eerbetoon aan Krishna [de Heer zoals die bekend staat om zijn donkere huid], mij niet in de steek; om die reden houd ik mij uit angst verre van de omgang met het gewone volk en trek ik onopgemerkt rond. (16) Daarvan kan iedere persoon, met behulp van het zwaard van de kennis zich onthechtend en in omgang met goed gezelschap, zelfs in deze wereld, kappen met de illusie; door het luisteren naar en zingen over de verhalen van de handelingen van de Heer, wordt het verloren bewustzijn herwonnen en bereikt men het uiteindelijke doel van het allerhoogste verblijf.'

 

 

Hoofdstuk 13  

Vervolg van het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) De brahmaan zei: 'Proberend vooruit te komen in het leven, hetgeen moeilijk is in beslag genomen door de illusie, doolt de volijverige, verdeeld in het zorgdragen met de werklast van zijn hartstocht, onwetendheid en goedheid, rond in dit werelds bestaan en is hij, uit op de baten, niet in staat geluk te vinden. (2) O god der mensen, aldaar worden de geconditioneerde zielen die het valse najagen geteisterd door deze zes plunderaars [van het zien, ruiken, proeven, aanraken, horen en overdenken]; met alle macht beroven ze als vossen de verzotte strever van zijn hart, precies zoals tijgers lammeren pakken. (3) In de tuinen vol van klimplanten, grassen en struikgewas wordt hij wreed verstoord door stekende muggen, somtijds zichzelf inbeeldend dat hij bij de Gandharva's verwijlt en dan weer in mum van tijd bezeten rakend. (4) Zich van hot naar haar haastend terwille van hun thuis, water en weelde, o Koning, zien ze dàt als hun ziel en zaligheid, en zijn ze, verblind in hun zotheid, bij tijden het spoor bijster vanwege het rokerige stof [van de lust] opgeworpen door een wervelstorm [van een zekere uiterlijkheid]. (5) Geplaagd door het gerucht van onzichtbare krekels in zijn oor, door de geluiden van uilen van streek in zijn geest en hart, en honger lijdend met het zich beroepen op bomen die geen vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een luchtspiegeling na. (6) De ene keer afgaand op droogevallen rivieren en voedsel vragend van anderen die ook door hun voorraad heen zijn, lijden ze de andere keer onder de bosbrand van het materieel bestaan en maken ze zich zorgen over wat er terecht kwam van de gekoesterde weelde die door de boeven van de staat werd ingepikt. (7) Bij tijden ervaren ze allen, belast door hun besturende bovengeschikten, droefenis in hun harten en raken ze, weeklagend, verbijsterd buiten zinnen; en zo nu en dan dromen ze er een tijdje van hemelse oorden te zijn binnengegaan waar men geniet als was men gelukkig. (8) Soms rondzwervend worden de voeten van iemand die de heuvels wil beklimmen gepijnigd door doornen en steentjes en is zo iemand neerslachtig met iedere stap die hij doet; en soms ziet iemand met een hongerige maag in het gezin het niet meer zitten en wordt hij kwaad op zijn eigen gezinsleden. (9) Bij tijden aan zijn lot overgelaten in het [materiële] woud [des levens] wordt de geconditioneerde ziel verzwolgen door de python en begrijpt hij er niets meer van; aangevallen door gifslangen en gebeten, gaat hij er soms, gevallen in een ongeziene put, zowaar bij liggen, blind als hij dan is in de diepe duisternis. (10) Soms uitziend naar een beetje seksueel plezier wordt hij door de verontruste bijenkorf van de familie van de dame in kwestie beledigd; of, wat dit soort zaken betreft met veel moeite geld uitgevend om aan zijn gerief te komen, wordt daarna met geweld het voorwerp van zijn begeerte voor zijn neus weggekaapt door iemand anders. (11) Soms ook niet in staat de kou, de hitte, de wind of de regen tegen te gaan, ziet hij het niet meer zitten; en dan weer samen met anderen allerlei kleingoed verkopend, belandt hij in een wederzijdse vijandigheid zo zegt men, vanwege het bedrog voor het profijt. (12) Nu en dan berooid moet hij het daarmee stellen zonder beddegoed, een zitplaats, een huis en de gemakken van een gezin, en klopt hij noodlijdend bij anderen aan; niet krijgend wat hij nodig heeft is hij dan uit op het bezit van anderen en belandt hij zo in oneer. (13) Vanwege financiële transacties met elkaar is er haat en nijd, en met elkaar getrouwd zijnd er materieel op vooruit proberend te gaan, kan dat grote moeilijkheden met zich meebrengen, omdat men, in geldnood de verkeerde aanpak volgend, volledig in verlegenheid komt.

(14) Allen die aldus op uiteenlopende wijze in verlegenheid kwamen, moeten op gezette tijden de levenden die hen nabij staan opgeven en dan weer uit zijn op nieuwe geboorten; het eigenbelang behartigend doolt men hier in deze wereld rond en tot op de dag van vandaag is geen van hen die in deze positie verkeren, o held, in staat om het tot het uiteindelijke doel van de yoga [de toegewijde dienst] te brengen. (15) Zij die zonder er veel bij na te denken erin slaagden reuzen van andere helden te overwinnen, zijn allen bevangen in deze wereld door het idee van 'mijn' laten hun leven in de slag met de in het leven geroepen vijandschap - maar ze bereiken niet de werkelijkheid van de staf der verzaking welke, als men vrij van vijandigheid is, wèl leidt tot vervolmaking. (16) Meer en meer gehecht zingen zij die genieten in de armen van hun vrouwen, hun klimplant, soms een vreemd liedje in het verlangen het gezang te horen van een andere vogel; en zo nu en dan ergens het gebrul van de leeuw horend zoeken ze vriendschap met de kraanvogels, de reigers en de gieren. (17) Door hen bedrogen maar geen bevrediging vindend in het contact met de toegewijden, benaderen ze in hun gedrag de apen met wie geassocieerd ze zich nogal op hun gemak voelen met hun zinnen, en elkaar in het gezicht starend naderen ze in vergetelheid de dood. (18) Het er in hun boom van nemend zijn ze, gehecht aan vrouw en kinders en kleinzielig, niet in staat om los te laten vast als ze zitten aan de gevolgen van hun eigen handelingen, daarbij somtijds, in angst verzet voor de olifant van de dood, in een grot in de bergen vallend, en zo daar opgesloten rakend. (19) Op de één of andere manier aan dit gevaar ontsnappend pakken ze wederom, o doder der vijanden, het oude leventje dan weer op, dat pad van genot dat de geconditioneerde ziel onder de invloed van mâyâ begaat, waarin hij er tot aan zijn dood geen zier van begrijpt. (20) Koning Rahûgana, u, zeker eveneens op dit pad van het materiële bestaan, zal, als u eenmaal de roede der bestraffing hebt opgegeven en u zich vriendelijk gedraagt jegens alle wezens, door middel van dienst aan de Heer iemand zijn die zich in zijn geest niet langer voelt aangetrokken tot het onware; maak nu, met het gewette zwaard der kennis in de hand de oversteek naar het allerhoogste van gene zijde!'

(21) De koning zei: 'Helaas, o beste onder de geborenen, wat heeft het voor nut om, geboren in de menselijke gedaante, om enkel van een hogere geboorte te zijn? Er is inderdaad niets superieurs aan als we in een nieuw bestaan niet de weelde kunnen genieten van omgang hebben met de waarlijk groten wiens harten zijn gezuiverd in de glorie van Hrisîkes'a [de Heer en meester der zinnen]. (22) Is het in feite niet wonderlijk volledig bevrijd te zijn door het stof van uw lotusvoeten van liefde en toewijding jegens Adhokshaja [de Heer in het Voorbije], door wiens gezelschap men in een oogwenk bevrijd raakt van alle materiële smetten en eveneens de wortel van het gebrek aan onderscheid dat men heeft met valse argumenten volledig wordt overwonnen? (23) Laat er mijn respectvol eerbetoon zijn jegens de grote persoonlijkheden, of ze nu ten tonele verschijnen als jongens, als jonge mannen of als wereldverzakers; laat, van al die zelfgerealiseerde zielen der bovenzinnelijkheid die deze aarde bewandelen in verschillende gedaanten, er het heil van het geluk zijn voor al de dynastieën!'

(24) S'rî S'uka zei: 'Op deze manier, o zoon van Uttarâ [Parîkchit], wijdde hij, die zoon der brahmaanse wijsheid, hoewel beledigd, door de kwaliteit van zijn eigen zachtgeaardheid en de superioriteit van zijn spirituele realisatie, voor de heerser van Sindhu uit over de feitelijke werkelijkheid van de ziel; met Rahûgana zo spijtig, was hij wiens lotusvoeten werden aanbeden, van een hart waarin, zoals in een volle oceaan, al de golven van het zinnelijke volledig tot rust werden gebracht terwijl hij zijn rondtrekken over deze aarde vervolgde [vergelijk 3.25: 21]. (25) De koning van Sauvîra zeker van een verheven positie, kwam tot een volledig begrip van de waarheid van de opperziel; in zichzelf slaagde hij er volledig in het begrip op te geven van een lichamelijk zelf dat hij foutief in onwetendheid aan zijn persoon had toegeschreven, en aldus, o Koning, volgde hij trouw het pad der geestelijke erfopvolging vanaf de Heer. '

(26) De Koning [Parîkchit] zei: 'Dat wat u hier zo terzake kundig beschreef, o grootste der wijsheid, in beeldspraken over de individuele ziel zijn pad in het materieel bestaan, is vervat in woorden begrijpelijk voor de geesten der geschoolden, niet zo zeer direct voor de gewone man met minder ervaring; derhalve, voor het heil van een volledig begrip van deze zo moeilijk te bevatten materie, zou u het alstublieft kunnen beschrijven door ons de exacte betekenis te vertellen?'

 

 

Hoofdstuk 14  

De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot.

(1) De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan, met name redenerend naar de geaardheden der goedheid en dergelijke, uit van het verkeerde standpunt; soms krijgen ze het gunstige, soms het ongunstige en soms hebben ze een combinatie van beide. Op basis van de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing dat zich kenmerkt door het telkens opnieuw opgeven van het ene lichaam en het weer oppakken van een nieuw lichaam. Op dat moeizame pad zich door het dichte woud van het materiële bestaan bewegend kan het zo gebeuren dat van Vishnu, de Opperheer die de Beheerser is, de gebonden ziel die handelt onder invloed van mâyâ, het illusoire van de materie, in dezen precies als een koopman is met een verlangd object die uit is op het geld. Met zijn lichaam optredend terwille van de baten, ervaart hij de materiële wereld waarin hij is beland als was het een begraafplaats, daar hij tot op dat moment niet succesvol is geweest en allerlei moeilijkheden ondervond in het niet vorderen op de weg van het navolgen der toegewijden, de hommels, aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers die aan de ervaren ellende een einde zouden maken. (2) Op basis van de gegarandeerde activiteit van de zinnen lijdt het geen twijfel dat dezen, met welk klein beetje welvaart ook dat een persoon zich zo plichtsgetrouw verwierf na zo veel zware arbeid, zijn plunderaars zouden kunnen worden genoemd. Zonder pardon plunderen ze de begeertige ziel die de controle kwijt is en op het verkeerde pad is geraakt, met de manier waarop hij het vanuit zijn thuissituatie houdt op zinsbevrediging in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken van al het goed verworven; een kwestie waarvan de wijzen uitroepen dat het, religieus de praktijk der principes aanhoudend, alleen maar leidt tot een beter leven in het hiernamaals als men, met het brengen van offers, trouw is in het aanbidden van de Heer. (3) In dezen doen de leden van zijn familie, beginnend bij zijn vrouw en kinderen, zich voor als tijgers en jakhalzen daar voorzeker, temidden van het gezin dat hij boven alles tracht te beschermen, hij ellendig pogend zijn weelde niet te vergooien, zich als een lam voelt dat gewelddadig wordt gegrepen. (4) Zo zeker als een akker die jaarlijks wordt omgeploegd nog steeds de zaden van de struiken, grassen en het onkruid bevat dat opnieuw, net als in welke tuin ook, opschiet met de ingezaaide planten, zal zich dit zeer zeker ook voordoen in het handelingsgebied van het gezinsleven, als men er niet zeker van is dat alle karma is overwonnen; daarom wordt deze wereld de bewaarplaats van het baatzuchtig verlangen genoemd. (5) Verloren in dat bestaan, zich somtijds op deze materiële weg door het bestaan rondbewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven gelijk aan ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend in haar baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld, waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen. (6) Daar [in die menselijke wereld] is hij dan ook, soms alsof hij een fata morgana najaagt in zijn ijver te eten en te drinken en sex te hebben en dergelijke, een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen. (7) Somtijds, als iemand geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een eindeloze bron van fouten is, probeert hij zich goud toe te eigenen, precies als iemand die op zoek naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is. (8) Op deze manier wordt een persoon in dit materiële woud bij tijden volledig in beslag genomen in het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde, die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht. (9) Soms beklimt hij ook, in het holst van de nacht, gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, een verleidelijke vrouw; in een totaal veronachtzamen van een hogere kijk verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid van de zon en de maan, iedere notie in zijn overmand zijn door een geest vol lust. (10) Zo nu en dan, voor een ogenblik, ontwaakt hij voor de werkelijkheid van de betekenisloosheid van het lichamelijk begrip van zichzelf dat zijn heugenis vernietigde en waarvan hij zeker op de voorwerpen van zijn zinnen uitwas als betrof het het water van een luchtspiegeling. (11) Soms, precies als met de doordringende, herhaalde, typische, geluiden van uilen en krekels, is er direct of indirect de irritatie opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart verdriet bezorgen. (12) Als de geconditioneerde ziel [dat wat hij verkreeg door] zijn goede daden in zijn voorgaande leven(s) heeft uitgeput en te dien tijde de rijken benadert met hun dode zielen, dan is hij zelve van binnen net zo dood, daar ze gelijk de kâraskara, kâkatunda en dergelijke [niet vruchtdragende bomen] zijn; net als bedorven putten, zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (13) Zo gauw hij, in minachting voor het gezag, uit is op de omgang met het onware, gedraagt hij zich alsof hij in ondiepe wateren duikt en begeeft hij, vanaf welke kant hij de prong ook waagt, zich op het pad der goddeloosheid, ondanks het leed dat dat met zich meebrengt. (14) Als hij, andere plannen ten spijt armlastig zijnde, blind voor zichzelf van zijn vader en zijn zoons niet zijn deel kan krijgen, zal hij dan zeker met zijn familie en verwanten moeilijk doen over zaken zo onbeduidend als een grasspriet. (15) Bij tijden het leven thuis ervarend als een bosbrand die niets goeds oplevert en alleen maar meer en meer verdriet bezorgt, belandt hij, verteerd door het vuur van verdriet, in de diepste ontgoocheling. (16) Soms door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, wordt de gekoesterde weelde weggekaapt en blijft hij, verstoken van heel zijn goede leventje, achter als een lijk dat zijn laatste levensadem uitblies. (17) Het doet zich ook voor dat hij zich inbeeldt dat het niet langer bestaande van zijn overleden vader en grootvader weer bestaat, en zo denkend vindt hij die de materie najaagt dan het geluk van schijnwerelden. (18) Soms, als een huishouder de gedragsregels volgend voor het baatzuchtig handelen, wil hij de steilste berg beklimmen en weeklaagt hij, heetgebakerd met een geest uit op de materie, alsof hij beland is in een veld vol van doornen en scherpe stenen. (19) Nu en dan niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, raakt zijn geduld op en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (20) Hij die zo zeker bij herhaling is verzwolgen door de python van de slaap is, in beslag genomen door onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat, eenzaam in het woud achtergelaten, daar ligt zonder nog langer ook maar iets te weten. (21) Zo nu en dan met zijn tanden gebroken op de afgunst van zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de blinde put der illusie met een bewustzijn dat in verval raakt als gevolg van een uitputtend gepieker. (22) En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete druppels van verlangen van een andere vrouw of de rijkdom van iemand anders, hij zich die toeëigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en aldus beland in een onvergelijkelijk hels bestaan.

(23) Welnu, om deze reden is het zo dat de vedische autoriteit beweert dat het geen twijfel lijdt dat het baatzuchtig handelen van een levend wezen er de reden van is dat hij vastzit in deze oceaan der materie. (24) Daarvan vrijgekomen, als hij erin slaagt aan de bestraffing te ontkomen, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt op zijn beurt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] dat hem weer afhandig, en aldus gaat de rijkdom van de een over naar de ander. (25) Het doet zich ook voor dat men door de verschillende oorzaken der natuur, zoals hitte en kou, van andere levende wezens en van het eigen lichaam en de eigen geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8] men niet in staat is de ellendige omstandigheden het hoofd te bieden, zodat men zwaar gehinderd blijft zitten met angsten en depressies. (26) Soms, handel drijvend met elkaar, ontstaat er, om het kleinste beetje geld of kleinigheidje zich toegeëigend, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege het bedrog. (27) Op die weg van het materieel bestaan treft men al deze eindeloze moeilijkheden aan die men zo heeft met geluk, ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood enzovoorts. (28) Ergens, onder de invloed van de bedrieglijke energie, mâyâ, raakt hij, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgaan van alle intelligentie en wijsheid; in de wens haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft zijn hart in die zorg en wordt zijn bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoons en dochters onder de hoede van moeder de vrouw. De controle over zichzelf kwijt wordt hij in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen.

(29) Zo gebeurt het dat van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn cakra of schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van het ronddraaien ervan, waarmee na de nodige tijd, gezwind voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Direct voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men zeker bang van hart ['de leeuw']. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt hij voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zijn zelfverzonnen goden die door de geschriften der beschaving worden ontkend en die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien. (30) Als de geconditioneerde ziel door de atheïsten die zelf bedrogen zijn zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt hij zijn heil bij de school der brahmanen, maar met hen als moeilijke mensen geen bevrediging vindend in het goede karakter van het te werk gaan met de heilige draad naar principe en de Schrift, noch dat vindend in de zekere cultuur van het aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering met het vervullen van de plichten, wendt hij zich tot het gezelschap van werknemers die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de vedische voorschriften, en van hen in een materialistisch seksleven de familie in standhoudend, treft hij zichzelf dan aan in het gezelschap van die lieden die denken dat ze zich hebben ontwikkeld uit de apen. (31) In die omstandigheid zonder de geringste twijfel naar eigen gezag genietend als apen traag van begrip, vergeten ze hoe kortstondig het bestaan is in hun, enkel voor het fraaie uiterlijk van elkaar, smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (32) Verrukt in hun huizen waarin als in bomen, ze precies als apen naar een groter gemak uitzien, brengen ze hun tijd door met het zorgen voor en plezier maken met hun vrouw en kinderen. (33) Aldus is geconditioneerde ziel gevangen op het pad der zinnelijkheid en verwijlt hij, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis zo diep als die van een berggrot. (34-35) Soms raakt hij [zoals gezegd] door zijn onvermogen het onoverkomelijke van de vele ellende van de hitte en kou der natuur, andere wezens en zijn eigen bestaan, bevangen door droefenis vanwege de zinsbevrediging - ongeacht wat voor beetje weelde hij ook in transacties, soms met bedrog, verworven moge hebben. (36) Nu en dan zonder geld zittend en verstoken van voorzieningen om te slapen, te zitten, en te eten, heeft hij, zo lang als hij niet succesvol is, als gevolg van wat hij in zijn vastbeslotenheid op een oneerlijke manier verwierf, in zijn verlangen, de beledigingen en bestraffingen van de mensen te verduren als gevolg daarvan. (37) Hoewel men zich door financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die daaropvolgend, op die basis van de valse noties, consequent weer in scheidingen eindigen. (38) Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de ellende van het bestaan, waarbij de geconditioneerde ziel zelf of iemand anders soms denkt gewonnen te hebben en soms denkt het verloren te hebben, verwanten opgevend en nieuw geborenen aanvaardend. Daarin vindt men een hoop verdriet, illusie en vrees, waarover men hardop huilt bij tijden en somtijds in vreugde aan het zingen is. Met uitzondering van de heilige zielen keert die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang, tot op de dag van vandaag zelfs niet terug naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn bestaan vond en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (39) Niet de instructies van de yoga opvolgend noch dit pad wordt [door hen] dit verblijf nooit verworven, dat door de wijzen, die deemoedig in vrede levend de geest en de zinnen onder controle hebben, met gemak wordt bereikt. (40) Hoe zegerijk ook op allerlei gebied, hoe deskundig ze ook waren in alle offers; allen die waarlijk de wijste koningen waren, waren slechts van de aarde in het laten van hun levens, ze opgevend in de strijd, in het inderdaad gedood worden door de gecreëerde vijandigheid met anderen en door het zeggen van 'mijn' tegen dingen. [vergelijk 1.2: 13]. (41) De toevlucht zoekend van de omhelzing der baatzuchtige arbeid belandt men, met die riskante positie op de een of andere manier gevrijwaard van een hels bestaan, op die wijze zich bevindend op het pad der materiële behartiging, opnieuw in de wereld van het menselijke eigenbelang, ook al schopte men het tot een hoger bestaan.

(42) Er is niet één koning in staat het pad te volgen van dit wat hier is bezongen van die grote ziel Jada Bharata die de zoon is van Rishabhadeva, de grote heilige koning; net zoals een vlieg er niet toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (43) Het was hij die de weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf; verzot op Uttamas'loka, de Heer geprezen, verzaakte hij, alsof het uitwerpselen betrof, nog maar in zijn jonge jaren dat wat in de kern van het hart ligt besloten . (44) Voor hen wiens geesten worden aangetrokken tot de liefdevolle dienst aan de doder van Madhu [Krishna] opgebracht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op te geven is, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (45) 'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad, zelfs toen hij verkeerde in het lichaam van een hert. (46) Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal langer leven, fortuinlijker zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken of het pad van de bevrijding vinden; het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal voorzeker iemand alle mogelijke zegen brengen en hem in relatie tot anderen niets meer te verlangen overlaten.

 

 

Hoofdstuk 15  

De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, die de naam Sumati droeg, zal, door sommige ketters die het pad van Rishabha volgen en wie het ontbreekt aan de nodige beschaving, in dit Kalitijdperk, naar een eigengereid ondeugdelijk idee haaks op de Veda, als een godheid worden voorgesteld [zie ook 5.6: 9]. (2) Door Sumati kwam uit de baarmoeder van zijn vrouw Vriddhasenâ een zoon ter wereld genaamd Devatâjit. (3) Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren met de naam Devadyumna. Van hem was er van Dhenumatî de zoon Parameshthhî van wie uit Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen. (4) Hij, tijdens zijn leven velen onderrichtend in de wetenschap der zelfverwerkelijking, was persoonlijk ver gevorderd in een volmaakt begrip van de grote Oorspronkelijke Persoonlijkheid. (5) Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ vonden de drie zoons Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ hun bestaan, die allen bedreven waren in het vedisch ritueel, en van Pratihartâ bracht Stutî de twee zoons Aja en Bhûmâ ter wereld. (6) Van Bhûmâ zijn vrouw Rishikulyâ was er Udgîtha, van hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en in Prastâva zijn vrouw Niyutsâ werd de zoon Vibhu verwekt. Uit Vibhu zijn echtgenote Ratî werd eveneens Prithushena geboren uit wie Nakta uit Âkûti werd geboren. Van Nakta was er een zoon uit Druti: Gaya. Hij was een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn zedelijkheid daar hij rechtstreeks zijn geboorte vond uit de Allerhoogste Heer Vishnu met als doel de hele wereld te beschermen. Hij, verwekt uit zuivere goedheid, werd herkend als onlosmakelijk deel uitmakend [kalâ] van de Allerhoogste Ziel en bereikte het de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] te zijn in de samenleving. (7) Waarheidlievend in zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen ze onderhoudend [poshana]; hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana] ze behandelend als zijn kinderen [upalâlana], bij tijden ze terechtwijzend als hun koning [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze ceremoniën uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en levensbron van alle wezens, het Allerhoogste Brahman. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten, en door zijn dienst aan de lotusvoeten der zelfgerealiseerden, bracht hij het tot de toegewijde dienst aan de Opperheer daar hij, eveneens in het zuiverste bewustzijn voortdurend in zichzelf verzonken zijnd, persoonlijk de beëindiging had gerealiseerd van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks dat hij zich de verhevenheid van zijn spirituele positie bewust was, bleef hij zonder enig vals prestige in zijn op deze manier strikt naar de vedische beginselen heersen over de gehele wereld.'

(8) 'O zoon van Pându, voor het aanprijzen van Gaya zijn het deze poëtische verzen die worden gezongen door hen die thuis zijn in de waarheid van de Purâna: (9) 'Het was koning Gaya die door zijn opvoeren van de rituelen de weg terug naar alle offers wees; door de gehele wereld gerespecteerd vanwege de alomvattendheid van zijn vedisch bewustzijn is hij, als de verdediger der rechtschapenheid met alle soorten van weelde, de voorganger in de vergadering der waarachtigen, en is hij, behalve dat hij integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer, de dienaar der toegewijden en allen daaraan verwant. (10) Alle vrouwen kuis en toegewijd baadden hem, in gewijd water, met grote voldoening als de ware die de zegeningen van de dochters van Daksha verdient; zoals uit de koe van moeder aarde spontaan de melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig, al de wensen van de mensen op deze planeet. (11) Het zonder eigen verlangens in respect verkeren voor ieder onderdeel van de Veda's, bracht hen alles wat verlangd werd en de gehele royalty, tevreden over de positie die hij had ingenomen ter verdediging van de principes, betoonde hem navenant de eer, precies zoals de brahmanen dat deden met het wijden van één-zesde van hun zegeningen aan zijn leven na zijn dood. (12) Door hem raakte, door zijn werkwijze ten dienste van de Allerhoogste Heer, de Ziel van het Offer, koning Indra zwaar onder invloed van het drinken van alle soma; het resultaat van zijn offeren in aanbidding werd [door Vishnu] persoonlijk aanvaard vanwege zijn zuiverheid in devotie en standvastigheid in toegewijde dienst. (13) Zoals hij, als de handhaver van allen, door de tevredenheid die hij schonk in het offerperk, van Heer Brahmâ af aan al de goden en lagere schepselen, het geheel van de menselijke samenleving en de planten en de grassen zonder omhaal wist te bevredigen, ontleende Hij daadwerkelijk, ookal is Hij in zichzelf volkomen tevreden van aard, grote voldoening aan Gaya.'

(14-15) Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha zijn vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem was er uit Utkalâ Marîci. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu en van Bindu zijn vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop van Madhu zijn vrouw Sumanâ er een zoon kwam Vîravrata geheten. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ was er Bhauvana. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon genaamd Tvashthâ geboren, en uit Tvashthâ zijn vrouw Virocanâ was er een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja zijn echtgenote Vishûcî namen, met S'atajit aan het hoofd, een honderdtal zonen zowel als een dochter hun geboorte.

(16) Van deze dynastie afstammend van Priyavrata [zie 5.1] is er het volgende vers: 'In zijn vermaardheid is Viraja, die een honderdtal zonen had, een zinnebeeld zo groot als Heer Vishnu dat is voor de halfgoden.'

 

 

Hoofdstuk 16  

Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

(1) De koning [Parîkchit] zei: 'U heeft het [in 5.1: 31-33] al gehad over de sfeer van de zeven toevluchtsoorden [Bhû-mandala]: dat die zich uitstrekt zo ver als de zon reikt en zover als de maan en de talloze sterren zijn te zien. (2) Omdat Priyavrata in zijn wagen rondging [zie 5.1: 30-31] waren door de zeven groeven de oceanen geschapen die de zeven afzonderlijke eilanden scheidden; dit hebt u duidelijk beschreven o allergrootste en wat betreft dit onderwerp van studie zou ik graag alles willen weten van de afmetingen en de kenmerken in kwestie. (3) Naar de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer in Zijn aanvaarden van de stoffelijke vorm [van het universum] treffen we, ondanks inderdaad de geest daarover, binnenin het hart [als de paramâtmâ] Zijn kleinere gestalte aan als het licht in de ziel, als de allerhoogste geestelijke bestaansvorm; o beste leraar, alstublieft vertel me hoe Hij, bekend als de Grote Heer Vâsudeva, aldus als een feitelijk iets kan worden verstaan.

(4) De rishi zei: 'O grote Koning, er is geen einde aan de transformaties van de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer; hoewel zelfs niet een persoon zo lang levend als Brahmâ in staat is het in woorden uit te drukken of het zelfs maar te begrijpen, zal ik niettemin trachten uit te leggen wat in het bijzonder van de plaatsen van bestaan in het materiële universum in één [Bhûloka] kan worden gezegd in termen van namen, vormen en verhoudingen. (5) Wat ook [men zou kunnen zeggen van de afmeting] van dit afgezonderde gebied ['eiland' of dvîpa], deze innerlijke werveling van de zich in de nacht ontvouwende lotusbloem die net zo rond is als een lotusblad, zou van een schrikwekkend aantal yojana's zijn [als maat voor de afstand, lichtjaren zoals we dat dezer dagen zeggen in relatie tot het sterrenstelsel]. (6) Daarin treft men negen onderverdelingen aan ['jaren' of 'gebieden gescheiden door bergen'; varsha's] van negen keer duizend yojana's die keurig zijn afgescheiden door acht afgrenzingen van steen ['bergketens', 'spiraalarmen' of giri]. (7) Onder dezen bevindt zich een afdeling in de middelste navel genaamd Ilâvrita die er geheel goud uitziet en bekend staat als de beroemdste aller bergen, de berg Meru, die zich zo ver naar boven uitstrekt als die, als een gebied, breed is en welke van dit lotusachtig ontvouwen universum het zaadbeginsel is dat een tweeëndertigduizend yojana's aan de basis beslaat met zo'n zestienduizend yojana's reikend naar de top en naar beneden[volgens de moderne astronomie is ons sterrenstelsel ongeveer zevenduizend lichtjaren dik]. (8) Zich meer en meer ten noorden van Ilâvrita uitstrekkend [geprojecteerd op de aardbol] treft men drie berggebieden aan genaamd Nîla, S'veta en S'ringavân, die ieder ééntiende kleiner zijn in hun afbakenen van de varsha's Ramyaka, Hiranmaya en Kuru, die, [naar verhouding] elk tweeduizend yojana's breed, ten oosten en ten westen zich uitstrekkend de Kshâroda oceaan hebben [de 'zoute']. (9) Dienovereenkomstig zijn er ten zuiden van Ilâvrita de Nishadha, Hemakûtha en Himâlaya berggebieden die zich met een massa van duizenden yojana's naar het oosten uitstrekken en daarbij eenzelfde aantal varsha's afbakenen die Hari, Kimpurusha en Bhârata worden genoemd. (10) Net zo zijn er ten westen van Ilâvrita zowel als aan de oostelijke kant de afscheidingen van de westelijke Mâlyavân en de oostelijke Gandhamâdana berggebieden die voor een [verhoudingsgewijze] tweeduizend yojana's zich naar het noorden uitstrekken tot aan de berg Nîla en naar het zuiden tot aan de berg Nishadha en zo de begrenzing vormen van de varsha's genaamd Ketumâla en Bhadras'va. (11) De bergen genaamd de Mandara, Merumandara, Supârs'va en de Kumuda vormen aan vier kanten een gordel rondom Meru die zich massief voor vele vele yojana's uitstrekt.

(12) Op deze vier bergen treft men er staand als vlaggenmasten, verspreid over wel duizend yojana's, vier soorten van de beste der bomen aan: de mango, de roosappel, de kadamba en de banyan, die met hun takken honderden van yojana's bedekken. (13-14) Er zijn daar vier meren van het zuiverste water, melk, honing, en suikerrietsap alsook de vier tuinen Nandâna, Caitraratha, Vaibhrâjaka en Sarvatobhadra - de goddelijken die daar verblijven met het genieten van dit alles, hebben een natuurlijke beheersing van de yoga, o beste der Bharata dynastie. (15) Daar houden de betoverde en betoverende echtgenotes van de besten van hen, van inderdaad de echtgenoten die door de mindere goden worden verheerlijkt in lofzangen, zich bezig met hun spel en vermaak. (16) Op de hellingen van de Mandara vallen, op elfhonderd [virtuele] yojana's van de top, van de mangoboom genaamd de Devacûta vruchten naar beneden zoet als nectar die zo groot zijn als bergtoppen. (17) Van al de opengebarsten mango's vloeit in grote hoeveelheden het roodkleurig sap dat zeer zoet is en geurig, vermengd als het is met andere aroma's; het komt aan de oostelijke kant van de top van de berg Mandara naar beneden in een rivier genaamd de Arunodâ. (18) Van Bhavânî [de vrouw van S'iva], haar dienstmaagden en de kuise vrouwen der Yaksha's [S'iva's volgelingen] die dit water gebruiken, wordt de wind in aanraking met hun ledematen geurig voor wel tien yojana's in de wijde omtrek. (19) Dienovereenkomstig vloeit van de roosappelvruchten die met hun kleine zaden in stukken zijn gebarsten door van een hoogte van zo'n tienduizend yojana's vanaf de top van de Merumandara op de grond te vallen, het sap naar beneden in een rivier de Jambû-nadî genaamd die stroomt door het gehele zuidelijke gebied van Ilâvrita zelf. (20-21) De modder van de beide oevers, die volledig doordrenkt is met dat sap, levert, opgedroogd onder de invloed van de wind en de zon, zonder ophouden een soort van goud op genaamd Jâmbû-nada, dat, door de bewoners van de hemel gebruikt, daadwerkelijk de halfgoden met hun eeuwig jeugdige echtgenotes het bezit van allerlei soorten van sieraden verschaft in de vorm van gordels, helmen, armbanden en zo meer. (22) Maar van de mahâkadamba die aan de kant van de Supârs'va berg staat vloeien uit de holten meters brede stromen van honing [vijf vyâma's van ongeveer anderhalve meter breed] die van de top van die bergen naar beneden komen om de gehele westelijke kant van Ilâvrita te verzadigen met hun geur. (23) Die stroom parfumeert zodoende, door de adem uit de monden van hen die ervan dronken, de lucht zoet voor zo'n honderd yojana's in de omtrek. (24) Zo ook stromen van de top van de berg de Kumuda, waarop een banyanboom groeit die met zijn dikke stammen de S'atavals'a ['honderdstam'] wordt genoemd, grote rivieren naar de noordelijke zijde van Ilâvrita, die gelukkig maken in het vervullen van alle verlangens door een overvloed aan melk, yoghurt, honing, geklaarde boter, stroop, graan enzovoorts met zich mee te brengen, zowel als een zekere weelde aan kledij, beddengoed, zitplaatsen, sieraden en meer van dat alles. (25) Van deze geneugten hebben de bewoners in het volle gebruik van hen voorzeker nooit te lijden onder rimpels, grijs haar, vermoeidheid, slecht ruikende transpiratie, ouderdom, ziekten, een vroegtijdige dood, kou of hitte, een afnemende luister of welke soort van ellende en lijden dan ook; zolang ze leven zijn ze enkel van een onbeperkt geluk.

(26) Als de bloemdelen van een lotus wervelt zich rondom de voet van de berg Meru een schikking van twintig of meer pieken die namen dragen als de Kuranga, Kurara, Kusumbha, Vaikanka, Trikûtha, S'is'ira, Patanga, Rucaka, Nishadha, Sinîvâsa, Kapila, S'ankha, Vaidûrya, Jârudhi, Hamsa, Rishabha, Nâga, Kâlañjara en de Nârada. (27) De berg Meru met zijn gouden schittering als vuur, is omgeven door acht bergen waarvan de twee in het oosten de Jathhara en de Devakûtha worden genoemd, de twee in het westen de Pavana en de Pâriyâtra, de twee in het zuiden de Kailâsa en de Karavîra en de twee in het noorden de Tris'ringa en de Makara. Een ieder hebben ze een omvang van [een hemelse] tweeduizend yojana's, waarbij ze samen zo'n achttienduizend vierkante yojana's bestrijken. (28) Op de top van de berg Meru bevindt zich in het midden de thuishaven, de stad van de meest machtige die uit zichzelf ontstond [Heer Brahmâ], die zich naar alle zijden voor vele duizenden yojanas uitstrekt [onze melkweg doet dat voor zo'n zesentwintigduizend lichtjaren naar de centrale vorm en 40 tot 60 duizend lichtjaren in diameter, vergelijk vers 7] en waarvan de wijzen zeggen dat ze geheel en al goud is. (29) Rondom die kern worden in iedere richting de acht steden van de heersers over de planetaire systemen aangetroffen (*) die vier keer zo klein zijnde een gelijksoortige vorm hebben.

*: De plaats van Brahmâ wordt Manovatî genoemd, en die van zijn assistenten zoals Indra en Agni staan bekend als Âmarâvatî, Tejovatî, Samyamanî, Krishnânganâ, S'raddhâvatî, Gandhavatî, Mahodayâ en Yas'ovatî.

 

 

 Hoofdstuk 17  

Hoe de Ganges naar Beneden Komt

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de incarnatie van Heer Vishnu, die rechtstreeks de genieter van alle offers is, Zijn tweede stap nam [als Heer Vâmana, zie 2.7: 17], stootte Hij met de nagel van de grote teen van Zijn linker voet door het hemeldak van het universum. De stroom water die van buiten door het gat naar binnen kwam vernietigt, roze gekleurd door het wegwassen van het rode poeder van Zijn lotusvoeten, de zonden van de hele wereld die er mee in aanraking komt; omdat het rechtstreeks van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer komt, wordt het omschreven als volkomen zuiver en krijgt het aldus die naam [de Ganges als de Vishnupadî], na een lange tijd, uit de hemel te zijn neergedaald op het hoofd van dat wat ze de toevlucht van Vishnu noemen. (2) Daar, op dat punt, baadt zowaar onze meest verheven, vast overtuigde toegewijde, de beroemde zoon [Dhruva, zie 4: 8] van Uttânapâda, zich in het water van de lotusvoeten van de familie-godheid, waarbij de beide bloemgelijke geloken ogen tranen vertonen als teken van de extase in zijn lichaam. Met de grote angst in zijn hart goeddeels verzacht en zijn spontane toegewijde dienst aan de Heer steeds meer toenemend, draagt hij met het water vrij van smetten dat vrijkomt, het zelfs nu nog met grote eerbied op zijn hoofd. (3) Daarna dragen ook de zeven wijzen [Marîci, Vasishthha, Atri en zo verder, zie 3.12: 22], wel bekend met de zegening, het zelfs op dit moment met de grootste eer op hun samengeklitte haar; ze beschouwen inderdaad, van alle boetedoeningen, het als de allerhoogste vervolmaking om dermate van een ononderbroken toegewijde dienst te zijn in de bhakti-yoga met de Allerhoogste Heer, de alles doorvarende Vâsudeva. Door eenvoudig het tot deze hoogte te brengen waren ze zeer zeker zonder enige interesse voor welke andere vorm van realisatie van de perfectie ook, zoals een [nirvis'esha-vâdi, of onpersoonlijke] bevrijding, of voor dat wat door personen wordt verkregen door andere manieren om de bevrijding te vinden [zoals economische ontwikkeling, zinsbevrediging of religie]. (4) Daarna valt het neer op de verblijfplaats van Brahmâ, in haar nederdalen de sfeer van de maan overspoelend waar de duizenden en miljoenen van de soorten van goddelijke paleizen [vimâna's, of: 'vliegtuigen' genaamd] van de goden in hun verheven leven zich samenpakken. (5) Daar wordt het verdeeld in vier takken die ieder overvloedig in de vier windrichtingen stromen op weg naar hun grote vergaarbekken de oceaan, daarin uitkomend met de namen Sîtâ en Alakanandâ, Cakshu en Bhadra. (6) De Sîtâ die haar oorsprong vindt in de stad van Brahmâ, stroomt van de toppen van de Kesarâcala en van andere grote bergen naar beneden. Gevallen op de top van de berg Gandhamâdana mondt ze in de provincie Bhadrâs'va in westelijke richting bewegend uit in de zoute oceaan. (7) Ook op deze manier naar beneden vallend van de top van de Mâlyavân stroomt het water daarna ongehinderd in de westelijke richting door het land van Ketumâla om aldaar in de oceaan uit te komen. (8) De Bhadrâ, die van de berg Meru naar beneden komt vanaf de top van de berg Kumuda, stroomt in het noorden door de bergen Nîla en S'ringavân om van die pieken in noordelijke richting naar beneden te stromen door het gehele gebied van Kuru om zo de oceaan in het noorden binnen te gaan. (9) Dienovereenkomstig gaat de Alakanandâ vanaf de zuidelijke kant van de Brahmâpuri over vele bergtoppen en stroomt de Ganges met een groter, heftiger geweld, van de Hemakûtha en de Himakûtha naar beneden om Bhârata-varsha van alle kanten te doorsnijden, het zich zuidwaarts bewegen naar de oceaan. Voor degene die in haar stapte om zich te baden is zo het resultaat van grote offers als de As'vamedha en de Râjasûya, bij iedere stap niet moeilijk te verkrijgen.  (10) Vele soorten van andere rivieren en stromen bewegen zich door iedere landstreek en de vele honderden van hen behoort men allen te beschouwen als dochters van de berg Meru. 

(11)Van al deze varsha's is voorzeker het land bekend als Bhârata-varsha [India] het veld waar men aan zijn karma werkt, terwijl de overige andere acht varsha's voor de verdienstelijke lieden van goede daden aangewezen zijn als de hemelse oorden op aarde om van de geneugten des levens te genieten. (12) Daar genieten allen voor duizend jaren hun levens, allen die, net als de goden, zo sterk zijn als duizend olifanten met lichamen als bliksemstralen. Jeugdig en in opwinding over een grote mate aan seksueel genoegen, gaan ze als man en vrouw verbintenissen aan, aan het eind van hun periode van liefde bedrijven een kind verwekkend; ze kennen daar tijden van harmonieus leven, die gelijk zijn aan die men had in Tretâ-Yuga [de periode waarin de mensen vroom leefden]. (13) In ieder van die landen schort het de godgelijke leiders naar hun eigen deugd van dienst nimmer aan kostbaarheden en hebben ze gedurende alle seizoenen bossen bloemen zowel als vruchten waarvan de takken zwaar doorbuigen. De tuinen bij hun vele goddelijke verblijven staan vol met de prachtigste bomen en klimplanten met vele meren van kristalhelder water in de dalen van de berggebieden die hun landen afbakenen. In die meren treft men allerhande geurige, frisse lelies aan met zoemende hommels, gretige grote zwanen, eenden, kraanvogels, en andere watervogels. Ze genieten daar van allerlei watersporten, lustig glimlachend met hun speelse blikken de aantrekkelijke godgelijke vrouwen het hof makend, die zich vrijelijk vermaken met de grootste vreugde, een gretig oog en een bekoorde geest.  (14) Zeker toont de Allerhoogste Heer Narâyâna, de grote persoonlijkheid, genade voor Zijn toegewijden in al deze negen varsha's, door persoonlijk de werkelijkheid van de ziel op te wekken [middels zijn viervoudige gedaante van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha zie 4.24: 35-36]; tot op de dag van vandaag verblijft Hij aldus in de nabijheid van Zijn toegewijden om hun dienst te aanvaarden (*). 

(15) In Ilâvrita-varsha is zeker Heer S'iva de enige opperheer; zeker zal iedere andere man behalve Hij, die daar met geweld binnendringt, te weten komen wat tot de vloek van Bhavânî [Zijn echtgenote] leidt, en in een vrouw veranderen; daarover zal ik later uitweiden [zie 9.1]. (16) In het gezelschap van Bhavânî bevinden zich tien biljoen vrouwen door wie de in vieren geëxpandeerde Opperheer altijd wordt gediend. De vierde expansie van de Allerhoogste Heer, die bekend staat als Sankarshana, is voor de gedaante van Zichzelf in de geaardheid duisternis de bron; hij, Heer S'iva, in trance mediterend op Hem, brengt Hem nabij in aanbidding duidelijk het volgende chantend. (17) Het machtige Heerschap zegt: 'Ik buig me voor U o Allerhoogste Heer, o grootste Oorspronkelijke Persoonlijkheid en reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten; U bent de onbegrensde en ongeziene Ene binnen deze wereld die ik aanbid. (18) O aanbiddelijke wiens voeten alle gevaar afwenden; U van wie we al de verschillende vormen van weelde hebben, bent de beste, de uiteindelijke toevlucht onschatbaar voor de toegewijden tot wiens tevredenheid U zich manifesteert in verschillende gedaanten; ik bezing Uw heerlijkheid, U die een einde maakt aan de herhaling van geboorte en dood, U, de Allerhoogste Beheerser, die de oorsprong van de schepping zijt.  (19) Wie van ons die niet de beheersing heeft over het geweld van de woede, maar de ambitie heeft de zinnen te beheersen en controle uit te oefenen, zou niet van aanbidding zijn voor U, wiens visie, Uw blik werpend, nimmer, niet in de geringste mate, is aangedaan door de rusteloze geest naar de kwaliteiten van mâyâ?  (20) Voor iemand met een oog voor het onware doet U zich voor als hebbende koperrode ogen, alsof U beschonken zou zijn onder de invloed van mâyâ, met het gedronken hebben van de honingzoete likeur; het was echter niet vanwege hun verlegenheid dat zij die in de echt verbonden zijn met de duivel van de slang niet in staat waren om door te gaan met het beroeren van Uw voeten - dat was omdat hun zinnen van streek waren. (21) Door U, zo zeggen al de wijzen, wordt de wereld in stand gehouden, geschapen en vernietigd, terwijl U Zelve bestaat zonder deze drie; als de Onbegrensde, tilt U niet zwaarder aan de universa, die zich bevinden op de honderden en duizenden van Uw kragen, dan aan een mosterdzaadje. (22-23) Uit U, van wie er de meest machtige Heer Brahmâ, het begin, de totale energie van de incarnatie van de materiële kwaliteiten is, werd ik geboren die, uitgerust met het drievoudige, vanuit mijn materiële vermogen de zaak kon regelen van al de zinnen, het godgelijke en de materiële elementen. Van U, die grotere werkelijkheid, onder wiens controle alles en wij, de grote persoonlijkheden, staan in een positie als die van een gier die aan een touw vastzit, roepen ik en de verlosten, wij allen, bij Uw genade, de orde uit over de materie en de zinnen in deze materiële wereld. (24) Door de begoochelende energie door U teweeggebracht, die op ieder gegeven moment de knopen van het karma legt, weet een persoon, verbijsterd door de kwaliteiten van de schepping, niet hoe te ontkomen aan de gevangenschap erin; aan die Allerhoogste [waar wij aldus niet buiten kunnen], aan U in wie alles zijn einde en zijn aanvang vindt, mijn respectvolle eerbetoon.'

*: In sommige van de sâtvata-tantras, is er een beschrijving van de negen varsha's en hun heersende Godheid aanbeden in ieder van hen: (1) Vâsudeva, (2) Sankarshana, (3) Pradyumna, (4) Aniruddha, (5) Narâyâna, (6) Nrisimha, (7) Hayagrîva, (8) Mahâvarâha, en (9) Brahmâ.

 

 

Hoofdstuk 18  

Gebeden tot de Verschillende Avatâra's

(1) S'rî S'uka zei: 'Op dezelfde manier [als Heer S'iva] is de zoon van Dharmarâja, die bekend staat als Bhadras'ravâ, en met hem de leidende edelen en al de mensen van het land van Bhadras'va-varsha, rechtstreeks van aanbidding voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva, in zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie, de incarnatie van Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend heffen zij allen, gefixeerd op het hoogste, deze zang aan. (2) Bhadrasravâ, de heerser spreekt uit: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer die de bron is van alle religieuze beginselen en die ons van alle materiële smetten zuivert; aan Hem dus ons respectvolle eerbetoon. (3) Helaas! Hoe wonderlijk de wegen van de Heer. Er zeker van dat hij voor de dood komt te staan ziet een persoon dit niettemin niet in en denkt hij aan materieel geluk; hoe onterecht is het dat hij het zo verlangt te genieten van een leven voor zichzelf, terwijl hij zijn vader en zijn zoons cremeert! (4) De grote wijzen houden vast aan hun standpunt dat het geheel van de schepping zonder twijfel vergankelijk is en zo stellen dat ook de filosofen en de geleerden; niettemin raken ze bevangen door illusie, o ongeborene, door Uw uitwendige energie, Uw wonderbaarlijke wegen; voor U als die ongeboren Ene, mijn respect. (5) In de Veda's aangenomen als Zich waarlijk bevindend buiten Uw activiteiten van de schepping, de handhaving en het tot staan brengen van het gehele universum, wekt U, hoewel door hen niet beroerd, bij ons geen verbazing, daar we zijn verbonden in U, de oorspronkelijke oorzaak aller oorzaken en de oorspronkelijke substantie die er in alle opzichten los van staat. (6) Aan het eind van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon en van de laagste werelden werden ze door U, de gedaante aannemend van half een paard, half een mens, weer teruggebracht naar de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg; mijn eerbetuigingen voor Hem, voor U wiens besluit nimmer faalt.'

(7) In Hari-varsha, bevindt zich eveneens de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer als God in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die hoogst bevredigende gedaante aannam voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Prahlâda, deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, niet aflatende toegewijde dienst en zij aanbidden Hem onder aanhef van deze lofprijzing: (8) 'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U neer, mijn eerbetuigingen aan de macht aller macht die U bent; alstublieft manifesteer U volledig - o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn, neemt U alstublieft het verlangen het onware te genieten weg, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen; moge er met mijn offerande er de vrijheid van alle angst zijn, ik bidt U o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen. (9) Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, laat allen die aan het aardse zijn gebonden de vrede vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en de geest rust vinden - laat hen de Heer in het voorbije ervaren, geef onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven. (10) Laat er niet de gehechtheid zijn aan thuis, de echtgenote, de kinderen, een banksaldo en vrienden en verwanten; laat ons verkeren met personen die de Heer liefhebben, personen tevreden met de noodzakelijkheden des levens die - in tegenstelling tot hen voor wie de zinnen dierbaar zijn - in het levend voor de ziel, zeer snel van succes zijn. (11) Door het hebben bereikt van de herhaalde omgang met hen wiens invloed van een ongewone aard is en door het in aanraking komen met de heilige plaatsen, worden voorzeker de onzuiverheden van de geest overwonnen; de ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging, zou inderdaad onzuivere zaken niet van dienst zijn - zo gaat het met Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (12) In hen die, met alle goede kwaliteiten, van een onvermengde toegewijde dienst zijn voor de Fortuinlijke, vind men alle halfgoden terug die van respect zijn voor de Heer - maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die niet toegewijd is, die met zijn mentale speculeren zich druk maakt in de richting van het tijdelijke van de wereld? (13) Zo noodzakelijk als water is voor waterdieren is de Heer, de Allerhoogste, het leven en de ziel voor alle belichaamde wezens; als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht blijven aan het huishoudelijk leven dat dan, voor een echtpaar op leeftijd, een vorm van hoogmoed inhoudt. (14) Het huishoudelijk leven is de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood, en moet om deze redenen worden opgegeven middels het eerbetoon aan de voeten van Heer Nrisimhadev, die de toevlucht is om vrij te kunnen zijn van angst in deze wereld.'

(15) In de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] verblijft de Allerhoogste Heer in Ketumâla ter bevrediging van de Godin van het geluk, alsook van de over het land heersende zonen [de dagen] en de dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] - waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten in een mensenleven zijn. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, belanden, afgedreven, aan het einde van een jaar uit [de baarmoeder] gebannen, erdoor in het werelds ongeluk. (16) Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken en lichtelijk geheven aantrekkelijke wenkbrauwen; goedgunstig met Zijn lotusgelijke gezicht is Hij de Godin van het Geluk en alle zinnen een genoegen. (17) Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin der Schittering in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de echtgenoten, van aanbidding zijnde voor Hem, het volgende gebed aan: (18) 'O Heer, o wijzenlied gezongen, mijn eerbetoon aan U als de Allerhoogste Heer der zinnen, U met achting voor al Uw kwaliteiten en al Uw verscheidenheid, U als de ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie, de Ene bekend als het zestienvoudige (van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest); voor U als de genieter van alle rituelen, de Handhaver en Onderhouder van allen, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Alles-doordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen, de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, mijn respectvolle eerbetuigingen - moge er altijd Uw goede geluk zijn! (19) Voor alle vrouwen van Uw overeenkomst naar de gelofte, bent U de Beheerser van de zinnen die om een echtgenoot wordt gevraagd om voor te zorgen in deze wereld. Als iemand anders voor hen zijn die echtgenoten inderdaad niet in staat de zo geliefde kinderen, weelde en levensduur te beschermen, omdat ze zelf afhankelijk zijn. (20) U zou inderdaad de echtgenoot zijn, vrij van angst en zelfvoorzienend, die ten volle de angstige persoon beschut. Derhalve, omdat U anders van de angst voor elkaar zou zijn, bent U de enige ware; er is waarlijk niets dat men hoger moet achten dan het bereiken van U. (21) Een vrouw die met dat beeld van U vol van verlangen is in de aanbidding van Uw lotusvoeten, wordt door U, ongeacht al die gekoesterde verlangens, beloond in enkel dat verlangen; ziet ze uit naar een andere gunst, dan zal, o mijn Heer, ze breken, pijnlijk getroffen in dat soort van aanbidden met nevenmotieven. (22) De ongeborene [Brahmâ], de beheerser [S'iva] en de andere goden, zowel als de onverlichten, ondergaan zware boete om mijn genade te verwerven; maar omdat ik mijn hart altijd in U heb, zal niemand met een geest die is ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij die persoon met zijn ziel en zaligheid van dienst is aan Uw voeten, o Onoverwinnelijke. (23) Ik bidt dat U, o Onfeilbare, de aanbeden lotushand die U legde op de hoofden van de toegewijden ook op mijn hoofd legt; U hebt mijn merkteken op Uw borst o aanbiddelijke, maar dat is misleidend - wie zou met redeneren en argumenteren in staat zijn te doorgronden wat U als de Allerhoogste Beheerser allemaal van ons wilt?'

(24) In Ramyaka werd voorheen door [Vaivasvata] Manu [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] Matsya, de vis-incarnatie, als de Allerhoogste, meest belangrijke Persoon aanbeden; hij, de heerser van dat land is zelfs vandaag de dag nog door zijn toegewijde dienst van aanbidding in dezen met het volgende bidden: (25) 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer in Zijn verschijnen als de eerste incarnatie; mijn respectvolle eerbetoon voor het zuivere der goedheid, de oorsprong van het leven, de bron aller zinnigheid, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht; aan Hem als de grote vis mijn eerbewijzen. (26) Zowel van binnen als van buiten aanwezig bent U, buiten het zicht van de leiders van al de verschillende werelden, er steeds; door de grootsheid van Uw geluiden wordt de mens, zo uiteenlopend benoemd, als een ledenpop onder Uw controle gebracht, o Allerhoogste Beheerser. (27) De wereldleiders in de politiek lijden onder de koorts der afgunst, zij, los van U ondernemend, of het nu afzonderlijk is of tezamen, trachten ook te beschermen, maar ze zijn er niet toe in staat, welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft. (28) O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten van medicinale kruiden, zich aan het einde van de Yuga in de onstuimige golven van het water der vernietiging bevond, behoedde U haar en mij, waarbij U met al Uw macht hoogst grondig te werk ging, o Ongeborene; U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum biedt ik hier mijn respectvolle eerbetuigingen.'

(29) In Hiranmaya toont de Allerhoogste Heer zich verder in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Van Hem, die meest geliefde belichaming, is Aryamâ, de leider der voorvaderen, tezamen met de mensen van die landstreek, van aanbidding met het zingen van de volgende lofzang (30) 'Mijn Heer, ons respect voor U, als de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, U bent het bovenzinnelijk goede van allen; aan U wiens positie niet te bepalen is, onze hulde. Hoewel U de oudste bent, wordt U door de werking van de tijd niet aangetast; mijn eerbied voor U als de Grote die overal reikt; keer op keer verbuig ik me voor de toevlucht van allen - onze eerbetuigingen gelden U! (31) Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw eigen vermogen en dat gekend wordt in zo vele goddelijke verschijningsvormen, gaat iedere inschatting te boven; en van de poging dat geheel in te schatten als zijnde iets zichtbaars, hebben we het valse - voor U, wiens ware gedaante niet waar te nemen is, buig ik mij. (32) Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; dat wat bestaat als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen; de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten moet aldus, in al zijn verscheidenheid, als één worden gekend. (33) In U, die ontelbaar zijt in het bijzondere van namen en vormen, van verschillende lichaamskenmerken, hebben de geschoolden dit idee van getallen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie; jegens Hem, U die zich aldus onthult in analyse, mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].

(34) Zo ook, bestaat voor eeuwig in het noordelijk gebied genaamd Kuru er de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, in Zijn zwijnen-gedaante [Varâha, zie 3.13], telkens weer opnieuw aanbeden door de godin en deze planeet aarde tezamen met de inwoners van [Uttarâ-]Kuru, volijverig in toegewijde dienst jegens Hem. Daarbij worden deze Upanishad versregels herhaald: (35) 'Ons respect voor de Allerhoogste Heer wiens ledematen en functies in waarheid worden begrepen door middel van de verschillende mantra's, door de offerandes, door de rituelen en de grote plechtigheden; aan die grote persoonlijkheid, die uitzuiveraar van het karma, mijn eerbetoon; aan Hem, bekend uit de drie voorgaande Yuga's ['tri-yuga'], mijn eerbetuigingen. (36) Voor de grote geleerden van scholing is de materiële natuur met haar geaardheden Uw gedaante; precies als met vuur dat zich manifesteert in hout door met een stok rond te draaien, vinden zij op onderzoek uit met hun denken het verborgene van U in hun speurtocht naar de oorzaak; U, die zich manifesterende Ziel, bied, bied ik mijn respect. (37) Van de mâyâ van Uw gedaante opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden heersend over de zinnen, het lichaam, de geldende tijd, door het vals ego en de geaardheden der natuur waargenomen als feitelijkheid, raken zij wiens intelligentie zich stabiliseerde door het zorgvuldig overwegen van al de verschillende onderdelen van het yogasysteem, volledig bevrijd; jegens die Sublieme Ziel mijn respectvolle eerbetoon. (38) U, die in het handhaven, weer terugwinnen en scheppen van het universum er geen verlangens op na houdt; U van wiens overzien van het begeerde, de geaardheden en het illusoire van de materie zich bewegen als ijzer in de buurt van een magnetische steen, gelden mijn eerbetuigingen; U als de getuige van de handelingen en de terugslagen. (39) Voor Hem, die speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander [Hiranyâksha zie 3.19] in het gevecht, uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met mij, de aarde, op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige, verbuig ik mij.'

 

 

Hoofdstuk 19

De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

(1) S'rî S'uka zei: 'In het land Kimpurusha is de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de oudere broer van Lakshmana, Râmacandra, die Sîtâ zo tevreden stemt; hij die met het volk van Kimpurusha in de toewijding van aanbidding altijd bezig is met de dienst aan Zijn voeten is de verheven en grootste toegewijde Hanumân. (2) Samen met Ârshthishena [de leider van Kimpurusha] aandachtig luisterend naar het loflied op zijn meest goedgunstige Heer en meester zoals gezongen door een gezelschap van Gandharva's, bidt hij [Hanumân] zelf het volgende: (3) 'O mijn Heer, mijn eerbetuigingen aan U als de Lieve Heer waarvan men spreekt in de geschriften, al mijn respect voor U, behept met alle goede kwaliteiten die men aantreft bij de gevorderden, mijn trouw geldt U als de Ene die Zijn zinnen onder controle heeft en Hij die altijd herdacht en aanbeden wordt door de mensen uit alle windstreken; mijn respectbetuiging aan U als de toetssteen der kwaliteit voor iedere zoeker naar de waarheid, ik verbuig me voor U, de grote persoonlijkheid en godheid der brahmanen; aan die Koning der Koningen mijn eerbetoon. (4) Laat mij Hem aanbidden, die transcendentale zuivere, allerhoogste waarheid, die wordt ervaren als het ene lichaam van spiritueel vermogen waarmee de invloed van de geaardheden der natuur teniet wordt gedaan; Hij niet zichtbaar anders dan bij bovenzinnelijkheid, in Zijn natuur onverstoord en voorbij naam en vorm waarlijk vrij van ego, wordt middels een zuiver [natuurlijk, Krishna-]bewustzijn bereikt. (5) Geïncarneerd als een menselijk wezen was Hij voorzeker er niet enkel als de Almachtige om de demon Râvana te doden, maar was Hij er ook om de sterfelijken van deze materiële wereld te onderrichten; om welke andere reden dan het dienen van de tevredenheid van Hem als de geestelijke ziel in eigen persoon, zou er anders al de ellende zijn van Sîtâ's gescheiden zijn van Hem, de Beheerser? (6) Naar waarheid is Hij, de Opperziel en beste vriend der zelfgerealiseerden, nimmer gehecht aan wat dan ook in de drie werelden; Hij is de Allerhoogste Heer, Vâsudeva die in feite nimmer leed onder het gescheiden zijn van Zijn vrouw Sîtâ - noch geldt dat voor Lakshmana, die zeker ook van dat vermogen tot loslaten is. (7) Noch is men door geboorte van het Grootste, noch is men dat door zijn kapitaal, noch is men dat door welsprekendheid, noch door eigen slimmigheid, noch is men dat door zijn lichaamsbouw; alhoewel we helaas maar bosbewoners zijn, aanvaarde Lakshmana's oudere broer ons in vriendschap en werd de oorzaak van het plezier in Hem middels al die andere methoden afgewezen. (8) Derhalve, verlicht of niet, beest of menselijk wezen, een ieder die van de ziel is behoort Râma te aanbidden, de allerbeste die zo makkelijk te behagen is, de Heer die als een menselijk wezen verscheen en zodoende de bewoners van Kosala [Ayodhyâ], noordelijk India, terug naar God leidde.'

(9) Ook in het land Bhârata kent men de Allerhoogste Heer tot aan het einde van het millennium als Nara-Nârâyana; Hij, wiens heerlijkheden ondoorgrondelijk zijn, bewijst Zijn grondeloze genade aan de kandidaten van de zelfverwerkelijking die de verzaking beoefenen die zo bevorderlijk is voor de religie, de kennis der spiritualiteit, de onthechting, het meesterschap van de yoga, de controle over de zinnen en de vrijheid van vals ego. (10) De praktijk van de analytische yoga over hoe men zich God behoort te realiseren, zoals geformuleerd door de Heer [Kapila, zie 3.28 & 29], werd Sâvarni Manu onderwezen door de meest machtige Nârada, die tezamen met de in Bhârata [India] levende navolgers van het systeem van statusoriëntaties [het varnâs'rama-systeem, zie B.G. 4: 13], met grote liefde in vervoering de Heer dient terwijl hij uitroept: (11) 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor U o Heer, meester der zinnen en verpersoonlijking van de vrijheid van gehechtheid, alle eerbewijs aan U die het enige bent wat een man van armoede bezit. U, Nara-Nârâyana, bent de meest verhevene van alle wijzen, de allerhoogste geestelijk leraar van al de paramahamsa's [de zwaan-gelijke gerealiseerde meesters] en de oorspronkelijke onder de zelfverwerkelijkten; keer op keer betoon ik U aldus de eer.' (12) En hij zingt daarbij: 'U bent degene van overzicht werkzaam in deze kosmische schepping; de Ene die er niet aan is gehecht de meester te zijn, noch hebt U, alhoewel U als een menselijk wezen ten tonele verschijnt, te lijden onder honger, dorst en vermoeidheid; noch raakt de visie van U, die alles en allen overziet, ooit onzuiver door de kwaliteiten der materie; jegens U als de onthechte en zuivere getuige die boven alle emotie staat, mijn betoon van respect. (13) O Heer van de Yoga, van dit, wat zo trefzeker werd uitgesproken door de almachtige Heer Brahmâ over hoe volmaakt te volgen naar de beginselen van de yoga, weten we dat iemand die de identificatie met het lichaam heeft opgegeven, ten tijde van zijn dood, met een houding van toewijding, zijn geest moet richten op U als de transcendentie. (14) Een persoon gedreven door verlangen denkt in angst over zijn kinderen, echtgenote en weelde; maar iedere persoon die bekend is met het triviale van zijn aan de tijd gebonden lichaam, beschouwt, vanwege het feit dat het lichaam verloren gaat, dergelijke ondernemingen slechts als tijdverspilling. (15) Derhalve, o meester van ons, o Bovenzinnelijkheid over de zintuigen, bidt ik dat wij, met het illusoire van U, zeer spoedig dit gefixeerde idee van 'ik' en 'mijn' mogen opgeven, dat in verband met de banaliteit van ons materiële voertuig zo moeilijk te overwinnen is; alstUblieft vergun ons de yogawetenschap in relatie tot U, zodat we onze natuur vinden.'

(16) Ook zijn er in dit land Bhârata vele rivieren en bergen als de Malaya, Mangala-prastha, Mainâka, Trikûtha, Rishabha, Kûthaka, Kollaka, Sahya, Devagiri, Rishyamûka, S'rî-s'aila, Venkatha, Mahendra, Vâridhâra, Vindhya, S'uktimân, Rikshagiri, Pâriyâtra, Drona, Citrakûtha, Govardhana, Raivataka, Kakubha, Nîla, Gokâmukha, Indrakîla en Kâmagiri, zowel als honderden en duizenden andere bergpieken; en de grote en kleine rivieren die hun ontstaan vinden op hun hellingen zijn niet te tellen. (17-18) Door al deze wateren van Bhârata vinden de bewoners zuivering van geest, door alleen al hun naam alsook door ze te beroeren. De grote rivieren zijn de Candravasâ , Tâmraparnî, Avathodâ, Kritamâlâ, Vaihâyasî, Kâverî, Venî, Payasvinî, S'arkarâvartâ, TungaBhadra, Krishnâvenyâ, Bhîmarathî, Godâvarî, Nirvindhyâ, Payoshnî, Tâpî, Revâ, Surasâ, Narmadâ, Carmanvatî, Sindhu [de huidige Indus], de twee hoofdrivieren de Andha en de Sona, de Mahânadî, Vedasmriti, Rishikulyâ, Trisâmâ, Kaus'ikî, Mandâkinî, Yamunâ, Sarasvatî, Drishadvatî, Gomatî, Sarayû, Rodhasvatî, Saptavatî, Sushomâ, S'atadrû, Candrabhâgâ, Marudvridhâ, Vitastâ, Asiknî en de Vis'vâ. (19) In deze landstreek leiden de mensen, die daar uit de goedheid, het rode [de hartstocht] en uit de duisternis zijn geboren in een klasse die overeenstemt met hun verworven karma, levens die goddelijk zijn, menselijk of hels; en zo ook zijn er, overeenkomstig wat men in het verleden deed, afgegrensd in de zin van kasten, naar het pad van de bevrijding vele doelen met iedere ziel mogelijk. (20) In relatie tot de Opperheer, die de ziel van gelijkheid in alle levende wezens is en de onafhankelijke, de Superziel Vâsudeva is van de vrijheid boven het denken en de spraak, kan in dezen een ieder, door middel van de verschillende wegen en doelen van de bhakti-yoga, breken met de oorzaak van het gebonden zijn in onwetendheid. Er wordt immers met deze wegen en doelen daadwerkelijk een nauwe betrekking gevonden tussen de persoon en de Allerhoogste Persoonlijkheid, buiten wie er in werkelijkheid geen andere oorzaak te vinden is.'

(21) Het volgende is wat voorzeker door al de halfgoden wordt gezegd: 'Men zegt dat het vanwege al de vrome daden die deze mensen volbrachten is dat de Heer zelve over hen verheugd is en dat ze de maatschappij van het land Bhârata-varsha verwierven. Het is die Heer Mukunda die in feite onze ambitie is; door Hem verwerven wij de dienstbaarheid. (22) Wat loont al die moeite van je bezighouden met rituelen, verzakingen, geloften en liefdadigheden volbracht, of een hemels koninkrijk; het is allemaal van nul en generlei belang als men zich daarbij, als gevolg van zinnelijke onmatigheid, niet de lotusvoeten van Heer Nârâyana herinnert. (23) Van grotere waarde dan het bereiken van een positie van een leven dat eindeloos duurt en vatbaar is voor herhaling [zoals van Brahmâ], is het geboren te zijn in het land Bhârata voor slechts honderd jaren, daar, in een dergelijk kort leven als een sterfelijk mens, het werk gedaan wordt door degenen die daadwerkelijk het leven zelf op zijn waarde weten te schatten; in volledige onthechting, verwerven zij, bevrijd van angst, de Heer Zijn verblijf. (24) Daar waar de zoete stroom van de gesprekken over Vaikunthha niet wordt aangetroffen, noch de toegewijden worden gevonden die, altijd bezig in Zijn dienst, bij Hem hun beschutting vinden, noch de uitvoering plaatsvindt van die offerplechtigheden voor de Heer die ware festiviteiten zijn, dan is, hoewel het een plaats kon zijn bewoond door hemellieden, dat zeker niet een plaats om regelmatig te bezoeken. (25) Als zij die hier een menselijke geboorte verwierven, en alsook zij onder de [elders] levenden die volledig zijn toegerust met alles van de kennis en het handelen, zich ondanks deze verworvenheden niet inzetten voor de positie van het eeuwige, treden dergelijke personen, net als vogels die waren weggetrokken, de gebondenheid weer tegemoet. (26) Met hun geloof zijn ze in de uitvoering van de rituelen verdeeld; met de offerandes gebracht aan de heersende godheid en met het reciteren van de mantra's volgens de geijkte methode, wordt de Ene God afzonderlijk met verschillende namen aangeroepen. Hij, volkomen in Zichzelf, aanvaardt dat allergelukkigst daar Hij de verlener van alle gunsten is in eigen persoon. (27) Hoewel Hij naar waarheid precies dat vergunt waarvoor de mens tot Hem bad, is Hij niet de verlener van gunsten waar men telkens weer opnieuw om vraagt; Hij schenkt persoonlijk, zelfs ongevraagd, aan hen die bezig zijn in Zijn dienst al het gewenste dat zonder ophouden ontspruit aan Zijn lotusvoeten. (28) Als er van ons hier enige verdienste rest van ons volmaakte offeren, grondige bestuderen en goede handelen, laat dat dan leiden tot een geboorte in het land van Bhârata dat ons inspireert de Heer in gedachten te houden heersend over die plaats waar, vanuit de toegewijden, alle geluk zich uitbreidt.'

(29-30) S'rî S'uka vervolgde: 'Wat betreft het continent dat bekend staat als Jambûdvîpa [het euraziatische continent, zie 5.1: 32], o Koning, is er ook, zoals sommige geleerden die op de hoogte zijn dat beweren, sprake van een onderverdeling in acht deelgebieden ['eilanden' in de zin van provincies] van het land welke zich vormde door het rondwroeten van de zoons van Mahârâja Sagara [het indiase deel ofwel Bhârata-varsha], die probeerden het verloren gegane offerpaard weer terug te vinden [zie 9.8]. Ze dragen de volgende namen: Svarnaprastha, Candras'ukla, Âvartana, Ramanaka, Mandara-harina, Pâñcajanya, Simhala en Lankâ. (31) Aldus heb ik u uitgelegd wat de verdelingen van het land Jambûdvîpa zijn, o beste van de nakomelingen van Bharata, zoals over hen aan mij uitleg werd verschaft.

 

Hoofdstuk 20

De structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

(1) S'rî S'uka zei: 'Vervolgens zal ik de onderverdelingen, afmetingen, kenmerken en vorm beschrijven van de dvîpa ['afgescheiden gebied' zoals continent en eiland of ookwel gordel] genaamd Plaksha en de anderen [zie 5.1: 32]. (2) Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt zij zelf [gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die evenzo breed is. Daarbuiten is zij, zoals een greppel rondom een park, omsloten door de dvîpa Plaksha welke, vernoemd naar de plaksha-boom die zo groot is als een jambû, zich twee keer zo breed uitstrekt. Bij die boom die in alle pracht schitterend ten hemel reikt, is er een vuur dat zeven vlammen telt. De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva, die zijn eigen dvîpa in zeven varsha's [landen] verdeelde die hij vernoemde naar zijn zeven zoons toen hij zelf zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie. (3-4) S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's naar de verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ zijn dienovereenkomstig de hoofdrivieren. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen daar genaamd de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen; andere namen voor de varna's of roepingen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, kinderen krijgend en vedische rituelen uitvoerend aan de hemelpoort, waarbij ze de Allerhoogste Heer verheerlijken als de Superziel van de Zonnegod middels lof, offerande en gezang: (5) 'Laten we onze toevlucht nemen tot Heer Vishnu, de Ziel aller zielen die de meest authentieke gedaante van de Absolute Waarheid, van de religie, van Brahman, van de nectar [van eeuwig leven] en de dood is, zowel als van Sûrya, de God van de Zon.'

(6) Vanaf Plaksha worden op de vijf dvîpa's de mensen die daar leven zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijke en geestelijke draagkracht, fysiek vermogen, intelligentie en heldhaftigheid. (7) Omringd door een oceaan van suikerrietsap die qua afmeting net zo breed is, bevindt er zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa die bekend staat als S'âlmala, die net zo breed tweemaal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ, zie voetnoot]. (8) Die dvîpa ontleent haar naam aan de s'âlmali-boom zo groot als een plaksha-boom en daarin, zo zegt men, heeft Garuda de draagvogel van vedische gebeden jegens Heer Vishnu, zijn verblijf. (9) De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde het in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (10) De zeven bergen en hoofdrivieren daar kent men als de Svarasa, S'ata-s'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti bergen en de rivier de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ. (11) De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [een andere omschrijving van de varna's met de betekenis van zij die van het luisteren, van het heldhaftige, van de weelde, en van de gehoorzaamheid zijn]; volledig bekend met het vedische, aanbidden zij de Allerhoogste Heer als Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' of de maangod]: (12) 'Door Zijn eigen uitstraling verdeelt Hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna]; moge Hij, die goddelijkheid van de maan zowel als van het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, die Koning Aller Mensen, ons goedgezind blijven.'

(13) Daaropvolgend is er buiten die oceaan van drank even breed en tweemaal zo groot, een zee van ghee, die zoals met de dvîpa ervoor, Kus'advîpa omringt, waarvan het kus'agras geschapen door God die dvîpa zijn naam gaf; als door een ander soort vuur worden door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen verlicht. (14) De meester van dat eiland, Hiranyaretâ, de zoon van Mahârâja Priyavrata, o Koning, verdeelde zijn dvîpa in zevenen en gaf, toen hij zelf zich terugtrok voor zijn boete, in overeenstemming met zijn zoons, ze de namen Vasu,Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva. (15) De zeven berggebieden en zeven rivieren van hen zijn de Cakra, Catuh-s'ringa, Kapila, Citrakûtha, Devânîka, Ûrdhvaromâ en de Dravina bergen en de rivieren de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (16) Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [of de gras-zitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van de God van het Vuur Jâtaveda ['Hij die het Loon toekent']: (17) 'Van al de halfgoden van het Allerhoogste Brahman die de ledematen zijn van de Oorspronkelijke Persoon, bent U de Toekenner van het Loon, die rechtstreeks de offerandes van ghee en granen overdraagt; alstUblieft draag daarom de offerandes van onze offers voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'

(18) Zo wordt, net zoals Kus'advîpa wordt omringd, ook overal eromheen, Krauñcadvîpa buiten de oceaan van ghee, omringd door een oceaan van melk [of plantensap], net zo breed en twee keer zo groot, waarin de koning der bergen genaamd Krauñca wordt aangetroffen die die dvîpa zijn naam gaf. (19) Alhoewel de vegetatie in de war werd geschopt door de wapens van de zoon van S'iva [Kârttikeya], raakte hij onbevreesd door het zich altijd baden in de oceaan van melk en door de bescherming van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën]. (20) Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, heerser van die dvîpa gaf de verdelingen van zijn eigen land in zeven varsha's de namen van zijn zeven zoons die allen evenzo machtig waren als hij, en stelde ieder van hen aan als de heerser over de varsha. Daarna nam hij zelf toen zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Harî, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo heilrijk zijn. (21) Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden en zeven rivieren werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadra bergen en de rivier de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. (22) Geheiligd door het gebruik van de klare wateren van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's, genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de authentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handpalmen vol water, God in de gedaante van het water: (23) 'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs; moge het beroeren van dat wat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'

(24) Logisch daaropvolgend wordt, zich bevindend buiten de oceaan van melk, de dvîpa S'âka aangetroffen met een afmeting van zo'n 3.2 miljoen yojana's lang en breed; hij wordt omringd door een oceaan van wei en heeft zijn naam te danken aan een werkelijk zeer geurige vijgenboom die de lucht van de hele dvîpa bezwangert. (25) De heerser daar, een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi verdeelde de dvîpa eveneens in zeven varsha's naar de namen van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij daar aanstelde als hun leiders. Daarna betrad hij het woud der boete, met zijn geest verzonken in het oneindige van de Allerhoogste Heer. (26) De bergen en rivieren die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de bergen genaamd Îs'âna, Urus'ringa, Balabhadra, S'atakesara, Sahasra-srota, Devapâla en de Mahânasa, en de rivieren genaamd de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (27) De mensen van die varsha's, de Ritavrata's, de Satyavrata's, de Dânavrata's en de Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, die van de gezworenen der waarheid, de verschaffing en het volgen] laten zich van hun hartstochten en onwetendheid zuiveren door de praktijk van het reguleren van de adem geregeerd door de halfgod Vâyu, die ze in het bovenzinnelijke verzonken aanbidden met: (28) 'Alle levende wezens binnengaand bent U de ene Superziel van binnen, de rechtstreekse Beheerser, die middels de functies van de lucht in ons handhaaft; alstUblieft leidt ons; daar U over de gehele kosmos heerst.'

(29) Evenzo buiten die oceaan van wei is er een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een oceaan van zoet water waarin een zeer grote lotusbloem wordt aangetroffen met zo'n 100 miljoen bloembladen van puur goud die zijn als de vlammen van een laaiend vuur; die lotus beschouwt men als de zitplaats van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ]. (30) Binnen diedvîpa treft men de ene [bergketen] aan genaamd Mânasottara die inderdaad de binnen- en buitengelegen landen daar afgrenst; hij heeft, met een afmeting zo groot als 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier lokale heersers, de halfgoden aangevoerd door Indra. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru er omkruist door het voertuig van de zon in een baan die bij de dagen en nachten van de halfgoden bestaat uit een heel jaar [een samvatsara]. (31) De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra benoemde op de twee varsha's ervan als hun heersers, en gaf ze ook hun namen, zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki, toen hijzelf net als zijn andere broers, zich feitelijk beperkte tot handelingen om de Allerhoogste Heer tevreden te stellen. (32) De mensen van die landen, aanbidden naar hun rituele plicht, voor de vervulling van hun wensen, de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden dit: (33) 'De gedaante die het allerhoogste Brahman onthult, dat wordt verworven door bewust met de illusie om te gaan [door vedische rituelen], moet worden aanbeden door een persoon die, vol van geloof, onverdeeld is, niet afwijkt en van vrede is jegens Hem, de Meest Machtige die wij aldus aanbidden.'

(34) Daarbuiten is er een berg genaamd Lokâloka die overal eromheen bestaat als de afgrenzing tussen de materiële en immateriële plaatsen. (35) De aarde van al het land, dat zich bevindt tussen Meru en de Mânasottara keten, is van goud en de rest erbuiten is zo glad als een spiegel; wat men er ook laat vallen kan op geen enkele manier worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (36) Door de berg Lokâloka, die de buitenste schil is, worden op deze manier de toeschrijvingen van de werelden gevestigd waar materiële wezens leven en de werelden waar dergelijke wezens niet bestaan. (37) Dat einde van de drie werelden, er overal omheen door de Beheerser geschapen, reikt dermate ver dat, voor de stralen van al de hemellichamen van de zon tot aan het doel der bevrijding van Dhruva [het centrum van het universum, zie 4.12: 12], er geen mogelijkheid bestaat om verder te reiken. (38) De geleerden die het onderzochten beraamden dat de posities van de planeten, wat betreft hun afmetingen en verschijningsvormen zowel als wat hun situaties betreft, zoveel als zo'n half biljoen yojana's beslaat, waarvan deze tastbare wereld van het licht slechts een kwart vormt [van het volledige van alle bestaande materie; de rest is zoals men dat tegenwoordig noemt 'donkere materie'].

(39) Daar bovenop zijn er in de vier richtingen door de meester van het universum [Brahmâ], die de wieg van de ziel is, de besten van alle olifanten genaamd Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita gevestigd, die aldus zorgdragen voor de stabiliteit van de verschillende planeten in het universum. (40) Van al zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden en al de soorten van helden die op Hem gedijen, is Hij de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle genade, de Ziel in het voorbije, het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Omringd door expansies als Vishvaksena en uitgerust met Zijn verschillende wapens omhooggehouden in Zijn eigen stoere armen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, op die grootste van alle bergen Zijn gedaante die overal er omheen bestaat. (41) Voor de tijd van Zijn schepping heeft de Opperheer door Zijn eigen geestelijk vermogen aldus deze vervolmaakte verschijning aangenomen, enkel met de bedoeling op die manier de veelvoudigheid van de verscheidene werelden van bestaan te handhaven. (42) De onbewoonde, niet-materiële varsha strekt zich zover buiten Lokâloka uit als de breedte van wat men er binnen aantreft, en dat voorbije is het pad van de Heer van de Yoga waarvan men zegt dat dat van het zuiverste is.

(43) In het centrum van het universum worden de sterren aangetroffen die zich tussen de hemel en aarde bevinden; die bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (44) Van het zijn binnengegaan in het gefixeerde van deze bol ten tijde van zijn schepping, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda [de God der Zonnen]; de aanduiding bekend als Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] vond zijn bestaan alzo omdat het die [gouden luminositeit] is vanwaar hij zijn lichaam ontving. (45) Van inderdaad de zonnegod hebben we de verdelingen van de windrichtingen van de hemel, de planeten erboven en de werelden er beneden, en ook alle andere verdelingen van hemelse verblijfplaatsen, plaatsen van verlossing alsook helse plaatsen als Atala. (46) De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en het oog van de goddelijken, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en parasiteert.

*: Volgens een bepaalde moderne interpretatie hebben deze zeeën betrekking op de lichaamssappen, met de dvîpa's als secties, in de virâth-rûpa universele lichaam van de Heer: Lavana of de zilte zee (urine), suikerrietsap (transpiratie), Surâ of de oceaan van wijn (zinnen), Sarpi of de oceaan van ghee (zaad), Dadhi of karnemelk [wei, yoghurt] (slijm), de oceaan van melk (speeksel), en de zee van zuiver water (tranen).

 

Hoofdstuk 21

De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

(1) S'rî S'uka zei: 'Tot zover slaagde ik erin om duidelijkheid te verschaffen over de schattingen van de afmeting en de kenmerken van de schikking van het gehele universum. (2) De deskundigen zijn in staat een idee te krijgen en uitleg te verschaffen over de vorm van de bol van het uitspansel, die, net als met de twee helften van een tarwe korrel, is verdeeld in de twee aaneensluitende delen van de buitenruimte aan beide zijden. (3) In het midden bevindt zich daar de meest machtige meester van alle heersende hemellichamen, de brandende zon, die met zijn hitte de drie werelden verwarmt en ze met zijn stralen verlicht. De zonneschijf, trekkend door het noorden, door het zuiden of de evenaar passerend, wordt verschillend gekend afhankelijk van zijn traagheid, snelheid of gelijkmatigheid van bewegen. In zijn rijzen, ondergaan of aan de hemel staan in verschillende posities, vormt hij, zoals het is beschikt zich bewegend door de verschillende tekens van de dierenriem, daarbij lange dagen, korte dagen of dagen van gelijke lengte. (4) Als de zon in het eerste teken staat en in het teken in tegenwicht [Mesha en Tulâ, of op de equinoxen], zijn te dien tijde de dagen en nachten van een gelijke lengte, en als hij gaat door de eerste vijf met Stier en Tweelingen op kop lengen [aanvankelijk] voorzeker de dagen zich en bekorten zich de nachten met een half uur per maand [afhankelijk van de breedtegraad]. (5) Als hij zich bevindt in de vijf van Schorpioen zijn de dagen en nachten van het tegengestelde. (6) Totdat de zon door het zuiden gaat zijn de dagen langer en totdat hij door het noorden gaat zijn de nachten langer. (7) Aldus ronddraaiend met een omloop om de Mânasottara bergen van vijfennegentig miljoen honderdduizend yojana's lang, zo stellen de geleerden [zie voetnoot], treft men ten oosten van Meru Devadhânî, de stad van koning Indra aan, ten zuiden ervan die van Yamarâja genaamd Samyamanî, in het westen Nimlocanî van Varuna, en in het noorden die van de maan genaamd Vibhâvarî. Aan alle vier zijden van Meru aldus de zonsopkomst, de zonsondergang, de middag of middernacht uitmakend, geeft hij aanleiding tot de verschillende tijden der levende wezens van actief zijn of het staken van activiteit. (8-9) Zij die daar leven worden, met het zich geplaatst zien in de positie van het midden van de dag, altijd door de zon verwarmd; links van de onbeweeglijke [de berg] en aan de rechterzijde is waar hij zich beweegt van het punt van opkomst naar die positie daar recht tegenover waar hij ongetwijfeld ondergaat. Daar waar men de zon niet langer ziet omdat hij onder is gegaan geeft hij er aanleiding toe dat de mensen gaan slapen terwijl recht tegenover die positie hij er zeker van is de mensen te doen zweten door ze te verhitten. (10) Als hij in vijftien ghathikâ's [zes uur] zich beweegt van de verblijfplaats van Indra naar die van Yamarâja legt hij een afstand af van 23.775.000 yojana's [een kwart van de omtrek]. (11) Vandaar gaat hij op deze manier van waar Varuna verblijft naar het bereik van de maan en dan weer naar de plaats van Indra, waarmede eveneens de andere planeten en sterren met de maan voorop als rijzend en ondergaand in de hemel worden waargenomen. (12) Aldus beweegt het voertuig van de zonnegod, gekend door de drie van de hemel, de aarde en het vitale bereik, in 3.400.800 yojana's per muhûrta [moderne wetenschap: 39.163 miljoen km/uur] zich door de vier verblijfplaatsen. (13) Het heeft slechts één wiel met twaalf spaken [de maanden], zes segmenten [de seizoenen] en de drie gedeelten van de naaf [de kwartalen], die in hun geheel bekend staan als een tropisch jaar [samvatsara]; de as zit vast aan de top van de berg Meru met Mânasottara aan de andere kant. Het wiel van de wagen van de zonnegod zit daar vast ronddraaiend op de bergketen Mânasottara als het wiel van een oliepers. (14) Aan die as, die daar aan zijn basis is verankerd, zit een tweede vast die, net als met de as van een oliepers, een kwart zo lang is. De bovenkant daarvan zit vast aan Dhruvaloka [het midden van de sterrenhemel].

(15) De binnenkant van het voertuig bemeet 3.6 miljoen yojana's in de lengte maar is slechts een kwart zo breed; hij wordt getrokken door zeven paarden vernoemd naar de vedische verzen [Gâyatrî, Brihati, Ushnik, Jagatî, Trishthup, Anushthup en Pankti] die er door Arunadeva voor zijn gespannen met een dissel zo breed als het voertuig, opdat de zonnegod kan worden vervoerd [de eigenlijke diameter van de zon zelf bedraagt 1.392 miljoen kilometer].(16) Alhoewel Aruna, zeker zich te kwijten van zijn taak als wagenmenner, vóór de zonnegod zit, kijkt hij naar achteren. (17) Daar, tegenover de zonnegod, zijn de zestigduizend duimgrote wijzen van formaat genaamd de Vâlikhilya's, bezig welbespraakt hun gebeden te brengen [zie ook 4.1:39]. (18) Zo ook aanbidden, met een keur aan namen, veertien anderen, te weten de heiligen, de Gandharva's, Apsara's, Nâga's, Yaksha's, Râkshasa's en de halfgoden, aldus één voor één in zeven groepjes van twee, iedere maand de oppermachtige zonnegod Sûrya, het leven van het universum, die verschillende namen draagt afhankelijk van de verschillende ceremoniën (**). (19) Aldus legt de zonnegod de 95.1 miljoen yojana's van de omtrek van de sfeer der aarde af met een snelheid van tweeduizend en een halve yojana in ongeveer een kshana [± 1,6 sec; zie ook vers 12].

 

Hoofdstuk 22

De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

(1) De koning zei: 'Uwe goddelijkheid beschreef hoe de meest machtige god van de zon de berg Meru en Dhruvaloka rechts van zich latend, beweegt door de verschillende tekens en eveneens, met hen recht voor zich, ze links van zich laat; hoe moeten we dat in alle redelijkheid aannemen?

(2) Daartoe zei hij [S'uka] in heldere bewoordingen: 'Net zoals het, met de bewegingen van kleine mieren op een ronddraaiende pottenbakkersschijf, zeker is dat als gevolg van hun veranderende posities er een verschillende ervaring is, kan men ook rekenen op een dergelijk verschil in het bewegen in verhouding tot Meru en Dhruvaloka [de centrale sterrenhoop en het middelpunt van het sterrenstelsel]: met de sterren, die rondbewegen met het grote wiel van de tijd, bevinden ze zich aan de rechter kant, maar van de individuele bewegingen van de planeten onder leiding van de zon óp dat ronddraaiende wiel van de tijd, wordt de beweging ten opzichte van de sterren en sterrentekens voorzeker anders waargenomen.

(3) Die oorzaak, deze hoogst machtige oorspronkelijke persoon, rechtstreeks waargenomen als Nârâyana de Superziel van de drie Veda's, die er is voor het heil en de karmische zuivering van al de werelden, is de oorzaak waar alle heiligheid en alle vedisch weten navraag naar doet; Hij beschikt de twaalf verdelingen van het jaar en, in overeenstemming met wat voorheen werd genoten, de verschillende kwaliteiten naar het zesvoudige van de seizoenen beginnende met de lente. (4) Alle mensen alhier die, van het drievoudige van de vedische kennis en de hogere of meer aardse gedragingen van de statusoriëntaties, dit van hem navolgen, bereiken moeiteloos het uiteindelijke levensgoed, met het overeenkomstig hun karma van aanbidding zijn en naar hun geloof groeien in de yoga. (5) Om die reden is Hij deze levende kracht van al de drie werelden die, tussen het hogere en het lagere van het universum, zich bevinden in de buitenruimte op het wiel van de tijd; in twaalf maanden gaand door de sterrentekens die dienovereenkomstig het jaar verdelen, is er een maand met twee vijftiendaagse perioden die als de dag en de nacht zijn en inderdaad dat deel van het jaar waaraan men denkt als een seizoen dat een zesde van de omloopbaan beslaat of twee en een kwart constellatie, berekend naar de sterren [zo is er dus sprake van twaalf of meer sterrenbeelden, zie ook 3-21: 18]. (6) Zo wordt ook de tijdspanne dat de zon zich door de helft van de buitenruimte beweegt een ayana genoemd. (7) Nu wordt ook van de tijd die de zon, aldus zich langzaam, snel of met gemiddelde snelheid bewegend, er voor nodig heeft om zich in zijn geheel door de hemelsfeer boven en beneden te bewegen, in de praktijk met haar verloop, zoals de geleerden dat zeggen, gesproken van een samvatsara [tropisch jaar], een parivatsara [volledig jaar], een idâvatsara [een lopend jaar] een anuvatsara [een herhaald jaar] en een vatsara [een afzonderlijk jaar].

(8) Door de zonverlichte maan, die zich boven [de aarde] bevindt op zo'n honderdduizend yojana's [de astronomie: ± 385.000 km] en zich veel sneller beweegt [dan de zon], wordt zo het gaan door een jaar van de zon gedekt door het verstrijken van twee vijftiendaagse perioden, wordt in twee en een kwart dag één maand van de zon [of een twaalfde van de hemel] doorlopen en wordt in slechts één enkele dag [het deel van] een vijftiental zonnedagen doorlopen. (9) Zo ook wast de maan, in zijn veranderen van fasen, naar dat deel van de maan dat van de halfgoden is en neemt hij af naar dat deel van de maan dat van de voorvaderen is. Zo verdeelt hij de dagen en nachten van het totaal van alle levende wezens en wordt hij beschouwd als de Jîva of de essentie van hun leven door, de één na de ander, in [ongeveer] dertig muhûrta's [een volledige dag] door een sterrenbeeld te bewegen. (10) Deze maan in al zijn aspecten wordt door de geleerden omschreven als de Allerhoogste Persoon, de godheid heersend over de geest, de krachtbron voor alle voedsel en alle verrukking van het leven en voorzeker als de verfrissende, alles-doordringende levensadem van al de goden, de voorvaderen, alle menselijke wezens en alle levende wezens zoals de zoogdieren, de vogels, de reptielen en de planten.

(11) [Meer dan] tweehonderdduizend yojana's daarachter [achter de maan], Meru rechts latend zijn er, tezamen met de vele sterren die door de Beheerser vastgeklonken zijn aan het wiel van de tijd, de achtentwintig sterren met voorop Abhijit.

(12) Tweehonderdduizend yojana's daaromheen [om het sterrencentrum of de zon, de astronomie: op een afstand van 107 miljoen km] is er Venus, die daadwerkelijk als voor, achter en met de zon meebewegend wordt ervaren en die in zijn bewegingen net als de zon snel, langzaam of met een gemiddelde snelheid ronddraait. Van al de planeten wordt hij geacht zo goed als altijd gunstige omstandigheden te bieden in het veroorzaken van regenval door de manier waarop hij rondtrekt en door zijn neutraliseren van de invloed van de planeten die de regenval tegengaat.

(13) Nog eens tweehonderdduizend yojana's achter Venus [de astronomie: op 57.9 miljoen km van de zon], zo wordt uitgelegd, bevindt zich daar Mercurius, de zoon van de maan; hij werkt vrijwel altijd ten gunste, maar voor de tijd dat hij van de zon afstaat is er bijna altijd een toename van angstwekkende voorvallen als droogten, een gesloten wolkendek en stormachtig weer.

(14) Tweehonderdduizend yojana's buiten onze omloopbaan is er ook Mars [de astronomie: op ongeveer 228 miljoen km van de zon]; met telkens drie vijftiendaagse perioden op een rij gaat hij, als hij geen boog beschrijft, de één na de ander door de twaalf sterrentekens en is hij bij benadering zo goed als altijd een ongunstige planeet die moeilijkheden geeft.

(15) Tweehonderdduizend yojana's voorbij Mars [de astronomie: op 778.3 miljoen km van de zon] is er daar de machtige planeet Jupiter die, als hij geen boog beschrijft, er een jaar voor nodig heeft [parivatsara] om slechts een sterrenteken te doorlopen; voor de brahmanen in het universum blijkt hij altijd zeer gunstig te zijn.

(16) Tweehonderdduizend yojana's achter hem bevindt zich Saturnus [astronomie: op 1.43 biljoen km van de zon], die er een periode van dertig maanden over doet om ieder afzonderlijk sterrenbeeld te passeren en daarbij zo langzaam is dat hij er een gelijk aantal jaren [anuvatsara's] over doet om ze allen te doorlopen; hij inderdaad vrijwel altijd voor iedereen veel moeilijkheden in.

(17) Zo'n 1.1 miljoen yojana's achter die planeet bevinden zich de grote wijzen die waarlijk altijd het goede geluk van de bewoners van alle werelden op het oog hebben; hem rechts van zich latend omtrekken ze de bovenzinnelijke woning van de Allerhoogste Heer Vishnu [het centrum van de sterren].

 

Hoofdstuk 23

Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel.

(1) S'rî S'uka zei: 'Voorbij aan hen [de wijzen] treft men 1.3 miljoen yojana's verderop [astronomie: op 26 duizend lichtjaren van de aarde] dat allerhoogste verblijf, geprezen in de Rig Veda mantra's aan, dat van Vishnu is, de bron van het leven van alle levensvormen die vanaf nu tot aan het einde van de schepping voortleven. Daar inderdaad verwijlt de grote toegewijde Dhruva, de zoon van Uttânapâda wiens grootheid van toegewijd navolgen ik reeds beschreef [zie 4.9]; en eromheen, het rechts van zich latend, houden Agni, de vuurgod, Indra de koning van de hemel, de stamvader de Prajâpati en Kas'yapa zowel als Dharmarâja, in hun zorg over de tijd altijd vol respect vast aan hun imago. (2) Voor al de rusteloze hemellichten zoals daar zijn de planeten en de sterren, is die plaats daar daadwerkelijk als het, door de Beheerser gevestigde, eeuwig oplichtende en stralende draaipunt waarvan de ondoorgrondelijke, alles omvattende macht bij de factor van de tijd wordt gekend als de oorzaak van hun ronddraaien. (3) Net als drie stieren die voor het pletten van rijst zijn vastgemaakt aan een paal in het midden, behouden de hemellichten hun eigen posities in hun omloopbanen gefixeerd op de binnenste en buitenste cirkels van het wiel van de tijd zich rondbewegend, op dezelfde manier zoals de planeten rondom de zon hun posities behouden. Vasthoudend aan Dhruvaloka tot het einde der schepping, draaien ze in de hemel rond als voortgedreven door de wind, net als zware wolken en grote vogels die beheerst door de lucht hun lichamen rondbewegen overeenkomstig hun voorgaande posities. Zo gedragen de hemellichten zich consequent, door de gecombineerde inzet van de materiële natuur en de Oorspronkelijke Persoon, naar hun voorgaande bestaan en komen ze nooit in botsing met de aarde.

(4) Sommigen stellen zich dit grote wiel van planeten en sterren voor in de vorm van een s'is'umâra [een dolfijn] en beschrijven het, geconcentreerd in de yoga, als [het zichtbare van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva [zie ook een afbeelding van de sterrenhemel zoals men die feitelijk door een telescoop ziet]. (5) Met Dhruvaloka zich bevindend aan het einde van de staart en met zijn kop naar beneden gebogen, heeft hij zijn lijf in een spiraal gekromd. De Prajâpati, Agni, Indra en Dharma worden op de staart aangetroffen met ook Dhâtâ en Vidhâtâ aan de basis ervan; de zeven wijzen bevinden zich op zijn heup; naar rechts krommend zijn er als zijn afzonderlijke lichaamsdelen de constellaties van de veertien sterren [van Abhijit tot Punarvasu] die de noordgang uitmaken en ter linkerzijde in het noorden zijn er een zelfde aantal van dergelijke sterren [van Pushyâ tot Uttarâshâdhâ], die het er tezamen voorzeker uit laten zien als het gekromde lichaam van een dolfijn. Op zijn rug ziet men natuurlijk de eerste drie sterren [Mûlâ, Pûrvasâdhâ en Uttarâshâdhâ] en op de buik ziet men de Ganges van de hemel [de band van sterren van het volledige lichaam van de S'is'umâra sterrenhoop die we kennen als de Melkweg]. (6) Punarvasu en Pushyâ maken de lendenen uit rechts en links, Ârdrâ en As'leshâ eveneens ter rechter en linker zijde van zijn vinnen, Abhijit en Uttarâshâdhâ zijn het rechter en linker neusgat met als achtereen volgend in de rij S'ravanâ en Pûrvâshâdhâ als de ogen links en rechts; Dhanishthhâ en Mûlâ maken het rechter en het linker oor uit en de acht sterren zoals Maghâ geven de zuidgang aan die moet worden gezien als de ribben links terwijl het zelfde aantal sterren zoals Mrigas'îrshâ die de noordgang aanduiden er zijn als de ribben die zich bevinden in omgekeerde volgorde rechts. S'atabhishâ en Jyeshthhâ moeten worden gezien in de positie van de rechter en linker schouder. (7) Op de bovenkaak is er Agasti en op de onderkaak is er Yamarâja. Voor de mond is er Mars, voor de genitaliën is er Saturnus, Jupiter is er voor de nek, de zon is er voor de borst, binnenin het hart wordt Heer Nârâyana gevonden en in de geest de maan. Op de navel is er Venus, aan de twee kanten van de borst verblijven de As'vins, Mercurius is er voor de in- en uitgaande adem, Râhu is de hals en de kometen treft men over het gehele lijf aan met de talloze sterren als de poriën.

(8) Deze [vorm van S'is'umâra] is inderdaad voorzeker de gedaante van de Allerhoogste Heer, van Heer Vishnu, die bestaat uit al de halfgoden; het iedere ochtend, middag en avond in acht nemend, moet men in aanbidding mediteren zijn woorden als volgt beheersend: 'Onze eerbetuigingen aan deze rustplaats van al de lichtende werelden, aan de meester der halfgoden, de Grote Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd, op wie wij mediteren' [namo jyotih-lokâya kâlâyanâya animishâm pataye mahâ-purushâya abhidhîmahîti, zie ook 2.2: 24] (9) Diegenen die, van die leider der halfgoden die bestaat uit alle planeten en sterren, van die vernietiger van de zonde, de mantra hierboven doen, drie maal hun respect betonend en drie keer mediterend, zullen zeer snel al de zonden beëindigd zien waar ze op dat moment mee zitten.  

  

N.B: Zie ook de pagina's over galactische tijd verder uitweidend over dit onderwerp.  

 

 

Hoofdstuk 24

De Lagere Werelden

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo is daar ook hij [de maan] die voor de zon schuift [en dan 'Râhu' wordt genoemd] die net als de zon voorbij komt en waarvan sommige geleerden zeggen dat hij, talloze yojana's ['tienduizend'] beneden de zon, voor de tijd van leven van de halfgoden een positie bekleed als een leidende planeet. Over de geboorte en handelingen van de laagste der onwetenden, de zoon van Simhikâ, die persoonlijk de genade verwierf van de Allerhoogste Heer, maar inderdaad niet gekwalificeerd is voor de positie [van leider over deze 'planeet'], zal ik later uitleg verschaffen. (2) Ze schatten in dat de zon tienduizend yojana's breed is, dat de maan twintigduizend yojana's bemeet en dat Râhu dertigduizend yojana's groot is [vergelijk 5.21: 15] en dat hij bij gelegenheid, met kwade bedoelingen de invloed van de zon- en de maangod verdringend, de stralen van het maan- en het zonlicht blokkeert. (3) De Allerhoogste Heer die er is voor beider bescherming gaat te werk met de allerhoogste aanwezigheid van het wiel van de tijd [de Sudars'ana Cakra] dat men acht als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, met zijn bange geest en bevreesde hart, van die positie wegvlucht waarin hij voor bijna een uur tijds aanwezig is en waarvan de mensen aldus spreken van een zonsverduistering.

(4) Op een evenzo grote afstand bevinden zich daar beneden [vergelijk 5.22: 8] de woonplaatsen van de volmaakten, de vererenswaardigen van de Veda en zij die zich baseren op kennis [de Siddha's, Cârana's en Vidyâdhara's]. (5) In een lagere positie zijn er de plaatsen van zinsbevrediging van de gekken, de bezetenen, de duivelse en soortgelijke types [de Yaksha's, Râkshasa's en Pis'âca's], die zich uitstrekken zover als de wind de wolken wegblaast die men kan zien in de atmosfeer. (6) Onder die atmosfeer die een honderdtal yojana's dik is en dus zo hoog reikt als zwanen, gieren, adelaars en andere vogels van formaat kunnen vliegen, is er daar deze aarde [naar moderne metingen reikt de normale, uniforme atmosfeer tot zo'n 80 km boven de aarde].

(7) Zoals voorheen gezegd [zie 2.1: 26-27] bestaat er voor de planeet aarde, overeenkomstig de schikking van haar verschillende gebieden, een lager bereik van zeven andere sferen van haar lengte en breedte, die de één na de ander zijn gerangschikt met onderliggende afstanden van talloze [meer overdrachtelijke] yojana's. (8) In deze werelden die voorzeker hol zijn ten opzichte van de hemelse werelden bestaat er zelfs een grotere lustervaring en vervoering in weelde; onder de invloed van de dingen der welvaart bieden hun huizen en tuinen de demonen, geesten en slangen der zinsbevrediging beter de gelegenheid. Immer oververheugd uit gehechtheid aan de vrouwen, kinderen, familie, vrienden en volgelingen, zijn de hoofden van de huishoudens, levend in een denkbeeldige hemel, zelfs beter dan zij die van beheersing zijn, de goddelijken, in staat tot een ongehinderde bevrediging van hun verlangens. (9) Aldaar, mijn beste Koning, zijn door mâyâ [de asura architect van de daitya's] met een ongelovige bedrieglijkheid en een schat aan rijke versieringen, ommuurde steden met poorten gebouwd, welke prima gebouwde prachtige huizen hebben, kantoren, evenementenhallen, scholen en publieke voorzieningen. De land bezittende leiders van dat uiterlijk vertoon daar bewonen de beste huizen die helder glanzen van de sier en die bevolkt zijn door slangengelijke, goddeloze mensen en paartjes duiven, papegaaien en beo's. (10) De tuinen en parken oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de geest en de zinnen, genoegen verschaffend met hun massa's bloemen en vruchten waarvan de door klimplanten omhelsde takken van de bomen fraai in aantrekking zwaar naar beneden doorbuigen. Door de pracht van de schakering aan vogels die in paren de vijvers bezoeken vol van sprankelend helder water onrustig van de opspringende vissen, door de lotusbloemen in die wateren, de lelies, de kuvalaya en kahlâra bloemen, de blauwe en rode lotussen en de grootsten van hen met duizenden kelkblaadjes, en door de ononderbroken vreugde van de vele soorten van lieflijk zingende vogels die hun nesten in de bossen bouwden wordt, de schoonheid van de woonplaatsen van de goddelijken overtreffend, het zingenot uitgelokt. (11) Voorzeker maakt men zich er daar geen zorgen over hoe men de tijd indeelt naar de werking van de dag en de nacht. (12) Alle duisternis wordt er verdreven door inderdaad de meest uitgelezen edelstenen op de uitstaande kragen van het grote serpent. (13) Noch maken degenen die daar verblijven, etend, drinkend en zich badend in een hemel aan kruiden, sappen en elixers, zich zorgen over ziekten, geestelijke moeilijkheden, op leeftijd zijn, het hebben van rimpels, grijs haar, etc., of over de ellende van het inboeten aan levenskracht met een afnemende luister, slecht ruikend zweet, vermoeidheid of een gebrek aan energie. (14) Op geen enkele manier is wie ook van de deugdzamen, of zelfs maar de dood zelf, ertoe in staat hen te beïnvloeden, behalve natuurlijk het wapen van de Heer: Zijn machtige wiel van de Tijd. (15) Het is vrijwel altijd uit vrees voor de Heer Zijn cakra-orde dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

(16) Nu dan, in de wereld Atala verblijft Bala de goddeloze zoon van mâyâ en door hem inderdaad worden de negenenzestig soorten van illusie gepropageerd waarvan sommige karakters handig met het illusoire zelfs vandaag nog gebruik maken. Ook werden uit zijn gapende mond de svairinî [klassegetrouwe], kâminî [lustig klasse-ontrouwe] en pums'calî [promiscue] vrouwen gegenereerd die, aldus zo zeker de lagere werelden binnengeleid, voor hun persoonlijke genoegen met oogwenken, glimlachen, praatjes en omhelzingen, de mannen in de stemming brengen om zich naar hun eigen zin uit te leven in seksueel plezier met behulp van een kruid genaamd hâthaka [cannabis indica]. Het wordt gezegd dat een man onder de invloed ervan over zichzelf vol van trots en verbeelding denkt als 'Ik ben de heerser' en 'Ik ben zo sterk als duizend olifanten'.

(17) Daaronder te Vitala, omringd door zijn spookachtige metgezellen, verblijft de meester van het goud, Heer S'iva met zijn vrouw Bhavânî in seksuele vereniging teneinde de bevolking van de schepping van de stamvader te doen toenemen. Van die wereld gaat aldus van de sappen van die vereniging de grote rivier genaamd de Hâthakî uit, waarvan de vuurgod, door de wind helder en zeer krachtig aangewakkerd, ervan drinkend, sissend het goud genaamd Hâthaka uitspuwt, dat er is voor de sieraden die worden gedragen door de mannen en de vrouwen van de huizen van de grote asura's.

(18) Daaronder die wereld is er op Sutala de zeer gevierde, hoogst zedige en spiritueel gevorderde zoon van Virocana, Bali Mahârâja. Ernaar verlangend de welvaart van koning Indra te realiseren, nam de Allerhoogste Heer van Aditi een lichaam aan, verschijnend in de gedaante van een vâmana, een dwerg. Het was dankzij de grondeloze genade van de Allerhoogste Heer die hem de drie werelden ontfutselde, dat hij zelfs vandaag de dag nog, zeker in de aanbidding door zijn eigen religieuze plicht, onbevreesd blijft jegens de meest vererenswaardige Allerhoogste Persoonlijkheid; hij werd gezegend met het goede geluk van het herwinnen van een zelfs voor de goden van Indra's hemel onvergelijkelijke weelde. (19) Dit was waarlijk niet het rechtstreeks gevolg van het schenken van landerijen; dat wat werd gegeven met het grootste respect, een aandachtige geest en met geloof, in het benaderen van de hoogst geplaatste, de allerhoogste Heer die de meest waardige ontvanger is en de beste offerplaats, het leven en de ziel en hoogste regulator de Heer Vâsudeva van de talloze levensvormen, was rechtstreeks de toegangspoort welke verlossing gaf naar de weelde van de lagere nabootsing der hemel. (20) Hij, van wie een persoon, hulpeloos in uithongering, neergevallen of struikelend en dergelijke, slechts één enkele keer de heilige naam beoefent, wast iemand de gebondenheid van het karma weg, dat anderszins voor personen die verlossing trachten te vinden zo zeer een onvermijdelijk groot struikelblok is. (21) Van al de grote toegewijden en de zelfgerealiseerden van het ware zelf die zichzelf zonder voorbehoud geven, is Hij die Allerhoogste Ziel, het Paramâtmâ. (22) Het is naar waarheid niet vanwege de materiële weelde die aldus zich zeker ontvouwt, dat de Allerhoogste Persoonlijkheid speciaal hem wederom Zijn gunst toonde, daar het beroofd zijn van de heugenis van de ziel een kenmerk is van het in illusie verkeren met de materie, mâyâ. (23) Naar aanleiding van dat wat gedaan werd door de Allerhoogste Heer die langs geen andere weg kan worden waargenomen, namelijk het wegnemen van de drie werelden met behulp van de truuk van het bedelen [om drie stappen land] zodat hem niets bleef behalve zijn eigen lichaam - dat toen volledig met de touwen van Varuna werd gebonden en vastgehouden werd in een berggrot - zei hij aldus: (24) 'Hoe betreurenswaardig is het inderdaad dat ik zelf, deze zeer geleerde en naar zijn eigenbelang zeer ervaren Indra van de Hemel, die als zijn eerste minister en ene voorganger Brihaspati verkoos, persoonlijk de Heer in de gedaante van Upendra [Heer Vâmana] negerend, met minachting voor de zekerheid van de eigenlijke zegeningen van het dienen van Zijn Werkelijkheid die voor eeuwig voortduurt, voor zichzelf verzocht om de drie werelden waarvan de waarde zal veranderen na het verloop van een manvantara [een tijdperk van Manu]! (25) Voorzeker werd de dienst aan Hem van onze grootvader [Prahlâda] gretig aanvaard, maar niet het aanbod van de eigendommen van zijn vader [het koninkrijk van Hiranyakas'ipu]; het was niemand anders dan de Allerhoogste Persoonlijkheid die hij aldus wilde, toen die zo zekere toevlucht van het vrij zijn van angst hem werd geboden nadat zijn vader werd gedood door de Allerhoogste Heer [Heer Nrisimhadev]. (26) In andere woorden: wat, naar het verlangen te volgen, is een materieel besmet persoon, die zoals wij verstoken is van de Heer Zijn genade, vergeleken bij die grote navolger op het pad van de toewijding?' (27) Later in de vertelling over hem [zie canto acht] zal ik uitleggen hoe de Opperheer [Vâmanadeva] als de meester van de drie werelden, Nârâyana in persoon, met een altijd genadevol hart jegens Zijn toegewijden aan de poort staand met de knots in Zijn hand, middels de grote teen van Zijn voet de tien-koppige duivel [bekend als Râvana] die hem wilde overwinnen, op de verst mogelijke afstand van een talloos aantal yojana's plaatste.

(28) Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de dânava [demonische] koning genaamd mâyâ; door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, werden, het goede geluk van de drie werelden verlangend, zijn steden verbrand; maar op voorspraak van Zijn genade verkreeg hij een koninkrijk als de meester van alle tovenarij en aldus beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is], denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudars'ana Cakra [de acute aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die wordt aanbeden.

(29) Beneden die wereld is er de wereld van Mahâtala die van de afstammelingen van Kadrû is, die een naam genieten als zijnde een stelletje immer kwaaie, veelkragige, wrede slangentypes, zoals daar zijn Kuhaka, Takshaka, Kâlya, en Sushena. Hoogst zinnelijk verkeren ze voortdurend in angst voor de koning van alle vogels [Garuda], de drager van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die ze soms kwaad maakt als ze zich vermaken in het gezelschap van hun vrouwen, kinderen, vrienden en verwanten.

(30) Beneden die wereld gelegen is er Rasâtala die van de daitya's en dânava's is [de slechtgeaarde zonen van Diti en Danu] genaamd de Pani's, de Nivâta-kavaca's, de Kâleya's en de Hiranya-puravâsî's; ze zijn zo gezegd van geboorte af aan de zeer wrede en hoogst machtige vijanden van de halfgoden en worden onvermijdelijk verslagen door de macht van de Allerhoogste Heer Hari zo van genade voor al de werelden. Levend gelijk de slangen zijn ze in werkelijkheid bang voor de Koning van de Hemel door de woorden van een mantra van Saramayâ, een vrouwelijke voorstander van Indra.

(31) Onder die wereld is er Pâtâla, de wereld van de meesterslangen; met Vâsuki aan het hoofd zijn er daar S'ankha, Kulika, Mahâs'ankha, S'veta, Dhanañjaya, Dhritarâshthra, S'ankhacûda, Kambala, As'vatara en Devadatta enzovoorts. Allerkortst aangebonden leven ze allen zeer verslingerd aan materieel geluk en hebben ze waarlijk inderdaad vijf, zeven, tien, een honderdtal of duizend kragen, met op hun koppen gefixeerd de kostbaarste edelstenen waarvan de gloed de hechte duisternis van de holen van Pâtâla verdrijft.  

 

Hoofdstuk 25

De Heerlijkheid van Heer Ananta

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een afstand van achtendertigduizend yojana's beneden de basis gevormd door Pâtâla [zie voetnoot *] verblijft Hij die inderdaad het deel van de Allerhoogste Heer is dat betrekking heeft op de duisternis en Ananta [de eeuwige] wordt genoemd; de waarheidlievenden van visie en begrip ontlenen het idee van het zelf-concept van het hebben van een ik, een ego, als een symptoom [van die duisternis] aldus, aan Hem, Sankarshana, zo verklaren de geleerden [zie ook 3.26: 25 en 4.24: 35]. (2) Dit universum is, zoals gezien opgehouden op slechts één van de vele duizenden slangenkragen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van Anantadeva, precies als een wit mosterdzaadje [als een enkel sterrenstelsel onder de vele andere in de diepe ruimte]. (3) Van Zijn verlangen om, na de nodige tijd, met woede deze zo allerprachtigste ronddraaiende wereld te vernietigen, wordt daadwerkelijk van tussen Zijn wenkbrauwen een Rudra [een incarnatie van Heer S'iva] Sânkarshana genaamd [geboren uit Sankarshana] vanwaar uit elf drie-ogige expansies oprezen die puntige drietanden omhooghouden. (4) In de ronde oppervlakten van de schitterende roze edelsteenachtige teennagels van Zijn lotusvoeten zien de leiders van de slang-achtigen, die met de besten der toegewijden in onvermengde toewijding hun gebeden opzenden, bij het schijnsel van de glinsterende oorhangers die hun kaken opsieren, hun eigen gezichten prachtig weerspiegeld en zijn hun geesten waarlijk opgefrist. (5) De huwbare prinsessen van de slangenkoningen die hun hoop op Hem gevestigd hebben, smeren met een zalf van saffraan, aloë en sandelhoutpasta de glanzende rondingen van Zijn goedgunstige mooie, witte, smetteloze armen in die gelijk zuilen van zilver zijn; door het contact slaan als gevolg van de binnenkomst van Cupido hun harten sneller en zien zij, zo bedeesd als lotusbloemen, Zijn goedkeurende, zeer aantrekkelijke delicate, prachtige glimlachen die hen onder de invloed brengen gek van verrukking over zijn rollende, rooddoorlopen en vriendelijk kijkende ogen en gezicht. (6) Die Ananta is voorzeker de Allerhoogste Heer, het reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten en de oorspronkelijke Godheid die met het bedwingen van de kracht van Zijn intolerantie en wrake verblijft terwille van het welzijn van de mensen van alle werelden. (7) Terwijl op Hem voortdurend wordt gemediteerd door de scharen van de verlichten en onverlichten, de semi-goddelijke slang-gelijken, de volmaakten, de zangers der hemel en zij die zich baseren op de kennis en de wijzen, beweegt hij, verrukt onder de invloed, Zijn ogen heen en weer. Met de nectar van een fijne keuze aan woorden en lieflijke zang zijn Zijn metgezellen, de leiders van de verschillende groepen van intelligenten, Hem aan het behagen wiens luister nimmer afneemt, die immer fris is met de geur van de tulsîbloesems die met hun honing de bijen gek maken rondom Zijn aldus nog mooiere Vaijayantî bloemenslinger. Gekleed in het blauw met slechts één oorhanger en de schoonheid van Zijn gelukbrengende handen geplaatst op het handvat van Zijn ploeg houdt Hij, met een gouden gordel om en zo onoverwinnelijk als de olifant van Indra, zich bezig met bovenzinnelijk spel en vermaak als de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (8) Zij die uit zijn op de bevrijding en die bij monde van de traditie vernemen over de heerlijkheid van deze ene Heer, vinden de knoop die sedert mensenheugenis door de illusoire energie, bestaande uit hartstocht, goedheid en traagheid, in het onbewuste van het vruchtdragende handelen was gelegd in de kern van hun harten, zeer spoedig doorsneden.

De allermachtigste zoon van Brahmâ, Nârada, samen met zijn instrument de Tumburu, beschrijft Hem in de samenkomst der brahmanen in uitgelezen verzen: (9) 'Door wiens onbegrensde gedaante zonder een begin en door wiens blik, met de goedheid voorop, de geaardheden der materiële natuur in staat werden gesteld op te treden als de primaire oorzaken van schepping, handhaving en vernietiging; Hij die één is van Ziel en divers is in manifestatie, hoe kan Zijn pad met zekerheid worden begrepen? (10) Vanuit Zijn genade voor ons spreidde Hij Zijn bestaan tentoon in verschillende gedaanten als zijnde volledig ontstegen aan deze manifestatie van oorzaak en gevolg; Hij die in Zijn avonturen, voor het geestesoog van Zijn toegewijden, schittert als de meest vrijzinnige en machtige meester aller wezens, leerde ons vrij van materiële zorgen te overwinnen. (11) Welke persoon van lijden ook die er toevallig over hoorde, of welke gevallen ziel ook die enkel maar als tijdverdrijf Zijn naam zong of herhaalde, zal onverwijld het eindeloos zondige van de menselijke samenleving tenietgedaan zien; bij wie anders dan Heer Ananta S'esha zou welke zoeker naar verlossing dan ook zijn toevlucht moeten nemen? (12) Dit universum met zijn bergen, bomen, oceanen en wezens is gelijk een atoom gefixeerd op de kop van Ananta, Hij met de duizenden koppen; wie ook, hoeveel tongen hij ook heeft, is, als gevolg van Zijn ondoorgrondelijke macht, in staat Zijn vermogens op te sommen? (13) Volledig zelfvoorzienend bestaand aan de basis van de lagere werelden is Ananta de zo zeer machtige Allerhoogste Heer van een onoverkomelijke zeggingskracht en is Hij de grote van alle bovenzinnelijke kwaliteiten en heerlijkheid, die op speelse wijze terwille van haar handhaving de aarde voor de val behoed.'

(14) Al de bestemmingen die zij die verlangen naar materiële genoegens, overeenkomstig hun karma, in dit daarnaar gevormde universum kunnen bereiken, zijn aldus naar waarheid zoals het werd doorgegeven beschreven. (15) Zoals u ernaar vroeg, heb ik u getoond, o Koning, wat, naar de mensen hun toeneigingen en aard, de onvermijdelijk resulterende verschillende hogere en lagere soorten van bestemmingen zijn; over wat moet ik u nog meer vertellen?'

 

*: Het vermelden van een afstand in samenhang met de transcendentale werkelijkheid van Ananta suggereert een fysiek correlaat in het universum dat te vergelijken is met de duisternis van de intergalactische ruimte die als een organische bestaansvorm van eeuwigheid, zuiverheid en goddelijkheid of vrijheid van een zelf, al de sterrenstelsels in de kosmos omsluit, een ieder zijn eigen 'slangen'-basis gevend in de duisternis van een ik-besef. De feitelijke, kortste, afstand tussen het centrum van ons sterrenstelsel en de buitenruimte bedraagt ongeveer 3500 lichtjaren.

 

 

Hoofdstuk 26

De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

(1) De koning zei: 'O grote heilige, van waaruit ontstonden de verscheidene manieren van leven in de verschillende werelden?'

(2) De wijze zei: 'Vanwege de verschillende graden van geloof van hen die bezig zijn met de drie geaardheden der materiële natuur, werd zo het volledige van de resulterende verscheidenheid van bestemmingen mogelijk. (3) Welnu, van de onzedigheid van wat we kennen als verboden handelingen zal er dienovereenkomstig zonder twijfel, afhankelijk van het verschil van geloof van de uitvoerder, er een verschillend gevolg bestaan van het karmisch handelen; laat me u uitleg verschaffen over de omvang van de duizenden helse omstandigheden typisch voor de begeertigen die sedert mensenheugenis uit onwetendheid inderdaad op zoveel verschillende manieren op hun voordeel uit waren.'

(4) De koning zei: 'Wat men alhier de hel noemt, mijn heer, is dat een of andere plaats op aarde of bevindt dat zich buiten de ons bekende werelden, of ergens er tussenin?'

(5) De rishi zei: 'Het wordt aangetroffen tussen de drie werelden in de richting van het lagere bereik, beneden de aarde; ergens boven de causale wateren leven zij, de voorvaderen met Agnishvâttâ aan het hoofd, die in het sturen van hun eigen families in grote verzonkenheid in de waarheid vol verlangen uitzien naar de zegeningen. (6) Aldaar heeft hun heerser, de zoon van de Zonnegod [Yamarâja] zijn koninkrijk; de doden daarheen gebracht door zijn mensen worden overeenkomstig de zwaarte van hun karmische fouten onderworpen aan bestraffingen die door hem ten uitvoer wordt gebracht die met zijn volgelingen nimmer in overtreding is met de Allerhoogste Heer. (7) Sommigen zijn er zeker van daar eenentwintig hellen te tellen, o Koning, waarvan de namen, de vorm en de kenmerken, ik aldus, ze de één na de ander omschrijvend, aan u uiteen zal zetten. Zo zijn er daar: Tâmisra, Andhatâmisra, Raurava, Mahâraurava, Kumbhîpâka, Kâlasûtra, Asipatrâvana, Sûkaramukha, Andhakûpa, Krimibhojana, Sandams'a, Taptasûrmi, Vajrakanthaka-s'âlmalî, Vaitaranî, Pûyoda, Prânarodha, Vis'asana, Lâlâbhaksha, Sârameyâdana, Avîci, Ayahpâna en nog enkelen zoals Kshârakardama, Rakshogana-bhojana, S'ûlaprota, Dandas'ûka, Avatha-nirodhana, Paryâvartana en Sûcîmukha. Deze achtentwintig hellen vormen de verschillende plaatsen van vergelding.

(8) Er is de persoon die, enkel het geld, de vrouw of de kinderen van iemand anders weggenomen hebbend, er van op aan kan, door de angstaanjagende mannen van de dood te worden gebonden met de touwen der tijd en met geweld te worden geworpen in de hel van Tâmisra ['de duisternis'] waar hij moet hongeren, smachten naar water, met stokken wordt geslagen en wordt uitgescholden; het levend wezen verliest, na beland te zijn in die meest duistere omstandigheid, door de zware bestraffingen aldaar ontvangen, bij tijden zijn bewustzijn. (9) Zo is er daar zeker ook Andhatâmisra waar hij, die enkel maar een andere man bedriegt om van zijn vrouw en kinderen te genieten, bij het leven met geweld in wordt geworpen; door almaar in de opperste ellende te verkeren is hij, verloren zijnde in het verliezen van zijn zinnen en inzicht, verworden tot zoiets als een boom die aan de wortel gekapt is; om reden waarvan men spreekt van Andhatâmisra [het 'blinde der duisternis']. (10) Hij die bij zijn leven alhier zijn lichaam ofwel beschouwt als zijn zelf ofwel als zijn eigendom en die zo, afgunstig op anderen zelfzuchtig, dag na dag werkt om enkel zijn eigen gezin te onderhouden, een dergelijke persoon zal, deze wereld eraan gegeven hebbend, voorzeker van die zonde zichzelf zien belanden in Raurava. (11) De wezens die in dit leven door hem kwaad werden aangedaan die in het leven hierna onderworpen is aan de narigheid der inperking, veranderen daadwerkelijk in wilde creaturen die in dezelfde mate hem schade berokkenen; vanwege deze wilde creaturen [genaamd ruru's], die venijniger zijn dan slangen, spreken de geleerden aldus van de naam Raurava [die eveneens betrekking heeft op het angstwekkende, het onstabiele en het onoprechte]. (12) Zo is er de zekerheid van Mahâraurava [het 'grote beest'] waarin een persoon, die alleen maar uit is op het in stand houden van zijn lichaam, wordt geworpen om te worden gedood en opgegeten door de ruru-beesten genaamd kravyâda. (13) Maar een persoon die in dit leven dan wel zeer wreed is jegens dieren of ze levend kookt, wordt, veroordeeld door zelfs de meest wreedaardige menseneters, in zijn volgende leven door de dienaren van Yamarâja geworpen in Kumbhîpâka ['de hel van de kookpot'] om zelf in de kokende olie te worden gesmoord. (14) Maar iedereen alhier die een brahmaan doodt, een dergelijke persoon, zal een hel ingedwongen worden genaamd Kâlasûtra ['de lange spanne tijds'] die met een omtrek van tienduizend yojana's en een oppervlakte van koper, van boven en van onderen door de zon en door vuur wordt verhit. Inwendig geplaagd door honger en dorst en uitwendig verschroeid gaat zijn lichaam er somtijds bij liggen, met dan weer de ledematen bewegend; somtijds staand en dan weer van hot naar haar rennend, voor de duur van evenzovele duizenden jaren als er haren zijn op het lichaam van een beest. (15) En een ieder die, zijn toevlucht nemend tot een systeem van eigen makelij, in dit leven zonder aanwijsbare reden afwijkt van het pad voor hem uitgestippeld in de Veda's, wordt Asi-patravana ingedwongen ['het messcherpe woud']. Aldaar wordt hij geslagen met een zweep zodat hij, met dat in gedachten van hot naar haar hollend, zijn lichaam aan beide zijden snijdt aan de messcherpe randen van palmbladeren; hij die zijn eigen religieuze principes om zeep hielp zal aldus onder het resultaat lijden van het volgen van een atheïstisch pad en in de grootste pijn bij iedere stap struikelen, terwijl hij met zijn verstand kwijt dan denkt: 'O hoe verloren ben ik!'. (16) Maar een ieder die in dit leven als een koning of als dienaar van de koning straffen toebedeelt aan een onschuldig man of een brahmaan op zijn lichaam slaat, die allergrootste zondaar zal in zijn leven hierna belanden in de hel van Sûkaramukha ['de zwijnenbek']. Aldaar zullen de verschillende delen van zijn lichaam door de sterke assistenten worden geplet alsof het suikerriet betrof; net als iemand die onschuldig werd ingerekend om te worden bestraft, zal hij, het dan jammerlijk uitschreeuwend, in de waan geraakt, bij tijden het bezwijmen. (17) Een ieder echter die, zoals sommige schepselen die door de Schepper zijn ontworpen om op anderen te parasiteren zonder zich bewust te zijn dat ze pijn veroorzaken, in dit leven zelf pijn veroorzaakt terwijl hij in zijn overlevingsdrang heel goed weet wat hij anderen van God aandoet, belandt in zijn leven hierna in Andhakûpa ['de overwoekerde put']. Daarin zal die persoon inderdaad neervallen overeenkomstig het kwaad dat hij hen, de desbetreffende wezens, de dieren, het wild, de vogels, de slangen, de muggen, de luizen, de wormen en vliegen en wat dies meer zij aandeed; precies als degenen met een inferieur lichaam zal hij in de duisternis overal worden achtervolgd, gekweld en verstoord door hen en ronddolen zonder er in te slagen een rustplaats te vinden. (18) Of een ieder die in zijn leven, zonder het te delen, van alles wat hij bij de genade van God verwierf eet zonder de vijf vormen van offeren [aan de goden, de wijzen, de voorvaderen, de behoeftigen en de dieren], wordt beschouwd als zijnde gelijk aan een kraai; zo iemand zal in het hiernamaals neervallen in de meest abominabele hel van Krimibhojana ['zich met wormen voedend'] alwaar, belandend in een honderdduizend yojana's groot meer vol met wormen, hij als een worm zelf er zeker van kan zijn als voedsel te dienen en zelf te moeten teren op andere wormen voor evenzovele jaren als dat meer groot is. Dàt is de pijn zichzelf bezorgd door hem die zonder boetedoening voedsel eet dat niet wordt gedeeld en geofferd. (19) Een ieder die zonder aanwijsbare redenen in dit leven van diefstal of van geweld is, goud, edelstenen enzovoorts, rovend van een brahmaan of van anderen, die persoon zijn huid, o Koning, zal in zijn leven hierna door de mannen van Yamarâja met roodgloeiende ijzeren ballen en tangen aan stukken worden gescheurd [vanwege de tangen wordt die hel Sandams'a genoemd]. (20) Of een ieder, zowel een man als een vrouw, die in dit leven een ongeschikt maar begeerlijk iemand voor seksuele gemeenschap benadert, zal in zijn leven erna met zwepen worden geslagen en gedwongen worden een zeer heet ijzeren beeld te omhelzen in de vorm van een man als vrouw zijnde en in de vorm van een vrouw als man zijnde [: Taptasûrmi, de hel van 'het roodgloeiende ijzeren beeld']. (21) Een ieder die in dit leven zonder onderscheid seksuele gemeenschap heeft; hij zal in zijn leven hierna in de hel van Vajrakanthaka-s'âlmalî verkeren ['bliksem-scherpe katoenboom doorns'] alwaar opgehangen [aan de doorns] hij dan naar beneden zal worden getrokken. (22) Of personen die in dit leven waarlijk van adel waren of van de overheid, maar ondanks een hoge geboorte de grenzen overschreden van het dharma, zij, gestorven, belanden in Vaitaranî ['de rivier der onbeheerste hartstocht']; gebroken hebbend met de principes van regeren lijden ze in die geul rondom de hel onder bloeddorstige dieren die hen hier en daar in die stroom aanvreten. Niet in staat zich van het lichaam los te maken en gedragen door de vitaliteit van de zonde worden ze dan herinnerd aan hun slechte daden, gepijnigd in de rivier van ontlasting, urine, pus, bloed, haar, nagels, beenderen, merg, vlees en vet. (23) Maar personen die in dit leven inderdaad als echtgenoten van vrouwen van de lagere klasse hun reinheid hebben verloren, hun goede gedrag en geregelde leven, schaamteloos zich als dieren gedragend, zij ook zullen, na gestorven te zijn, in een oceaan vol pus, ontlasting, urine, slijm en speeksel vallen, alleen maar al dat etend wat zo buitengewoon weerzinwekkend is [: de Pûyoda hel der 'stinkende wateren']. (24) Zij echter gelieerd aan het brahmaanse die, in dit leven er honden of ezels op na houdend, er genoegen in scheppen om met ze te gaan jagen om daarbij in overtreding van de regels dieren te doden, zullen na hun dood zelf het doelwit worden van de mannen van Yamarâja die hen zullen doorboren met pijlen [de hel Prânarodha, 'het verstikken van de adem']. (25) En mensen die in dit leven, zo trots op hun weelde en positie, voor hun prestige in offers dieren doden, zij zullen in de volgende wereld neervallen in de hel van Vis'asana ['de slapeloosheid'], waar de helpers van Yamarâja hen zullen doen lijden en hen zullen doden. (26) Maar hij die in dit leven als een persoon van de hogere klasse, begoocheld door zijn lusten de echtgenote van dezelfde kaste zijn zaad doet drinken, zal van die zonde in zijn volgende leven, in een rivier van sperma worden geworpen en er zelf toe worden gedwongen het te drinken [dit is de hel van Lâlâbhaksha, 'sperma als voedsel']. (27) En personen die alhier als ware dieven van brandstichting en gif dorpen plunderden, zowel als zij behorend tot de handelsklasse, de adel en de regeringdie die als zodanig tot hen gerekend moeten worden, zullen voorzeker na te zijn gestorven, worden verslonden door de vraatzuchtige zevenhonderdtwintig machtig gebekte honden van de Yamadûta's [: de hel van Sârameyâdana, 'het hondenmaal']. (28) Hij ook die in dit leven een leugen bezigt of van valse getuigenis is in ruil voor goederen, in het schenken in liefdadigheid of op een andere manier, die persoon inderdaad zal na zijn sterven, met zijn hoofd naar beneden, in vrije val van de top van een honderd yojana hoge berg neer worden gesmeten in de hel van Avîcimat ['verstoken zijn van water']. Daar, waar het kukdroge land van steen is dat golft als water, stert hij, met het lichaam in stukken gebroken, niet, maar wordt hij naar de top gebracht om weer opnieuw naar beneden te vallen. (29) Of als een brahmaan of zijn echtgenote, of wie ook die een gelofte heeft afgelegd, in dit leven sterke drank drinkt; of als iemand van wijsheid, van bestuur of van de handel, bedwelmende dranken gebruikt [soma-rasa], zullen zij allen, naar de hel gevoerd, met de voet op hun borst geplaatst witheet gesmolten ijzer in hun monden gegoten krijgen [: de hel van Ayahpâna, 'de ijzer-drank'].

(30) Daarenboven, is een ieder die ook maar in dit leven met valse trots en zonder veel respect te tonen zichzelf onwaardig betoonde jegens een meer eerbaar iemand van goede geboorte, verzaking, kennis, goed gedrag en trouw aan de principes, iemand die dood is bij het leven die na zijn heengaan, met zijn hoofd eerst, de hel wordt ingegooid van Kshârakardama [de 'poel van bijtende modder'], om daar te lijden onder de meest pijnlijke omstandigheden. (31) En personen die in dit leven als mannen en vrouwen andere mensen offerden in aanbidding [van Kâlî] om ze daarna op te eten, dergelijke moordenaars zullen als beesten worden afgeslacht in het verblijf van Yamarâja, door hen afstraffende râkshasa's die zijn zoals zij en die ze met zwaarden aan stukken snijden, hun bloed drinken, en daarbij dansen en zingen in verrukking precies zoals zij dat als menseneters zelf deden in de wereld [de hel genaamd Rakshogana-bhojana, 'voer van de duivel zijn']. (32) Personen echter die alhier onschuldige schepselen naar zich toelokten die een onderkomen zochten in het bos of in het dorp, en ze deden geloven dat ze in veiligheid verkeren, maar ze daarentegen pijn bezorgden door ze vast te pinnen als een speeltje op een spies of vast te leggen aan een leiband, dergelijke lieden kunnen er na hun dood op rekenen dat ze hun lichamen op gelijksoortige manier vastgepind zien en dat ze, overmand door honger en dorst en dergelijke, worden gepijnigd door de scherpe bekken van vogels als gieren en reigers, zodat ze zich dan de zonden kunnen heugen die ze begingen [de hel van S'ûlaprota, 'opgespietst zijn']. (33) Die mannen met een kwade inborst, die in dit leven werkelijk onnodig anderen pijn bezorgden, zij ook zullen na hun sterven belanden in een hel genaamd Dandas'ûka ['de knuppel als antwoord'] waar, o Koning, vijf- en zevenkoppige, gekraagde slangen zich heffen om hen te eten alsof ze muizen waren. (34) Of, mensen die in dit leven dan wel in een blinde put, in graanschuren of in grotten, levende wezens opsluiten, zullen net zo in het leven hierna worden gedwongen dezelfde plaatsen binnen te gaan om daar te worden ingesloten met giftige dampen, vuur en rook [de hel genaamd Avatha-nirodhana, 'in het duister geworpen zijn']. (35) Maar een persoon die in dit leven als huishouder herhaaldelijk gasten of bezoekers ontvangend, hen een zondige blik van woede gunde alsof hij ze met zijn ogen wilde verzengen, zal zeer zekerin de hel belanden van hen met een zondige zienswijze waar iemands ogen door de machtige bekken van kraaien, gieren en reigers worden uitgepikt [de hel van Paryâvartana, 'de ogen uitgepikt']. (36) De egoïsten met een verkeerde kijk op de zaak, die vol van achterdocht zijn jegens allen en wiens hart en gezicht bij de gedachte aan uitgaven en verlies opgedroogd zijn, en gelijk geesten de weelde beschermend nimmer het geluk vinden, ook zij, zullen na de dood, van de zondige handelingen om die rijkdom te beschermen en hun inkomsten te doen groeien, neervallen in een hel genaamd Sûcîmukha ['pinnig op de eerste plaats'], waar dan de aanvoerders van Yamarâja als de beste wevers met draad en naald de ledematen van het naar geld graaiende spook en de grote zondaar doorstikken.

(37) Voor allen waarover ik sprak die tekort schieten in dharma en ook voor hen die ik niet ter sprake bracht, zijn er, naar gelang de mate van zondigheid, al deze soorten van hellen om in te belanden. Er bestaan er vele honderden, duizenden in het bereik van Yamarâja, o Koning; en evenzo zijn er elders in deze wereld voor hen die van principe en deugd zijn nieuwe geboorten te aanvaarden als de resultaten van hun deugd of zonde zijn uitgeput [vergelijk B.G. 4: 9]. (38) Het pad der bevrijding beschreef ik voor u in het begin [canto's twee en drie]; daarin liet ik zien hoe de Allerhoogste Heer Nârâyana in de purâna zeker zo veel kon zijn als het universum dat als een ei is verdeeld in veertien delen; ik beschreef de grofstoffelijke vorm van Hem, bestaande uit Zijn eigen energie en kwaliteiten, als zijnde rechtstreeks de Grote Persoon [de virâth-rûpa]. Dat individu dat vererend verneemt en leest of uitleg verschaft over dat lied van de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Superziel zal, hoewel het moeilijk te begrijpen is, bij zijn geloof en toewijding zijn intelligentie gezuiverd krijgen zodat hij tot begrip kan komen. (39) Horend over de grofstoffelijke alswel over de fijnstoffelijke gedaante van de Allerhoogste Heer, behoort de aanhanger der bovenzinnelijkheid de geest die in beslag is genomen door de grofstoffelijke gedaante, aldus in contemplatie stap voor stap te leiden naar de subtiele, de spirituele gedaante. (40) Van deze planeet de aarde, werden de verschillende bereiken en gebieden, de rivieren, de bergen, de hemel, de oceanen en de richting en de ligging van de lagere werelden, de helse werelden en de hogere werelden erboven voor u door mij beschreven, o Koning; hoe wonderbaarlijk dit grofstoffelijk lichaam van de Allerhoogste Heerser is waar de gehele massa van levensvormen in rust!'

 

Aldus eindigt het vijfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd 'De Aanzet tot de Schepping'. 

  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2008 s'rîmadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. BhaktiVedânta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/