Zie voor de online versie met illustraties, muziek en links naar de voorgaande vertaling : http://bhagavata.org/index.ned.html

 

 

S'RÎMAD BHÂGAVATAM

"Het Verhaal van de Fortuinlijke"

 Derde herziene versie 2010



CANTO 5

De Aanzet tot de Schepping

 

Inleiding   

Hoofdstuk 1 De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata  

Hoofdstuk 2 De Activiteiten van Mahârâja Âgnîdhra

Hoofdstuk 3 Rishabhadeva's Verschijnen in de Schoot van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

Hoofdstuk 4 De Eigenschappen van Rishabhadeva

Hoofdstuk 5 Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

Hoofdstuk 6 Heer Rishabhadeva's Activiteiten

Hoofdstuk 7 De Activiteiten van Koning Bharata

Hoofdstuk 8 De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

Hoofdstuk 9 Het Verheven Karakter van Jada Bharata

Hoofdstuk 10 Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

Hoofdstuk 11 Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

Hoofdstuk 12 Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 13 Vervolg van het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

Hoofdstuk 14 De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

Hoofdstuk 15 De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

Hoofdstuk 16 Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

Hoofdstuk 17 Hoe de Ganges naar Beneden Komt

Hoofdstuk 18 Gebeden tot de verschillende Avatâra's

Hoofdstuk 19 De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

Hoofdstuk 20 De Structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

Hoofdstuk 21 De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

Hoofdstuk 22 De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

Hoofdstuk 23 Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

Hoofdstuk 24 De Lagere Werelden

Hoofdstuk 25 De Heerlijkheid van Heer Ananta

Hoofdstuk 26 De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

 

 

 Inleiding

Dit boek verhaalt de geschiedenis van de Heer en Zijn incarnaties sedert de vroegste verslagen van de Vedische geschiedenis. Het is in werkelijkheid de Krishnabijbel van het Hindoe-universum. De Bhagavad Gîtâ verhoudt zich tot dit boek zoals de Bergrede van Heer Jezus in verhouding staat tot de volledige Bijbel. Het telt zo'n 18.000 verzen in 335 hoofdstukken en bestaat uit twaalf onderafdelingen van boeken die Canto's heten. Deze afdelingen vertellen samen de volledige geschiedenis van de Vedische cultuur en omvatten de essentie van de klassieke verzamelingen van verhalen genaamd de Purâna's. Deze specifieke verzameling Vedische verhalen beschouwt men als de belangrijkste van al de achttien grote klassieke Purâna's van India. Het bevat de room van de Vedische kennis verzameld uit al de Vedische literatuur zowel als het verhaal van het leven van Heer Krishna in zijn geheel (10e Canto). Het vertelt over Zijn geboorte, Zijn jeugd, al Zijn wonderbaarlijke bewijzen van Zijn goddelijke aard en de bovenmenselijke prestaties van het verslaan van allerlei demonen tot aan de grote Mahâbhârat oorlog te Kurukshetra toe. Deze toonaangevende Purâna die ook wel de 'perfecte Purâna' wordt genoemd, is een schitterend verhaal dat naar het Westen werd gebracht door S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda, een Caitanya-vaishnava, een (devotionele) bhakti-monnik van Heer Vishnu [de naam voor de bovenzinnelijke gedaante van Heer Krishna]. Hij nam de gedurfde taak op zich om de materialistische westerlingen, de gevorderde filosofen en de theologen op de hoogte te stellen, teneinde ze te helpen de gevaren en de eenzaamheid van het impersonalisme en de filosofie van de leegte te overwinnen.

Voor de vertaling heeft de auteur van deze internetversie gebruik gemaakt van de vertaling van C.L Goswami. M.A., Sâstrî (van de Gîtâ Press, Gorakhpur), de paramparâ [geestelijke erfopvolging] versie van S'rîla Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en de latere versie van dit boek van de hand van S'rîla A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda. De laatstgenoemde vertalers vertegenwoordigen als âcârya's [goeroes onderwijzend door het voorbeeld te geven] van de eeuwenoude Indiase Vaishnava traditie de reformatie van de toewijding voor God of bhakti, zoals die vanaf de zestiende eeuw in India wordt gepraktiseerd. Deze reformatie houdt staande dat het valse gezag van het kastenstelsel en enkel droge boekengeleerdheid moet worden afgewezen. S'rî Krishna Caitanya ook wel Caitanya Mahâprabhu genaamd, de avatâra [een nederdaling van de Heer] die deze reformatie inluidde, herstelde de oorspronkelijke bedoeling van het ontwikkelen van de toewijding voor God en ijverde met name voor de verspreiding van de twee  belangrijkste heilige geschriften waarin die toewijding in relatie tot Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid van God wordt uiteengezet. Deze geschriften zijn de Bhagavad Gîtâ en deze Bhâgavata Purâna, die ook wel het S'rîmad Bhâgavatam wordt genoemd, waar al de Vaishnava leraren van het voorbeeld [âcârya's] hun wijsheid voor het onderricht aan ontlenen en hun toewijding gestalte mee geven. De woord-voor-woord vertalingen zowel als de volledige tekst en commentaren op dit boek werden bestudeerd zowel binnen als buiten de Hare-Krishnatempels waar het onderricht van deze cultuur plaatsvindt in zowel India, Amerika als Europa. De bedoeling van de vertaling is in de eerste plaats deze glorieuze tekst voor een breder publiek via het internet bereikbaar te maken. Aangezien de Bijbel, de Koran en tal van andere heilige teksten vrij beschikbaar zijn, meende de auteur dat dit boek niet achter kon blijven op de planken van zijn eigen boekenkast als een bewijs van materiële bezitsdrang. Toen we met deze onderneming begonnen in het jaar 2000 was er nog geen behoorlijke webpresentatie van dit boek. Kennis niet gedeeld is verloren kennis en zeker dit soort kennis welke de nadruk legt op de yoga van toewijding, die vrij zijn van bezitsdrang als een van haar hoofdwaarden heeft, kon niet achterblijven. De versie van Swami Prabhupâda is zeer uitgebreid en beslaat zo'n 2400 pagina's in dundruk van tekst met commentaren. En dat waren alleen nog maar de eerste tien Canto's. De resterende twee werden postuum uitgegeven door zijn leerlingen in de volheid van zijn geest. Zo stond ik voor twee uitdagingen: de ene was de tekst te concateneren, d.w.z. een leesbaar lopend verhaal van het boek te maken dat was ontleed tot op het woord en de andere uitdaging bestond eruit het in een taal te zetten die gepast zou zijn voor de 21e eeuw met al haar moderne en postmoderne ervaring en digitale vooruitgang van de huidige culturele orde in de wereld, zonder ook maar iets van de oorspronkelijke verzen te verliezen. Aldus kwam een andere vers tot vers zoals-het-is vertaling tot stand waarin Cakravarti's, Prabhupâda's en Sâstrî's woorden werden hertaald en aangepast aan het begrip en de realisatie van vandaag de dag. Deze realisatie kwam in mijn geval rechtstreeks van de geestelijke erfopvolging van de Vaishnavalijn van âcârya's (leraren) zowel als van het totale bereik van de Indiase filosofie der verlichting en yogadiscipline zoals die naar het Westen werd gebracht door niet-Vaishnava goeroes en gehandhaafd door hun leerlingen. Derhalve moet de auteur zijn dank betuigen aan al deze grote helden die het aandurfden om de koppigheid van de westerse filosofie met al haar twijfels, concretisme en scepticisme het hoofd te bieden. In het bijzonder moeten de leerlingen van Swami Prabhupâda, leden van de wereldverzakende orde (sannyâsî's) worden genoemd die de auteur instrueerden in de onafhankelijkheid en volwassenheid van de filosofie van de bhakti-yogi's van Heer Caitanya. De auteur was in India reeds ingewijd door een non-Vaishnava goeroe en had de naam van Swami Anand Aadhar meegekregen ('leraar van de grondvesting der gelukzaligheid'). Die naam werd door de Krishnagemeenschap veranderd in Anand Aadhar Prabhu (meester van de grondvesting van het geluk) zonder verdere ceremoniën van Vaishnava initiatie (op een basistraining na). Met de naam Anand Aadhar ben ik een teruggetrokken toegewijde, een zogeheten vânaprashta, die in de stilte en bescheidenheid van zijn eigen lokale aanpassingen van de filosofie en discipline zijn toegewijde dienst doet.

Doorgaans werden de woord-voor-woordvertaling en de grammaticale aanwijzingen aangehouden zoals geboden in de vertalingen van S'rîla A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda/ISKCON, Vishvanâtha Cakravarti Thhâkura en C.L. Goswami. M.A., Sâstrî en ik heb ze gecontroleerd aan de hand van het Monier-Williams Sanskriet woordenboek [zie file gebruikte woorden]. In voetnoten en tussen vierkante haakjes [ ] wordt soms in een kleine toelichting voorzien en extra informatie gegeven om het de lezer naar de zin te maken als de oorspronkelijke tekst uitgaat van een meer ervaren lezer. Op de internetsite bhagavata.org bij dit boek refereert mijn versie bij ieder vers met een link naar de tekst van Prabhupâda samen met mijn eigen voorgaande versie, zodat men steeds kan nagaan wat ik met de tekst heb gedaan. Dit beantwoordt aan de wetenschappelijke traditie van de Vaishnava gemeenschap.

Voor de copyrights op deze vertaling geldt het z.g. Creative Commons Attribution-Noncommercial Share Alike 3.0 Unported License copyright. Dit betekent dat men vrij is te kopiëren en te bewerken onder voorwaarde dat men de naam vermeld (Anand Aadhar en linkt naar deze site bhagavata.org), dat het resulterende werk alleen maar kan worden gedistribueerd onder dezelfde of soortgelijke licentie en dat men de tekst niet kan gebruiken voor commerciële doeleinden. Voor alle andere gebruik zal men contact moeten opnemen (voor links zie onze linkpagina).

Met liefde en toewijding, Anand Aadhar Prabhu, Enschede, Nederland, 17 april 2012.


 

 Hoofdstuk 1: De Activiteiten van Mahârâja Priyavrata

(1) De Koning [Parîkchit] zei: 'Waarom o wijze was Priyavrata, de grote toegewijde tevreden met de ziel, er zo gelukkig mee thuis te verblijven, die plaats welke de grondoorzaak is van de gebondenheid aan karma en de minachting [voor de wereldverzakende orde]? (2) Zoiets als het zwelgen in familieaangelegenheden o wijste der tweemaal geborenen, is toch zeker niet weggelegd voor personen die vrij zijn van gehechtheden? (3) Het lijdt geen twijfel dat het bewustzijn van grote zielen zijn voldoening vindt in de schaduw van de voeten van de Heer geprezen in de verzen en niet zo zeer in de geest van gehechtheid aan huis en haard. (4) Dit is waar ik hevig aan twijfel o brahmaan: hoe kan er op basis van de krachten van iemands huwelijkspartner, huis, kinderen enzovoorts, volmaaktheid en een feilloze vastbeslotenheid jegens Krishna tot stand komen?'

(5)
S'rî S'uka zei: 'Het is volkomen juist wat u zei over de harten van de personen der bevrijding en de toegewijden die zijn verzonken in  de nectargelijke honing van de verhalen aan de lotusvoeten van hun geliefde Heer geprezen in de geschriften. Ondanks de tegenslagen die ze soms ondervinden geven ze vrijwel nooit hun zo hoog verheven positie op. (6) Het staat alom bekend o Koning, dat prins Priyavrata inderdaad een allerverhevenste toegewijde was die in zijn dienst aan Nârada's voeten zeer snel doordrongen raakte van de volledige waarheid omtrent de spirituele bedoeling die hij in toegewijd enthousiasme onophoudelijk besprak. Hoewel zijn vader hem verzocht over de aarde te heersen omdat hij zo veel van de allerbeste kwaliteiten in zich had, kon hij er niet blij mee zijn. Hij wilde zich niet laten afleiden in zijn grote voorliefde voor het met al zijn zinnen in al zijn handelen in yoga verzonken zijn in de Allerhoogste Heer van de Ziel van het Universum, maar om geen enkele reden kon hij van het aanvaarden van die post afzien omdat, als hij op enige andere wijze in het geweer zou komen tegen het onware, dat zeker tot verval zou leiden. (7) Zo gebeurde het dat de Heer en eerste onder de halfgoden [Brahmâ] omringd door al zijn persoonlijke metgezellen en de Veda's, nederdaalde uit zijn hemelverblijf, hij die altijd denkt aan het welzijn van het geheel van deze universele schepping bestaande uit de drie geaardheden en van wie men de uiteindelijke bedoeling van het universum kent als zijnde de Allerhoogste Ziel waaruit hij zelf voortkwam. (8) Als de maan tussen de sterren aan de hemel werd hij op zijn weg hier en daar aanbeden door de leiders van de halfgoden vanaf hun hemelse voertuigen. En zo deden dat ook de één na de ander groepjes vervolmaakten, hemelbewoners, verfijnden, zangers en wijzen [respectievelijk de Siddha's, de Gandharva's, de Cârana's, de Sâdhya's en de Muni's] toen hij aldus als het stralend middelpunt in de buurt van het Gandhamâdana-gebergte kwam [waar Priyavrata aan het mediteren was]. (9) Toen de devarishi [Nârada] de zwaan die de almachtige vader Heer Hiranyagarbha [Brahmâ] droeg herkende, stond hij samen met Priyavrata en zijn vader [Svâyambhuva Manu] daar aanwezig onmiddellijk met gevouwen handen op om hem de eer te bewijzen met alles wat er bij hoort. (10) O zoon van Bhârata, de Heer, de oorspronkelijke persoon van het universum die aldus uit dankbaarheid voor de glorie van zijn nederdaling zoals dat gebruikelijk was werd geconfronteerd met de hulpmiddelen ter aanbidding en de lof in verheven taal voor zijn kwaliteiten, wendde zich toen tot Priyavrata terwijl hij hem met een mededogende glimlach aankeek.

(11)
De grote Heer zei: 'Let op wat ik u nu zeg, u moet niet jaloers zijn op de Godheid die ons vermogen tot beheersen te boven gaat. Wij, Heer S'iva, uw vader en deze grote Rishi [Nârada] voeren allen Zijn opdracht uit en kunnen daar niet van afwijken. (12) Geen enkele bestaansvorm kan met het aanvaard hebben van een materieel lichaam tornen aan de orde van Zijn schepping; niet door verzaking noch door scholing, niet door yoga noch op basis van de eigen kracht of intelligentie en voorzeker ook nooit door de weelde die werd verworven, de deugd der plichtsbetrachting, met de inzet van anderen of door welk persoonlijk ijveren ook.  (13) Gestuurd door de Ongeziene, zijn de levende wezens met het aanvaard hebben van een materieel lichaam altijd gebonden aan geboorte en dood, illusie en verdriet, angst, geluk, leed en aan alles wat ze moeten doen overeenkomstig hun karma. (14)  Mijn zoon, in onze onvermijdelijke gebondenheid aan guna en karma zijn wij, net als de vierbenige [stier] die met een touw door zijn neus gebonden is aan de tweebenige [voerman], aangelijnd aan het lange touw van de Vedische instructie en aldus allen [binnen het varnâs'rama-systeem] bezig met het leveren van onze bijdrage om de Heer te behagen. (15) Als blindemannen geleid door iemand die kan zien moeten wij, mijn beste, onvermijdelijk [onderworpen aan Zijn Vedische touw] dan het leed of geluk onder ogen zien dat hoort bij de kwaliteiten en het werk in samenhang met de situatie waarin we ons bevinden met het lichaam dat de Heer ons schonk. (16) Zelfs een bevrijde persoon moet zijn leven lang zijn lichaam in stand houden dat hij verwierf als gevolg van zijn verleden. Zonder loze passie en trots moet hij als iemand die uit zijn slaap is ontwaakt aanvaarden wat werd meegemaakt, maar wat betreft een ander materieel lichaam [een nieuwe geboorte] zal hij zich nooit meer laten bepalen door de materiële kwaliteiten. (17) Iemand die daar niet voor waakt [iemand die zijn zinnen niet wil beheersen] heeft zelfs als hij in de bossen verblijft te vrezen vanwege de zes bijvrouwen [van de vijf zinnen en de geest], maar wat voor schade zou [anderzijds] een huishoudelijk leven iemand berokkenen die een in zichzelf tevreden en geleerd man is die zijn zinnen de baas is? (18) Aan een huishoudelijk bestaan begonnen moet een ieder die die zes tegenstanders wil overwinnen ze eerst vanuit die stevige vesting proberen de baas te worden, [want pas] als de ongereguleerde verlangens van die hevige vijanden hun kracht hebben verloren kan men zich door de wol geverfd vrij rondbewegen. (19) Als u, beschermd in dit fort door de veilige haven van de lotusvoeten van Hem met de lotusgelijke navel, de zes tegenstanders hebt overwonnen en bevrijd bent van gehechtheden middels deze bijzondere instructies van de Oorsponkelijke Persoon, kan u al het aangename van het leven genieten en aldus uw weg vinden.'

(20)
S'rî S'uka zei: 'De grote toegewijde van [Brahmâ] de machtige Heer die de geestelijk leraar is van de drie werelden, aldus volledig op de hoogte gesteld, boog als een nederige ziel met het aanvaarden van zijn opdracht zijn hoofd en zei: 'Ja dat zal ik' en bracht het met alle respect ten uitvoer. (21) Terwijl Priyavrata en Nârada in vrede er notie van namen, werd de grote Heer eveneens door Manu naar behoren gerespecteerd. Daarop vertrok hij om terug te keren naar zijn hemelverblijf, die hoog boven alles verheven plaats die alle beschrijving en verstand te boven gaat. (22) Manu die eveneens door hem ondersteund zijn plan ten uitvoer bracht en met de goedkeuring van Nârada middels zijn zoon zorgde voor de handhaving en bescherming van al de werelden in het universum, raakte [daarmee] persoonlijk verlost van zijn verlangens in de zo hoogst gevaarlijke, giftige oceaan van de materiële wereld. (23) [Priyavrata, de zoon van Manu die als] de keizer van het universum naar de opdracht van de Heer aldus volledig begaan [was] met materiële aangelegenheden, raakte door steeds te mediteren op de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon wiens bovenzinnelijke invloed alle gebondenheid tenietdoet, met al het vuil dat zo uit zijn hart werd weggewassen volledig gezuiverd en bestuurde de materiële wereld met als enige wens de groten eer aan te doen. (24) Daarna trouwde hij met Barhishmatî, de dochter van Vis'vakarmâ, een van de stamvaders, en verwekte in haar behalve een dochter die als de jongste van zijn kinderen de naam Ûrjasvatî droeg, ook tien zoons die hem in zijn grootheid evenaarden qua karakter, kwaliteiten, handelingen, schoonheid en moed. (25) Al zijn zoons gaf hij de namen van Agni, de god van het vuur: Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Mahâvîra, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Savana, Medhâtithi, Vîtihotra en Kavi. (26) Drie van hen, Kavi, Mahâvîra en Savana waren [celibatairen die] vanbinnenuit gemotiveerd meteen vanaf het begin van hun kindertijd leefden voor de bovenzinnelijke kennis op basis waarvan ze, zeer goed op de hoogte van de hoogste geestelijke volmaaktheid, zich aansloten bij de wereldverzakende orde [de paramahamsa-âs'rama]. (27) De bovenzinnelijke wijzen leven in de vrede van de kwaliteiten van die gevierde orde (*) ten gunste van het geheel van alle levende wezens die in angst en vrees om hun materiële bestaan hun heil zoeken bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Vâsudeva die de enige toevlucht vormt. In hun voortdurende heugenis nemen ze, bij genade van de hoogste yoga der toewijding gezuiverd, vrij van smetten de Allerhoogste Heer van alle schepselen waar in hun harten. Ze zien Hem dan rechtstreeks als zich bevindend in henzelf en realiseren zichzelf daarmee als zijnde gelijk in kwaliteit, als niet verschillend van de Heer van de Superziel. (28) Bij een andere vrouw verwekte hij nog drie zoons die Uttama, Tâmasa en Raivata heetten. Ze werden de bestuurders van het Manutijdperk [dat 71 mahâyuga's duurt]. (29) Nadat zijn zoons getraind waren in de wereldverzakende orde werd hij [Priyavrata] aldus de heerser over het universum alwaar hij toegerust met machtige armen van gezag samen met hen de snaar van de boog spande die luid weerklinkend al degenen versloeg die tegen het dharma opstonden. Zonder onderbreking was er voor de duur van 110 miljoen jaar de heerschappij van de grote ziel die met de dagelijks groeiende beminnelijkheid, vrouwelijkheid, bedeesdheid, lachen, blikken en wederkerigheid in de liefde van zijn vrouw  Barhishmatî [in zijn herhaalde geboorten] een aangenaam leven had, maar erdoor in de war gebracht en verslagen verloor hij zijn onderscheidingsvermogen. (30) Omdat hij het niet kon waarderen dat, zolang de zonnegod in zijn baan om de berg Meru heendraaide, hij de ene helft van de aarde verlichtte en de andere helft in het donker liet, zei hij die in zijn aanbidding van de Fortuinlijke van een bovennatuurlijke macht was: 'Ik zal de nacht net zo doen schitteren als de dag', en om dat kracht bij te zetten volgde hij toen in een strijdwagen de zon in zijn omloopbaan, hetgeen hij exact zeven keer en evenzo snel deed alsof hij een tweede zon was. (31) Aldus tewerkgaand met de wielen van zijn wagen die groeven maakten met hun loopvlak, werden de zeven oceanen voortgebracht die de aarde [Bhû-mandala] verdeelden in de zeven dvîpa's [de continenten of 'eilanden']. (32) Bekend als Jambû, Plaksha, S'âlmali, Kus'a, Krauñca, S'âka en Pushkara is ieder van hen twee keer zo groot als de voorgaande oceaan waarachter ze aan alle kanten er omheen ligt. (33) Die zeven oceanen bestaande uit zout water, suikerrietsap, sterke drank, geklaarde boter, melk, vloeibare yoghurt en zoet water zijn van dezelfde grootte als de zeven continenten die ze als de groeven [van zijn wagen] de een na de ander opeenvolgend geheel omsluiten. Voor ieder van de dvîpa's afzonderlijk stelde de echtgenoot van Barhishmatî beginnende bij Jambûdvîpa een van zijn trouwe zoons die Âgnîdhra, Idhmajihva, Yajñabâhu, Hiranyaretâ, Ghritaprishthha, Medhâtithi en Vîtihotra heetten aan als hun koning.
 
(34)
Verder huwelijkte hij de dochter die Ûrjasvatî heette uit aan de grote wijze Us'anâ [S'ukrâcârya die ook wel Kavi of Kavya werd genoemd]. Uit haar werd een dochter genaamd Devayânî geboren. (35) Voor de toegewijden van de Heer der Grote Schreden [Urukrama, zie 1.3: 19] die door hun toevlucht te zoeken tot het stof van Zijn voeten in staat zijn de zes kwaliteiten te overwinnen [van het materiële bestaan: honger, dorst, weeklagen, illusie, ouderdom en de dood **], is een dergelijke [realisatie van] persoonlijke macht in het geheel niet zo verbazingwekkend, want zelfs een vijfdeklas persoon [een uitgestotene] zal terstond zijn materiële gehechtheid opgeven als hij slechts één keer Zijn naam uitspreekt. (36) Hij [Priyavrata] die aldus ongeëvenaard was in zijn kracht en invloed, zag op een dag in dat hij ondanks zijn overgave aan de voeten van de devarishi [Nârada] niettemin daarna ten val was gekomen vanwege zijn begaan zijn met de geaardheden der natuur waarin hij geen bevrediging vond [vergelijk 1.5: 17]. Hij zei toen in een geest van verzaking voor zichzelf: (37) 'Oh, wat ben ik fout bezig geweest, zo volledig in beslag genomen als ik was door het onbenul van een leven gericht op zinsgenot. De duistere put van het materieel plezier maakte me schuldig aan een hoop verdriet en maakte een dansende aap van me, onbetekenend en van geen belang in de handen van mijn vrouw. Ik ben werkelijk verdoemd en verloren!' Aldus kritiseerde hij zichzelf. (38) Met zijn zelfverwerkelijking gerealiseerd bij de genade van de godheid in de hemel, met het aan zijn trouw volgende zoons overdragen van de aarde, met het verdelen van de nalatenschap, met het opgeven van zijn koningin waarvan hij zo genoten had, met het afzien van het doodse lichaam van de grote weelde en met zijn hart in volkomen onderwerping overgegaan tot de verzaking, was hij er zeker van weer op het goede spoor te zitten van de grote heilige Nârada en de verhalen over de Heer. (39) Op hem zijn de volgende uitspraken van toepassing: 'Wat door Priyavrata werd gedaan kon, met uitzondering van de Allerhoogste Heer, door niemand anders worden gedaan', 'Hij verdreef de duisternis en schiep met de sporen van de wielen van zijn wagen de zeven zeeën.' (40) 'Om de strijd van de naties op de verschillende continenten een halt toe te roepen, was hij het die de situatie in het leven riep van de grenzen in de wereld in de vorm van rivieren, bergketens en wouden en dergelijke [vergelijk 4.14: 45-46].' (41) 'Als de meest geliefde volgeling van de Oorspronkelijke Persoon stond wat hem betreft alle weelde van de lagere werelden, de hemelen en de aarde, alsook dat wat verworven wordt door vruchtdragende arbeid of door yoga [de siddhi's], gelijk aan de hel.'

*: Er zijn vier stadia in het aanvaarden van de wereldverzakende orde: 1) Kuthîcaka: men verblijft buiten het dorp in een hutje, en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, krijgt men van huis. 2) Bahûdaka: men aanvaardt niet langer meer wat dan ook van huis; in plaats daarvan vergaart men, mâdhukarî, met "het beroep van de hommels", wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, van verschillende plaatsen. 3) Parivrâjakâcârya: men reist over de gehele wereld rond om de heerlijkheden van Heer Vâsudeva te prediken en wat men nodig heeft, met name iemands voedsel, vergaart men van vele plaatsen. 4) Paramahamsa: hij rondt zijn preekwerk af en gaat op één plaats zitten, strikt voor het heil van de vooruitgang in het geestelijk leven.  

**: Deze 'zes kwaliteiten' kunnen ook worden begrepen als de vijf zinnen en de geest volgens Sâstrî Goswami.

 

Hoofdstuk 2: De Activitieiten van Mahârâja Âgnîdhra

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zijn vader aldus het pad der bevrijding had verkozen en Âgnîdhra overeenkomstig zijn opdracht zijn plaats innam, beschermde hij met het strikt in acht nemen van het dharma de burgers, de bewoners van Jambûdvîpa, als waren ze zijn kinderen. (2) Op een dag zich een vrouw uit het bereik der goddelijken wensend ging hij over tot verzakingen aan de voet van de bergen waar ze zich vermaken. Nadat hij in overeenstemming met de regels van zijn voorvaderen alle benodigdheden voor de eredienst bijeen had gebracht, was hij vol aandacht boetvaardig van eerbetoon voor de meester, de hoogste macht der schepping in het universum [Heer Brahmâ]. (3) Met begrip [voor zijn wens] zond de machtige Heer, de eerste persoon van het universum, vanuit zijn bereik een hemels meisje, de Apsara Pûrvacitti naar beneden. (4) Rondwandelend in de bossen was zij toen daar in die plaats van meditatie te vinden die zeer mooi vol stond met allerlei bomen en massa's hoog reikende gouden klimplanten gehecht aan de takken. In het heldere water van het meer vol lotussen zong ze mee met de klanken van de aangename geluiden van de communicerende paartjes landvogels en watervogels als eenden, zwanen en dergelijke. (5)
De zoon van de god der mensen hoorde toen in de vervoering van zijn yoga de aangename geluiden van haar enkelbelletjes die tinkelden bij iedere stap die ze deed met haar zo bijzonder aantrekkelijke manier van speels rondbewegen. Opkijkend met zijn half open ogen die de vorm hadden van lotusknoppen, ontdekte hij haar. (6) Dichtbij hem als een honingbij aan de prachtige bloemen ruikend, maakte ze met haar speelse bewegingen, verlegen blikken en bescheidenheid, haar lieflijke stem en ledematen een lust voor het oog en de geest zijnd van zowel de normale man als de mannen van de hemel, de weg vrij voor de bloemendragende god der liefde. De godin verbijsterde met het genoegen de zoete nectar van haar stem te horen die uit haar glimlachende en pratende mond stroomde, de aanblik van de haastige, stijlvolle, kleine bewegingen van haar voeten in reactie op de bedwelmde bijen die haar omringden, de bewegingen van haar goed gevulde borsten, het gewicht van haar heupen, de tressen van haar haar en de gordel om haar middel. De enkele aanblik van de godin bracht hem volledig in de greep van de almachtige Cupido zodat hij de kans aangreep haar aan te spreken.

(7) 'Wie ben jij en wat ben je van plan op deze berghelling o keuze der muni's. Ben je een of andere geestverschijning van de Allerhoogste Heer, onze God in het voorbije? Lieve vriendin heb je die twee bogen zonder pezen [je wenkbrauwen] bij je voor je eigen bescherming of maak je jacht op de onoplettende beesten in dit bos? (8) Deze twee pijlen [deze ogen] van jou o fortuinlijke dame, die veren hebben als lotusblaadjes, hebben geen schacht en zijn vredig en zeer mooi. Wie wil je hier rondhangend, met hun scherpe punten doorboren? Moge jouw macht het welzijn van ons allen dienen die maar traag van begrip zijnde dit niet begrijpen! (9) Deze volgelingen om je heen [de bijen] o aanbiddelijke, zijn, met hun genieten van je haarlokken en de tal van bloemen die eruit vallen, onophoudelijk allen zingend voor de Heer, de Sâma Veda en de Upanishad aan het reciteren, als waren ze wijzen van respect voor de afdelingen van de Veda. (10) Van het geluid gemaakt door alleen al je enkelbelletjes kan ik heel duidelijk de tittirivogeltjes horen o brahmaan[s meisje], zonder dat ik ze kan zien. Kijkend naar je prachtige ronde heupen met hun mooie kleur van kadambabloemen met daaromheen een gordel zo rood als gloeiende kolen, vraag ik me af waar je [ascetische] berkenbastkleding zou zijn. (11) En wat o tweemaal geborene, vult die twee hoorns o hemelse verschijning der schoonheid, die je bij je zo slanke middel draagt? Wat bevatten ze dat zo aantrekkelijk is voor mijn ogen? En wat is dat geurige rode poeder op hen beide waarmee jij o boodschapper van het geluk, mijn geestelijk oord parfumeert? (12) Laat me alsjeblieft zien waar je woont o liefste vriendin. Waar in godsnaam werd iemand zo prachtig van lijf en leden als jij geboren? Voor iemand als ik zijn de vele wonderen van jouw lieflijke woorden en uitnodigende gebaren, die zo zoet als nectar zijn voor de mond, iets zeer opwekkends. (13) En wat voor voedsel heb je in je mond? Ik ruik de zuivere ingrediënten van wat je kauwt mijn liefste. Je moet wel een expansie zijn van Heer Vishnu, met je twee wijd open ogen en rusteloze, schitterende haaivormige hangers aan je oren, je rijen blinkend witte tanden en je gezicht dat is als een meer temidden van de bijen om je heen. (14) Mijn ogen krijgen geen rust met de bal die je lotusvormige handpalm in alle richtingen doet bewegen. Kan het je niets schelen dat je krullende haar loshangt? Bezorgt die jurk van je je geen moeilijkheden zoals die door de wind wordt opgetild zoals een man dat doet die zich aangetrokken voelt tot een vrouw? (15) O schoonheid, o schat der wijzen, op grond van welke verzaking slaagde je erin op deze manier [met dit lichaam] zo feilloos de boetedoening te ontregelen van een ieder die teruggetrokken leeft? Je zou de verzaking met mij moeten beoefenen o vriendin. Misschien ben je wel voor mij weggelegd omdat de schepper van het geschapene [Brahmâ] tevreden over mij is. (16) Ik zal jou niet opgeven mijn liefste schat die me geschonken werd door de god der geestelijke wedergeboorte. Ik heb mijn geest en ogen op jouw gevestigd, ik zal je niet in de steek laten en je dicht bij me houden o schoonheid met je mooie borsten. Ik ben je volgeling, leid me waarheen je maar wilt en laten je beste vriendinnen maar volgen.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Aldus zeer bedreven in het inpalmen van vrouwen slaagde hij intelligent als de goden erin met zijn woordkeus de gunst van het hemelse meisje te winnen. (18) Zij die zich ook van haar kant aangetrokken voelde tot de intelligentie, manieren, schoonheid, jeugd, rijkdom en de edelmoedigheid van die meester onder de helden, genoot toen voor een oneindig, talloos aantal jaren de tijd doorbrengend in gehechtheid aan hem als de koning van Jambûdvîpa, van alle aardse en hemelse geneugten. (19) Hij, Âgnîdhra, de beste der koningen, slaagde erin in haar negen zoons te verwekken die de namen Nâbhi, Kimpurusha, Harivarsha, Ilâvrita, Ramyaka, Hiranmaya, Kuru, Bhadrâs'va en Ketumâla droegen. (20) Nadat ze jaar voor jaar het leven had geschonken aan haar zoons, vertrok Pûrvacitti van huis om weer terug te keren naar de ongeboren godheid [Brahmâ]. (21) De zonen van Âgnîdhra die dankzij de zorg van hun moeder sterke, goed gebouwde lichamen hadden, kregen door hun vader de verschillende en met hun eigen namen aangeduide delen van Jambûdvîpa toebedeeld om over te regeren [waarschijnlijk het Euraziatische continent]. (22) Koning Âgnîdhra, onbevredigd in zijn verlangens dacht iedere dag meer en meer aan de hemelse vrouw en bereikte zoals de geschriften het [in bv. B.G. 8: 6] beschrijven [daarmee] haar plaats in de hemel, [Pitriloka] waar de voorvaderen in verrukking leven. (23) Na het vertrek van hun vader huwden de negen broers de negen dochters van Meru genaamd Merudevî, Pratirûpâ, Ugradamshthrî, Latâ, Ramyâ, S'yâmâ, Nârî, Bhadrâ en Devavîti.'

 

Hoofdstuk 3: Rishabhadeva's Verschijnen in de Schoot van Merudevî, de Echtgenote van Koning Nâbhi

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhi, de zoon van Âgnîdhra die ernaar verlangde zoons te krijgen van Merudevî die kinderloos was, bracht samen met haar met veel zorg gebeden in aanbidding van de Allerhoogste Heer Vishnu, de genieter van alle offers. (2) Terwijl hij met groot geloof, toegewijd en met een zuivere geest met de aanbidding bezig was manifesteerde de Allerhoogste Heer zich vanuit Zijn liefde om aan de verlangens van Zijn toegewijden tegemoet te komen. Hij toonde zich in Zijn mooiste, niet te overtreffen gedaante waarin Hij met Zijn betoverend fraaie ledematen zo'n genoegen is voor het oog en de geest, ook al kon dat [normaal gesproken] niet worden gerealiseerd met de onderdelen van de inleidende pravargya ceremonie waar hij mee bezig was: de juiste plaats en tijd, de hymnen, de priesters, de giften aan de priesters en de regulerende beginselen. (3) Toen Hij zich in Zijn vierhandige gedaante zeer helder als de bovenste beste van alle levende wezens manifesteerde met een geel zijden gewaad aan en de schoonheid van het S'rîvatsa merkteken op Zijn borst, Zijn schelphoorn, lotusbloem, werpschijf, bloemenkrans, het Kaustubha-juweel, Zijn knots en dergelijke zaken kenmerkend voor Hem, wekte Hij schitterend stralend met de helm, oorhangers, armbanden, gordel, halssnoer, armversieringen en de enkelbelletjes etc. die Zijn lichaam sierden, bij koning Nâbhi, de priesters en de anderen aanwezig een gevoel op van arme mensen die een grote schat verworven hebben waarop ze toen met grote achting en alle artikelen van aanbidding eerbiedig hun hoofden bogen. (4-5) De priesters zeiden: 'AlstUblieft aanvaard o Meest Verhevene, de herhaaldelijke respectbetuigingen van onze aanbidding. Door die aanbidding zijn wij, Uw dienaren, tot handelen in staat, mits we ons houden aan de instructies van hen die boven ons staan. Wie ook die zijn geest niet in bedwang heeft omdat die geheel in beslag wordt genomen door de veranderlijkheid van de natuurlijke verschijningsvormen [de guna's], zou er toe in staat zijn om kennis te hebben van [al] de namen, gedaanten en kwaliteiten die horen bij de positie die U inneemt in deze wereld o Allerhoogste Heer verheven boven de zeggenschap van de materiële natuur! We kunnen U slechts ten dele kennen middels het zo goedgunstig in woorden uitdrukken van de uitnemendheid van Uw bovenzinnelijke kwaliteiten die alle zondig handelen van de mensheid wegvagen. (6) U raakt gunstig gestemd door Uw toegewijden die in een staat van hevige vervoering hun gebeden doen met haperende stemmen en zich in hun aanbidding bedienen van water, verse twijgjes groen, tulasî-blaadjes en verse grassprieten. (7) Wat voor nut zou het anders hebben ons terwille van U o Heer te belasten met het brengen van offers en het ons bedienen van de hulpmiddelen voor de aanbidding? (8) U als de rechtstreekse belichaming van de burgerdeugden [de purushârtha's] bent van een eindeloze en onbegrensde constante toename, maar o Heer, onze hunkering in dezen naar de zegening van het zinsgenoegen, kan er alleen maar zijn met de bedoeling Uw genade te verwerven. (9) Hoewel U het persoonlijk wenst om met Uw grondeloze en onuitputtelijke genade en heerlijkheid het pad der bevrijding [genaamd apavarga] voor ons open te leggen en om die reden naar hier bent gekomen en zodanig aanwezig bent dat ieder gewoon mens U kan zien, schieten we tekort in ons eerbetoon voor U. Wij o Heer der Heerscharen, zijn immers maar dwazen die geen weet hebben van Uw uiteindelijke welzijn. (10) Dit voor ogen van Uw toegewijden verschijnen van U hier in deze offerplechtigheid van koning Nâbhi, vormt o Beste der Begunstigers, werkelijk de grootste zegen o meest aanbiddelijke. (11) Voor die wijzen van wie in onthechting aan kracht gewonnen talloze onzuiverheden werden weggenomen door het vuur van de kennis, voor die wijzen vanbinnen tevreden die Uw kwaliteiten realiseerden door onophoudelijk Uw verhalen te herhalen en Uw vele eigenschappen te bespreken, bent U [met Uw persoonlijk aanwezig zijn] de hoogste zegen die men kan bereiken.  (12) Als we dan onverhoopt mogen struikelen en ten val komen, honger lijden, ons vervelen, in een ongemakkelijke positie verkeren en dergelijke of als we koorts hebben of op sterven liggen en dan niet in staat zijn ons U te herinneren, laat het dan zo zijn dat Uw namen, handelingen en eigenschappen ter sprake worden gebracht die het vermogen hebben alle zonde te verdrijven. (13) Daarnaast wil deze vrome koning [Nâbhi] niettemin graag door U gezegend worden met nageslacht, een zoon waarvan hij hoopt dat hij precies is als U: een allerhoogste beheerser van de zegeningen der hemel en het pad dat daarnaar leidt. Hij die met het idee van kinderen als het hoogste levensdoel dit in aanbidding van U vraagt, gedraagt zich aldus als een arme man die een rijk iemand die bereid is tot liefdadigheid slechts om een greintje vraagt! (14) Wie zonder achting voor de voeten van de groten in deze wereld is nu niet onderworpen aan de onoverkomelijke, begoochelende energie waardoor men de weg kwijt is? Wiens intelligentie is nu niet verbijsterd door het materiële genoegen dat werkt als een vergif? Wiens aard wordt nu niet overschaduwd door die stroom [die keten van gevolgen]? (15) AlstUblieft, vergeef het ons in Uw [goddelijke onverschilligheid van] gelijkheid tegenover alles en iedereen, dat we U hebben uitgenodigd om weer te verschijnen als de verrichter van vele wonderen, tolereer alstUblieft ons onwetende zielen die, minder intelligent van minachting voor de goddelijkheid van U als de God der Goden, een materieel resultaat op het oog hebben.'

(16)
S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de leidsman der wijzen wiens voeten aldus anders dan in de gebruikelijke verzen voorover gebogen waren verheerlijkt door hen die [zelfs] aanbeden werden door [Nâbhi] de keizer van Bhâratavarsha [India], sprak toen vriendelijk tot hen. (17) De Allerhoogste Heer zei: 'Helaas, tevreden als Ik ben over u wijzen wiens woorden allemaal waar zijn, is die zegening waar u om vroeg - dat er een zoon van Nâbhi mag zijn die is zoals Ik -  moeilijk te verwezenlijken. Daar Ik mijn gelijke niet ken kan er buiten Mij niemand zijn die aan Mij gelijk is. Maar de woorden van jullie brahmanen mogen zich [ook] niet als onwaar bewijzen, omdat de klasse der tweemaal geboren godsbewusten Mijn mond [vertegenwoordigt]. (18) Aangezien er niemand te bekennen is die gelijk aan MIj is, zal ik daarom persoonlijk expanderend in een volkomen deel van Mijzelf, nederdalen in [Merudevî,] de echtgenote van Âgnîdhra's zoon.'

(19) S'rî S'uka zei: 'Nadat Hij aldus, duidelijk voor haar te horen, gesproken had tot de echtgenoot van Merudevî, verdween de Allerhoogste Heer. (20) O genade van Vishnu [Parîkchit], teneinde koning Nâbhi tevreden te stellen verscheen de Allerhoogste Heer die in dit offerperk gunstig was gestemd door de besten der wijzen, in Zijn oorspronkelijke avatâra gedaante van zuivere goedheid in zijn echtgenote Merudevî met de wens om de wijzen der verzaking - die zich amper kleden, een ascetisch leven leiden en zich doorlopend aan het celibaat houden - de manier te tonen waarop men het dharma [de rechtschapenheid, de religie, de ware natuur] ten uitvoer brengt.'



Hoofdstuk 4: De Eigenschappen van Rishabhadeva

(1) S'rî S'uka zei: 'Omdat Hij [de zoon van koning Nâbhi, zie voorgaand hoofdstuk en 2.7: 10] vanaf de aanvang van Zijn verschijnen zich iedere dag in toenemende mate onderscheidde met de autoriteit van al de eigenschappen van de Opperheer, zoals gelijkgezindheid jegens allen, het van een volmaakte vrede en verzaking zijn en het hebben van alle invloed en vermogens, zagen de ministers, burgers, de brahmanen en de goden vol verlangen uit naar de dag dat Hij over de aarde zou heersen. (2) In overweging van de in grootse verzen [door de poëten] bezongen verheven staat van Zijn kundigheid, kracht, schoonheid, roem, invloed en heldhaftigheid, gaf zijn vader Hem de naam Rishabha, de Allerbeste. (3) Koning Indra die jaloers was op Zijn verheven status liet het niet regenen in Bhârata-varsha, maar de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die als de Heer der yoga wist [hoe dat kwam], glimlachte daarover en liet toen vanuit zijn inwendig [yogamâyâ-]vermogen de wateren uit de hemel regenen boven Zijn woonplaats genaamd Ajanâbha. (4) Koning Nâbhi die zoals hij wilde de mooiste zoon had gekregen die hij zich maar wensen kon, verkeerde in staat van begoocheling jegens Hem, de Allerhoogste Heer en de oudste, Oorspronkelijke Persoon die zich naar zijn idee gedroeg als een normaal menselijk wezen. Hem als zodanig aanvaardend zei hij overweldigd door een overmaat aan grote vreugde met een haperende stem in extase dingen als: 'mijn liefste zoon, mijn lieveling' en bereikte zo een bovenzinnelijke verrukking terwijl hij Hem opvoedde. (5) Wetend hoe populair Rishabha was in Zijn dienstbaarheid aan de burgers en de staat zette koning Nâbhi, die de burgerij strikt volgens de principes wilde beschermen, zijn zoon op de troon. Hem toevertrouwend aan de brahmanen volbracht hij toen met Merudevî in Badarikâs'rama volledig opgegaan in de yoga met grote voldoening en vaardigheid boetedoeningen in aanbidding van Nara-Nârâyana, [een volkomen deelaspect van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva, en bereikte aldus na verloop van tijd Zijn roemrijke verblijf [Vaikunthha].

(6) O zoon van Pându [Parîkchit, zie stamboom], van hem doen er twee uitspraken de ronde: 'Welke persoon ook die het voorbeeld van de vrome koning Nâbhi volgt is in staat tot wat hij deed en kan door de zuiverheid van zijn optreden de Allerhoogste Persoonlijkheid van God als zijn zoon krijgen?' en: (7) 'Bestaat er behalve Nâbhi een betere toegewijde van de brahmanen? Zij door hem tevreden gesteld en geëerd waren ertoe in staat om hem in het offerperk de Allerhoogste Genieter van alle offers te laten zien.'

 
(8) De Allerhoogste Heer Rishabha vormde na het aanvaarden van Zijn koninkrijk als Zijn werkterrein een voorbeeld door te verblijven bij Zijn geestelijk leraren en hen schenkingen te doen na het afronden van Zijn studie. Ertoe opgedragen de plichten van een huishouder op zich te nemen trouwde Hij met Jayantî die Hem door Indra was geschonken en onderrichtte middels Zijn gedrag hoe men de twee verschillende activiteiten moet volbrengen zoals die worden vermeld in de geschriften [van het hooghouden van de religie en het bestrijden van onrecht]. Hij verwekte een honderdtal zoons [bij haar en bij bijvrouwen of via zijn zonen bij schoondochters] die net zoals Hij waren. (9) Bharata, de oudste van hen, was een groot yogabeoefenaar; hij had de beste kwaliteiten en het was aan hem te danken dat de mensen dit land Bhârata-varsha noemen. (10) Van de negenennegentig andere zoons heetten de oudsten die na Bharata ter wereld kwamen, Kus'âvarta, Ilâvarta, Brahmâvarta, Malaya, Ketu, Bhadrasena, Indrasprik, Vidarbha en Kîkatha. (11-12) Van de rest waren Kavi, Havi, Antariksha, Prabuddha, Pippalâyana, Avirhotra, Drumila, Camasa en Karabhâjana negen zeer gevorderde toegewijden die de waarheid van dit Bhâgavatam verdedigden. Van hun goede karakters die blijk gaven van de heerlijkheden van de Heer, zal ik op latere datum [in Canto 11] een kleurrijke beschrijving geven als ik het gesprek tussen Vâsudeva en Nârada bespreek dat de geest de hoogste voldoening schenkt. (13) De eenentachtig jongste zoons van Jayantî waren, trouw aan wat hun vader hen had opgedragen, van een goede ontwikkeling, een uitstekende beheersing van de heilige schrift en zeer vaardig in het brengen van offers. Zeer zuiver in hun handelingen, werden ze grote brahmanen.

(14) De Allerhoogste Heer genaamd Rishabha was daadwerkelijk een onafhankelijke Heer vol van bovenzinnelijke verrukking, iemand die altijd ver boven de ellende stond van het materiële bestaan [geboorte, ziekte, ouderdom en dood]. Door strikt in overeenstemming met de tradities tewerk te gaan voedde Hij [door Zijn voorbeeldigheid], gelijkmoedig en onverstoorbaar, vriendelijk en genadig, de onwetenden op door wiens nalatigheid in het naleven van het dharma er in de loop van de tijd enkel tegendraadse karmische handelingen zijn en regelde voor de gewone man de religie en de economie zodat een goede naam, nageslacht, geluk in het huishoudelijk bestaan en het eeuwige leven binnen hun bereik lag [vergelijk B.G. 4: 13]. (15) Alles wat door leidende persoonlijkheden wordt gedaan wordt door de gewone man nagevolgd [zie ook B.G 3: 21]. (16) Hoewel Hij alles wist over de plichten in samenhang met de vertrouwelijke Vedische instructies, volgde Hij niettemin [als een kshatriya] het pad der brahmanen en heerste Hij over de mensen met gelijkberechtiging en dergelijke. (17) Hij van aanbidding voor [Vishnu], voerde, met het [eveneens] respecteren van de verschillende goden en doeleinden en zoals voorgeschreven alles verschaffen wat nodig was, naar gelang plaats en tijd allerlei soorten van offerplechtigheden een honderdtal keren uit met priesters van gepaste leeftijd en overtuiging. (18) Beschermd door de Allerhoogste Heer Rishabha koesterde niemand op de planeet, zelfs niet de gewoonste man, ook maar enig verlangen naar wat dan ook, wanneer dan ook, voor zichzelf of van een ander, net zo min als men ook niet verlangt naar luchtkastelen. Men bekommerde zich enkel om een vanbinnen immer toenemende, grote liefde voor degene die de last droeg. (19) Toen Hij, de Allerhoogste, eens rondtoerde en het heilige land van Brahmâvarta aandeed [tussen de rivieren de Sarasvatî en de Drishadvatî ten noordwesten van Hastinâpura] zei Hij voor een gehoor van burgers in een bijeenkomst van vooraanstaande brahmanen het volgende tegen Zijn oplettende en welgemanierde zoons. Hij preekte tot hen ondanks het feit dat zij uitmuntten in zelfbeheersing en toewijding.'
 

Hoofdstuk 5: Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons

(1) Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons, dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld, verdient het niet om de ellende te ondergaan van een zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen. Het verdient eerder de goddelijke boetvaardigheid die het hart zuivert en waardoor men een oneindig spiritueel geluk vindt. (2) Grote zielen van dienst zijn, zo zegt men, vormt het pad der bevrijding en het gezelschap zoeken van hen die aan vrouwen gehecht zijn is de poort tot duisternis. Werkelijk gevorderd zijn zij die [vanuit het spirituele] allen gelijkgezind zijn, vreedzaam zijn, geen aanstoot nemen, allen het beste wensen en weten hoe ze zich moeten gedragen. (3) Zij die graag met Mij in een liefdevolle relatie willen verkeren* en die niet zo gehecht zijn aan het fysieke aspect van het leven van een huis, een partner, kinderen, weelde, vrienden en geld verdienen, houden zich slechts met de wereld bezig voor zover dat nodig is. (4) Het in verbijstering opgaan in ongewenste activiteiten in verband met die materiële bevrediging acht ik voor de ziel niet gepast die op basis daarvan tot dit tijdelijke lichaam kwam in weerwil van de ellende die dat met zich meebrengt. (5) Zolang men niet wenst te weten wat de ziel inhoudt, zolang als de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men feitelijk het slachtoffer van zijn eigen onwetendheid, want verstrikt in zijn karma is men gebonden aan dit materiële lichaam. (6) Zolang als er voor Mij, Vâsudeva, geen liefde bestaat, zal een ziel aldus beheerst door onwetendheid de leiband volgen der vruchtdragende bezigheden, en zolang dat het geval is zal men niet vrij zijn van [de ellende van] het lichaam waar men mee geïdentificeerd is. (7) Als men zelfs goed geschoold zijnde niet inziet hoe ondoelmatig [en ongepast] de onderneming van het [ongereguleerde] bevredigen van de zinnen is, zal men niet goed nadenkend over zijn eigenbelang er heel gauw dol op zijn en als een dwaas niets anders ontdekken dan materiële narigheden in een huiselijk bestaan dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap. (8) Door de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar aanleiding daarvan roepen ze om een huis, een territorium, kinderen, welvaart en verwanten. Dit is nu de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'. (9) Op het moment dat die hechte mentale knoop in het hart ontward raakt van zo iemand die gebonden is aan de gevolgen van zijn karma, komt de geconditioneerde ziel terug van dat [valse idee van] 'ons' en keert hij, met het loslaten van die oorzaak [van het egoïsme], bevrijd terug naar de bovenzinnelijke wereld. (10-13) Men kan met het gebruik maken van zijn intelligentie de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven door een spiritueel gevorderde persoon te volgen, een goeroe; middels toegewijde dienst aan Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door onderzoekingen; door de waarheid in te zien van de ellende van de levende wezens overal; door verzakingen en boetvaardigheid en door zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij en ook door steeds vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten, door geen vijandschap te koesteren, door allen gelijkgezind te bejegenen, door je emoties te beteugelen o zonen; door te proberen de vereenzelviging met je huis en je lichaam op te geven, door de yogageschriften te bestuderen; door in afzondering te leven, door de ademhaling, de zinnen en de geest geheel te beheersen, door geloof te ontwikkelen, door voortdurend het celibaat in acht te nemen, door steeds waakzaam te zijn, door je spraak te beperken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen, door kennis te ontwikkelen, middels de wijsheid in de verlichting van de yogapraktijk en door zich vastbesloten op te stellen en er geduld, enthousiasme en goedheid op na te houden. (14) Als men door middel van deze yogapraktijk volledig bevrijd raakt van de hang naar resultaten en aldus, zoals Ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die voortkwam uit onwetendheid weet te ontwarren, moet men [uiteindelijk ook] afzien van deze methode van onthechten [deze yoga] zelf. (15) De koning of goeroe die Mijn hemelverblijf wil bereiken en Mij als het levensdoel beschouwt, moet op deze manier zich verhoudend tot zijn zoons of leerlingen, hen instrueren niet over te gaan tot vruchtdragende handelingen en dan niet kwaad worden op ze als ze met een gebrek aan spiritueel inzicht dat toch willen. Want wat kan men [spiritueel] nu bereiken als men iemand eenvoudig aan het werk zet ter wille van de opbrengst? In feite zou zo'n koning of goeroe er dan de oorzaak van zijn dat zij wiens visie beneveld is [door materiële motieven] ten val komen in de put [der valsheid. Vergelijk B.G. 3: 26]. (16) Mensen die geobsedeerd in hun verlangen naar materiële goederen hun werkelijke welzijn uit het oog verloren hebben, staan met het zich inspannen voor tijdelijk geluk vijandig tegenover elkaar en belanden dwaas als ze zijn, zonder dat ze er erg in hebben, in talloze vormen van lijden [zie ook B.G. 7: 25]. (17) Welke man van studie met genade en verstand van zaken op spiritueel gebied zou geplaatst voor iemand met zo'n belabberde intelligentie hem dan weer tot die onwetendheid aanzetten? Dat zou gelijk staan aan een blinde man de verkeerde kant op leiden. (18) Iemand die er niet toe in staat is de zijnen te verlossen uit het rad van wedergeboorte moet zich niet ontwikkelen tot een vader, een moeder, een huwelijkspartner, een geestelijk leraar of een te aanbidden godheid. (19) Ik die niet te doorgronden ben heb een hart van zuivere goedheid dat vervuld is van dharma [het devotionele]. Omdat ik het adharma [het niet-devotionele] ver achter me laat noemen de getrouwen mij waarheidlievend de beste ofwel Rishabha. (20) Jullie zijn allen geboren uit Mijn hart, probeer daarom met een zuivere intelligentie jullie broeder Bharata van dienst te zijn, hij die als de meest verhevene over de mensen regeert.

(21-22) Van de gemanifesteerde vormen van bestaan zijn de levende superieur aan de niet-levende en onder hen zijn de wezens die zich rondbewegen ver verheven boven de planten. Van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens. Onder hen zijn de geestelijke wezens [de mediteerders van S'iva] de besten. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's] boven wie de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] zijn geplaatst. Beter dan de onverlichte zielen [de Asura's die de eerstgenoemden de baas kunnen zijn] zijn de goden onder leiding van Indra, en daar weer boven staan de  zonen van Brahmâ zoals Daksha. Van hen is Heer S'iva de beste en boven hem staat Heer Brahmâ aan wie hij ontsprong. Hij op zijn beurt is weer de toegewijde van Mij, Ik [Vishnu] die de god van de goden der [geestelijke] wedergeboorte ben [de brahmanen]. (23) Geen enkele bestaansvorm kan de vergelijking doorstaan met de brahmaan. Ik o beste geleerden ken niemand die boven hem staat. Met hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde in gepast eerbetoon werd geofferd [aan de mond van Mij en de mijnen], dan dat Ik geniet van het voedsel dat [zonder hen] in [de mond van] het vuur werd geofferd. (24) Het is de brahmaan die Mijn eeuwig en stralend lichaam [in de vorm van de Veda's] in deze wereld in stand houdt. In hem treft men het geloof en gezag aan van de [acht brahmaanse] kwaliteiten van de opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing van de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ]. (25) Van Mij onbegrensd in vermogen en hoger dan de hoogste die in staat is te verlossen en al het hemelse geluk te verschaffen verlangen zij niets. Aan wie anders zouden zij die hun toegewijde dienst voor Mij verrichten zonder werelds bezit te claimen dan nog behoefte hebben? (26) Mijn beste zoons, wees met jullie blik opgehelderd te allen tijde van respect voor alle levende wezens die bewegen en niet bewegen, want Ik verblijf in hen allen. Dat is de manier waarop je Mij moet respecteren.  (27) Wees met je hele geest, al je woorden en de waarneming van al je werkzame en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks van aanbidding voor Mij, want zonder dat te doen zal een mens niet in staat zijn zich te bevrijden van de grote illusie die Yama's dodelijke val is.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensheid in eigen persoon aldus Zijn zoons te hebben geïnstrueerd ondanks dat ze al hoog ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van een ieder die bekend stond als De Beste ofwel Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en grootste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Deze instructie beschrijft het dharma van hen die vrij van materiële verlangens zich niet langer voor het profijt inspannen en zich als grote wijzen, als de beste der mensen [paramahamsa's], kenmerken door toegewijde dienst, geestelijk inzicht en onthechting. Terwijl Rishabha [eerst] nog thuis verbleef, aanvaardde Hij [na verloop van tijd om een voorbeeld van Zijn lering te vormen] als een halve gek met Zijn haar in de war niets anders dan de lucht als Zijn kleed [de naaktheid dus] en verliet toen, met het Vedisch vuur dat Hij in zichzelf brandende hield, Brahmâvarta om rond te zwerven. (29) Hoewel Hij in de ogen van de mensen zo ledig, blind, doof en stom bezig was als een geest of als een waanzinnige, weerhield Hij, die als iemand die zich niet bekommerende om de wereld [als een avadhûta] de gelofte van stilte had afgelegd, zich ervan te spreken. (30) Trekkend door steden, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden enzovoorts, werd Hij hier en daar omringd door slechte mensen als vliegen en werd Hij, net als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, met zand, stenen en ontlasting bekogeld en weggescheten en uitgescholden. Maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam vormt en die men voor echt houdt, niet meer dan een illusoir omhulsel was. In plaats daarvan verwijlde Hij, in ontkenning van het "ik' en "mijn", in Zijn persoonlijke glorie en zwierf Hij onverstoorbaar moederziel alleen over de aarde rond. (31) Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc., met de fraaie lijn van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn rooddoorlopen, wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waardoor Zijn gezicht als een feest voor al de huisvrouwen alom Cupido in hun harten zou hebben opgewekt, zorgde Hij, met Zijn overvloed aan krullend bruin haar dat was samengeklit, smerig en wanordelijk, ervoor dat Zijn lichaam eruitzag als van iemand die door de duivel was bezeten. (32) Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen rechtstreeks tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat soort negativiteit [dat karma] tegen te gaan, ertoe over zich op de grond liggend abominabel te gedragen als een python. Daarbij besmeurde Hij zich met het voedsel dat Hij kauwde en het drinken dat Hij dronk en wentelde Hij zich in Zijn urine en Zijn uitwerpselen. (33) Hij rook zo prettig naar Zijn ontlasting dat door de lucht ervan de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangename geur. (34) Aldus met wat Hij deed rondbewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten, at, dronk en urineerde Hij net zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen. (35) Op die manier de verschillende wegen bewandelend van de mystieke yoga genoot Rishabha, de Opperheer, de Meester der Verlichting, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Hij onderging de symptomen van de liefdevolle emoties voor de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens en bereikte door Zijn fundamentele onverschilligheid de volkomen perfectie in het Hoogste Zelf. Maar o Koning Parîkchit, de volheid van de mystieke vermogens van de yoga die Hij aldus terloops bereikte - zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [ofwel de siddhi's, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] -, kon Hij in Zijn hart nimmer volkomen aanvaarden.'

*: De vijf belangrijkste liefdevolle relaties of rasa's waarin met de Heer alle hogere emoties worden ervaren, zijn de neutrale (santa), de relatie tussen meester en dienaar (dâsya), de vriendschapsrelatie (sakhya), de ouder-kind relatie (vâtsalya) en de liefdesrelatie (sringâra).
 


Hoofdstuk 6: Heer Rishabhadeva's Activiteiten

(1) De koning zei: 'O Allerhoogste, in zichzelf tevreden zielen van wie het zaad van baatzuchtig handelen werd verbrand door de spirituele kennis die werd verkregen door yogabeoefening, verwerven automatisch mystieke vermogens; hoe kunnen die vermogens nu een belemmering vormen?'

(2) De wijze zei: 'U hebt volkomen gelijk [als u beweert dat yoga leidt tot zekere vermogens], maar in deze wereld stelt men, net als een slimme jager, ook niet zomaar vertrouwen in de geest die [net als wild] er steeds vandoor gaat. (3) Daarom zegt men dat men nooit en te nimmer vriendschap moet sluiten met de onrustige geest. Zelfs de grootsten [zoals Heer S'iva of de wijze Saubhari] raakten er door verstoord nadat ze een tijd lang op de verzakingspraktijk hadden vertrouwd. (4) Zo goed als een man met een overspelige vrouw steeds op zijn hoede moet zijn voor kapers op de kust, zullen ook yogabeoefenaars ervoor moeten waken vertrouwen te stellen in het denken dat steeds openstaat voor lustmotieven.  (5) Welk verstandig mens vertrouwt nu op het [ongestuurde] denken dat ten grondslag ligt aan de lust, de woede, de trots, de hebzucht, het weeklagen, de illusie en de angst die samen de gebondenheid aan het karma vormen? (6) Hoewel Hij [Rishabha] de leider was van alle koningen en bestuurders van dit universum, deed Hij met die overtuiging uitgedost, zich uitlatend en zich gedragend als een avadhûta [5.5: 29] alsof Hij dom was. Hij verhulde Zijn allerhoogste heerlijkheid om de yogi's middels het voorbeeld van Zijn eigen persoonlijke voertuig van de tijd duidelijk te maken hoe ze het hiernamaals kunnen bereiken. Alsof Hij een normale sterveling was die het fysieke lichaam probeert te verzaken, behield Hij voor zichzelf overeenkomstig het allerhoogste gebod van de Ziel, niet gehinderd door het illusoire der materie, altijd de visie vanbinnenuit van de liefde verheven boven alle ondeugd en maakte Hij een einde aan Zijn materiële bestaan. (7) Met Hem de Allerhoogste Heer Rishabhadeva die vrij was van ieder eigenbelang in het vitale waren we aldus getuige van Zijn ogenschijnlijk fysieke aanwezigheid, het gedreven optreden van Zijn lichaam in deze illusoire wereld. Hij trok geheel alleen door de landen van Zuid-India: Konka, Venka en Kuthaka in de provincie Karnâtha, en bereikte een bos in die omgeving genaamd Kuthakâcala. Aldaar met een handvol stenen in Zijn mond, zwierf Hij met verwarde haren naakt rond als was Hij een waanzinnige. (8) Bij een felle, van alle kanten oplaaiende bosbrand als gevolg van de door de wind veroorzaakte onderlinge wrijving van bamboestaken, verbrandde Zijn lichaam toen in dat bos tot as.

(9) Vernemend over Zijn wederwaardigheden en vrijheid van alle ritueel en gebruik, ging de koning van Konka, Venka en Kuthaka genaamd Arhat [de Jain, de eerbiedwaardige] ertoe over Hem te imiteren. Verbijsterd als gevolg van een toename van goddeloosheid die de komst van het Kali-yuga Tijdperk van de Redetwist aankondigde, gaf hij het veilige pad van de religie op dat alle vrees uitbant en nam hij een non-conformistisch verkeerd, ketters standpunt in door hoogst dwaas een eigen bedenksel te introduceren. (10) De laagsten onder de mensen in dit Kali-tijdperk die, verstoken van karakter, reinheid en plichtsbesef met de regels en voorschriften verbijsterd zijn door de uitwendige energie van God, zullen door een praktijk als deze met minachting voor de goddelijkheid, eigenwillig en met verkeerde principes vasthouden aan vreemde regels zoals zich niet wassen, de mond niet reinigen, vuil zijn en het haar uitplukken. Met hun bewustzijn bedorven door een overmaat aan moderne-tijd adharma [ofwel plichtsverzaking] zullen ze vervallen in het belasteren van de Veda's, de brahmanen, rituelen zoals het brengen van offers en de Allerhoogste Persoonlijkheid van God Zelf en Zijn toegewijden. (11) Zij die onder aanmoediging van blinde voorgangers met een afwijkende praktijk een eigen wereldje [of sekte] opbouwden zullen zelf erdoor verblind geraakt in het duister belanden [vergelijk B.G. 16: 16, 16: 23]. (12) Deze avatâra van de Heer was er om hen die overweldigd zijn door de hartstocht te instrueren wat betreft de emancipatie ofwel hoe men het eeuwige geluk moet bereiken [de uiteindelijke zaligheid, kaivalya]. (13) Over Hem zingen de mensen in overeenstemming met deze leringen de volgende verzen: 'Oh, van al de landen op de continenten van deze aarde met haar zeven zeeën is dit land [Bhârata-varsha, India] het meest verdienstelijk, want hun bevolking bezingt de gunstige handelingen van Murâri in Zijn vele incarnaties [Hij als de vijand van de verdwaasde, van Mura].' (14) 'Oh wat kan men zeggen over de dynastie van koning Priyavrata waarin de Oorspronkelijke Persoon, de Allerhoogste Persoonlijkheid nederdaalde als een incarnatie? Hij, de Ongeëvenaarde, vervulde de religieuze plicht die een einde maakt aan de baatzuchtige arbeid [het dharma dat leidt tot akarma].' (15) 'Is er een andere vasthoudende en overtuigde yogi te vinden die, de perfecties verlangend die Rishabha afwees als zijnde onwerkelijk, zelfs maar in de geest het voorbeeld kan volgen van deze ongeboren Godheid?'

(16) Aldus heb ik uitleg verschaft over de zuivere handelingen van de Opperheer genaamd Rishabha, de voor de gewone man, de godsbewusten, de brahmanen en de koeien meest aanbiddelijke meester van alle Vedische kennis. Hij die in navolging van de groten [de paramparâ], met een groeiend geloof en toewijding aandachtig luistert naar, voor anderen spreekt over of aandacht besteed aan deze toevlucht van Zijn grote en opperste heilzaamheid die alle zonden van ieder levend wezen tenietdoet, zal Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, terwille zijn met een onwankelbare toewijding in zowel de vorm van het luisteren als het spreken. (17) Maar in die toewijding onophoudelijk zich badend om bevrijd te zijn van het lijden onder de verschillende lastige condities van het materieel bestaan, talen zij die wijsheid hebben ontwikkeld [onder hen] niet naar die zaligheid van het zich terugtrekken, dat opperste en eeuwige doel van alle mensen, omdat met het hebben aangegaan van een relatie met de Allerhoogste Persoonlijkheid al hun materiële behoeften hun voltooiing vonden. (18) Mijn beste Koning [Parîkchit], Hij was zonder twijfel de handhaver en leraar, de aanbiddelijke godheid, de vriend en meester van uw Yadu-lijn en soms trad Hij zelfs op als een dienaar. Aldus mijn beste was hij voor allen die Hem ten dienst stonden daadwerkelijk Mukunda, de Allerhoogste Heer die bevrijding [mukti] schenkt, maar iemand [vertrouwelijk] betrekken in Zijn toegewijde dienst [zoals Arjuna op het slagveld] deed [en doet] Hij niet zomaar. (19) Alle eer aan Hem de Allerhoogste Heer Rishabhadeva, Hij die steeds gericht op Zijn ware identiteit, in zichzelf volkomen en zonder verlangens, zo genadig was ter wille van de ware welvaart Zijn activiteiten op het materiële vlak ten toon te spreiden en in die hoedanigheid voor de materieel geïdentificeerde mens wiens intelligentie lang heeft gesluimerd instructies te verschaffen aangaande het ware zelf dat vrij is van angst.'

 

Hoofdstuk 7: De Activiteiten van Koning Bharata

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen Bharata ['in stand worden gehouden'] die een hoog ontwikkelde toegewijde was, het besluit had genomen om zoals zijn vader hem had opgedragen over de aarde te heersen, trouwde hij met het aanvaarden van die hoge positie met de dochter van Vis'varûpa, Pañcajanî. (2) Zoals men geïdentificeerd met de materie te maken krijgt met de vijf zinsobjecten [van geluid, smaak enz.] verwekte Bharata in haar ook vijf zoons die net als hij waren: Sumati, Râshthrabhrita, Sudars'ana, Âvarana en Dhûmraketu. (3) Dit deel van de wereld genaamd Ajanâbha [slaand op koning Nâbhi, zie 5:3] wordt sedert de heerschappij van Bharata Bhârata-varsha genoemd [het land van Bharata, nu India]. (4) Hij die zeer geleerd was, was een heerser zo groot als zijn vader en grootvader die regerend met een zorgzaam hart zich samen met zijn burgers hield aan de verplichtingen. (5) Hij aanbad daarnaast de Allerhoogste Heer met grote en kleine offerplechtigheden met en zonder offerdieren. Met veel geloof werden volledig of ten dele agni-hotra-, dars'a-, pûrnamâsa-, câturmâsya-, pas'u- en soma-rasa-yajña's uitgevoerd, die zoals dat was voorgeschreven vrijwel altijd onder leiding stonden van vier priesters (*). (6) Als de ter zake kundige priesters met alle bijkomende riten bezig waren met het uitvoeren van de verschillende offers, zag hij die steeds denkend aan Vâsudeva, de Allerhoogste Heer, in de geest van de Vedische hymnen bevrijd was van lust en woede, in dat al de verschillende halfgoden, zij die de resultaten in ontvangst namen, de toebehoren van de offerplechtigheden en hijzelf de offeraar, allen deel uitmaakten van het lichaam van de Ene Oorspronkelijke Persoon. Onafhankelijk van het resultaat van de offerplechtigheid in kwestie die werd volbracht ter wille van het dharma, was Hij de genieter van al die offers, was Hij hun heerser, degene die handelde en hun oorsprong; Hij was degene die verantwoordelijk was voor het geheel van alle goden. (7) Hij [Bharata] was zodoende in de zuiverheid van zijn dienstverlening van de zuiverste goedheid jegens de Superziel in het hart van het etherisch lichaam, jegens de onpersoonlijke geest van het Brahman en jegens Bhagavân, de Allerhoogste Heer, Vâsudeva, de Allerhoogste Persoon wiens gedaante men herkent aan het S'rîvatsa teken op de borst, het Kaustubha juweel, de bloemenkrans, de werpschijf, de schelphoorn, de knots en andere symbolen. Als Hij eenmaal als een onuitwisbaar beeld in het hart van de toegewijde is verschenen heeft Hij, die men op het hoogste niveau kent aan de hand van Zijn stralende persoonlijke gedaante, de macht dag na dag je toewijding te doen toenemen. (8) Aldus voor de duur van talloze millennia [middels deze voorbeeldige praktijk] de welvaart te hebben veiliggesteld die hij had ontvangen van zijn voorvaderen, verdeelde hij, toen het moment was aangebroken om afscheid te nemen van zijn aardse verplichtingen, op een eerlijke manier zijn koninkrijk onder zijn zonen en liet hij zijn voorouderlijk huis achter zich om te vertrekken naar het meditatieoord van Pulaha in Hardwar. (9) Het is op die plaats dat tot op de dag van vandaag Heer Hari zich vanuit Zijn vaderlijke liefde aan de aldaar verblijvende toegewijden toont in de gedaante van hun voorkeur. (10) Op verschillende plaatsen wordt dat meditatieoord voorzien van water door de hoofdrivier genaamd de Cakra-nadî [de Gandakî]. In die rivier treft men de [ronde] stenen aan met de concentrische cirkels aan de boven en de onderkant [de zwarte kiezelstenen die dienen als voorwerp van aanbidding, de zogenaamde S'âlagrâma-s'ilâ's]. (11) Daar in de velden van Pulaha's meditatieoord aanbad hij middels offergaven van wortelen, bollen en vruchten in combinatie met water, twijgen, tulasî-blaadjes en allerhande bloemen, de Allerhoogste Heer en raakte hij, bevrijd van alle materiële verlangens, aldus gezuiverd in een gestage toename van bovenzinnelijke vrede die hem bevrediging schonk. (12) Door die constante praktijk van dienst aan de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer, verdween met het gewicht van de zonder ophouden toenemende gehechtheid aan Hem, de zwakheid uit zijn hart. Als gevolg van de kracht van zijn bovenzinnelijke verrukking stonden de haren van zijn lichaam toen overeind en sprongen door het intense verlangen tranen van liefde in zijn ogen die zijn blik vertroebelden. Aldus op de roze voeten van de Heer mediterend was er dankzij zijn bhakti-yoga, een toename van de hoogste en diepste spirituele gelukzaligheid die zich door zijn hele lichaam verspreidde. Het was een gelukzaligheid van het hart waarin hij als in een meer was verzonken en waardoor hij, niettegenstaande zijn intelligentie, niet langer met zijn inspanningen voor de Heer in staat was zich het geregelde dienstbetoon te herinneren. (13) Gekleed in een hertenvel en met zijn massa prachtig bruin, krullend en samengeklit haar nat van het drie maal daags baden, was hij, aldus ertoe gezworen de Opperheer te aanbidden, van eerbetoon voor de Oorspronkelijke Persoonlijkheid in Zijn gouden verschijning als de zonneschijf (**). Daartoe bewees hij zijn respect voor [Hem als] de Zonnegod met het reciteren van de volgende Vedische lofzang: (14) 'Voorbij de hartstocht [in goedheid] denkend aan dit geschapen universum, is er de eigen gloed die verlicht, de genade van God die vervult met gezegende kennis. Telkens weer hier binnengaand [met Uw stralende zonneschijf of als een Vishnu avatâra] waakt U over het levende wezen dat hunkert naar materiële bevrediging. Alle eer aan de Ene die onder ons verblijft en allen in beweging zet!' 


*: Dergelijke offers zijn in dit tijdvak onmogelijk als gevolg van een gebrek aan ter zake kundige brahmanen of ritvijah die in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen. In de afwezigheid hiervan, wordt de sankîrtana-yajña van het zingen van de heilige namen aanbevolen. 

**: De godheid van de zon wordt door de gewone Hindoe heden ten dage aanbeden met behulp van de Gâyatrî mantra, één van de belangrijkste mantra's van zuivering en bevrijding soortgelijk aan die zoals uitgedrukt door Bharata Mahârâj in dit hoofdstuk: om bhûr bhuvah svah, tat savitur varenyam, bhargo devasya dhîmahi, dhyo yonah prachodayat -, een gebed dat betekent:

De oorspronkelijke vorm van het lichaam,
de levenskracht en de allerhoogste verblijfplaats;
die levensbron zo hoogst uitnemend,
op die goddelijke luister mediteren wij -
moge dit licht ons intellect verlichten.


Hoofdstuk 8: De Wedergeboorte van Bharata Mahârâja

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij [Bharata] op een dag een bad had genomen in de grote Gandakî en zijn dagelijkse rituelen had volbracht, ging hij voor enkele minuten aan de oever van de rivier zitten om de bovenzinnelijke lettergreep [AUM] te herhalen. (2) O Koning, daar zag hij toen een eenzaam hert dat door dorst naar de rivier was gedreven. (3) Precies op het moment dat het gretig van het water dronk, weerklonk van dichtbij het luide gebrul van een leeuw dat alle levende wezens schrik aanjaagt. (4) Toen de hinde dat luide rumoer hoorde, schoot ze schichtig om zich heenkijkend terstond zonder dat ze haar dorst had weten te lessen verschrikt uit angst voor de leeuw met een grote sprong over de rivier. (5) Vanwege de kracht van die sprong in grote angst verloor ze, zwanger als ze was, haar baby die uit haar schoot gegleden in het water viel. (6) Uitgeput door de miskraam als gevolg van de angst en het springen, viel het zwarte hert gescheiden van de kudde ergens in een spelonk en stierf. (7) Toen hij zag hoe dat hertenjong, gescheiden van zijn soortgenoten, hulpeloos wegdreef in de stroom, nam de wijze koning Bharata die het als verweesd beschouwde, het genadig als een vriend mee naar zijn âs'rama. (8) Het adopterend als zijn kind gaf hij het iedere dag te eten, beschermde hij het, voedde het op en koesterde het en raakte aldus zeer aan dit hertje gehecht. Binnen een paar dagen ging zo, met het hebben opgegeven van zijn persoonlijke zorg voor zichzelf, zijn plichtplegingen en zijn gebeden voor de Oorspronkelijke Persoon, zijn hele praktijk van onthechting verloren. (9)  'Helaas! [dacht hij bij zichzelf], raakte door de Heer die het rad van de tijd beweegt, dit schepsel verstoken van zijn familie, vrienden en verwanten. Het  heeft alleen maar mij als zijn toevlucht, als zijn vader, moeder, broeder en lid van de kudde. Omdat het niemand anders heeft stelt het vanzelfsprekend een groot vertrouwen in mijn persoon als steun en toeverlaat en is het volledig van mij afhankelijk om te kunnen leren en voedsel, liefde en bescherming te vinden. Ik  moet dan ook toegeven dat het verkeerd is om iemand te verwaarlozen die je bescherming geniet en moet ernaar handelen zonder er spijt van te hebben. (10) Ongetwijfeld zullen alle achtenswaardige en deugdzame zielen, ook al zijn ze nog zo onthecht, hun belangrijkste eigenbelang nog aan de kant schuiven om als vrienden van de armen dergelijke principes na te leven.'

(11) Zodoende gehecht geraakt al zittend, rustend, liggend, lopend, badend en dergelijke met het jonge dier, raakte zijn hart geheel door genegenheid in beslag genomen. (12) Als hij het bos inging voor het verzamelen van bloemen, brandhout, kus'agras, bladeren, vruchten, wortels en water, nam hij, ongerust over wolven, honden en andere roofdieren, altijd het hertje met zich mee. (13) Onderweg droeg hij, met een geest en een hart vol van liefde, het zo nu en dan op zijn schouders mee, en hield hij, gesteld als hij was op het kleintje, het koesterend op zijn schoot of op zijn borst als hij sliep en ontleende daar een groot genoegen aan. (14) Tijdens het gebed stond de keizer, ook al was hij nog niet klaar, soms op om te zien hoe het met het hertenjong ging, en was er dan gelukkig mee het te zegenen met de woorden: 'O mijn lieve jong, ik wens je al het beste toe.' (15) Soms was hij zo bezorgd dat hij als hij gescheiden was van het hertenjong met een angstig hart geëmotioneerd zo van streek raakte als een zielige, vrekkige man die zijn rijkdom kwijt is. Dan bevond hij zich in een toestand waarin hij constant nergens anders meer aan kon denken. Zo verkeerde hij in de grootste illusie met het koesteren van gedachten als: (16) 'Och arme! Mijn liefste kleintje, dat weeskind van een hert, moet in hoge nood verkeren. Het zal wel weer naar me terugkeren en geloof in mij stellen als zijnde een volmaakt zachtaardig iemand van zijn eigen soort. Het zal niet meer aan me denken als zijnde zo'n slechtgemanierde bedrieger, zo'n kwaadwillige barbaar. (17) Zal ik dat schepsel onder de hoede der goden weer terugzien en onbekommerd zien rondlopen en gras eten in de tuin van mijn âs'rama? (18) Of zou het arme ding door een van de vele troepen wolven of honden zijn verslonden of anders door een eenzaam rondzwervende tijger? (19) Helaas, de Allerhoogste Heer van het ganse universum, de Heer der drie Veda's die er is voor het heil van een ieder, is [in de gedaante van de zon] reeds aan het ondergaan; en nog steeds is de baby die de moeder aan mij heeft toevertrouwd niet teruggekeerd! (20) Zou dat prinselijke hertje van mij echt weer terugkeren en mij plezier verschaffen, ik die zijn verschillende vrome oefeningen opgaf? Het was zo schattig om te zien. Het te behagen op een manier gepast voor zijn soort, verdreef alle ongeluk! (21) Met me spelend als ik met gesloten ogen voorwendde te mediteren, kwam het steeds boos uit liefde, trillend en schuchter naar me toe om mijn lichaam te beroeren met de toppen van zijn hoorntjes zo zacht als waterdruppels. (22) Als ik het berispte omdat het de dingen op het kus'agras klaargelegd voor het offeren had verontreinigd, hield het doodsbenauwd direct op met spelen om te gaan zitten in het geheel inperken van zijn zinnen, net zoals de zoon van een heilige dat zou doen. (23) Och, welke boetedoening van de grootste verzakers op deze planeet ook kan de aarde de weelde schenken van de lieve, kleine, prachtige, en hoogst gunstige, zachte hoefafdrukken van dit zo hoogst ongelukkige schepsel verdrietig over wat het kwijtraakte! Voor mij wijzen ze de weg om de weelde tot stand te brengen van het lichaam van haar landen die, aan alle kanten door hen opgesierd, zijn omgetoverd tot plaatsen van offeren aan de goden en de brahmanen vol van verlangen op het pad naar de hemel! (24) Zou het zo kunnen zijn dat de hoogst machtige maan[god] die de ongelukkigen zo welgezind is, uit mededogen met het jong dat zijn moeder bevreesd voor het machtige roofdier verloor, nu dit hertenkind beschermt dat wegdwaalde van mijn beschuttende âs'rama? (25) Of zou hij uit liefde middels zijn stralen, die zo vredig en koel van zijn gezicht stromen als nectargelijk water, mijn hart vertroosten, die rode lotusbloem waaraan het hertje zich als mijn zoon had overgegeven en die nu in het vuur der gescheidenheid brandt met de vlammen van een bosbrand?'

(26) Hij wiens hart bedroefd was met een geest die berustte op slecht karma, verkeerde aldus in de ban van het onmogelijke verlangen een zoon te hebben die er als een hertje uitzag en mislukte bijgevolg in zijn yoga-oefeningen, boetedoeningen en de toegewijde dienst voor de Allerhoogste Heer. Hoe kon hij zo gehecht als hij was aan het lichaam van een andere soort, het lichaam van een hertenkalfje, met een dergelijke hindernis nu zijn levensdoel bereiken? En dat terwijl hij voorheen de zoons die hij met liefde op de wereld had gezet en zo moeilijk op te geven waren achter zich had gelaten. Koning Bharata die in beslag werd genomen door het onderhouden, het behagen, beschermen en het koesteren van het babyhertje, en door dat obstakel werd belemmerd in de beoefening van zijn yoga, verwaarloosde aldus [het belang van] zijn ziel terwijl met schrikwekkend rasse schreden onvermijdelijk zijn tijd naderde alsof het een slang betrof die een muizenholletje binnendringt. (27) Op het moment dat hij daarop deze wereld verliet trof hij aan zijn zijde treurend als zijn eigen zoon het hertje aan waaraan hij steeds had gedacht. Met zijn lichaam stervend in de aanwezigheid van het hertje, kreeg hij daarna zelf het lichaam van een hert [zie ook B.G. 8: 6]. Toen hij met zijn sterven een ander lichaam kreeg ging [echter] de heugenis aan zijn vorige bestaan niet verloren. (28) In die wedergeboorte als gevolg van zijn toegewijde activiteiten in het verleden zich voortdurend herinnerend wat de oorzaak was van het  hebben gekregen van het lichaam van een hert, zei hij berouwvol: (29) 'Oh wat een ellende! Ik ben van de levenswandel der zelfgerealiseerden gevallen, ondanks het feit dat ik mijn zoons en thuis had opgegeven, in afzondering leefde in een heilig woud als iemand die volmaakt in overeenstemming met de ziel zijn toevlucht zoekt in de Superziel van alle wezens en ik steeds luisterde naar en dacht aan Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva, al mijn uren doorbrengend verzonken in het zingen, aanbidden en mij heugen. Mettertijd verandert een geest gefixeerd in een dergelijke praktijk in een geest die volledig verankerd is in het eeuwige, maar gevallen uit genegenheid voor een hertenjong, ben ik daarentegen weer een grote dwaas!'

(30) Aldus stilzwijgend zich afkerend van de wereld gaf [hij als] het hert zijn hertenmoeder op en keerde hij van de berg Kâlañjara waar hij ter wereld kwam, weer terug naar de plaats waar hij voorheen de Allerhoogste Heer had aanbeden, de âs'rama van Pulastya en Pulaha in de nederzetting S'âlagrâma die de grote heiligen die daar in volledige onthechting leven zo dierbaar is. (31) In dat oord etend van gevallen bladeren en kruiden, wachtte hij in het eeuwige gezelschap van de Superziel zijn tijd af en leefde hij, voortdurend wakend voor slecht gezelschap, er alleen maar voor om een einde te maken aan de oorzaak van zijn hertenlichaam dat hij, badend in het water van die heilige plaats, uiteindelijk opgaf.'


Hoofdstuk 9: Het Verheven Karakter van Jada Bharata

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Nadat hij zijn leven in het lichaam van een hert had opgegeven verwierf Bharata, de meest verheven toegewijde en hoogst vereerde van alle heilige koningen, in zijn laatste belichaming de brahmanenstatus. Hij was de mannelijke helft van een tweelingbroer en -zus zo wordt beweerd, die werden geboren uit de tweede echtgenote van een hoogstaande brahmaan in de lijn van de heilige Angirâ. Deze brahmaan begiftigd met al de kwaliteiten was van een volmaakte beheersing over geest en zinnen, van boetvaardigheid, Vedische studie en recitatie, van verzaking, tevredenheid, tolerantie, zachtgeaardheid, kennis, zonder afgunst en van spirituele gelukzaligheid in de wijsheid van de ziel. Bij zijn eerste vrouw had hij negen zonen die hem evenaarden qua scholing, karakter, gedrag, schoonheid en grootmoedigheid. (3) Ook in die geboorte zich dankzij de speciale genade van de Heer zijn voorgaande levens herinnerend, was hij, er zeer beducht voor niet nogmaals ten val te komen in de omgang met zijn dierbaren, altijd bang dat hij op het pad van de toegewijde dienst zou worden gehinderd en hield hij zijn geest steeds strak gericht op zijn ziel. Voor dat doel dacht hij door te luisteren naar en zich de beschrijvingen te herinneren van de kwaliteiten die de gebondenheid aan baatzuchtige arbeid overwinnen, altijd aan de twee lotusvoeten van de Allerhoogste Heer. Maar voor de mensen in zijn omgeving deed hij zich voor als iemand met het karakter van een gek, een dwaas, iemand die blind is voor de werkelijkheid [de reden waarom hij Jada werd genoemd]. (4) Zijn brahmaanse vader die zich emotioneel verplicht voelde jegens zijn zoon, meende dat hij als een vader naar zijn zoon toe, hem erin behoorde te onderrichten, hoewel hij er geen oren naar had, dat de regulerende beginselen moesten worden nageleefd, zodat hij tot het einde van zijn schooljaren opnieuw als iemand van de heilige draad de plichten der reinheid zou beoefenen van het zuiveringsproces zoals voorgeschreven door de s'âstra's. (5) Maar ook in de aanwezigheid van zijn vader deed hij alsof hij niets begreep van wat er werd onderwezen. Bij de aanvang van het regenseizoen wilde de vader hem de Vedische mantra's met inbegrip van de Gâyatrî voorafgegaan door Omkâra bijbrengen, maar ondanks zijn gedegen instructie, slaagde hij er niet in gedurende de vier zomermaanden hem de volledige beheersing ervan te leren. (6) Er aldus vanuitgaand dat zijn zoon, hoewel die er geen zin in had, door hem van A tot Z zou moeten worden onderricht in al de reinheid, de Vedische studie, geloften, principes, offers en dienstverlening aan de goeroe die hoort bij de celibataire staat [de brahmacarya âs'rama], was de brahmaan die zijn zoon als zijn ziel en zaligheid zag, in werkelijkheid hierin zwaar gehecht aan zijn huishouding bezig zodat hij, toen hij werd [gehaald] door de dood die niet zo vergeetachtig was [als hij], stierf als een man vol van frustratie over het koppige veinzen van zijn zoon. (7) De jongste vrouw uit wiens schoot de tweeling ter wereld kwam, vertrouwde daarop de zorg voor hen toe aan de eerste echtgenote en volgde haar man toen naar zijn verblijf in het hiernamaals [Patiloka].

(8) De stiefbroers van Jada Bharata, die met het zich vastgelegd hebben op de rituele cultuur van de drie Veda's geen begrip hadden voor de ware kennis van het Zelf, stopten er na de dood van de vader mee om hun halfbroer iets bij te brengen die ze, zich niet bewust van zijn capaciteiten, voor dom hielden. (9-10) Als hij door de materialistische, tweebenige beesten werd aangesproken als zijnde een gek, een sufferd, een doveman en een stomkop, gaf hij ook steeds in die termen antwoord. Hij deed de dingen die hem met geweld werden opgedragen te doen. Hij at altijd welke grote of kleine hoeveelheid smakelijk of smakeloos voedsel hij ook maar kreeg door te bedelen, door verdienste of zonder zich in te spannen. Hij leefde nooit voor het genoegen van zijn zinnen omdat hij er voor altijd mee was gestopt om te leven voor de materiële bedoeling. Uit zichzelf had hij de bovenzinnelijke, gelukzalige visie verworven als iemand in de kennis van het ware Zelf die met de tweeledige aangelegenheid van geluk en ongeluk, zomer en winter, wind en regen, zichzelf niet identificeerde met het lichaam. Stevig gebouwd als hij was, bedekte hij sterk als een stier nooit zichzelf. Zich niet wassend was hij smerig van het liggen op de grond en masseerde hij nooit zijn lichaam. Met zijn lendenen bedekt door een vuile lap en met een door vuil zwart geworden heilige draad, was hij in zijn spirituele schittering als een verborgen edelsteen. Hij zwierf rond onder de minachting van het onwetende volk dat hem, een brahmaan van geboorte, enkel een brahmanenvriend noemde ['brahma-bandhu']. (11) Daar hij alleen maar omkeek naar arbeid om in ruil van anderen voedsel te krijgen, zetten zelfs zijn stiefbroers hem in de velden aan het werk met boerenarbeid - een karwei waarmee hij er geen idee van had wat zou moeten vereffend of uitgegraven of waar hij zaken diende op te stapelen. Gewoonlijk enkel gebroken rijst etend, oliekoeken, kaf, door wormen aangevreten graan, of verbrande rijst die aan de pan kleefde, beschouwde hij het niettemin allemaal als nectar.

(12) Toen dook er op een zeker moment de leider van een roversbende op die op zoek was naar een mensenzoon die niet beter was dan een dier en die hij kon gebruiken voor een offerplechtigheid voor de godin Bhadra Kâlî. (13) Het soort van beestmens dat hij eerder had, had kans gezien te ontsnappen en zijn volgelingen die op pad waren het te vinden konden in het holst van de nacht in het donker het dierlijke type niet te pakken krijgen. Door het lot voorbeschikt stuitten ze toen op de brahmanenzoon uit de lijn van Angirâ die vanaf een hoger gelegen positie de velden bewaakte tegen herten en wilde zwijnen en dergelijke. (14) Toen ze ontdekten dat hij er het goede karakter voor had namen ze vervolgens met stralende gezichten begrijpend dat hij van nut was voor het werk van hun meester, hem stevig met touwen vastgebonden opgetogen met zich mee naar de tempel van de godin. (15) Toen staken de volgelingen van de schurk, om overeenkomstig hun gebruiken hem als de beestmens klaar te maken voor het offer, hem in nieuwe kleren en wasten ze hem, bedekten ze zijn lichaam met sieraden, smeerden ze hem in met sandelhoutpasta en omhingen ze hem met bloemen. Onder de klanken van liederen, gebeden, trommels en trompetten, lieten ze hem volledig uitgedost en naar behoren gevoed plaatsnemen voor de godin Kâlî met wierook, lampen, bloemenslingers, geweekte granen, twijgen en jong groen, vruchten en andere artikelen voor de eredienst. (16) De priester van die leider van het boeventuig, pakte toen ter voorbereiding van het offeren van een stroom van diermensenbloed voor de beeltenis van Bhadra Kâlî, een schrikwekkend, vlijmscherp zwaard dat hij inzegende met de daarvoor bestemde mantra's. (17) Deze verwerpelijke types die, van een hartstochtelijke en onwetende aard, in hun materialistische verbijstering zich lieten leiden door geesten vol van verbeelding en aldus naar hun eigen idee bezig zijnd zich op het verkeerde pad bevonden, waren in overtreding met de gemeenschap der helden van de Opperheer, de brahmanen. Tewerkgaand met een voorkeur voor geweld jegens anderen traden ze allerwreedst rechtstreeks op tegen een expansie van de Heer Zelve, iemand van een brahmaanse geboorte, een zoon van spirituele wijsheid die geen vijanden had en die een ieder het beste wenste. Maar op het laatste moment brak de godin Bhadra Kâlî, die zag wat er tegen de wil van God en in strijd met de wet stond te gebeuren, uit het beeld tevoorschijn met een vurige fysieke verschijning van een bovenmate felle, onverdraaglijke, spirituele gloed. (18) Vol van verontwaardiging ging ze enorm op in de kracht van haar woede met geheven wenkbrauwen, een vreselijk gebit, bloeddoorlopen ogen, een afgrijselijke lach en een opgewonden beangstigend gezicht alsof ze het hele universum wilde vernietigen. Door haar grote razernij vrijgekomen, sloeg ze, van het altaar afkomend, met hetzelfde staal dat ze wilden gebruiken [voor hun offer] de hoofden eraf van al de zondige overtreders en dronk toen samen met haar metgezellen van het bloed dat uit de nekken stroomde als een zeer hete bedwelmende drank. Onder de invloed van al dat bedwelmende drinken zette ze het met haar volgelingen luidkeels op een zingen en dansen, en wierpen ze voor de lol de hoofden naar elkaar als waren het ballen.

(19) Als men in relatie tot grote zielen te ver is gegaan zoals op deze manier, zal men bijgevolg voor zichzelf er altijd de duiveluitdrijving van onder ogen moeten zien. (20) Oh, Vishnudatta ['beschermd door Vishnu'; Parîkchit], voor hen die niet verbijsterd zijn is dit niet zo'n groot wonder. Zij die zonder vijandschap in goedheid jegens allen verkeren worden door de Allerhoogste Heer der onoverwinnelijke Tijd die de beste van alle wapens bij zich draagt [de Sudars'ana schijf] persoonlijk geheel bevrijd van de zeer sterke en vaste knoop in het hart [die er is als gevolg] van een lichamelijke levensopvatting. Zelfs als ze bedreigd worden met onthoofding [of met een ander levensgevaar], zijn die verloste zielen en toegewijden die geheel overgegeven als ze zijn beschermd worden door Zijn lotusvoeten, nimmer van slag door dit soort van emotionele toestanden; ze hebben niets te vrezen.'

   

Hoofdstuk 10: Jada Bharata ontmoet Mahârâja Rahûgana

(1) S'rî S'uka zei: 'Zo gebeurde het dat Rahûgana ['hij die helderder straalt dan de zon'], de heerser van Sindhu en Sauvîra, toen hij reisde langs de oever van de rivier de Ikshumatî een andere drager voor zijn draagstoel nodig had en toen de leider van zijn dragers eropuit stuurde om te zoeken naar een geschikt iemand. Zijn zoektocht leidde toevallig naar de excellente brahmaan [Jada Bharata] die, omdat hij zo'n stoere jongeman was ferm van leden en zo sterk als een ezel, door hem die dacht dat hij de last wel kon dragen werd uitgekozen. Er toe gedwongen zijnde droeg de grote ziel de draagstoel hoewel hij niet geschikt was voor het karwei. (2) Toen hij daarmee bezig was keek de gezegende brahmaan steeds drie stappen voor zich uit [om niet op de mieren te trappen]. Daardoor liep hij steeds uit de pas met de anderen en schudde de draagstoel heen en weer. Rahûgana, die dit opmerkte zei tot de mannen die hem droegen: 'O dragers, loop alsjeblieft in de pas! Waarom wordt deze draagstoel zo ongelijkmatig gedragen?'

(3) Zij die hun meester zo berispend hoorden spreken, stelden hem er angstvallig van op de hoogte dat dat te wijten was aan de vierde drager: (4) 'O, het is niet zo o god der mensen, dat wij die altijd trouw uw orders uitvoeren het zouden laten afweten. We doen echt wel ons best, maar het is deze nieuwe man die recentelijk werd aangetrokken om met ons mee te werken door wie wij niet in staat zijn om ons werk als dragers te doen. Hij is nogal langzaam namelijk!'

(5) Hoewel hij er door die ontboezemingen zeker van was dat het probleem zich voordeed als gevolg van een fout van één van hen, gaf koning Rahûgana die de angstige woorden van zijn dienaren hoorde, in weerwil van zijn politieke ervaring vanuit zijn kshatriya aard toch een beetje toe aan het geweld der woede. Tot hem van wie men de spirituele gloed van zijn aangeboren intelligentie niet duidelijk kon onderscheiden, zei hij met een geest vol hartstocht: (6) 'Och wat een moeite is het ook mijn broeder! Helemaal alleen op zo'n lange reis ben je zeker erg vermoeid geraakt. En je hebt ook al niet veel aan die collega's van je! Noch is je gewillige, stevige lichaam erg sterk. Je moet wel last hebben van de ouderdom mijn vriend!'

Aldus oefende hij sarcastisch hevige kritiek op hem uit, maar er kwam geen protest vanuit een valse 'ik' en 'mijn'-overtuiging over de lippen van hem die in stilte als voorheen doorging met het dragen van de draagstoel. Als iemand op het spirituele vlak had hij die bijzondere instelling wat betreft de fysieke aangelegenheden van het hebben van een uit onwetendheid voortgekomen eindig vehikel van de tijd, een lichaam dat bestaat uit een combinatie van de natuurlijke geaardheden, de werklast en materiële intenties. (7) Daaropvolgend wederom door elkaar geschud door het ongelijkmatig dragen van zijn draagstoel zei Rahûgana zeer kwaad wordend: 'Dwaas! Wat is dit voor een onzin! Jij, levend lijk, negeert gewoon mijn berispingen, je slaat ze gewoon in de wind! Ben je je verstand kwijt? Zoals Yamarâja dat doet met het gewone volk, zal ik je eens een lesje leren zodat je ontdekt wat je plaats is hier!'

(8) Ondanks dat hij zo'n lading onzin over zich uitgestort kreeg van de kant van hem die woedend uit hartstocht en onwetendheid verwijten makend dacht dat hij kon heersen als een god der mensen, als een geleerde wijze en bij talloze toegewijden geliefde voorvechter van de Heer, glimlachte de zelfgerealiseerde brahmaan flauwtjes zonder trots en sprak hij met een houding van een meester in de yoga, van een vriend van alle levende wezens, als volgt tot die niet zo wijze heerser. (9) De brahmaan zei: 'Wat u zo duidelijk stelde o grote held, is niet in strijd [met wat ik in feite ben]. Dat zou wel het geval zijn geweest als ik [werkelijk] dit lichaam van mij, die drager van de last zou zijn. Als het verwerven van een goed doorvoed, krachtig lichaam de weg zou zijn, kan ik u zeggen dat dat geen onderwerp van belang is voor een persoon van zelfverwerkelijking die aanwezig is in het lichaam. (10) Sterk en stoer te zijn, mager en zwak, lichamelijke of psychische pijn ondervinden of hongerig zijn, dorstig, angstig, tegendraads, begeertig, bejaard, slaperig of zinnelijk gemotiveerd, van het kwade te zijn of van de valsheid, de illusie en het weeklagen, zijn met dit lichaam zaken die horen bij degene die geboren werd, maar ze vormen niet de werkelijkheid van wat ik [oorspronkelijk] ben [zie ook B.G. 2: 20]. (11) Een levende ziel te zijn gebonden aan de dood [een 'levend lijk' te zijn] is iets dat door de natuur wordt geregeld o Koning, [het heeft net zo goed betrekking op u, want] alles heeft een begin en een eind. Maar, o hoog vereerde, als men het onveranderlijke ziet dat zich bevindt in de dingen die voorbijgaan - en in relatie waarmee er [zoals u dat hooghoudt] sprake is van meesters en dienaren - dan spreekt men van het juiste handelen in de yoga. (12) Onderscheid te maken tussen personen [zoals u dat doet als u de baas speelt] getuigt van een vernauwde blik en zie ik niet in wat dat, de conventies daargelaten, voor nut zou hebben. Wie is [in deze gearrangeerde orde nu] de meester en wie is degene over wie moet worden geheerst? Niettemin o Koning, wat kan ik [met u als mijn 'meester'] voor u betekenen? (13) Uit mijn staat van zelfverwerkelijking o Koning, leidde u af dat ik een chaotisch, gek, stuk onbenul zou zijn. [Als dat zo zou zijn], wat zou het dan voor nut hebben door u te worden bestraft? Hoe kan men een waanzinnige, stupide persoon nu iets bijbrengen? Het is alsof je meel probeert te vermalen!'

(14) S'rî S'uka zei: 'Consequent aldus ingaand op ieder woord dat was gevallen, hield de grote wijze het kalm en vredig voor gezien - wat betreft de zaak van dingen vreemd aan de ziel aanvaarde hij alles wat zich voordeed als een gevolg van wat hij in het verleden genoten had, en zo ging hij, om zijn karma tot een goed einde te brengen, weer verder met het dragen van de koning zijn draagstoel zoals hij dat eerder deed. (15) O beste van de Pându-dynastie, hij, de heerser van Sindhu en Sauvîra, was feitelijk ook van een groot geloof aangaande de controlekwestie in relatie tot de Absolute Waarheid. Aldus ter zake kundig vernemend wat de brahmaan zei over dat wat de valsheid uitroeit in het hart en wat de goedkeuring wegdraagt van alle yogapraktijk en literatuur, klom hij haastig uit [zijn voertuig] en wierp hij zich met zijn hoofd naar voren plat ter aarde voor de lotusvoeten om zich te excuseren voor zijn overtreding. Aldus zijn valse claim opgevend dat hij als de koning moest worden gerespecteerd zei hij: (16) 'Wie bent u onder de tweemaal geborenen, zich zo verholen rondbewegend in deze wereld? Ik zie dat u een heilige draad draagt. Van welke verzaker van de wereld bent u de discipel? Waarvandaan en met welke bedoeling bent u naar hier gekomen? Bent u, als iemand die van zuivere goedheid is, hier terwille van ons heil of niet misschien? (17) Ik ben niet bang voor Indra's bliksemschicht, S'iva's drietand of de straf van Yamarâja, noch schuw ik de hitte van de zonnestralen, de maan, de wind of de wapens van de schatbewaarder van de hemel [Kuvera]. Mijn grootste vrees is in overtreding te verkeren met de klasse der brahmanen. (18) Kan u daarom als een volledig onthechte persoon die de macht der wijsheid verhult, als iemand die zich zonder zich ergens om te bekommeren rondbeweegt, alstublieft het woord tot ons richten, want niemand van ons o heilige, is in staat ook maar enigermate te achterhalen wat de betekenisvolle yogawoorden die u bezigde inhouden. (19) Ik was juist op weg om de rechtstreekse incarnatie van de Heer der geestelijke kennis [Kapiladeva], de meester van de yoga en allerbeste leraar van de heilige geleerden betreffende de werkelijkheid van de ziel, te vragen wat in deze wereld nu de beste bezigheid is, wat nu de veiligste toevlucht vormt [zie 3.25]. (20) Bent u in uw goedheid misschien Hem in eigen persoon die zonder uw ware identiteit prijs te geven rondtrekt over de aarde om u te verdiepen in de motieven van de mensen hier? Hoe kan iemand die gebonden is aan familiezaken en de intelligentie moet missen nu kennis hebben van de eindbestemming van de meesters der yoga? (21) Ziend dat men - zoals u zich bewegend als een drager - vermoeid raakt als men lichamelijk op een bepaalde manier bezig is, veronderstel ik [met mijn berispingen] dat ook de gerespecteerde gedragswijze [als een materieel fenomeen] ergens uit voortkomt, net zo goed als het zich verbeelden van water of iets anders wordt voortgebracht door de afwezigheid ervan [als men het nodig heeft]. (22) Vanwege de hitte onder een kookpan, wordt de melk die men erin deed heet en vanwege de verhitte melk wordt de harde kern van de rijst erin gekookt. Zo ook is er voor de persoon - die zich [als een rijstkorrel] moet schikken naar [de hitte van] de materie - de gebondenheid aan de zintuigelijke ervaring van het materiële bestaan. (23) De bestuurder die als een menselijk heerser over de burgers zijn onderdanen het beste toewenst moet een dienaar zijn en niet de bloem vermalen die reeds vermalen is [door zinloos zijn wil op te leggen aan minderen], maar met het vervullen van zijn beroepsmatige plichten de Onfeilbare aanbidden voor wie zich inzettend men verlost raakt van allerlei vormen van zonde. (24) Wees daarom vanuit de waarachtigheid en goedheid van uw boetvaardige zelf, zo goed mij, deze gek geworden en trotse god der mensen, uw grondeloze genade te tonen als een vriend van alle mensen in nood, zodat ik bevrijding kan vinden van de zonde van het minachten van een zo grote persoonlijkheid als u. (25) U als een vriend van de Vriend van Allen raakt als iemand ver verwijderd van de lichamelijke levensopvatting in het geheel niet van uw stuk; maar zelfs zo machtig zijnde als Heer S'iva [S'ûlapâni] zal een persoon als ik, met mijn praktijk van hoogmoed in relatie tot de groten, zeer zeker spoedig ten ondergaan.'

Hoofdstuk 11: Jada Bharata Onderricht Koning Rahûgana

(1) De brahmaan [Jada Bharata] zei: 'Met een gebrek aan ervaring gebruik makend van de termen van hen die ervaring hebben, maakt u nog niet beter dan hen die ervaren zijn! Deze zaken van werelds en sociaal gedrag worden door de intelligenten niet besproken in combinatie met beschouwingen over de Absolute Waarheid. (2) Om deze reden o Koning, wordt onder hen die met name in combinatie met de Veda's [veda-vâdî] belang stellen in de eindeloos toenemende zorg voor de rituelen van een materiële huishouding, zo goed als nooit de eigenlijke spirituele wetenschap [tattva-vâda] aangetroffen die zichzelf zo duidelijk openbaart bij hen die gevorderd zijn in de zuiverheid. (3) Hoewel men [materialistisch/moralistisch] afdoende op de hoogte is van de woorden, is de zeer verheven kijk op de ware bedoeling van de Veda niet direct de hunne, daar het geluk van een werelds leven te vergelijken is met een droom waarvan men persoonljk [slechts] later inziet dat men die achter zich moet laten. (4) Zolang als iemands geest onder de controle staat van de geaardheid hartstocht, goedheid of onwetendheid, zijn handelingen - gunstig of anderszins - door het [dwingend] gezag van de zinnen van waarnemen en handelen, automatisch het gevolg, net zoals dat is met een  zich vrij rondbewegende olifant. (5) Die geest begaan met zovele verlangens [vâsanâ's] is, voortgedreven door de geaardheden der natuur, gehecht aan materieel geluk. Als de belangrijkste van de zestien kenmerken typerend voor een materieel bestaan [de materiële, de handelende en de waarnemende plus de geest] doolt de geest losgeslagen rond met vele namen zich manifesterend in verschillende fysieke verschijningen van een hogere en lagere kwaliteit [vergelijk B.G. 3: 27]. (6) Voortgebracht door de begoocheling der materie die het oorspronkelijke levende wezen omhult, schept de geest voor zichzelf de vicieuze cirkel [de valse orde] van materiële acties en reacties [karma] zodat in de loop van de tijd het geluk, het ongeluk en het andere zeer ernstige resultaat wordt behaald dat verschilt van deze twee [namelijk onmatigheid]. (7) Zolang de geest er is manifesteren zich ook steeds de uiterlijke kenmerken - van bijvoorbeeld gezet of slank zijn - die getuigen van [de kwaliteit van] de kenner van het veld [de individuele ziel]. Om die reden spreken de geleerden van het denken als zijnde de oorzaak van het in hogere dan wel in lagere levensomstandigheden verwikkeld zijn in de guna's, de geaardheden van de materiële natuur, of hun tegendeel. (8) Gebonden aan de guna's raakt het levende wezen geconditioneerd, maar vrij van de geaardheden is er het hoogste voordeel [der zaligheid]. Net als de pit van een lamp brandend rook produceert of anders juist geplaatst de geklaarde boter geniet [en helder brandt], neemt de geest gebonden aan de geaardhedend zijn toevlucht tot uiteenlopende materiële handelingen of verkeert anders [helder functionerend] in zijn ware positie [van gericht zijn op de ziel].

(9) Er zijn elf bezigheden van de geest in samenhang met de vijf zinnen van het handelen, de vijf zintuigen van het waarnemen en de hoogmoed. De geleerden, o held, spreken van de velden van handelen van die elf praktijken als zijnde de verschillende plichten, de verschillende zinsobjecten en de verschillende plaatsen [te weten de privésfeer, openbare gelegenheden, de werkplek en de favoriete vereniging of club, zie B.G. 13: 1-4]. (10) De reuk, de vorm, de tast, de smaak, en het gehoor [de kennende zinnen]; de uitscheiding, de geslachtsgemeenschap, het zich bewegen, de spraak en de handigheid [de zinnen van handelen] met het elfde element van het aanvaarden van het idee van 'mijn', kent aldus het 'ik' [of egobewustzijn] aan dit lichaam toe waarvan sommigen beweerden dat dat het twaalfde element is. (11) Al deze elf bezigheden van de geest worden door de elementen, door de natuur zelf, door de cultuur, door het karma en door de tijd omgevormd tot vele honderden, duizenden en miljoenen [overwegingen] die niet uit elkaar volgen noch uit zichzelf ontstaan, maar [worden veroorzaakt door] de kenner van het veld. (12) De zuivere kenner van het veld neemt al deze verschillende activiteiten van de geest waar die, dan weer manifest [tijdens het waken] en dan weer afwezig [tijdens de slaap], zich voordoen in de overmaat [het eindeloze stromen] van de onzuivere geest van het aan karma gebonden levende wezen, een rusteloosheid die al sedert de vroegste tijden wordt gecreëerd door de [vanwege de Tijd eeuwig veranderlijke] uitwendige energie. (13-14) Deze kenner van het veld is [oorspronkelijk] de alles doordringende, alomtegenwoordige, authentieke persoon, de Oudste die men ziet en over wie men verneemt als bestaande bij de gratie van Zijn eigen licht. Hij is de nimmer geboren, bovenzinnelijke Nârâyana, de Allerhoogste Heer Vâsudeva. Hij is, zoals de lucht aanwezig is in het lichaam, op basis van Zijn eigen vermogen aanwezig in de ziel als de heerser van de bewegende en niet-bewegende wezens. Hij is de Superziel der expansie die binnenging en dus heerst als de Fortuinlijke in het voorbije. Hij is de toevlucht en kenner van iedereen in ieder bereik. Hij is de vitaliteit zelve die in deze materiële wereld verscheen [zie ook B.G. 9: 10 & 15: 15].

(15) Zolang de belichaamde ziel o Koning, niet vrij is van deze invloed van de materiële wereld door in vrijheid van gehechtheden de spirituele orde te vestigen en de zes vijanden [het denken en de waarnemende zinnen] te overwinnen, zal hij moeten rondwaren in deze materiële wereld. (16) Zolang men deze geest heeft die, als het symptoom van de gefixeerdheid van de ziel, voor het levend wezen de ontstaansgrond vormt van al de wereldse misère van het weeklagen, de illusie, de ziekte, de gehechtheid, de hebzucht en de vijandigheid, heeft men te kampen met het 'ik' en 'mijn' [het egoïsme] dat er het gevolg van is. (17) Deze geest, die formidabele vijand die zich ontwikkelt door nalatigheid, is zeer machtig. Hij die vrij van illusie het wapen inzet van het eerbetoon aan de voeten van de geestelijk leraar en de Heer, overwint de valsheid van het persoonlijke die de ziel heeft overdekt.'

 

Hoofdstuk 12: Het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) Rahûgana zei: 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor u die voortkwam uit de belichaming van de Oorspronkelijke Oorzaak [Rishabhadeva, zie 5.4], voor u die vanuit uw zelfrealisatie een afkeer heeft van alle strijd en ruzie, voor u die als een verzaker van de wereld in de gedaante van een  brahmanenvriend, zijn realisatie van de eeuwige waarheid heeft verhuld. (2) U bent als het medicijn voor een door koorts geteisterde zieke, u bent als het koele water voor iemand die geplaagd wordt door de zon en voor iemand als ik, wiens zienswijze in dit banale lichaam werd vergiftigd door de slang van de trots o brahmaan, bent u de wonderdrank der goden. (3) Alstublieft, leg nogmaals aan mij brandend van nieuwsgierigheid [in eenvoudige bewoordingen] uw kernachtige betoog over de yoga der zelfrealisatie uit, zodat ik er een helder beeld van kan krijgen. Dingen die me persoonlijk niet duidelijk zijn zal ik later aan u voorleggen. (4) U zei o Meester van de Yoga, dat een duidelijk te herkennen resultaat van handelen [de 'vermoeidheid', zie 5.10: 21] gebaseerd is op iemands gedrag en zich niet leent voor een onderzoek naar de uiteindelijke werkelijkheid [5.11: 1]. Met die verklaring heeft uwe goedheid mijn geest in de war gebracht.'

(5-6) De brahmaan zei: 'Rondbewegend over de aarde met wat een omvorming is van die aarde herkent u o Koning, die zelf ook een aards lichaam heeft, in mij een aardse persoon. Waarom zou uwe genade, met deze [dragers]voeten en daarboven deze enkels, kuiten, knieën, dijen, middel, nek, schouders en op die schouders de houten draagstoel waarop hij dan zit die men aldus erkent als de koning van Sauvîra, nu op deze manier uit de hoogte doend uw wil moeten opleggen met 'ik, de koning van Sindhu' en aldus een gevangene van valse trots moeten zijn? (7) Zoals u zich boven deze arme, hulpeloze mensen plaatst door ze genadeloos met geweld van hun vrijheid te beroven en [dan ook nog eens] hoogmoedig uitroept 'Ik ben jullie beschermheer', slaat u met uw schaamteloosheid een modderfiguur in het gezelschap van de ouden en wijzen! (8) Omdat we als bewegende en niet-bewegende levensvormen bestaan uit aarde, zijn we ook bekend met de eeuwigdurende verschijning en verdwijning [van onze aardse vormen]. We verschillen slechts in naam van elkaar als we spreken van feitelijke gedragingen. Laten we eens zien hoe we het echt goed beredeneren. (9) Als we het op deze manier bekijken wordt door de woorden die we gebruiken voor de aardse kwestie [zoals voor verschillen tussen rassen en naties] het bestaande niet waarachtig beschreven. Wat men zich in zijn denken voorstelt van de bijzondere eigenschappen, van de samenvoeging en van het zich weer oplossen in de samenstellende atomaire deeltjes [het tot 'stof' vergaan], dekt enkel maar een mindere intelligentie van het bestaan [zie B.G. 13: 23]. (10) Aldus is mager zijn, dik, klein of groot, bestaan als een individuele levensvorm, als levenloze materie of als wat voor ander natuurverschijnsel dat nog meer van belang zou zijn, allemaal onbestendigheid in naam van een zekere plaats, tijd en activiteit, een onbestendigheid die u moet begrijpen als [eigen aan] de werking van de dualiteit der natuur. (11) Het hogere weten, de intelligentie in zijn zuivere bestaan die het uiteindelijke doel vormt, is de Eenheid zonder een binnen- of een buitenkant,  de Absolute Waarheid van het Allerhoogste [Brahman], de innerlijke vrede [van de mediteerder] die in een hogere [persoonlijke] zin wordt gekend als Bhagavân, de Allerhoogste Heer [van alle fortuin] die door de geleerden Vâsudeva wordt genoemd [Onze Lieve Heer, de genadige God [Vishnu], of Heer Krishna als de zoon van Vasudeva].

(12) Beste koning Rahûgana, men kan niet tot deze realisatie komen door [enkel] boetedoening, door het vereren van beeltenissen of door een punt te zetten achter je materiële activiteiten, noch [alleen] door iemands huishoudelijk leven, door celibatair te zijn en door studie of door boetedoening in relatie tot het water, het vuur of de zon, dit wordt je niet geopenbaard tenzij je je van top tot teen inwrijft met het stof van de lotusvoeten van de groten! (13) Daar waar men de kwaliteiten van Hem die geprezen wordt in de geschriften ter sprake brengt komt aan de wereldse zorgen een einde. Als men dag na dag in alle ernst luistert naar hen die de bevrijding [in toegewijde dienst] als hun doel hebben, zal de meditatie zuiver gericht raken op Vâsudeva. (14) In een voorgaand leven stond ik bekend als een koning genaamd Bharata die door persoonlijk inzicht en omgang in aanbidding van de Allerhoogste Heer bevrijding vond. Daar altijd mee bezig, werd ik [niettemin herboren als] een hert omdat ik, intiem samenlevend met zo'n dier, mijn plichten verwaarloosde. (15) Ondanks dat ik een hert was o grote held, verloor ik niet de herinnering aan mijn activiteiten van eerbetoon voor Krishna [de Heer zoals die bekend staat om Zijn donkere huid]. Om die reden houd ik mij uit angst verre van de omgang met het gewone volk en trek ik onopgemerkt rond. (16) Daarom is het zo dat als een mens met behulp van het zwaard der kennis heeft gebroken met wereldse omgang, hij zelfs nog in deze wereld zich geheel los kan maken van de begoochelde staat. Door zowel te luisteren naar als te spreken over de verhalen van de handelingen van de Heer, wordt het verloren bewustzijn herwonnen en bereikt men het uiteindelijke doel van de weg [terug naar God].'


Hoofdstuk 13: Vervolg van het Gesprek tussen Mahârâja Rahûgana en Jada Bharata

(1) De brahmaan zei: 'Met een karmische [baatzuchtige] visie verdeeld zijnde [afwisselend handelend] in hartstocht, goedheid en onwetendheid, doolt de geconditioneerde ziel, die zich begaf op het moeilijke en uitzichtloze pad van een materieel leven, rond in dat woud dat hij betrad met het oog op het verwerven van een hogere positie en kan [zo] geen [duurzaam] geluk vinden. (2) O god der mensen, aldaar wordt hij die met het volgen van de verkeerde leidraad het valse najaagt, geteisterd door de zes struikrovers. Als vossen dringen ze binnen en nemen ze de verdwaasde streber te pakken, precies zoals tijgers lammeren pakken. (3) In de tuinen vol van klimplanten, grassen en struikgewas waar hij zich somtijds verbeeldt dat hij tussen de Gandharva's is beland en dan weer in een mum van tijd bezeten raakt, wordt hij wreed verstoord door stekende muggen. (4) Op dat wereldse pad zich van hot naar haar reppend om een of andere verblijfplaats, water en weelde de zijne te noemen o Koning, is hij het spoor bijster zijnde zo nu en dan verblind vanwege het rokerige stof  dat werd opgeworpen door een wervelstorm. (5) Geplaagd door het rumoer van onzichtbare krekels in zijn oor, van streek in zijn geest en hart door de geluiden van uilen, en honger lijdend met het vertrouwen op bomen die geen vruchten dragen, jaagt hij soms het water van een luchtspiegeling na. (6) De ene keer afgaand op drooggevallen rivieren [niets verdienend] en voedsel vragend van anderen die ook door hun voorraad heen zijn, is hij wanhopig over de bosbrand van het materieel bestaan en over wat er terechtkwam van de weelde die door de boeven werd ingepikt (7) Bij tijden ervaart hij, belast door zijn besturende bovengeschikten [de 'halfgoden'], droefenis in zijn hart en raakt hij verbijsterd buiten zinnen in zijn klagen en dan weer geniet hij met het betreden van een [aards] hemelrijk een korte tijd alsof hij het ware geluk zou hebben gevonden. (8) Soms worden rondzwervend zijn voeten door doornen en steentjes gepijnigd als hij de heuvels wil beklimmen en wordt hij neerslachtig   met iedere stap die hij doet; en soms ziet hij met een hongerige maag het in het gezin het niet meer zitten en wordt hij kwaad op zijn eigen gezinsleden. (9) Bij tijden op zichzelf aangewezen in het woud wordt de geconditioneerde ziel verzwolgen door de python en begrijpt hij er niets meer van; aangevallen door gifslangen en gebeten, laat hij soms, gevallen in een ongeziene put, zijn hoofd hangen blind geraakt in diepe duisternis. (10) Dan weer eens uitziend naar wat lekkers wordt hij door de verontruste bijenkorf in kwestie teleurgesteld; of juist als hij zich veel moeite getroost om aan zijn trekken te komen, wordt vervolgens ruw het voorwerp van zijn begeerte voor zijn neus weggekaapt door een concurrent. (11) Soms ook niet in staat de kou, de hitte, de wind of de regen tegen te gaan, voelt hij zich machteloos en ellendig; en dan weer met anderen zich inspannend voor een beetje handel haalt hij zich zoals bekend de vijandigheid op de hals vanwege de misleiding terwille van het voordeel. (12) Nu en dan berooid moet hij het stellen zonder beddengoed, een zitplaats, een huis en de gemakken van een gezin, en klopt hij noodlijdend bij anderen aan. Niet krijgend wat hij nodig heeft begeert hij vervolgens het bezit van anderen en vervalt hij in schandelijk gedrag. (13) Als hij probeert er materieel op vooruit te gaan door te trouwen is een hoogst problematisch leven het gevolg waarin vijandschap groeit als gevolg van de financiële verwikkelingen met elkaar. Op het pad van het materieel bestaan raakt hij dan volledig geruïneerd door tegenslagen en geldnood. (14) Aldus mislukkend [in zijn zelfverwerkelijking] moet hij dan in die omstandigheid al de kinderen die hij ter wereld bracht loslaten. Tot op de dag van vandaag is niemand die, getrouwd voor zijn eigenbelang, ronddolend in dit woud deze materiële weg volgt o held, erin geslaagd om het uiteindelijke doel van de yoga [de toegewijde dienst en de zaligheid] te bereiken.

(15) Zij die zonder er veel bij na te denken erin slaagden de grootste helden [de 'olifanten'] die er zijn te overwinnen, raken aldus in deze wereld bevangen door het idee van 'mijn' en delven in de slag met de [daardoor] in het leven geroepen vijandschap allen [uiteindelijk] het onderspit. Ze bereiken niet de werkelijkheid van de staf der verzaking [de vrijwillige boete, sannyâsa] die, vrij van vijandigheid, wèl leidt tot vervolmaking. (16) Vasthoudend aan de toevlucht van de armen van de echtgenote, de klimplant, zingt men soms een vreemd liedje in het verlangen het gezang te horen van een andere vogel van die toevlucht; en als men dan eenmaal het gebrul van de leeuw hoort zoekt men vriendschap met de kraanvogels, de reigers en de gieren. (17) Door hen bedrogen zoekt men dan contact met de zwanen maar ontevreden met hun gedragswijze zoekt men zijn heil bij de apen in de omgang waarmee men bevredigd in zijn zinnelijkheid elkaar in het gezicht staart zonder te beseffen dat men op de dood afstevent. (18) Genietend in de boom is men, seksueel kleinzielig gehecht aan vrouw en kinders, niet in staat om los te laten gebonden als men is aan de gevolgen van de eigen handelingen, en beland men soms, vol van angst voor de olifant van de dood zich vastklampend aan de klimop, in een grot in de bergen waar men opgesloten raakt . (19) Op de één of andere manier aan dit gevaar ontsnappend o doder der vijanden, pakt men opnieuw het oude leventje weer op, dat pad van genot dat de geconditioneerde ziel bewandelt onder de invloed van mâyâ en waarin men tot de dood erop volgt geen snars snapt. (20) Koning Rahûgana, ook u bewandelt zeker dit [bos]pad van het materiële bestaan, maar als u eenmaal uw politieke macht hebt opgegeven en u zich vriendelijk gedraagt jegens alle levende wezens, zult u zich niet langer aangetrokken voelen tot het onware en zal u het door middel van dienst aan de Heer gewette zwaard der kennis ter hand nemen om de oversteek te maken naar de allerhoogste werkelijkheid van gene zijde!'

(21)
De koning zei: 'Oh, een menselijke geboorte is de beste van alle geboorten! Wat voor zin heeft het om van een hogere geboorte [onder de goden] te zijn? Daar is niets superieurs aan als men in een nieuw leven niet in overvloed kan genieten van de omgang met werkelijk grote zielen [zoals u] wiens harten gezuiverd zijn door de heerlijkheid van Hrishîkes'a [de Heer en meester der zinnen]. (22) Is het niet wonderlijk om volledig bevrijd te raken van alle smetten door het stof van uw lotusvoeten van liefde en toewijding voor Adhokshaja [de Heer in het Voorbije]? In de omgang met u werd in een oogwenk de wortel van de onwetendheid van mijn verkeerde denktrant volledig teniet gedaan. (23) Mijn eerbetuigingen voor al de grote persoonlijkheden, of ze nu ten tonele verschijnen als jongens, als jonge mannen of als wereldverzakers. Laat er dankzij deze zelfgerealiseerde zielen der bovenzinnelijkheid die de aarde bewandelen in verschillende gedaanten het geluk zijn voor al de dynastieën!'

(24)
S'rî S'uka zei: 'Dankzij de kwaliteit van zijn grote zachtmoedigheid en de verhevenheid van zijn spirituele realisatie o zoon van Uttarâ [Parîkchit], was deze zoon der brahmaanse wijsheid, ondanks dat hij beledigd was, aldus van instructie voor de heerser van Sindhu over de werkelijkheid van de ziel. Hij wiens lotusvoeten door Rahûgana zo vol van spijt werden aanbeden en die van een hart was waarin, zoals in volle zee, al de golven van [de informatie van] de zinnen volledig tot rust werden gebracht, trok [daarna verder in vrijheid] rond over deze aarde [vergelijk 3.25: 21]. (25) O Koning, de koning van Sauvîra die dankzij [de instructies van] een verheven persoonlijkheid tot een volledig begrip kwam van de waarheid van de opperziel, slaagde er aldus volledig in het begrip op te geven van het lichamelijke zelf dat hij in zijn onwetendheid voor zijn persoon had gehouden, en volgde trouw het pad van de geestelijke erfopvolging die zijn aanvang nam bij de Heer.'

(26)
De koning [Parîkchit] zei: 'Dat wat u o grootste der wijsheid hier zo ter zake kundig beeldend beschreef van het pad van de individuele ziel in het materieel bestaan, is vervat in woorden die begrijpelijk zijn voor hen die hun geest ontwikkelden, en niet zo zeer rechtstreeks voor de gewone man die minder ervaring heeft. Zou u  daarom, voor het heil van een volledig begrip van deze zo moeilijk te bevatten materie, ons alstublieft in andere woorden willen vertellen wat het precies inhoudt?'


Hoofdstuk 14: De Materiële Wereld als het Grote Woud van Genot

(1) De wijze [S'ukadeva] zei: 'Zij die het lichaam voor het ware zelf houden, gaan verschillend bezig met de geaardheid goedheid en zo, uit van het verkeerde standpunt. Zich baserend op de zes toegangspoorten van hun zinnen en hun denken, krijgen ze afwisselend gunstig, ongunstig of half om half tewerk gaand, te maken met een nimmer eindigend proces van zielsverhuizing door verschillende reeksen lichamelijke omhulsels heen die ze telkens weer opnieuw moeten opgeven en weer oppakken. In relatie tot Vishnu, de Transcendentale Persoonlijkheid die de Heer is, is de gebonden ziel, die handelend onder invloed van de begoocheling der materie mâyâ zich beweegt op dat zware pad door het moeilijk door te komen woud van het materiële bestaan, bezig als een koopman die geld wil verdienen met dingen die mensen graag willen. Hij die zijn lichaam inzet terwille van het profijt, ervaart de materiële wereld waarin hij terechtkwam als een begraafplaats [een doodlopende weg voor zijn zelfverwerkelijking] alwaar hij veel weerstand ondervindt zolang hij er niet in slaagt te vorderen met het volgen van het voorbeeld van de hommels, de toegewijden aan de lotusvoeten van de Heer en Zijn vertegenwoordigers, die aan de ellende van het bereiken van Zijn juweel [Zijn glorie] een einde maken. (2) In dat bos krijgt hij gegarandeerd te maken met de zes zinnen en de geest die men door hun activiteiten zijn plunderaars mag noemen. Ze beroven de begeertige ziel die als iemand zonder zelfbeheersing op het verkeerde pad is geraakt van ieder beetje met plichtsgetrouwe inspanning verworven weelde dat zich zo goed leent voor het brengen van offers. De verworven weelde die men thuis uit op het bevredigen van zijn zinnen koestert in zijn vastbeslotenheid om te kijken, aan te raken, te luisteren, te proeven en te ruiken, leidt, zo zeggen de wijzen, alleen maar tot een beter leven in het hiernamaals als men die rechtstreeks inzet voor de religieuze [varnâs'rama] praktijk der principes die zich kenmerkt door het aanbidden van de Hoogste Persoonlijkheid. (3) In dezen zijn de leden van zijn familie, beginnend bij degenen die voor zijn vrouw en kinderen doorgaan, tijgers en jakhalzen in hun handelingen; ze beroven hem ondanks zijn verweer ertegen van de weelde die hij vrekkig niet wil delen, net zoals een lam temidden van de kudde wordt weggestolen [door roofdieren] voor ogen van de herder. (4) Net zoals in een akker die ieder jaar omgeploegd wordt de zaden van de bosjes, het gras en de klimplanten die niet verbrandden worden behouden en weer opschieten met de ingezaaide planten zoals in iedere tuin, verdwijnen ook in het veld van de handelingen van iemands gezinsleven de vruchtdragende handelingen niet. Daarom noemt men deze wereld een bewaarplaats van verlangens. (5) Verloren in dat bestaan zich soms op deze materiële weg door het bestaan bewegend in de sferen der weelde, wordt hij [die het valse volgt] verstoord door karakters van een laag allooi gelijk aan horzels en muggen en door dieven [gelijk aan] ratten, sprinkhanen en roofvogels. Vanwege een beluste geest onwetend bezig in zijn baatzuchtige motieven, heeft hij op deze menselijke wereld waarin men nooit zijn doel bereikt, een verkeerde kijk: hij ziet luchtkastelen. (6) Daar [in die menselijke wereld] is hij die soms bezig is een fata morgana na te jagen in zijn ijver te eten en te drinken en seks te hebben en dergelijke, bijgevolg een libertijn die verslaafd is aan zijn zinnen. (7) Soms als hij op zoek is naar goud, is hij, geobsedeerd door dat speciale soort van geelkleurige rommel dat eveneens een onuitputtelijke bron van het kwaad vormt, net als iemand die [in het donker] op weg naar een vuur een oplichtend dwaallicht aan het volgen is. (8) Een persoon wordt aldus in dit materiële woud bij tijden geheel in beslag genomen door het zich van hot naar haar spoeden terwille van de verschillende zaken van een plaats om te leven, water en weelde die voor het levensonderhoud noodzakelijk worden geacht. (9) Soms copuleert hij ook, in het holst van de nacht gedreven door een tijdelijke werveling van hartstocht, met een verleidelijke vrouw. In een totaal veronachtzamen van de regels [een hogere kijk] verliest hij dan, verblind door de kracht van die passie, ondanks de goddelijkheid [van de zon en de maan], iedere notie omdat hij overmand raakt door een geest vol lust. (10) Zo nu en dan ontwaakt hij voor een ogenblik en ziet hij de betekenisloosheid in van de lichamelijke opvatting van zichzelf die zijn geheugen bederft en waardoor hij de voorwerpen van zijn zinnen najaagt als betrof het het water van een luchtspiegeling. (11) Soms is er, precies als met de typische doordringende, herhaalde geluiden van uilen en krekels, er direct of indirect de irritatie die wordt opgewekt door vijanden en vertegenwoordigers van de staat, die door hun straffe optreden het oor en het hart pijnigen. (12) Als de geconditioneerde ziel de [verdienste van] zijn goede daden in zijn voorgaande leven heeft uitgeput en op dat moment [voor financiële ondersteuning] de rijken  met hun dode zielen benadert, is hij zelf vanbinnen net zo dood, omdat ze zijn als de kâraskara, kâkatunda en meer van dat soort [niet-vruchtdragende] bomen. Net als bedorven putten zijn ze niet in staat iemand ooit gelukkig te maken. (13) Bij gelegenheid omgaand met onwaarachtige lieden met een beperkt bevattingsvermogen, is het alsof hij in een ondiepe rivier duikt [en zijn nek breekt]; het maakt hem in beide opzichten [zowel geestelijk als lichamelijk] erg ongelukkig als hij atheïsten opzoekt. (14) Als het hem niet lukt met [het vergaren van] de weelde van anderen, bezorgt hij vervolgens zijn vader of zijn zoon moeilijkheden door hen als zijnde een vader dan wel een zoon te 'vereren'. (15) Afgebrand met de vlammen van verdriet hoogst teleurgesteld rakend, ervaart hij nu en dan zijn leven thuis als een bosbrand die niets goeds oplevert doch slechts almaar droeviger maakt. (16) Soms wordt, door een roofzuchtige regering die mettertijd corrumpeerde, de door hem gekoesterde weelde weggekaapt zodat hij, verstoken van heel zijn goede leventje, als een lijk achterblijft dat zijn laatste levensadem uitblies. (17) Dan weer denkend dat zijn vader, grootvader en anderen die allang overleden zijn er weer echt zijn [in de vorm van een incarnatie], ervaart de geconditioneerde ziel een geluk van het soort dat men in dromen voelt. (18) Een andere keer wil hij als een huishouder met een geest die fanatiek materiële zaken najaagt de berg van voorschriften voor het [brengen van offers terwille van het] vruchtdragend handelen beklimmen en treurt dan vervolgens [gefrustreerd rakend over alle vereisten] alsof hij een veld vol stenen en doornen heeft betreden. (19) Nu en dan [religieus vastend maar] niet in staat het vuur van de honger en de dorst te verdragen, verliest hij zijn geduld en wordt hij kwaad op zijn gezinsleden. (20) Hij, herhaaldelijk verzwolgen door de python van de slaap, is, in de greep van de onwetendheid in diepe duisternis verkerend, als een lijk dat eenzaam in het woud achtergelaten daar maar ligt zonder nog langer bij kennis te zijn [zie ook B.G. 6: 16 & 14: 8]. (21) Zo nu en dan met de tanden van zijn eer gebroken door [de afgunst van] zijn slangachtige vijanden, gaat hij gebukt onder slapeloosheid en beland hij in de overwoekerde put der illusie met een bewustzijn dat steeds meer verzwakt als gevolg van een [door uitputtend gepieker] verstoord hart. (22) En dan gebeurt het dat, op zoek naar de zoete [honing]druppels der begeerte van de vrouw en rijkdom van een ander, hij zich die toe-eigent zodat hij zwaar wordt bestraft door de regering of de betrokken verwanten en hij aldus  in een onvergelijkelijk hels bestaan beland. (23) Dit is er nu de reden van dat de Vedische autoriteit stelt dat de vruchtdragende bezigheid [het karma] de oorzaak vormt voor dit leven en een volgend bestaan in deze oceaan der materie. (24) Als hij erin slaagt niet te worden bestraft, maakt een handelaar zus ['Devadatta'] hem zijn geld afhandig en maakt een andere vriend van Vishnu zo ['Vishnumitra'] hem op zijn beurt weer dat geld afhandig en aldus verandert de rijkdom [als onderdeel van de volheid des Heren] steeds van eigenaar. (25) Ook komt het voor dat men door de verschillende natuurlijke oorzaken zoals hitte en kou, door andere levende wezens en door de werking van zijn eigen lichaam en geest [resp. adhidaivika, adhibhautika, adhyâtmika kles'a's, zie ook 2.10: 8], niet in staat is de levensomstandigheden de baas te worden, zodat men zwaar bedrukt raakt opgezadeld met angsten en depressies. (26) Soms, als men handel drijft met elkaar, ontstaat er om het kleinste beetje geld of kleinigheidje dat men zich toe-eigent, hoe onbeduidend ook, vijandschap vanwege oneerlijkheid.

 (27) Op het pad van het materieel bestaan krijgt men te maken met deze vormen van ellende gepaard aan [materieel] geluk en ongeluk, gehechtheid, haat, angst, vals prestige, illusie, waanzin, weeklagen, verbijstering, begeerte, afgunst, vijandschap, belediging, honger, dorst, beproevingen, ziekte, geboorte, ouderdom, de dood enzovoorts. (28) Ergens, onder de invloed van de begoochelende energie mâyâ, raakt men, stevig omkneld door de klimplanten van de armen van een vrouwelijke metgezel, diep in verlegenheid met een teloorgang van alle intelligentie en wijsheid. In het verlangen om haar te behagen en voor haar een geschikte woning te regelen, vergrooft het hart in die zorg en raakt het bewustzijn in beslag genomen door de praatjes en de vertederende aanblik van de zoontjes en dochtertjes onder de hoede van moeder de vrouw. Met de regie over zichzelf kwijt wordt men dan in de eindeloze duisternis van een leven in onwetendheid geworpen.

(29)
Zo gebeurt het dat als gevolg van de cakra van de Beheerser, de Allerhoogste Heer Vishnu Zijn schijf der Tijd, waarvan de invloed zich uitstrekt van de eerste uitbreiding der atomen tot de duur van het volledige leven van Brahmâ, men moet lijden onder de symptomen van zijn roteren waarmee na de nodige tijd snel voor iemands ogen, in een oogwenk, alle levens der levende wezens, van Brahmâ tot de eenvoudigste grasspriet, zijn vergaan. Rechtstreeks voor Hem, de Beheerser wiens persoonlijke wapen de schijf van de Tijd is, is men angstig te moede. Zich niet bekommerend om de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, neemt men voor aanbiddelijk aan wat ongegrond is, met zelfverzonnen goden die zijn als buizerds, gieren, reigers en kraaien en die door de geschriften der beschaving worden ontkend. (30) Als men als een geconditioneerde ziel door de atheïsten - die zelf bedrogen zijn - zelfs nog meer wordt bedrogen, zoekt men zijn heil bij de leerschool der brahmanen. Maar met hen [als moeilijke, neurotische mensen] geen bevrediging vindend in het goede karakter van het tewerk gaan met de heilige draad overeenkomstig de principes en de Schrift, noch het vindend in de vertrouwde cultuur van het plichtsgetrouw aanbidden van de Allerhoogste Heer en Oorspronkelijke Persoon van Opoffering, wendt men zich tot het gezelschap van karmi's [karma gemotiveerde mensen of s'ûdra's] die niet gezuiverd zijn in het zich gedragen naar de Vedische voorschriften. En met hen, in een materialistisch seksleven de familie instandhoudend, treft men zichzelf dan aan in het gezelschap van lieden die denken dat ze van de apen afstammen [in plaats van geestelijk leraren]. (31) In die toestand zonder een spoor van twijfel op eigen gezag genietend [als de apen] met een ernstig tekort aan kennis en inzicht, vergeet men hoe kortstondig het bestaan is met het naar elkaars mismoedige gezicht starende smachten naar bevrediging en materieel voordeel. (32) Soms, net als de apen in hun boom, in zijn nopjes met zijn huis waarin men steeds naar een groter gemak uitziet, brengt men zijn tijd door met het zorgen voor en plezier maken met de vrouw en kinders. (33) Men is als een geconditioneerde ziel beperkt tot het pad der zinnelijkheid en schikt zich aldus, uit angst voor de olifant van de dood, in een duisternis die zo diep is als die van een berggrot. (34-35) In relatie tot de zinsobjecten raakt men soms [zoals gezegd] in zijn onvermogen om de onoverkomelijke ellende tegen te gaan van de hitte en de kou van de natuur, andere levende wezens en het eigen bestaan, gevangen in droefenis vanwege [de vijandschap naar aanleiding van] welke kleine hoeveelheid weelde men ook in wederzijdse transacties toevallig wist te vergaren door middel van bedrog. (36) Nu en dan zonder geld zittend en verstoken zijnd van voorzieningen om te slapen, te zitten en te eten, moet men de minachting en zo meer verduren van de mensen die ontstond als gevolg van wat men bij gebrek aan succes in zijn verlangen besloot om op een oneerlijke manier te verwerven. (37) Hoewel men zich vanwege financieel bepaalde betrekkingen meer en meer verhoudt in vijandigheid, gaat men niettemin huwelijken aan die, op basis van dit verlangen [er materieel op vooruit te gaan], consequent weer in scheidingen eindigen. (38) Op dit pad door de oceaan der materie wordt men geplaagd door de verschillende vormen van ellende van het materieel bestaan waarbij een ieder zelf - dan wel iemand anders - soms denkt het gewonnen te hebben en dan weer denkt het verloren te hebben. Daarbij ervaart men met het afscheid nemen van [overleden] verwanten en het verwelkomen van nieuw geborenen in zijn gebondenheid soms een hoop verdriet, illusie en vrees waarover men dan hardop huilt terwijl men een andere keer weer zo verheugd is dat men ervan aan het zingen raakt. Met uitzondering van de heilige zielen is tot op de dag van vandaag niemand van die ganse wereld van menselijke wezens die uit zijn op hun eigenbelang teruggekeerd naar de ene [plaats van God] van waaruit deze materiële levensgang zijn aanvang nam en waarvan de verdedigers van de vrede beweren dat die tevens het eindpunt vormt. (39) Materieel gemotiveerde mensen volgen niet de instructies op van de yoga noch bereiken ze dit [hoogste verblijf] dat met gemak wordt bereikt door de wijzen die natuurlijk levend en in vrede verkerend steeds hun geest en zinnen onder controle hebben. (40) Zelfs al behoort men tot de heiligste der koningen, zegerijk in ieder opzicht en deskundig in het brengen van al de offers, men is slechts een aardse persoon die het leven weer moet verlaten, de strijd moet opgeven, het onderspit moet delven vanwege de zelf opgeroepen vijandigheid met anderen en er mee moet ophouden om 'mijn' te zeggen tegen de dingen [vergelijk 1.2: 13]. (41) Als men zijn heil zoekt bij de klimplant van het karma [met het nemen van tegenmaatregelen] kan men op deze of gene manier bevrijd raken van het ongeluk van zijn helse positie [van verstrikt zijn in de materiële wereld], maar tot welke hogere wereld men dan ook bevorderd raakt, men betreedt op die manier weer opnieuw het wereldse pad van het handelen uit eigenbelang.

(42)
Er is niet één koning in staat om zelfs maar in gedachten het pad te volgen dat we hier bezongen als de weg van de grote ziel Jada Bharata, de zoon van de grote heilige koning Rishabhadeva, net zo min als een vlieg er toe in staat is Garuda, de drager van Vishnu te volgen. (43) Het was hij die de zo moeilijk te verloochenen weelde van een gezin, vrienden, weldoeners en een koninkrijk opgaf. Met veel liefde voor Uttamas'loka, de Heer geprezen in de verzen, verzaakte hij die nog maar jong was dat wat hij in zijn hart had als betrof het ontlasting. (44) Voor hen die zich in hun geest aangetrokken voelen tot de liefdevolle dienstverlening aan de doder van Madhu [Krishna] verricht door de grootste zielen, is alles wat zo moeilijk op is te geven, de aarde, de kinderen, de verwanten, de rijkdom en een echtgenote, alles wat men van de godin van het geluk kan verlangen en het beste van de genadige blikken van de halfgoden, van nul en generlei waarde; en dat paste hem als koning. (45) 'De Genieter van alle offers, de Voorvechter van de Religie, Hij die onderricht middels de regulerende beginselen [de vidhi, zie 1.17: 24], de yoga in eigen persoon, de leraar van de analyse [sânkhya, zie Kapila 3.25], de Heerser over de Schepping, Nârâyana de toevlucht van alle levende wezens, Heer Hari bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen!', was wat hij hardop zingend bad met een glimlach, zelfs toen hij zich ophield in het lichaam van een hert. (46) Hij die luistert naar of voor anderen deze door de grote toegewijden hoogst gewaardeerde, alleszins gunstige vertelling beschrijft over de wijze koning Bharata, zo zuiver in zijn kwaliteiten en handelen, zal lang leven, fortuinlijk zijn, een goede naam verwerven, de hogere werelden bereiken dan wel het pad van de bevrijding vinden. Het verheerlijken van de kwaliteiten van de toegewijde en de Heer zal iemand alle mogelijke zegen brengen en hem niets meer te verlangen overlaten in relatie tot anderen.'

 

Hoofdstuk 15: De Glorie van het Nageslacht van Koning Priyavrata

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Bharata, genaamd Sumati die het pad van Rishabha volgde, zal in dit Kalitijdperk door sommige ketters die het ontbreekt aan de nodige beschaving, als een godheid worden beschouwd overeenkomstig een eigengereid, ongegrond idee dat niet in de Veda's is terug te vinden [zie ook 5.6: 9]. (2) Uit de schoot van Sumati's vrouw Vriddhasenâ kwam een zoon ter wereld genaamd Devatâjit. (3) Daarna werd uit Âsurî een zoon van Devatâjit geboren genaamd Devadyumna. Uit de schoot van Devadyumna's vrouw Dhenumatî kwam de zoon Parameshthhî ter wereld uit wiens vrouw Suvarcalâ de zoon Pratîha verscheen. (4) Hij die persoonlijk de wetenschap der zelfverwerkelijking verkondigde, was een zuivere ziel van een volmaakt begrip die zich steeds de Oorspronkelijke Persoon herinnerde. (5) Uit Pratîha's vrouw Suvarcalâ werden drie zoons geboren genaamd Pratihartâ, Prastotâ en Udgâtâ die allen bedreven waren in de Vedische rituelen. Pratihartâ verwekte in Stutî twee zoons genaamd Aja en Bhûmâ. (6) Bhûmâ's vrouw Rishikulyâ bracht Udgîtha ter wereld, door hem werd uit Devakulyâ Prastâva geboren, en Prastâva verwekte in zijn vrouw Niyutsâ de zoon Vibhu. Uit Vibhu's echtgenote Ratî werd verder Prithushena geboren die in Âkûti de zoon Nakta verwekte. Van Nakta was er een zoon uit de schoot van Druti: Gaya. Hij, als een hoogst verheven wijze koning vermaard om zijn vroomheid, werd vanwege zijn kwaliteiten herkend als zijnde een rechtstreekse expansie [kalâ] van de Allerhoogste Ziel, Heer Vishnu die zijn geboorte nam met het doel de ganse wereld te beschermen. Hij gedreven door zuivere goedheid, ontwikkelde zich tot de leidende persoonlijkheid [de mahâpurusha] in de samenleving (7) In zijn plichtsbetrachting, beschermde hij zijn onderdanen door ze te onderhouden [poshana], hij maakte hen in alle opzichten gelukkig [prînana], behandelde ze als waren ze zijn kinderen [upalâlana] en wees ze als hun koning soms terecht [anus'âsana]. Hij voerde in ieder opzicht al de voorgeschreven religieuze plechtigheden uit voor de Allerhoogste Heer, de grote persoonlijkheid en bron van alle levende wezens die het Allerhoogste Brahman is [in eigen persoon]. Door zijn overgave, zijn vele spirituele kwaliteiten en door het dienen van de lotusvoeten der zelfgerealiseerden, slaagde hij erin de Opperheer toegewijd te dienen omdat hij, die in het zuiverste bewustzijn voortdurend in de ziel verzonken was, in zichzelf de beëindiging tot stand had gebracht van alle identificatie met zijn materiële zelf. Ondanks dat hij zich de verhevenheid van zijn spirituele positie bewust was, heerste hij, zich verre houdend van valse trots [machtsvertoon], strikt volgens de Vedische beginselen over de gehele wereld.

(8) O zoon van Pându, om Gaya te loven zingen zij die thuis zijn in de waarheid van de Purâna de volgende poëtische verzen: (9) 'Het was koning Gaya die middels het uitvoeren van de rituelen de weg terug wees naar alle offers. Door de gehele wereld gerespecteerd vanwege zijn Vedische kennis is hij, als de verdediger der rechtschapenheid met alle vormen van weelde, het hoofd van de vergadering der waarheidlievenden die, behalve dat hij integraal deel uitmaakt van de Allerhoogste Heer, de dienaar is van de toegewijden en alle andere mensen. (10) Alle kuise en toegewijde vrouwen besprenkelden met grote voldoening hem met gewijd water [bij zijn kroning], als  zijnde de ware die de zegeningen van de dochters van Daksha verdient en met moeder aarde als een koe die spontaan melk druppelt, vervulde hij onzelfzuchtig al de wensen van de mensen op deze planeet. (11) [Met al de riten] van respect zijnde voor ieder onderdeel van de Veda's bezorgde hem, hoewel hij zelf geen verlangens koesterde, alles wat men zich maar wensen kon en vanwege de oppositie die hij bood op het slagveld bewezen al de koningen hem de eer, zoals ook de brahmanen dat deden met een zesde van de zegeningen der overledenen. (12) Koning Indra raakte zwaar onder invloed omdat hij al de soma opdronk van [Gaya] zijn offerplechtigheden ten gunste van de Allerhoogste Heer, het zelf van alle offers, waarvan Hij [Vishnu] het resultaat persoonlijk aanvaardde vanwege de zuiverheid van zijn toewijding en de standvastigheid van zijn toegewijde dienst. (13) Als men de Heer in het offerperk tevredenstelt stemt men direct al de goden met Heer Brahmâ voorop gunstig alsmede het geheel van de menselijke samenleving, de lagere schepselen en de planten en de grassen. Ondanks dat Hij de tevredenheid in de natuur Zelve is, ontleende de Heer [aldus] grote voldoening aan Gaya!'

(14-15) Uit zijn vrouw Gayantî werden drie zoons Citraratha, Sugati en Avarodhana geboren, uit Citraratha's vrouw Ûrnâ werd Samrâth geboren en van hem werd Marîci geboren uit Utkalâ. Uit Marîci's vrouw Bindumatî was er een kind genaamd Bindu [of Bindumân] en van Bindu's  vrouw Saraghâ was er een kind genaamd Madhu, waarop volgend er van Madhu's vrouw Sumanâ er een zoon ter wereld kwam die Vîravrata heette. Uit Vîravrata's echtgenote Bhojâ werden twee zoons geboren met de namen Manthu en Pramanthu en van Manthu's vrouw Satyâ kwam Bhauvana ter wereld. Van hem werd er uit Dûshanâ een zoon geboren genaamd Tvashthâ en Tvashthâ's vrouw Virocanâ gaf geboorte aan een zoon genaamd Viraja. Uit Viraja's echtgenote Vishûcî namen een honderdtal zonen en één dochter hun geboorte met S'atajit als de eerste.

(16) Over Viraja bestaat er het volgende vers: 'Koning Viraja, die een honderdtal zoons verwekte, vormt met zijn reputatie een juweel voor deze dynastie die stamt van Priyavrata [zie 5.1] dat zo groots is als Heer Vishnu onder de halfgoden.'

 

Hoofdstuk 16: Hoe de Heer als een Feitelijk Iets kan worden Verstaan

(1) De koning [Parîkchit] zei: 'U had [in 5.1: 31-33] het over het bereik van de aarde [Bhû-mandala] en zei dat die zich uitstrekt zo ver als de hitte van de zon reikt en zover als de maan en de talloze sterren te zien zijn. (2) Omdat Priyavrata in zijn wagen rondging [zie 5.1: 30-31] werden door de zeven groeven [van de wielen] de oceanen geschapen die de zeven verschillende dvîpa's scheidden. Dit hebt u duidelijk beschreven o allergrootste. Wat betreft dit onderwerp van studie wil ik graag alles weten over de afmetingen en kenmerken in kwestie. (3) Met voor ogen de materiële kwaliteiten van de Allerhoogste Heer die - ondanks dat Hij Zelf vrij is van de geaardheden - de stoffelijke gedaante aannam [van het universum], is de geest er klaar voor zich te concentreren op Zijn meer subtiele gedaante in de vorm van het licht van de ziel [die staat voor] de allerhoogste geestelijke bestaansvorm. O beste leraar, zou u zo vriendelijk willen zijn te vertellen hoe Hij die bekend staat als de Grote Heer Vâsudeva, als iets aanwijsbaars [tat] kan worden verstaan.'

(4) De rishi zei: 'O grote Koning, er zijn eindeloos veel transformaties van de materiële kwaliteiten [de guna's] van de Allerhoogste Heer. Hoewel zelfs niet een persoon die zo lang leeft als Brahmâ in staat is het in woorden uit te drukken of geheel te begrijpen, zal ik niettemin proberen om dat wat vanuit het ongemanifesteerde zich manifesteerde [als Bhûloka, onze aardse leefwereld] te verwoorden in termen van namen, vormen en verhoudingen. (5) De breedte van dit gebied rondom de aarde [ons materiële 'eiland'], deze binnenruimtelijke werveling van de zich in de nacht ontvouwende lotusbloem [van het sterrenstelsel] die net zo rond is als een lotusblad, bedraagt een schrikwekkend aantal yojana's [of lichtjaren zoals we dat tegenwoordig zeggen*]. (6) Daarin treft men negen onderverdelingen aan [één centraal gebied en acht perifere 'gebieden gescheiden door bergen', z.g. varsha's] van negen keer duizend yojana's die keurig zijn gescheiden door acht afgrenzingen van steen ['bergketens', 'spiraalarmen' of giri]. (7) Onder dezen bevindt zich een gebied in het centrum genaamd Ilâvrita dat er helemaal goud uitziet en bekend staat als de beroemdste aller bergen, de berg Meru. Dat gebied strekt zich zo ver naar boven uit als in de breedte en vormt van dit lotusgelijk ontvouwen universum het zaadbeginsel dat tweeëndertigduizend yojana's breed is aan de basis met een top die zowel zestienduizend yojana's omhoog reikt als naar beneden [volgens de moderne astronomie is ons sterrenstelsel ongeveer zevenduizend lichtjaren dik].

(8) Naar het noorden toe en nog verder ten noorden van Ilâvrita strekken zich [geprojecteerd op de aardbol] de een na de ander drie berggebieden uit genaamd Nîla, S'veta en S'ringavân, die ieder ééntiende minder hoog zijn in hun afbakenen van de varsha's Ramyaka, Hiranmaya en Kuru. Zij strekken zich over tweeduizend yojana's uit tot de Kshâroda oceaan in de oostelijke en westelijke richting [de 'zoute']. (9) Zo ook bevinden zich ten zuiden van Ilâvrita de Nishadha, Hemakûtha en Himâlaya berggebieden die duizenden yojana's groot zijn en daarbij eenzelfde aantal varsha's afbakenen die Hari, Kimpurusha en Bhârata worden genoemd. (10) Op dezelfde manier bevinden zich ten westen en ten oosten van Ilâvrita de twee afscheidingen van de Mâlyavân en de Gandhamâdana berggebieden die zich over tweeduizend yojana's uitstrekken tot aan de bergen de Nîla en de Nishadha. Ze vormen de begrenzing van de varsha's genaamd Ketumâla en Bhadrâs'va. (11) De bergen genaamd de Mandara, Merumandara, Supârs'va en de Kumuda vormen aan vier kanten een gordel rondom Meru die zich massief voor vele, vele yojana's uitstrekt. (12) Op deze vier bergen treft men er staand als vlaggenmasten, verspreid over wel duizend yojana's, vier soorten van de beste bomen aan: de mango, de roosappel, de kadamba en de banyan. Met hun takken bedekken ze honderden yojana's.  (13-14) Er bevinden zich daar vier meren van het zuiverste water, melk, honing, en suikerrietsap waarvan drinkend de halfgoden [de Apsara's, Gandharva's, Cârana's, Kinnara's etc.] een natuurlijke beheersing bezitten van de yogavermogens o beste der Bharata dynastie. Ook zijn er vier tuinen genaamd Nandana, Caitraratha, Vaibhrâjaka en Sarvatobhadra. (15) Aldaar houden de betoverde en betoverende echtgenotes van de machtige halfgoden, wiens heerlijkheden samen met die van hun partners door de mindere goden worden bezongen, zich bezig met hun spel en vermaak. (16) Op de hellingen van de Mandara vallen, op elfhonderd yojana's van de top, van de mangoboom genaamd de Devacûta de vruchten naar beneden die zoet als nectar zo groot zijn als bergtoppen. (17) Van de opengebarsten mango's vloeit in grote hoeveelheden het roodgekleurde sap dat zeer zoet en geurig is, vermengd als het is met andere aroma's. Het komt van de top van de berg Mandara in het oosten van Ilâvrita-varsha naar beneden in een rivier genaamd de Arunodâ. (18) De wind in aanraking met de ledematen van Bhavânî [de vrouw van S'iva], haar dienstmaagden en de kuise vrouwen der Yaksha's [S'iva's volgelingen] die dit water gebruiken, geurt daardoor voor wel tien yojana's in de wijde omtrek. (19) Zo ook vloeit het sap van de roosappelvruchten die zo groot als olifanten met hun kleine zaden in stukken zijn gebarsten door op zo'n tienduizend yojana's vanaf de top van de Merumandara op de grond te vallen, naar beneden in een rivier genaamd de Jambû-nadî die stroomt door het gehele zuidelijke gebied van Ilâvrita. (20-21) De modder van de beide oevers, die volledig doordrenkt is met dat sap, levert opgedroogd onder de invloed van de wind en de zon voortdurend [een soort van] goud op genaamd Jâmbû-nada. Het wordt gebruikt door de bewoners van de hemel en verschaft de eeuwig jeugdige echtgenotes van de halfgoden allerlei soorten van sieraden in de vorm van gordels, diademen, armbanden en zo meer. (22) Maar van de grote kadamba op de helling van de Supârs'va berg, vloeien uit de holten vijf meters brede stromen van honing [vijf vyâma's van ongeveer anderhalve meter breed] die van de top van die berg naar beneden komen en de gehele westelijke kant van Ilâvrita doordringen met hun geur. (23) Die stromen parfumeren zoet, middels de adem stammend van de monden van hen die ervan dronken, de lucht over een afstand van honderd yojana's. (24) Zo ook stromen van de top van de berg de Kumuda waarop een banyanboom groeit die met zijn dikke stammen de S'atavals'a ['honderdstam'] wordt genoemd, grote rivieren in de noordelijke richting van Ilâvrita. Ze brengen geluk met het vervullen van alle verlangens door een overvloed aan melk, yoghurt, honing, geklaarde boter, stroop, graan enzovoorts met zich mee te brengen, zowel als een zekere weelde aan kledij, beddengoed, zitplaatsen, sieraden en meer van dat alles. (25) Die burgers die gebruik maken van deze zegeningen krijgen nooit of te nimmer te maken met rimpels, grijs haar, vermoeidheid, slecht ruikende transpiratie, ouderdom, ziekten, een vroegtijdige dood, kou of hitte, een afnemende luister of met welke soort van ellende en lijden dan ook. Hun ganse leven zijn ze van niets dan een onbegrensd geluk.

(26) Als de helmdraden van een lotus wervelt zich rondom de voet van de berg Meru een schikking van twintig of meer bergpieken die namen dragen als de Kuranga, Kurara, Kusumbha, Vaikanka, Trikûtha, S'is'ira, Patanga, Rucaka, Nishadha, Sinîvâsa, Kapila, S'ankha, Vaidûrya, Jârudhi, Hamsa, Rishabha, Nâga, Kâlañjara en de Nârada. (27) De berg Meru met zijn gouden schittering als vuur, wordt omgeven door acht bergen waarvan de twee in het oosten de Jathhara en de Devakûtha worden genoemd, de twee in het westen de Pavana en de Pâriyâtra, de twee in het zuiden de Kailâsa en de Karavîra en de twee in het noorden de Tris'ringa en de Makara.  Ieder hebben ze een omvang van tweeduizend yojana's, terwijl ze samen zo'n achttienduizend vierkante yojana's bestrijken. (28) Op de top van de berg Meru bevindt zich in het midden de thuishaven, de stad van de meest machtige uit zichzelf geboren Heer [Brahmâ], die zich naar alle zijden voor vele duizenden yojana's uitstrekt en waarvan de wijzen zeggen dat ze geheel van goud is [onze melkweg doet dat voor zo'n zesentwintigduizend lichtjaren naar het centrum toe met een diameter van 40 tot 60 duizend lichtjaren, vergelijk vers 7]. (29) Rondom die kern worden in iedere richting de acht steden van de heersers over de planetaire systemen aangetroffen die vier keer zo klein als ze zijn ook zo'n vorm hebben (**).'

*: De yojana is een Vedische maat voor een grote afstand die oorspronkelijk staat voor een lengte van kilometers die men aflegt voordat men zijn paard weer uit moet spannen. In de praktijk komt dat neer op een afstand van 3 tot 9 mijl ofwel ±5 tot 14.5 km. Maar gebruikt in verhoudingen van kosmische afstanden komt de maat soms neer op een lichtjaar.

**: De plaats van Brahmâ wordt Manovatî genoemd, en die van zijn assistenten zoals Indra en Agni staan bekend als Amarâvatî, Tejovatî, Samyamanî, Krishnânganâ, S'raddhâvatî, Gandhavatî, Mahodayâ en Yas'ovatî.


 Hoofdstuk 17: Hoe de Ganges naar Beneden Komt

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen de incarnatie van Heer Vishnu, die rechtstreeks de genieter van alle offers is, Zijn tweede stap nam [als Heer Vâmana, zie 2.7: 17], stootte Hij met de nagel van de grote teen van Zijn linker voet door het hemeldak van het universum. De stroom water die van buiten door het gat naar binnen kwam vernietigt, roze gekleurd door het wegwassen van het rode poeder van Zijn lotusvoeten, de zonden van de hele wereld die ermee in aanraking komt. Het daalde, na een zeer lange tijd ['duizend millennia'], uit de hemel neer bovenop de plaats, op de hoogste leefwereld, die ze het toevluchtsoord van Vishnu noemen. Omdat het rechtstreeks van de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer afkomstig is wordt het omschreven als volkomen zuiver en krijgt het om die reden die naam [de Ganges als de Vishnupadî]. (2) Aldaar, op die plaats, baadt onze meest verheven en vast overtuigde toegewijde, de beroemde zoon [Dhruva, zie 4: 8] van Uttânapâda, zich in het water van de lotusvoeten van de familiegodheid. Met zijn hart diep verzonken in een intense ijver neemt zijn spontane toewijding voor de Heer voortdurend toe en laten tranen zich in zijn twee bloemgelijke, halfopen ogen zien als symptoom van de extase in zijn lichaam. Zelfs vandaag nog aanvaardt hij met grote eerbied het voortgebrachte water op zijn hoofd dat vrij is van alle smetten. (3) Na hem [bereikten de wateren] de zeven wijzen [Marîci, Vasishthha, Atri en zo verder, zie 3.12: 22]. Zij, die wel bekend zijn met deze zegening, dragen het vandaag nog met de grootste eer op hun samengeklitte haar. Ze beschouwen het als de allerhoogste vervolmaking van alle boetedoeningen om in bhakti-yoga in die mate van een onafgebroken, toegewijde dienst te zijn jegens de Allerhoogste, Alomtegenwoordige Heer Vâsudeva. Zoals andere mensen een andere [nirvis'esha-vâd of onpersoonlijke] bevrijding zoeken en vinden, bereiken zij hun doel door af te zien van alle andere manieren [zoals door economische ontwikkeling, het regelen van de zinsbevrediging of door religie]. (4) Als het water, in haar neergang in het bereik van de goden, de sfeer van de maan heeft omspoeld waar het zo druk is vanwege hun duizenden en miljoenen vimâna's [de grote paleizen, de verschillende gezichtspunten of hemelse voertuigen], valt het vervolgens neer op de verblijfplaats van Brahmâ. (5) Daar verdeelt het zich in vier stromen, genaamd de Sîtâ, de Alakanandâ, de Cakshu en de Bhadrâ die in de vier windrichtingen wegstromend uitmonden in het grote vergaarbekken, de oceaan.  (6) De Sîtâ die haar oorsprong vindt in de stad van Brahmâ, stroomt van de toppen van de Kesarâcala en van andere grote bergen naar beneden. Neerkomend op de top van de berg Gandhamâdana mondt ze, zich in westelijke richting bewegend door de provincie Bhadrâs'va, uit in de zilte oceaan. (7) Op dezelfde manier naar beneden komend van de top van de Mâlyavân stroomt het water van de Cakshu vervolgens ongehinderd in de richting van Ketumâla om aldaar in de oceaan in het westen uit te komen. (8) De Bhadrâ, die van de berg Meru naar beneden komt stroomt in de noordelijke richting vanaf de S'ringavân langs de ene bergpiek na de andere door het gehele gebied van Kuru om vervolgens in de oceaan in het noorden te belanden. (9) Zo ook passeert de Alakanandâ [tak van de Ganges] naar beneden stromend aan de zuidelijke kant van Brahmapurî [de berg Meru] vele bergtoppen om met een groter, heftiger geweld de bergen de Hemakûtha en de Himakûtha te bereiken om [daarna] Bhârata-varsha te doorsnijden op weg naar de oceaan in het zuiden. Voor iemand die komt om in het water te baden is het met iedere stap die hij doet niet moeilijk het resultaat te behalen van grote offers als de As'vamedha en de Râjasûya.  (10) Vele honderden andere rivieren en stromen bewegen zich door ieder van de vele landstreken en men behoort hen allen te beschouwen als dochters van de berg Meru.

(11)
Van al deze [negen] varsha's vormt het land dat bekend staat als Bhârata-varsha [India] het veld van handelen [kshetra] [waar men aan] zijn karma [werkt]. De overige andere acht varsha's zijn de hemelse oorden hier op aarde bestemd voor de bewoners van de hogere leefwerelden. Ze genieten er van de geneugten des levens op basis van de verdienste die ze opbouwden met deugdzaam handelen. (12) Duizenden jaren lang genieten ze daar allen, als waren ze goden, met lichamen als bliksemschichten die zo sterk zijn als olifanten. Jeugdig en vol van opwinding over een ruime mate aan seksueel genot en andere zinsgenoegens, gaan ze als man en vrouw verbintenissen aan en verwekken ze, aan het eind van hun liefdesrelatie, een kind. Ze kennen er tijden van harmonieus leven zoals die er waren in Tretâ-yuga [de periode waarin de mensen vroom leefden]. (13) In ieder van die landen schort het de godgelijke leiders dankzij hun deugdelijke staat van dienst nimmer aan achting en offergaven. Gedurende alle seizoenen zijn er bossen bloemen zowel als vruchten waarvan de takken zwaar doorbuigen. De tuinen bij hun vele goddelijke toevluchtsoorden staan vol met de prachtigste bomen en klimplanten. En er zijn veel meren met kristalhelder water in de dalen van de berggebieden die hun landen afbakenen. In die meren treft men allerhande geurige, frisse lelies aan met zoemende hommels, gretige grote zwanen, eenden, kraanvogels en andere watervogels. Ze genieten daar van allerlei watersporten terwijl ze lustig glimlachend met hun speelse blikken de aantrekkelijke godgelijke vrouwen het hof maken die zich er vrijelijk vermaken in de grootste vreugde, met een gretig oog en een betoverde geest.  (14) De Allerhoogste Heer Narâyâna, de grote persoonlijkheid, toont in al deze negen varsha's zeker Zijn genade voor Zijn toegewijden door persoonlijk de werkelijkheid van de ziel te bevorderen [middels zijn vier gedaanten van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha, zie 4.24: 35-36]. Tot op de dag van vandaag houdt Hij zich aldus op in de nabijheid van Zijn toegewijden om hun diensten te aanvaarden (*). 

(15)
In Ilâvrita-varsha is de Grote Heer S'iva de enige man. Iedere andere man behalve hij die dat allerbeste gebied wil betreden, zal erachter komen wat tot de vloek van Bhavânî [Zijn echtgenote] leidt en in een vrouw veranderen. Daarover zal ik later uitweiden [zie 9.1]. (16) In het gezelschap van Bhavânî bevinden zich tien biljoen vrouwen die de in vieren geëxpandeerde Opperheer [zie 1.5: 37] steeds van dienst zijn. De vierde expansie van de Allerhoogste Heer die bekend staat als Sankarshana, vormt de bron voor Zijn gedaante in de geaardheid duisternis. Heer S'iva die in trance mediteert op Hem, roept Hem in zijn hart door in aanbidding het volgende te reciteren(17) De machtige Heer zegt: 'U breng ik mijn eerbetuigingen o Allerhoogste Heer, o grootste Oorspronkelijke Persoonlijkheid en reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten, o U die ik vereer als de onbegrensde en ongeziene in deze wereld. (18) O aanbiddelijke wiens voeten alle gevaar afwenden, U, dankzij wie we al de verschillende vormen van weelde hebben, bent de allerbeste, de uiteindelijke toevlucht van onschatbare waarde voor de toegewijden tot wiens tevredenheid U zich manifesteert in verschillende gedaanten. Ik bezing Uw heerlijkheid, U die een einde maakt aan de herhaling van geboorte en dood, U, de Allerhoogste Heerser die de oorsprong van de schepping bent. (19) Wie van ons die niet het geweld van zijn woede de baas is en de ambitie koestert zijn zinnen te beheersen met het meesterschap van de blik die U werpt, zou nu niet van aanbidding zijn voor U? Uw visie wordt nimmer, nog niet in de geringste mate, vertroebeld door de rusteloze geest die men heeft vanwege de kwaliteiten van de begoochelende wereld. (20) Voor een persoon met een onzuivere blik lijkt U met Uw bloeddoorlopen ogen iemand te zijn die onder de invloed van mâyâ verkerend beschonken is omdat hij teveel van de honingzoete likeur heeft gedronken. Maar [zo iemand is net zo onzuiver als b.v.] de echtgenotes van die duivel van een slang [Kâliya, zie 10.16] die U niet meer konden aanbidden uit verlegenheid over het feit dat ze sensueel opgewonden raakten door het beroeren van Uw voeten. (21) Door U, zo zeggen al de wijzen, wordt de wereld in stand gehouden, geschapen en vernietigd, terwijl U Zelf vrij van die drie [geaardheden] bent. Voor U als de Onbegrensde, zijn de universa die zich bevinden op de honderden en duizenden van Uw kragen, niet zwaarder dan een mosterdzaadje. (22-23) Uit U kwam de eerste belichaming der guna's voort, hij die nimmer werd geboren en de machtigste is [Heer Brahmâ], het reservoir van alle wijsheid, de kosmische intelligentie die staat voor de totale energie van het universum. Uit hem werd ik [Rudra] geboren die, uitgerust met de drie geaardheden, vanuit mijn materiële [ahankâra ego]vermogen de halfgoden, de [vijf] materiële elementen en de zintuigen gestalte geef. Wij die onder Uw controle staan - de grote persoonlijkheden, ik, de halfgoden, de vijf elementen, de zinnen en de totale energie - zijn aan U gebonden als vogels aan een touw en vormen allen tezamen bij Uw genade deze materiële wereld. (24) Een persoon verbijsterd door de kwaliteiten van de schepping weet niet hoe hij moet ontkomen aan zijn gevangenschap in deze begoochelende energie die hem bij iedere gelegenheid verstrikt in karmische bezigheden. Die Allerhoogste Persoon, U in wie alles zijn begin en einde vindt, bied ik mijn respectvolle eerbetuigingen.'

*: In sommige van de sâtvata-tantras, vind men een beschrijving van de negen varsha's wat betreft de heersende Godheid die in ieder van hen aanbeden wordt: (1) Vâsudeva, (2) Sankarshana, (3) Pradyumna, (4) Aniruddha, (5) Narâyâna, (6) Nrisimha, (7) Hayagrîva, (8) Mahâvarâha, en (9) Brahmâ.

 

Hoofdstuk 18: Gebeden tot de Verschillende Avatâra's

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Dharmarâja die bekend staat als Bhadras'ravâ, aanbidt samen met de leidende edelen en de bewoners van Bhadrâs'va-varsha, rechtstreeks op dezelfde manier [als Heer S'iva] de Allerhoogste Heer Vâsudeva in Zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie: Zijn incarnatie als Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend zingen zij, verzonken in de bovenzinnelijkheid, het volgende. (2) De heerser Bhadras'ravâ en de zijnen zeggen: 'Mijn eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer die we aanbidden omdat Hij  de bron van alle religieuze beginselen is en ons zuivert van alle materiële smetten. (3) Helaas! Hoe wonderlijk zijn de wegen van de Heer. Ook al is iemand er zeker van dat hij voor de dood komt te staan toch ziet hij dit niet in en denkt hij aan materieel geluk. Als hij verkeerde dingen doet probeert hij te genieten en als hij zijn vader of zijn zoons cremeert wenst hij zich het eewige leven. (4) De grote wijzen houden traditioneel vast aan hun standpunt dat het universum vergankelijk is en ook de filosofen en de geleerden die hun ware zelf zien en kennen stellen dat. Niettemin raken ze bevangen door illusie o Ongeborene, bevangen door Uw uitwendige energie, Uw wonderbaarlijke wegen. U die Ongeboren Ene, breng ik mijn eerbetuigingen. (5) De Vedische geschriften stellen dat U losstaat van Uw activiteiten van de schepping, handhaving en beëindiging van het ganse universum. Dat U niet door hen wordt beroerd, wekt bij ons echter geen verbazing daar we zijn verenigd in U, de oorspronkelijke oorzaak aller oorzaken en essentie [dan wel oersubstantie] die er in alle opzichten los van staat. (6) Aan het eind van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon [de demon Madhu] en [ze terughalend] van de laagste werelden werden ze door U, de gedaante aannemend van half een paard, half een mens, [Hayagrîva] weer teruggegeven aan de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg. Voor Hem, U wiens besluit nimmer faalt, breng ik mijn eerbetuigingen.'

(7) In Hari-varsha bevindt zich eveneens de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten Prahlâda hoogst bevredigende gedaante aannam, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, vastberaden toegewijde dienst en zij aanbidden Hem met deze lofprijzing: (8) 'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U neer,  ik breng de macht aller macht die U bent mijn eerbetuigingen. AlstUblieft manifesteert U zich volledig, o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn. Neem alstublieft het verlangen het onware te genieten weg o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen. Mogen we met mijn offerande vrij zijn van alle angst, ik bidt U o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen. (9) Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, moge alle ondeugd de deugd vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en moge de geest rust vinden. Geef ons de ervaring van de Heer in het voorbije, geef onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven. (10) Laat er niet langer de gehechtheid zijn aan het hebben van een huis, een echtgenote, kinderen, een banksaldo, vrienden en verwanten, maar laat ons omgaan met personen die de Heer koesteren, personen die genoegen nemen met het hoogst noodzakelijke en die - in tegenstelling tot hen die de zinnen koesteren - er snel in slagen tot zelfverwerkelijking te komen. (11) De ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging verdrijft met de macht van een constant vermogen de onzuiverheden uit het lichaam en de geest van hen die erin slaagden regelmatig met elkaar om te gaan en in contact te staan met de heilige plaatsen [tempels, heilige rivieren, bedevaartsoorden etc.]. Wie zou nu niet de Heer der Bevrijding dienen en zijn glorieuze daden [bespreken]? (12) In hen die de Fortuinlijke zonder nevenmotieven van dienst zijn manifesteren zich al de halfgoden en treft men alle goede kwaliteiten aan - maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die de Heer niet toegewijd is en met een drukke geest steeds gericht is op het tijdelijke van de buitenwereld? (13) Zo wenselijk als water is voor waterdieren, is de Allerhoogste Heer wenselijk als het ware zelf, de (Super)ziel, van alle belichaamde wezens. Als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht raken aan een huishoudelijk bestaan dat van een echtpaar op latere leeftijd dan de [hele] grootheid is [die werd bereikt]. (14) Het huishoudelijk leven vormt de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood. Daarom moet men het opgeven [gehecht te zijn aan huis en haard] en daarmee de voeten van Heer Nrisimhadev aanbidden, de toevlucht der onbevreesdheid.'

(15) De Allerhoogste Heer verblijft in Ketumâla in de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] overeenkomstig Zijn verlangen de Godin van het Geluk te behagen alsook de over het land heersende zonen [de dagen] en dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten zijn in een mensenleven. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, vinden hun vernietiging en worden na een jaar uit [de baarmoeder] gedreven als miskramen. (16) Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken, lichtelijk geheven, aantrekkelijke wenkbrauwen en de charme van Zijn lotusgelijke gezicht de Godin van het Geluk en alle zinnen. (17) Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin der Schittering in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de echtgenoten van aanbidding zijnde voor Hem, het volgende gebed aan: (18) 'O Heer, hrâm hrîm hrûm [een mantra ter verzoening], met achting voor al Uw kwaliteiten en eigenschappen betuig ik U de eer, U de Allerhoogste Heer der zinnen, U de Ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie; de Ene die bekend staat als het zestienvoudige (van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest). U als de genieter van alle rituelen, de verschaffer van het voedsel, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Allesdoordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen en de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, geldt mijn eerbetoon - moge er altijd Uw goede geluk zijn! (19) Vrouwen in deze wereld vragen om een andere, zelfstandiger echtgenoot door Uw persoon de Heer der Zinnen gunstig te stemmen middels heilige geloften, omdat de afhankelijke echtgenoten niet in staat  zijn het teerbeminde nageslacht, de weelde en het leven van deze vrouwen te beschermen. (20) Die man zou een echtgenoot zijn die onbevreesd en zelfvoorzienend volledig in staat is bescherming te bieden. U bent die persoon [die van niemand afhankelijk is] want anders zouden mensen bang voor elkaar zijn [in hun afhankelijkheid]. Niets anders wordt in deze wereld zo hoog geacht als het bereiken van U. (21) Een vrouw die, met dat idee van U voor ogen, ijverig Uw lotusvoeten aanbidt, wordt door U, ondanks al de verlangens waar ze aan verslaafd is, beloond voor enkel dat ene verlangen; maar als ze het wenst U te aanbidden terwijl ze op iets anders uit is o Allerhoogste Heer, zal ze aldus gebroken [hebbend met de oorspronkelijke bedoeling], pijn ondervinden. (22) Om de genade van mij [de Godin van het Geluk] te verwerven onderwerpen de ongeborene [Brahmâ], de machtige meester [Îs'a ofwel S'iva], de andere goden zowel als de onverlichte zielen zich aan zware boetedoeningen, maar omdat ik mijn hart altijd in U heb, zal niemand met een geest die is ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven tenzij hij met hart en ziel Uw voeten van dienst is o Onoverwinnelijke. (23) Ik bidt dat U o Onfeilbare, Uw aanbiddelijke lotushand die U legde op de hoofden van de toegewijden ook op mijn hoofd legt. U draagt mijn merkteken op Uw borst o Aanbiddelijke, maar dat is misleidend [dat verzekert me nog niet van Uw genade]. Wie kan nu met redeneren en argumenteren doorgronden wat de motieven van U, de Allerhoogste Heer zijn?'

(24) In Ramyaka werd Hij in het verleden door [Vaivasvata] Manu [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] aanbeden als de belangrijkste, de Allerhoogste Persoon in de gedaante van Matsya, de vis-incarnatie. Hij, de heerser van dat land is zelfs vandaag de dag nog in zijn toegewijde dienst van het volgende gebed: (25) 'De Allerhoogste Heer in Zijn eerste verschijning [als de mantra AUM] breng ik mijn eerbetuigingen. Hem betuig ik de eer, de zuivere goedheid, de oorsprong van het leven, de bron der vitaliteit, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht in de gedaante van de grote vis. (26) Onzichtbaar voor het oog van de leiders van de verschillende werelden, bent U zowel vanbinnen als vanbuiten aanwezig en klinken luid Uw geluiden [de mantra's] waardoor de mens, aangeduid met zijn verschillende [varnâs'rama] benamingen [voor status en beroep], als een ledenpop onder Uw controle wordt gebracht o Allerhoogste Heer. (27) De leiders van de wereld lijden in de politiek onder de koorts der afgunst. Zij, die afzonderlijk dan wel tezamen los van U hun plannen uitvoeren, trachten ook bescherming te bieden, maar ze zijn daar niet toe in staat, welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft. (28) O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten medicinale kruiden, aan het einde van de Yuga zich in de onstuimige golven van het water der vernietiging bevond, was U met al Uw macht snel aanwezig voor [de redding van] haar en mij o Ongeborene. U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum, biedt ik daarom mijn respectvolle eerbetuigingen [zie ook 8.24].'

(29) Verblijvend in Hiranmaya manifesteert de Allerhoogste Heer zich in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Aryamâ, de leider der voorvaderen, aanbidt tezamen met de mensen van die landstreek, die meest geliefde belichaming van Hem met het zingen van de volgende lofzang. (30) 'Mijn Heer wij betuigen U, de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, de eer. U bent de belichaming van alle goede kwaliteiten, keer op keer brengen wij U onze eerbetuigingen wiens positie niet te bepalen is, U die de allergrootste bent, Hij die tot overal reikt en de toevlucht van allen is. (31) Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw creatieve vermogen en dat gekend wordt in zo vele verschijningsvormen, gaat iedere inschatting te boven en kunnen we daardoor niet waarnemen zoals hij is - voor U, wiens eigenlijke gedaante niet in woorden uit te drukken is, ons eerbetoon. (32) Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; wat er is als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen, de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten, zijn allemaal verschillende noties van een en dezelfde [gedaante van U]. (33) Aan U, met al Uw talloze afzonderlijke namen, vormen en eigenschappen, ontlenen de geschoolden hun idee van getalsmatige verhoudingen, opsommingen en samenhangen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie. U die zich aldus analytisch laat doorgronden, biedt ik mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].'

(34) Ook in het noordelijke gebied genaamd Kuru is er de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, in Zijn zwijnengedaante [Varâha, zie 3.13]. Hij wordt daar telkens weer aanbeden door de  Godin en deze planeet aarde, tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, die constant ijveren voor Zijn toegewijde dienst. Bij die aanbidding herhaalt men de volgende versregels uit de Upanishad: (35) 'Wij brengen de Allerhoogste Heer onze eerbetuigingen die men begrijpt middels de verschillende mantra's voor het offeren, de rituelen en al de grote plechtigheden die deel uitmaken van Zijn lichaam. Die grote persoonlijkheid die ons zuivert van ons karma en die zich in al de drie [voorgaande] tijdperken manifesteerde, betuigen wij de eer. (36) Voor de grote geleerden vol van wijsheid vormt de materiële natuur met haar geaardheden Uw gedaante. Precies zoals vuur zich manifesteert in hout als men met een stok ronddraait, vinden zij in hun geestelijke onderzoekingen speurend naar de oorzaak U die verborgen blijft als men zich inspant voor resultaten, U, de zich manifesterende Ziel die ik mijn respect betoon. (37) Zij wiens intelligentie zich stabiliseerde, door zorgvuldig al de verschillende onderdelen van het yogasysteem in overweging te nemen, raken daardoor geheel bevrijdt van de mâyâ van Uw uiterlijke vorm, de illusie die wordt opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden [van de zon, de maan, het vuur etc.] die heersen over de zinnen, het lichaam, de geldende Tijd [de Heerser], degene die handelt [het ego] en de geaardheden der natuur, die men waarneemt als feitelijkheden. Voor die sublieme Ziel is er mijn herhaaldelijke eerbetoon. (38) U die er geen verlangens op na houdt met het handhaven, beëindigen en scheppen van het universum, U die in Uw supervisie met guna en mâyâ - zoals ijzer zich beweegt in de richting van een magneet - graag wil [zorgen voor de zielen] maar niet verlangt naar [Uw manifestatie], U die er bent als de getuige van de handelingen en de terugslagen, betuig ik de eer. (39) Voor Hem die in de oorspronkelijke gedaante van een everzwijn, speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander in het gevecht [Hiranyâksha zie 3.19], uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met mij, de aarde, op de toppen van Zijn slagtanden -  voor die Almachtige Heer maak ik een buiging.'

 

Hoofdstuk 19: De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha

(1) S'rî S'uka zei: 'In het land Kimpurusha is de verheven en grootste toegewijde Hanumân die enthousiast Zijn voeten dient, samen met de bewoners aldaar altijd bezig met het aanbidden van de Allerhoogste Heer Râmacandra, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die, als de oudere broer van Lakshmana, Sîtâ zo tevreden stemt.  (2) Samen met Ârshthishena [de leider van Kimpurusha] aandachtig luisterend naar de verhalen over zijn allergenadigste Heer en meester zoals die worden gezongen door een gezelschap van Gandharva's, bidt hij [Hanumân] zelf het volgende: (3) 'O mijn Heer, ik breng U, de Lieve Heer waarvan men spreekt in de geschriften, mijn eerbetuigingen. Al mijn respect voor U die behept bent met alle goede kwaliteiten die men ook aantreft bij de gevorderde toegewijden. Mijn trouw geldt U als de Ene die Zijn zinnen onder controle heeft en altijd herdacht en aanbeden wordt door de mensen uit alle windstreken. Mijn respectbetoon voor U als de toetssteen der kwaliteit voor iedere zoeker naar de waarheid. Ik buig me neer voor U, de grote persoonlijkheid en godheid der brahmanen, de Koning der Koningen. (4) Laat mij Hem aanbidden, die absoluut zuivere, allerhoogste waarheid, die ene maatstaf voor het begrijpen van de wereld die middels Zijn spiritueel vermogen de invloed van de geaardheden der natuur teniet doet. Hij is de innerlijke vrede der wijsheid die men voorbij aan naam en vorm, vrij van ego kan bereiken. (5) Geïncarneerd als een menselijk wezen was Hij er niet alleen maar als de Almachtige om de demon [Râvana] te doden. Hij was er ook om de sterfelijken van deze materiële wereld te onderrichten. Waarom zou er anders al de ellende zijn geweest van Sîtâ's gescheidenheid van Hem, de Allerhoogste Heer, dan [gelegenheid te bieden] om Hem te dienen die altijd innerlijk tevreden is, Hij, de oorspronkelijke geestelijke ziel? (6) Naar waarheid is Hij de Allerhoogste Ziel en beste vriend der zelfgerealiseerden die Zich nimmer hecht aan wat dan ook in de drie werelden. Hij is de Allerhoogste Heer Vâsudeva die in feite nimmer leed onder het gescheiden zijn van Zijn vrouw Sîtâ, net zomin als Hij ook niet van slag kon raken door [wat er met] Lakshmana  [Zijn broer en eeuwige metgezel gebeurde]. (7) Het is niet iemands geboorte, iemands geluk, iemands welbespraaktheid, iemands gevatheid of iemands lichaamsbouw wat de voldoening teweegbrengt van de Allergrootste, want de broeder van Lakshmana accepteerde zelfs ons bosbewoners die al die kwaliteiten missen als Zijn vrienden. (8) Derhalve, of men nu verlicht is of niet, een beest of een menselijk wezen, een ieder die van de ziel is behoort Râma te aanbidden, de allerbeste die zo makkelijk te behagen is, de Heer die als een menselijk wezen verscheen en zodoende de bewoners van Kosala [Ayodhyâ, noordelijk India] terug naar de hemel leidde.'

(9) De Allerhoogste Heer ook aanwezig in het land Bhârata wordt aldaar tot aan het einde van het millennium [*] gekend als Nara-Nârâyana. Hij wiens heerlijkheden ondoorgrondelijk zijn bewijst er Zijn grondeloze genade aan aspiranten van de zelfverwerkelijking die de verzaking beoefenen die zo bevorderlijk is voor de religie, de kennis der spiritualiteit, de onthechting, het meesterschap van de yoga, de controle over de zinnen en de vrijheid van vals ego. (10) De praktijk van de analytische yoga over hoe men de Persoonlijkheid van God dient te begrijpen zoals geformuleerd door de Heer [Kapila, zie 3.28 & 29], werd aan Sâvarni Manu uitgelegd door de fortuinlijke Nârada, die tezamen met de in Bhârata [India] levende navolgers van het systeem van statusoriëntaties [het varnâs'rama systeem, zie B.G. 4: 13], met grote liefde in vervoering de Heer dient terwijl hij uitroept: (11) 'Mijn respectvolle eerbetuigingen voor U o Heer, o meester der zinnen en verpersoonlijking van de vrijheid van gehechtheid. Alle eer aan U die het enige bezit vormt van een [uit gelofte] arm iemand. U Nara-Nârâyana, bent de meest verhevene van alle wijzen, de allerhoogste geestelijk leraar van al de paramahamsa's [de zwaan-gelijke gerealiseerde meesters] en de meester onder de zelfverwerkelijkten; keer op keer bewijs ik U aldus de eer.' (12) En hij zingt daarbij: 'U bent het wakend oog werkzaam in deze kosmische schepping, Hij die er niet aan hecht de meester te zijn, noch hebt U, ondanks Uw verschijnen als een menselijk wezen, te lijden onder honger, dorst en vermoeidheid. Ook raakt U die alles en allen overziet, in Uw visie nimmer vertroebeld door de kwaliteiten der materie. Ik breng U, de onthechte en zuivere, ondoorgrondelijke getuige, mijn eerbetuigingen. (13) Met het hebben opgegeven van het zich identificeren met het lichaam, moet men aan het einde van zijn tijd [van leven] met een houding van toewijding zijn geest richten op U die verheven bent boven de materiële kwaliteiten. Dit verzaken is de perfectie van de yogapraktijk zoals uiteengezet door de almachtige Brahmâ. (14) Een persoon gedreven door verlangen denkt in angst over het heden en de toekomst van zijn kinderen, echtgenote en weelde, maar een ieder die weet van de hopeloosheid van dit tijdvehikel, beschouwt dergelijke ondernemingen slechts als tijdverspilling omdat het lichaam uiteindelijk verloren gaat. (15) Daarom onze meester, o Heer in het voorbije, bidt ik dat we middels de [bhakti-]yoga jegens U zeer spoedig dit gefixeerde idee van 'ik' en 'mijn' kunnen opgeven wat betreft de banaliteit van dit voertuig van de tijd, deze begoochelende werkelijkheid van U die zo moeilijk los te laten is, zodat we onze oorspronkelijke aard kunnen verwerkelijken.'

(16) Ook in dit land Bhârata zijn er vele bergen en rivieren. Er zijn bergen als de Malaya, Mangala-prastha, Mainâka, Trikûtha, Rishabha, Kûthaka, Kollaka, Sahya, Devagiri, Rishyamûka, S'rî-s'aila, Venkatha, Mahendra, Vâridhâra, Vindhya, S'uktimân, Rikshagiri, Pâriyâtra, Drona, Citrakûtha, Govardhana, Raivataka, Kakubha, Nîla, Gokâmukha, Indrakîla en Kâmagiri, zowel als honderden en duizenden andere bergpieken van wiens hellingen talloze grote en kleine rivieren naar beneden stromen. (17-18) De bewoners van Bhârata-varsha vinden zuivering van geest, door deze wateren te beroeren [of in ze te baden] of door slechts hun naam te herhalen. De grote rivieren zijn de Candravasâ, Tâmraparnî, Avathodâ, Kritamâlâ, Vaihâyasî, Kâverî, Venî, Payasvinî, S'arkarâvartâ, Tungabhadrâ, Krishnâvenyâ, Bhîmarathî, Godâvarî, Nirvindhyâ, Payoshnî, Tâpî, Revâ, Surasâ, Narmadâ, Carmanvatî, Sindhu [de huidige Indus], de twee hoofdrivieren de Andha en de Sona, de Mahânadî, Vedasmriti, Rishikulyâ, Trisâmâ, Kaus'ikî, Mandâkinî, Yamunâ, Sarasvatî, Drishadvatî, Gomatî, Sarayû, Rodhasvatî, Saptavatî, Sushomâ, S'atadrû, Candrabhâgâ, Marudvridhâ, Vitastâ, Asiknî en de Vis'vâ. (19) In deze landstreek leiden de mensen die er hun geboorte namen uit goedheid, hartstocht [het 'rode'] of onwetendheid, een goddelijk, menselijk of hels leven overeenkomstig het karma dat ze opbouwden. Zo zijn er als gevolg van wat men in het verleden deed voor iedere ziel vele doelen afgebakend in de zin van verschillende [varnâs'rama] kasten [status-oriëntatiegroepen] die ieder [afzonderlijk] naar het pad van de bevrijding kunnen leiden. (20) Door toegewijde dienst te verrichten voor de Fortuinlijke, de Ziel van alle levende wezens - die vrij is van alle gehechtheid, niet in woorden te vangen is en nergens van afhankelijk is -, door zonder nevenmotieven de Superziel Vâsudeva te dienen en in bhakti-yoga dat te doen wat kenmerkend is voor al die verschillende [status]doelen, kan men aldus omgaand met de mensen [de toegewijden] van de Hoogste Persoonlijkheid van God, de oorzaak van de band der onwetendheid doorbreken.

(21) Dit is wat de halfgoden zingen: 'O, wat voor goede daden hebben deze mensen verricht of welke zegen heeft de Heer Zelf uitgesproken in Zijn tevredenheid over hen, dat ze een geboorte verwierven in het land Bhârata-varsha, een voor het dienen van Mukunda, de Heer gunstige geboorte die ons ideaal vormt? (22) Wat voor nut heeft het je bezig te houden met moeilijke rituelen, verzakingen, geloften, liefdadigheid of het bereiken van het koninkrijk der hemelen als men door een onbeteugelde zinnelijkheid de herinnering aan de lotusvoeten van Heer Nârâyana kwijt is geraakt? (23) Van grotere waarde dan het bereiken van een positie in het leven die eindeloos voortduurt en leidt tot herhaalde geboorten, is het geboren te worden in het land Bhârata voor een leven van slechts honderd jaar. Dat is zo omdat zij die, als een sterveling voor zo'n korte tijd bezig zijnde, hun geest aandachtig weten te fixeren [op Zijn voeten] in volledige onthechting [zo werkelijk het leven op zijn waarde weten te schatten en dan] de Heer Zijn hemelverblijf bereiken waar er geen angst bestaat. (24) Die plaatsen - zelfs die waar de goden zich ophouden - waar de zoete stroom van de gesprekken over Vaikunthha niet wordt aangetroffen, noch de toegewijden aanwezig zijn die, altijd bezig in Zijn dienst, bij Hem hun beschutting vinden, noch de uitvoering plaatsvindt van die offerplechtigheden voor de Heer die ware festiviteiten zijn, zijn plaatsen waar men niet steeds naar toe moet gaan. (25) Die zielen die, met het hier verworven hebben van een menselijke geboorte, geheel in kennis verkeren, in staat zijn tot handelen en de beschikking hebben over alle hulpmiddelen, zich ondanks deze verworvenheden niet inzetten voor de verheffing van het niet weer opnieuw geboren worden, vallen [net als vogels terug van de vogeltrek], weer terug in de gebondenheid. (26) Door hun geloof zijn ze verdeeld in de uitvoering van de rituelen. Met de offergaven die ze opdragen aan de godheid van hun voorkeur en het reciteren van de mantra's volgens de geijkte methode, wordt de Ene God met verschillende namen aangesproken. Hij, volkomen in Zichzelf, aanvaardt dat allergelukkigst daar Hij de verlener van alle gunsten is in eigen persoon [zie ook B.G. 7: 19-25]. (27) Hoewel Hij precies dat vergunt waarvoor de mens tot Hem bad, is Hij [voor een meerderheid] niet de verlener van de gunsten waar men telkens weer opnieuw om vraagt [B.G. 7: 3], want Hij schenkt persoonlijk, zelfs ongevraagd, aan hen die bezig zijn in Zijn dienst de lotusbloem van Zijn voeten die een einde maken aan alle verlangens. (28) Als er hier [na ons hemelgenoegen] nog enige verdienste rest van ons volmaakte offeren, perfecte formuleren en goede handelen, zegen ons dan met een geboorte in het land van Bhârata, het land dat ons inspireert de Heer in gedachten te houden die heerst over die plaats vanwaar, via de toegewijden, alle geluk zich uitbreidt.'

(29-30) S'rî S'uka vervolgde: 'Wat betreft het continent dat bekend staat als Jambûdvîpa o Koning [het Euraziatische continent, zie 5.1: 32], is er ook nog, zoals sommige geleerde wijzen dat beweren, sprake van acht kleinere dvîpa's [subsecties of provincies] die zich vormden door het rondwroeten in de aarde van de zoons van Mahârâja Sagara [het Indiase deel ofwel Bhârata-varsha], toen ze probeerden hun verloren gegane offerpaard weer terug te vinden [zie 9.8]. Ze dragen de volgende namen: Svarnaprastha, Candras'ukla, Âvartana, Ramanaka, Mandara-harina, Pâñcajanya, Simhala en Lankâ. (31) Aldus heb ik u uitgelegd wat de verdelingen van het land Jambûdvîpa zijn o beste van de nakomelingen van Bharata, precies zoals ze aan mij werden uitgelegd.'

 *:  Millennium verwijst hier niet naar een periode van duizend jaar maar van duizend mahâyuga's van 4320 miljoen jaar elk, een periode ook wel een kalpa genaamd die staat voor de duur van een dag uit het leven van Brahmâ dat zelf weer honderd jaar duurt.


Hoofdstuk 20: De Structuur van de Verschillende Dvîpa's en de Gebeden van hun Verschillende Bewoners

(1) S'rî S'uka zei: 'Laat me nu een beschrijving geven van de afmetingen, kenmerken en vorm van de onderverdelingen van Plaksha en de andere dvîpa's die men varsha's noemt [of landen, zie 5.1: 32]. (2) Zoals de berg Meru wordt omsloten door de dvîpa Jambû wordt die dvîpa zelf weer [zoals gezien van binnenuit] omringd door een zilte oceaan die net zo breed is. Die oceaan wordt, als een park rondom een gracht, omsloten door de dvîpa Plaksha die zich twee keer zo breed uitstrekt. Hij werd vernoemd naar de plakshaboom die net zo groot is als de jambû maar twee keer zo breed. Onder die boom die in zijn pracht schitterend ten hemel reikt, bevindt zich een vuur dat zeven vlammen telt. De heerser over die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Idhmajihva. Toen hij zich terugtrok voor de yoga der zelfrealisatie verdeelde hij zijn dvîpa in zeven varsha's die hij de namen gaf van zijn zeven zoons. (3-4) S'iva, Yavasa, Subhadra, S'ânta, Kshema, Amrita en Abhaya, zijn aldus de varsha's. Die hebben weer zeven verschillende rivieren en bergen. De zeven bergketens die de varsha's afbakenen staan bekend als Manikûtha, Vajrakûtha, Indrasena, Jyotishmân, Suparna, Hiranyashthhîva en Meghamâla. De hoofdrivieren zijn de Arunâ, Nrimnâ, Ângirasî, Sâvitrî, Suptabhâtâ, Ritambharâ en de Satyambharâ. Het beroeren van hun water wast de hartstocht en de duisternis weg van de vier soorten van mensen die men aldaar [overeenkomstig hun levensroeping] de Hamsa's, de Patanga's, de Ûrdhvâyana's en de Satyânga's noemt [de zwaangelijken, de heersers, de ambitieuzen, en de getrouwen]. Voor een duizendtal jaren leven ze daar als goden met de mooiste lichamen, krijgen er kinderen en voeren Vedische rituelen uit aan de hemelpoort. Daarbij aanbidden ze overeenkomstig de schriftuurlijke bepalingen de Allerhoogste Heer, de Superziel in de gedaante van de zonnegod als volgt: (5) 'Laten we onze toevlucht nemen tot Sûrya, de god van de zon die een manifestatie is van Heer Vishnu, de oorspronkelijke Ziel van de waarheid der rechtschapenheid, van Brahman en van het eeuwige leven en de dood.'

(6) Op Plaksha en de andere vier dvîpa's worden de mensen zonder uitzondering geboren met de volmaaktheden van een lang leven, een gezond verstand, lichamelijk en geestelijk uithoudingsvermogen, lichaamskracht, intelligentie en heldhaftigheid. (7) Omringd door een oceaan van suikerrietsap die net zo breed is, bevindt zich buiten Plakshadvîpa een andere dvîpa genaamd S'âlmala die twee maal zo groot is en omringd wordt door een oceaan van drank [of wijn; surâ*]. (8) Die dvîpa ontleent zijn naam aan de s'âlmalîboom die net zo groot is als een plakshaboom en daarin, zo zegt men, huist Garuda de draagvogel van Vedische gebeden jegens Heer Vishnu. (9) De meester van die dvîpa is de zoon van Priyavrata genaamd Yajñabâhu. Hij verdeelde hem in zeven varsha's overeenkomstig de namen van zijn zoons: Surocana, Saumanasya, Ramanaka, Deva-varsha, Pâribhadra, Âpyâyana en Avijñâta. (10) De zeven bergen staan bekend onder de namen de Svarasa, S'atas'ringa, Vâmadeva, Kunda, Mukunda, Pushpa-varsha en de Sahasra-s'ruti. De zeven rivieren heten de Anumati, de Sinîvâlî, de Sarasvatî, de Kuhû, de Rajanî, de Nandâ en de Râkâ. (11) De mensen die in die varsha's leven staan bekend als de S'rutadhara's, Vîryadhara's, Vasundhara's en Ishandhara's [zij die luisteren, heldhaftig zijn, van de weelde zijn en gehoorzaam zijn]. Goed doorkneed in de Vedische kennis, aanbidden zij de Allerhoogste Heer in de gedaante van Soma-âtmâ ['het ware zelf van de offerdrank' ofwel de maangod]: (12) 'Met zijn straling verdeelt hij de tijd in de lichte en donkere periode van de maand [s'ukla en krishna].  Moge hij, die goddelijkheid van de maan en het graan dat moet worden verdeeld onder de voorvaderen en de goden, moge die koning aller mensen ons goedgezind blijven.'

(13) Daaropvolgend is er buiten die oceaan van drank de dvîpa genaamd Kus'a die, zoals met de dvîpa ervoor, twee maal zo groot is en omringd wordt door een zee van ghee die even breed is. Het kus'agras daar geschapen door God gaf die dvîpa zijn naam omdat door de gloed van het jonge ontspruitende gras alle richtingen worden verlicht als was het een ander soort vuur. (14) De zoon van Mahârâja Priyavrata genaamd Hiranyaretâ o Koning, verdeelde als de meester van dat eiland, toen hij zich terugtrok voor zijn boete, de dvîpa onder zijn zeven zoons met de namen Vasu, Vasudâna, Dridharuci, Nâbhigupta, Stutyavrata, Vivikta en Vâmadeva. (15) De zeven berggebieden van die varsha's zijn de Cakra-, Catuhs'ringa-, Kapila-, Citrakûtha-, Devânîka-, Ûrdhvaromâ- en de Dravinabergen en de zeven rivieren zijn de Ramakulyâ, de Madhukulyâ, de Mitravindâ, de Srutavindâ, de Devagarbhâ, de Ghritacyutâ en de Mantramâlâ. (16) Aan die wateren aanbidden de bewoners van Kus'advîpa genaamd de Kus'ala's, Kovida's, Abhiyukta's en de Kulaka's [ofwel de graszitters, de ervarenen, de concurrenten en de handwerkslieden], bedreven in de rituelen de Allerhoogste Heer in de gedaante van de vuurgod Jâtaveda ['hij die het loon toekent']: (17) 'Van al de halfgoden van het allerhoogste Brahman die de ledematen vormen van de Oorspronkelijke Persoon, bent u o god van het vuur, degene die persoonlijk de offergaven van ghee en granen [aan de Heer] overdraagt. [Alstublieft aanvaard] daarom ons offer voor de Hoogste Persoonlijkheid van God.'

(18) Net zoals Kus'advîpa wordt omringd door een oceaan van ghee, wordt Krauñcadvîpa daar weer buiten en twee keer zo groot, omringd door een oceaan van melk [of plantensap] van dezelfde afmeting. De dvîpa ontleent zijn naam aan de koning der bergen aldaar die Krauñca heet. (19) Hoewel Guha [de zoon van S'iva, Kârttikeya] er met zijn wapens de vegetatie kapot maakte, staat hij [die berg] daar onbevreesd omdat hij zich steeds baadt in de oceaan van melk en de bescherming geniet van de machtige Varuna [de halfgod van de zeeën]. (20) Ghritaprishthha, de zoon van Mahârâja Priyavrata, de heerser over die dvîpa gaf de zeven secties, de varsha's, de namen van zijn zeven zoons die hij, allen net zo machtig als hij, aanstelde als hun heersers. Daarna nam hij zijn toevlucht tot de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer Hari, de Ziel aller zielen, wiens heerlijkheden zo zegenrijk zijn. (21) Âma, Madhuruha, Meghaprishthha, Sudhâmâ, Bhrâjishthha, Lohitârna en Vanaspati waren de zonen van Ghritaprishthha en de zeven berggebieden werden gevierd als de S'ukla en de Vardhamâna, de Bhojana, Upabarhina, Nanda, Nandana en de Sarvatobhadrabergen. De zeven rivieren waren de Abhayâ, de Amritaughâ, de Âryakâ, de Tîrthavatî, de Rûpavatî, de Pavitravatî en de S'uklâ. (22) Geheiligd door te baden in het heldere water van al die rivieren aanbidden de bewoners van die varsha's genaamd de Purusha's, de Rishaba's, de Dravina's en de Devaka's [of de autentieken, de superieuren, de welvarenden en de sportieven], met gevouwen handen gevuld met water [de Heer in de gedaante van Varuna] de godheid van het water: (23) 'O water, macht van de Oorspronkelijke Persoon, u heiligt de aarde, haar leven, haar paradijs. Moge het beroeren van dit water, dat door zijn aard de geest van het kwaad vernietigt, onze lichamen zuiveren.'

(24) Voorbij die melkoceaan bevindt zich de dvîpa S'âka die 3.2 miljoen yojana's breed is. Hij wordt omringd door een oceaan van wei die even breed is en heeft zijn naam te danken aan een bijzonder geurige vijgenboom die over de hele dvîpa te ruiken is. (25) Een andere zoon van Priyavrata genaamd Medhâtithi is er de heerser. Ook hij verdeelde zijn dvîpa in zeven varsha's die hij de namen gaf van zijn zeven zonen Purojava, Manojava, Pavamâna, Dhûmrânîka, Citrarepha, Bahurûpa en Vis'vadhâra, die hij er aanstelde als hun leiders. Daarna ging hij het woud in om boete te doen met zijn geest verzonken in de oneindigheid van de Allerhoogste Heer. (26) De zeven bergen die de begrenzing vormen van de varsha's zijn de Îs'âna-, Urus'ringa-, Balabhadra,- S'atakesara-, Sahasrasrota-, Devapâla- en de Mahânasabergen en de zeven rivieren zijn de Anaghâ, de Âyurdâ, de Ubhayasprishthi, de Aparâjitâ, de Pañcapadî, de Sahasra-s'ruti en de Nijadhriti. (27) De mensen van die varsha's, de Ritavrata's,  Satyavrata's, Dânavrata's en Anuvrata's [de varna's der godvrezenden, de gezworenen der waarheid, de verschaffers en de volgzamen] zuiveren zich van hun hartstochten en onwetendheid middels de praktijk van het reguleren van de ademhaling die beheerst wordt door de halfgod Vâyu. Verzonken in het bovenzinnelijke aanbidden ze hem als de vertegenwoordiger van de Hoogste Persoonlijkheid met: (28) 'U die alle levende wezens binnengaat bent de ene Superziel vanbinnen, de rechtstreekse heerser die handhaaft middels de functies van de adem. Alstublieft leidt ons, daar u over de gehele kosmos heerst.'

(29)
Zo ook is er buiten die oceaan van wei weer een andere dvîpa genaamd Pushkara die twee keer zo groot is als de voorgaande en van buiten wordt omringd door een even zo grote oceaan van zoet water. Daar bevindt zich een zeer grote lotusbloem die wel 100 miljoen bloembladen van puur goud heeft die zijn als de vlammen van een laaiend vuur. Die lotus houdt men voor de zetel van de almachtige Heer van de Lotus [Brahmâ]. (30) Op die dvîpa treft men een bergketen aan genaamd Mânasottara die de scheiding vormt tussen de varsha's aan de binnenkant en de buitenkant. Hij herbergt, met een afmeting van 10.000 yojana's hoog en breed, in zijn vier richtingen de woonplaatsen van de vier daar heersende halfgoden [Indra, Yama, Varuna en Soma]. Op zijn hoogste punt wordt de berg Meru omkruist door het voertuig van de zonnegod Sûrya in een baan die gerekend naar de dagen en nachten van de halfgoden [**] bestaat uit een heel jaar. (31) De heerser van die dvîpa, ook een zoon van Priyavrata met de naam Vîtihotra, vernoemde de twee varsha's daar naar zijn twee zoons Ramanaka en Dhâtaki en stelde hen aan als hun heersers toen hij, net zoals zijn andere broers dat deden, zich beperkte tot deugdzame daden om de Opperheer te behagen. (32) De mensen van die landen aanbidden voor de vervulling van hun wensen met rituele handelingen de Allerhoogste Heer in de gedaante van Heer Brahmâ en bidden het volgende: (33) 'Iemand met een vaste overtuiging moet vrij van dubbelhartigheid en vreedzaam door bewust met de illusie om te springen [middels rituele handelingen] de Allerhoogste Heer aanbidden in de gedaante van hem [Heer Brahmâ] die het allerhoogste Brahman openbaart. Die almachtige Heer brengen wij onze eerbetuigingen.'

(34) Buiten dat gebied [voorbij de oceaan van zoet water] bevindt zich aan alle kanten eromheen een formatie genaamd Lokâloka die men omschrijft als de afgrenzing tussen de wereld van het licht en de wereld zonder licht. (35) Het gebied [genaamd Loka-varsha tot aan die grens] is zo groot als het gebied tussen de berg Meru en de Mânasottara keten, [en gaat daarbuiten over in] een ander gebied [Aloka-varsha, het donkere gebied] dat van goud is en zo glad is als een spiegel. Alles wat daar terecht komt kan onmogelijk weer worden teruggehaald en daarom wordt die plaats gemeden door alle levende wezens. (36) De formatie Lokâloka [die de buitenste schil van het universum vormt] bevindt zich tussen de gebieden waarvan men spreekt als zijnde bewoond en niet bewoond. (37) Die uiterste begrenzing van de drie werelden die overal eromheen door de Heer werd geschapen, ligt zo ver weg dat het voor de stralen van al de hemellichamen - van de zon tot aan die van Dhruva's doel der bevrijding [het centrum van het universum, zie 4.12: 12] -,  niet mogelijk is om verder te reiken. (38) De geleerden die de posities, kenmerken en situaties onderzochten van de verschillende werelden [de planeten en sterren], becijferden dat het gebied tussen het centrum en de buitenste Lokâlokabegrenzing van het universum zoveel als een half biljoen yojana's beslaat, een kwart [van de totale omvang of energie] van het uitspansel.

(39) In de vier windrichtingen zijn bovenop [die formatie] door de bron van het zelf die de geestelijk leraar van het hele universum is [Brahmâ], de vier gaja-pati's  ['de besten der olifanten'] Rishabha, Pushkaracûda, Vâmana en Aparâjita aangesteld, om te zorgen voor de stabiliteit van de verschillende leefwerelden in het universum. (40) Hij [Heer Vishnu] is van al Zijn lokaal heersende, persoonlijke godheden [Zijn 'olifanten'] en al de soorten van helden die expansies van Zijn vermogen vormen, de Allerhoogste Heer, de meest vooraanstaande en grootste persoonlijkheid, de grote meester van alle machten, de Ziel van alle zielen en het Ware Zelf van de zuivere goedheid gekenmerkt door religie, spirituele kennis, onthechting, alle weelde en de acht grote perfecties [zie 3.15: 45]. Uitgerust met de verschillende wapens die Hij omhooghoudt met Zijn stoere armen en omringd door Vishvaksena en andere vertegenwoordigers en uitmuntende metgezellen, manifesteert Hij, voor het heil van alle werelden, Zijn gedaante aan alle zijden van die grootste van alle bergen. (41) Enkel en alleen maar om het leven te handhaven in de verschillende werelden die hij ontwikkelde op basis van Zijn uiterlijk vermogen, neemt de Hoogste Persoonlijkheid voor de duur van een kalpa deze verschijning aan. (42) Van het gebied voorbij het beschreven [onbewoonbare, donkere] gebied [Aloka-varsha] dat zich zo breed uitstrekt buiten Lokâloka als wat zich er binnen bevindt, beweert men dat het de bestemming vormt voor hen die vrij van alle smetten het pad van de Heer van de Yoga bewandelen.

(43) In het centrum van het universum treft men de zonnen aan die zich bevinden tussen de hemel en aarde. Die zonnige bol in het midden telt een kwart biljoen sterren. (44) Omdat hij de levenloze vorm van deze bol ten tijde van zijn schepping binnenging, kent men hem [Brahmâ] als Mârtanda ['de god der zonnen']. De aanduiding van Hiranyagarbha ['het goud van binnen' ofwel Brahmâ] kwam tot stand omdat hij zijn lichaam ontving van die [gouden  stralenpracht]. (45) Dankzij de zonnegod [Sûrya] zijn we in staat te differentiëren tussen de windrichtingen, de ether, de planeten erboven en de werelden er beneden, en kunnen we ook het verschil uitmaken tussen de hemelse verblijfplaatsen, de plaatsen voor de bevrijding en de helse plaatsen als Atala. (46) De zonnegod is de heerser over alle soorten van levende wezens, hij is het leven, de ziel en de visie van de goden, de lagere dieren, de menselijke wezens en alles wat maar kruipt en rondbeweegt.'

*: Volgens een bepaalde moderne interpretatie hebben deze zeeën betrekking op de lichaamssappen, met de dvîpa's als secties, in de virâth-rûpa universele lichaam van de Heer: Lavana of de zilte zee (urine), suikerrietsap, (transpiratie), Surâ of de oceaan van wijn (zinnen), Sarpi of de oceaan van ghee (zaad), Dadhi of karnemelk [wei, yogurt] (slijm), de oceaan van melk (speeksel), en de zee van zuiver water (tranen).

**: Een dag en een nacht van de halfgoden bestaat uit een z.g. Uttarâyana gang van de zon door het noorden en een Dakshinâyana gang door het zuiden van de zon, één zonnejaar dus. Een jaar van de goden bestaat uit 360 van dergelijke etmalen.

 

Hoofdstuk 21: De Werkelijkheid van de Zonnegod Sûrya

(1) S'rî S'uka zei: 'Dit is wat ik u kon zeggen over de afmeting en de kenmerken van de algemene opzet van het uitspansel. (2) De deskundigen op dit gebied verschaffen aan de hand van dit overzicht uitleg over de indeling van de hemel, die ze omschrijven als een in tweeën gedeelde buitenruimte met helften die aaneensluiten als de helften van een tarwekorrel. (3) In het midden bevindt zich de machtigste meester van al de heersende hemellichamen, de brandende zon, die met zijn vuur de drie werelden verwarmt en ze verlicht met zijn stralen. De zonneschijf, trekkend door het noorden, door het zuiden of langs de evenaar, kent men verschillend afhankelijk van zijn traagheid, snelheid of gelijkmatigheid van bewegen. In zijn rijzen, ondergaan of aan de hemel staan in verschillende posities, maakt hij lange, korte of even lange dagen als hij zich zoals beschikt, beginnend bij het sterrenbeeld Makara [Steenbok], beweegt door de verschillende tekens van de [astrologische] dierenriem. (4) Als de zon aankomt in Mesha en Tulâ [Stier en Weegschaal, ofwel op de equinoxen], zijn de dagen en nachten even lang. Vanaf het sterrenbeeld Vrishabha [Stier] door de volgende vijf  tekens gaand lengen de dagen [zich eerst in Stier en Tweelingen] en korten ze [in de maanden daaropvolgend] met een half uur per maand [afhankelijk van de breedtegraad]. (5) Als hij zich begeeft door de vijf maanden beginnend met Vris'cika [Schorpioen] verloopt het lengen en korten van de dagen en nachten omgekeerd. (6) Totdat de zon richting het zuiden gaat [de zes maanden voor de zomerwende] lengen de dagen zich en totdat hij naar het noorden gaat [in de maanden voor de winterwende] lengen zich de nachten. (7) Aldus ronddraaiend in een baan ten opzichte van de Mânasottara bergen [er omheen] die 95.1 miljoen yojana's lang is zo stellen de geleerden, treft men ten oosten van Meru Devadhânî, de stad van koning Indra aan, ten zuiden ervan die van Yamarâja genaamd Samyamanî, in het westen Nimlocanî van Varuna, en in het noorden die van de maan genaamd Vibhâvarî. Aan ieder van de vier zijden van Meru [als het energetisch draaipunt] aldus de zonsopkomst, de zonsondergang, de middag of middernacht uitmakend, geeft hij aanleiding tot de verschillende tijden waarop de levende wezens actief zijn of staken met hun activiteiten [*]. (8-9) Zij die in die plaatsen leven worden met de zon in de positie van het midden van de dag steeds door hem verwarmd. Hij beweegt zich, links om de berg [Meru] draaiend, van het punt waar hij opkomt [in het oosten] naar het punt [in het westen] daar recht tegenover waar hij weer ondergaat. Als men lokaal de zon niet langer aan de hemel ziet staan omdat hij onder is gegaan is hij er verantwoordelijk voor dat de mensen gaan slapen, terwijl recht tegenover die positie men er op kan rekenen dat de mensen de zon op hebben zien komen en vanwege zijn hitte moeten zweten. (10) Als de zon zich in vijftien ghathikâ's [zes uur] beweegt van de verblijfplaats van Indra naar die van Yamarâja, legt hij een afstand af van 23.775.000 yojana's [een kwart van de omtrek]. (11) Dan gaat hij verder naar het bereik van Varuna en vandaar naar  de plaats van de maan om vervolgens terug te keren naar de plaats van Indra. Daarbij worden tevens de andere planeten en sterren met de maan voorop als rijzend en ondergaand aan de hemel waargenomen. (12) Aldus beweegt het voertuig van de zonnegod, dat staat voor de drie Vedische beginselen [van vereniging middels karma, jñâna en bhakti yoga], zich in 3.400.800 yojana's per muhûrta [moderne wetenschap: 39.163 miljoen km/uur] door de vier verblijfplaatsen.

(13) Dit voertuig heeft slechts één wiel met twaalf spaken [de maanden], zes segmenten [de seizoenen] en de drie gedeelten van de naaf [de kwartalen], die in hun geheel bekend staan als een zonnejaar [een samvatsara]. De as zit vast aan de top van de berg Meru met Mânasottara aan de andere kant. Het wiel van de wagen van de zonnegod aldaar gefixeerd draait ten opzichte van de bergketen Mânasottara rond als het wiel van een oliepers. (14) Aan de basis van die as zit een tweede verankerd die, net als met de as van een oliepers, een kwart zo lang is. De bovenkant daarvan zit vast aan Dhruvaloka [het midden van de sterrenhemel].

(15) Het voertuig is vanbinnen 3.6 miljoen yojana's lang en een kwart van die afstand breed. Het wordt getrokken door zeven paarden vernoemd naar de Vedische versmaten [Gâyatrî, Brihati, Ushnik, Jagatî, Trishthup, Anushthup en Pankti] die, om de zonnegod te vervoeren, door Arunadeva zijn ingespannen aan een dissel zo breed als het voertuig [de eigenlijke diameter van de zon zelf bedraagt 1.392 miljoen kilometer]. (16) Ofschoon Aruna, zich kwijtend van zijn taak als wagenmenner, vóór de zonnegod zit, kijkt hij naar achteren [om geen disrespect te tonen]. (17) Aldaar, recht voor de zonnegod, zijn de zestigduizend duimgrote wijzen die de Vâlikhilya's worden genoemd, druk bezig hun gebeden welbespraakt te formuleren [zie ook 4.1: 39]. (18) Zo ook aanbidden met verschillende ceremoniën en een keur aan namen, veertien anderen, te weten de wijzen, de Gandharva's, Apsara's, Nâga's, Yaksha's, Râkshasa's en de halfgoden, in zeven groepjes van twee met iedere maand weer andere vertegenwoordigers, de Opperheer in de gedaante van de zonnegod Sûrya die het leven van het universum is en verschillende namen draagt [**]. (19) Aldus legt de zonnegod de 95.1 miljoen yojana's van de omtrek van de sfeer der aarde af met een snelheid van tweeduizend en een halve yojana in ongeveer een kshana [± 1.6 sec; zie ook vers 12].'

*: Naar moderne metingen draait de aarde om de zon met een gemiddelde afstand van 92.960.000 mijl of 149.591.000 km. De omtrek van zijn omloopbaan bedraagt ongeveer 940 miljoen km. Daarmee rekening houdend zou deze beraming van de schijnbare geocentrische omloop van de zon t.o.v. een erachter gelegen Mânasottara massief, een yojana opleveren van ongeveer 9.8 km in deze context. Met Meru als het energetisch draaipunt wordt bedoeld dat alles in het sterrenstelsel om de kern heendraait waar de sterrenhoop van Brahmâ's gouden bol zich bevindt. Zo wordt ook de poolster waar de sterren aan de hemel schijnbaar omheen draaien met dat punt geïdentificeerd en Meru genoemd terwijl het eigenlijke draaipunt van de sterren om ons heen  - en dus ook onze zon - zich astronomisch gesproken elders bevindt, namelijk in Sagittarius A.

 **: De Vishnu Purâna stelt: 'De almachtige zonnegod Sûrya aanbiddend, zingen de Gandharva's vóór hem, dansen de Apsara's vóór de wagen, volgen de Nis'âcara's de wagen, versieren de Pannaga's de wagen, bewaken de Yaksha's de wagen, en wordt de zonnegod door de heiligen genaamd de Vâlikhilya's omringd en aanbeden. De zeven groepen van veertien metgezellen stellen de juiste tijden in voor het regelmatig sneeuwen, opwarmen en regenen in het gehele universum [zie verder 12.11: 32].'

 

Hoofdstuk 22: De Beweging der Planeten en hun Veronderstelde Effecten

(1) De koning zei: 'Uwe goddelijkheid beschreef hoe de meest machtige god van de zon rond de berg Meru en Dhruvaloka beweegt en ze daarbij rechts van zich laat èn dat hij met de verschillende sterrenbeelden recht voor zich ze links van zich heeft. Wat moeten we daar nu van denken?'

(2) Daartoe zei hij [S'uka] in heldere bewoordingen: 'Net zoals het met het zich bewegen van kleine mieren op een ronddraaiende pottenbakkersschijf is gesteld die als gevolg van hun veranderende posities een verschillende oriëntatie ervaren, kan een dergelijk verschil ook worden waargenomen met de beweging in relatie tot Meru en Dhruvaloka [de centrale sterrenhoop en het middelpunt van het sterrenstelsel]. Met de sterren, die zich rond [dat centrum] bewegen, bevinden zich de twee aan de rechter kant, maar vanwege de individuele bewegingen van de planeten onder leiding van de zon óp dat ronddraaiende wiel van de tijd, bewegen de zon en de planeten die men waarneemt in andere huizen en sterrenbeelden zich duidelijk anders.

(3) Hij [die solaire leidraad van de tijd], deze hoogst machtige Oorspronkelijke Persoon, die Nârâyana Zelve is, de Superziel van de drie Vedische beginselen die er is voor het heil en de karmische zuivering van al de werelden, is de oorzaak waar alle heiligheid en Vedisch weten naar op zoek is. Hij verdeelt naar Zijn goeddunken het jaar in zijn twaalf delen en vormt de zes seizoenen met hun verschillende kwaliteiten beginnende met de lente. (4) De mensen hier die in navolging leven van het drievoudige van de Vedische kennis en zich gedragen naar de hogere of meer aardse maatstaven van de verschillende statusoriëntaties [van varna en âs'rama], bereiken moeiteloos het uiteindelijke levensdoel als zij Hem vol geloof met rituele handelingen aanbidden en zich ontwikkelen in de wetenschap van de bewustzijnsvereniging [de yoga]. (5) Hij nu, de Ziel van al de werelden, die [in de gedaante van de zon] op het wiel van de tijd een positie innam tussen hemel en aarde, passeert de twaalf verdelingen van het jaar bestaande uit de maanden die vernoemd zijn naar de tekens van de dierenriem. De geleerden onderrichten dat ze [overeenkomstig de maan] zijn verdeeld in donkere en lichte helften of [vijftiendaagse] dubbele weken en dat volgens hun instructie de zes delen van zijn omloopbaan genaamd ritu of seizoen gerekend naar de sterren ieder twee en een kwart sterrenteken beslaan [zo is er dus sprake van twaalf of meer sterrenbeelden]. (6) Zo wordt ook de tijdspanne dat de zon zich door de helft van de buitenruimte beweegt een ayana genoemd. (7) De tijd die de zon er over doet om zich langzaam, snel of met gemiddelde snelheid te bewegen door zowel de hemelsfeer boven als beneden, wordt in de beschrijvingen van de geleerden besproken als een samvatsara [een zonnejaar], een parivatsara [een twaalfde van een omloop van Jupiter], een idâvatsara [een dag van de goden bestaande uit 360 zonnedagen] een anuvatsara [een  maanjaar bestaande uit twaalf lunaties] en een vatsara [een jaar in relatie tot de ecliptica in termen van de 27 maanhuizen of nakshatra's, zie ook 3.11: 14].

(8) Door de zonverlichte maan, die zich boven [de aarde] bevindt op zo'n honderdduizend yojana's [de astronomie: ± 385.000 km] en zich veel sneller beweegt [dan de zon], wordt in de loop van een maand ['twee vijftiendaagse perioden'] een afstand afgelegd waar de zon een heel jaar over doet, wordt in twee en een kwart dag een afstand overbrugd waar de zon een maand over doet en wordt in een dag een hemeldeel bestreken dat de zon veertien dagen kost. (9) De maan die van fase verandert wast naar het [volle] deel van de maan dat van de halfgoden is en neemt af in de richting van het [donkere] deel van de maan dat van de voorvaderen is. Zo vormt hij, als hij in [ongeveer] dertig muhûrta's [of een etmaal] per nakshatra het ene na het andere maanhuis passeert, met zijn wassen en afnemen de indeling van de dagen [der goden] en de nachten [der voorvaderen] van het geheel van alle levende wezens. Aldus beschouwt men hem als de jîva of de essentie van hun leven. (10) Deze maan met al zijn zestien aspecten [m.b.t. de zinnen, hun objecten en de geest] wordt door de geleerden omschreven als de Allerhoogste Persoon, de godheid die heerst over de geest, die de krachtbron voor al het voedsel is en alle verrukking van het leven vertegenwoordigt. Hij geldt als de verfrissende, alles-doordringende levensadem [prâna] van al de goden, voorvaderen, menselijke wezens en andere levensvormen zoals de zoogdieren, de vogels, de reptielen en de planten.

(11) [Meer dan] tweehonderdduizend yojana's daarachter [achter de maan], zijn er, langs Meru [draaiend] aan de rechterkant, met de vele sterren die door de Heer aan het wiel van de tijd vastgeklonken zijn, de achtentwintig maanhuizen met inbegrip van Abhijit.

(12) Op een afstand van tweehonderdduizend yojana's daaromheen [draaiend om het centrum ofwel de zon, de astronomie: op een afstand van 107 miljoen km] is er Us'anâ [Venus], de planeet die men zich voor, achter en met de zon mee kan zien bewegen en die in zijn gang net zo snel, langzaam of met een gemiddelde snelheid ronddraait als de zon. Men ziet hem als een planeet waarvan vrijwel altijd een gunstige invloed uitgaat in de vorm van regens, hij neutraliseert met zijn bewegingen de invloed van planeten die regenval tegengaan.

(13) Nog eens tweehonderdduizend yojana's achter Venus [de astronomie: op 57.9 miljoen km van de zon], zo wordt uitgelegd, bevindt zich Budha [Mercurius], de zoon van de maan. Hij werkt vrijwel altijd ten gunste, maar gedurende de tijd dat hij niet met de zon meebeweegt is er bijna altijd een toename van angstwekkende voorvallen als droogten, een gesloten wolkendek en stormachtig weer.

(14) Ook treft men op tweehonderdduizend yojana's buiten onze omloopbaan Angâraka aan [Mars, de astronomie: op ongeveer 228 miljoen km van de zon]. In perioden van zes weken passeert hij, als hij geen boog beschrijft, de één na de ander elk van de twaalf sterrentekens. Hij is vrijwel altijd een ongunstige planeet die moeilijkheden geeft.

(15) Tweehonderdduizend yojana's voorbij Mars [de astronomie: op 778.3 miljoen km van de zon] vindt men de machtige planeet Brihaspati [Jupiter] die, als hij geen boog beschrijft, er een jaar voor nodig heeft [een parivatsara] om een enkel sterrenteken te doorlopen. Voor de brahmanenfamilie blijkt hij altijd zeer gunstig te werken.

(16) Tweehonderdduizend yojana's achter hem bevindt zich S'anais'cara [Saturnus, astronomie: op 1.43 biljoen km van de zon], die er een periode van dertig maanden voor nodig heeft om ieder afzonderlijk sterrenbeeld te doorlopen. Zo langzaam bewegend doet hij er een gelijk aantal jaren [30 anuvatsara's] over om ze allemaal langs te gaan. Hij houdt vrijwel altijd voor iedereen veel moeilijkheden in.

(17) Zo'n 1.1 miljoen yojana's achter die planeet bevinden zich de [zeven] grote wijzen [vertegenwoordigd door de zeven sterren van de Grote Beer, Ursa Major] die steeds het goede geluk beogen van de bewoners van alle werelden. Met de klok mee draaien ze om het bovenzinnelijk verblijf van Vishnu, de Allerhoogste Heer [het centrum van de sterren].'

 

Hoofdstuk 23: Beschrijving van de Sterren van S'is'umâra, ons Spiraalvormig Sterrenstelsel

(1) S'rî S'uka zei: '1.3 Miljoen yojana's boven hen [boven de sterren van de wijzen] treft men dat allerhoogste verblijf van Vishnu aan dat wordt geprezen in de mantra's van de Rig Veda. Het vormt de bron van het leven van alle levensvormen die vanaf nu tot aan het einde van de schepping voortbestaan. Daar houdt zelfs vandaag de dag nog zich de grote toegewijde Dhruva op, de zoon van Uttânapâda wiens glorie van volgzame toewijding ik reeds beschreef [zie 4.9]. Agni, de vuurgod, Indra de koning van de hemel, de stamvader die de Prajâpati is, Kas'yapa en ook Dharmarâja, bewegen met dat verblijf rechts van zich er vol van respect eendrachtig omheen. (2) Voor al de rusteloze hemellichten, de planeten, de sterren en de rest, vormt die plaats het door de Heer gevestigde, eeuwig oplichtende en stralende draaipunt. De ondoorgrondelijke, allesomvattende macht van de Tijd wordt aangemerkt als de oorzaak van hun roteren. (3)  Net als drie stieren die voor het pletten van rijst [op vaste afstanden] zijn vastgemaakt aan een paal in het midden, behouden de hemellichten hun posities. In hun omloopbanen zich rondbewegend hebben ze een vaste positie ten opzichte van de binnenste en buitenste rand van het wiel van de tijd, net zoals planeten rondom de zon hun posities bewaren. Vasthoudend aan Dhruvaloka tot het einde der schepping, draaien ze in de hemel rond als voortgedreven door de wind, net als zware wolken en grote vogels die beheerst door de lucht hun lichamen rondbewegen vanuit hun voorgaande posities. Aldus gedragen de hemellichten zich consequent, door de gecombineerde inzet van de materiële natuur en de Oorspronkelijke Persoon, zoals ze dat altijd al deden en komen ze nooit in botsing met de aarde.

(4) Sommigen stellen zich dit enorme leger van hemellichten voor als een s'is'umâra [een dolfijn] en beschrijven het, geconcentreerd in de yoga, als [dat wat zichtbaar is van] de Allerhoogste Heer Vâsudeva [zie ook een afbeelding van de sterrenhemel zoals men die feitelijk door een telescoop ziet]. (5)  Met de staart wijzend naar het einde van de band van vaste sterren aan de hemel [dhruva] en met zijn kop naar beneden gebogen, heeft hij zijn lijf [in een boog] gekromd. De [planeten van] Prajâpati, Agni, Indra en Dharma worden op de staart aangetroffen en aan het begin ervan zijn er [die van de halfgoden] Dhâtâ en Vidhâtâ. De zeven wijzen bevinden zich op zijn heup. Met zijn lijf naar rechts krommend zijn er aan de rechter kant van zijn lijf als zijn afzonderlijke lichaamsdelen de constellaties van de veertien sterren [van Abhijit tot Punarvasu] die de noordgang [van de zon] uitmaken en aan de linker kant een zelfde aantal van dat soort sterren die de zuidelijke gang uitmaken [van de zon van Pushyâ tot Uttarâshâdhâ]. Bij elkaar zien ze eruit als het gekromde lichaam van een dolfijn. Op zijn rug ziet men de sterren genaamd Ajavîthî [*] en op zijn buik ziet men de 'Ganges van de hemel' [de band van sterren langs het hele lichaam van de S'is'umâra die we kennen als de Melkweg]. (6) Punarvasu en Pushyâ maken de lendenen uit rechts en links. Ârdrâ en As'leshâ eveneens aanwezig ter rechter en ter linker zijde zijn zijn vinnen. Abhijit en Uttarâshâdhâ vormen zijn rechter en linker neusgat met daarop volgend in de rij S'ravanâ en Pûrvâshâdhâ als de ogen links en rechts. Dhanishthhâ en Mûlâ zijn er als het rechter en het linker oor en de acht sterren zoals Maghâ die de zuidgang vormen moeten worden gezien als de linker ribben, terwijl het zelfde aantal sterren zoals Mrigas'îrshâ die de noordgang aanduiden er zijn als de ribben die zich bevinden aan de andere kant rechts. S'atabhishâ en Jyeshthhâ moet men zien als de positie voor de rechter en linker schouder. (7) Op de bovenkaak treft men Agasti [Agastya] aan en Yamarâja op de onderkaak. Als de mond is er Mars, als de genitaliën is er Saturnus, Jupiter is er als de nek, de zon is er als de borst, in het hart treft men Heer Nârâyana aan en de maan vormt zijn geest. Op de navel is er Venus, aan de twee kanten van de borst houden zich de As'vins op, Mercurius is er voor de in- en uitgaande adem, Râhu is de hals en de kometen treft men over het gehele lijf aan met de talloze sterren als de poriën.

(8) Deze [gedaante van S'is'umâra] is inderdaad de gedaante van de Allerhoogste Heer, van Heer Vishnu, Hij die bestaat uit al de halfgoden. Men moet met deze gedaante voor ogen iedere ochtend, middag en avond in alle bescheidenheid mediteren op de woorden: 'Mijn eerbetuigingen voor deze rustplaats van al de lichtende werelden, voor de meester der halfgoden, de Allerhoogste Persoonlijkheid in de vorm van de Tijd op wie wij mediteren' [namo jyotih-lokâya kâlâyanâya animishâm pataye mahâ-purushâya abhidhîmahîti, zie ook 2.2: 24]. (9) Zij die, met achting voor die leider der halfgoden bestaande uit alle planeten en sterren, voor die vernietiger van de zonde, de mantra zoals hierboven beschreven praktiseren door drie maal daags zo hun respect te betonen of drie keer per dag aldus [in stilte] te mediteren, zullen door dat respect voor [onze Lieve Heer in de vorm van] de tijd zeer spoedig aan al hun zonden een einde zien komen.'

N.B: Zie ook de pagina's over galactische tijd verder uitweidend over dit onderwerp. 

 *: Ajavîthî heeft betrekking op de sterren van het hemelpad van zon, maan en planeten door Mûlâ, Pûrvashâdhâ en Uttarâshâdhâ.


Hoofdstuk 24: De Lagere Werelden

(1) S'rî S'uka zei: 'Sommige mensen beweren dat er zich talloze yojana's ['tienduizend'] beneden de zon [de demon] Râhu bevindt die net zo ronddraait aan de hemel als de sterren. Ik zal o Koning, later uitweiden over de geboorte en handelingen van die laagste der onwetenden, [Râhu] de zoon van Simhikâ, die persoonlijk dankzij de genade van de Allerhoogste Heer die status van onsterfelijkheid en de positie van een leidende planeet verwierf, terwijl hij totaal niet geschikt was voor die positie [zie ook 6.6: 37 en 8.9: 23-26]. (2) Ze verklaren dat de zon tienduizend yojana's breed is, dat de maan twintigduizend yojana's bemeet, dat Râhu dertienduizend yojana's groot is [vergelijk 5.21: 15] en dat hij bij gelegenheid, met de kwade bedoeling de invloed van de zon- en de maangod te verdringen, de stralen van het maan- en het zonlicht blokkeert. (3) De Allerhoogste Heer die er is voor de bescherming van beide [godheden] gaat te werk met het rad van de Tijd die Zijn allerhoogste aanwezigheid vormt [de Sudars'ana Cakra]. Men acht die schijf als het meest gekoesterde, toegewijde en geliefde wapen dat door Zijn macht en ondraaglijke hitte er voor zorgt dat Râhu, bang van geest met de schrik om het hart, uit die positie ver wegvlucht waarin hij bijna een uur lang verkeert en naar aanleiding waarvan de mensen spreken van een [zons- of maans]verduistering.

(4) Op gelijke afstand daaronder bevinden zich [vergelijk 5.22: 8] de woonplaatsen van de volmaakten, de vererenswaardigen van de Veda en zij die zich baseren op kennis [de Siddha's, Cârana's en Vidyâdhara's]. (5) Daar weer onder bevinden zich de plaatsen van de zinsbevrediging der gekken, bezetenen, de duivelse types en meer van dat soort wezens [de Yaksha's, Râkshasa's en Pis'âca's], die zich uitstrekken zover als de wind de wolken wegblaast die men kan waarnemen in de lucht. (6) Onder de atmosfeer die een honderdtal yojana's dik is en dus zo hoog reikt als zwanen, gieren, adelaars en andere vogels van formaat kunnen vliegen, bevindt zich deze aarde [volgens moderne metingen reikt de normale, steeds dunner wordende atmosfeer tot zo'n 100 km boven de aarde].

(7) Voorheen heb ik het gehad over de planeet aarde en de indeling van haar verschillende gebieden [zie 2.1: 26-27]. Lager gelegen bevinden zich zeven andere planeten van gelijke lengte en breedte genaamd Atala, Vitala, Sutala, Talâtala, Mahâtala, Rasâtala en Pâtâla, [de lagere werelden], die zich achter elkaar gerangschikt [tot aan de rand van het universum] bevinden op onderlinge afstanden van tienduizend yojana's. (8) In deze wereldse oorden vol van begeerte naar de hemel bestaat er een grotere lustervaring en fascinatie met de rijkdom dan in de hemelse werelden. Uitgerust met alle denkbare luxe bieden de huizen en tuinen van de demonen, geesten en slangen die er leven een betere gelegenheid tot zinsbevrediging. Steeds dolblij in hun gehechtheid aan de vrouwen, kinderen, familie, vrienden en volgelingen, zijn de hoofden van de huishoudens die verkeren in een denkbeeldige hemel, zelfs nog beter in staat ongehinderd hun verlangens te bevredigen dan de goddelijken die van beheersing zijn. (9) Mijn beste Koning, door Maya [de architect van de Daitya's] zijn er, met een ongelovige bedrieglijkheid en een keur aan rijke versieringen, ommuurde steden met poorten gebouwd die vol staan met prima gebouwde, prachtige huizen, kantoren, evenementenhallen, scholen en publieke voorzieningen. De leiders en landeigenaren van die schijnwerelden die helder stralen van al de versieringen, bezetten er de beste huizen die bevolkt zijn door slangachtige, goddeloze stelletjes en duiven, papegaaien en myna's [oosterse spreeuwen]. (10) De tuinen en parken die een grote aantrekkingskracht uitoefenen op de geest en de zinnen, verschaffen veel genoegen met hun massa's bloemen en vruchten waarvan de door klimplanten omhelsde takken van de bomen fraai door de zwaartekracht diep naar beneden doorbuigen. De zinnenstreling wordt er door een schoonheid opgewekt die de pracht van de woonplaatsen van de goden overtreft: de rijke verscheidenheid aan vogels die in paren de vijvers bezoeken vol van sprankelend, helder water dat roerig is van de opspringende vissen, de lotusbloemen in die wateren, de lelies, de kuvalaya en kahlâra bloemen, de blauwe en rode lotussen, reuzenlotussen met duizenden kelkblaadjes en het ononderbroken vrolijke geluid van de vele soorten van lieflijk zingende vogels die hun nesten in de bossen bouwden. (11) Men maakt zich er zeker niet druk om tijdsindelingen overeenkomstig de veranderingen van de dag en de nacht [zoals waargenomen met zonnewijzers en maanstanden]. (12) Alle duisternis daar wordt verdreven door de besten van alle edelstenen die zich bevinden op de uitstaande kragen van de grote serpenten [die daar leven]. (13) Noch maken de bewoners die er eten, drinken en zich baden in wonderbaarlijke [geneeskrachtige] kruiden, sappen en elixers, zich zorgen over ziekten, psychische problemen, oud worden en het hebben van rimpels, grijs haar, etc., of over de ellende van het inboeten aan levenskracht met een afnemende luister, slecht ruikend zweet, vermoeidheid of een gebrek aan energie. (14) Geen andere doodsoorzaak dan die van het almachtige rad van de Tijd des Heren in de vorm van Zijn werpschijf is in staat greep op deze welvarende lieden te krijgen. (15) Het is vrijwel altijd uit angst voor de Heer Zijn cakra-orde [de dwingende orde van de natuurlijke tijd] dat de echtgenotes van de goddelozen hun foetussen verliezen in miskramen.

(16) Welnu, in de wereld Atala houdt zich Bala, de goddeloze zoon van Maya op die negenenzestig soorten van illusie propageerde waarvan er sommige zelfs vandaag nog door ervaren bedriegers worden gebruikt. Uit zijn gapende mond ontstonden de svairinî [klasse-getrouwe], kâminî [klasse-onverschillige] en pums'calî [promiscue] vrouwen die vol van verlangen met oogwenken, glimlachen, praatjes, omhelzingen en het sap van een bedwelmend kruid genaamd hâthaka [cannabis indica], terwille van hun seksueel genoegen iedere man die de lagere werelden betreedt in de stemming brengen. Men beweert dat een man onder de invloed van dat kruid vol van trots en verbeelding over zichzelf denkt als 'Ik de heerser' en 'Ik die zo sterk ben als duizend olifanten'.

(17) Een wereld lager, in Vitala, houdt, omringd door zijn spookachtige metgezellen, Heer S'iva zich als Hâthakes'vara, de meester van het goud op in seksuele vereniging met zijn vrouw Bhavânî om de bevolking van Brahmâ's schepping te laten groeien. Van de sappen van hun vereniging stroomt er in die wereld de grote rivier genaamd de Hâthakî waarvan drinkend de vuurgod, door de wind zeer krachtig en fel aangewakkerd, sissend het goud genaamd Hâthaka uitspuwt dat dient voor de sieraden gedragen door de mannen en vrouwen die de huizen van de grote Asura's bevolken.

(18) Daaronder, op Sutala, bevindt zich de zeer gevierde, hoogst vrome en spiritueel ontwikkelde zoon van Virocana, Bali Mahârâja. Om koning Indra te behagen, nam de Allerhoogste Heer Zijn geboorte uit Aditi om te verschijnen in de gedaante van een vâmana, een dwerg. Het was dankzij de grondeloze genade van de Allerhoogste Heer die hem de drie werelden ontfutselde, dat hij zelfs vandaag de dag nog, in zijn toegewijde dienst geen angst kent jegens Hem, de meest vererenswaardige Allerhoogste Persoonlijkheid. Hij werd gezegend met het goede geluk van het herwinnen van een weelde die zelfs bij de goden van Indra's hemel niet bekend is. (19) Dit was zeker niet het rechtstreeks gevolg van het met geloof, veel achting en grote aandacht schenken van zijn landerijen. Het benaderen van de hoogst geplaatste, de Allerhoogste Heer die de meest eerbiedwaardige ontvanger en het beste bedevaartsoord is, die het leven, het hart en de Superziel van de talloze levensvormen Heer Vâsudeva is, verleende hem direct toegang tot de verlossing die hem de weelde bracht van die lagere imitatie der hemelen. (20) Die persoon die hulpeloos, hongerig, gevallen of struikelend slechts éénmaal de heilige naam bezigt, zal geheel worden verlost van de band der vruchtdragende activiteit, het karma dat in alle andere gevallen voor mensen die proberen verlossing te vinden een onvermijdelijk struikelblok vormt. (21) Hij, die zichzelf zonder voorbehoud geeft aan grote toegewijden en zelfgerealiseerde personen, is de Allerhoogste Ziel van allen, het Paramâtmâ. (22) Het is dus niet vanwege de materiële weelde die zich met Hem zeker ontvouwt, dat de Allerhoogste Persoonlijkheid, speciaal Bali weer Zijn genade verleende. Hij deed dat vanwege [het bestrijden van] mâyâ de materiële begoocheling die je van de heugenis van de Ziel berooft. (23) Naar aanleiding van wat de moeilijk langs een andere weg waar te nemen Allerhoogste Heer deed - namelijk het in bezit nemen van de drie werelden met Zijn truc van het bedelen [om drie stappen land] zodat Bali niets bleef behalve zijn lichaam dat toen geheel met Varuna's touwen gebonden werd opgesloten in een berggrot - zei Bali toen: (24) 'Hoe betreurenswaardig is het dat deze zeer geleerde en wat betreft zijn eigenbelang zeer ervaren Indra van de hemel die als zijn eerste minister en ene voorganger Brihaspati verkoos, hem negeerde terwijl de Heer in de gedaante van Upendra [Heer Vâmana] mij om zegeningen [om drie stappen land] verzocht. Ik die met minachting voor de zekerheid van de eigenlijke zegeningen van het dienen van Zijn eeuwigdurende werkelijkheid, zich de drie werelden wenste waarvan de waarde teloor gaat in de loop van een manvantara [een tijdperk van Manu]!  (25) Toen zijn vader door de Allerhoogste Heer [Nrisimhadev] werd gedood vroeg onze grootvader [Prahlâda] om niets anders dan Hem te mogen dienen en niet om de hem aangeboden nalatenschap van de positie van zijn vader die nergens bang voor was [het koninkrijk van Hiranyakas'ipu]. (26) Welke persoon verstrikt in de materiële wereld kan nu zonder de genade van de Allerhoogste Heer hopen de weg te volgen van die grote gelovige?' (27) Later zal ik in het verhaal over hem [in Canto acht] uitleggen hoe de Opperheer [Vâmanadeva] als de meester van de drie werelden, als Nârâyana in persoon, met een altijd genadevol hart jegens Zijn toegewijden voor Bali's deur [op wacht] staat met de knots in Zijn hand, Hij die met de grote teen van Zijn voet de tienkoppige duivel [bekend als Râvana] op honderd miljoen yojana's van zich aftrapte toen deze de wereld wilde veroveren.

(28) Onder Sutala in de wereld Talâtala heerst de dânava [demonische] koning genaamd Maya. Zijn steden werden verbrand door de almachtige Tripurâri [S'iva], de heer der drie steden, die verlangde naar het welzijn van de drie werelden. Maar hij verwierf als de meester en leraar van alle tovenarij dankzij zijn genade een koninkrijk. Zo beschermd door Mahâdeva [de grote god die S'iva is] denkt hij dat hij niets te vrezen heeft van de Sudars'ana Cakra [de aanwezigheid van de Heer in de vorm van de Tijd] die men [in alle werelden] aanbidt [met klokken en kalenders].

(29) Beneden die wereld is er de wereld van Mahâtala die van de afstammelingen van Kadrû is, die een naam genieten als zijnde een stelletje immer kwaaie, veelkragige, wrede slangentypes, zoals daar zijn de beruchte Kuhaka, Takshaka, Kâlya, en Sushena. Verslaafd aan allerlei zingenot verkeren ze voortdurend in angst voor de koning van alle vogels [Garuda], de drager van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die ze soms kwaad maakt als ze zich vermaken in het gezelschap van hun vrouwen, kinderen, vrienden en verwanten.

(30) Weer beneden die wereld treft men Rasâtala aan, de leefwereld van de Daitya's en Dânava's [de kwaadaardige zoons van Diti en Danu] die men de Pani's noemt die zijn onderverdeeld in de Nivâta-kavaca's, Kâleya's en Hiranya-puravâsî's. Ze zijn zeer wrede en hoogst machtige natuurlijke vijanden van de halfgoden en worden onvermijdelijk verslagen door de macht van [het schijfwapen] van de Allerhoogste Heer Hari die zo vol van genade is voor al de werelden. Levend gelijk de slangen zijn ze bang voor de [bedreigende] Vedische mantra's geuit door de [teef] Saramayâ die de Koning van de Hemel Indra ooit eens op hen afstuurde.

(31) Onder die planeet bevindt zich Pâtâla, de wereld van de meesterslangen. Onder leiding van Vâsuki treft men er S'ankha aan, Kulika, Mahâs'ankha, S'veta, Dhanañjaya, Dhritarâshthra, S'ankhacûda, Kambala, As'vatara, Devadatta enzovoorts. Allen zeer verslingerd aan zinsgenoegens leven er allerkortst aangebonden. Ze hebben vijf, zeven, tien, een honderdtal of duizend kragen, met op hun koppen gefixeerd de kostbaarste edelstenen waarvan de gloed de hechte duisternis van de holen van Pâtâla verdrijft.'

 

Hoofdstuk 25: De Heerlijkheid van Heer Ananta

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een afstand van achtendertigduizend yojana's beneden de basis gevormd door Pâtâla [*] houdt Hij zich op die, als een deel van de Allerhoogste Heer, betrekking heeft op de duisternis en Ananta [de eeuwige] wordt genoemd. Geleerde Vaishnava's beschrijven Hem als Sankarshana, de heerser over het ego of het ik dat gekenmerkt wordt door zelfbewustzijn [trots, identificatie], omdat Hij de ziener en het geziene, het subject en het object 'samentrekt' ofwel verenigt [zie ook 3.26: 25 en 4.24: 35]. (2) De sterrenhemel rondom de aarde, dit universum, omhoog gehouden op slechts één van de vele duizenden slangenkragen van de Allerhoogste Heer in de gedaante van Anantadeva, beziet men als een [nietig] wit mosterdzaadje [als een enkel sterrenstelsel onder de vele, vele andere in de diepe ruimte]. (3) Op basis van Zijn verlangen om op een gegeven moment deze wereld te vernietigen, ontstaat er van tussen Zijn in woede samengetrokken, prachtige wenkbrauwen een Rudra [een incarnatie van Heer S'iva] genaamd Sânkarshana ['Hij geboren uit Sankarshana'] die zich manifesteert in de vorm van elf drieogige expansies die puntige drietanden omhooghouden. (4) Bij het schijnsel van de glinsterende oorhangers die hun kaken opsieren, zien de leiders van de slangachtigen, die met de besten der toegewijden in pure toewijding hun gebeden opzenden, hun  gezichten prachtig weerspiegeld in de ronde oppervlakten van de schitterende roze, edelsteenachtige teennagels van Zijn lotusvoeten. Het verzet hun geesten in grote vreugde. (5) De huwbare prinsessen van de slangenkoningen smeren in de hoop op Zijn zegen met een zalf van saffraan, aloë en sandelhoutpasta de glanzende rondingen in van Zijn zegenrijke, mooie, smetteloos blanke armen die lijken op zuilen van zilver. Met hun harten sneller slaand door de extase van Cupido kijken ze bedeesd met zeer aantrekkelijke, delicate, mooie glimlachen naar Zijn in liefde gelukzalige, rollende, rooddoorlopen ogen en vriendelijk kijkende, lotusgelijke gezicht. (6) Hij, Ananta, is  de Allerhoogste Heer, het reservoir van alle bovenzinnelijke kwaliteiten en de oorspronkelijke Godheid, die met het bedwingen van de kracht van Zijn intolerantie en wrake [i.v.m. zijn missie van destructie] zich ophoudt [in Zijn hemelverblijf] terwille van het welzijn van [al de levende wezens van] al de werelden. (7) Terwijl op Hem voortdurend wordt gemediteerd door de scharen van de verlichte en onverlichte zielen, de semi-goddelijke slangachtigen, de volmaakten, de zangers der hemel en zij die zich baseren op de kennis en de wijzen, beweegt Hij, verrukt onder de invloed, Zijn ogen heen en weer. Met de nectar van een fijne keuze aan woorden en lieflijke zang zijn Zijn metgezellen, de leiders van de verschillende groepen halfgoden, Hem aan het behagen wiens luister nimmer afneemt, Hij die immer fris is met de geur van de tulsîbloesems die met hun honing de bijen gek maken rondom Zijn aldus nog mooiere Vaijayantî bloemenslinger. Gekleed in het blauw met slechts één oorhanger en de schoonheid van Zijn gelukbrengende handen geplaatst op het handvat van Zijn ploeg houdt Hij, met een gouden gordel om en zo onoverwinnelijk als de olifant van de eerste der goden Indra, zich bezig met Zijn bovenzinnelijke spel en vermaak. (8) Zij die de bevrijding zoeken en bij monde van de traditie [de paramparâ] vernemen over de heerlijkheid van deze ene Heer, zullen zeer spoedig de eeuwenoude  knoop van mâyâ bestaande uit hartstocht, goedheid en onwetendheid doorsnijden die, als gevolg van een neiging tot karmisch handelen, stevig in de kern van hun harten was gelegd.

De machtige zoon van Brahmâ, Nârada met zijn [instrument of een Gandharva genaamd] Tumburu, beschrijft Hem in de samenkomst der brahmanen met een keur aan verzen. (9) 'Hoe kan men met zekerheid de weg begrijpen van Hem die één is van Ziel en divers is in Zijn manifestatie, van Hem wiens onbegrensde gedaante zijn aanvang niet kent, van Hem door wiens blik de geaardheden der materiële natuur - met de goedheid voorop -  in staat werden gesteld te fungeren als de primaire oorzaken van schepping, handhaving en vernietiging? (10) Vanuit Zijn genade voor ons spreidde Hij, volledig ontstegen aan deze manifestatie van oorzaak en gevolg, Zijn bestaan ten toon in verschillende gedaanten, Hij die, opnieuw de geesten van Zijn toegewijden voor zich winnend, in Zijn avonturen schittert als de meest vrijzinnige en machtige meester aller wezens die van aanvaarding is zonder materiële onzuiverheden. (11) Welke persoon in moeilijkheden ook, welke gevallen ziel ook die per toeval vernam over Hem of alleen maar om mee te doen Zijn naam herhaalde of zong, zal meteen de eindeloze zondigheid van de menselijke samenleving tot een einde zien komen. Bij wie anders dan bij Heer Ananta S'esha de Hoogste Persoonlijkheid, zou welke zoeker naar verlossing ook zijn heil moeten zoeken? (12) Wie dan ook, hoeveel tongen hij ook heeft, kan alles opsommen waar de Opperheer toe in staat is? Zijn grondeloze macht is immers onbegrensd. Dit universum met zijn bergen, bomen, oceanen en wezens is niet meer dan een atoom gefixeerd op een kop van Ananta, Hij die duizenden koppen heeft. (13) Volledig zelfvoorzienend bestaand aan de basis van de lagere werelden is Ananta de zo zeer machtige Allerhoogste Heer van een onoverkomelijke zeggingskracht en is Hij de grote van alle bovenzinnelijke kwaliteiten en heerlijkheid, die op speelse wijze terwille van haar handhaving de aarde voor de val behoed.'

(14) Aldus heb ik naar waarheid, zoals het aan mij werd doorgegeven, de bestemmingen beschreven die - afhankelijk van het karma - kunnen worden bereikt door en zijn ingericht naar de wensen van hen die verlangen naar materiële genoegens. (15) Op uw verzoek heb ik u o Koning, laten zien wat de verschillende soorten van hogere en lagere bestemmingen zijn die onvermijdelijk resulteren uit de neigingen en het plichtsbesef van de mensen. Wat moet ik u nog meer vertellen?'

*: Het vermelden van een afstand in samenhang met de transcendentale werkelijkheid van Ananta suggereert een fysiek correlaat in het universum dat te vergelijken is met de duisternis van de intergalactische ruimte die als een organische bestaansvorm van eeuwigheid, zuiverheid en goddelijkheid of vrijheid van een zelf, al de sterrenstelsels in de kosmos omsluit, een ieder zijn eigen 'slangen'-basis gevend in de duisternis van een ik-besef. De feitelijke, kortste, afstand tussen het centrum van ons sterrenstelsel en de buitenruimte bedraagt ongeveer 3500 lichtjaren.

 

Hoofdstuk 26: De Helse Werelden of de Karmische Terugslag

(1) De koning zei: 'O grote heilige, hoe kwam deze verscheidenheid van leven in de verschillende werelden tot stand?'

(2) De wijze zei: 'Door de verschillende overtuigingen waarmee de handelende persoon in relatie staat tot de drie geaardheden der natuur is er de verscheidenheid van al de bestemmingen die voor iedereen meer of minder bereikbaar zijn. (3) Vanwege de goddeloosheid van wat we kennen als verboden handelingen zal er, afhankelijk van het soort van geloof van degene die ermee bezig was, een ander gevolg bestaan in de vorm van een karmische terugslag. Laat me nu gedetailleerd uitleggen wat voor duizenden helse omstandigheden er sinds mensenheugenis typerend voor de lustgemotiveerde zielen bestaan die in hun onwetendheid op zo vele manieren op hun voordeel uit waren.'

(4) De koning zei: 'Wat men alhier de hel noemt, mijn heer, is dat een of andere plaats op aarde, bevindt zich dat buiten de ons bekende werelden of ergens tussen die werelden in?'

(5) De rishi zei: 'De hel wordt aangetroffen binnen de drie werelden: in het zuiden onder de aarde en even boven de causale wateren [onder Pâtâlaloka], in het gebied waar de voorvaderen die hun families alle zegen toewensen, onder leiding van Agnishvâttâ diep verzonken zijn in de waarheid. (6) Aldaar heeft hun heerser, de zoon van de zonnegod [Yamarâja] met zijn volgelingen zijn koninkrijk. De doden daarheen gebracht door zijn mensen worden overeenkomstig de ernst van hun karmische fouten onderworpen aan bestraffingen die worden uitgevoerd met de zorg niet in overtreding te zijn met de Allerhoogste Heer. (7) Sommige [geleerden] spreken van eenentwintig hellen o Koning, anderen tellen er achtentwintig. Hun namen, vormen en kenmerken zal ik de een na de ander met u bespreken. De [28] namen van de hellen of plaatsen der vergelding zijn: Tâmisra, Andhatâmisra, Raurava, Mahâraurava, Kumbhîpâka, Kâlasûtra, Asipatravana, Sûkaramukha, Andhakûpa, Krimibhojana, Sandams'a, Taptasûrmi, Vajrakanthaka-sâlmalî, Vaitaranî, Pûyoda, Prânarodha, Vis'asana, Lâlâbhaksha, Sârameyâdana, Avîci, Ayahpâna en verder nog Kshârakardama, Rakshogana-bhojana, S'ûlaprota, Dandas'ûka, Avatha-nirodhana, Paryâvartana en Sûcîmukha.

(8) Iemand die het geld, de vrouw of de kinderen van iemand anders afpakt kan erop rekenen [bij zijn dood] door de angstaanjagende mannen van Yamarâja in de boeien van de tijd te worden geslagen en met geweld in de hel van Tâmisra ['de duisternis'] te worden geworpen. Beland in die duistere staat moet hij hongeren, smachten naar water, wordt hij met stokken geslagen en uitgescholden en verliest hij, in wanhoop verzet, soms zijn bewustzijn als gevolg van de zware bestraffingen die hij moet ondergaan. (9) Op dezelfde manier wordt iemand die door bedrog te plegen geniet van de vrouw, het bezit etc. van een ander, met geweld in de hel geworpen die men Andhatâmisra ['blinde duisternis'] noemt omdat de belichaamde ziel door de constante kwelling aldaar behalve zijn verstand ook zijn gezichtsvermogen verliest en zo blind wordt als een boom die bij zijn wortels is omgehakt. (10) Hij die in zijn leven op aarde, zijn lichaam voor zijn zelf en bezit houdend, andere levende wezens schade berokkende terwijl hij zich dag in dag uit enkel inspande voor het onderhouden van zijn eigen gezin, zal na deze wereld te hebben verlaten zich vanwege die zonde zien belanden in Raurava. (11) Met Yamarâja die hem plaatst voor de gevolgen van zijn overtredingen, zullen de wezens die in dit leven door hem kwaad werden aangedaan, in zijn leven hierna veranderen in kwaadaardige beesten die hem in dezelfde mate kwaad zullen doen. Het is vanwege deze wilde beesten [genaamd ruru's] die venijniger zijn dan slangen, dat de geleerden spreken van Raurava ['de hel der monsters']. (12) Zo is er ook Mahâraurava [het 'grote monster'] waarin iemand wordt gedood en opgegeten door de ruru-beesten genaamd kravyâda als hij enkel voor het in stand houden van zijn lichaam [zelf doodt en eet wat hij doodt]. (13) Maar een persoon die in dit leven zeer wreed was jegens [land- en zee]dieren of vogels en ze levend kookte, wordt veroordeeld door zelfs de meest wreedaardige menseneters. Na zijn dood wordt hij door de dienaren van Yamarâja in Kumbhîpâka ['de hel van de kookpot'] geworpen om zelf in kokende olie te worden gekookt. (14) En iedereen die in dit leven een brahmaan doodt, zal in een hel [worden gedreven] genaamd Kâlasûtra ['de lange spanne tijds'] die bestaat uit een oppervlakte van koper met een omtrek van tienduizend yojana's die van boven door de zon en van onderen door vuur wordt verhit. Met zijn lichaam vanbinnen gekweld door honger en dorst en vanbuiten verschroeid, gaat hij er soms bij liggen en rolt dan heen en weer, dan springt hij weer op om daarna van hot naar haar te rennen - en dat voor de duur van net zo veel duizenden jaren als er haren zijn op het lichaam van een beest. (15) Hij die in dit leven zonder noodzaak afweek van zijn pad van zelfrealisatie en zich overgaf aan hypocrisie [of ketterij] wordt een hel ingedwongen die bekend staat als Asipatrâvana ['het messcherpe woud'] waar hij wordt  geslagen met een zweep zodat hij, naar links en rechts wegvluchtend, zijn lichaam snijdt aan de twee messcherpe randen van de palmbladeren. Hij die zijn eigen aard verloochende [en burgerplicht verzuimde] zal aldus het resultaat onder ogen moeten zien van het volgen van een dwaalweg en met veel pijn, struikelend bij iedere stap, versuft denken: 'O wat heb ik mezelf aangedaan!'  (16) Maar ieder staatshoofd of overheidsdienaar die in dit leven onschuldigen bestraft of een brahmaan lijfelijk straft, die allergrootste zondaar zal in het leven hierna belanden in de hel Sûkaramukha ['de zwijnenbek']. Aldaar zullen de verschillende delen van zijn lichaam door de sterke dienaren [van Yamarâja] worden geplet alsof het suikerriet betrof. Net als iemand die onschuldig werd ingerekend om te worden bestraft, zal hij het dan jammerlijk uitschreeuwen en door wanhoop overmand zijn bewustzijn verliezen. (17) Sommige schepselen die door de Schepper zijn ontworpen om op anderen te parasiteren veroorzaken pijn zonder zich dat bewust te zijn, maar hij die in zijn overlevingsdrang in dit leven zelf pijn veroorzaakt terwijl hij heel goed weet wat hij andere schepselen van God aandoet, belandt in zijn leven hierna in Andhakûpa ['de overwoekerde put']. Hij zal met het kwaad dat hij de desbetreffende wezens aandeed, zelf dat kwaad ondervinden. Net als de dieren met een inferieur lichaam - het wild, de vogels, de slangen, de muggen, de luizen, de wormen en vliegen en wat dies meer zij - zal hij op zijn beurt overal in de duisternis worden achtervolgd, worden gekweld en verstoord en dan ronddolen zonder dat hij een rustplaats kan vinden. (18) Hij die in zijn leven eet van wat de genade Gods hem ook maar verschafte, maar het niet deelt met anderen en aldus de vijf vormen van offeren verwaarloost [het aanbieden aan de goden, de wijzen, de voorvaderen, de behoeftigen en de dieren], is net als een kraai. Zo iemand zal in het hiernamaals terechtkomen in de allerwalgelijkste hel van Krimibhojana [van het 'zich met wormen voeden'] alwaar, belandend in een honderdduizend yojana's groot meer vol met wormen, hij zelf als een worm tot voedsel mag dienen en ook zelf mag teren op andere wormen, voor een zelfde aantal jaren als het meer groot is in yojanas. Dàt is de pijn die hij zichzelf bezorgt die - zonder boete te doen voor zijn zonden - voedsel eet dat niet werd gedeeld en geofferd. (19) Als men zonder een aanwijsbare reden in dit leven steelt of gewelddadig is en goud, edelstenen enzovoorts rooft van een brahmaan of van anderen o Koning, zal men in zijn leven hierna er door de mannen van Yamarâja toe gedwongen worden roodgloeiende ijzeren ballen vast te houden met de vingers waarmee men heeft gestolen. [Daarom wordt die hel Sandams'a, de 'grijpvingershel' genoemd.] (20) Iedereen, zowel man als vrouw, die in dit leven een partner ongeschikt voor seksuele gemeenschap benadert, zal in zijn leven erna met zwepen worden geslagen en gedwongen worden een zeer heet ijzeren beeld te omhelzen in de vorm van een man als men een vrouw was of in de vorm van een vrouw als men een man was [: Taptasûrmi, de hel van 'het roodgloeiende ijzeren beeld']. (21) Een ieder die in dit leven zonder onderscheid seksuele gemeenschap heeft [met zowel mensen als dieren b.v.] zal in zijn leven hierna in de hel Vajrakanthaka-s'âlmalî belanden ['de vlijmscherpe katoenboomdoorns'] alwaar opgehangen [aan de doorns] hij dan naar beneden zal worden getrokken. (22) Zij die in dit leven behorende tot de adelstand of de overheid, ondanks hun hoge geboorte de grenzen van het dharma hebben overschreden, zullen na hun dood belanden in Vaitaranî ['de rivier der onbeheerste hartstocht']. Gebroken hebbend met de gedragscode voor de heersende klasse worden ze in de geul rondom die hel aangevreten door de bloeddorstige dieren die hier en daar in de stroom zitten. Niet in staat zich van het lichaam los te maken en gesteund door de vitaliteit van hun zonde worden ze dan herinnerd aan hun slechte daden terwijl ze pijn lijden in die rivier vol ontlasting, urine, pus, bloed, haar, nagels, beenderen, merg, vlees en vet. (23) Degenen die in dit leven als echtgenoten van vrouwen van een lagere klasse hun reinheid, goede gedrag en geregelde leven zijn kwijtgeraakt en zich schaamteloos als dieren gedragen, zullen nadat ze stierven belanden in een oceaan vol pus, ontlasting, urine, slijm en speeksel en zich alleen maar met dat alles kunnen voeden wat zo buitengewoon weerzinwekkend is [: de Pûyoda-hel der 'stinkende wateren']. (24) De leiders behorende tot de hogere klassen - met inbegrip van de brahmanen - die in dit leven er honden of ezels op nahouden en er genoegen in scheppen om met ze te gaan jagen worden, als ze anders dan is voorgeschreven de dieren doden, na hun dood zelf het doelwit van de mannen van Yamarâja die hen zullen doorboren met pijlen [: de hel Prânarodha, 'het smoren van de adem']. (25) Mensen die in dit leven, trots op hun weelde en positie voor hun prestige in het offeren dieren doden, zullen in de volgende wereld belanden in de hel van Vis'asana ['de slapeloosheid'], waar de helpers van Yamarâja hen laten lijden en aan stukken zullen snijden. (26) Hij echter die in dit leven als iemand van de hogere klasse, verdwaasd door zijn lusten zijn echtgenote van dezelfde klasse zijn zaad doet drinken, zal door die zonde in zijn volgende leven in een rivier van sperma worden geworpen en er zelf toe worden gedwongen het te drinken [dit is de hel van Lâlâbhaksha, 'sperma als voedsel']. (27) Of die koningen die met hun soldaten in deze wereld als dieven, brandstichters en gifmengers, dorpen plunderden en karavanen overvielen, zullen worden verslonden door de zevenhonderd en twintig vraatzuchtige honden met grote tanden van de Yamadûta's [: de hel van Sârameyâdana, 'het hondenmaal']. (28) Ook hij die in dit leven een leugen bezigt of van valse getuigenis is in ruil voor goederen, schenkingen in liefdadigheid of met andere dingen, zal na zijn sterven met zijn hoofd naar beneden in vrije val van de top van een honderd yojana hoge berg worden geworpen in de hel van Avîcimat ['verstoken zijn van water']. Daar waar het kurkdroge land uit stenen bestaat en golft als een zee, sterft hij met zijn lichaam overal gebroken niet, maar wordt hij terug naar de top gebracht om weer opnieuw naar beneden te worden gegooid. (29) In het geval een brahmaan of zijn echtgenote, of wie dan ook die een gelofte daarop heeft afgelegd, in dit leven in staat van illusie sterke drank drinkt, of als iemand van de wijsheid, van het bestuur of van de handel, soma-rasa [een  gewijde bedwelmende drank] drinkt, zullen ze allen naar de hel worden gevoerd waar met de voet op hun borst geplaatst witheet gesmolten ijzer in hun monden gegoten wordt [: de hel van Ayahpâna, 'het ijzer drinken'].

(30) Daarnaast moet men ook iedereen die in dit leven, met valse trots en zonder veel respect te tonen, zichzelf onwaardig gedroeg jegens een meer eerbaar iemand van goede geboorte, verzaking, kennis, goed gedrag en trouw aan de principes, beschouwen als iemand die dood bij het leven is en na zijn heengaan, met zijn hoofd naar voren in de hel van Kshârakardama [de 'poel van bijtende modder'] wordt gegooid om daar te lijden onder de ergste kwellingen. (31) Mannen die in dit leven andere mensen offerden in aanbidding [van Kâlî] en vrouwen die mensen opeten, dergelijke moordenaars zullen als beesten worden afgeslacht in het verblijf van Yamarâja door groepen straffende Râkshasa's die, net zoals die menseneters dat deden, hen met zwaarden aan stukken snijden, hun bloed drinken en daarbij in extase dansen en zingen [: de hel genaamd Rakshogana-bhojana, 'voer van de duivel zijn']. (32) Personen echter die in deze wereld onschuldige schepselen, die een onderkomen zochten in het bos of in het dorp, naar zich toelokten en ze deden geloven dat ze in veiligheid verkeerden maar ze daarentegen pijn bezorgden door een spelletje met ze te spelen, ze te doorboren, of aan een leiband te leggen, dergelijke lieden kunnen er na hun dood op rekenen dat ze hun lichamen op gelijksoortige manier doorboord krijgen en dat ze, overmand door honger en dorst en dergelijke, worden gepijnigd aan alle kanten door de scherpe bekken van vogels als gieren en reigers zodat ze zich de zonden zullen herinneren die ze begingen [: de hel van S'ûlaprota, 'met de piek doorboord']. (33) Ook die mannen die met een kwade inborst in dit leven zonder enige noodzaak anderen pijn bezorgden, zullen na hun dood belanden in een hel genaamd Dandas'ûka ['de knuppel als antwoord'] waar o Koning, vijf- en zevenkoppige, gekraagde slangen zich voor hen zullen verheffen om hen op te eten alsof ze muizen waren. (34) Of mensen die in dit leven levende wezens opsluiten in een blinde put, in graanschuren of in grotten, zullen op dezelfde manier in hun volgende leven in diezelfde plaatsen worden gedwongen om er te worden opgesloten met giftige dampen, vuur en rook [: de hel genaamd Avatha-nirodhana, 'in het duister geworpen zijn']. (35) Iemand die in dit leven als een huishouder telkens als hij gasten of bezoekers ontving hen met een zondige blik vol woede aankeek alsof hij ze met zijn ogen wilde verzengen, zal zeer zeker in de hel belanden bestemd voor hen die er een zondige zienswijze op nahouden, alwaar iemands ogen door de machtige bekken van kraaien, gieren en reigers worden uitgepikt [de hel van Paryâvartana, 'de ogen uitgepikt']. (36) Ook die egoïsten die met een afkeurende blik in de ogen vol van achterdocht zijn jegens allen, in hun hart en gezicht verstarren bij de gedachte aan uitgaven en verlies, en als boze geesten hun weelde beschermend nimmer gelukkig zijn, zullen na de dood, vanwege de zondige handelingen om die rijkdom te beschermen en hun inkomsten te doen toenemen, belanden in een hel genaamd Sûcîmukha ['pinnig op de eerste plaats'], alwaar de aanvoerders van Yamarâja als de beste wevers met draad en naald de ledematen van het naar geld graaiende spook en de grote zondaar zullen doorstikken.

(37) Voor allen waarover ik sprak die tegen het dharma handelen en ook voor hen die ik niet ter sprake bracht, zijn er, naar gelang de mate van zondigheid, al deze soorten van hellen om in te belanden. Er bestaan er vele honderden, duizenden in het bereik van Yamarâja o Koning. Evenzo zijn er elders in deze wereld [of dit universum] voor hen die principieel en deugdzaam zijn nieuwe levens weggelegd om aan te beginnen als het einde van hun deugd danwel zonde in zicht is gekomen [vergelijk B.G. 4: 9 en 3.30: 29]. (38) In het begin beschreef ik voor u de weg van de bevrijding [in canto's drie en vier]. Daar liet ik zien hoe de Allerhoogste Heer Nârâyana in de verhalen van de Purâna zo veel kon zijn als het universum dat als een ei is verdeeld in veertien delen. Ik beschreef Zijn grofstoffelijke gedaante bestaande uit Zijn eigen energie en kwaliteiten, als zijnde rechtstreeks de Grote Persoon [de virâth-rûpa]. Hij die met achting luistert naar, zingt of uitleg verschaft over dat lied van de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Superziel zal, ook al is het nog zo lastig te begrijpen, dankzij zijn geloof en toewijding zijn intelligentie gezuiverd zien en tot begrip komen. (39) Zowel vernemend over de grofstoffelijke als over de fijnstoffelijke gedaante van de Allerhoogste Heer, dient de  toegewijde de geest die in beslag wordt genomen door de grofstoffelijke gedaante, verzonken  in contemplatie stap voor stap te leiden naar de subtiele, spirituele gedaante. (40) Van deze planeet aarde heb ik u de verschillende bereiken en gebieden, de rivieren, de bergen, de hemel, de oceanen en de richting en de ligging van de lagere werelden, de helse werelden en de hogere werelden daarboven beschreven o Koning. Hoe wonderbaarlijk is niet dit grofstoffelijk lichaam van de Allerhoogste Heer waarin de hele verzameling van levensvormen zijn plaats heeft!'
 

Aldus eindigt het vijfde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: De Aanzet tot de Schepping.

  

Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html

Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html

 

© 2009 Anand Aadhar srimadbhagavatam.org http://bhagavata.org/
© ShareAlike: refereren aan naam en website verplicht; aanpassen, uploaden en uitprinten toegestaan voor niet-commercieel gebruik.
Overig gebruik met toestemming: email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html

De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html

Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek en de versie van de Gita Press een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/